CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Raalte Kern, Doumaterrein - toelichting

Raadsvergadering 18 juli 2023, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Raalte Kern, Doumaterrein (bespreekstuk)23.237 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

uitgevoerde bodemonderzoek is op basis van de bekende gegevens niet direct te verklaren. De licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen zijn vermoedelijk te relateren aan de waargenomen bodemvreemde bijmengingen en/of het gebruik van de locatie door de jaren heen. Wel kan gesteld worden dat de resultaten van onderhavig onderzoek in de zelfde orde van grootte vallen als de analyseresultaten van andere terreindelen (MM BG 1 & MM BG 2) uit het onderzoek van 2019. Ter plaatse van de eerder aangetoonde minerale olie verontreiniging zijn hooguit licht verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. In geen van de monsters zijn gehalten aan vluchtige aromaten boven de achtergrondwaarde aangetoond. Aangezien het niet mogelijk was om ter plaatse van boring 1008 een boring met peilbuis op diepte te krijgen, is de actuele kwaliteit van de grond en verticale omvang van de minerale olie verontreiniging niet vastgesteld. Uit de analyseresultaten van het onderzoek ter plaatse van de verfkluis/spuiterij blijkt dat in het verontreinigde traject met vluchtige aromaten (aangetoond in onderzoek van Hunneman uit 2006) geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten zijn aangetoond. Vermoedelijk is de verontreiniging door natuurlijke afbraak niet meer aanwezig in de grond.

Resultaten grondwater Chemisch-analytisch zijn in het grondwater ter plaatse van de verfkluis/spuiterij hooguit licht verhoogde

Raalte Kern, Doumaterrein

29

concentraties aan minerale olie gemeten. In geen van de grondwatermonsters zijn verhoogde concentraties gemeten aan vluchtige aromaten. De sterk verhoogde concentraties aan vluchtige aromaten die tijdens eerder onderzoek zijn gemeten zijn tijdens onderhavig onderzoek niet opnieuw aangetoond. Mogelijk is sprake van natuurlijke afbraak maar mogelijk is als gevolg van de grondwaterstroming ook sprake van een verspreiding cq. verplaatsing van de verontreiniging. Tijdens het onderzoek uit 2019 zijn vergelijkbare concentraties aan minerale olie gemeten in het grondwater. Gesteld wordt dat de grondwaterkwaliteit niet significant afwijkt van de resultaten uit 2019. De verhoogde concentraties aan minerale olie zijn te relateren aan het voormalige gebruik van betreffende deellocatie. Conclusies en aanbevelingen onderzoek De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de zware metalen verontreiniging en de verfkluis/spuiterij. Ter plaatse van de minerale olie verontreiniging was het echter niet mogelijk om de bodemkwaliteit volledig te actualiseren en de omvang van de (eventuele) verontreiniging volledig in kaart te brengen. Hierbij dient wel vermeld te worden dat de sterke minerale olie verontreiniging in het traject 0,4 tot 0,8 m-mv niet opnieuw is aangetoond.

Zware metalen verontreiniging De gestelde hypothese 'verdacht' voor de deellocatie kan worden aangenomen aangezien in grond licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen zijn aangetoond. Aangezien hooguit licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen zijn aangetoond, vormt de bodemkwaliteit ter plaatse van deze deellocatie geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging. Minerale olie verontreiniging De gestelde hypothese 'verdacht' voor de deellocatie kan worden aangenomen aangezien in grond licht verhoogde gehalten aan minerale olie zijn aangetoond. Tijdens het onderzoek was het niet mogelijk om de kwaliteit van het grondwater vast te stellen. Op basis van de resultaten wordt echter niet verwacht dat de verontreiniging zich tot in het grondwater heeft verplaatst. Het advies is om na verwijdering van de verharding alsnog een peilbuis te plaatsen om dit vermoeden definitief vast te stellen. Actualisatie verfkluis/spuiterij De gestelde hypothese 'verdacht'· voor de deellocatie kan worden aangenomen aangezien in het grondwater licht verhoogde concentraties minerale olie zijn gemeten. Aangezien hooguit licht verhoogde concentraties zijn gemeten, bestaat er ter plaatse van deze deellocatie geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging.

Algemeen Gezien de vele aanwezige verharding en de nog in uitvoering zijnde bedrijfsactiviteiten is het advies om het benodigde eindsituatie bodemonderzoek uit te voeren als de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt en de vloeren en verhardingen verwijderd zijn. Hierbij wordt geadviseerd om aandacht te besteden aan de grondwaterkwaliteit ter plaatse van de minerale olie verontreiniging. Ter plaatse van de verfkluis/spuiterij en de (lichte tot matige) zware metalen verontreiniging wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Verder dient asbestonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij rekening gehouden dient te worden met het waargenomen asbestverdachte materiaal uit boring 3001d. Conclusie: Overall kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de juridische en financiële haalbaarheid van de bestemmingswijziging naar wonen. De sanering van de sterke verontreiniging maakt de bodem ter plekke geschikt voor de beoogde functie. De licht verhoogde gehalten in de bodem op het overige terreindeel vormen geen belemmering voor de wijziging naar de functie wonen.

4.4

Conventionele explosieven

Toetsing Voor de ontwikkeling van het terrein van Douma Deuren zal geroerd worden in de bodem. Ook zullen

Raalte Kern, Doumaterrein

30

algehele grondwerkzaamheden in de omliggende terreinen plaatsvinden. Om de kans op het aantreffen van niet gesprongen explosieven in te kunnen schatten is door BPD Ontwikkeling B.V. aan ECG opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een vooronderzoek nar broneisen van het vigerende WSCS-OCE en het aankomende Procescertificaat Vooronderzoek en Risicoanalyse. Vastgesteld kan worden dat in 1944 en 1945 bombardementen op de spoorbrug en omgeving te Raalte hebben plaatsgevonden. Op basis van de beschikbare gegevens, luchtfoto's en dergelijke kan worden vastgesteld dat in het noordelijk gedeelte van het onderzoeksgebied (plangebied) een verhoogde kans is op het aantreffen van afwerpmunitie. Verder is ook vastgesteld dat op basis van een bombardement op 19 maart 1945 het onderzoeksgebied en directe omgeving is gebombardeerd. Hierdoor is ook in het oostelijke gedeelte van het onderzoeksgebied sprake van een verhoogde kans op het aantreffen van afwerpmunitie. Een gedeelte van het onderzoeksgebied is aan te merken als verdacht voor het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten. Meer specifiek is een deel van het onderzoeksgebied verdacht op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten in de niet-naoorlogs geroerde bodem.

