Bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing zonnepark
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 373791 Referentienummer: SWNL0275230 Datum: 30-04-2021
Ruimtelijke onderbouwing drijvend zonnepark Reko Raalte
Definitief
Sweco Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle Postbus 1364 8001 BJ Zwolle
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Zwolle Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Marlous de Wijs Adviseur Ruimtelijke Ontwikkeling M +31 6 11 70 65 88
Verantwoording Titel
Ruimtelijke onderbouwing drijvend zonnepark
Subtitel
Reko Raalte
Projectnummer
373791
Referentienummer
SWNL0275230
Datum
30-04-2021
Auteur
Marlous de Wijs/ Rik Jansen
E-mailadres
rik.jansen@sweco.nl
Gecontroleerd door
Deanne Reincke
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Rik Jansen
Paraaf goedgekeurd
2 (30)
Inhoud 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Ligging en begrenzing plangebied........................................................................... 5
1.3
Huidig planologisch regime ..................................................................................... 6
1.4
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
2
Planbeschrijving .................................................................................................... 7
2.1
Beknopte beschrijving geschiedenis plangebied ..................................................... 7
2.2
Beschrijving huidige situatie plangebied ................................................................. 7
2.3
Het voorgenomen plan ............................................................................................ 8
3
Beleidskaders ...................................................................................................... 11
3.1
Rijksbeleid ............................................................................................................. 11
3.2
Provinciaal beleid................................................................................................... 13
3.3
Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 17
3.4
Conclusie ............................................................................................................... 20
4
Ruimtelijke- en milieuaspecten .......................................................................... 21
4.1
Natuur .................................................................................................................... 21
4.2
Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................... 22
4.3
Water ..................................................................................................................... 24
4.4
Bodem ................................................................................................................... 26
4.5
Geluid .................................................................................................................... 26
4.6
Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 27
4.7
Stikstof ................................................................................................................... 28
4.8
Externe veiligheid .................................................................................................. 28
4.9
Bedrijven en milieuzonering .................................................................................. 29
4.10
Vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................................. 30
4.11
Leidingen ............................................................................................................... 31
4.12
Lichtreflectie........................................................................................................... 31
4.13
Elektromagnetische straling .................................................................................. 31
4.14
Conclusie ............................................................................................................... 31
5
Uitvoerbaarheid ................................................................................................... 32
5.1
Ruimtelijke uitvoerbaarheid ................................................................................... 32
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................... 32
5.3
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................... 32
5.4
Conclusie ............................................................................................................... 32
3 (30)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Sunrock Investments B.V. (hierna: initiatiefnemer) is voornemens om een drijvend zonnepark op een voormalige zandwinplas (ook wel ‘Rekoplas’) tussen Raalte en Lemelerveld te ontwikkelen. De voormalige zandwinplas is gelegen in de gemeente Raalte, ten noorden van de Oude Twentseweg en ten oosten van de provinciale weg tussen Raalte en Ommen via Lemelerveld (N348). De ontwikkeling van dit drijvende zonnepark draagt bij aan de missie van de initiatiefnemer om een significante positieve bijdrage te leveren aan de verduurzaming van Nederland en de daarmee verbonden energietransitie. Het plangebied voor het drijvend zonnepark is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Raalte, als vastgesteld op 08-06-2012. Op 30-05-2013 heeft een correctieve herziening plaatgevonden en op 19-02-2015 heeft een 2e correctieve herziening plaatsgevonden. Deze plannen zijn opgenomen in ’Buitengebied Raalte geconsolideerd’, vastgesteld op 25-02-2016. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen dit vigerende bestemmingsplan. Hiertoe wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, in afwijking van het bestemmingsplan, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3o Wabo.
We hebben daarnaast op basis van het vigerende bestemmingsplan geconcludeerd dat voor de volgende onderdelen van het plan een omgevingsvergunning benodigd is: • Buitenplans afwijken van het vigerende bestemmingsplan; • Bouw van de drijvende zonnepanelen. Deze ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op al deze onderdelen van het plan.
4 (30)
1.2 Ligging en begrenzing plangebied De voormalige zandwinplas is gelegen ten noorden van de Oude Twentseweg en ten oosten van de provinciale weg N348 tussen Raalte en Lemelerveld. De ligging van de zandwinplas is op onderstaande afbeeldingen weergegeven.
Lemelerveld
Raalte
Figuur 1: Ligging voormalige zandwinplas tussen Raalte en Lemelerveld
Figuur 2: Ligging van de voormalige zandwinplas tussen de N348, Oude Twentseweg en Veenweg
5 (30)
Het totale wateroppervlak van de zandwinplas bedraagt ongeveer 14 hectare. Op dit moment is de plas niet langer in gebruik voor zandwinning. De plas is omringd door opgaande begroeiing. Rondom de plas bevinden zich drie woningen. 1.3 Huidig planologisch regime Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Raalte, als vastgesteld op 08-06-2012 dat daarna in een verzamelplan is vastgesteld. De zandwinplas heeft de enkelbestemming ‘Water’.
Figuur 3:Vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Raalte geconsolideerd' De voorgenomen realisatie van een drijvend zonnepark past niet binnen de vigerende bestemming. 1.4 Leeswijzer De voorliggende ruimtelijke onderbouwing bestaat uit vijf hoofdstukken. In hoofdstuk twee wordt de voorgenomen ontwikkeling toegelicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk drie het beleidskader uiteengezet, waarbij wordt stilgestaan bij het geldende rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk vier worden vervolgens de relevante ruimtelijkeen milieuaspecten voor de voorgenomen ontwikkeling besproken. In hoofdstuk vijf worden de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling toegelicht.
6 (30)
2
Planbeschrijving
2.1
Beknopte beschrijving geschiedenis plangebied
Op onderstaande historische kaartreeks is te zien dat de plas in twee delen is gegraven: eerst de zuidelijke helft (vanaf 1985) en een jaar of 7 a 8 later de noordelijke helft. De uiterste noordwesthoek van de plas heeft pas rond 1995 zijn huidige verschijningsvorm gekregen. Voordat op deze locatie sprake was van zandwinning, kende de plek een kavelstructuur met een duidelijk herkenbare noordwest-zuidoost gelegen weg dwars door het gebied. Hiervan is in de huidige situatie niets meer te herkennen. De lijnen van de Oude Twentseweg en de N348 zijn wel al sinds jaar en dag in het landschap aanwezig.
