B4f_MER TIJS Heeten bijlagen 39-50
Tekst van het document
7
TECHNIEK EMISSIES VIA AFVALWATER VERMINDEREN
TOEPASBAARHEID
a
Afvalwater afvoeren naar een speciale opvangbak of naar een drijfmestreservoir.
Algemeen toepasbaar.
Wordt reeds toegepast. Naar mestkelders (o.a. spoelplaats)
b
Afvalwater zuiveren.
Algemeen toepasbaar.
N.v.t. gering afvalwater.
c
Verspreiding van afvalwater over het land door bijvoorbeeld gebruik te maken van een irrigatiesysteem zoals sproeiers, mobiele sproei-installaties, tankers of navelstrenginjectoren.
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de beperkte beschikbaarheid van geschikte grond die aan de boerderij grenst. Alleen toepasbaar op afvalwater waarvan is aangetoond dat het slechts in geringe mate is vervuild.
Wordt reeds toegepast. Afvalwater zoals reiniging van de stallen komt in de mestkelders en wordt als meststof afgevoerd en komt dus op de landbouwgronden. (aanwenden als meststof).
DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
De meeste technieken zijn onderdeel van een goede landbouwpraktijk en vallen, voor zover de activiteiten in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn geregeld, onder de eisen en de zorgplicht van het Activiteitenbesluit. Ook gelden voor de meeste agrarische activiteiten voor het verminderen van emissies van afvalwater in het oppervlaktewater en grondwater regels op grond van het Activiteitenbesluit. In een enkel geval kan een vergunning op grond van de Waterwet nodig zijn vanwege het lozen van afvalwater op oppervlaktewater. Zie voor meer informatie het Handboek water.
ENERGIE BBT 8 energiebesparing In het kort Om efficiënt om te gaan met energie moeten een combinatie van de genoemde technieken worden toegepast. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning moet beoordeeld worden of wordt voldaan aan het efficiënt omgaan met energie. Als dit niet het geval is kunnen eisen in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Bij een hoog energieverbruik kan een energieonderzoek bij de aanvraag worden gevraagd of in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Navolgend zijn de toegepaste technieken omschreven, hieruit blijkt dat er sprake is van toepassing van een combinatie van technieken. Waardoor er reeds voldaan is aan de criteria van BBT 8. TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
Bedrijfssituatie
a
Hoogrenderende verwarmings-, koel- en ventilatiesystemen.
Mogelijk niet toepasbaar op bestaande installaties.
Wordt reeds toegepast. Binnen de inrichting zijn voor het bijverwarmen Cv-installatie (HR) aanwezig. Warmte wordt tevens verkregen via warmte afkomstig van de luchtwassers (warmtewisselaars). In de dichte vloeren van de stallen voor vleesvarkens en biggen bevinden zich zogenaamde deltabuizen (water), waarbij met lichaamswarmte van de oudere dieren, de vloeren van de hokruimtes van de jonge dieren worden verwarmd. Hiertoe zijn drie warmtepompen aanwezig.
b
Optimalisering van verwarmings-, koel- en ventilatiesystemen en het beheer daarvan, met name wanneer luchtzuiveringssystemen worden gebruikt.
Algemeen toepasbaar.
Wordt reeds toegepast en in gewenste situatie geoptimaliseerd (zie ventilatieplan / luchtwassers). Alle stallen zijn optimaal klimaat technisch uitgevoerd. De ventilatiebehoefte is geregeld via klimaatcomputers in de stal welke per afdeling automatisch de benodigde ventilatiebehoefte bepalen. Er is qua klimaat sprake van een maximaal geoptimaliseerd verwarming en ventilatiesysteem.
c
Isolatie van de muren, vloeren en/of plafonds van de stallen
Is mogelijk niet toepasbaar op installaties waar natuurlijke ventilatie wordt gebruikt. Isolatie is moge lijk niet toepasbaar op bestaande installaties op grond van structurele beperkingen.
Wordt reeds toegepast. Alle stallen waar dieren zijn gehuisvest danwel verwarmt worden, zijn geïsoleerd uitgevoerd. Overal zijn de muren en plafonds(dak) geïsoleerd uitgevoerd.
d
Het gebruik van energie-efficiënte verlichting.
Algemeen toepasbaar.
Wordt reeds grotendeels toegepast, bijv. met armaturen met spiegeloptiek en/of LED verlichting (nieuwe stalruimtes 6 & 7). En het optimaal gebruik van werk/dag/nacht verlichting. Afhankelijk van de situatie is de verlichting optimaal doch niet overbodig. Daarnaast zijn zonnepanelen op de daken aanwezig voor het opwekken van duurzame elektriciteit.
e
Het gebruik van warmtewisselaars. Een van de volgende systemen kan worden gebruik: 1. Lucht-lucht 2. Lucht-water 3. Lucht-grond
Lucht-grond-warmtewisselaars zijn alleen toepas baar indien er ruimte beschikbaar is omdat zij een grote grondoppervlakte vereisen.
Wordt toegepast. De warmte afkomstig van bijvoorbeeld de luchtwassers wordt binnen het nuttig toegepast. Hiertoe zijn warmtewisselaars en 3 warmtepompen aanwezig (vloerverwarming diverse stallen o.a. biggen en kraamzeugen)
f
Het gebruik van warmtepompen voor warmteterugwinning.
De toepasbaarheid van warmtepompen op basis van de terugwinning van geothermische warmte is beperkt wanneer wegens de beschikbare ruimte horizontale buizen worden gebruikt.
Zie vorige punt (e).
g
Warmteterugwinning met verwarmd en gekoeld, van strooisel voorzien vloeroppervlak (combideck systeem).
Niet toepasbaar op installaties voor varkens. De toepasbaarheid is afhankelijk van de mogelijkheid om een gesloten ondergronds reservoir voor het circulerende water te plaatsen.
N.v.t.
h
Toepassen van natuurlijke ventilatie.
Niet toepasbaar op installaties met een gecentraliseerd ventilatiesysteem. Bij installaties voor varkens is dit mogelijk niet toepasbaar op: - stalsystemen met van strooisel voorziene vloeren in een warm klimaat; - stalsystemen zonder van strooisel voorziene vloeren of zonder overdekte, geïsoleerde boxen (bv. kennels) in een koud klimaat. - bij installaties voor pluimvee is dit mogelijk niet toepasbaar: - tijdens de eerste fase van het fokken, met uit zondering van de eendproductie; - als gevolg van extreme klimaatomstandigheden.
N.v.t. alle stallen zijn d.m.v. een optimaal mechanisch ventilatiesysteem uitgevoerd.
Om te voldoen aan deze BBT-conclusie kan worden aangesloten bij de eisen in artikel 2.15 Activiteitenbesluit. Energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar zijn verplicht bij een energieverbruik van meer dan 50.000 kilowattuur aan elektriciteit of 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen. In bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn voor de agrarische sector erkende maatregelen opgenomen. Deze maatregelen geven een meer gedetailleerde invulling aan de technieken in deze BBT-conclusie. Bij een hoger energieverbruik kunnen aanvullende maatregelen of kan een energieonderzoek bij de aanvraag worden verplicht. Zie voor informatie: https://www.infomil.nl/onderwerpen/duurzame/energie/erkende-maatregelen-0/ en https://www.infomil.nl/onderwerpen/duurzame/energie/handreiking-erkende/energiebesparingwet/activiteitenregeling/ GELUID BBT 9 geluidsbeheerplan BBT 10 geluidemissies Er zijn reeds meerdere voorzieningen om geluidsemissies te voorkomen. Verder zijn bij het grootste deel van de stallen luchtwassers geplaats. Ten behoeve van de gewenste situatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de normstelling. Verder is er geen historie van klachten. Er wordt voldaan aan BBT 10 en BBT 9 is niet noodzakelijk.
