Bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing zonnepark
Tekst van het document
26 (30)
In situaties waarop de Wgh niet van toepassing is, zoals 30 km wegen en of bedrijven die niet op Wgh-gezoneerde bedrijventerreinen liggen, vind de bescherming tegen geluid via de invulling van een goede ruimtelijke ordening op basis van de Wro/Wabo plaats. Een zonnepark betreft geen geluidsgevoelige functie. Het zonnepark hoeft dan ook niet beschermd te worden tegen geluidsoverlast. Anderzijds moet beoordeeld worden of het zonnepark geen geluidsoverlast voor omliggende geluidsgevoelige functies veroorzaakt. De zonnepalen waaruit het zonnepark bestaat produceren geen geluid. In de plannen zijn de omvormers en transformatoren ingetekend op het water. Hierbij wordt minimaal 100m afstand tot de woningen aangehouden. Daarnaast voldoen alle gebruikte componenten aan de bestaande geluidsnormen. Voor de aanleg en het onderhoud wordt de bestaande toegangsweg aan de zuidzijde gebruikt. Deze is zoveel mogelijk van woningen gelegen (zie onderstaande afbeelding), waardoor ook daar geen geluidshinder plaats zal vinden.
Afbeelding 7: locatie toegangsweg. Deze wijzigt niet. 4.6 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit, dit staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen ‘kleine’ en ‘grote’ projecten. Kleine projecten dragen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Wat het begrip ‘in betekenende mate’ precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat ‘grote’ projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een ’betekenend’ negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. ’Kleine’ projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is vastgelegd in de ’Regeling niet in betekende mate bijdragen’.
27 (30)
De voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplaats gaat in de gebruiksfase niet gepaard met verbranding van (fossiele) brandstoffen. Daarnaast is er geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking door de voorgenomen ontwikkeling. Er vinden enkel verkeersbewegingen plaats in de aanlegfase. In de gebruiksfase vindt incidenteel verkeer plaats dat samenhangt met het beheer en onderhoud van het zonnepark. Dit maakt dat de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit maakt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling van een drijvend zonnepark niet in de weg staat. 4.7 Stikstof Het RIVM gebruikt AERIUS voor de monitoring van de stikstofdepositie. Daarmee wordt de stikstofdepositie in heel Nederland in kaart. Daarnaast is er een apart onderdeel in AERIUS voor de vergunningverlening. Dit onderdeel, de AERIUS Calculator, wordt gebruikt om de uitstoot van stikstof en de neerslag ervan (stikstofdepositie) op Natura 2000-gebieden te berekenen. Voor de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplas is met behulp van de meest recente versie van de AERIUS Calculator doorgerekend voor stikstof (zie rapportage Sweco d.d. 23-11-2020 met kenmerk SWNL0269204).
De resultaten van deze berekening zijn opgenomen in bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing. De berekening is een gecombineerd onderzoek voor de aanleg van twee locaties in de omgeving en daarmee dus een worst-case berekening. Uit deze berekening volgt een depositie van 0,04 mol N/ha/jaar voor beide locaties gecombineerd. Hoewel langdurige stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar vergunningplichtig is, is in een beleidsregel vastgelegd dat een tijdelijke depositie van maximaal 0,1 mol N/ha in 1 jaar in de aanlegfase niet vergunningplichtig is voor de Wnb. Dit maakt dat de hier voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplas aan de verplichtingen met betrekking tot stikstof voldoet. 4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten.
Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed op elkaar worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
28 (30)
Figuur 8: Uitsnede risicokaart, met projectgebied omlijnd met witte stippellijn
Uit de risicokaart blijkt dat er in en in de nabijheid van het projectgebied geen sprake is van risicobronnen. Ten oosten van het projectgebied zijn meerdere gasleiding van de Gasunie aanwezig. Het projectgebied ligt echter niet binnen de risicocontour van deze gasleidingen. Een zonnepark is bovendien geen gevoelige bestemming. Een zonnepark is geen inrichting die een veiligheidscontour kent. Dit maakt dat het zonnepark geen risico vormt voor omliggende gevoelige objecten, zoals woningen. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling van een drijvend zonnepark derhalve niet in de weg. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).
Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
29 (30)
Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG-brochure, daarmee is geen richtafstand voor zonneparken voor handen. Zonnepanelen zelf hebben ook geen milieubelastende effecten. De voorgenomen nevenfunctie van de zandwinplas als zonnepark levert geen hinder of gevaar op voor omliggende gevoelige functies. Echter hebben de elektrische omvormers en transformatoren die gebruikt worden om de energie te winnen wel milieubelastende functies. Hierbij is geluid het bepalende aspect voor de richtafstanden. De grootste hinder wordt veroorzaakt door zgn. inkoopstations. Op basis van vermogen worden deze in de VNG-brochure en tabellen ingedeeld. Voor een veld van 8 ha zal het vermogen niet boven de 100 MVA komen. Derhalve wordt gerekend met een richtafstand van 50 m (SBI-35 nr. C2). Omvormers kunnen op zonnige dagen een licht zoemend geluid maken. Daarom is de vergelijking gemaakt met de activiteit ‘elektriciteitsdistributie-bedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA’. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter. In het voorliggende plan ligt de dichtstbijzijnde woning op een grotere afstand (>100m). Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Dit maakt dat het aspect bedrijven en milieuzonering de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling van een drijvend zonnepark niet in de weg staat.
