Bestemmingsplan Mariënheem, De Velderhof Toelichting
Tekst van het document
De archeologische verwachtingskaart maakt voor het grondgebied van de gemeente Raalte duidelijk waar zich (mogelijke) archeologische resten kunnen bevinden. De kaart is hiervoor opgedeeld in drie zones: 1. Hoge archeologische verwachting; 2. Middelhoge archeologische verwachting; 3. Lage archeologische verwachting. De gemeente Raalte heeft haar archeologische verwachtings- en beleidskaart deels doorvertaald in haar bestemmingsplannen.
4.2.2 Toetsing Het plangebied ligt in de zone 'Lage archeologische verwachtingen'. Hiervoor geldt dat voor plangebieden groter dan 10 hectare een archeologisch onderzoek benodigd is. Het plangebied heeft ook geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en bevat dus geen archeologische waarden. Om deze reden is het niet noodzakelijk een archeologisch onderzoek te verrichten. Eventuele archeologsiche fondsen die worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden worden gemeld bij de gemeentelijk archeoloog. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
31/59
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1 Toetsingskader Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Op grond van de Erfgoedwet moet een goede ruimtelijke onderbouwing een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 4.3.2 Toetsing Er bevinden zich in en rondom het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten en overige cultuurhistorische waarden. Van aantasting van monumentale en cultuurhistorische waarden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is dan ook geen sprake.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Toetsingskader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. ' Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand.
32/59
De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een "rustige woonwijk" of een "gemengd gebied". Een "rustige woonwijk" is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype "rustige woonwijk". Een "gemengd gebied" is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Tabel 4.1 Milieucategorieën met bijbehorende richtafstand per omgevingstype (bron: VNG) Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige Richtafstanden tot omgevingstype gemengd woonwijk gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Aan de hand van het toetsingskader dient onderzoek verricht te worden naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
33/59
4.4.2 Toetsing Het plangebied komt te liggen naast de bestaande bebouwing gelegen aan de Hellendoornseweg. De omgeving wordt daarnaast omgeven door agrarische landerijen en bijbehorende boerderijen. Aan de overzijde van de Hellendoornseweg ligt een bedrijventerrein. Ondanks dat er verschillende activiteiten in de omgeving zijn, wordt het gebied getypeerd als een 'rustige woonwijk'. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Volgens de VNG-richtlijn is de functie 'wonen' is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. De nieuwe woningen kunnen wel invloed hebben op de 'uitbreidingsmogelijkheid' van omliggende bedrijven. Ten zuiden van de Hellendoornseweg ligt het bedrijventerrein Het Fiester.Op dit bedrijventerrein zijn bedrijven met een milieucategorie 3.2 toegestaan, waarvoor een richtafstand van 100 geldt. Direct tegenover de betreffende bedrijfslocatie staan echter ook al woningen op kortere afstand dan het plangebied.
Daarnaast is met de situering van de nieuwe woningen rekening gehouden met de richtafstand.Het bouwen van woningen binnen het plangebied zal voor deze bedrijfslocatie's geen nieuwe belemmeringen opleveren. Hellendoornseweg 37 Met dit bestemmingsplan worden de bestaande geitenhouderij aan de Hellendoornseweg 37 'wegbestemd'. Met het wegbestemmen van de agrarische activiteiten verdwijnt de geurcontour van dit bedrijf. Het vervallen van deze geurhinder heeft een positief effect op het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. Daarnaast is het wegbestemmen van de agrarische activiteiten noodzakelijk om de beoogde woningen in de uitbreiding mogelijk te maken. Interne werking Voor de interne werking gaat het om de vraag of de ontwikkeling hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Agrarische bedrijven Hellendoonseweg 37 & 39 In het voorliggende plan worden 54 woningen gerealiseerd, wat als gevoelige objecten worden beschouwd. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende veehouderijen, waaronder een grondgebonden veehouderij op Hellendoornseweg 37 en een intensieve veehouderij op Hellendoornseweg 39. De woning Hellendoornseweg 37 ligt op 150 meter en de nieuwe woonwijk op circa 230 meter. Het agrarische bedrijf aan de Hellendoornseweg 37 wordt wegbestemd.