In het kort Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven en om één of een combinatie van de technieken te gebruik om geluidemissies te voorkomen of beperken. Een geluidbeheersplan is alleen nodig wanneer geluidhinder wordt verwacht of is aangetoond. In de omgevingsvergunning moeten geluidnormen worden opgenomen passend voor de omgeving. Eventueel worden ook maatregelen opgenomen om te borgen dat aan de geluidnormen wordt voldaan. De normen en maatregelen zijn er op gericht om geluidhinder te voorkomen. Als kan worden onderbouwd dat geen geluidhinder wordt verwacht, is een geluidbeheersplan niet nodig. Als niet aan de normen wordt voldaan, kan handhavend worden opgetreden. Het geluidbeheersplan omvat volgens de BBT-conclusie in ieder geval de volgende elementen: i. een protocol met passende acties en tijdschema's; ii. een protocol voor de monitoring van geluid; iii. een protocol voor de reactie op geconstateerde geluidgebeurtenissen; iv. een programma voor geluidsvermindering om bv. de bron(nen) op te sporen, de geluidsemissies te monitoren, de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geluidsemissies te nemen; v. een herziening (evaluatie) van de historische geluidincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geluidincidenten.
De technieken omvatten het aanhouden van voldoende afstand, rekening houden met geluid bij inrichting van het terrein, operationele maatregelen en het toepassen van geluidarme installaties. In de omgevingsvergunning worden geluidnormen opgenomen om geluidhinder te voorkomen. Uitgangspunt is dat de veehouderij aan deze normen kan voldoen, anders kan de omgevingsvergunning niet worden verleend. Het gemeentelijke geluidbeleid en als dat er niet is, de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening,’ omvat het beoordelingskader en richtwaarden. In veel gevallen zal een akoestisch onderzoek deel uitmaken van de aanvraag omgevingsvergunning waarin is aangetoond dat aan de richtwaarden kan worden voldaan, al dan niet door het treffen van maatregelen. Zie voor informatie: https://www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/geluid/inhoudelijkdossier/regelgeving/wet-algemene/toestemming-milieu/industrielawaai
13
STOF BBT 11 stofemissies In het kort Om de stofemissies uit elke stal te verminderen, moet één of een combinatie van de technieken worden gebruikt. Er wordt geen onderscheid gemaakt in grof en fijn stof. Per stal moet worden beoordeeld of er maatregelen zijn genomen om emissie van grof en fijn stof te voorkomen. Als dit niet het geval is, moeten aanvullende technieken worden toegepast. Als een nieuwe stal voldoet aan de maximale emissiewaarde van Besluit emissiearme huisvesting dan wordt in ieder geval voldaan aan deze BBT-conclusie. Navolgend zijn de toegepaste technieken omschreven, hieruit blijkt dat elke stal aan BBT voldoet. Waardoor er reeds voldaan is aan de criteria van BBT 11.
a
TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
De stofproductie in de stallen verminderen. Hiertoe kan een combinatie van de volgende technieken worden gebruikt: 1. grover strooisel gebruiken (bijvoorbeeld lang stro of houtkrullen in plaats van gehakseld stro); 2. vers strooisel aanbrengen door toepassing van een techniek die weinig stof veroorzaakt (bv. met de hand); 3. ad libitum-voedering toepassen; 4. vochtig voeder of voeder in pellets gebruiken of olieachtige grondstoffen of bindmiddelen toevoegen in droogvoersystemen; 5. stofafscheiders installeren in opslagruimten voor droog diervoeder die pneumatisch worden gevuld; 6. het interne ventilatiesysteem ontwerpen voor en gebruiken met lage luchtsnelheden.
1. Lang stro is niet toepasbaar bij drijfmestsystemen 2 t/m 5. Algemeen toepasbaar. 6. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt om redenen van dierenwelzijn.
Bedrijfssituatie In Bijlage 2. behorende bij artikel 7, eerste lid van het Besluit emissiearme huisvestingssystemen landbouwhuisdieren zijn geen maximale emissiewaarden opgenomen voor varkens. Elk stalsysteem voldoet op deze wijze aan de maximale emissiewaarde van Besluit emissiearme huisvesting. Verder is er sprake van een mechanisch ventilatiesysteem incl. luchtwassers, waarbij in de stallen sprake is van een lage luchtsnelheid (6). Immers het ventilatiesysteem is zo uitgevoerd dat de luchtverversing rustig verloopt en geen tocht ontstaat. Het grootste deel van de dierplaatsen zijn uitgevoerd met luchtwassers met een hoog zuiveringsrendement voor stof. De stallen worden daarnaast periodiek (na de mestronde) volledig gereinigd waardoor er minimale sprake is van stofophoping danwel emissies.
b
De stofconcentratie binnen verminderen door een van de volgende technieken toe te passen: 1. waterverneveling; 2. olieverneveling; 3. ionisatie.
1. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt doordat de dieren tijdens de verneveling een temperatuurdaling ondervinden, met name tijdens levensfasen waarin zij kwetsbaar zijn en/of in het geval van een koud en/of vochtig klimaat. De toepasbaarheid is mogelijk ook beperkt voor vastemestsystemen aan het einde van de opfokperiode wegens te hoge ammoniakemissies. 2. Alleen toepasbaar op pluimvee-installaties met dieren ouder dan ongeveer 21 dagen. De toepasbaarheid voor installaties voor legkippen is mogelijk beperkt wegens het risico van verontreiniging van de in de stal aanwezige uitrusting. 3. Om technische en/of economische redenen mogelijk niet toepasbaar op varkensinstallaties of bestaande pluimvee-installaties.
c
Behandeling van afvoerlucht door een luchtzuiveringssysteem zoals: 1. watervanger; 2. droge filter; 3. waterwasser;
1. Alleen toepasbaar op installaties met een Zie toelichting bij a (m.b.t. BBT / Behv). tunnelventilatiesysteem. Stallen 1, 4, 5, 6 en 7 zijn voorzien van 2. Alleen toepasbaar op pluimvee-installaties met een luchtwassers. tunnelventilatiesysteem. 3 t/m 6. Deze techniek is mogelijk niet algemeen
TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
Bedrijfssituatie
4. natte zure wasser; 5. biowasser (of biotricklingfilter); 6. twee- of drietrapsluchtzuiveringssysteem; 7. biofilter.
toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt. 7. Alleen toepasbaar op drijfmestinstallaties. Vereist een voldoende grote oppervlakte buiten de stal voor het filterpakket. Deze techniek is mogelijk niet algemeen toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt.
Zie toelichting bij a (m.b.t. BBT / behv). Alsmede de toepassing van chemische en gecombineerde luchtwassers in de stallen 1, 4, 5, 6 en 7.
DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
Zie toelichting bij a (m.b.t. BBT/ Behv). In aanvulling op de chemische luchtwassers in de nieuwe stallen 6a / 6b & 7a / 7b wordt als extra maatregel het toepassen van een waterverneveling toegepast. Hierbij wordt de vuile stallucht, alvorens deze in de chemisch luchtwasser wordt ingevoerd, door een waterverneveling/gordijn geleid. Voornoemde is vergelijkbaar met het watergordijn van de gecombineerde luchtwassers. Deze aanvulling heeft een positieve werking op de reductie van het fijn stof. Het fijn stof wordt door deze toepassing aanvullend gereduceerd.
De technieken zijn gericht op het voorkomen dat er stof ontstaat (a), het verminderen van de concentratie stof in de lucht in de stal (b) en het verminderen van de concentratie in de lucht die naar buiten wordt afgevoerd (c). De technieken onder b en c zijn technieken die ook zijn opgenomen in de fijnstoflijst, die op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 jaarlijks wordt gepubliceerd. Niet alle technieken die in de fijnstoflijst zijn opgenomen, zijn in de BBT- conclusie genoemd, zoals een nageschakelde droogtunnel of een warmtewisselaar. Deze technieken leveren qua reductie van fijnstof minstens gelijkwaardige milieuprestaties en kunnen daarom ook worden toegepast. Nieuwe pluimveestallen moeten op grond van het Besluit emissiearme huisvesting een techniek toepassen die de emissie van fijn stof reduceert. Voor bestaande stallen en stallen voor andere dieren moet worden beoordeeld of voldoende technieken worden toegepast.
