CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

B2_Besluit omgevingsvergunning Heetenseweg 9a-9c met wijzigingen geaccepteerd

Raadsvergadering 10 juli 2025, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen besluit omgevingsvergunning en verklaring van geen bedenkingen uitbreiding varkenshouderij Tijs (bespreekstuk)33.482 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.6.4

Ook wordt er halfjaarlijks (door leverancier) bemonsterd en een analyse van het waswater op pH, hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat en een verhouding tussen stikstofcomponenten.

4.6.5

Een keer per jaar wordt het filterpakket en filterwand van de wasser volledig gereinigd, wanneer en waar nodig wordt het filterpakket vervangen door de leverancier.

4.7

Specifieke voorschriften

4.7.1

De vergunninghouder en iedereen die op het varkensbedrijf werkzaam is dient, binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning, de e-learning ‘Luchtwassers’, ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, met succes af te sluiten. Personeel dat met de luchtwassers in aanraking komen en die in deze termijn in dienst komt, moet eveneens binnen zes maanden na de start van het dienstverband deze e-learning met succes afsluiten.

4.7.2

De luchtwassers en bijbehorende voorzieningen worden vorstvrij uitgevoerd.

4.8

Reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens

4.8.1

Het inwendig reinigen van veewagens moet plaatsvinden op een reinigings- ontsmettingsplaats die voorzien is van een aaneengesloten verharding en afwaterend is aangelegd naar een of meer opslagputten. Het reinigen en ontsmetten van voertuigen moet op zodanige wijze plaatsvinden dat het verontreinigde water wordt opgevangen (opstaande randen aan een drietal zijden dan wel een gelijkwaardige voorziening) zodat het reinigingswater en ontsmettingsvloeistoffen niet in de bodem terecht kunnen komen.

4.8.2

Een reinigings- en ontsmettingsplaats moet bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigings- en/of ontsmettingsmiddel.

4.8.3

De reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens moet zodanig zijn gelegen dat ten gevolge van aan- en afvoerbeweging, verwaaiing van waswater etc. geen hinder voor derden optreedt.

4.9

Hygiënemaatregelen dierenverblijven

4.9.1

De vergunninghouder instrueert en informeert bezoekers en (tijdelijk) werkzame personen over de maatregelen en voorzieningen met betrekking tot het toepassen van de diersector-specifieke

50 / 107

hygiëne- en preventiemaatregelen (o.a. met aandacht voor reiniging en desinfectie, mestafvoer, plaagdierenbestrijding, etc.).

4.10

Gezondheid

4.10.1

De in het document ‘Toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu’ aangegeven maatregelen ter preventie en vermindering van de risico’s voor de volksgezondheid, moeten blijvend en doelmatig binnen de inrichting zijn toegepast. Van daarvoor vereiste inspecties, registraties en deskundigheid, moeten bewijsstukken binnen de inrichting aanwezig zijn.

4.11

Droge mest (dikke fractie) in opslagloods

4.11.1

De opslagloods voor droge mest (dikke fractie) moet zijn uitgevoerd als een afgesloten ruimte met voldoende ventilatie, zodanig dat de mest is beschermd tegen weersinvloeden.

4.11.2

De vloer van de opslagloods voor droge mest moet zijn voorzien van een aaneengesloten bodemvoorziening.

4.12

Behandeling en bewaring van verpompbare dierlijke mest, algemeen

4.12.1

Het brengen van mest in de opslagruimte moet geschieden met een gesloten aanvoerleiding die zo dicht mogelijk bij de bodem van de opslagruimte uitmondt.

4.12.2

De afvoerpunten van de opslagruimte moeten door middel van goed sluitende deksels gesloten worden gehouden, behoudens tijdens het leegmaken ervan.

4.12.3

De opslagruimte mag niet zijn voorzien van een overstort (noodoverloop).

4.12.4

Het terrein van de inrichting mag niet worden bevloeid of op andere wijze van een laag mest of gier worden voorzien, behoudens bij het bemesten van grond volgens de normale bemestingspraktijk.

4.12.5

Transport van verpompbare dierlijke mest moet plaatsvinden in volledig gesloten tankwagens.

4.12.6

Bij het afvoeren van verpompbare dierlijke mest mag de omgeving niet worden verontreinigd.

4.13

Mestbewerking

4.13.1

De mest moet worden bewerkt in een afgesloten ruimte.

4.13.2

De ventilatielucht van de mestbewerkingsruimte moet uitmonden in het ventilatiekanaal van de luchtwasser van stal 5.

51 / 107

4.13.3

De vloer van de mestbewerkingsloods moet zijn voorzien van een aaneengesloten bodemvoorziening.

4.14

De uitvoering van een mestbassin

4.14.1

Een mestbassin is voorzien van een afdekking die is aangebracht op of in het bassin, aansluitend of, in het geval van een drijvende afdekking, nagenoeg aansluitend tegen de rand van het mestbassin en boven de drijfmest.

4.14.2

Een mestbassin, niet zijnde een ondergronds mestbassin, en een afdekking zijn uitgevoerd en aangelegd overeenkomstig paragraaf 5.5 en de hoofstukken 6 en 7 van BRL 2342.

4.14.3

Een mestbassin en een afdekking als bedoeld in het vorige voorschrift zijn voorzien van een kwaliteitsverklaring mestbassin, waaruit blijkt dat het mestbassin en de afdekking zijn uitgevoerd overeenkomstig BRL 2342 en wat de referentieperiode mestbassins is. De kwaliteitsverklaring mestbassin is binnen de inrichting aanwezig.

4.14.4

Een mestbassin dat, of een afdekking die, visueel waarneembaar lek is of in een slechte staat verkeert, wordt terstond gerepareerd.