Voor de toetsing aan interne werking wordt er daarom vanuit gegaan dat hier geen agrarische activiteiten meer plaatsvinden. Aan de Hellendoornseweg 39 bevindt zich een voormalige geitenhouderij. Uit de laatste gegevens van de omgevingsdienst blijkt dat deze vergunning is ingetrokken en dat hier geen agrarische activiteiten meer
34/59
plaatsvinden. Hierdoor is deze locatie op basis van het huidig gebruik niet meer relevant en is toetsing niet noodzakelijk. Bedrijventerrein De Feister Aan de overkant van de Hellendoornseweg bevinden zich meerdere bedrijven tot en met milieucategorie 3.2. De richtafstand voor een 'rustige woonwijk' bedraagt 100 meter. De dichtstbijzijnde woning die in het plangebied mogelijk wordt gemaakt ligt op circa 70 meter vanaf het bestemmingsvlak van het bedrijventerrein, daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 100 meter. De bedrijfsgebouwen op dit bedrijventerrein liggen op minimaal 105 meter en kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstand. Zekerheidshalve is voor dit bedrijf een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Paragraaf 4.5 gaat hier nader op in. Kaasmakerij Aan de Hellendoornseweg 62 zijn de gronden bestemd als 'Bedrijf' voor bedrijven die vallen in de milieucategorieën 1 en 2. Daarnaast heeft het terrein de functieaanduiding 'kaasmakerij'. De kaasmakerij die er oorspronkelijk was gevestigd heeft echter de activiteiten op het terrein beëindigd. Conclusie Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Geluid
4.5.1 Toetsingskader Veel ruimtelijke plannen hebben te maken met geluid; als ontvanger van geluid of als veroorzaker van geluid. Het aspect geluid wordt geregeld in diverse wet- en regelgeving. De belangrijkste wet- en regelgeving omtrent het aspect geluid betreffen: Wet geluidhinder Wetmilieubeheer Activiteitenbesluit Wetruimtelijke ordening Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Het begrip 'geluidgevoelige objecten' is in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer bepaalt. De Wet geluidhinder maakt onderscheid in de volgende drie categorieën: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen: onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven (Besluit geluidhinder artikel 1.2); geluidsgevoelige terreinen: woonwagenstandplaats en ligplaatsen voor woonschepen (Besluit geluidhinder artikel 1.2). In de Wet milieubeheer wordt dit onderscheid niet gemaakt, maar deze wet gaat wel uit van dezelfde objecten. Als middels een plan een geluidbron of een geluidgevoelig object wordt mogelijk gemaakt, of een uitbreiding van een geluidbron of een geluidgevoelig object plaatsvindt, dan is een toetsing in het kader van geluid nodig. Voor voorliggend plan is een toets aan de Wet geluidhinder en de Wet ruimtelijke ordening doorlopen.
35/59
Wet geluidhinder In de Wgh zijn regelingen opgenomen ten behoeve van geluid in de omgeving afkomstig van de drie geluidbronnen wegen (met uitzondering van rijkswegen), spoorwegen (met uitzondering van hoofdspoorwegen) en industrielawaai. Deze geluidbronnen hebben een geluidzone. Bij plannen waarbij binnen deze geluidzones een geluidgevoelig object mogelijk wordt gemaakt, of een uitbreiding plaatsvindt van een geluidgevoelig object dient de geluidbelasting op dit object te worden getoetst. In artikel 76 Wgh is aangegeven dat bij woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen binnen een geluidzone moet worden aangetoond of wordt voldaan aan de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB. In artikel 100a Wgh is aangegeven dat voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde kan worden vastgesteld met een maximale verhoging van 5 dB. Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 4 weergegeven.
Tabel 4: schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh
4.5.2 Toetsing Wegverkeerslawaai Alle wegen binnen Mariënheem zijn 30 km/uur wegen. Geen van de omliggende wegen heeft dus een wettelijke zone. Wel is relevant om te benoemen dat de Hellendoornseweg gedeeltelijk een 60km -weg is, tussen het plangebied en de Hellendoornseweg 37 gaat deze weg over in een 30km-weg. In het kader van een goed woonen leefklimaat is de atlas voor de leefomgeving geraadpleegd. In figuur 4.1 is de geluidbelasting van wegverkeerslawaai weergeven.Hieruit blijkt dat alle woningen in de zone <45bB liggen. Dit betekend dat bij alle beoogde woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48dB en dat nader onderzoek of het vaststellen van een hogere grenswaarde niet noodzakelijk is.
36/59
Figuur 4.1 geluidbelasting (bron: atlas voor de leefomgeving) Inrichtingslawaai Op basis van de melding ingevolge het activiteitebesluit is een akoestisch onderzoek verricht voor het bedrijf gevestigd aan Het Fiester 13 te Mariënheem en dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Dit bedrijft produceert, assembleer, repareert, conditioneert en distrubueert apparatuur voor bewerking en opslag van melk. Het Activiteitenbesluit kent algemene voorschriften, waaronder geluidsvoorschriften in de volgende tabellen zijn de grenswaarde samengevat
Uit het onderzoek blijkt dat de bestaande woningen in de omgeving voldoen aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit, wat impliceert dat de geluidsbelasting binnen de toegestane grenzen blijft.