4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; c.
het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
30 (30)
• De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Realisatie van projecten met betrekking tot zonne-energie worden niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Zonneparken staan als zodanig niet op de C- of D-lijst in het Besluit m.e.r. Dit maakt dat de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplas niet m.e.r.-plichtig is. 4.11 Leidingen Bij de realisatie van het drijvende zonnepark op de voormalige zandwinplas dient rekening gehouden te worden met de in het projectgebied aanwezige kabels en leidingen. In het plangebied zijn voor zover bekend geen primaire hoofdleidingen aanwezig. Binnen het project worden bovendien geen grondwerkzaamheden voorzien die de in het projectgebied aanwezige kabels en leidingen mogelijk raken. Voor de werkzaamheden starten wordt door de uitvoerende partij een KLIC-melding gedaan. 4.12 Lichtreflectie De essentie van een zonnepaneel is het absorberen van licht en het omzetten in elektriciteit en niet het weerkaatsen van licht. Om de schittering tegen te gaan, krijgen de panelen standaard een speciale coating door het glas te zandstralen.
Deze behandeling vermindert reflectie en verhoogt zelfs de opbrengst doordat het zonlicht optimaal geabsorbeerd kan worden. Strikt genomen is juist dat ook wat een zonnepaneel moet doen: licht opnemen in plaats van weerkaatsen. Voor zonneparken op water wordt normaal geen reflectie analyse uitgevoerd. Dit omdat de (diffuse) reflectie van zonlicht door het bestaande wateroppervlak vele malen hoger is dan het effect van de te plaatsen zonnepanelen. De panelen worden zo vlak mogelijk geplaatst; in een hoek tussen de 8 en 15 graden om reflectie te beperken. Daarnaast is de plas volledig omsloten met een dik struweel van bomen en struiken. De direct omwonenden hebben hierdoor geen zicht op de plas, waardoor direct reflectie minimaal zal zijn. 4.13 Elektromagnetische straling Rond elektrische leidingen zoals hoogspanningsverbindingen is sprake van Extreem Laag Frequente Elektromagnetische Velden. Deze worden afgeschermd door de juiste gecertificeerde kabels en componenten te gebruiken. De omvormer zorgt voor een magnetisch veld, dat ruim onder de blootstellinglimiet blijft (zie ook specificatie sheets). Uit onderzoek van MilieuCentraal en de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) blijkt dat het elektromagnetisch veld in en rond zonneparken ver onder de blootstellingslimiet van 0,4 micro Tesla (μT) blijft.
Er bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek naar gezondheidseffecten. 4.14 Conclusie In de voorgaande paragrafen zijn alle relevante ruimtelijke- en milieuaspecten voor de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplas beschreven. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke- en milieuaspecten de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staan.
31 (30)
5
Uitvoerbaarheid
Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplas. Hierbij wordt stilgestaan bij de ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. 5.1 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In de voorgaande hoofdstukken is getoetst hoe de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de Rekoplas zich verhoudt tot het geldende rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, de in het plangebied aanwezige waarden en de relevante milieuaspecten. Daaruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met het geldende beleid en dat de in het plangebied aanwezige waarden en de relevante milieuaspecten geen belemmeringen vormen voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Hiermee is onderbouwd dat de voorgenomen ontwikkeling ruimtelijk uitvoerbaar is. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg De aanvraag van de vergunning wordt voorgelegd aan diverse partijen. De gemeente Raalte neemt dat voor haar rekening. Van de resultaten wordt een verslag opgesteld. Om te komen tot een gedragen vergunning is er in het voortraject en tijdens het opstellen van de vergunning en bijlagen contact geweest met de betrokken bevoegde gezagen. Op de eerste ontwerpen is een reactie gekomen vanuit de gemeente en provincie.
De antwoorden op openstaande vragen zijn beantwoord in een reactiememo. Deze memo is besproken op 31 maart 2021. De reacties vanuit deze memo en het overleg zijn verwerkt in deze GRO. Omgevingsparticipatie De omgeving is doorlopend betrokken bij de plannen. Niet alleen zijn er gesprekken geweest met de direct omwonenden, maar ook Duurzaam Luttenberg is betrokken bij de plannen en zal (deels) meedelen in de plannen. Zie hiervoor ook bijlage 5. Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning wordt voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen op de ontwerp omgevingsvergunning indienen. Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven. 5.3 Economische uitvoerbaarheid Voor de afspraken met Duurzaam Luttenberg voor 50% lokaal eigendom is een samenwerkingsovereenkomst opgesteld. Deze wordt later omgezet tot een exploitatieovereenkomst. Met de eigenaar van de plas is een intentieovereenkomst en huurovereenkomst opgesteld. Met de gemeente zal indien nodig een anterieure overeenkomst aangegaan worden. 5.4 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplas ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
32 (30)
Bijlage 1
Ontwerpnotitie drijvend zonnepark
Sunrock Reko Raalte | ontwerpnotitie drijvend zonnepark Onderwerp: Onderbouwing inpassingsontwerpen zonneparken Reko zandwinplas en vuilstort nabij Raalte Projectnummer: 373791 Datum: 08-04-2021
1
Inleiding
Sunrock Investments B.V. wil een drijvend zonnepark realiseren nabij Raalte, op een voormalige zandwinplas aan de Oude Twentseweg.