Figuur 4: Historische kaartreeks, met van linksboven naar rechtsonder: 1850-1900-1950, 1965-19801990, 2000-2019-2019 luchtfoto
2.2 Beschrijving huidige situatie plangebied Het totale wateroppervlak van de voormalige zandwinplas beslaat circa 14 hectare. De plas is volledig aan het oog onttrokken door vrij dichte omzomende beplanting. Deze beplanting
7 (30)
is rond de gehele plas aanwezig. In deze groene zoom bevinden zich drie privé kavels met woningen. Op dit moment is de plas niet meer in gebruik voor zandwinning. Ook van overig (recreatief) gebruik van de plas is geen sprake.
Figuur 5: Luchtfoto van de huidige situatie
2.3 Het voorgenomen plan De omgevingsvergunningaanvraag heeft betrekking op de realisatie van een drijvend zonnepark. Dit drijvende zonnepark bestaat uit één drijvend cluster van meerdere drijvende panelen(blokken). De blokken zijn verplaatsbaar en kunnen aan elkaar gekoppeld worden. Op deze manier kan de vorm van het cluster aangepast worden aan de vorm van het wateroppervlak. Onderstaand is het ontwerp voor het drijvende zonnepark weergegeven. In bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing is een ontwerpnotitie opgenomen met een presentatietekening, inclusief principeprofielen. In deze notitie zijn de eisen vanuit de provincie en gemeente meegenomen, zoals besproken in april van 2021. Zo zijn de panelen bijvoorbeeld gemiddeld 30 meter vanuit de kant geplaatst en is de diepte van vrijgehouden waterdelen altijd meer dan 7 meter.
8 (30)
Figuur 6: Drijvend zonnepark met ruimte voor natuurvriendelijke oevers en matten
Voor het drijvende zonnepark wordt gebruik gemaakt van 2x een compactstation drijvend op het water (zie ‘transformatoren’ op bijgevoegde tekening). Dit zal een DIABOLO 40H compactstation of vergelijkbaar type zijn waarin de transformatoren worden geplaatst. Daarnaast voorziet de netbeheerder (Enexis) in het plaatsen van een betreedbaar inkoopstation. De locatie hiervan zal aan de rand van het perceel aan de zuidzijde zijn, zie ‘locatie inkoop station’ of ‘alternatieve locatie inkoopstation’ op de tekening hiernaast. De exacte locatie wordt met Enexis verder afgestemd en is afhankelijk van de detail engineering. Uitgangspunt is dat het inkoopstation niet in de beschermde bos zone wordt geplaatst, maar in de berm naast de weg.
9 (30)
Het drijvende zonnepark heeft een beoogde capaciteit van 12,17MWp en daarmee een jaarlijkse productie van 10.621MWh. Dit is gelijk aan 10,62GWh/jaar en equivalent aan het voorzien van 3268 huishoudens resulterend in 5340 ton CO2 reductie per jaar. Het drijvende zonnepark draagt dus voor ongeveer 10-11% bij aan de 2030 doelstelling van 100GWh opwek in de gemeente Raalte. Naast de hierboven getoonde inpassingsmaatregelen waarbij natuurvriendelijke oevers langs de plas worden aangelegd, worden maatregelen uitgevoerd die bijdragen aan het ontwikkelen van ecologische meerwaarde in de vorm van meer biodiversiteit. Hierbij gaat het om het aanleggen van natuurvriendelijke oevers door middel van matten en het aanleggen van plas-draszones zodat waterleven meer ruimte voor ontwikkeling krijgt. De plas-draszones worden aangelegd door de kades af te graven en de vrijgekomen grond in de plas te leggen. Er wordt geen grond aangevoerd of afgevoerd. Zo krijgen meer diverse soorten onderbeplanting een kans en ontstaat er meer afwisseling en biodiversiteit.
2.4 Beheerplan beplantingszone Rondom de plas bevinden zich hoge bomen die al lang niet meer zijn gesnoeid en de percelen van de omwonenden overwoekeren. In samenspraak met de omwonenden wordt er een onderhouds- en beheerplan voor het bosonderhoud opgesteld. Dit moet op een gedegen manier gebeuren waarbij de singel wordt uitgedund, de overhangende hoge bomen worden weggehaald en de rest wordt gesnoeid. Hierbij wordt expliciet genoemd dat dit niet inhoudt dat er halve bomen worden weggekapt of er grote stroken worden gerooid maar dat er een meerjarige onderhoudsplan komt. Er wordt gezamenlijk gekeken welke zichtlijnen de omwonenden willen behouden en/of creëren. Daarnaast wordt het beheerplan regelmatig geüpdatet middels inspraak momenten. De bosstrook rondom de plas is op een aantal plaatsen sterk verruigd en overwoekerd door braam. Hoewel braamstruiken wel een functie hebben (voedsel, schuilplaats en verpoppen rups oranjetipje) zorgt overwoekering voor eenzijdig leefgebied. Op advies van de Provincie worden deze stroken behouden. Daarnaast worden de nieuw aan te leggen plas-dras zones en oeverrollen/ matten ook meegenomen in het meerjarige beheerplan.
10 (30)
3
Beleidskaders
3.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie Met de komst van het nieuwe stelsel van wetgeving doet een nieuw instrument zijn intrede dat een antwoord biedt op deze ambitie: de omgevingsvisie. Rijk, provincies en gemeenten moeten allemaal een omgevingsvisie opstellen voor hun grondgebied. Het Rijk heeft in dit kader de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. De NOVI beschrijft de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het Nederlandse grondgebied. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Er zijn in totaal 21 nationale belangen waar de NOVI zich op richt: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5.
Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.
Ontwikkelen van een duurzame visserij. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De voorgenomen ontwikkeling van het drijvende zonnepark op de Rekoplas heeft geen betrekking op deze nationale belangen.
11 (30)
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van decentrale overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het gaat hierbij om de volgende nationale belangen: • Rijksvaarwegen, • Project Mainportontwikkeling Rotterdam; • Kustfundament; • Grote rivieren; • Waddenzee en waddengebied; • Defensie; • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; • Elektriciteitsvoorziening; • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; • Natuurnetwerk Nederland; • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. De voorgenomen ontwikkeling van het drijvende zonnepark heeft geen betrekking op deze nationale belangen. Deze ontwikkeling is daarom in lijn met het Barro. Ladder voor duurzame verstedelijking Het Rijk neemt de ladder voor duurzame verstedelijking op in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen.
De ladder voor duurzame verstedelijking heeft als doel zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Om zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik te borgen moet iedere nieuwe stedelijke ontwikkeling getoetst worden aan de behoefte aan die ontwikkeling en moet gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een zonnepark wordt echter niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017, met kenmerk ECLI:NL:RVS:2017:1724, blijkt dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering voor een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark.
Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg kunnen hebben dat he bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie.
12 (30)
Dit maakt dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling van het drijvende zonnepark op de Rekoplas. Klimaatakkoord Sinds februari 2018 hebben meer dan 100 partijen gewerkt aan een samenhangend pakket aan voorstellen waarmee het CO2-reductiedoel in 2030 gerealiseerd kan worden. Het eindresultaat hiervan is het Klimaatakkoord. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is om de nationale broeikasgasuitstoot in 2030 met 49% terug te dringen ten opzichte van 1990. In het akkoord staan meer dan 600 afspraken om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en om zo gezamenlijk de centrale doelstelling te behalen. Voor de sector Elektriciteit is afgesproken dat in 2030 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komt. Dat gebeurt, met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat hernieuwbare energie op land (wind en zon) fors groeit naar 35 miljard kilowattuur per jaar. Tegelijk groeit de vraag naar elektriciteit. Auto’s worden elektrisch, de industrie vervangt olie en gas door schone stroom. Gebouwen gaan van het gas af en zullen meer stroom nodig hebben voor verwarmen en koken. Omdat de stroomvoorziening meer afhankelijk wordt van het grillige weer zijn veel maatregelen nodig om de levering betrouwbaar te houden.
De voorgenomen ontwikkeling van het drijvende zonnepark is in lijn met de doelstellingen en afspraken die in het Klimaatakkoord zijn vastgelegd. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de Rekoplas heeft geen betrekking op nationale belangen als opgenomen in de NOVI en is in lijn met het Barro. De ontwikkeling draagt bovendien bij aan het behalen van de gestelde doelstellingen voor het vergroten van het aandeel van duurzame energiebronnen en een vergevorderde energietransitie in 2040. Ook is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de doelstellingen en afspraken die in het Klimaatakkoord zijn vastgelegd. Dit maakt dat de ontwikkeling goed aansluit bij het Rijksbeleid en de daarin gestelde doelstellingen en gemaakte afspraken. De ladder voor duurzame verstedelijking is, op grond van het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State niet van toepassing op de ontwikkeling van het zonnepark, omdat de ontwikkeling van een zonnepark door de Afdeling niet gezien wordt als stedelijke ontwikkeling. 3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie en omgevingsverordening provincie Overijssel De Omgevingsvisie schetst de visie van de provincie Overijssel op de ruimte in Overijssel. In de Omgevingsvisie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang bekeken voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving in Overijssel. De Omgevingsverordening regelt dat wat nodig is in het belang van de Omgevingsvisie Overijssel. Artikel 2.1.8 van de provinciale Omgevingsverordening verplicht de toepassing van de Kwaliteitsimpuls Zonnevelden. De toepassing van de Kwaliteitsimpuls Zonnevelden voor dit project wordt verderop in deze paragraaf beschreven. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn in de Omgevingsvisie vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Deze benadert de provincie vanuit de – overkoepelende – rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale
13 (30)
kwaliteit, waarvoor de provincie – themaoverstijgende – kwaliteitsambities heeft geformuleerd. Een duurzame energiehuishouding is een van de duurzame kwaliteitsambities die onderdeel uitmaakt van de rode draad duurzaamheid. De provincie Overijssel ambieert een duurzame energiehuishouding: hernieuwbare energie voor iedereen beschikbaar en betaalbaar. De provincie zet daarbij in op het vergroten van het aandeel energie uit bronnen als zon, wind, biomassa en ondergrond. In 2023 moet 20% van de energiebehoefte uit hernieuwbare bronnen bestaan, de ambitie voor 2030 ligt op 30%. De provincie wil dit bereiken door ondernemers, bewoners en organisaties te stimuleren te investeren in het effeciënter gebruik van energie, de opwekking van hernieuwbare energie en het aanpassen van de energie-infrastructuur. De provincie Overijssel stelt in de Omgevingsvisie dat installaties voor de opwekking van zonne-energie onmisbaar zijn voor de provinciale doelstelling voor de toepassing van hernieuwbare energie. Uit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik wil de provincie zonnepanelen en andere vormen van opwekking van zonne-energie zoveel mogelijk combineren met andere functies, bij voorkeur bebouwing.
Daarom is de eerste trede van de zonneladder van de provincie Overijssel dat zonnepanelen in principe geplaatst worden op gronden die bebouwd zijn (dus op daken) of bebouwd kunnen worden (zoals braakliggende bedrijventerreinen). De provincie Overijssel ziet de volgende mogelijkheden voor zonne-energie: • In bestaand bebouwd gebied op daken, dan wel; • In bestaand bebouwd gebied op bedrijventerreinen en braakliggende gronden, dan wel; • In de groene omgeving op bestaande bouwvlakken. In de Omgevingsvisie wordt echter ook gesteld dat nu al te voorzien is dat op daarmee op korte termijn – gelet op de technische en fiscale beperkingen – slechts in een deel van de opgave voor zonne-energie kan worden voorzien. Daarom biedt de provincie de mogelijkheid om in de Groene Omgeving tijdelijke zelfstandige opstellingen van zonnepanelen te realiseren. Het gaat daarbij om opstellingen van zonnepanelen voor een periode van circa 25 jaar op een wijze die omkeerbaar is en waarbij de oorspronkelijke bestemming gehandhaafd blijft. Handreiking Zonnevelden - Toepassing van de Overijsselse zonneladder en kwaliteitsimpuls zonnevelden Bij de ontwikkeling van duurzame energie in de groene omgeving komen verschillende beleidsdoelen van de provincie samen.
Provinciaal ruimtelijk beleid geeft mede richting aan de ontwikkeling van duurzame energie met een goede landschappelijke inpassing en maatschappelijke betrokkenheid. De Handreiking Zonnevelden – Toepassing van de Overijsselse zonneladder en kwaliteitsimpuls zonnevelden richt zich specifiek op zonnevelden in de groene ruimte. Praktijkervaringen, ervaringen met en evaluatie van toepassing van de oude handreiking, scherper geformuleerd rijksbeleid en nieuwe kennis gaven de provincie Overijssel aanleiding om de oude handreiking uit 2017 te vervangen. In de nieuwe handreiking is een striktere toepassing van de zonneladder opgenomen. Met deze nieuwe handreiking worden de provinciale regels in de verordening niet gewijzigd. De regels uit de verordening zijn verplicht, de toepassing is maatwerk. De Handreiking Zonnevelden ondersteunt dat maatwerk.
14 (30)
Zonneladder Met de zonneladder geeft de provincie haar voorkeursvolgorde voor locaties voor zonneenergie installaties. De zonneladder kent 3 treden. Uitgangspunt van de zonneladder is een multifunctionele invulling van een zonneveld in de groene ruimte (trede 1 ‘stimuleren en trede 2 ‘combineren’). Pas als gemeente en initiatiefnemer hebben verkend en gemotiveerd da trede 1 en 2 niet mogelijk zijn, dan komen monofunctionele zonnevelden (trede 3) aan de orde. Goede landbouwgronden worden daarbij ontzien. Trede 1 gaat uit van het stimuleren van: • Productie van zonne-energie op daken in bebouwd gebied: woningen, bedrijven en agrarische gebouwen, etc. • Gebruik van te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte: ongebruikte gronden, bedrijventerreinen, boven parkeerterreinen en geluidswallen. • Kleine, goed ingepaste velden op agrarische erven (tot ca. 2 ha). • Kleine, goed ingepaste zonnevelden van lokale initiatieven in stads- en dorpsranden (tot ca. 2 ha). Voor de voorgenomen ontwikkeling van het drijvende zonnepark op de voormalige zandwinplas geldt dat dit als ’restruimte’ bestempeld kan worden. Er is op dit moment namelijk geen sprake van specifiek gebruik van het wateroppervlak van deze plas.
Trede 2 gaat over het combineren met: • Gebiedsopgaven in stads- en dorpsranden en in de groene omgeving zoals klimaatmaatregelen (waterberging en tegengaan bodemdaling), extensivering van landbouw, herstel landschap en biodiversiteit, etc. Door verschillende opgaven onder, tussen en rond de panelen te realiseren wordt de ruimte multifunctioneel gebruikt. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water. • Gebiedsontwikkeling in de groene omgeving, waarbij zonnevelden aansluiten op andere gebiedsontwikkelingen of een energielandschap vormen. Door opgaven met elkaar te verbinden wordt het mogelijk lokale maatschappelijke en sociale doelen te incorporeren in de gebiedsontwikkeling. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen/of water. Trede 3 betreft het limiteren en betreft monofunctionele zonnevelden op agrarische grond of op water, primair gericht op produceren van duurzame energie. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water. Omdat meervoudig ruimtegebruik ontbreekt, wordt dit gecompenseerd met investeringen in maatschappelijke opgaven buiten het project. Bij locatiekeuzes worden goede landbouwgronden ontzien.
De combinatie van water met drijvende zonnepanelen betekent een plan in trede 3, de provincie heeft dat ook te kennen gegeven. Daarbij is de insteek, om niet alleen drijvende zonnepanelen op de plas aan te brengen, maar ook de plas, en de directe omgeving van ervan, een ecologische impuls mee te geven en de biodiversiteit op en rond de plas te stimuleren en optimaliseren. Het ontwerp voor het drijvende zonnepark kent een oppervlakte verhouding van 45,3% panelen (67.080 m2) en 54,7% water zonder panelen (148.058m2). Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan bovenstaande eis van maximaal 50% ruimtebeslag voor de panelen op water.
15 (30)
Dit maakt dat de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de Rekoplas aansluit bij de zonneladder van de provincie Overijssel. Daarmee wordt ook aangesloten op de doelstellingen en regels uit de Omgevingsvisie en -verordening. Kwaliteitsimpuls Zonnevelden Artikel 2.1.8 van de provinciale Omgevingsverordening verplicht de toepassing van de Kwaliteitsimpuls Zonnevelden. Deze Kwaliteitsimpuls geeft ruimte om zonnevelden te ontwikkelen op daarvoor geschikte locaties, onder de voorwaarde dat daarmee kwaliteit wordt gerealiseerd. De Kwaliteitsimpuls Zonnevelden is gebaseerd op de vier principes van het provinciaal kwaliteitsbeleid: • Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; • Inpassen in of bijdragen aan het landschap; • Beperken en compenseren van de effecten op landschap en ecologie; • Evenwichtige verdeling van lusten en lasten door realisatie van maatschappelijke meerwaarde. Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gaat over zonnevelden op de juiste plek en bij voorkeur met multifunctioneel ruimtegebruik. Zoals hierboven genoemd, is het streven om tegelijkertijd met de realisatie van het zonnepark, ook de biodiversiteit op en rond de plas een impuls te geven. Daarmee worden effecten op ecologie niet beperkt of gecompenseerd, maar zelfs gestimuleerd. Dit sluit aan bij het multifunctionele ruimtegebruik.
Deze verplichte Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) is verder uitgewerkt in ontwerpnotitie in de bijlage van deze GRO. Zuinig ruimtegebruik is in dit ontwerp toegepast, door de zonnepanelen slechts 45,3% van het oppervlak te laten beslaan. Ten aanzien van behoud van waterkwaliteit, wordt gesteld dat een waterdekking van maximaal 50% wordt gehanteerd als referentie voor een goede kwaliteit, waarbij nieuwe kennis en maatwerk kan leiden tot een andere verhouding. De hierboven genoemde 45,3% is het totale oppervlak aan panelen, waarbij de buitenrand van de panelen is aangehouden en alle paneeltafels als één groot oppervlak worden gezien. Inpassing in of bijdragen aan het landschap gaat over toepassing van de juiste maat en schaal, een goede en passende omranding en een passende inrichting van het zonneveld zelf. De omranding van dit zonnepark wordt gevormd door de al aanwezig beplanting rondom de plas. Het zonneveld sluit zo naadloos aan op de directe omgeving. In de huidige situatie is de plas niet zichtbaar vanaf de omringende wegen, dit zal met de realisatie van het zonnepark niet wijzigen. Binnen het principe van evenwichtige verdeling van lusten en lasten, gaat de provincie er van uit, dat de initiatiefnemer vroegtijdig in gesprek gaat met omwonenden en belanghebbenden. Sunrock is in gesprek met omwonenden, die positief staan tegenover deze ontwikkeling.
Voor de volledigheid is een communicautieplan en participatielogboek opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 5. Programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023 De energietransitie is een complexe opgave die economische, technologische, ruimtelijke, organisatorische en sociale uitdagingen met zich meebrengt. In die verandering spelen inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties de hoofdrol. Daarom heeft de
16 (30)
provincie Overijssel in samenwerking met VNO-NCW Midden, MKB Nederland-Midden, de wethouders van de gemeenten Zwolle en Hengelo, Natuur en Milieu Overijssel, netbeheerder Enexis en het Bio-Energiecluster Oost Nederland het Programma Nieuwe Energie Overijssel (NEO 2017-2023) ontwikkeld. Het toekomstbeeld voor Overijssel is dat in 2035 de bijdrage van duurzame energie aan het totale energieverbruik 35% is. Terug redenerend vanuit dit toekomstbeeld is een scenario gemaakt voor de energieopgave tot 2023, waarin de energievraag met ruim 6% is afgenomen door besparingsmaatregelen. Voor het resterende energiegebruik wordt in de NEO 2017-2023 beoogd dat in 2023 20% uit hernieuwbare bronnen gehaald wordt. In 2015 werd in Overijssel ongeveer 9,7 PJ opgewekt uit hernieuwbare bronnen. In het uitvoeringsprogramma Nieuwe Energie Overijssel wordt gestreefd naar het vergroten van de hoeveelheid hernieuwbaar opgewekte energie naar circa 20,2 PJ in 2023. Om de ambities van het NEO 2017-2023 te verwezenlijken, is dus een verdubbeling nodig van de hoeveelheid hernieuwbare energie. Hierbij wordt ingezet op wind-, zonne-, bio- en bodemenergie. Ook worden de kansen van energie uit stromende wateren en uit oppervlaktewater verkend. De doelstelling die in de NEO 2017-2023 voor zonne-energie gesteld wordt is bijna 2 PJ.
De bijdrage van zonne-energie is daarbij gerelateerd aan windenergie (in de huidige allocatiediscussie wordt er vaak een keuze gemaakt voor het opwekken van wind- of zonneenergie). Het totaal van zonne- en windenergie zou daarom tenminste 3,4 PJ per jaar moeten zijn. De voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de Rekoplas draagt bij aan de in de NEO 2017-2023 doelstelling van 20% hernieuwbare energie én aan de specifieke doelstelling van 2-3,4 PJ zonne-energie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van het drijvende zonnepark op de Rekoplas is in lijn met de omgevingsvisie en -verordening van de provincie Overijssel en de daarmee samenhangende Handreiking Zonnevelden en Kwaliteitsimpuls Zonnevelden. Bovendien draagt de ontwikkeling van dit drijvende zonnepark bij aan het behalen van de doelstellingen en ambities die gesteld zijn in het Programma Nieuwe Energie Overijssel 2017-2023.
3.3
Gemeentelijk beleid
Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0 De gemeente Raalte staat voor een grote opgave om de overstap te maken van fossiele brandstoffen met CO2 uitstoot naar duurzame energiebronnen zonder CO2 uitstoot.
17 (30)
Zonne-energie is in de energiemix een belangrijke vorm van duurzame energie voor de gemeente Raalte. Omdat de gemeente zuinig en zorgvuldig om wil gaan met de ruimte wordt de toepassing van ‘zon op dak’ gestimuleerd. Maar om alle energie die verbruikt wordt, duurzaam op te wekken zijn ook andere vormen van duurzame opwek nodig, waaronder zonneparken in het buitengebied. Gezien de omvang van de opgave zet Raalte voor zonne-energie in op de volgende ‘ladder’: • Het zoveel mogelijk stimuleren van zon op dak; • Het gebruiken van restgronden voor zonnepanelen: ‘zon op restgrond’ (bijv. braakliggende gronden, reststroken bij infrastructuur e.d.); • Kleinschalige toepassing van zonnepanelen op bestaande erven; • ‘Zon op erf’ of ‘rood voor zon’1; • Opstellingen van zonnepanelen in het buitengebied. Er zijn vijf basisuitgangspunten waar een initiatief voor een zonnepark aan moet voldoen. 1. In dialoog met de omgeving Tijdens de planvorming is doorlopend contact geweest met de eigenaar, de direct omwonenden en Duurzaam Luttenberg. Samen met hen zijn de plannen tot stand gekomen. Tijdens informatie-avonden zijn consulterende en informerende gesprekken gevoerd en zijn de plannen samen aangescherpt om te komen tot een gedragen plan. Daarnaast zijn er doorlopend gesprekken gevoerd met het initiatief Duurzaam Luttenberg.
Zij zijn niet alleen betrokken in het ontwerp maar zullen ook als lokaal eigenaar gaan optreden. De eerste afspraken hiervoor zijn inmiddels gemaakt. Van alle contactmomenten is een participatielogboek opgesteld. 2. Omvang en inpassing passend bij de omgeving Het ontwerp sluit aan bij de Handreiking Zonnvelden van de provincie Overijssel (2020) waarbij zuinig ruimtegebruik en zorgvuldige inpassing in de omgeving een belangrijke rol speelt. Daarom is er een ontwerpnotitie opgesteld (zie bijlage 1) die niet alleen ingaat op de inpassing van de panelen maar ook een extra investering doet in plas-draszones en natuurvriendelijke oevers. 3. Minimaal 50% lokaal eigenaarschap Draagvlak is een cruciale voorwaarde voor het slagen van de energieopgave. Raalte vindt het daarom belangrijk dat bewoners goed betrokken zijn bij concrete initiatieven, invloed hebben op het gebruik en kunnen meeprofiteren in de opbrengsten. Minimaal 50% van de hernieuwbare energieproductie moet in eigendom komen van de lokale omgeving. Bij het plan van de Rekoplas is Duurzaam Luttenberg aangehaakt. Naast dat zij meedachten over de plannen worden zij ook deels eigenaar van het plan. Zie hiervoor ook hoofdstuk 5. 4. Maatschappelijke meerwaarde Een zonnepark in het buitengebied heeft mogelijk impact op de omgeving.
Om mee te werken aan een zonnepark in het buitengebied is daarom maatschappelijke meerwaarde vereist. De uitdaging is om met de ontwikkeling van een zonnepark juist deze kenmerken te versterken, opgaven te realiseren en wensen mogelijk te maken. Hierdoor wordt meerwaarde gecreëerd en wordt de omgeving ‘gecompenseerd’ voor mogelijke ‘lasten’ die het zonnepark met zich meebrengt.
18 (30)
Het zonnepark aan de Rekoplas brengt directe ’lasten’ met zich mee. Er is een gedegen participartietraject doorlopen met omwonenden en Duurzaam Luttenberg. Daarnaast heeft het zonnepark geen grote impact op het landschap of de beleving daarvan. De plas is aan zicht onttrekken door een forse bomenstructuur die intact blijft na aanleg. De panelen nemen mogelijk wel indirect licht weg uit de ondiepere delen van de plas. Hier is in het ontwerp rekening mee gehouden. Op de ondiepe delen komen geen panelen te liggen en compensatie vindt plaats door middels van het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en plas-draslocaties. 5. Overige randvoorwaarden (tijdelijkheid en voldoen aan wet- en regelgeving). Initiatieven voor zonneparken moeten voldoen aan twee overige randvoorwaarden: tijdelijkheid voor maximaal 25 jaar en haalbaar en voldoen aan wet- en regelgeving. De provincie en gemeente geven de vergunningen af voor 25 jaar. Daarmee voldoet het plan van de Rekoplas automatisch aan deze doelstelling. Daarnaast toont deze GRO aan dat de plannen voldoen aan alle huidige wet- en regelgeving. Omgevingsvisie Horizon Gemeente Raalte 2040 De omgevingsvisie is een strategisch document dat richting geeft aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.
In de omgevingsvisie ligt de focus op drie kernopgaven: één gericht op het buitengebied, één gericht op de directe woonomgeving en één gericht op Raalte in de regio. De kernopgaven zijn gebaseerd op wat de inwoners van de gemeente Belangrijk vinden. De volgende kernopgaven zijn door de gemeenteraad vastgesteld: 1. Hoe geven we vorm en invulling aan de ontwikkelingen in het buitengebied, zodat het een prettige plek blijft om te wonen, werken, ondernemen en recreëren? 2. Hoe zorgen we dat bestaande wijken en dorpen leefbaar en aantrekkelijk blijven? 3. Hoe creëren we de optimale randvoorwaarden voor wonen, werken, ondernemen en recreëren in Raalte? De gemeente erkent het belang van duurzame energie. De doelstelling is daarbij te groot om deze alleen te behalen in stedelijk gebied, Duurzame energie kan ook een plek vinden in het buitengebied. Ontwikkelen in het buitengebied mag dus, maar de gemeente zoekt ook naar een divers en gemengd buitengebied. De plannen van de Rekoplas worden zorgvuldig ingepast en doen geen grote inbreuk op de omgeving. De plannen dragen bij aan de doelstellingen van de gemeente om energieneutraal te worden en door de samenwerking met Duurzaam Luttenberg wordt een energieneutrale en gezonde omgeving gecreëerd voor het nabij liggende dorp.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van het drijvende zonnepark op de Rekoplas is in lijn met het beleid van de gemeente Raalte De voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de Rekoplas draagt bij aan het behalen van de doelstellingen die ten aanzien van duurzame energie die de gemeente heeft. Bovendien draagt de ontwikkeling van dit drijvende zonnepark bij aan het behalen van de doelstellingen en ambities die gesteld zijn in de RES en energiemix van de gemeente.
19 (30)
3.4 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de Rekoplas past binnen en in lijn is met het Rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid.
20 (30)
4
Ruimtelijke- en milieuaspecten
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijk relevante aspecten voor de voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de Rekoplas beschreven. Hierbij wordt ingegaan op de volgende ruimtelijke- en milieuaspecten: • Natuur • Archeologie en cultuurhistorie • Water • Bodem • Geluid • Luchtkwaliteit • Stikstof • Externe veiligheid • Bedrijven en milieuzonering • Vormvrije m.e.r.-beoordeling • Leidingen • Lichtreflectie • Elektromagnetische straling
4.1 Natuur Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- ren regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden Soorten • Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebieden buiten het NNN (o.a. leefgebieden weidevogels en leefgebieden akkervogels). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft Sweco Nederland B.V. daarom een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd voor de aanleg van een drijvende zonnepark op de voormalige zandwinplas (referentienummer SWNL0267947, d.d. 29-10-2020). Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Dit onderzoek wordt nog geüpdatet met het oog op de toevoeging van de plas-dras zones. Het geüpdatete natuuronderzoek wordt na afronding in een addendum toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing en wordt daarnaast toegevoegd bij het aanvragen van de aanlegvergunning van de plas-dras zones. Het verkennend natuuronderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldbezoek, specifiek veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Dit verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure.
Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit onderzoek vindt toetsing plaats op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op minimaal 4-5 km vanaf de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Vecht- en Beneden Reggegebied en Boetelerveld. Directe aantasting, zoals oppervlakteverlies en versnippering is niet aan de orde en ook verstoring is door de afstand
21 (30)
uit te sluiten. Wel kan door de geplande aanleg van het zonnepark een geringe toename in de stikstofdepositie ontstaan. Om negatieve effecten van deze stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden uit te kunnen sluiten of aan te kunnen tonen is een stikstofberekening met de Aerius calculator uitgevoerd. De conclusie van deze berekening worden besproken in hoofdstuk 5.5. Soortenbescherming In de omgeving van het plangebied zijn enkele beschermde soorten waargenomen. Binnen het plangebied is echter geen essentieel leefgebied van deze soorten aangetroffen. Negatieve effecten zijn uitgesloten. In het plan voor de ontwikkeling van het drijvende zonnepark is geen sprake van bomenkap. In het geval dat toch een enkele boom moet worden gekapt, wordt de betreffende boom gecontroleerd worden op aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten, holtes die geschikt zijn als vleermuisverblijf en op een functie als vliegroute voor vleermuizen. Het plangebied kan gebruikt worden als broedplaats voor vogels. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen is het uitgangspunt dat de aanleg van de panelen op de zandwinplas buiten het broedseizoen (grofweg half maart t/m juli met uitloop tot halverwege augustus) plaatsvindt.
Indien uitvoering van de werkzaamheden in het broedseizoen niet te voorkomen is en in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord, wordt het terrein voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd door een deskundig ecoloog op aanwezigheid van in gebruik zijnde vogelnesten. Deze worden gespaard zolang ze in gebruik zijn en worden niet verstoord. Zorgplicht Om verstoring van migrerende, overvliegende of foeragerende vleermuizen te voorkomen, worden de werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitgevoerd en wordt waar mogelijk tussen zonsondergang en zonsopgang geen directe werkverlichting of strooiverlichting (m.u.v. voertuigen) toegepast, die op bosjes, bomen en gebouwen kan schijnen. Voor eventuele aanwezig algemene (vrijgestelde) soorten in de Provincie Overijssel geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt wel de zorgplicht, wat betekent dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Aanwezige dieren dienen in de gelegenheid gesteld te worden het plangebied te verlaten. De uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan deze zorgplicht. Natuurbeleidskaders – Natuurnetwerk Nederland De zandwinplas valt geheel buiten de begrenzing van NNN. De voorgenomen aanleg van het zonnepark op de voormalige zandwinplas leidt niet tot negatieve effecten op de kernwaarden van NNN Overijssel. 4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader
22 (30)
onderzoek te doen, zodat – waar nodig – de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. Voor de voorgenomen ontwikkeling van het zonnepark op de voormalige zandwinplas, waarin deze ruimtelijke onderbouwing voorziet, vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats omdat hier sprake is van een drijvend zonnepark. Daarnaast is in het vigerende bestemmingsplan geen dubbelbestemming voor Archeologie aangegeven. Archeologische waarden vormen derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het drijvende zonnepark. Naast het drijvende zonnepark worden binnen dit project natuurvriendelijke oevers en plasdras zones gerealiseerd. De natuurvriendelijke oevers worden gerealiseerd door het aanbrengen van oeverrollen of -matten. Hierbij is geen sprake van bodemberoering. In de plas-dras zones worden flauwere (voor)oevers gerealiseerd. In deze zones vindt geen bodemberoering plaats, maar wordt over een breedte van 10 meter direct langs de waterkant de bestaande bovenlaag afgeschraapt en in de plas geschoven. In het kader van het afschrapen van de vooroever is nagegaan of een effect van deze ingreep op de bescherming van archeologische waarden verwacht mag worden. Het gebied heeft een lage verwachting op de archeologische beleidsadvieskaart.
Voor gebieden met een lage verwachtingswaarde is het beleidsadvies dat er geen doelstelling voor behoud is. Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is aangegeven dat bij plangebieden groter dan 10 ha geen ingrepen dieper dan 50 cm -mv mogen plaatsvinden bij een lage archeologische verwachting. Strikt genomen is het plangebied voor dit project (de gehele plas inclusief oevers) groter dan 10 ha. De hier voorgenomen ingreep zal echter niet dieper zijn dan 50 cm. Daarnaast vinden de ingrepen plaats in de oeverzone, welke hoogstwaarschijnlijk reeds verstoord is. Dit advies is bovendien niet overgenomen in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is geen archeologische dubbelbestemming voor het projectgebied opgenomen. Ook zijn er geen bijzondere vindplaatsen in de directe nabijheid van het projectgebied. Dit maakt dat archeologische waarden ook voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen realisatie van natuurvriendelijke oevers en plas-dras zones geen belemmering vormen. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het voornaamste doel van het beschermen van het belang van cultuurhistorie is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De gemeente is wettelijk verplicht om cultuurhistorische belangen mee te wegen in ruimtelijke vraagstukken.
Het drijvende zonnepark wordt gerealiseerd op een voormalige zandwinplas. Zoals in hoofdstuk 2.1 reeds is beschreven, kende het plangebied een kavelstructuur met een duidelijk herkenbare noordwest-zuidoost gelegen weg dwars door het gebied, voordat op deze locatie sprake was van zandwinning. Van de oorspronkelijke historische structuren in het landschap zoals deze weg is in de huidige situatie niets meer te herkennen. De lijnen van de Oude Twentseweg en de N348 zijn wel al sinds jaar en dag in het landschap aanwezig. De zandwinplas is zelf een vreemd element in het landschap, dat los ligt van de oorspronkelijke structuren en volledig aan het zicht onttrokken wordt door de omliggende groenstructuur.
23 (30)
De ontwikkeling van het zonnepark kan bovendien gezien worden als onderdeel van de door de mens uitgevoerde ontwikkeling van de locatie, die is gestart door de realisatie van de zandwinplas. De ontwikkeling van een drijvend zonnepark is vanuit cultuurhistorisch oogpunt passend in deze ontwikkeling van de plek. 4.3 Water Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1.
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.
Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
24 (30)
1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en 2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Voor de voorgenomen ontwikkeling van het drijvende zonnepark op de voormalige zandwinplas is een digitale watertoets uitgevoerd. Een samenvatting van deze watertoets is bijgevoegd in bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de watertoets wordt geconcludeerd dat het project belangen van het waterschap raakt. Dit heeft te maken met de zone rond de watergang ten noorden van de plas geraakt wordt bij het verwijderen van de ondergroei in de bosrand. Tijdens het starten van de watertoets waren er plannen om ondergroei te verwijderen. Dat is momenteel niet meer aan de orde. Ook staan de plas en watergang niet met elkaar in directe verbinding. De ontwikkeling levert dus geen schade of wijzigingen aan de zone of watergang van het waterschap op. Daarom is er geen volledige waterparagraaf opgenomen. Het waterschap is echter wel bevoegd gezag met betrekking tot de aanleg van plas-dras zones zoals beoogd voor de natuurvriendelijke oevers.
Deze plas-dras oevers zijn specifiek met het waterschap besproken. Het verslag van het overleg met het waterschap wordt als addendum toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. De waterhuishoudkundige situatie zal door de realisatie van het zonnepark niet wijzigen. Het waterbergend vermogen van de zandwinplas wijzigt niet aangezien de drijvende zonnepanelen geen aaneengesloten verharding betreft. De panelen en de constructie wordt uitgevoerd van niet-uitloogbare materialen zodat de waterkwaliteit als gevolg van het plan niet significant verslechterd. De gebruikte drijfcomponenten zijn gemaakt uit HDPE en compliant met BS6920 standaarden voor het gebruik in water. Daarnaast zijn de onderdelen ISO gecertificeerd op materiaal uitloging (ISO 180/1A, ISO 1183-1, ISO 16770, ISO 179-1) en op verweringseigenschappen door het zonlicht (ISO 10289 (UV), ISO 787-15 (UV)). De metaal delen zijn gemaakt uit magnelis staal, type 620 (offshore toepassing) zodat deze niet corrosief zijn en verweren. Monitoring waterkwaliteit Het aanbrengen van drijvende zonnepanelen op oppervlaktewater kan de doelen en functies van het watersysteem beïnvloeden. Waterbeheerders zoals het Drents Overijsselse Delta en de Provincie Overijssel willen daarom inzicht hebben in de effecten die kunnen optreden door bijvoorbeeld beperkte lichttoetreding op het water onder de platforms.
Zo kan bij het afdekken van een deel van het wateroppervlak een ongunstige zuurstofhuishouding optreden. Beperkte lichtinval zou de groei van waterplanten kunnen afremmen en daarmee de zuurstofproductie. Dit zal vanzelfsprekend afhangen van de afmetingen, vormgeving en verhoudingen van de overkapping ten opzichte van de grootte van het oppervlaktewater, alsmede de systeemkenmerken van het watersysteem (diepte, stroming, getijdewerking) en klimatologische omstandigheden. Het effect op de waterkwaliteit is niet eenduidig te beantwoorden. Sunrock zal de Reko plas daarom openstellen voor onderzoeksdoeleinden en de waterkwaliteit monitoren zodat nieuwe inzichten kunnen worden opgedaan voor toekomstige ontwikkelingen.
25 (30)
4.4 Bodem Bij ruimtelijke planprocessen is het van belang of het huidige of toekomstige gebruik van de bodem afgestemd kan worden op de aanwezige bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Het doel van het Besluit is duurzaam bodembeheer, waarmee een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu wordt beoogd én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplas bestaat uit drijvende bouwwerken, waar geen mensen verblijven. Er is daarbij geen sprake van grootschalige bodemingrepen of grondverzet. Ook wordt de waterbodem ter plaatse niet grootschalig geroerd als gevolg van de ontwikkeling van het zonnepark. Dit maakt dat de kwaliteit van de (water)bodem de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling van een drijvend zonnepark niet in de weg staat. Dat geldt ook voor de verankering. Voor de verankering zal initiatiefnemer niet de oevers gaan gebruiken en geen bodemroering veroorzaken. Er wordt gebruik gemaakt van het gepatenteerde Proflex verankeringssysteem met een flexibel Seaflex deel. Hierbij worden kruislings verankeringskoorden binnenin het park gespannen richting de bodem. Deze worden met een Seaflex element verbonden aan een betonblok dat op de bodem wordt gelegd.
Momenteel zijn er nog geen natuurlijke oevers aanwezig. De voorkeur gaat uit naar een methode waarbij geen sprake is van bodem verondieping of aanbrengen/afvoeren van zand. Wel zullen er lokaal plas-dras oevers worden aangelegd door bestaand zand af te schuiven. Het ontwerp en de wijze van aanleg van deze plas-dras zones wordt toegelicht op pagina 4 van de ontwerpnotitie (als opgenomen in bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing). Voor het afschuiven van landbodem in waterbodem is bodemonderzoek noodzakelijk waarbij ook PFAS onderzocht wordt. Voor de ingreep wordt een bodemonderzoek uitgevoerd dat wordt aangeboden aan het bevoegd gezag. Pas na akkoord worden de werkzaamheden dan uitgevoerd. Parallel aan de omgevingsvergunning wordt daarom een separate aanlegvergunning aangevraagd voor het realiseren van de plas-dras oeverzones. Hiermee wordt geborgd dat het voorgenomen KGO-plan uitvoerbaar is. Hierin zal ook worden opgenomen dat de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens een ecologisch werkprotocol/gedragscode voor handelingen ten aanzien van in het wild levende planten en dieren zoals beschreven in het ecologisch onderzoek. Wanneer de grond niet de kwaliteit heeft voor de oeverontwikkeling dient de grond te worden afgevoerd en nieuwe grond te worden aangeleverd. Dit zal conform het Besluit bodemkwaliteit worden uitgevoerd. Een partijkeuring is daarvoor t.z.t.
nodig en het bevoegd gezag om de partij te keuren is het waterschap. Bodemonderzoek is dus niet nodig vooraf. 4.5 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is het wettelijke kader ter voorkoming van geluidshinder dat in acht genomen moet worden bij ruimtelijke planvorming. Het doel van de Wgh is de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen, zoals woningen, onderwijsgebouwen en zorginstellingen, én geluidsgevoelige terreinen tegen het geluid van geluidbronnen. Hierin worden drie typen geluidsbronnen onderscheiden: • Wegverkeer, • Spoorwegen, • Gezoneerde industrieterreinen.