37/59
Om de geluidsbelasting in het plangebied te bepalen, zijn er in het landbouwgebied aan de rand van het plangebied toetspunten 21, 22 en 23 geplaatst. Bij toetspunten 22 en 23, waar in de avondperiode een grenswaarde voor het langtijdgemiddelde van 45 dB geldt, vindt een overschrijding plaats. In de dagperiode wordt de grenswaarde van 50 dB niet overschreden. In geen van de gevallen worden de maximale geluidsniveaus overschreden. De uitgangspunten van dit onderzoek zijn meegenomen in het opgavedocument, zie hiervoor bijlage 1. Bij het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met het geluid afkomstig van dit bedrijf. De toekomstige woningen zijn zodanig gepositioneerd dat ze verder verwijderd zijn van het bedrijf dan de huidige woningen, en de voorgevels zijn gericht naar de Hellendoorseweg, waardoor er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zowel de achtergevel als de tuin van de woningen bieden een goede woon- en leefomgeving. Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
4.6
Geur
4.6.1
Toetsingskader
Wet geurhinder en veehouderij (milieu) en Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel 4.1. Tabel 4.1: Overzicht geurnormen Wgv
38/59
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van: 100 m ten opzichte van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom; en 50 m ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object wordt gemeten. Geurverordening Gemeente Raalte De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft gemeenten de mogelijkheid om gebiedsgericht beleid vast te stellen door middel van een geurverordening. De standaard-normen, zoals opgenomen in de Wet, mogen binnen een bandbreedte naar boven en beneden worden bijgesteld. Als een gemeente niet beschikt over een geurverordening, dan worden de standaardnormen als toetsingskader gehanteerd. De gemeente Raalte heeft d.d. 14 juli 2011 de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In deze verordening zijn twee deelgebieden aangewezen waarvoor een minimale afstand en maximale geurbelasting, afwijkend van de Wgv, zijn bepaald. mdat het plangebied niet in een van deze deelgebieden ligt, is de verordening niet relevant voor onderhavig plan.
4.6.2 Toetsing Als er sprake is van nieuwbouwplannen en/of herbestemming van een perceel in de omgeving van een veehouderij, moet onderzocht worden of dit gerealiseerd kan worden. Dit omdat een goed woon- en verblijfklimaat wordt gerealiseerd, zonder dat de rechten van de veehouder in kwestie worden aangetast. Voor onderhavig bestemmingsplan is een onderzoek naar eventuele geurhinder van veehouderijen uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. In onderstaand tabel, zijn de relevantie bedrijven weergeven. Op basis van de resultaten wordt het volgende geconcludeerd: Wat betreft de voorgrondbelasting op het plangebied is de veehouderij aan de Wissinkweg 33 maatgevend. De geurconcentratie die veroorzaakt wordt door deze veehouderij, voldoet op alle zijden van het plangebied aan de wettelijke norm. Om die reden schaadt de realisatie van de geplande woningen de veehouderij niet in haar belangen.
39/59
Uit de berekening van de achtergrondbelasting volgt dat er een berekenbare achtergrondbelasting is van 2.02 ouE/m3. Op basis van de resultaten is de achtergrondbelasting maatgevend. De maximaal berekende geurbelasting bij de geurgevoelige locatie wordt beschouwd als een ‘zeer goed’ woon- en verblijfsklimaat. Van de veehouderijen, waarvoor op basis van het veebestand een vaste afstandsnorm geldt, ligt de dichtstbijzijnde veehouderij op een afstand van ongeveer 380 meter vanaf het plangebied. Hiermee wordt ruim aan de minimale afstand van 100 meter voldaan. De geitenhouderij aan de Hellendoornseweg 37 komt te vervallen en de geitenhouderij aan de Wissinkweg 33 ligt buiten de richtafstand. Met het bovenstaande wordt de planlocatie vanuit het aspect geur en gezondheid geschikt geacht voor realisatie van de woningen. Gelet op het voorgaande, kan geredeneerd worden dat de veehouderijen en geitenhouderijen in kwestie door realisatie van het plan niet in hun ontwikkelingen en/of belangen worden geschaad.