Voorliggende notitie is de toelichting bij de tekening ‘Drijvend zonnepark Oude Twentseweg inpassingsontwerp’ en gaat in op de volgende aspecten: • locatie | een beschrijving van de ruimtelijk-landschappelijke context van beide locaties • natuur | relevante aanbevelingen uit het natuuronderzoek voor het inpassingsontwerp • ontwerpuitgangspunten | hoe is bovenstaande verwerkt in het inpassingsontwerp? • beheer | voorgestelde beheermaatregelen Binnen de paragraaf ontwerp wordt ook ingegaan op de KGO (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) die verplicht is gesteld vanuit de provincie Overijssel. 1.1 Locatie De voormalige zandwinplas (ook wel ‘Rekoplas’) bevindt zich ten noorden van de Oude Twentseweg en ten oosten van de provinciale weg van Raalte naar Ommen via Lemelerveld, de N348. Op de historische kaartreeks hierna is te zien dat de plas in twee delen is gegraven: eerst de zuidelijke helft (v.a. 1985) en een jaar of 7 a 8 later de noordelijke helft. De uiterste noordwesthoek van de plas heeft pas rond 1995 zijn huidige verschijningsvorm gekregen. Voordat op deze locatie sprake was van zandwinning, kende de plek een kavelstructuur met een duidelijk herkenbare noordwest-zuidoost gelegen weg dwars door het gebied. Hiervan is in de huidige situatie niks meer te herkennen. De lijnen van de Oude Twentseweg en de N348 zijn al wel sinds jaar en dag in het landschap aanwezig.
De plas is volledig aan het oog onttrokken. Rondom de plas is vrij dichte omzomende beplanting aanwezig. In deze rand bevinden zich 3 privé kavels. Er is geen sprake van (recreatief) gebruik van de plas.
Van linksboven naar rechstonder:1850-1900-1950, 1965-1980-1990, 2000-2019-2019 luchtfoto
1.2 Natuur Uit het verkennend natuuronderzoek (juli 2020) blijkt, dat er geen sprake is van essentieel leefgebied van beschermde soorten. Wel zijn er kansen om ecologische meerwaarde te creëren. De aanbevelingen uit het verkennend natuuronderzoek zijn: • • •
afstand houden van het steile onderwatertalud, dat zich op ongeveer 4m uit de oeverlijn bevindt waar mogelijk aanleg van meer natuurvriendelijke oevers met beplanting en variërende waterdiepte vergroting van de biodiversiteit in de omringende bosstrook, door met beheer de verruiging en overwoekering (door met name braam) terug te dringen
1.3 Ontwerpuitgangspunten Uitgangspunt voor het drijvende zonnepark is nevenstaande panelen-configuratie, in een oost-west opstelling. Een puur oost-west gerichte opstelling matcht niet met de richtingen van de oevers van de plas en het landschap, daarom is een iets gedraaide ligging toegepast, aansluitend bij de meer noordoost-zuidwest richting van de plas. Hieronder is het basisontwerp weergegeven, zie ook achteraan deze notitie, waar dit ontwerp op schaal 1:1000 is opgenomen op een separaat blad.
Ontwerp drijvend zonnepark
In dit ontwerp zijn, mede naar aanleiding van het overleg met gemeente en provincie over het toepassen van de KGO, de volgende ontwerpuitgangspunten aangehouden die bijdragen aan de kwaliteit van de groene omgeving: Afstanden De panelen liggen op minimaal 30 meter afstand van de rand van de plas (witte stippellijn op ontwerptekening). Op een enkele plek steekt er een paneel over in deze 30 meter-zone, daar waar dit het geval is, is de diepte onder de panelen altijd meer dan 7m, zoals besproken met provincie en gemeente in april 2021. Hiermee wordt de aan de maximale bedekkingsgraad van 50% optimaal voldaan: Het ontwerp voor het drijvende zonnepark kent een oppervlakte verhouding van 45,3% panelen (67.080 m2) en 54,7% water zonder panelen (148.058m2).
Principeprofiel A: panelen liggen hier op bijna 60m vanaf de waterkant
Maatregelen aan de oever | plas-dras zones Ter bevordering van de groene kwaliteit en biodiversiteit van de plas en de oevers, worden er twee aanvullende inrichtingsmaatregelen aan de oever voorgesteld. De eerste is de aanleg van een flauwere (voor)oever in 2 zones, zie aanduiding hiernaast. In deze zones vindt geen bodemberoering plaats, maar wordt over een breedte van 10 meter direct langs de waterkant de bestaande bovenlaag afgeschraapt en in de plas geschoven. Hierdoor wordt het wateroppervlak van de plas ter plaatse van deze maatregel 10m breder, en wordt de afstand van de (toekomstige) waterkant tot de panelen dus ook 10m groter. De grond wordt voorbij het bestaande ondiepe deel (ca. 4m breed) geschoven, zodat ook daar een wat meer geleidelijk onderwatertalud ontstaat. Er worden voor deze maatregel geen bomen worden gekapt, alle bomen blijven gespaard. Door middel van deze ingreep wordt aan de tweede eis van de KGO voldaan, namelijk een 80/20 verhouding tussen het plan en de te realiseren meerwaarde. De te realiseren nieuwe oevers hebben een oppervlakte van circa 1,35ha. Dat is 20% van het te bedekken deel van de Rekoplas.
Principeprofiel B: afschrapen en schuiven ter verbreding plas-dras oever.