4.14.5

Een mestbassin en een afdekking, worden overeenkomstig het daartoe in de Regeling bodemkwaliteit aangewezen normdocument beoordeeld en goedgekeurd door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Deze beoordeling vindt ten minste vier weken voor het aflopen van de referentieperiode mestbassins plaats. Bij goedkeuring van een mestbassin en een afdekking wordt door de hiervoor bedoelde persoon of instelling een nieuwe referentieperiode mestbassins vastgesteld. Het rapport van deze goedkeuring waarin een nieuwe referentieperiode mestbassins is opgenomen, is binnen de inrichting aanwezig. Wanneer deze goedkeuring onder voorwaarden wordt gegeven, wordt binnen een termijn, gesteld door de hiervoor bedoelde persoon of instelling aan die voorwaarden voldaan.Wanneer deze beoordeling leidt tot afkeuring en een reparatie van het mestbassin of de afdekking nodig is, draagt degene die de inrichting drijft zorg voor deze reparatie en wordt het mestbassin of de afdekking binnen een termijn, gesteld door de hiervoor bedoelde persoon of instelling, opnieuw ter beoordeling aangeboden. Wanneer de hiervoor bedoelde reparatie niet plaatsvindt of een mestbassin of afdekking wordt afgekeurd en reparatie niet mogelijk is, wordt: a. van de afkeuring terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag; b.

de drijfmest dat zich in het mestbassin bevindt onmiddellijk verwijderd, en; c. het opslaan van drijfmest in het mestbassin beëindigd.

4.14.6

Het vul- en zuigpunt van een mestbassin bevindt zich boven een lekbak.

4.14.7 De mestsilo’s moeten zijn voorzien van een deugdelijke aanrijbeveiliging, zodat geen voertuigen tegen de mestsilo’s kunnen botsen. Met name de vulopeningen/aansluitingen van de mestsilo’s dienen beveiligd te worden, omdat daar het meeste risico op lekkage is bij een aanrijding.

52 / 107

4.14.8 Tussen de mestsilo’s en de achterliggende sloot / het NNN-gebied moet een kerende voorziening in de vorm van een damwand/grondwal van minimaal 1 m en maximaal 1,50 m hoog ten opzichte van maaiveld gerealiseerd worden. In geval van lekkage/uitstroom van mest dient de mest af te stromen naar het voorliggende (verharde) erf, zodat dit niet in de sloot of het NNN-gebied terecht kan komen.

4.15

Voerkeuken

4.15.1

De voerkeuken moet worden uitgevoerd als een afgesloten ruimte. De ventilator van deze ruimte moet uitmonden in het ventilatiekanaal van de luchtwasser van stal 5.

4.15.2

Er mag alleen voer worden aangemaakt voor dieren die in de inrichting zijn gehuisvest.

4.16

Opslag van spuiwater luchtwassysteem in een spuiwatersilo/spuiwaterkelder

4.16.1

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt het spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een lekdichte voorziening opgeslagen.

4.16.2

De vulpunten en aftappunten van een bovengrondse opslagtank met spuiwater zijn geplaatst boven een vloeistofdichte vloer of verharding of boven of in een lekbak, of zijn uitgevoerd met een vulpunt morsbak.

4.16.3

De opslagtank is voorzien van een overvulbeveiliging.

4.17

Opslag van zwavelzuur luchtwassysteem in een verpakking

4.17.1

De verpakking is tegen normale behandeling bestand en is zodanig dat niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen.

4.17.2

Leidingen aangesloten op een verpakking met zwavelzuur: a. zijn bovengronds vast aangelegd of in een daartoe speciaal aangelegde goot vast aangelegd; b. zijn bestand tegen de daardoor getransporteerde stoffen en zijn vloeistofdicht uitgevoerd; c. worden periodiek gecontroleerd op vloeistofdichtheid.

4.17.3

In elke aansluiting op verpakking met een inhoud van meer dan 200 liter zwavelzuur beneden het hoogste vloeistofniveau, is zo dicht mogelijk bij de wand een afsluiter geplaatst. De afsluiter is zodanig uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend dan wel is gesloten.

53 / 107

4.17.4

Leidingen die beneden het hoogste vloeistofniveau zijn aangesloten en waarin door hevelwerking product uit de tank kan stromen, zijn voorzien van een anti-hevel voorziening.

4.17.5

Het opslaan van zwavelzuur in verpakking vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak.

4.17.6

Indien de opslag, bedoeld in het vorige voorschrift, plaatsvindt in gesloten verpakking, die voldoet aan de daartoe gestelde eisen van de ADR of anderszins deugdelijk is, kan deze activiteit ook plaatsvinden boven een andere bodembeschermende voorziening.

4.17.7

Het opslaan van een werkvoorraad aan zwavelzuur als bedoeld in voorschrift 3.1.3 van PGS 15, vindt plaats in deugdelijke en gesloten verpakking die bestand is tegen zwavelzuur. Het opslaan van een werkvoorraad aan brandbare vloeistoffen van meer dan 50 liter vindt plaats boven een lekbak. Deze lekbak is onbrandbaar en productbestendig en kan ten minste 100% van de daarboven opgeslagen vloeistoffen bevatten.