4.7
Bodem
4.7.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
4.7.2 Toetsing Het verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek zijn uitgevoerd als onderdeel van het planvoornemen van de bestemmingswijziging. Deze onderzoeken zijn vereist volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) om de geschiktheid van de gronden voor de beoogde functie te beoordelen en eventuele saneringsmaatregelen te bepalen. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek zijn opgenomen in bijlage 4 van het planvoornemen. In de volgende alinea's worden de bevindingen van deze onderzoeken beschreven. Weiland (locatie A + B) Voor het weiland is een verkennend bodemonderzoek volgende de NEN 5749 verricht. Ter plaatsen van de dammen, de voormalige waterpartij en de voormalige kuilsoverlaap is aanvullend veld- en/of laboratoriumonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van de analyseresultaten van het grondwater is aanvullend veld- en laboratoriumonderzoek uitgevoerd (herbemonstering en analyse). Conclusie onderzoeksgebied Weiland (locatie A + B)
40/59
zintuiglijk en analytisch is in de actuele contactzone geen asbest aangetroffen; in de bovengrond zijn geen tot lokaal een licht verhoogd gehalte aan arseen aangetoond. Het aangetoonde gehalte vormt geen aanleiding tot nader onderzoek; in de ondergrond zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden; in het grondwater zijn overwegend geen tot licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. Lokaal zijn matig verhoogde gehalten aan koper en nikkel aangetoond. De matig verhoogd aangetoonde gehalten zijn middels een herbemonstering bevestigd en vormen geen aanleidingtot nader onderzoek. Erf (locatie C) Ter plaatse van de potentieel verdachte locaties binnen het erfgedeelte is het onderzoek uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek op verdachte locaties, met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern . De huidige en voormalige bovengrondse dieseltanks in de werktuigenberging ende voormalige bovengrondse HBO-tank betreffen verdachte locaties. Ter hoogte van de drupzones van de voormalige asbestdakbedekking op het erf is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd in aansluiting op de onderzoeksstrategie voor verdachte locaties (NEN-5707). Conclusies onderzoeksgebied 'erf'.
zintuiglijk en analytisch is ter plaatse van de drupzones geen asbest aangetroffen; zintuiglijk en analytisch zijn in de vaste bodem, ter plaatse van de huidige en voormalige bovengrondse tanks, geen oliecomponentenaangetroffen; in het grondwater zijn geen noemenswaardig verhoogde gehalten aan oliecomponenten aangetoond. Conclusie Uit de bodemonderzoeken is gebleken dat de bodem van voldoende kwaliteit is voor de beoogde functie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.8
Ecologie
4.8.1 Toetsingskader Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op de natuurbescherming, rekening worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Voor de ontwikkeling is een quickscan ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij de toelichting. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.8.2 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wet natuurbescherming(Wnb). Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het provinciale bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en weidevogelleefgebieden.
41/59
Uit bijlage 5 blijkt dat geen vormen van gebiedsbescherming naar voren zijn gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied is niet aangewezen als weidevogelgebied of ganzenfoerageergebied en is geen onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS) of Natura2000 (bron: Geoportaal Provincie Overijssel). Negatieve effecten hierop als gevolg van het planvoornemen (anders dan als gevolg van de uitstoot van stikstof) kunnen op voorhand worden uitgesloten. Stikstofgevoeligheid Het plangebied bevindt zich op circa 1,8 km van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Boetelerveld, waarin zich stikstofgevoelige habitattypen bevinden (bron: AERIUS calculator).Binnen het planvoornemen worden onder andere opstallen in deelgebied A gesloopt en een uitbreidingswijk gerealiseerd. Hierbij komt waarschijnlijk extra stikstof vrij, bijvoorbeeld als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen Binnen het planvoornemen worden 54 nieuwbouwwoningen gerealiseerd, waarbij onder andere diverse grondwerkzaamheden worden uitgevoerd, bijvoorbeeld voor de aanleg van funderingen. Als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen hiervoor komt extra stikstof vrij. In dit kader zijn voor onderhavige ontwikkeling verschillende stikstofberekeningen uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6.
Uit de berekeningen blijkt dat, nde stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). 4.8.3 Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor het plangebied is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 5 en in het bestemmingsplan verwerkt. In dit onderzoek is onderscheidt gemaakt in deelgebied A (Hellendoornseweg 37) en deelgebied B (gronden ten behoeve van de uitbreidingswijk). Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen enkele vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden.
Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Huismus In de bebouwing van deelgebied A werd in stalling 1 een drietal huismusnesten aangetroffen. De aanwezigheid van meer nesten in deze stalling, maar ook in stalling 2 en in de woning in deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van meer nesten binnen deelgebied A vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit
42/59
onderzoek kan het beste worden uitgevoerd aan de hand van een tweetal bezoeken in de periode 1 april tot 15 mei, wanneer de trefkans het hoogst is. Boerenzwaluw In stalling 1 (deelgebied A) werd een bezet nest van boerenzwaluw aangetroffen. De aanwezigheid van meer nesten van deze soort in deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van meer nesten in dit deelgebied vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit nader onderzoek kan het beste worden uitgevoerd aan de hand van een tweetal bezoeken in de periode 1 juli tot 31 juli, wanneer de trefkans het hoogst is. Steenuil De aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest, dan wel verblijfplaats van steenuil in de opstallen binnen deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. Het leefgebied van steenuil is relatief klein. Indien in deelgebied A sprake is van een nestplaats, dan wel een vaste verblijfplaats kan niet op voorhand worden uitgesloten dat deelgebied B voor deze soort tevens essentieel is als leefgebied en dat de voorgenomen werkzaamheden gepaard gaan met negatieve effecten hierop Negatieve effecten op het leefgebied van steenuil als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden in deelgebied B kunnen tevens niet op voorhand worden uitgesloten.
Geadviseerd wordt om onderzoek uit te voeren om een eventuele verblijfplaats vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit nader onderzoek kan het beste worden uitgevoerd aan de hand van een drietal gerichte avond- of ochtendbezoeken (vlak na avondschemer of vlak voor ochtendschemer) in de periode 1 februari tot 30 april, wanneer de trefkans voor deze soort het hoogst is. Het vervolgonderzoek naar de steenuil is inmiddels afgerond. Uit het contact met de ecoloog blijkt dat het veldwerk voor het onderzoek inmiddels is afgerond en er zijn geen steenuilen aangetroffen. Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de woning in deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dergelijk onderzoek kan voor vleermuizen het beste worden uitgevoerd aan de hand van een aantal gerichte avond- en ochtendbezoeken, verdeeld over verschillende perioden van het jaar. De hoeveelheid bezoeken en de perioden waarin deze worden uitgevoerd moet worden vastgesteld aan de hand van het meest recente vleermuisprotocol (ten tijde van dit schrijven het Vleermuisprotocol 2021). Zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. De zorgplicht van de Wnb (art.
1.11) schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving. In het geval van dit plangebied kan men
43/59
bijvoorbeeld denken aan het dempen van de greppel van noord naar zuid en het uitvoeren van de graafwerkzaamheden van west naar oost. De algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Conclusie Uit het ecologische onderzoek blijkt dat voor verschillende soorten vervolg/ nader onderzoek noodzakelijk is. De onderzoeken naar de huismus, gierzwaluw en de vleermuis worden relevant als de bestaande opstallen worden gesloopt. Deze onderzoek zijn niet noodzakelijk voor de beoogde woningen in deelgebied B. Het vervolgonderzoek naar de Kerkuil is voor de boogde woningen wel relevant. Als blijkt dat in deelgebied A een kerkuil leeft, dient te worden onderzocht of de beoogde ontwikkeling in deelgebied B het leefgebied van de kerkuil aantast.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Toetsingskader In de huidige wetgeving zijn de begrippen risicobron, (beperkt) kwetsbaar object, plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico van belang. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico GR is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) is van toepassing op het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar, bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico, maar wel geldt hiervoor een verantwoordingsplicht in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen Op het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet van toepassing; het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
44/59
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
4.9.2 Toetsing De publieke website www.atlasleefomgeving.nl biedt inzicht in de risicobronnen waarvoor een afweging of verantwoording vereist is. Op figuur 4.2 hieronder zijn risicobronnen in de directe van het plangebied te zien. Hierop valt op rondom het plangebied twee aardgasleidingen zijn gelegen. In de omgeving zijn geen geen risicovolle inrichtingen en vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats.
Figuur 4.2: Risicobronnen ten opzichte van het plangebied met blauwe kaders. Bron: www.atlasleefomgeving.nl Transportleiding Ten oosten van het plangebied ligt op 1,2 kilometer ligt een leidingtracé van de gasunie. De bewuste leiding(en) heeft een werkdruk van 66,2 bar en een diameter van 48 inch. De PR 10-6 contour van de leidingen ligt op 0 meter van de leidingen. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens (aandachtsgebied groepsrisico) op 540 meter. Hiermee is het plangebied gelegen buiten de risicocontour en is het nader verantwoorden van het groepsrisico niet noodzakelijk. Ten westen van het dorp Mariënheem en van het plangebied ligt eveneens een leidingtracé (42 respectievelijk 48 inch en 66,2 bar) van de Gasunie. De PR 10-6 contour van de leidingen ligt op 0 meter van de leidingen. De 1% letaliteitsgrens (aandachtsgebied groepsrisico) ligt op 470 en 540 meter. De plangebied grens van dit bestemmingsplan ligt op 540 meter, de eerste woningen(tuinen) liggen verder in het plangebied (circa 560 meter) hiermee is het plangebied gelegen buiten de risicocontour en is het nader verantwoorden van het groepsrisico niet noodzakelijk.
45/59
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Toetsingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet milieubeheer zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Bij besluitvorming is het van belang om te bepalen of een initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Vooralsnog geldt dat: voor woningbouwlocaties met minder dan 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden; voor infrastructuur dat bij minder dan 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie) ook geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden; voor kantoorlocaties is dat bij minder dan 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, of 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50
46/59
meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
4.10.2 Toetsing Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in voorgaande paragraaf, kan worden gesteld dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan luchtverontreiniging in de omgeving van Mariënheem. Het plan maakt 54 woningen mogelijk. Hiermee blijft het aantal woningen ruim onder de gestelde grens waarbinnen het voornemen vrijgesteld blijft van toetsing. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.
4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water (KRW), is een Europese richtlijn. Deze richtlijn is bedoeld om de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater in Europa op goed niveau te houden en te krijgen. Het doel is om een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewateren te hebben en een goede chemische en kwantitatieve toestand voor alle grondwateren. Voor grondwater betekent dit onder meer dat er geen directe lozingen mogen plaatsvinden en de toename van chemische verontreiniging moet worden voorkomen. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Programma vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding, waarbij veel van het ingezette beleid uit deze nota's wordt voortgezet. Het Nationaal Waterprogramma heeft de status van een structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterprogramma beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Er komen nieuwe normen op basis van overstromingskansen die per dijkringgebied zullen worden vastgesteld. Waterbeleid 21e eeuw Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelrijzing.
Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten de tritsen: vasthouden, bergen en afvoeren;schoonhouden, scheiden en zuiveren. De trits vasthouden, bergen en afvoeren houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste wanneer schoonhouden en
47/59
scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aanbod. Waterveiligheid De uiterwaarden van de Vecht en deels haar zijtakken worden begrensd door primaire keringen. Deze keringen beschermen de binnendijkse gebieden tegen hoogwatersituaties. Immers in de Keur van het waterschap worden eisen gesteld aan ontwikkelingen binnen deze beschermingszone. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone van de waterkering is een Watervergunning op grond van de Keur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta noodzakelijk. Het plangebied ligt niet binnen een waterkering of een beschermingszone. Waterschap Drents Overijsselse Delta Het beleid van het Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027. Daarnaast is de Keur van het Waterschap een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen.
Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. Gemeentelijk beleid In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen). Het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.
De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke
48/59
plannen. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen.
Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Watertoets Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
4.11.2 Toetsing Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de zogenoemde “normale procedure”. Het resultaat van de watertoets staat in Bijlage 7. Voor de totstandkoming van waterhuiskundigplan, zie hiervoor bijlage 8, is contact gezocht met het waterschap. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zijn er geen watergangen aanwezig. Binnen het plangebied liggen ook geen beschermingszones van (hoofd) watergangen van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is geschat op 6,1m +NAP op basis van de boringen in het plangebied. In de omliggende gebieden is drainage toegepast. Er moet rekening gehouden worden met een hoge
49/59
grondwaterstand in combinatie met een slecht doorlatende bodem. Het regenwater dat in het plangebied valt, stroomt in eerste instantie bovengronds af. Daarbij volgt het regenwater het hoogteverloop van het terrein, totdat het een geschikt afvoerpunt tegenkomt. Het terrein kent een fors hoogteverschil. Het laagste punt bedraagt 5,80 m + NAP en bevindt zich aan de noordzijde van het plangebied. Het hoogste punt bevindt zich aan de zuidzijde van het plangebied en bedraagt 7,30 m + NAP. Waterberging en hemelwater Conform het beleid van waterschap Drents Overijssels Delta is ten aanzien van de ontwikkeling en de toename van het toekomstig verhard oppervlak geen compenserende berging benodigd omdat de toename van het verhard oppervlak niet meer bedraagt dan 1.500 m2. Ten aanzien van de waterhuishouding is het uitgangspunt dat het hemelwater (zowel op private percelen als de openbare ruimte) binnen het plangebied zelf wordt opgevangen en infiltreert in de bodem. Daarnaast moet het gebied zo worden ingericht dat er genoeg berging is om een bui van 90mm in één uur op te vangen. Na 4 uur moeten de wegen weer begaanbaar en vrij van water zijn. Ter compensatie van de toename van het verhard oppervlak moet er waterberging op het terrein gerealiseerd worden.