Maatregelen aan de oever | natuurvriendelijke oever De tweede, aanvullende, maatregel aan de oever is voorzien in 3 zones zoals hiernaast weergegeven en gaat uit van het ontstaan van meer natuurvriendelijke oevers daar waar nu sprake is van schrale oevers. De voorgestelde maatregel is het aanbrengen van oeverrollen of - matten. Deze rollen of matten bestaan voor 100% uit kokosvezels en zijn op de kwekerij ingeplant met jonge oever- en waterplanten. De kokosvezels verteren na verloop van tijd en wat overblijft is een natuurvriendelijke oever met beplanting, die een variatie aan biotoop biedt en zo bijdraagt aan vergroting van de biodiversiteit. Ook hier is dus geen sprake van bodemberoering. Door de matten of rollen iets (tussen de 2 en 4m) uit de oever te plaatsen, ontstaat in de ruimte tussen de matten en de huidige oeverlijn ook een biotoop met in de loop der tijd meer beplanting en variatie. In de aangeduide 3 zones is sprake van een doorlopende lijn van oevermatten. Om deze zones (en de plasdrasgebieden uit voorgaande maatregel) met elkaar te verbinden, worden tussen deze zones stapstenen aangebracht, door steeds kokosrollen of -matten te plaatsen over een lengte van 10m met een tussenruimte van 20m1.
Detail kokosrol principeprofiel A en enkele praktijkvoorbeelden van het toepassen van oevermatten of -rollen
1.4 Beheer Naast de hierboven getoonde inpassingsmaatregelen aan de oevers van de plas, is het voorstel om beheermaatregelen uit te voeren die bijdragen aan het ontwikkelen van ecologische meerwaarde in de vorm van meer biodiversiteit. Hierbij gaat het om het verwijderen van de helft van de ondergroei van bramen in de omringende bosstrook. Hoewel braamstruiken voedsel en schuilplaatsen leveren, zorgt overwoekering voor een eenzijdig leefgebied. Op nevenstaande foto is zichtbaar dat op dit moment inderdaad sprake is van overwoekering. Door op die plekken waar dat aan de orde is, een deel van de braam te verwijderen, krijgen meer verschillende soorten planten de kans om te groeien en ontstaat er een grotere diversiteit aan insecten, vogels en andere dieren. Daarmee draagt deze beheermaatregel bij aan het verhogen van de biodiversiteit. De exacte locaties waar dit wordt uitgevoerd, moeten ter plekke in het veld worden bepaald. Daarnaast zal in samenspraak met omwonenden een beheerplan worden opgesteld voor het groenonderhoud.
1 De provincie heeft op 8 april per mail positief gereageerd op dit voorstel.
Verantwoording Titel
Onderbouwing inpassingsontwerpen zonneparken Reko zandwinplas en vuilstort nabij Raalte
Projectnummer
373791
Datum
23-04-2021
Auteur
Elvira van der Zwaag
E-mailadres
elvira.vanderzwaag@sweco.nl
Gecontroleerd door
Rik Jansen
E-mailadres
rik.jansen@sweco.nl
Klik of tik om tekst i n te voeren.
A
30m lijn vanuit oever
oevermatten/-rollen
stapstenen oevermatten/-rollen
el B
fiel
pro fi
pro
afschuiven 10m grond t.b.v. plas-draszone
08-04-2021
DRIJVEND ZONNEPARK ZANDWINPLAS OUDE TWENTSEWEG | ONTWERP
Bijlage 2
Verkennend natuuronderzoek
Rapport Projectnummer: 373791 Referentienummer: SWNL0267947 Datum: 29-10-2020
Verkennend natuuronderzoek zonnepanelen plas Oude Twentseweg en stort Hogebroeksweg Raalte Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Definitief
Opdrachtgever: Sunrock Investments B.V.
Sweco Rozenburglaan 11 9727 DL Groningen Postbus 7057 9701 JB Groningen
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Groningen Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Germ Zeephat Adviseur Ecologie T +31 88 811 51 27 M +31 6 83 14 14 04
Verantwoording Titel
Verkennend natuuronderzoek zonnepanelen plas Oude Twentseweg en stort Hogebroeksweg Raalte
Subtitel
Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
373791
Referentienummer
SWNL0267947
Revisie
D01
Datum
29-10-2020
Auteur(s)
Rietje Klous
E-mailadres
Rietje.klous@sweco.nl
Gecontroleerd door
Germ Zeephat
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Tim Verver
Paraaf goedgekeurd
nl_rapport.docx 20161201
2 (20)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding van het onderzoek ................................................................................. 4
1.2
Voorgenomen activiteiten ........................................................................................ 5
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden................................................ 6
2.1
Toetsingskader ........................................................................................................ 6
2.2
Inventarisatie ........................................................................................................... 6
2.3
Analyse van de mogelijke effecten .......................................................................... 7
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming ................................................. 9
3.1
Toetsingskader ........................................................................................................ 9
3.2
Methode ................................................................................................................. 10
3.3
Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 11
3.4
Planten ................................................................................................................... 11
3.5
Vleermuizen ........................................................................................................... 12
3.6
Overige zoogdieren ............................................................................................... 12
3.7
Vogels .................................................................................................................... 13
3.8
Amfibieën en Reptielen ......................................................................................... 13
3.9
Vissen .................................................................................................................... 14
3.10
Ongewervelden ..................................................................................................... 14
4
Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 15
4.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 15
4.2
Natuurnetwerk Nederland...................................................................................... 15
5
Conclusies en aanbevelingen ............................................................................ 17
6
Bronnenlijst .......................................................................................................... 20
nl_rapport.docx 20161201
3 (20)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding van het onderzoek In opdracht van Sunrock Investments B.V. heeft Sweco Nederland B.V. een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd voor de aanleg van een drijvend zonnepark op een voormalige zandwinplas aan de Oude Twentseweg en een zonnepark op een oude vuilstortplaats aan de Hogebroeksweg te Raalte (zie figuur 1.1) Projecten of handelingen dienen namelijk te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: · Wet natuurbescherming: ° Natura 2000-gebieden ° Soorten · Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebieden buiten het NNN (o.a. leefgebieden weidevogels en leefgebieden akkervogels). Het verkennend natuuronderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldbezoek, specifiek veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Dit verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit onderzoek vindt toetsing plaats op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. Maar daarnaast heeft dit onderzoek als doel om input te geven aan een op te stellen landschappelijk inpassingsbeheer plan.