5

GELUID

5.1

Geluidsniveaus

5.1.1

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de Representatieve bedrijfssituatie (RBS), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, is ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan: Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in dB(A), Beoordelin Beschrijving (imissiepunt) Dag (07.00 – Avond (19.00 19.00 uur), gs-punt (*) 23.00 uur), hoogte 1,5 m hoogte 5 m 01 Heetenseweg 9 40 35 02 Heetenseweg 9b 40 35 01, 02 Referentiepunt N – 50 m 45* 42 03, 04 Referentiepunt O – 50 m 44* 41 05, 06 Referentiepunt Z – 50 m 46* 40 07, 08 Referentiepunt W – 50 m 43* 40

Nacht (23.00 07.00 uur), hoogte 5 m 30 30 40 36 34 35

*: waarneemhoogte 5 m

5.1.2

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de Incidentele bedrijfssituatie (IBS), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties en door de in

54 / 107

de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, is ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan: Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in dB(A), Beoordelings- Beschrijving Dag (07.00 – Avond (19.00 19.00 uur), punt (*) (imissiepunt) 23.00 uur), hoogte 1,5 m hoogte 5 m 01 Heetenseweg 9 40 35 02 Heetenseweg 9b 42 35 01, 02 Referentiepunt N – 50 m 45* 42 03, 04 Referentiepunt O – 50 m 46* 41 05, 06 Referentiepunt Z – 50 m 48* 40 07, 08 Referentiepunt W – 50 m 44* 40

Nacht (23.00 07.00 uur), hoogte 5 m 30 30 40 36 34 35

*: waarneemhoogte 5 m

5.1.3

Het maximale geluidniveau (LA,max), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, is ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan: - 70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode); - 65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode); - 60 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).

5.2

Algemeen

5.2.1

Het meten en berekenen van de geluidniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

5.2.2

Tijdens het manoeuvreren met vrachtauto’s binnen de inrichting moet het achteruitrijdsignalering zijn uitgeschakeld.

5.2.3

De motoren van bedrijfswagens en andere transportmiddelen met verbrandingsmotoren mogen tijdens het laden en lossen niet in werking zijn, tenzij dit voor het laden en lossen noodzakelijk is.

5.2.4

In de inrichting mogen alleen verbrandingsmotoren in werking zijn die voorzien zijn van een in goede staat zijnde geluiddemper.

5.2.5

Audioapparatuur dient zodanig te zijn afgesteld dat geluid afkomstig van deze apparatuur niet hoorbaar is buiten de inrichting.

5.2.6

Het verharde gedeelte van het terrein van de inrichting moet zijn voorzien van een vlak afgewerkte bestrating.

55 / 107

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht OVERWEGINGEN ALGEMEEN

56 / 107

1.

PROCEDURELE ASPECTEN

1.1.

Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting is eerder de onderstaande vergunning verleend en melding ingediend: Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning

6 februari 2015

OGV-2014-276

Het bouwen van een kraamzeugenstal en revisie van een varkenshouderij (milieu)

Melding Activiteitenbesluit

24 mei 2017

AlM-sessie: Awap59uxt5w

mestsilo

milieubeheer

1.2.

Omgevingswet

Op 1 januari 2024 is het wettelijke omgevingsrechtelijke stelsel ingrijpend veranderd. De Omgevingswet en daaruit voortvloeiende regelgeving is in werking getreden. Deze wet vormt de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. 1.2.1. Van ‘inrichting’ naar ‘mba’ Onder het recht tot 1 januari 2024 gold een omgevingsvergunning milieu van een bedrijf voor de hele ‘Wminrichting’ (zoals omschreven in art. 1.1 lid 4 Wet milieubeheer). Door het vervallen van het begrip 'Wminrichting' wordt een bedrijf onder de Omgevingswet (Ow) een (verzameling van) milieubelastende activiteiten (mba’s). Een mba is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor een aantal mba’s zijn rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast kunnen er decentrale regels voor mba’s staan in het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de Waterschapsverordening. 1.2.2. Overgangsrecht Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór deze datum, blijft op grond van artikel 4.3 van de IOw het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip, van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Nadat dit besluit onherroepelijk is geworden, ontstaat ervan rechtswege een omgevingsvergunning op grond van de Ow.

Op grond van het overgangsrecht betekent dit dat deze vergunning wordt voorbereid en vastgesteld op basis van het oude recht: de oude beoordelingsregels, de oude totstandkomingsprocedure en de oude rechtsmiddelen. Dit is terug te zien in de verdere overwegingen. Op 1 januari 2024 zijn het Activiteitenbesluit en bijbehorende ministeriële regeling vervallen. Vanaf deze datum zijn voor milieubelastende activiteiten de regels uit het Bal en het omgevingsplan van toepassing. 1.2.3. Aangevraagde activiteiten Op de locatie vindt hoofdzakelijk de volgende kernactiviteit plaats: - Veehouderij, § 3.6.1 Bal.

57 / 107

Vergunningplicht geldt op grond van artikel 3.201 voor het exploiteren van een installatie voor het houden van meer dan 2.000 vleesvarkens en meer dan 750 zeugen. Dit betekent dat de vergunning ook geldt voor alle andere functioneel ondersteunende activiteiten. Een uitzondering op de hoofdregel geldt voor een aanvraag voor een activiteit waarvoor de vergunningplicht onder de Ow verandert in een meldingsplicht. In dat geval wordt op grond van art. 8.1.1 lid 4 Invoeringsbesluit Omgevingswet (IbOw) de aanvraag voor die activiteit een melding. Het nemen van een besluit op die activiteit is dan niet meer nodig. In de paragrafen hierna, worden de afwegingen gemaakt met de ‘oude’ wet- en regelgeving zoals geregeld in het overgangsrecht.

1.3.

Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing: Categorie

Omschrijving

1.

Het aanwezig hebben van 1 of meer elektro- of verbrandingsmotoren en voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen

5.

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare stoffen

7.

Inrichtingen voor het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van dierlijke of overige organische meststoffen

8.

Inrichtingen voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren

9.

Inrichtingen voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwproducten.

Op grond van categorie 7 en 8 is sprake van een vergunningplichtige activiteit. De aanvraag heeft op basis van artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht, in samenhang met de onderdelen B en C van bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht, betrekking op een vergunningplichtige inrichting. Binnen de inrichting: • is sprake van het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van groter dan 750 m² of een gezamenlijke inhoud van groter dan 2.500 m³ (categorie 7.5); • worden meer dan 2.000 vleesvarkens en 750 zeugen gehouden (artikel 2.1, tweede lid); Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I categorie 6.6b en 6.6c van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.4.

Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4 eerste lid van de Wabo.

1.5.

Coördinatie met de Waterwet

58 / 107

De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. Er is geen sprake van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet vereist is. Coördinatie met de Waterwet, zoals bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet dan wel paragraaf 3.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is daarom niet aan de orde. Op 7 mei 2024 heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta een advies uitgebracht, waarin wordt aangegeven dat de coördinatieplicht met de Waterwet niet van toepassing is.

2.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE (M.E.R.)

59 / 107

In het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (zoals gewijzigd in 1999, hierna Besluit m.e.r.) is in onderdeel C onder categorie 14 opgenomen voor welke situaties er een MER-plicht geldt voor de aangevraagde activiteiten. De MER-plicht (onderdeel C onder 14) geldt voor de oprichting / uitbreiden / wijzigen van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan: 85.000 plaatsen voor mesthoenders; 60.000 plaatsen voor hennen; 3.000 plaatsen voor mestvarkens; 900 plaatsen voor zeugen. In de aanvraag is er sprake van het uitbreiden van een installatie, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. De inrichting wordt uitgebreid met een installatie voor 10.752 vleesvarkens en 1.326 gespeende biggen. Een uitbreiding van deze omvang is een aangewezen activiteit zoals genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Het voornemen om een MER op te stellen in de vorm van een Startnotitie MER d.d. 29 december 2020 heeft samen met een Concept-MER d.d. 27 augustus 2021 van 17 maart 2022 tot en met 27 april 2022 ter inzage gelegen. Hierop zijn binnen de termijn 6 zienswijzen ingekomen en 1 zienswijze buiten de termijn. Tevens zijn adviezen van de Omgevingsdienst IJsselland en de GGD ontvangen. Los van dit proces heeft overleg plaats gevonden met de Veiligheidsregio IJsselland/Brandweer.

Deze zienswijzen hebben samen met adviezen van instanties input gegeven voor de “notitie Reikwijdte en detailniveau”. De ingekomen adviezen en reacties zijn in behandeling genomen door het college van de gemeente Raalte. Dit heeft geleid tot het collegebesluit van 19 juli 2022 waarin de uitgangspunten voor de milieueffectrapportage, in de notitie Reikwijdte en detailniveau, en een zienwijzennota, zijn vastgesteld. Initiatiefnemer is met een brief op 19 juli 2022 hiervan op de hoogte gebracht. Het Milieueffectrapport d.d. 22 mei 2024 is op 23 mei 2024 ingediend als aanvulling op de oorspronkelijk op 9 juni 2022 ingediende vergunningaanvraag voor de uitbreiding van de varkenshouderij, wordt onder andere getoetst aan deze notitie. Het MER versie 22 mei 2024 inclusief bijlagen is onderdeel van de stukken welke zijn beoordeeld door college en gemeenteraad ten behoeve van het ontwerpbesluit en de ontwerpverklaring van geen bedenkingen, welke ter inzage heeft gelegen bij de ontwerpstukken en wat is toegezonden aan de Commissie mer. Na een positief besluit van de gemeenteraad omtrent de ontwerpverklaring van geen bedenkingen (t.b.v.

het afwijken van het bestemmingsplan) op 18 juli 2024, zijn de formele procedures gestart door ter inzagelegging van de ontwerpverklaring van geen bedenkingen, de ontwerp-omgevingsvergunning inclusief de bijbehorende Combi-MER en alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage te leggen. Tevens wordt een toetsingsadvies op de Combi-MER en bijbehorende stukken aan de commissie m.e.r. gevraagd om het milieubelang volwaardig te laten meewegen in de besluitvorming. Deze reacties zijn meegewogen worden bij de definitieve integrale besluitvorming omtrent dit initiatief, zijnde een (project)omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor de onderdelen milieu, bouwen, handelen in

60 / 107

strijd met regels ruimtelijke ordening (afwijken bestemmingsplan) en werken/werkzaamheden. Voor het onderdeel Wet natuurbescherming heeft de initiatiefnemer een separate aanvraag bij Gedeputeerde Staten van Overijssel ingediend op 13 oktober 2023, waarna het verzoek om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor dit onderdeel in de aanvraag bij de gemeente Raalte is ingetrokken. Voor het toetsingsadvies van de Commissie mer, de ingediende zienswijzen op de ontwerpstukken inclusief het MER versie 22 mei 2024 en de nadere afwegingen die hieromtrent zijn gemaakt, wordt verwezen naar de Overwegingen per activiteit, onder de activiteit ‘Handelen in strijd met regels RO’ en het kopje ‘Milieueffectrapportage (MER)’ en de ‘Reactienota zienswijzen en adviezen’.

61 / 107

Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht OVERWEGINGEN MILIEU

62 / 107

3.

TOETSINGSKADER MILIEU

3.1.

Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen (revisie) van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo.

3.2.

Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo: • de bestaande toestand van het milieu betrokken; • met het milieubeleidsplan rekening gehouden; • de best beschikbare technieken in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

3.3.

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt. Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten: • lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening; • het in werking hebben van een stookinstallatie; • het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer; • het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen; • opslag van mengvoer in silo’s; • opslag van vaste mest; • opslag van plantaardige bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn; • opslag van drijfmest; • opslag van dieselolie in een bovengrondse tank; • het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven; • toepassing van emissiearme (huisvestings-)systemen, waaronder een luchtwassysteem.