GEUR BBT 12 geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring BBT 26
Voor de gewenste situatie / bedrijfsopzet is geen geurbeheersplan opgesteld. In de gewenste situatie worden er geurreducerende maatregelen getroffen (biologische luchtwassers / verhoogde emissiepunten met verhoogde uittreedsnelheden) en hierdoor wordt voldaan aan het gestelde in de Wgv. Eveneens is geen historie van (geur)klachten bekend. Gelet op voornoemde is het opstellen van een geurbeheersplan niet noodzakelijk. In de gewenste situatie vindt monitoring op de volgende wijze plaats: • Monitoring parameters V-stacks (geurbelasting) stallen varkens: • Hoogte emisiepunten • Meten uitreedsnelheden en diameter uitstroomopeningen luchtwasser m.b.v. ventilatiecomputer (incl. registratie) • Elektrische monitoring luchtwassers (pH, geleidbaarheid waswater, spuiwaterproductie, drukval fiterpakket, elektriciteitsverbruik) incl. datalogging; • Rendementsmetingen ammoniakconcentratie luchtwassers (bestaande stallen 4 & 5) • Continuemeting ammoniakconcentratie luchtwassers (stallen 1, 5, 6a, 6b, 7a en 7b).
In het kort Deze BBT-conclusie geeft aan dat een geurbeheersplan moet worden opgesteld gericht op voorkomen of verminderen van geuremissies. Een geurbeheersplan is alleen nodig in gevallen waar geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. Als bijvoorbeeld sprake is van een bestaande overbelaste situatie, een historie van klachten en/of de geurnorm net niet wordt overschreden, dan is er mogelijk geurhinder bij geurgevoelige objecten te verwachten. Het bevoegd gezag moet onderbouwen of dit het geval is. Als geurhinder is te verwachten dan is een geurbeheersplan verplicht. In gevallen waar geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd, is ook monitoring verplicht. Door gebruik van de geuremissiefactoren en de berekening met V-Stacks-vergunning kan op basis van het aantal dieren op elk moment de geuremissie en de geurbelasting worden berekend. Het geurbeheersplan omvat volgens de BBT-conclusie in ieder geval de volgende elementen: vi. een protocol met passende acties en tijdschema's; vii. een protocol voor de monitoring van geur; viii. een protocol voor de reactie op geconstateerde geurhinder; ix.
een programma voor de voorkoming en eliminatie van geur om bijvoorbeeld de bron(nen) op te sporen, de geuremissies te monitoren, de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geuremissies te nemen; x. een herziening (evaluatie) van de historische geurincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten.
Allereerst is het van belang om te bepalen of geurhinder te verwachten is. Het bevoegd gezag moet onderbouwen of dit het geval is. Als dat het geval is dan moet verdere invulling gegeven worden aan deze BBT-conclusie door eisen op te nemen in de omgevingsvergunning. In een geurbeheersplan moet de veehouder een protocol opnemen hoe wordt omgegaan met geurklachten. Dit protocol bevat acties waarmee de veehouder adequaat kan reageren op geconstateerde geurhinder. Het protocol kan onder andere bevatten: - de manier van registreren; - het controleren van de werking van aangebrachte geurreducerende maatregelen en indien nodig actie nemen; - het contact opnemen met de omgeving; - het tijdelijk staken van bepaalde activiteiten bij warm en windstil weer; - het evalueren van recente veranderingen in het management, zoals voer en reiniging en als nodig aanpassen; - het nemen van geurreducerende maatregelen. Het opstellen van een protocol is uiteraard niet voldoende. Maatregelen uit het protocol moeten worden uitgevoerd en het protocol moet geëvalueerd en geactualiseerd worden. Het is aan de veehouder om het protocol op te stellen en de acties en maatregelen op te nemen. Het maken en evalueren van het protocol en het uitvoeren van de opgenomen acties en maatregelen moet worden voorgeschreven in de omgevingsvergunning.
In overleg met de veehouder kan worden bepaald welke maatregelen voor die specifieke situatie passend zijn. Deze kunnen vervolgens in de omgevingsvergunning worden vastgelegd. Bij deze BBT-conclusie hoort BBT-conclusie 26 over monitoring. BBT26 omvat het monitoren van geuremissies aan de hand van Europese standaardmethoden of als deze er niet zijn aan de hand van normen die een gelijkwaardige kwaliteit waarborgen. Monitoring is alleen nodig in gevallen waar geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. Echter door gebruik van de geuremissiefactoren en de berekening met V-Stacks-vergunning kan op basis van het aantal dieren op elk moment de geuremissie en de geurbelasting worden berekend. Deze geuremissiefactoren zijn gebaseerd zijn op metingen conform Europese standaardmethoden.
GEUR BBT 13 geuremissies voorkomen In het kort Deze BBT-conclusie schrijft de technieken voor die minimaal moeten worden gebruikt om geuremissie en/of geureffecten te voorkomen of te verminderen. Er moet een combinatie van technieken worden gebruikt. Per geval moet worden beoordeeld welke technieken nodig zijn en deze moeten zo nodig in de omgevingsvergunning worden vastgelegd. Navolgend zijn de toegepaste technieken omschreven, hieruit blijkt dat er sprake is van toepassing van een combinatie van technieken. Waardoor er reeds voldaan is aan de criteria van BBT 12. TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
a
Voldoende afstand in acht nemen tussen de boerderij/installatie en de gevoelige receptoren.
Mogelijk niet algemeen toepasbaar op bestaande boerderijen/installaties.
b
Een stalsysteem gebruiken dat één of een combinatie van de volgende beginselen hanteert: - de dieren en oppervlakken droog en schoon houden (bv. vermijden dat voeder wordt gemorst, het vermijden van mest in ligruimtes met gedeeltelijke roostervloer); - het emitterend mestoppervlak verkleinen (bv. gebruikmaken van metalen of kunststofroosters, kanalen met een beperkt blootgesteld mestoppervlak); - mest regelmatig afvoeren naar een externe (overdekte) mestopslagplaats; - de temperatuur van de mest (bv. door drijfmestkoeling) en de binnentemperatuur verlagen; - de luchtstroming en -snelheid over het mestoppervlak
Om redenen van dierenwelzijn is het verlagen van de temperatuur van de binnenlucht en het verminderen van de luchtstroming en -snelheid mogelijk niet toepasbaar. De verwijdering van drijfmest door spoelen is wegens geurpieken niet toepasbaar op varkensbedrijven in de nabijheid van gevoelige receptoren. Zie toepasbaarheid voor stallen in BBT 30, BBT 31, BBT 32, BBT 33 en BBT 34.
TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
-
verminderen; het strooisel in systemen op basis van strooisel droog en onder aerobe omstandigheden houden.
Bedrijfssituatie Bedrijf voldoet reeds aan de gestelde vaste afstandscriteria van de Wgv. De toepassing van luchtwassers in de Stallen 1, 4, 5, 6. En een emissiearm stalsysteem (mestpan) in stallen 2 & 3 alsmede bronmaatregelen in de mestkelders van stallen 6 & 7) Er is sprake van een forse reductie op bedrijfsniveau d.m.v. de reeds toegepaste emissiearme/geur reducerende maatregelen/ stalsystemen. Hierdoor is de emissie fors lager dan bij een bedrijf met volledig traditionele stalsystemen. Het bedrijf voldoet aan het gestelde in de Wgv.