Waar mogelijk zoekt de initiatiefnemer naar mogelijkheden om de ecologische waarden van het gebied te verbeteren.
Figuur 1.1. Ligging plas (rood omcirkeld) en vuilstortplaats (rood omkaderd)
nl_rapport.docx 20161201
4 (20)
1.2 Voorgenomen activiteiten Het plan is om op de voormalige zandwinplas een drijvend zonnepark te realiseren en op de voormalige stortplaats een zonnepark. In onderstaande figuur is links een globale, indicatieve invulling van de plas met panelen weergegeven en is rechts de contour van de stortplaats waarbinnen panelen komen blauw aangegeven. Op beide locaties zal ten behoeve van de aanleg geen bomenkap plaatsvinden.
Figuur 1.2 Globale invulling zonneparken plas en stort.
nl_rapport.docx 20161201
5 (20)
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.
Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstofdepositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. De provinciale beleidsregels stikstof geven hier een nadere inhoudelijke invulling aan. In de navolgende paragrafen is verkend of er effecten op kunnen treden op Natura 2000gebieden op basis van de ligging van het plangebied en reikwijdte van effecten.
Indien op basis van deze verkenning effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten kunnen vervolgstappen aan de orde zijn. 2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Voor het plangebied, bestaande uit de zandwinplas aan de Oude Twentseweg en de oude vuilstort aan de Hogebroeksweg te Raalte is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied
nl_rapport.docx 20161201
6 (20)
respectievelijk Vecht- en beneden Reggegebied (4,2 km afstand) en het Boetelerveld (5,2 km afstand). Dit zijn beide gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. In afbeelding 2.1 is een globaal overzicht weergegeven van het plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000gebieden.
Afbeelding 2.1: Globale ligging van het plangebied (plas rood omkaderd en stort groen) t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden (rechtsboven Vecht- en beneden Reggegebied en bij Raalte Boetelerveld).
2.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied ligt op minimaal 4-5 km vanaf de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Vecht- en beneden Reggegebied en Boetelerveld. Directe aantasting zoals oppervlakteverlies en versnippering is niet aan de orde. Verstoring van verstoringsgevoelige dieren door beweging, geluid, trilling en licht gedurende de realisatiefase en gebruiksfase reikt tot maximaal enkele honderden meters ver. Omdat de afstanden tot omliggende Natura 2000-gebieden meerdere kilometers bedragen, zijn negatieve effecten op aangewezen soorten door verstoring in de aanleg- en gebruiksfase en uitgesloten. Door de geplande aanleg van de zonneparken kan een geringe toename in stikstofdepositie ontstaan. In de gebruiksfase vindt geen stikstofuitstoot plaats. Om negatieve effecten van
nl_rapport.docx 20161201
7 (20)
stikstofdepositie door de aanlegfase op de Natura 2000-gebieden in de omgeving uit te kunnen sluiten of aan te kunnen tonen dient een stikstofberekening met de Aerius calculator uitgevoerd te worden. Als deze tijdelijke depositie in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar is, is er in beginsel geen vergunningplicht. Als dit hoger is dient een verdere procedure doorlopen te worden.
nl_rapport.docx 20161201
8 (20)
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): · lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; · lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; · lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; · lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); · lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; · lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; · lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; · lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) · lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of
nl_rapport.docx 20161201
9 (20)
vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuwe wet. Er is dan geen ontheffing nodig.
3.2 Methode Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek en habitatgeschiktheid beoordeling, voor zover mogelijk vanuit beschikbare bronnen. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en de ruime omgeving er omheen. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: · NDFF (laatste 2015-2020);
· Soortenatlassen / verspreidingsgegevens. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek is uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Sweco op 9 juli 2020 (de voormalige zandwinplas) en 15 juli 2020 (de voormalige stortplaats). Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wet Natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek
nl_rapport.docx 20161201
10 (20)
betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet Natuurbescherming. 3.3 Voorkomende ecotopen Het plangebied bestaat uit twee delen, een zandwinplas en een voormalige stortplaats. Plas: · Open wateroppervlak; · Oevers, op de meeste plaatsen is tot aan het water begroeiing aanwezig in de vorm van bomen of struiken; · Een brede (30-50 m) bomenstrook rondom de plas. Stortplaats: · Drie percelen mais. In de voorgaande jaren was sprake van grasland; · De percelen zijn omringd met bomenrijen of bredere bomenstroken. 3.4
Planten
Beschrijving plas en gebied rondom Vanaf de ingang aan de Oude Twentseweg (het gebied is omheind) richting oosten bestaat de begroeiing uit overwegend vrij dunne (< 30 cm doorsnede) berken, eiken, esdoorns en wilgen. De ondergroei bestaat vooral uit braam en brandnetel. Langs de plas in nauwelijks begroeiing met planten. De zandbodem is goed te zien en tot ongeveer 4 m uit de oever is het ondiep, waarna het snel diep wordt. Langs de oostzijde en noordzijde is iets meer begroeiing langs de plas en zijn ook stenen gestort (stukken stoeptegels e.d.). Langs de westzijde is een deel een afwisselend met planten begroeide oever. Ook zijn hier open plekken in de bosstrook, maar verder naar het zuiden wordt het gebied ondoordringbaar met veel braam en plaatselijk opgestapelde takken. Dit is ook aan de zuidzijde tussen de zuidwesthoek en de ingang het geval. Beschrijving stort Het voormalig stort is omheind met prikkeldraad. Het bestaat uit drie hoger gelegen percelen. Op het steile talud staan bomen en struiken. Bovenop is rond de percelen ook een bomenstrook aanwezig. Tijdens het veldbezoek op 15 juli 2020 stond op alle drie de percelen mais (manshoog). Tussen het meest zuidelijke perceel en het midden perceel is een laagte aanwezig. Op het meest noordelijke perceel ligt het meest noordelijk deel wat hoger en bestaat uit ruigte.