Uit de uitgangspuntennotitie van WDOD volgt dat de waterberging groot genoeg moet zijn voor 80mm gerekend over verhard oppervlak in het plangebied. In project wordt er 14.753 m2 aan verharding aangelegd, wat neerkomt op 1.180 m3 aan compenserende waterberging. Bovenstaande wordt bereikt door oppervlakkige afstroming in combinatie met wadi’s. Het hemelwater in de wijk wordt afgevoerd via de wegen en het groen naar wadi’s in het noorden en zuiden van het plangebied. Om dit mogelijk te maken zal het terrein worden opgehoogd. De wadibodems liggen op 6,40m NAP. De panden liggen tussen de 7,30m NAP (bij de wadi’s) tot 7,60m NAP (In het gebied tussen de wadi’s). De sloten blijven gehandhaafd. Invulling bergingseis De statische bergingseis van 80mm over het verhard oppervlak resulteert in 1.180 m3 aan water wat geborgen moet worden. Uit het waterhuiskundigplan, zie hiervoor bijlage 8, blijkt dat in de wadi’s en groenstroken samen kan 503+2.056 = 2.559 m3 aan water kan geborgen worden. Conclusie: er wordt ruim voldaan aan de 80mm bergingseis van WDOD. Stresstest 90mm Uit het HIOR volgt dat de inrichting een T=250 bui (90mm/1u) aan moet kunnen. Er mag inundatie ontstaan op de straten, maar binnen 4u moeten straten weer begaanbaar zijn. In het waterhuiskundigplan, zie hiervoor bijlage 8, is in tabel 7 de afstoming bij T=25- (90mm) neerslagsituatie doorberekend.
Hieruit blijkt dat het waterbalans na 4 uur 72 m3 capaciteit over heeft, wat inhoudt dat al het water geborgen kan worden binnen de daarvoor bestemde bergingsruimte in het gebied. In praktijk is er nog iets meer capaciteit doordat er nog een kleine hoeveelheid water uit het gebied kan stromen. Het projectgebied voldoet aan de richtlijnen van gemeente Raalte die gelden bij een stresstest van 90mm in 1 uur. De hoeveelheid water op straat is beperkt, het water komt niet op het niveau van de particuliere kavels en na 4 uur staat er geen water meer op de straat.
50/59
(Water) kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. De waterkwaliteit mag niet verslechteren t.o.v. de huidige situatie en waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en gebruik van bouwmaterialen. Bij het beoogde bouwplan worden geen uitlogende materialen gebruikt. Scheiding van het afvalwater en hemelwater zorgt voor een betere zuivering van het afvalwater op de RWZI. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten, wordt het waterhuiskundigplan verder opgesteld. Vooralsnog wordt geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In het plangebied is geen sprake van kabels of leidingen die een planologische zone hebben. Toetsing aan plangebied In het plangebied is geen sprake van kabels of leidingen die een planologische zone hebben. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggende ontwikkeling.
51/59
4.13 Verkeer en parkeren 4.13.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de nota ‘Parkeernormen Raalte 2015’. Deze parkeernormen zijn geënt op de landelijke parkeerkencijfers van het CROW. Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. Ook de stedelijkheidsgraad is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en dus op de hoogte van het parkeerkencijfer. Onder stedelijkheidsgraad wordt verstaan het aantal adressen per vierkante kilometer. In de vermelde publicatie van het CROW worden parkeerkencijfers onderverdeeld in functie, de stedelijke zone en de stedelijkheidsgraad.
4.13.2 Parkeerbehoefte De berekening wordt uitgevoerd aan de hand van de gestelde normen. Uitgangspunt is het woningbouwprogramma zoals beschreven in paragraaf 2.2.1. Op basis van de nota ‘Parkeernormen Raalte 2015’ gelden de volgende parkeernormen: Tabel 4.3 Parkeerbehoefte Type woning Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Huur, sociale huur Geschakelde woning Totaal
Locatie Dorpen en buitengebied Dorpen en buitengebied Dorpen en buitengebied Dorpen en buitengebied Dorpen en buitengebied
Parkeern Aantal orm 2,3 7
Parkeerbehoefte
2,2
16
35,2
2
14
28
1,6
13
20,8
2,2
4
8,8
16,1
109
In het plangebied worden 86 parkeerplaatsen in het openbaar gebied gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen zijn bedoeld voor bezoekers en de bewoners van de rijwoningen (koop en huur). Bij de vrijstaande, geschakelde en
52/59
twee-onder-een-kap woningen worden parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Het plangebied voorziet in voldoende parkeerplekken om te voorzien in de ontstane parkeerbehoefte.
4.13.3 Verkeersgeneratie De berekening van de verkeersgeneratie is gebasseerd op de CROW-publicatie 381. Voor de berekening van de verkeersgeneratie zijn we uitgegaan van de uitgangspunten 'weinig stedelijk'- 'rest bebouwde kom'. Er is gekozen voor een 'gemiddeld' kencijfer. Tabel 4.4 Verkeersgeneratie Type woning Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Huur, sociale huur Geschakelde woning Totaal
Kencijfer per woning 8,2 7,8 7,4 5,6 7,4
aantal
Verkeergeneratie
7 16 14 13 4
57,4 124,8 103,6 72,8 31,2 390
De ontwikkeling van het plangebied zal leiden tot een verkeerstoename van 390 motorvoertuigen per etmaal voor een gemiddelde werkdag. Na verwachting zal 80% (312 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer worden ontsloten via de Hellendoornseweg. De overige 20% (78 mvt/etmaal) zal worden ontsloten via de Akkewinde, Klaver en vervolgens worden ontsloten op de Hellendoornseweg.
53/59
Figuu 4.3 De verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling. Via de Hellendoornseweg en de kern van Mariënheem kunnen automobilisten naar de Nijverdalseweg, de N35, rijden. Ook is het mogelijk om via de Keizersveldweg de N35 te bereiken. Vanaf de N35 voegt het verkeer in bij het bestaande verkeersbeeld, aangezien meerdere dorpen en steden bereikbaar zijn via deze weg. Z Conclusie Het aspect parkeren en verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
54/59
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op regels
Algemeen
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en die op eenzelfde manier zijn verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Bij de opzet van de regels is getracht het aantal zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, wat werkelijk noodzakelijk is. De bij dit plan behorende regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
5.2
Inleidende regels
In dit hoofdstuk worden de in regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.
5.3
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bevat de bestemmingsregels. De meeste bestemmingen bestaan uit: a. een bestemmingsomschrijving en b. bouwregels Daarnaast is bij verscheidene bestemmingen opgenomen: a. een afwijkingsmogelijkheid en/of b. gebruikregels. Ad a. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving is vooral van belang om vast te stellen waartoe de gronden mogen worden gebruikt. In het kader van de handhaving is de bestemmingsomschrijving dan ook van groot belang. Ad b. Bouwregels De bouwregels geven de bouwmogelijkheden aan. Omdat steeds is opgenomen dat alleen mag worden gebouwd ten dienste van de bestemming zijn de bouwmogelijkheden niet los te zien van de bestemmingsomschrijving.
55/59
Ondergronds bouwen is toegestaan zolang maar wordt gebouwd ten dienste van de bestemming en met inachtneming van de bouwregels. Doorgaans betekent dit dat ondergrondse gebouwen, bijvoorbeeld (parkeer)kelders, uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht. Ad c. Afwijkingsmogelijkheid De bevoegdheid om bij een omgevingsvergunning afwijking te verlenen van bepaalde normen is gebaseerd op de mogelijkheden in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De uitvoering ervan berust bij burgemeester en wethouders. Deze regels maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming niet mag worden gewijzigd. Ad d. Gebruiksregel In sommige bestemmingen wordt uitdrukkelijk aangegeven wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Desgewenst kunnen specifieke vormen van gebruik worden uitgesloten. Dit zijn gebruiksvormen, waarvan het op voorhand gewenst is aan te geven dat deze in ieder geval niet zijn toegestaan. De hier opgenomen gebruiksregel is aanvullend op de algemene gebruiksregels van het bestemmingsplan. Bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' In de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' (artikel 3) wordt in de bestemmingsomschrijving wordt aangegeven welke productietakken rechtstreeks zijn toegestaan.
Er is geen bouwvlak opgenomen en er kunnen geen gebouwen of bouwwerken worden gerealiseerd op grond van dit bestemmingsplan. Bestemming 'Groen' De bestemming 'Groen' (artikel 4) omvat de groene randen rondom het plan die de overgang vormen tussen de nieuwe woningen en de omgeving. De aanleg van diverse speelvoorzieningen en de wadi's zijn mogelijk binnen deze bestemming. Daarnaast is binnen deze bestemming o.a. de mogelijkheid voor realisatie van paden, parkeervoorzieningen, openbare kunst en nutsvoorzieningen opgenomen. Bestemming 'Tuin' De bestemming 'Tuin' (artikel 5) bevat de tuinen aan de voorzijde en in enkele gevallen de zijkant van de woningen. Binnen deze bestemming zijn, met uitzondering van erkers, balkons en dakoverstekken e.d., geen gebouwen toegestaan. Bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' (artikel 6) heeft betrekking op de hoofdinfrastructuur: de ontsluitingswegen en de parkeerkoffers binnen het plangebied. Binnen deze bestemming is de mogelijkheid opgenomen voor de aanleg van voetpaden en (vrijliggende) fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en water. Tevens is binnen deze bestemming de mogelijkheid voor realisatie van openbare kunst en nutsvoorzieningen opgenomen. Bestemming 'Wonen -1 ' Met de bestemming 'Wonen' (artikel 7) worden de woningen mogelijk gemaakt.