Als binnen de als verdacht aangemerkte gebieden grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden in de niet-naoorlogs geroerde bodem, adviseert het ECG het proces van explosieven-opsporing voort te zetten. Aan de hand van de mogelijk en onmogelijkheden van het te bewerken gebied zal in overleg met een gecertificeerd opsporingsbedrijf bepaald moeten worden welke opsporingsmethode dient te worden gehanteerd en welke (mogelijk verdere) maatregelen genomen dienen te worden met betrekking tot een veilige omgang met explosieven. Een onderscheid in gebieden is weergegeven op onderstaand kaartoverzicht.

Afbeelding 4.1: Bodembelastingkaart, Bijlage 5 Vooronderzoek aantreffen Onontplofte Oorlogsresten (bron: ECG) Voor de gebieden die als onverdacht aangemerkt zijn adviseert ECG de geplande werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren. Geadviseerd wordt om het uitvoerend personeel voorafgaand aan de werkzaamheden te instrueren aan de hand van protocol Toevalsvondst. Bij het aantreffen van munitieverdachte objecten moet direct contact opgenomen worden met de politie. Het volledige rapport is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.

Raalte Kern, Doumaterrein

31

Conclusie: Binnen het verdacht gebied zal bij grondroerende werkzaamheden het proces van explosievenopsporing gevolgd moeten worden. Aan de hand van de mogelijk- en onmogelijkheden van het te bewerken gebied zal in overleg met een gecertificeerd opsporingsbedrijf bepaald moeten worden welke opsporingsmethode gehanteerd moet worden en welke (mogelijke verdere) maatregelen getroffen moeten worden voor een veilige omgang met explosieven. Bij de onverdachte gebieden moeten het uitvoerend personeel geïnstrueerd worden volgens protocol. Wordt voorgaande uitgevoerd, dan zijn er voor wat betreft het aspect conventionele explosieven geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

4.5

Cultuurhistorie

Wettelijk kader De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging van artikel 3.6.1, lid 1 van het Bro geleid. Ieder ruimtelijk plan dient nu tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover sprake is van cultuurhistorie dient daarnaast aangegeven te worden op welke wijze met de mogelijk in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Toetsing Enige cultuurhistorische waarde op het terrein zou de bestaande schoorsteen kunnen zijn. De schoorsteen dateert uit de tijd van de timmerfabriek. De schoorsteen is gebouwd in de oorlog, wat voor die tijd uitzonderlijk was, maar is verder vergelijkbaar met andere schoorstenen in Nederland, die ook wel bij functieverandering worden gesloopt. Vastgesteld kan worden dat de schoorsteen niet is aangewezen als monument, niet als rijks en ook niet als gemeentelijke monument. Het plangebied, zo kan worden vastgesteld, bevat geen cultuurhistorische waarden, waarbij in dit plan rekening mee moet worden gehouden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Ecologie

Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.

Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Toetsing Door Ecogroen is ecologisch onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van dit bestemmingsplan op aanwezige beschermde natuurwaarden. Ecogroen heeft een rapport uitgebracht,

Raalte Kern, Doumaterrein

32

dat als Bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd. De samenvatting is integraal overgenomen uit de rapportage. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt 2,8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boetelerveld. Directe negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Indirecte (uitstralende) effecten door bijvoorbeeld licht of geluid worden gezien de afstand tot habitattypen en leefgebieden eveneens uitgesloten. Alleen effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie kunnen niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening is uitgevoerd om de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. De berekening toont aan dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op hiervoor gevoelige habitats en leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden voor de gebruiksfase (0,00 mol/ha/jaar). Voor de aanlegfase is er wel sprake van toename van stikstofdepositie. Hierom is het instrument intern salderen onderzocht. Uit een verschilberekening blijkt dat er na verdiscontering met de referentiesituatie (bestaand gebruik) geen toename van stikstofdepositie optreedt als gevolg van de aanlegfase op Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen vervolgstappen aan de orde. De provinciale regels van Overijssel over het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan.

Er is hier sprake van een bestemmingplanwijziging, maar negatieve effecten zijn uitgesloten door de grote afstand (1,7 kilometer) tot het NNN. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Soortbescherming In alle gebouwen in het plangebied doen zich potentieel geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen voor. Daarom is aanvullend nachtelijk onderzoek uitgevoerd. Tijdens het aanvullend onderzoek is één zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Er is ook een baltsterritorium van gewone dwergvleermuis vastgesteld, die vermoedelijk samenvalt met het zomerverblijf. Het betreft zodoende een paar- en zomerverblijfplaats. Deze gaat verloren als gevolg van de sloop en herontwikkeling. Tijdens het aanvullend onderzoek zijn vier waarnemingen van egel gedaan, waaronder een waarneming van een egel slepend met nestmateriaal. Dit duidt op een vaste verblijfplaats. De verblijfplaats en een deel van het leef- en foerageergebied gaan verloren als gevolg van de herontwikkeling. Tijdens het aanvullend onderzoek is een verblijfplaats van een steenmarter vastgesteld in de meest noordelijke fabrieksloods. De verblijfplaats gaat verloren als gevolg van de herontwikkeling. Andere grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming geldt, zoals waterspitsmuis, das, bunzing en hermelijn, worden uitgesloten.

Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn niet aan de orde. In de quickscan natuurtoets zijn potenties voor jaarrond beschermde nestplekken aangetroffen, maar tijdens het aanvullend onderzoek zijn geen nesten van huismus of gierzwaluw gevonden. Vervolgstappen ten aanzien van huismus en gierzwaluw zijn hierdoor niet aan de orde. Zowel tijdens het quickscanonderzoek als tijdens het aanvullend onderzoek is een nest van zwarte roodstaart binnen het plangebied aangetroffen. Deze nestplaats en bijbehorend foerageergebied gaat verloren als gevolg van de herontwikkeling. Binnen het plangebied en de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn gedurende de broedtijd enkele algemene vogelsoorten broedend te verwachten. Bij de geplande werkzaamheden kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn niet aan de orde. Het plan heeft geen negatief effecten op beschermde flora, reptielen, vissen en ongewervelden. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn niet aan de orde.