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De plas en omringende bomen zijn afgesloten door een hek en niet toegankelijk. Er zijn daarom geen of nauwelijks waarnemingen van flora en fauna in NDFF beschikbaar. Waarnemingen van beschermde planten voor het plangebied zijn niet bekend (NDFF, 20152020). Ook tijdens het veldbezoek op 9 juli 2020 zijn geen beschermde planten aangetroffen. Het zijn vooral algemene soorten die hier voorkomen, zoals braam, brandnetel, hondsdraf en zevenblad. Plaatselijk komen wat meer bijzondere (maar niet beschermde) soorten voor als wolfspoot en brede wespenorchis. Op een stuk oever aan de westzijde staan watermunt, vossenstaart, gele waterkers, grote egelskop, hoge cyperzegge en veenbies.
nl_rapport.docx 20161201
11 (20)
Op de voormalige stortplaats zijn geen waarnemingen van beschermde planten bekend (NDFF, 2015-2020). Tijdens het veldbezoek op 15 juli 2020 zijn geen beschermde planten aangetroffen. De percelen stonden tot aan de bomen rondom vol met mais. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Voor de plas zijn in de bronnen zijn geen data beschikbaar en tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. De geplande ingreep, het plaatsen van drijvende zonnepanelen midden op de plas heeft daarom geen negatief effect op groeiplaatsen van (beschermde) planten. Op de stort zijn geen beschermde planten aangetroffen en op basis van het gebruik van de percelen zijn deze ook niet te verwachten. Voor beide delen van het plangebied is aanvullend onderzoek naar beschermde planten en een mogelijke ontheffingsprocedure niet nodig. 3.5 Vleermuizen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Er zijn in en nabij het plangebied geen waarnemingen bekend van vleermuizen (NDFF, 2015-2020). Wel valt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van onder andere gewone – en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. In beide delen van het plangebied staan ook bomen die een functie kunnen hebben als vliegroute, foerageergebied en er kunnen verblijfplaatsen aanwezig zijn in holtes in de bomen. Zowel de bomen rond de plas als de bomen rond het stort sluiten aan bij bomenrijen in de omgeving.
Ook langs de oever van plas kunnen vleermuizen vliegen. Analyse en toetsing van mogelijke effecten In het kader van de werkzaamheden worden geen bomen worden gekapt. Dit betekent dat mogelijke functies die de aanwezige bomen voor vleermuizen hebben in stand blijven. Er treden geen negatieve effecten op voor vleermuizen. 3.6 Overige zoogdieren Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Westelijk van de plas is de vrijgestelde egel waargenomen (NDFF, 2015-2020). Tijdens het veldbezoek op 9 juli 2020 zijn geen zoogdieren en geen verblijfplaatsen en/ of sporen van zoogdieren waargenomen. Wel is een skelet van vermoedelijk ree aangetroffen, terwijl het plangebied volledig omheind is. Oostelijk van de stortplaats is de in Overijssel vrijgestelde bunzing waargenomen (NDFF, 2015-2020). Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren waargenomen. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het realiseren van drijvende zonnepanelen leidt niet tot het verdwijnen van leefgebied voor zoogdieren. Beschermde zoogdieren zijn hier ook niet aangetroffen, zodat geen negatieve effecten optreden. Op de stort is op de delen waar zonnepanelen zijn gepland momenteel sprake van mais en voorgaande jaren van grasland. Dit biedt geen essentieel leefgebied voor beschermde zoogdieren. De omliggende bomenstroken hebben mogelijk wel een functie voor (beschermde) zoogdieren, maar deze blijven behouden.