Voor deze inrichting houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling: • paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening; • paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie; • paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen;

63 / 107

• • • • • • • •

paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen; paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen; paragraaf 3.4.5 Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen; paragraaf 3.4.6 Opslaan van drijfmest; paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank; paragraaf 3.5.8 Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven, met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121; paragraaf 3.8.5 Fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren; hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 (overgangsbepalingen), voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, zoals voornoemd opgenomen en afdelingen 2.3 en 2.4 (met uitzondering van artikel 2.11, eerste lid) met betrekking tot de gehele inrichting.

3.3.1. Melding Activiteitenbesluit Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

64 / 107

4.

AFVALSTOFFEN

4.1.

Afvalstoffen algemeen

4.1.1. Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen: • Spuiwater; • Restafval; • GFT; • Oud papier; • Oud ijzer; • PMD; • Kadavers; • Lampen; • KGA.

Gezien de geringe hoeveelheid afval dat vrijkomt, concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen. 4.1.2. Afvalscheiding In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. Voor een aantal die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen. Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en nietgevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden.

Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.

65 / 107

4.2.

Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is.

66 / 107

5.

AFVALWATER EN WATERBESPARING

5.1.

Toetsingskader

5.2.

Waterbesparing

5.2.1. Algemeen De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen. 5.2.2. Grondwater Voor het onttrekken van grondwater is een mogelijk een melding/vergunning benodigd. De Waterwet ziet hierop toe. Wij mogen daarom in deze vergunning geen eisen stellen aan de winning van grondwater. De Wabo verplicht ons echter wel te toetsen of grondstoffen doelmatig worden gebruikt. We moeten voorkomen dat afvalwater ontstaat en als dat niet mogelijk is moeten we het doelmatig beheer van afvalwater bevorderen. Binnen de inrichting wordt 75.000 m3/jaar grondwater verbruikt. Het grondwater wordt gebruikt als drinkwater voor de dieren alsmede voor het koelen (vernevelen) van de verse inkomende stallucht, ten behoeve van de luchtwassers en het schoonmaken van de stallen. In verband met de ontwikkeling van bacteriën, dierziekten/ besmettingsgevaar is het niet wenselijk om hemelwater (stilstaand water) langdurig op te slaan in een voorziening.

Het toepassen van hemelwater als alternatief voor grondwater wordt derhalve niet wenselijk en haalbaar geacht. 5.2.3. Drinkwaterverbruik Het totale leidingwaterverbruik binnen de inrichting bedraagt 1.200 m3 per jaar. Het leidingwater wordt verbruikt voor sanitaire doeleinden, drinkwater (bedrijfswoningen) en bij eventuele calamiteiten wanneer het toepassen van grondwater niet mogelijk is. Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie niet nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen.

67 / 107

6.

DIERENVERBLIJVEN EN EMISSIE

6.1.

Dieraantallen en (huisvestings)systemen vergund

Tabel 1

geldende vergunning.

Rav-

Ammoniakemissie

Geuremissie

Fijn stofemissie

Ammoniak-

Geur-

Fijn stof-

Diercategorie/

Aantal

emissie-

Totaal

emissie-

Totaal

emissie-

Totaal

Stal code

huisvestingssysteem

dieren

factor

ammoniak

factor

geur

factor

fijn stof

1

Vleesvarkens, koeldeksysteem

D 3.2.6.1.2

(200% koeloppervlak, met metalen 3.526

1,2

4.231,2

17,9

63.115,4

153

539.478

196

2,9

568,4

27,9

5.468,4

160

31.360

160

2,9

464,0

27,9

4.464,0

160

25.600

6

0,83

4,98

10,3

61,8

36

216

1.170

0,63

737,1

10,3

12.051,0

35

40.950

360

0,45

162,0

12,7

4.572,0

31

11.160

rooster, emitterend mestoppervlak maximaal 0,5m² (BWL 2004.08.V2) 2

D 1.2.13

Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)

3

D 1.2.13

Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)

4

D 2.4.4

Dekberen, 7 maanden en ouder, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakreductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL2010.02.V7)

4

D 1.3.12.4

Guste- en dragende zeugen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)

4

D 3.2.15.4

Vleesvarkens/opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem

68 / 107

85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7) 5

D 1.1.15.4

Biggenopfok (gespeende biggen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie,

6.736

0,10

673,6

4,3

28.964,8

15

101.040

45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)

Totaal

6.2.

6.841,28

118.697,4

749.804

Dieraantallen en (huisvestings)systemen aanvraag

Het aantal dieren waarvoor vergunning wordt gevraagd, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de geuremissie (OUE/s) en de fijn stofemissie (gram PM10 per jaar) zijn in tabel 2 weergegeven. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Tabel 2

aangevraagde vergunning.

Rav-

Ammoniakemissie

Geuremissie

Fijn stofemissie

Ammoniak-

Geur-

Fijn stof-

Diercategorie/

Aantal

emissie-

Totaal

emissie-

Totaal

emissie-

Totaal

Stal code

huisvestingssysteem

dieren

factor

ammoniak

factor

geur

factor

fijn stof

1

Vleesvarkens, gedeeltelijk

D 3.2.15.4

roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie,

2.912

0,45

1.310,4

12,7

36.982,4

31

90.272

196

2,9

568,4

27,9

5.468,4

160

31.360

45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7) 2

D 1.2.13

Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)

69 / 107

3

D 1.2.13

Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok

160

2,9

464,0

27,9

4.464,0

160

25.600

6

0,83

4,98

10,3

61,8

36

216

1.170

0,63

737,1

10,3

12.051,0

35

40.950

288

0,45

129,6

12,7

3.657,6

31

8.928

8.100

0,10

810,0

4,3

34.830

15

121.500

(BWL 2006.08.V1) 4

D 2.4.4

Dekberen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)

4

D 1.3.12.4

Guste en dragende zeugen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)

4

D 3.2.15.4

opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)

5

D 1.1.15.4

Gespeende biggen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)

70 / 107

6a

D 3.2.7.1.2/

Vleesvarkens, gedeeltelijk

D 3.2.14

roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, 3.584

0,07

250,88

12,5

44.800,0

99

354.816

1.792

0,07

125,44

12,5

22.400,0

99

177.408

3.584

0,07

250,88

12,5

44.800,0

99

354.816

maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6) 6b

D 3.2.7.1.2/

Vleesvarkens, gedeeltelijk

D 3.2.14

roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)

7a

D 3.2.7.1.2/

Vleesvarkens, gedeeltelijk

D 3.2.14

roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30%

71 / 107

geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6) 7b

D 3.2.7.1.2/

Vleesvarkens, gedeeltelijk

D 3.2.14

roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, 1.792

0,07

125,44

12,5

22.400,0

99

177.408

maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)

Totaal

6.3.

4.777,12

231.915,2

1.383.274

Toepassing (huisvestings)systemen

In de stallen worden (huisvestings-)systemen toegepast waarbij is verwezen naar een systeemnummer. De uitvoering van deze (huisvestings-)systemen in de stallen moet overeenkomen met de beschrijving van dat huisvestingssysteem. Dit is opgenomen in artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit. Op basis van de gegevens bij de aanvraag is vastgesteld welke huisvestingssystemen in de aanvraag zijn opgenomen. Deze systemen zijn vermeld in tabel 2. De in de tabel opgenomen emissiefactoren komen overeen met de emissiefactoren van de Rav. Dit is het toetsingskader voor de activiteit milieu. Doordat artikel 3.123 een rechtstreekse werking heeft zijn voor dit onderdeel geen voorschriften in de vergunning opgenomen.

72 / 107

7.

BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT-rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de BBTreferentiedocumenten (BREF’s: Best available techniques Reference documents). Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (hoofdstuk Best available techniques (BAT)), geldt als BBTconclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.

BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.

7.1.

IPPC-installatie

De Europese richtlijn industriële emissies (RIE) geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPCinstallatie. Voor veehouderijen vallen de volgende installaties onder de werking van de RIE: • meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, of; • meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens (van meer dan 30 kg), of; • meer dan 750 plaatsen voor zeugen. De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf met 1.814 dierplaatsen voor zeugen, 288 dierplaatsen voor opfokzeugen, 6 dierplaatsen voor dekberen, 8.100 dierplaatsen voor gespeende biggen en 13.664 dierplaatsen voor vleesvarkens. Hiermee wordt de ondergrenswaarde van 750 plaatsen voor zeugen en 2.000 plaatsen voor vleesvarkens overschreden waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de betreffende artikelen van de Wabo waarin de RIE is geïmplementeerd.

7.2.

BBT-documenten

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBTconclusies. Op grond van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsten

73 / 107

aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van de herziene BREF’s. Wij hebben rekening gehouden met de volgende BBT-conclusies: Categorie in bijlage 1 RIE

Belangrijkste BBT-conclusies

Ook van belang zijnde BBTconclusies/ BREF’s

6.6 Intensieve pluimvee- of

BBT-conclusies voor intensieve

BREF Op- en overslag

varkenshouderij:

pluimvee- of varkenshouderij

bulkgoederen (BREF ESB)

a. met meer dan 40 000 plaatsen voor

BREF Energie-efficiëntie

pluimvee; b. met meer dan 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg), of; c. met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.

Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht aangewezen informatiedocumenten over BBT: • Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), maart 2012; • Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, juni 2007; • Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, september 2016; • Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 30: Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank, 2021 VERSIE 1.0 (AUGUSTUS 2021) Een verdere beschouwing van de BBT is terug te vinden bij de afzonderlijke toetsing van de relevante milieucomponenten. In dit hoofdstuk is specifiek ingegaan op de BBT-conclusies.

7.3.

BBT-conclusies

7.3.1. BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij De BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij, zoals op 21 februari 2017 gepubliceerd door de Europese Commissie, bevatten de volgende aspecten. Milieubeheerssystemen Een milieubeheerssysteem heeft tot doel om de algehele milieuprestaties van de veehouderij te verbeteren. Het gaat dan onder meer om het opstellen van een milieubeleid, de planning, vaststelling en uitvoering van procedures en het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen. Dit aspect vertaalt zich in de zin van een verplichte boekhouding, waarin onder meer water- en energieverbruik, hoeveelheid veevoer en de hoeveelheid afval en meststoffen worden bijgehouden. Hiervoor gelden de registratieverplichtingen voor veevoer en mest op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, de onderhoudsvoorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit

74 / 107

(huisvestingssystemen en luchtwassystemen) en de registratievoorschriften in deze vergunning (dieraantallen, energie, water en afval). Goede bedrijfspraktijken Dit aspect vertaalt zich in de ligging van de installatie, noodplannen, voorlichting en opleiding van personeel en het onderhouden van installaties. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en deze vergunning. Daarnaast zijn hiervoor regels opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Dit geldt voor de voorlichting en opleiding van personeel en het onderhoud van gereedschap, machines en installaties (arbeidsmiddelen). Om veilig en gezond te kunnen werken dienen arbeidsmiddelen in goede staat te verkeren en op de juiste wijze te worden gebruikt. Opleiding en voorlichting van personeel is standaard bedrijfspraktijk. Voor specifieke installaties zijn controlevoorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en deze vergunning. Een ander onderdeel van een goede bedrijfspraktijk is het zodanig situeren van activiteiten om overlast naar de omgeving te beperken. Dit vindt zijn uitwerking in de verschillende toetsingskaders die in deze beoordeling zijn behandeld. Verder gaat het om het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd.

De regels voor het opslaan van dode dieren (kadavers) staan in de Regeling dierlijke producten. In de omgevingsvergunning is geen verdere toets nodig. Voedingsbeheer (stikstof- en fosforuitscheiding met bijbehorende monitoring) De uitstoot van mineralen uit mest, waar dit aspect betrekking op heeft, is geïmplementeerd in de Meststoffenwet en behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. Met een normale landbouwpraktijk wordt voldaan aan deze BBT. Monitoring vindt op landelijk niveau plaats. Water (efficiënt gebruik van water / productie afvalwater / emissies via afvalwater) In de BBT-conclusies worden een aantal waterbesparende maatregelen en afvalwater beperkende technieken beschreven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gebruik van hogedrukreinigers welke zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen, het ijken, controleren en onderhouden van de drinkwaterinstallatie, het bijhouden van het waterverbruik en de vervuilde zones van het erf zo klein mogelijk te houden. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (zorgplicht). Een aantal technieken zijn onderdeel van een normale landbouwpraktijk. Verder wordt voor het waterverbruik en de besparende maatregelen verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen.

Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Besluit gebruik meststoffen. Efficiënt gebruik van energie (energiebesparing) In de BBT-conclusies worden enkele aspecten als isolatiewaarden in stallen, ventilatiewijzen en verlichting beschreven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Met het voldoen aan de energiebesparingsverplichting uit het Activiteitenbesluit, die in deze vergunning is opgenomen als voorschrift, wordt aan BBT voldaan. Geluid (geluidsbeheerplan en geluidemissies) Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven en om één of een combinatie van de technieken te gebruiken om geluidsemissies te voorkomen of te beperken. Een geluidsbeheersplan is alleen van toepassing wanneer geluidshinder wordt verwacht of is aangetoond. Dit is geïmplementeerd in

75 / 107

de vergunningverlening door de toetsing aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (handreiking). Op basis van deze toetsing wordt geluidshinder voorkomen. Wanneer niet aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan, die volgen uit de toetsing aan de handreiking, wordt daarop gehandhaafd. Het maken van een geluidsbeheerplan is daarom niet nodig. Voor het voldoen aan BBT voor het voorkomen of verminderen van geluidsemissie moeten één of een combinatie van technieken worden toegepast. Uit de aanvraag blijkt dat bij het grootste deel van de stallen luchtwassers worden toegepast. Daarnaast voldoen de aanwezige transportmiddelen aan de huidige stand der techniek en worden laad- en loslocaties voor zover mogelijk afgeschermd door bebouwing en zover mogelijk van woningen van derden verwijderd. Door het volgen van de handreiking en het toepassen van de aangegeven technieken wordt aan deze BBT voldaan. Voor een verdere beschouwing van de geluidsemissies wordt hier volstaan met een verwijzing naar het hoofdstuk ‘Geluid’. Huisvesting (stofemissies (grof en fijn stof) voorkomen / geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring / geuremissies voorkomen / ammoniakemissie) In de BBT-conclusies zijn, voor wat betreft de diercategorieën waarvoor voldoende bewezen technieken zijn ontwikkeld, huisvestingssystemen beschreven welke voldoen aan het criterium BBT.

De passende maatregelen tegen verontreiniging zijn voor de vergunninghouder hierbij niet alleen op het gebruik van de stallen van toepassing, maar ook op de kosten, bouwwijze, ontwerp, onderhoud en ontmanteling ervan. Hierbij spelen de emissies van ammoniak, geur, stof en geluid een rol, maar ook het energieverbruik en het afvalwater zijn afwegingscriteria. In onderhavige situatie worden bij alle diercategorieën emissiearme (huisvestings-)systemen toegepast. Uit de beoordeling hierna onder het kopje ‘BBT-dierenverblijven voor ammoniak (hoofdstuk 8 Ammoniakemissie uit dierenverblijven) en BBT-dierenverblijven voor zwevende deeltjes (hoofdstuk 10 Emissie zwevende deeltjes uit dierenverblijven)’ blijkt dat de toegepaste emissiearme(huisvestings)systemen voldoen aan het criterium dat het toepassen van de BBT vereist (toetsing op basis van het Besluit emissiearme huisvesting). Hieronder zijn de verschillende onderdelen uitgewerkt: • Stofemissies (grof en fijn stof) voorkomen Met betrekking tot de stofemissie moet in elke stal één of een combinatie van technieken worden gebruikt. Het gaat hier om technieken om het ontstaan van stof te voorkomen, de concentratie van stof in de stal te verminderen en de uitstoot van stof te verminderen (verlagen stofconcentratie in de lucht uit de stal).

Niet alle beschikbare fijn stof technieken zijn in de BBT-conclusie genoemd, zoals een nageschakelde droogtunnel of warmtewisselaars. Deze technieken zijn echter gelijkwaardig of beter dan andere in de BBTconclusie genoemde technieken en kunnen daarom ook worden toegepast. Het grootste deel van de stallen wordt aangesloten op een luchtwasser, waarbij in de stallen sprake is van een lage luchtsnelheid. Daarnaast wordt in de nieuwe stallen waterverneveling toegepast. Hierbij wordt de vuile stallucht, alvorens deze in de chemisch luchtwasser wordt ingevoerd, door een waterverneveling/gordijn geleid. Voornoemde is vergelijkbaar met het watergordijn van de gecombineerde luchtwassers. Deze aanvullende maatregel heeft een positieve werking op de reductie van het fijn stof. De stallen worden na elke productieronde volledig gereinigd, waardoor er minimale sprake is van stofophoping en emissies. •

geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring

76 / 107

Met betrekking tot geur is het BBT om bij een (bijna) overbelaste situatie of bij een historie van klachten op geurgevoelige objecten een geurbeheersplan te maken, uit te voeren en te evalueren. Aan de bijbehorende monitoring wordt voldaan door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunning met gebruikmaking van de emissiefactoren van de Rgv. De beoordeling van de geurbelasting is hierna uitgewerkt in het hoofdstuk ‘Geurhinder uit dierenverblijven’. De geurbelasting op geurgevoelige objecten is lager dan of gelijk aan de norm voor geurbelasting. Ook is geen sprake van een klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder dat is veroorzaakt door dit bedrijf. In deze situatie is het opstellen van een geurbeheersplan niet nodig. • geuremissies voorkomen Voor het voldoen aan BBT voor het voorkomen van geuremissie moet een combinatie van de technieken worden toegepast. Door het toepassen van luchtwassers in de stallen 1, 4, 5, 6a, 6b, 7a en 7b, het toepassen van regelbare kleppen, hoge uitstroomopeningen en hoge uittredesnelheid is aan deze BBT voldaan. Om te borgen dat het nieuwe project voldoet en blijft voldoen aan de berekende geurbelasting, zullen de opgenomen parameters worden gemonitord.

Het gaat hier met name over de hoogte van de emissiepunten, het meten van de uitreedsnelheden en de diameter van de uitstroomopeningen van de luchtwassers met behulp van ventilatiecomputer (inclusief registratie). • ammoniakemissie Voor ammoniak wordt voldaan aan BBT wanneer wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting. Door het toepassen van een emissiearm (huisvestings-)systeem in alle stallen is aan deze BBT voldaan. Voor wat betreft de emissies van ammoniak, geur en zwevende deeltjes (fijn stof) wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar de volgende hoofdstukken waarin dit is beschouwd. Opslag van vaste mest (dikke fractie) en drijfmest (emissies naar de lucht / emissies naar water en bodem) Voor de opslag van mest wordt onderscheid gemaakt in vaste en vloeibare mest (drijfmest). Voor de vloeibare mest geldt dat deze in een afgedekte opslag moet worden bewaard (bijv. mestbassin of mestkelder). Voor de vaste mestopslagen geldt dat deze op een aaneengesloten bodemvoorziening moet worden opgeslagen met afdekking dan wel percolaatopvang. Waar van toepassing gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en/of deze vergunning.

Verwerking van mest op de boerderij (toepassen van mestverwerkingstechnieken) Het mestbe-/verwerken is geen verplichting vanuit de BBT-conclusies, maar wanneer deze op bedrijfsniveau worden toegepast kunnen hieraan eisen worden gesteld. Binnen het bedrijf wordt door middel van een decanter mest gescheiden in een dikke- en een dunne fractie. Het uitrijden van mest (voorkomen stikstof en fosforemissie / ammoniakemissie / onderwerken mest) De regels voor het uitrijden van mest zijn opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen. Dit behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. Gehele productieproces (berekenen ammoniakemissie) Met de verplichte registratie op grond van de meststoffenwet (aan- en afvoer mineralen) en de gegevens uit de (aanvraag) omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan deze BBT-conclusie.

77 / 107

Monitoring (monitoring ammoniak / stof monitoren / monitoren ammoniak en fijn stof emissies bij stallen met luchtzuiveringsinstallaties) / monitoren overige parameters) De BBT is om ammoniakemissies in de lucht te monitoren. Met het systeem van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. De BBT is om (fijn) stofemissies in de lucht te monitoren. Met het systeem van de fijn stof lijst wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Het is BBT om een luchtzuiveringsinstallatie te bemeten volgens een protocol en daarnaast de werking van het systeem te monitoren. Met het systeem van de Rav, de fijn stof lijst, de monitoringseisen in het Activiteitenbesluit voor luchtwassers en de monitoringseisen in stalbeschrijvingen wordt aan deze eis voldaan. Het is BBT om diverse parameters te registreren. Dit kan ook als onderdeel van het milieubeheerssysteem (zie hiervoor). 7.3.2. BREF Op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) De BREF ESB is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.

In de categorie specifieke BREF’s (primaire BREF’s) zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen de primaire BREF’s verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de horizontale BREF’s. Zo zijn in de BBTconclusies voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderij specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest. Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit of op basis van de voorschriften die in deze vergunning zijn gesteld. De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBT-documenten. Voor de aangevraagde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn, rekening houdend met de in dit besluit opgenomen voorschriften, in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde BBT. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie. 7.3.3. BREF Energie-efficiëntie De BREF Energie-efficiency is van toepassing is op alle IPPC-installaties, behalve degenen die vallen onder het systeem van Emissiehandel.

Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de RIE vallende installaties in het algemeen als BATcompatibel worden beschouwd. Deze BREF: • bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen; • stelt geen sectorspecifieke BBT vast. Proces specifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de

78 / 107

beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Hieruit volgt dat de aangevraagde en vergunde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.

8.

AMMONIAKEMISSIE UIT DIERENVERBLIJVEN

8.1.

BBT dierenverblijven ammoniak

8.1.1. Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting, de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wabo (artikel 2.22, derde lid) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen zijn maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit emissiearme huisvesting gestelde eisen kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende BBT is. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT. De Wav legt een aanvullende toets op bij IPPC-installaties (artikel 3, derde lid).

Rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden kan het nodig zijn om een strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit emissiearme huisvesting (= het niveau van BBT-technieken) op te nemen in de omgevingsvergunning. 8.1.2. Toetsing ammoniak op basis van het Besluit emissiearme huisvesting In tabel 3 is per diercategorie per stal de maximale emissiewaarde naast de emissiefactor van het aangevraagde huisvestingssysteem gezet.

79 / 107

Tabel 3

Stal

huisvestingssystemen aangevraagde situatie. Emissiefactor op basis van bijlage 1 van de Rav en maximale emissiewaarde op basis van bijlage 1 van het Besluit emissiearme huisvesting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=a9f8a6d7-7074-4715-8cf9-e7a86625c1b5