Advies en vervolgstappen Een AERIUS-berekening is uitgevoerd om de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. De berekening toont aan dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op hiervoor gevoelige habitats en leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden voor de gebruiksfase (0,00 mol/ha/jaar). Voor de aanlegfase is er wel sprake van toename van

Raalte Kern, Doumaterrein

33

stikstofdepositie. Hierom is het instrument intern salderen onderzocht. Uit een verschilberekening blijkt dat er na verdiscontering met de referentiesituatie (bestaand gebruik) geen toename van stikstofdepositie optreedt als gevolg van de aanlegfase op Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen vervolgstappen aan de orde. De provinciale regels van Overijssel over het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Er is hier sprake van een bestemmingplanwijziging, maar negatieve effecten zijn uitgesloten door de grote afstand (1,7 kilometer) tot het NNN. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Ecologisch werkprotocol Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden op binnen het plangebied worden de werkzaamheden conform het opgestelde werkprotocol uitgevoerd. Het protocol is op locatie aanwezig en bekend bij alle betrokken partijen. De werkzaamheden worden begeleid door een ter zake kundige ecologisch toezichthouder met kennis op het gebied van broedvogels, vleermuizen, egel en steenmarter. Afwijken van het ecologisch werkprotocol is alleen mogelijk na overleg met de ecologisch toezichthouder. Zeven werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden vindt een startmelding plaats bij de provincie Overijssel. Voorgaande zijn de algemene uitgangspunten voor het werkprotocol.

Er zijn nog meer punten, waar men zich aan moet houden. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 2 Ecologisch werkprotocol. In het werkprotocol zijn verder voorzorgsmaatregelen opgenomen over alternatieve verblijfplaatsen en leefgebied, over het verwijderen van struweel en kap bomen, ongeschikt maken en sloop van gebouwen, de periode tussen sloop en nieuwbouw, permanente alternatieve verblijfplaasen gewone dwergvleermuis en een aantal overige voorzieningen. Voor de duidelijkheid zijn alle maatregelen opgenomen in deze toelichting. Het gaat om de volgende maatregelen: 1. In het voorjaar van 2022 zijn op een gebouw ten zuidwesten van het plangebied vier, tijdelijke vleermuiskasten (type VKWS01) opgehangen die geschikt zijn als zomer- en paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis (afbeelding 4.2);

Afbeelding 4.2: Locatie tijdelijke vleermuiskasten (blauwe rondjes) in omgeving plangebied (bron achtergrond: PDOK 2. De tijdelijke kasten blijven tenminste hangen totdat er permanente vervangende verblijfplaatsen in de nieuwbouw zijn gerealiseerd en deze minimaal zes maanden beschikbaar zijn, waarbij alleen de actieve maanden april tot en met oktober meetellen. Op deze manier is er een overlap tussen aanwezigheid van tijdelijke voorzieningen en het beschikbaar komen van permanente verblijfplaatsen in het projectgebied na de bouw van de woningen; 3. In juni 2022 zijn er rond het plangebied, twee permanente alternatieve verblijfplaatsen geschikt voor egel en vier takkenrillen geplaatst, voor locatie en foto's: zie Bijlage 2;

Raalte Kern, Doumaterrein

34

4. Op enkele plaatsen rond de verblijfplaatsen van egel wordt foerageergebied voor egel verbeterd door aanleg van bladhopen en aangepast maaibeheer; 5. In juni 2022 zijn er rond het plangebied, twee permanente alternatieve verblijfplaatsen geschikt voor steenmarter geplaatst, voor locatie en foto's: zie Bijlage 2 ; 6. Bij de ingang van de nieuwe marterverblijfplaats worden lokstoffen (vis- of valeriaanolie) aangebracht, zodat steenmarters de aangebrachte verblijfplaats sneller ontdekken; 7. De delen van het plangebied rond de alternatieve verblijfplaatsen van egel en steenmarter worden afgeschermd met (bouw)hekken die voor egel en steenmarter passeerbaar zijn. Deze terreindelen blijven tijdens de inrichtingswerkzaamheden intact voor egels en steenmarters als uitwijkgebied; 8. Het verwijderen van struweel en kappen van bomen wordt buiten de kwetsbare periode van de egel en broedvogels uitgevoerd: in de maanden september en/of oktober; 9. Om te voorkomen dat egels bij het rooien van het groen worden geschaad, wordt het plangebied circa twee weken voorafgaand aan deze werkzaamheden ongeschikt gemaakt voor egel door opgaande begroeiing bovengronds te snoeien. Vervolgens wordt de vegetatie kort gehouden (maximaal 10 cm); 10.

Eén tot twee dagen voor aanvang van de kap- en rooiwerkzaamheden controleer de ecologisch toezichthouder de begroeiing op de aanwezigheid van egel en eventuele broedvogels. Mochten er nog egels of broedende vogels aanwezig zijn dan worden de werkzaamheden ter plekke uitgesteld tot op een in overleg met de ecologisch toezichthouder te bepalen moment. In geval van een verblijfplaats van egel dienen de werkzaamheden in een zone van circa 2 meter rond het nest te worden uitgesteld tot de aanwezige egel uit eigen beweging een ander heenkomen heeft gezocht; 11. De snoei en kap van de beplanting wordt gefaseerd en zoveel mogelijk in één richting uitgevoerd om eventueel aanwezige egels de kans te geven om te ontkomen; 12. De uitvoering van werkzaamheden op plaatsen waar beschermde soorten zijn aangetroffen vindt plaats: a. Na het ongeschikt maken van het betreffende gebouw voor vleermuizen (zie punt 14); b. Buiten de kwetsbare voortplantingsperiode van steenmarter (april t/m juni); 13. Maximaal één week voor aanvang van de sloopwerkzaamheden worden de gebouwen in het plangebied gecontroleerd op de aanwezigheid van broedvogels. Mochten broedende vogels aanwezig zijn dan worden de werkzaamheden ter plekke uitgesteld tot de jongen zijn uitgevlogen. In de periode december-half februari is een broedvogelcheck niet nodig; 14.