Negatieve effecten zijn uitgesloten. Wel geldt tijdens de werkzaamheden de algemene zorgplicht voor zowel vrijgestelde als
nl_rapport.docx 20161201
12 (20)
beschermde soorten. Dit houdt voornamelijk in dat passerende zoogdieren de gelegenheid moet worden geboden het plangebied te verlaten. 3.7 Vogels Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Alle inheemse vogels zijn als Vogelrichtlijnsoort beschermd conform artikel 3.1 Wet natuurbescherming. Vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Op basis van het bronnenonderzoek is vastgesteld dat er in de directe en wijde omgeving van het plangebied diverse (broed)vogelsoorten zijn waargenomen in het plangebied (NDFF, 2015-2020). In het gedeelte van de plas zijn dit vooral soorten als aalscholver, blauwe- en grote zilverreiger, dodaars, fuut, diverse ganzen, eenden en zwanen, ijsvogel en ooievaar. Tijdens het veldbezoek zijn op het water nauwelijks vogels gezien, alleen een blauwe reiger. Ook bij de stort zijn veel waarnemingen van watervogels bekend, het ligt immers naast een zandwinplas. Maar ook is hier havik, bruine kiekendief (ook broedend) grasmus, graspieper, tjiftjaf etc. waargenomen (NDFF, 2015-2020). Analyse en toetsing van mogelijke effecten Verstoring van vogels treedt op wanneer er werkzaamheden uitgevoerd worden in de nabijheid van broedende vogels rond het werkgebied. Het betreft binnen dit project broedende vogels in oevers, gras/bouwland, ruigte en aanwezige bomen.
Door buiten het broedseizoen te werken, wordt verstoring van broedende vogels voorkomen. De broedperiode loopt globaal van half maart tot begin augustus. Indien het niet te vermijden is in het broedseizoen te werken, dient eerst onderzocht te worden of er in de nabijheid nesten of broedende vogels aanwezig zijn die verstoord kunnen worden. Indien dit het geval is, wordt gewacht met de werkzaamheden tot het moment dat de vogels uitgevlogen zijn. Er worden geen bomen gekapt zodat mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten behouden blijven. 3.8 Amfibieën en Reptielen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Er zijn op beide locaties geen waarnemingen bekend van reptielen (NDFF, 2015-2020). Noordelijk van de plas is heikikker aangetroffen. In de omgeving van de Sallandse Heuvelrug komt deze soort op meer plaatsen voor. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen. Op de meeste plaatsen zijn de oevers door het ontbreken van begroeiing niet erg geschikt voor amfibieën. Reptielen zijn niet waargenomen en het plangebied biedt geen geschikt habitat voor deze soortgroep. In de natte zone oostelijk van de voormalig stort is de Europees beschermde poelkikker waargenomen. De stort en omgeving bevindt zich niet in het verspreidingsgebied van poelkikker, maar op grotere afstand komt de soort wel voor. Verder is de vrijgestelde bastaardkikker daar waargenomen.
Tijdens het veldbezoek zijn langs de oostkant van de stort, waar natte delen en ook een sloot aanwezig zijn, diverse opspringende juveniele kikkers waargenomen. De soort kon niet worden vastgesteld. De sloot en de nattere delen liggen buiten het hoger gelegen plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn eveneens geen reptielen waargenomen en is gebleken dat op de voormalige stort geen geschikt habitat voor deze soortgroep aanwezig is.
nl_rapport.docx 20161201
13 (20)
Analyse en toetsing van mogelijke effecten De beschermde heikikker (nabij plas) en poelkikker (nabij stort) zijn in de omgeving aangetroffen. Omdat in het plangebied zelf geen geschikt leefgebied voor deze soorten aanwezig is, leidt het plaatsen van zonnepanelen niet tot negatieve effecten op poel- en heikikker. De oevers van de plas blijven beschikbaar voor (vrijgestelde) amfibieën. Tijdens de werkzaamheden dient de zorgplicht in acht worden genomen voor eventueel aanwezige exemplaren. 3.9 Vissen Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Op de stortplaats is geen oppervlaktewater aanwezig en van de plas zijn in NDFF (20152020) geen gegevens bekend. De kans is groot dat in de plas vis aanwezig is, maar welke soorten het zal betreffen is niet bekend. In het kader van het veldbezoek is geen uitgebreid vissenonderzoek gedaan, maar zijn langs de oevers geen vissen waargenomen. Op 17 mei 2020 heeft Profloating ten behoeve van de verankering van de panelen een dieptemeting uitgevoerd. Bij een dergelijke meting worden door de sensor normaal gesproken veel vissen gedetecteerd. Bij de in de plas uitgevoerde meting is geen vis waargenomen. De verwachting is daarom dat er niet veel vis in de plas aanwezig is. Van de beschermde vissen komen de meeste soorten voor in stromend water of in sloten met een laag modder. Alleen de kwabaal kan voorkomen in meren met een zandbodem.
Of deze beschermde soort hier voorkomt is niet bekend. Analyse en toetsing voorkomende beschermde soorten Voor de plas is niet bekend of beschermde vissen aanwezig zijn. Als de beschermde kwabaal aanwezig zou zijn, zijn negatieve effecten op deze soort (en overige niet beschermde vissen) niet te verwachten omdat de panelen midden op de plas worden geplaatst. De ondiepere delen langs de oevers blijven daarom beschikbaar als potentiele rust- en paaiplaatsen voor vissen. Voor de oude stortplaats is de toetsing op mogelijk negatieve effecten op beschermde vissen niet relevant omdat geen oppervlaktewater en vissen aanwezig zijn. 3.10 Ongewervelden Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Noordelijk van de plas zijn diverse nationaal beschermde vlinders waargenomen, namelijk gentiaanblauwtje, zilveren maan en aardbeivlinder (NDFF, 2015-2020). Tijdens het veldbezoek zijn geen libellen en vlinders waargenomen. Dit was gezien de regen ook niet te verwachten. Wel zijn op en in het water de niet beschermde schaatsenrijder en poelslak waargenomen. Vanuit het bronnenonderzoek zijn in en rond de stortplaats, geen waarnemingen bekend van beschermde soorten libellen, vlinders of andere insecten (NDFF, 2015-2020). Deze zijn ook niet te verwachten op deze maisvelden (en in voorgaande jaren gemaaide graslanden).