Bedrijfssituatie Zeer beperkt instrooien.
c
De wijze waarop afvoerlucht uit de stallen wordt verwijderd optimaliseren door één of een combinatie van de volgende technieken te gebruiken: - de hoogte van de afvoerbuis vergroten (bv. de lucht boven de dakhoogte afvoeren, schoorstenen, luchtafvoer door de nok in plaats van door het lage deel van de muren); - de verticale afvoersnelheid verhogen; - aan de buitenzijde efficiënte barrières (bv. vegetatie) plaatsen om turbulentie in de afvoerluchtstroom te creëren; - de afvoeropeningen in het lage deel van de muren uitrusten met deflectoren om de afvoerlucht naar de grond te leiden; - de afvoerlucht lozen aan de stalzijde die van de gevoelige receptor is afgewend; - de as van de nok van een natuurlijk geventileerd gebouw dwars op de overheersende windrichting oriënteren.
De aanpassing van de oriëntatie van de as van de nok is niet toepasbaar op bestaande installaties.
Wordt reeds toegepast. De emissiepunten bevinden zich op relatieve hoge uitstroompunten. Verder is door mechanische ventilatie met contra roterende kleppen in de uitstroomopeningen sprake van hoge luchtsnelheden. (verticale uitstroom).
d
Een luchtzuiveringssysteem gebruiken zoals: 1. biowasser (of biotricklingfilter); 2. biofilter 3. twee- of drietrapsluchtzuiveringssysteem
Deze techniek is mogelijk niet algemeen toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt. Een biofilter is alleen toepasbaar op drijfmestinstallaties. Een biofilter vereist een voldoende grote oppervlakte buiten de stal voor de filterpakketten.
Wordt reeds toegepast. Zoals reeds aangegeven, is het grootste deel van de dierplaatsen uitgevoerd met een (chemisch en gecombineerd) luchtwassysteem. Stallen 1, 4, 5, 6 en 7.
e
Voor de opslag van mest één of een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken: 1. opgeslagen drijfmest of vaste mest afdekken; 2. de locatie van de opslagplaats bepalen rekening houdend met de algemene windrichting en/of maatregelen nemen ter vermindering van de windsnelheid rond en boven de opslagplaats (bv. bomen, natuurlijke barrières); 3. het roeren van drijfmest tot een minimum beperken.
1. Zie toepasbaarheid van BBT 16.b voor drijfmest. Zie toepasbaarheid van BBT 14.b voor vaste mest. 2. Algemeen toepasbaar 3. Algemeen toepasbaar
Enkel opslag mest in de stallen en in de mestsilo’s. Regelmatig afvoer naar gesloten mestopslag en alleen indien noodzakelijk (vergroten homogeniteit) is er sprake van roeren/mixen.
f
g
Mest verwerken door middel van een van de onderstaande technieken om geuremissies tijdens (of voor) het uitrijden tot een minimum te beperken: 1. aerobe vergisting (door beluchting) van drijfmest; 2. compostering van vaste mest; 3. anaerobe vergisting.
1. Zie toepasbaarheid van BBT 19.d. N.v.t. geen sprake van mestverwerking op het bedrijf. 2. Zie toepasbaarheid van BBT 19.f. Alleen bewerking in de vorm van het scheiden van 3. Zie toepasbaarheid van BBT 19.b. drijfmest in een dikke en dunne fractie (inpandig /
Voor het uitrijden van mest één of een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken: 1. rijenbemesters, ondiepe of diepe drijfmestinjectoren; 2. mest zo snel mogelijk onderwerken.
1. Zie toepasbaarheid van BBT 21.b, Wordt reeds toegepast. Mest wordt afgevoerd van BBT 21.c of BBT 21.d. het bedrijf en vervolgens elders emissiearm 2. Zie toepasbaarheid van BBT 22. (conform wetgeving) aangewend.
afgesloten ruimte met aansluiting op gecombineerde luchtwasser / stal 5)
DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
Als voldoende afstand aanwezig is tussen veehouderij en geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de eerstgenoemde techniek. Beoordeeld moet worden welke andere technieken voor die specifieke situatie aanvullend nodig zijn. Een aantal van de genoemde technieken zijn ook onderdeel van emissiearme huisvestingssystemen en reduceren zowel ammoniak als geur. Alternatieve gelijkwaardige technieken kunnen management- of ventilatiemaatregelen zijn. Een ventilatiemaatregel heeft effect op de invoergegevens van V-stacks waardoor de verspreiding van geur verbetert. Denk aan het verhogen of verplaatsen van het emissiepunt of het verhogen van de uittreesnelheid.
OPSLAG VASTE MEST BBT 14 emissies naar lucht BBT 15 emissies naar water en bodem Opslag van vaste mest is niet van toepassing op onderhavige bedrijfslocatie. In het kort Het is BBT om ammoniakemissie vanuit de opslag van vaste mest te voorkomen door het toepassen van 1 of meerdere van de genoemde technieken. Daarnaast moeten emissies naar bodem en water worden voorkomen door toepassen van de genoemde technieken in volgorde van prioriteit. Omdat deze activiteiten zijn geregeld in het Activiteitenbesluit geven de eisen invulling aan deze BBT-conclusie. Alleen bij grootschalige opslag moeten eisen in de omgevingsvergunning worden opgenomen omdat de eisen in het AB dan niet gelden. TECHNIEK LUCHT
TOEPASBAARHEID
a
De verhouding tussen het emitterend oppervlak en het volume van de mesthoop verkleinen.
Algemeen toepasbaar.
b
Mesthopen afdekken
Algemeen toepasbaar wanneer de vaste mest in de stallen wordt gedroogd of voorgedroogd. Mogelijk niet toepasbaar op nietgedroogde mest als de mesthoop vaak wordt aangevuld.
N.v.t. geen (buiten) opslag van vaste mest aanwezig. Inpandige opslag dikke fractie: 150 m3
c
Gedroogde vaste mest opslaan in een schuur
Algemeen toepasbaar.
Tijdelijke opslag van vaste fractie aanwezig (inpandig / afgesloten ruimte met aansluiting op gecombineerde luchtwasser / stal 5). Opslag dikke fractie: max. 150 m3
TECHNIEK WATER EN BODEM
TOEPASBAARHEID
a
Gedroogde vaste mest opslaan in een schuur
Algemeen toepasbaar.
Tijdelijke opslag van vaste fractie aanwezig (inpandig / afgesloten ruimte met aansluiting op gecombineerde luchtwasser / stal 5). Geen droging aanwezig.
b
Een betonnen silo gebruiken voor de opslag van vaste mest.
Algemeen toepasbaar.
N.v.t. / zie boven
Bedrijfssituatie N.v.t. geen opslag van vaste mest aanwezig. Alleen bewerking in de vorm van het scheiden van drijfmest in een dikke en dunne fractie (inpandig / afgesloten ruimte met aansluiting op gecombineerde luchtwasser / stal 5). Opslag dikke fractie: max. 150 m3
c
Vaste mest opslaan op een dichte, ondoordringbare vloer die is uitgerust met een drainagesysteem en een verzameltank voor het afvloeivocht.
Algemeen toepasbaar.
Mestdichte vloer in afgesloten loods. Alleen bewerking in de vorm van het scheiden van drijfmest in een dikke en dunne fractie (inpandig / afgesloten ruimte met aansluiting op gecombineerde luchtwasser / stal 5). Opslag dikke fractie: max. 150 m3
d
Een opslaginstallatie kiezen met voldoende capaciteit om de vaste mest te bewaren tijdens perioden waarin niet kan worden uitgereden.
Algemeen toepasbaar.
Alleen bewerking in de vorm van het scheiden van drijfmest in een dikke en dunne fractie (inpandig / afgesloten ruimte met aansluiting op gecombineerde luchtwasser / stal 5). Opslag dikke fractie: max. 150 m3
e
Vaste mest opslaan op mesthopen die verwijderd zijn van bovenen/of ondergrondse waterlopen waarin het afvloeivocht zou kunnen terechtkomen.
Alleen toepasbaar op tijdelijke mesthopen die elk jaar worden verplaatst.
N.v.t. Alleen inpandige opslag dikke fractie.
DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
Het Activiteitenbesluit bevat voldoende voorschriften om ammoniakemissie naar de lucht en emissies naar bodem en water vanwege het opslaan van vaste mest te voorkomen. Deze voorschriften uit hoofdstuk 3 van het AB zijn ook van toepassing op IPPC-bedrijven. Alleen bij grootschalige opslag van vaste mest (meer dan 600 vierkante meter) moeten in de omgevingsvergunning voorschriften hierover worden opgenomen. Ook zijn de voorschriften van afdeling 2.4 Bodem van toepassing voor alle activiteiten bij een IPPC-bedrijf, ook voor activiteiten die niet zijn geregeld in hoofdstuk 3.
OPSLAG DRIJFMEST BBT 16 emissies naar lucht BBT 17 emissies uit lagune BBT 18 emissies naar water en bodem Er is sprake van opslag van drijfmest (dunne fractie) in 2 afgesloten mestsilo’s en in kelders onder de stallen. In deze is reeds voldaan aan BBT 16 en 18. In het kort Het is BBT om emissie van ammoniak naar de lucht te voorkomen door het toepassen van een combinatie van de opgenomen technieken. Deze BBTconclusie geldt voor alle typen mestbassins. Lagunes zijn in Nederland niet toegestaan. Daarnaast moet een combinatie van de genoemde technieken, of gelijkwaardig, worden toegepast om emissies naar bodem en water te voorkomen vanwege het verzamelen van drijfmest, het transport via leidingen of het opslaan van drijfmest. Omdat deze activiteiten zijn geregeld in het Activiteitenbesluit geven de eisen in combinatie met de zorgplicht invulling aan deze BBT-conclusie. Alleen bij grootschalige opslag moeten eisen in de omgevingsvergunning worden opgenomen omdat de eisen in het AB dan niet gelden. De voorschriften in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit omvatten eisen om emissies naar lucht, water en bodem vanwege het opslaan van drijfmest te voorkomen. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op IPPC-veehouderijen.
Alleen bij grootschalige opslag van drijfmest (meer dan 750 vierkante meter of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 kubieke meter) moeten in de omgevingsvergunning voorschriften hierover worden opgenomen. Deze voorschriften moeten minimaal overeenkomen met de eisen in het Activiteitenbesluit. Daarnaast kunnen aanvullende eisen nodig zijn. De eis dat de opslagcapaciteit van drijfmest voldoende moet zijn om de drijfmest te bewaren tijdens perioden dat niet kan worden uitgereden is geregeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
VERWERKING VAN MEST OP DE BOERDERIJ BBT 19 toepassen mestverwerkingstechnieken In het kort Als er mest wordt verwerkt op de boerderij, dan is het BBT om één of een combinatie van de genoemde technieken te gebruiken. Dit om stikstof-, fosforen geuremissies en ziekteverwekkers naar lucht en bodem te verminderen. Als mestverwerking plaatsvindt, dan zijn de genoemde technieken in ieder geval BBT. Als een andere techniek wordt toegepast, dan moet ten minste een gelijkwaardig niveau van emissies worden bereikt. Voor mestverwerking moeten eisen in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Mest ververwerking is niet van toepassing op onderhavige bedrijfslocatie. Alleen bewerking in de vorm van het scheiden van drijfmest in een dikke en dunne
fractie (inpandig / afgesloten ruimte met aansluiting op gecombineerde luchtwasser / stal 5). Opslag dikke fractie: max. 150 m3 Naast de genoemde technieken zijn er nog andere technieken voor mestbewerking. Voor meer informatie zie de Handleiding bewerken en verwerken van mest op boerderijschaal. Zie https://www.infomil.nl/vaste-onderdelen/onderwerpen/landbouw/mest/handleiding-bewerken/ TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
a
Mechanisch scheiden van drijfmest. Dit omvat bijvoorbeeld: - scheiding d.m.v. schroefpers; - scheiding d.m.v. decanteercentrifuge; - coagulatie-flocculatie; - scheiding d.m.v. zeven; - filterpersen.
Alleen toepasbaar indien: - een vermindering van het stikstof- en fosforgehalte nodig is omdat slechts een beperkte landoppervlakte beschikbaar is voor het op- of inbrengen van mest; - mest niet kan worden uitgereden tegen redelijke kosten. Polyacrylamide is mogelijk niet toepasbaar als vlokmiddel wegens het risico van de vorming van acrylamide.
b
Anaerobe vergisting van mest in een biogasinstallatie.
Anaerobe vergisting van mest in een biogasinstallatie. Deze techniek is mogelijk
N.v.t.
c
Gebruik van een externe tunnel voor het drogen van mest.
Alleen toepasbaar op mest van installaties voor legkippen. Niet toepasbaar op bestaande installaties zonder mestbanden.
N.v.t.
Bedrijfssituatie N.v.t. er is geen sprake van verwerking van mest op deze locatie. Alleen bewerking in de vorm van het scheiden van drijfmest in een dikke en dunne fractie (inpandig / afgesloten ruimte met aansluiting op gecombineerde luchtwasser / stal 5). Opslag dikke fractie: max. 150 m3
TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
d
Aerobe vergisting (door beluchting) van drijfmest.
Alleen toepasbaar wanneer pathogeen- en geurvermindering vóór het uitrijden belangrijk is. In een koud klimaat kan het moeilijk zijn gedurende het winterseizoen het vereiste niveau van beluchting te handhaven.
N.v.t.
e
Nitrificatie-denitrificatie van drijfmest.
Alleen toepasbaar op nieuwe installaties/boerderijen. Alleen toepasbaar op bestaande installaties/boerderijen wanneer de verwijdering van stikstof noodzakelijk is omdat slechts een beperkte landoppervlakte beschikbaar is voor het op- of inbrengen van mest.
N.v.t.
f
Compostering van vaste mest.
Alleen toepasbaar indien: - de mest niet kan worden uitgereden tegen redelijke kosten; - pathogeen- en geurvermindering vóór het uitrijden belangrijk zijn; - er voldoende ruimte op de boerderij is om zwaden aan te leggen.
N.v.t.
DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
MEST UITRIJDEN BBT 20 voorkomen stikstof en fosforemissie BBT 21 ammoniakemissie BBT 22 onderwerken mest In het kort Deze BBT-conclusies bevatten technieken om de belasting van het milieu bij het uitrijden van mest te voorkomen. In de omgevingsvergunning hoeven geen eisen te worden opgenomen voor invulling van deze BBT-conclusies. De regels voor het emissiearm uitrijden van mest zijn opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen, welke is gebaseerd op de Wet bodembescherming. Door deze regels is de toepassing van BBT gewaarborgd. Overigens is het uitrijden van mest geen onderdeel van de inrichting, zodat hiervoor geen eisen kunnen worden gesteld in de omgevingsvergunning van deze inrichting.
GEHELE PRODUCTIEPROCES BBT 23 berekenen ammoniakemissie In het kort Deze BBT-conclusie vereist dat de vermindering van de ammoniakemissies van de gehele veehouderij die door het toepassen van BBT wordt bereikt, berekend of geraamd moet worden. In de omgevingsvergunning hoeven geen eisen te worden opgenomen voor invulling van deze BBT- conclusie. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning worden de ammoniakemissies beoordeeld. Hieruit blijkt wat de vermindering is van de ammoniakemissie door het toepassen van emissiearme stalsystemen. Het RIVM berekent de ammoniakemissies uit de landbouw met het model NEMA (National Emission Model for Agriculture). Op bedrijfsniveau is het verplicht een registratie te hebben over de herkomst en bestemming van meststoffen op grond van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, zie ook BBT 1. Landelijk wordt de mineralenbalans jaarlijks door het CBS onderzocht en gepubliceerd: https://www.cbs.nl/nl-nl/onzediensten/methoden/onderzoeksomschrijvingen/korte- onderzoeksbeschrijvingen/mineralenbalans-landbouw
MONITORING BBT 24 monitoring voedingsbeheer Zie bij BBT 3 en 4 MONITORING BBT 25 monitoring ammoniak In het kort Het is BBT om de emissie van ammoniak in de lucht te monitoren. Dit kan met meten of met een raming op basis van emissiefactoren. In de omgevingsvergunning hoeven geen eisen te worden opgenomen voor invulling van deze BBT-conclusie omdat op basis van het aantal dieren en de emissiefactoren op elk moment de emissie van ammoniak kan worden berekend. Een jaarlijkse raming op basis van emissiefactoren is een genoemde techniek om aan deze BBTconclusie te voldoen. De emissiefactoren voor ammoniak zijn opgenomen in de Rav. De Rav wordt circa 2 maal per jaar gewijzigd. Wanneer er nieuwe stalsystemen zijn of nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten, worden deze verwerkt. Op basis van het aantal dieren en deze emissiefactoren kan de emissie van ammoniak worden berekend. Zolang de veehouderij in werking is binnen zijn omgevingsvergunning, is er geen reden om jaarlijks opnieuw de emissie te berekenen. Bij periodieke milieucontroles wordt het aantal dieren gecontroleerd.
MONITORING BBT 26 geur monitoren Zie bij BBT12 / 29
In de gewenste situatie vindt monitoring op de volgende wijze plaats: • Monitoring parameters V-stacks (geurbelasting) stallen varkens: • Hoogte emisiepunten • Meten uitreedsnelheden en diameter uitstroomopeningen luchtwasser m.b.v. ventilatiecomputer (incl. registratie) • Elektrische monitoring luchtwassers (pH, geleidbaarheid waswater, spuiwaterproductie, drukval fiterpakket, elektriciteitsverbruik) incl. datalogging; • Rendementsmetingen ammoniakconcentratie luchtwassers (bestaande stallen 4 & 5) • Continuemeting ammoniakconcentratie luchtwassers (stallen 1, 5, 6a, 6b, 7a en 7b).
MONITORING BBT 27 stof monitoren In het kort De BBT is om (fijn) stofemissies in de lucht te monitoren. Dit kan met meten of met een raming op basis van emissiefactoren. In de omgevingsvergunning hoeven geen eisen te worden opgenomen voor invulling van deze BBT-conclusie omdat op basis van het aantal dieren en de emissiefactoren op elk moment de emissie van fijn stof kan worden berekend. Een jaarlijkse raming op basis van emissiefactoren is een genoemde techniek om aan deze BBTconclusie te voldoen. De emissiefactoren voor fijn stof zijn opgenomen op de fijnstoflijst. Wanneer er nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten zijn worden deze met de updates verwerkt. Op basis van het aantal dieren en deze emissiefactoren kan de emissie van fijn stof worden berekend. Zolang de veehouderij in werking is binnen zijn omgevingsvergunning, is er geen reden om jaarlijks opnieuw de emissie te berekenen Bij periodieke milieucontroles wordt het aantal dieren gecontroleerd.
28
MONITORING BBT 28 monitoren van ammoniak en fijn stof emissies bij stallen met luchtzuiveringsinstallaties In het kort Het is BBT om een luchtzuiveringsinstallatie te bemeten volgens een protocol en daarnaast de werking van het systeem te monitoren. Omdat de werking van luchtzuiveringssystemen in praktijksituaties wordt gemeten voordat ze in de Rav worden opgenomen, is de eerste beschreven techniek niet van toepassing voor de individuele veehouder en hoeft niet elke veehouder het luchtzuiveringssysteem te bemeten. De controle van luchtzuiveringsinstallaties volgt uit de eisen in het Activiteitenbesluit, waaronder monitoring.
29
Alle luchtzuiveringsinstallaties met een werking op ammoniak en fijn stof worden voordat ze in de Rav en de fijnstoflijst worden opgenomen, gemeten volgens een meetprotocol. Voor ammoniak is dit meetprotocol vastgelegd in de Rav. Voor fijn stof wordt door deskundigen advies gegeven of metingen voldoende zijn uitgevoerd. In beide gevallen wordt daarbij gebruik gemaakt van toetsing aan standaardmethoden. Door meerdere stallen met luchtzuiveringsinstallaties te bemeten en de bemeten luchtzuiveringsinstallatie gedetailleerd te beschrijven in de stalbeschrijving, zijn de metingen representatief voor andere stallen met luchtzuiveringsinstallaties. De eerste beschreven techniek is daarom niet van toepassing. De veehouder hoeft niet de prestaties van een luchtzuiveringstechniek te controleren. Wel moet de luchtzuiveringstechniek voldoen aan de technische eisen zoals vermeld in de bijbehorende systeembeschrijving en gebruiken in overeenstemming met de gebruikseisen in de systeembeschrijving. De veehouder moet wel de werking van een luchtzuiveringssysteem controleren. Voor luchtwassers zijn monitoringseisen opgenomen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Dit geldt ook voor IPPC-bedrijven. Daarnaast gelden voor alle luchtzuiveringsinstallaties, stalbeschrijvingen, waarin monitoringseisen zijn opgenomen om een goede werking van het systeem te garanderen.
Op grond van het Activiteitenbesluit moet aan deze stalbeschrijvingen worden voldaan.
MONITORING BBT 29 monitoren overige parameters In het kort Het is BBT om diverse parameters ten minste jaarlijks te registreren. Dit kan ook als onderdeel van het milieubeheerssysteem onder BBT 1 worden gedaan. In de omgevingsvergunning moeten eisen worden opgenomen voor invulling van deze BBT-conclusie. PARAMETER
OMSCHRIJVING
TOEPASBAARHEID
a
Waterverbruik
Registratie bv. door middel van geschikte meters of op basis van facturen. De belangrijkste waterverbruikende processen in de stallen (schoonmaken, voederen enz.) kunnen afzonderlijk worden gemonitord.
De belangrijkste waterverbruikende processen afzonderlijk monitoren is mogelijk niet toepasbaar op bestaande boerderijen, afhankelijk van de opstelling van het waterleidingnet.
b
Elektriciteitsverbruik
Registratie bv. door middel van geschikte meters of op basis van facturen. Het elektriciteitsverbruik van stallen wordt afzonderlijk van de andere boerderijinstallaties gemonitord. De belangrijkste energieverbruikende processen in de stallen (verwarming, ventilatie, verlichting enz.) kunnen afzonderlijk worden gemonitord.
De belangrijkste elektriciteitsverbruikende processen afzonderlijk monitoren is mogelijk niet toepasbaar op bestaande boerderijen, afhankelijk van de opstelling van het elektriciteitsnet.
Bedrijfssituatie Wordt reeds toegepast (leidingwater). Binnen de inrichting wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van grondwater. Deze grondwaterpompen zijn niet voorzien van een meter.
Wordt reeds toegepast. Zowel middels nota’s als electrameter / levering via zonnepanelen. Echter niet per stal, dit is technische gelet op een bestaande situatie niet mogelijk.
c
Brandstofverbruik
Registratie bv. door middel van geschikte meters of op basis van facturen.
Algemeen toepasbaar
Wordt reeds toegepast. O.a. aankoopbewijzen / facturen (diesel).
d
Aantal binnenkomende en uitgaande dieren, in voorkomend geval met inbegrip van geboorten en sterfgevallen
Registratie bv. in bestaande registers.
Algemeen toepasbaar
Wordt reeds toegepast. Bedrijfsregistratie veebezetting.
e
Voederconsumptie
Registratie bv. op basis van facturen of in bestaande registers.
Algemeen toepasbaar
Wordt reeds toegepast. Aankoop / hoeveelheid grondstoffen en voeders worden administratief bijgehouden.
f
Mestproductie
Registratie bv. in bestaande registers.
Algemeen toepasbaar
Wordt reeds toegepast. Mestboekhouding/wetgeving.
De parameters onder a, b en c moeten in de omgevingsvergunning worden opgenomen. De parameters onder d, e en f zijn onderdeel van de mestboekhouding op grond van de Meststoffenwet.
In de gewenste situatie vindt monitoring op de volgende wijze plaats: • Registratie verbruik leidingwater (meter); • Registratie verbuik elektriciteit en aardgas (meter); • Registratie verbruik brandstof/dieselolie (factuur); • Registratie veebezetting (diertellingsgegevens / mestboekhouding); • Registratie aanvoer grondstoffen / veevoeder (eigen adminsitratie / facturen); • Registratie afvoer afvalstoffen (facturen); • Registratie afvoer meststoffen (mestboekhouding); • Monitoring parameters V-stacks (geurbelasting) stallen varkens: • Hoogte emisiepunten • Meten uitreedsnelheden en diameter uitstroomopeningen luchtwasser m.b.v. ventilatiecomputer (incl. registratie) • Elektrische monitoring luchtwassers (pH, geleidbaarheid waswater, spuiwaterproductie, drukval fiterpakket, elektriciteitsverbruik) incl. datalogging; • Rendementsmetingen ammoniakconcentratie luchtwassers (bestaande stallen 4 & 5) • Continuemeting ammoniakconcentratie luchtwassers (stallen 1, 5, 6a, 6b, 7a en 7b).
AMMONIAK BBT 30 ammoniakemissie varkens BBT 31 ammoniakemissie legkippen, vleeskuikenouderdieren, pullen BBT 32 ammoniakemissie vleeskuikens BBT 33 ammoniakemissie eenden BBT 34 ammoniakemissie kalkoenen In het kort Het is BBT om de ammoniakemissies in de lucht te verminderen door één of een combinatie van de genoemde technieken te gebruiken. Daarnaast moet elke stal voldoen aan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN's). Vermeld is dat het BBT-GEN mogelijk niet geldt voor biologische dierlijke productie. In Nederland zijn de BBT-GEN’s opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Als een emissiearme techniek wordt toegepast die is opgenomen in de Rav en waarvan de emissiefactor lager is dan de maximale emissiewaarde wordt voldaan aan deze BBT-conclusie. In onderstaande tabel zijn de emissiegrenswaarden voor ammoniak (kg NH3/dierplaats/jaar) van de BBT-conclusies vermeld en daarnaast de maximale emissiewaarden van het Besluit emissiearme huisvesting. BBT-conclusie Guste en dragende zeugen
0,2 – 2,7
Besluit emissiearme huisvesting (kolom A, B, C) 2,6
2,6
1,3
Kraamzeugen (incl. biggen)
0,4 – 5,6
2,9
2,9
2,5
Gespeende biggen
0,03 – 0,53
0,21
0,21
0,21
Vleesvarkens
0,1 – 2,6
1,6
1,5
1,1
Legkippen (kooisysteem)
0,02 – 0,08
-
-
-
Legkippen (zonder kooien)
0,02 – 0,13
0,125
0,068
0,068
Vleeskuikens
0,01 – 0,08
0,045
0,035
0,024
Stallen die voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting voldoen aan deze BBT-conclusies. Stallen die door intern salderen aan het Besluit emissiearme huisvesting voldoen, geven een gelijkwaardig niveau van bescherming en voldoen daarmee ook aan deze BBT-conclusies. Intern salderen bij IPPC-installaties kan alleen bij huisvestingssystemen die al voor 1 januari 2007 aanwezig waren. Meer informatie over intern salderen is te vinden op de website van InfoMil. In de gewenste situatie wordt voldaan aan het gestelde in de Wav en het Behv.
OVERIG (Gezondheid/Endotoxinen) Binnen onderhavige varkenshouderij zijn maatregelen getroffen om de risico’s op een uitbraak van dierziekten zoveel mogelijk te beperken. Bij het uitbreken van een dierziekte, zoals varkenspest / MKZ, kan zich de situatie voordoen, dat het bedrijf tijdelijk wordt afgesloten. Tijdens deze periode mogen geen dieren worden aan- en afgevoerd. Gevolg hiervan is dat de veebezetting zal toenemen en dat de hokken vol zullen raken. Door een ruime bedrijfsopzet en de relatieve grote leefoppervlaktes van de dieren (conform Besluit houders van dieren) is de opvangcapaciteit van onderhavige veehouderij relatief groot. Bij een zeer lang aanhoudende periode van het niet kunnen afleveren van de biggen kan eventueel een noodopvang (noodhuisvesting / mobiele opslag van mest) worden gerealiseerd. Om de risico’s op het bedrijf te beperken c.q. te voorkomen is het bedrijf zodanig opgezet, dat bezoekers niet direct in de stallen kunnen komen. Diegene die de stallen willen bezoeken / betreden dienen zich te houden aan strikte hygiëneregels (o.a. gebruik van bedrijfskleding, een hygiënesluis, toepassen ontsmettingsmiddelen, schone en vuile weg principe etc.). Daarnaast is voor het schoonmaken en ontsmetten van vrachtauto’s een spoelplaats aanwezig. Binnen de beoogde veehouderij aan de Heetenseweg 9a worden alleen varkens gehouden.
Hierdoor is er sprake van een gespecialiseerd bedrijf met slechts één diersoort. Op basis hiervan worden de risico’s op de verspreiding van dierziekten al in grote mate beperkt. Binnen de varkenshouderij worden de volgende maatregelen getroffen in het kader van de dier- en volksgezondheid en om de verspreiding van dierziektes te voorkomen: • Binnen 175 meter van het emissiepunt van de beoogde varkenshouderij is geen woning van derden aanwezig; • Het bedrijf beschikt (minimaal) over een zogenaamde A-status op grond van de VVL; • Binnen de veehouderij wordt slechts één diersoort (varkens) gehouden; • Er is geen sprake van een vrij uitloop. De dieren worden inpandig gehouden; • Professionele begeleiding door adviseurs, dierenarts en voerleverancier. • Er wordt per jaar een bedrijfsbehandelingsplan op het gebied van het gebruik van diergeneesmiddelen opgesteld in samenwerking met De begeleidende dierenarts. • De begeleidend dierenarts bezoekt iedere maand het bedrijf • Beperkt antibiotica gebruik • De periodieke verplichte bloedmonitoring op dierziekten wordt gedaan (Aujesky/CSF) • Per kwartaal extra controle op de algehele gezondheidsstatus van het bedrijf (APP/CIRCO/MYCOPLASMA/PRRS/SALMONELLA/GRIEP).
• Strikte hygiënemaatregelen: schone – vuile weg principe Iedere bezoeker doucht zich voor een stalbezoek Per diercategorie wordt gescheiden kleding en schoeisel gebruikt De verschillende diercategorieën (dragende zeugen/kraamzeugen/gespeende biggen/vleesvarkens) worden in gescheiden stallen gehuisvest. Hierdoorkan het contact tussen de verschillende diercategorieën tot een minimum worden beperkt.
• •
Er worden in alle stallen gecombineerde luchtwassers toegepast. Hierdoor wordt de uitstoot van ziektekiemen en bacteriën zoveel mogelijk / maximaal voorkomen De stallen zijn/worden uitgevoerd met conform de modernste eisen en technische inzichten
Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen. Bij het toepassen van dit ‘endotoxinen-toetsingskader’ word uitgegaan van een worstcase-benadering. Voor fokzeugen is geen grafiek beschikbaar, maar fokzeugen veroorzaken minder fijnstof dan vleesvarkens. Het bepalen van een minimumafstand op basis van de fijnstof-emissie van vleesvarkens resulteert dus in een worst-casebenadering voor het onderhavige bedrijf. Ook het geheel toekennen van de totale fijnstof-emissie aan het dichtstbijgelegen emissiepunt betreft geen realistische weergave van de werkelijke situatie, aangezien het emissiegewogen-zwaartepunt van de fijnstofemissies op veel grotere afstand van de omliggende woningen ligt dan de adviesafstand die volgt uit de grafiek.
Tot slot wordt in deze benadering geen rekening gehouden met de mate van verspreiding van fijnstof-endotoxinen in de buitenlucht (emissiepuntparameters zoals hoogte, diameter en uittredesnelheid beïnvloeden de verspreiding van de ventilatielucht en geëmitteerde stoffen en daarmee dus ook de endotoxine-concentratie ter plaatse van omliggende woningen). In de gewenste situatie bedraagt de emissie van fijn stof PM10 in totaal 1.388,2 kg. Ten opzichte van de referentiesituatie is er sprake van een toename van (1.383,3 - 749,4 =) 633,9 kg/jaar. Op basis van de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen bedraagt de richtafstand 202,7 meter. In de gewenste situatie bedraagt de afstand tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt van de varkenshouderij (stal 4 / guste & dragende zeugen) en de woning Heetenseweg 9b (voormalige bedrijfswoning varkenshouderij // zuidzijde) ongeveer 178 meter (= ongewijzigd).
Ten aanzien van voornoemde kan het volgende worden opgemerkt: • Op de locatie Heetenseweg 9b werden in het verleden ook varkens gehouden en de woning Heetenseweg 9b was de bedrijfswoning behorende bij deze varkenshouderij; • De afstand tussen deze woning en het dichtstbijgelegen emissiepunt van de varkenshouderij wordt in de gewenste situatie niet verkleind; • In de gewenste situatie worden in alle stallen reducerende maatregelen getroffen (luchtwassers / verhoogde emissiepunten en uittreedsnelheden) om de emissie van fijn stof te reduceren; • De woning Heetenseweg 9b is gelegen ten zuiden van de varkenshouderij van Tijs Heeten b.v.. Deze woning is hierdoor niet gelegen in de heersende windrichtingen. Alleen bij wind afkomstig uit het noorden, waarvan slechts in ongeveer 8% van de tijd sprake is (bron: weerplaza.nl), is ter plaatse eventueel sprake van endotoxineblootstelling; • In de gewenste situatie is er ten opzichte van de vergunde/huidige situatie ter plaatse van de woning Heetenseweg 9b geen sprake van een toename van de belasting met fijn stof PM10.
• In de nieuwe stallen voor het houden van de vleesvarkens ( stallen 6a / 6b & 7a / 7b) wordt een chemische luchtwasser toegepast met een reductiepercentage van 35%. Tijs Heeten b.v. heeft besloten om deze nieuwe stallen een extra maatregel toe te passen van de reductie van fijn stof. Het betreft hier het toepassen van een waterverneveling. Hierbij wordt de vuile stallucht, alvorens deze in de chemisch luchtwasser wordt ingevoerd, door een waterverneveling/-gordijn geleid. Voornoemde is vergelijkbaar met het watergordijn van de gecombineerde luchtwassers. Deze aanvullende maatregel heeft een positieve werking op de reductie van het fijn stof. Naar verwachting zal de emissie van fijn stof uit deze nieuwe stallen hierdoor aanvullend met 25 tot 50%** worden gereduceerd. ** gebaseerd op praktijkinformatie van de leverancier firma Devrie Gelet op voornoemde worden door Tijs Heeten b.v. alle mogelijke maatregelen genomen om de emissie van fijn stof te beperken (BBT). Ter plaatse van de woning aan de Heetenseweg 9b behoeft hierdoor niet te worden gevreesd voor ontoelaatbare risico’s ten aanzien van endotoxine-blootstelling. De overige omliggende woningen van derden bevinden zich in de gewenste situatie op meer dan 202,7 meter van de verschillende emissiepunten en hier kan worden voldaan aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3.
De afstand tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt van de varkenshouderij (stal 7a / vleesvarkens) en de woning Heetenseweg 9 (noordzijde) bedraagt in de gewenste situatie ongeveer 215 meter.
Figuur:
afstand van EP tot woning Heetenseweg 9 (bron: VanWestreenen)
44
Rapportage & berekeningen Aerius realisatiefase
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 243
210715x1 Toelichting Wnb Heidedijk 1 + 1a Aalten
Notitie realisatiefase Beoordeling stiksofeffecten Ten behoeve van de realisatie van diverse bedrijfsgebouwen en bedrijfsaanpassingen voor het agrarische bedrijf Tijs Heeten B.V., gelegen aan de Heetenseweg 9a te Heeten. Initiatiefnemer:
Tijs Heeten b.v.
Initiatieflocatie:
Heetenseweg 9a 8111 PX HEETEN
Datum: Rapportage: Kenmerk:
11 februari 2025 Definitief, versie 3 BW/BHW/LV/20241211/NR
Inhoudsopgave 1.
ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER................................................................... 2
2.
SITUATIE.......................................................................................................................... 3
3.
INLEIDING ....................................................................................................................... 5
4.
TOEGEPASTE METHODE ................................................................................................ 6
5.
REFERENTIESITUATIE ..................................................................................................... 7 5.1.
VERGUNDE SITUATIE .................................................................................................................................... 7
5.2.
TOETSING PROVINCIALE BELEIDSREGELS.................................................................................................... 7
5.3.
VERVOERSBEWEGINGEN .............................................................................................................................. 7
5.4.
EXTERNE VERVOERSBEWEGINGEN + MANOEUVREREN OP ERF ............................................................... 8
5.5.
INTERNE VERVOERSBEWEGINGEN + STATIONAIR DRAAIEN WEGVOERTUIGEN OP ERF ........................ 9
5.6.
OVERIGE BRONNEN...................................................................................................................................... 9
5.7.
PARAMETERS PER STAL - REFERNTIE 2014 ............................................................................................. 10
6.
STAP 1 – REALISATIE LUCHTWASSER ........................................................................ 11 6.1.
VERVOERSBEWEGING ................................................................................................................................. 11
6.2.
EXTERNE VERVOERSBEWEGINGEN, MANOEUVREREN EN STATIONAIR DRAAIEN WEGVOERTUIGEN OP
TERREIN..................................................................................................................................................................... 12
6.3.
INTERNE VERVOERSBEWEGINGEN ............................................................................................................. 12
6.4.
AERIUS-RESULTATEN STAP 1 .................................................................................................................... 13
6.5.
PARAMETERS PER STAL – STAP 1 .............................................................................................................. 14
7.
STAP 2 – REALISATIE GEBOUWEN EN VOORZIENINGEN......................................... 15 7.1.
VERVOERSBEWEGING ................................................................................................................................. 16
7.2.
EXTERNE VERVOERSBEWEGINGEN, MANOEUVREREN EN STATIONAIR DRAAIEN WEGVOERTUIGEN OP
TERREIN..................................................................................................................................................................... 16
8.
7.3.
INTERNE VERVOERSBEWEGINGEN ............................................................................................................. 17
7.4.
AERIUS-RESULTATEN STAP 2 .................................................................................................................... 17
7.5.
PARAMETERS PER STAL – STAP 2 .............................................................................................................. 19 CONCLUSIES ................................................................................................................. 20
Notitie Realisatiefase – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 1
1. ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER Naam Locatie activiteit
: :
Contactpersoon Correspondentieadres :
:
Telefoon Email KvK Kadastrale ligging
: : : :
Hoofdactiviteit
:
Realisatieactiviteiten Stap 1 Stap 2
: :
Tijs Heeten b.v. Heetenseweg 9a & 9c 8111 PX HEETEN De heer R. (Remko) Tijs (eigenaar) Heetenseweg 9a 8111 PX RAALTE 0572-381806 tijsheeten@gmail.com 70372365 / 000023196297 Gemeente Raalte, sectie F, 505, 908, 2462, 4234, 4235, 4530, 4531, 4707, 5048, 5051 en 5637 Het houden van varkens (fokzeugen met gespeende biggen, dekberen, opfokzeugen & vleesvarkens) Het realiseren en toepassen van een luchtwasser + centrale afzuiging / luchtkanaal in stal 1 Het verlengen van stal 5, het aanpassen van de luchtwassers van stallen 4 en 5, en de ventilatoren in stallen 2 en 3. Daarnaast omvat het plan de realisatie van stallen 6 en 7, een loods, mestsilo, educatieve ruimte, en laadperron. Verder worden een nieuwe weg, weegbrug, noodstroomaggregaat, wadi/opvangsloot aangelegd, en wordt een landschappelijke inpassing gerealiseerd.