De dienstwoningen in de noordwesthoek van het plangebied worden in de periode oktober t/m medio november ongeschikt gemaakt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis. Dit gebeurt door het aanbrengen van exclusion flaps afgewisseld met rugvulling of spouwborstels op alle mogelijke invliegopeningen. Hiermee wordt voorkomen dat vleermuizen zich tijdens de werkzaamheden in de gebouwen bevinden. Het ongeschikt maken wordt uitgevoerd door een hiervoor gespecialiseerd bedrijf in een periode waarbij de avondtemperatuur 10 graden Celsius is of hoger. Er wordt daarna minimaal een week gewacht met sloopwerkzaamheden zodat mogelijk aanwezige vleermuizen de bebouwing kunnen verlaten; 15. Het ongeschikt maken vindt plaats aan het einde van de actieve periode van gewone dwergvleermuis, buiten de kwetsbare winterrustperiode. Afhankelijk van de weersomstandigheden kunnen de kwetsbare periodes eerder of later beginnen en eindigen dan weergegeven. De ecologisch toezichthouder beoordeelt wanneer de kwetsbare periodes in het jaar van uitvoering op die specifieke locatie beginnen en eindigen. Als dit oordeel afwijkt van de weergegeven periodes, wordt dit oordeel onderbouwd beschreven in het logboek; 16. Vanaf vijf dagen na het ongeschikt maken van de woningen wordt door middel van een ochtend of avondschemerbezoek een uitvliegcheck gedaan in verband met mogelijk nog aanwezige vleermuizen.

Het bezoek wordt uitgevoerd door een vleermuisdeskundige met behulp van een batdetector, onder bij nacht geschikte vliegomstandigheden voor vleermuizen (>10 graden Celsius, wind max 4 Beaufort en maximaal motregen); 17. Indien er alsnog vleermuizen uitvliegen, dan dienen aanvullende maatregelen getroffen te worden om te voorkomen dat vleermuizen in de bebouwing verblijven. Vervolgens dient weer een uitvliegcheck te worden gedaan; 18. De sloop van de gebouwen kan pas starten na vrijgave door de ecologisch deskundige; 19. De sloop van de hoofdloods met verblijfplaats van steenmarter en overige gebouwen wordt gefaseerd en zoveel mogelijk in één richting uitgevoerd om eventueel aanwezige steenmarters de kans te geven om te ontkomen. Gestart wordt met het verwijderen van de buitenkant van het dak, daarna kan het systeemplafond worden verwijderd;

Raalte Kern, Doumaterrein

35

20. In de periode tussen de sloop van de gebouwen worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat zich op het terrein waar nog gewerkt moet worden broedvogels of grondgebonden zoogdieren gaan vestigen. Hiervoor worden de volgende maatregelen uitgevoerd: a. Het in het groeiseizoen (april-oktober) maandelijks maaien van het terrein om te voorkomen dat er broedbiotoop voor vogels ontstaan of foerageergebied voor egel; b. Het afvoeren van sloopmateriaal en voorkomen dat hopen met sloopafval of puin lang blijven liggen. Deugdelijk afdekken van dergelijke hopen zodat zich hier geen grondgebonden zoogdieren zoals de steenmarter in vestigen is ook een mogelijkheid; c. Het voorkomen van plasvorming in het terrein. Plassen kunnen voortplantingshabitat voor amfibieën vormen; 21. Tijdens de bouw van de nieuwe woningen worden in gevels van de nieuwbouw in het noordelijk deel van het plangebied minimaal vier permanente inmetselkasten voor vleermuizen aangebracht, locatie: zie afbeelding 4.3 ;

Afbeelding 4.3: Locatie permanente alternatieve verblijfplaatsen gewone dwergvleermuis (rode stippen) in nieuwbouw. (bron: I'M Architecten) 22. De inmetselkasten zijn van het type IB VL 05 Inbouwsteen Vleermuizen (Vivara Pro) of gelijkwaardig. Dit type inmetselkasten is onder meer geschikt als zomer- en paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis; 23. De inmetselkasten worden aangebracht volgens de uitgangspunten voor realisatie van permanente alternatieve verblijfplaatsen uit het Kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017a). Dit houdt in dat: a. Er in overmaat alternatieve permanente verblijfplaatsen worden aangeboden. Er wordt in dit geval een compensatiefactor van vier maatwerkvoorzieningen per verloren verblijfplaats gehanteerd; b. De inmetselkasten binnen een straal van 100 meter van de aangetroffen verblijfplaatsen aangebracht; c. De inmetselkasten zo hoog mogelijk geplaatst worden, maar op zijn minst drie meter hoog; d. De inmetselkasten buiten bereik van predatoren en kunstlicht worden geplaatst, een vrije aanvliegroute hebben en in verschillende windrichtingen aangebracht worden; 24. Bij de herinrichting van het terrein worden in de plantsoenen rond de egel- en steenmarterverblijfplaatsen bij voorkeur streekeigen en inheemse struiken aangeplant die aanvullende dekking bieden zoals een haag of struweel; 25.

Bij de aanleg van de woonwijk wordt vleermuisvriendelijke verlichting toegepast. 26. Minimaal zes maanden (in de actieve periode van vleermuizen: april tot en met oktober) nadat de permanente alternatieve verblijfplaatsen voor vleermuizen in de woonwijk zijn gerealiseerd worden de tijdelijke vleermuiskasten verwijderd; 27. Het verwijderen van de tijdelijke vleermuiskasten mag alleen buiten de kwetsbare perioden van de

Raalte Kern, Doumaterrein

36

gewone dwergvleermuis plaatsvinden in een periode dat de nachttemperatuur 10 graden Celsius is of hoger; 28. Het verwijderen van de tijdelijke vleermuiskasten vindt alléén plaats nadat er bij een visuele inspectie is vastgesteld dat er zich geen vleermuizen meer in de kasten bevinden. Als er wel vleermuizen aanwezig zijn, kunnen er binnen de looptijd van de ontheffing nadere maatregelen nemen om de vleermuizen te laten vertrekken. Na het verlopen van de ontheffing geldt een vleermuizenkast waar vleermuizen gebruik van maken als beschermde verblijfplaats. Dan is een ontheffing nodig om de kast te verwijderen. Groene leefomgeving BPD Ontwikkeling BV heeft Ecogroen gevraagd om een lijst op te stellen van maatregelen die kunnen worden genomen om de biodiversiteit in het plangebied te vergroten. Dit plangebied heeft door de ligging naast een vaart, bodemgesteldheid en (in potentie) aanwezige soorten ruime kansen om van meerwaarde te zijn voor de groene leefomgeving. Er wordt in dit rapport toegelicht hoe de volgende hier aan kunnen bijdragen: vleermuiskasten, huisvesting voor vogels, huisvesting voor marterachtigen en egels, het creëren van open water, het aanleggen van een geluidswal, het gebruik van groene daken en maatregelen ter verbetering van de waterberging.

Conclusie: Het vervolgonderzoek ecologie wordt gezien in combinatie met de vervolgonderzoeken op basis van onder meer archeologie, conventionele explosieven en bodem. Deze kunnen pas worden uitgevoerd bij sloop van de gebouwen en opschoning van het terrein. Voor wat betreft de vastgestelde soorten binnen het plangebied is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Op basis van de mitigerende maatregelen op basis van het ecologisch werkprotocol wordt er vanuit gegaan dat de ontheffing zal worden verleend. Een aantal maatregelen is in de tussentijd al getroffen. Ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving, ten gevolge van het transport, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen. Het doel is om mensen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het Rijk probeert de risico's voor de externe veiligheid zoveel mogelijk te beperken. Wettelijk is de basis van dit beleid vastgelegd in verschillende regelingen en besluiten. Lokale overheden kunnen daarnaast nog kiezen voor een aanvullend beleidskader. Landelijk beleidskader De landelijke wetgeving betreft de volgende wetgeving per type inrichting/ transportroute: Risicovolle inrichtingen: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Transport gevaarlijke stoffen (spoorwegen, wegen en waterwegen): Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Transport door buisleidingen (hoge druk transport van aardgas): Besluit externe veiligheid buisleidingen. Activiteitenbesluit Milieubeheer: Inrichtingen met gevaarlijke stoffen niet zijnde Bevi. Lokaal beleidskader Toetsingskader In het geval van een nieuw bestemmingsplan of een bestemmingsplan wijziging is toetsing aan het milieuaspect externe veiligheid verplicht. Er kunnen nieuwe beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten toegevoegd worden in de omgeving van een risicobron. Daarnaast kunnen veranderingen van een risicobron leiden tot nieuwe risico's.

Dit moet inzichtelijk gemaakt worden door toetsing aan de risicomaten plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Raalte Kern, Doumaterrein

37

Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij een inrichting of een transportmodaliteit. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een kans van 1*10-6 per jaar als grenswaarde voor kwetsbare bestemmingen en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare bestemmingen. Groepsrisico: Het groepsrisico bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij een inrichting of een transportmodaliteit. Hierbij wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde. De oriëntatiewaarde is een ijkpunt voor de omvang van het groepsrisico. Verantwoordingsplicht groepsrisico Het bevoegd gezag heeft de wettelijke verplichting om het groepsrisico conform de wettelijke kaders te verantwoorden. Hiervoor dient het bevoegd gezag een advies te vragen aan de veiligheidsregio. Hiermee wordt een afweging gemaakt welke ongevalscenario's met bijbehorende risico's zich kunnen voordoen en welke maatregelen er genomen worden. De mate van verantwoording hangt af van het type risicobron en de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Daarnaast speelt de procentuele stijging ten gevolge van de planontwikkeling een rol.

Toetsing Het bestemmingsplan maakt nieuwe woningen mogelijk en worden binnen het Bevi gezien als kwetsbare objecten. Door Royal HaskoningDHV is het aspect externe veiligheid onderzocht. De memo is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Op basis van de memo wordt geadviseerd om de veiligheidsregio IJsselland in de gelegenheid advies uit te brengen in het kader van verantwoording groepsrisico. De memo is voorgelegd aan de veiligheidsregio. De veiligheidsregio heeft ingestemd met de memo voor wat betreft de verantwoording groepsrisico. De veiligheidsregio adviseert verder in het kader van zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid de volgende zaken te regelen: a. b. c. d.

alle woningen te laten voorzien van afsluitbare mechanische ventilatie; te zorgen voor een goede bereikbaarheid van de woningen; te zorgen voor vluchtroutes die van de N35 af gericht zijn; bij de inrichting van de woningbouwlocatie rekening te houden met de maatvoering van de waterwagens van de brandweer; e. de toekomstige bewoners voor te lichten over de mogelijke risico's en wat zij zelf bij een incident op de N35 kunnen doen. Bij de ontwikkeling van het plan is rekening gehouden met de onderdelen b. tot en met d. Het onderdeel voor wat betreft de mechanische ventilatie wordt meegenomen bij de omgevingsvergunning voor het bouwen. Bij verkoop/verhuur van de kavels worden de bewoners ingelicht overeenkomstig punt e.

Conclusie: Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.8

Geluid

Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare

Raalte Kern, Doumaterrein

38

geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen. Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.

In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen.

Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A). Planspecifiek Hierna wordt op de verschillende geluidaspecten nader ingegaan. Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein de Zegge.

Nu de planlocatie binnen de zone van industrieterrein ligt is het aannemelijk dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. Door Alcedo is nader onderzoek uitgevoerd naar het geluid van het

Raalte Kern, Doumaterrein

39

industrieterrein. Ook is onderzoek gedaan naar het geluid van een tweetal bedrijven buiten het industrieterrein die voor wat betreft het aspect geluid van belang kunnen zijn. Dit betreffen Autorestauratie Raalte en de Gemeentewerf. Spoorweglawaai De planlocatie ligt nabij de spoorlijn Zwolle – Almelo. De GPP's langs de spoorlijn zijn vastgesteld op 52 dB. Als gevolg daarvan bedraagt de zonebreedte van deze spoorlijn ter hoogte van de planlocatie 100 meter. De planlocatie ligt dus binnen de geluidzone van de spoorlijn. Door Alcedo is nader onderzoek uitgevoerd naar het geluid van de spoorweg. Wegverkeerslawaai De planlocatie ligt gedeeltelijk binnen de zone van de rijksweg N35 en enkele andere lokale wegen. Door Alcedo is nader onderzoek uitgevoerd naar het geluid van het wegverkeer. In paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op industriehinder, zowel geluid als geurhinder. Hieronder worden de onderzoeksresultaten van wegverkeer en railverkeer nader beschouwd. Onderzoek Door Alcedo is nader onderzoek gedaan naar weg- en railverkeerslawaai. Het rapport is als Bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. Onderzoek wegverkeerslawaai De uitkomsten van het onderzoek kunnen als volgt worden samengevat: De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de N35 bedraagt ten hoogste 52 dB inclusief 2 dB correctie volgens artikel 110g Wet geluidhinder.

Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 53 dB niet. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Ganzenboomlaan bedraagt ten hoogste 44 dB inclusief 5 dB correctie op grond van de artikel 110g Wet geluidhinder Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Ommerweg bedraagt ten hoogste 39 dB inclusief 2 dB correctie op grond van de artikel 110g Wet geluidhinder Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidsbelasting ten gevolge van de Mettingenlaan bedraagt ten hoogste 52 dB inclusief 5 dB correctie op grond van artikel 110g Wet geluidhinder. Het gaat hier om een 30 km/uur weg, waardoor de beoordeling in het kader van de Wet geluidhinder niet aan de orde is. Hetzelfde geldt voor de Kanaalstraat Oostzijde en de Enkstraat , hier bedraagt de geluidbelasting respectievelijk ten hoogste 50 dB inclusief 5 dB correctie en ten hoogste 49 dB inclusief 5 dB correctie. Voor de overige 30 km/uur wegen geldt dat overal aan de voorkeursgrenswaarde voor geluidsgezoneerde wegen wordt voldaan.

Onderzoek railverkeerslawaai Het onderzoek resulteert in het gegeven dat de optredende geluidsbelasting ten gevolge van de spoorlijn maximaal 57 dB bedraagt op de noordgevel van het te bouwen appartementengebouw (7.5 meter beoordelingshoogte). Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden. De maximaal toelaatbare waarde van 68 dB wordt overschreden. Conclusie: De conclusies uit het onderzoek van Alcedo zijn integraal overgenomen en luiden als volgt: Uit het onderzoek blijkt dat vanwege wegverkeer op de N35 de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Vanwege de spoorlijn wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden. Er wordt voldaan aan de maximaal vast te stellen grenswaarden. De woningen vullen een open plek in tussen bestaande bebouwing. Aan de eisen uit het Rijks geluidsbeleid voor weg- en railverkeerslawaai met betrekking tot de situering van de woningen wordt daarmee voldaan. Daarom kan de gemeente Raalte hogere waarden voor de geluidsbelasting vaststellen.

Raalte Kern, Doumaterrein

40

Voor de woningen waarvoor hogere waarden worden vastgesteld dient te worden aangetoond dat de gevelisolatie van de woningen voldoet aan de eisen conform afdeling 3.1 uit het Bouwbesluit. Hiervoor dient aanvullend onderzoek naar de geluidswering van de gevel uitgevoerd te worden. Zo nodig dienen geluidsisolerende maatregelen getroffen te worden om te kunnen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit en om een goed woon- en leefklimaat in de woning te garanderen. Geadviseerd wordt om hierbij de gecumuleerde geluidsbelasting te hanteren. Hogere waarden Separaat aan dit bestemmingsplan wordt een hogere waardenprocedure doorlopen om de benodigde hogere waarden te verlenen. Hiertoe is op 26 januari 2023 een ontwerpbeschikking genomen. Op basis van de conclusies uit het rapport kan worden vastgesteld dat als wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden, het onderdeel geluid geen belemmering voor de uitvoering van dit plan vormt. Onderzoek cumulatieve geluidsbelasting Door Alcedo is nader onderzoek gedaan naar de cumulatieve geluidsbelasting. Het rapport is als Bijlage 17 bij deze toelichting gevoegd. De Wet geluidhinder kent geen beoordelingscriterium voor de cumulatieve geluidsbelasting. Het Rijksbeleid over geluid verwijst naar de “Methode Miedema” voor de beoordeling van de gecumuleerde geluidsbelasting. In de volgende tabel is het beoordelingssysteem volgens Miedema opgenomen.

Uit het onderzoek blijkt dat de wettelijk gecumuleerde geluidsbelasting varieert van 43 tot ten hoogste 59 dB. Daarmee wordt de situatie gekwalificeerd als zeer goed tot matig. De cumulatie waarbij ook niet gezoneerde bronnen worden betrokken, leidt tot een geluidsbelasting van 48 tot 49 dB. Deze situatie wordt gekwalificeerd als goed tot matig. Daarbij wordt opgemerkt dat de kwalificatie sterk afhankelijk is van de zijde van de woning. Zo is veelal één zijde van de woning beter gekwalificeerd dan de andere zijde. De hoogste gecumuleerde geluidsbelasting treedt op bij de meest oostelijk gelegen woningen. Deze woningen worden belast door zowel de spoorlijn als het geluidsgezoneerde industrieterrein. In de berekeningen is geen rekening gehouden met de bijdrage van warmtepompen, omdat nog niet bekend is waar deze exact worden geplaatst. Uitgaande van een bijdrage van gemiddeld circa 42 dB(A), kan dit ertoe leiden dat de uiteindelijke situatie wordt gekwalificeerd als goed/redelijk tot matig. Gelet op de karakterisering van het plangebied als 'gemengd gebied' grenzend aan zowel bedrijvigheid als een spoorlijn en binnenstedelijke wegen, is de geluidssituatie in het plangebied passend bij de verwachting. Er resteert een goed woon- en leefklimaat.

4.9

Geur

4.9.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige

Raalte Kern, Doumaterrein

41

veehouderijen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: 1. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en 2. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting, binnen een concentratiegebied, op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Vaste afstanden veehouderijen zonder vastgestelde geuremissiefactor Op grond van de Wgv geldt voor veehouderijen met dieren zonder vastgestelde geuremissiefactor een vaste afstand tussen de geuremissiepunten van de betreffende dierstallen en de woningen van het plangebied. Vanwege de ligging van de nieuwe woningen binnen de bebouwde kom Wgv, bedraagt de aan te houden afstand 100 meter. Het meest nabijgelegen bedrijf waar bedrijfsmatige landbouwhuisdieren worden gehouden, betreft een melkveebedrijf met 126 runderen en tevens 20 schapen aan de Steege 6 Raalte op een afstand van circa 1.200 meter tot het plangebied. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste vaste afstand. Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).

Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. Toetsing geurnormen Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen. Hiermee is ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Ook kan worden vastgesteld dat ten gevolge van het plan geen agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt (gezien de omvang van voorliggend planvoornemen) benoemd dat binnen een afstand van circa 2 km meerdere veehouderijen zijn gelegen, waaronder een bedrijven met dieren met een geurfactor. Voor vleeskalveren, vleesstieren, varkens en pluimvee zijn op basis van de wet geurhinder en veehouderij geuremissiefactoren vastgesteld en zijn geurnormen van toepassing. In principe volstaat een beoordeling van veehouderijen binnen 1 km en voor zover het een IPPC bedrijf binnen 2 km. De geuremissie van de meest nabijgelegen veehouderij met dieren met geuremissiefactoren (Steege 6) is beperkt tot slechts 1.295 ouE/s.

Het dichtstbij gelegen en enige veebedrijf binnen 2 km met een aanmerkelijke geuremissie betreft een pluimvee- en vleeskalverenbedrijf aan de Steege 12 op circa 1.500 meter van het plan met een geuremissie van 29.000 ouE. Gelet op het geringe geurbelastingpotentieel door nabijgelegen veehouderijen en de afstand tussen het plangebied en deze veehouderijen, kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat aan de (individuele) geurnorm van 3 ouE/m3 wordt voldaan. Daarnaast zal naar verwachting ook door cumulatieve geurbelasting door veehouderijen sprake zijn van een geschikt goed woon- en leefklimaat voor het plangebied. Verder zijn

Raalte Kern, Doumaterrein

42

ook meerdere bestaande woningen binnen de bebouwde kom Wgv van Raalte gelegen op kortere afstand van de nabijgelegen veehouderijen dan de woningen in het plangebied. Conclusie: De betreffende veebedrijven worden door het planvoornemen niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Eveneens kan in dit kader worden opgemerkt dat dichterbij gelegen, bestaande woningen van derden al voor genoemde veebedrijven bepalend zijn. Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

4.9.2

Geurhinder en niet-agrarische bedrijven

In de directe nabijheid van het plangebied is een autoreparatie gelegen, waar ook verf wordt gespoten. Het betreft het bedrijf aan de Enkstraat 3, waarbij de bedrijfshal op circa 5 meter tot het plangebied is gelegen (en het bedrijfsperceel op 0 meter). Met een dergelijke activiteit op geringe afstand van de woningen van het plangebied, kan geurhinder niet worden uitgesloten. Onderzoek heeft plaatsgevonden naar de geurbelasting. Deze is terug te vinden in de geurnotitie 'Geurbelasting op voorziene woningbouwlocatie terrein Douma Deuren', kenmerk BH8615-101-102. Dit onderzoek richt zich op de mogelijke invloed van geuremissies vanaf de autospuiterij. Het onderzoek maakt voldoende aannemelijk, dat bij de nieuwe geurgevoelige objecten van het plangebied wordt voldaan aan een aanvaardbaar geurhinderniveau. Voorwaarde daarvoor is dat in de regels van het bestemmingplan wordt geborgd, dat de afstand tussen het emissiepunt van de autospuiterij en de woningen van het plangebied, in overeenstemming met de overgelegde notitie ‘Milieuplanologie - bedrijven en milieuzonering’, minimaal 25 meter. Binnen de regels is een zone van 25 meter opgenomen, waarbinnen een woonfunctie wordt uitgesloten. Op afstand van het plangebied is een betonfabriek aan de Almelosestraat 83 en een petfootbedrijf aan de Oude Lindersteweg 9 gevestigd.

In het kader van de geurhinder voor niet-agrarische bedrijven worden deze hier nader beschouwd. Beide bedrijven zijn op meer dan 100 m afstand van het plangebied gesitueerd. Gelet op de relatieve grote afstanden tussen de bedrijven en de aard van deze bedrijven, is de verwachting dat kan worden voldaan aan de streefwaarde voor categorie A objecten overeenkomstig de Beleidsregel geur bedrijven Overijssel 2018 en er geen onaanvaardbare geurhinder zal optreden. Verder kan worden opgemerkt dat het plangebied qua windrichting eveneens gunstig is gelegen. De meeste wind waait uit het zuidwesten. Eventuele geuren van de genoemde bedrijven waait daardoor niet richting het plangebied, maar juist in tegenovergestelde richting. Conclusie: Door het zeker stellen van de zone van 25 meter, vanaf het emissiepunt van het autoreparatiebedrijf, waarbij een woonfunctie binnen de zone is uitgesloten en het feit dat de andere bedrijven gezien hun afstand tot het plangebied en de aard van de bedrijven naar verwachting aan de streefwaarde voor categorie A objecten zal voldoen, vormt geurhinder voor niet agrarische bedrijven geen belemmering voor de voorgestelde ontwikkeling.

4.10

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden. Tot slot heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4) en besluiten deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46).

Raalte Kern, Doumaterrein

43

Luchtkwaliteitseisen Op basis van artikel 5.16 Wm kan een bestemmingsplan worden vastgesteld indien: aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, die behoort bij de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen of het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Ruimtelijk-economische besluiten die "niet in betekenende mate" bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht van stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde bevat, worden niet langer, zoals voorheen, individueel getoetst aan die grenswaarden.

Als gevolg daarvan kunnen tal van kleinere projecten doorgang vinden, ook in situaties waar nog niet aan de grenswaarden wordt voldaan. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL). Bij besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate" (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO² en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Toetsing Het onderhavige plan omvat de realisatie van maximaal 84 woningen. Volgens de Regeling NIBM draagt een project van woningbouw niet in betekende mate bij als het bouwplan een omvang heeft van ten hoogste 1.500 woningen.

Voorgaande neemt niet weg dat in het kader van het bestemmingsplan wel aandacht moet worden besteed aan de luchtkwaliteit. Door Alcedo is onderzoek gedaan naar de wegkwaliteit. Het onderzoek is als Bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. Op basis van het onderzoek is vast komen te staan dat de grenswaarden voor de luchtkwaliteit vanwege NO², PM10 en PM2.5 voor wegverkeer niet worden overschreden. Volledigheidshalve is ook (niet wettelijk verplicht) een toetsing uitgevoerd aan de strenge richtlijnen van de WHO. Het blijkt dat deze richtwaarden worden benaderd. De gestelde eisen voor de luchtkwaliteit vormen daarom geen belemmering voor realisatie van dit bestemmingsplan. Omdat wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden en zelfs de WHO richtwaarden worden benaderd is sprake van een geschikt woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Raalte Kern, Doumaterrein

44

4.11

Milieuhinder

4.11.1 Beleidsmatig kader Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder voor de (woon-)omgeving veroorzaken door lawaai, onaangename geuren, stof, trillingen, verkeers- en parkeeroverlast. Daarom is het nodig om bedrijfsactiviteiten (of andere functies die het leefmilieu belasten) op een aanvaardbare afstand van woningen of andere hindergevoelige functies te situeren, al dan niet gecombineerd met het treffen van speciale maatregelen. Voor de milieuzonering in dit plan is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009).

4.11.2 Methodiek In de publicatie worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gebied met een menging van functies. In tabel 1 zijn deze richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur.

Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie. De VNG-publicatie is geen wet, maar wel een algemeen aanvaarde richtlijn voor de toepassing van milieuzonering in een ruimtelijk plan. Niettemin gaat de publicatie uit van richtafstanden, die in algemene zin bepaald zijn op basis van gemiddelde productieprocessen. Voorgaande houdt in dat bij de toepassing van de publicatie altijd ook de feitelijke situatie ter plaatse in ogenschouw moet worden genomen.

4.11.3 Toetsing In Bijlage 18 is een onderzoek naar de milieuplanologische aspecten vanwege omliggende bedrijven opgenomen. Gebiedstype Allereerst moet worden bepaald of het plangebied het gebiedstype 'rustige woonwijk' of 'gemengd gebied' betreft. Rondom het plangebied is sprake van verschillende aanwezige functies. Woningen worden afgewisseld met andere functies, zoals een garagebedrijf en de gemeentewerf. Het plangebied en de directe omgeving valt te classificeren als 'gemengd gebied'. Aspect geur Enkstraat 3 In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, in dit geval woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van het plangebied is aan Enkstraat 3 een bedrijf gevestigd, namelijk Autorestauratie Raalte. Als onderdeel van de restauraties wordt ook in het bedrijf spuitwerk verricht.

Raalte Kern, Doumaterrein

45

Op basis van onderzoek, Bijlage 13, is vastgesteld dat de activiteiten van de spuiterij vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Voor wat betreft de geur kan worden verwezen naar paragraaf 4.5.5 "Reinigen, lijmen of coaten van metalen" van de Activiteitenregeling milieubeheer (Arm). In het onderzoek is vastgesteld dat gezien het feit dat het restauratiebedrijf voor inwerkingtreding van het Abm een vergunning had en dat er naderhand geen wijzigingen zijn doorgevoerd, de specifieke regels ten aanzien van voorkoming van geurhinder niet van toepassing zijn. De gemeente kan maatwerkvoorschriften ten aanzien van voorkoming van geurhinder stellen als blijkt dat een aanvaardbaar geurhinderniveau wordt overschreden. Alvorens maatwerkvoorschriften te stellen is gekeken in hoeverre aan de specifieke regels ten aanzien van voorkoming van geurhinder kan worden voldaan. Hierbij is het afvoerkanaal (afgaskanaal) bepalend voor de omgeving. Op basis van het onderzoek is vast komen te staan dat in eerste instantie het bedrijf voldoet aan het Abm en de Arm. Het onderzoek heeft zich beperkt tot geur. Het onderzoek is als bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat een afstand van 25 meter tot het emissiepunt gehanteerd dient te worden. De dichtstbijzijnde woningen worden buiten deze afstand gerealiseerd.

Aspect geluid In de directe omgeving gaat het om de volgende bedrijven:

Autorestauratie Raalte Voor het restauratiebedrijf is naast geur ook geluid bepalend en relevant. De nieuwe woningen worden op relatief korte afstand van het bedrijf gesitueerd, waardoor ook op het onderdeel geluid aanvullend onderzoek is uitgevoerd door Alcedo. Het onderzoek is als Bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd. Op basis van onderzoek is vast komen te staan dat, na het treffen van geluidsbeperkende maatregelen, bij de nieuwe woningen voldaan kan worden aan de grenswaarden volgens het Activiteitenbesluit en daarmee ook aan de richtwaarden geluid voor gemengd gebied. De te nemen maatregelen zijn besproken met de eigenaar van het bedrijf en worden aangebracht voor rekening van de initiatiefnemer. De hogere geluidbelasting betekent dat voor de betreffende woningen rekening moet worden gehouden met een hogere waarden procedure en dat voorafgaand aan de realisering rekening moet worden gehouden met maatregelen om de geluidhinder van het restauratiebedrijf zoveel mogelijk te beperken.Deze maatregelen bestaan uit: De geluidsisolatie van de wanden en het dak van de machinekamer wordt minimaal 7 dB(A) verbeterd; Tegen de erfgrens en aansluitend aan de machinekamer wordt een 2,5 meter hoog en 5 meter lang scherm gerealiseerd ter afscherming van de buitendeur; De bronsterkte van de lasdampafzuiging in de oostgevel wordt gereduceerd met 10 dB(A) door een demper.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=a04e90d7-2e30-4dd7-b8ac-b03caacbb2bb