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het gebied noordelijk van de plas blijft volledig intact, maar ook de begroeiing rond de plas blijft bestaan. Dit betekent dat op de beschermde vlinders die in de omgeving zijn aangetroffen, geen negatieve effecten optreden. Op en in de omgeving van het stort zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen.
nl_rapport.docx 20161201
14 (20)
4
Natuurbeleidskaders
4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: · Provinciaal beleid
° Natuurnetwerk Nederland (NNN). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een ROprocedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Schema: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel. Inventarisatie De bomenstroken rond de percelen van het stort (met uitzondering van het noordelijk deel) behoren tot NNN. De plas valt buiten NNN. Noordelijk van de plas en de Veenweg is wel sprake van NNN-gebied. In afbeelding 4.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van NNN weergegeven.
nl_rapport.docx 20161201
15 (20)
Afbeelding 4.1: Plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van NNN (groen) en zone ondernemen met natuur en water buiten NNN (groen met wit). bron: Provincie Overijssel.
Analyse en toetsing effecten De bomenstroken rond de twee meest zuidelijke percelen van de oude stort behoren tot NNN. Met het plaatsen van zonnepanelen blijven de bomen allemaal intact en treden er geen negatieve effecten op de kernwaarden van deze bomenstroken op. De plas ligt buiten de begrenzing van NNN. De geplande aanleg van drijvende zonnepanelen leiden niet tot negatieve effecten op NNN.
nl_rapport.docx 20161201
16 (20)
5
Conclusies en aanbevelingen
Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op minimaal 4-5 km vanaf de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Vecht- en beneden Reggegebied en Boetelerveld. Directe aantasting zoals oppervlakteverlies en versnippering is niet aan de orde en ook verstoring is door de afstand uit te sluiten. Wel kan door de geplande aanleg van zonneparken een geringe toename in stikstofdepositie ontstaan. Om negatieve effecten van deze stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de omgeving uit te kunnen sluiten of aan te kunnen tonen, dient een stikstofberekening met de Aerius calculator uitgevoerd te worden. Als uit de Aeriusberekening blijkt dat er geen rekenresultaten boven de 0,05 mol N/ha/jr zijn, hoeft geen verdere procedure doorlopen te worden. Indien de rekenresultaten uitkomen op hoger dan 0,05 mol N/ha/jr, is wel een nadere procedure nodig. Soortenbescherming In de omgeving van het plangebied zijn enkele beschermde soorten waargenomen. Binnen beide delen van het plangebied is echter geen essentieel leefgebied van deze soorten aangetroffen. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Bomen worden niet gekapt, maar in het geval dat toch een enkele boom moet worden gekapt, moet betreffende boom gecontroleerd worden op aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten, holtes die geschikt zijn als vleermuisverblijf en op een functie als vliegroute voor vleermuizen.
Het plangebied kan gebruikt worden als broedplaats voor vogels. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen zal de aanleg van de panelen op plas en stort buiten het broedseizoen (grofweg half maart t/m juli met uitloop tot halverwege augustus) moeten plaatsvinden. Indien uitvoering van de werkzaamheden in het broedseizoen niet is te voorkomen en in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord, dient het terrein voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een deskundig ecoloog op aanwezigheid van in gebruik zijnde vogelnesten. Deze dienen gespaard te blijven zolang ze in gebruik zijn en mogen niet worden verstoord. Zorgplicht Om verstoring van migrerende, overvliegende of foeragerende vleermuizen te voorkomen, dienen de werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitgevoerd te worden en dient waar mogelijk tussen zonsondergang en zonsopgang geen directe werkverlichting of strooiverlichting (m.u.v. voertuigen) toegepast te worden, die op bosjes, bomen en gebouwen kan schijnen. Voor eventueel aanwezige algemene (vrijgestelde) soorten in de Provincie Overijssel geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt wel de zorgplicht, wat betekent dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen.
Aanwezige dieren dienen in de gelegenheid gesteld te worden het plangebied te verlaten.
nl_rapport.docx 20161201
17 (20)
Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland De plas valt geheel buiten de begrenzing van NNN. Van de oude stortplaats behoren de bomenstroken die rond de twee zuidelijkste percelen tot NNN. De percelen zelf liggen buiten de begrenzing van NNN. Voor de aanleg van de zonnepanelen op het stort worden geen bomen gekapt en blijven panelen ruim buiten deze bomenstroken. De geplande aanleg van zonnepanelen op stort en plas leidt niet tot negatieve effecten op de kernwaarden van NNN Overijssel. Samenvattende tabellen Nader effect onderzoek Mogelijk
Mitigerende maatregelen* Mogelijk
Nadere procedure Mogelijk
Geen
Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Nader veld onderzoek Aerius berekening voor aanlegfase
Nader effect onderzoek Mogelijk
Mitigerende maatregelen* Mogelijk
Nadere procedure Mogelijk
Verstoring broedvogels
Geen
Geen
Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Oude Stort
Effecten
Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden
Stikstofuitstoot
Wet natuurbescherming, soorten bescherming
Verstoring broedvogels
Natuurnetwerk Nederland
Geen
Plas
Effecten
Wet natuurbescherming, Natura 2000gebieden
Stikstofuitstoot
Wet natuurbescherming, soorten bescherming
Natuurnetwerk Nederland
Nader veld onderzoek Aerius berekening voor aanlegfase
* mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen