B2_Besluit omgevingsvergunning Heetenseweg 9a-9c met wijzigingen geaccepteerd
Tekst van het document
Indien initiatiefnemer met deze fasering start alvorens zijn Wnb-vergunning verleend en in werking getreden is, doet hij dit voor eigen rekening en risico. Met het verlenen van deze Wabo-vergunning willen wij nadrukkelijk het signaal afgeven dat initiatiefnemers voort moeten kunnen met hun bedrijfsontwikkeling, mits voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening. Bovendien zijn wij van mening dat aanvragen binnen redelijke termijnen behandeld behoren te worden. Met voorliggende aanvraag is door het toepassen van technische maatregelen en een combinatie van technieken sprake van een innovatieve bedrijfsvoering, waarbij de emissies worden beperkt en de voedselzekerheid wordt veiliggesteld. Met de genoemde voorschriften is er voldoende borging dat wat betreft het aspect flora en fauna een structurele en aanzienlijke reductie van ammoniakemissie en stikstofdepositie gerealiseerd wordt. Hiermee is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Onderstaand wordt op enkele andere milieu-aspecten separaat ingegaan, omdat deze eveneens dienen te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Geurbelasting In de gewenste situatie (het MMA) is er ten opzichte van de huidige/vergunde situatie sprake van een ruime afname van de geurbelasting, zowel individueel als cumulatief.
In de gewenste situatie worden de stallen, met uitzondering van de kraamstallen, uitgevoerd met gecombineerde of chemische luchtwassers en tevens worden de nieuwe stallen uitgevoerd met een aanvullend emissiearm stalsysteem in de mestkelder. Daarnaast worden alle stallen uitgevoerd met een verhoogd emissiepunt en een verhoogde uittreedsnelheid van de lucht. Hierdoor wordt bij alle omliggende geurgevoelige objecten voldaan aan de normstelling van 14,0 Odour-units (Ou) als voorgrondbelasting. Bij de maatgevende woning Heetenseweg 9 bedraagt de geurbelasting 10,5 Ou (en bij Heetenseweg 7 is dit 10,2 Ou). Dit is een afname met 5,2 Ou
26 / 107
(bij huisnummer 7 bedraagt de afname 4,4 Ou) ten opzichte van de vergunde situatie, waardoor er geen sprake meer is van een ‘met geuroverbelaste situatie’. De GGD adviseert een maximale geurbelasting van 5,0 Ou als voorgrondbelasting. Dit advies is met dit project alleen niet haalbaar bij de maatgevende woning/Heetenseweg 9 evenals Heetenseweg 7, bij alle andere woningen c.q. geurgevoelige objecten wordt een lagere geurbelasting dan de geadviseerde voorgrondbelasting door de GGD bereikt. Ook bij de cumulatieve geurberekening (waarbij de gewenste bedrijfssituatie samen met omliggende bestaande intensieve veehouderijen inzichtelijk wordt gemaakt, ook wel achtergrondbelasting genoemd), neemt de geurbelasting en het percentage gehinderden bij vrijwel alle omliggende woningen in het buitengebied af. Bij 1 woning blijft de cumulatieve geurbelasting nagenoeg gelijk, maar deze geurbelasting is grotendeels toe te schrijven aan een ander intensief veehouderijbedrijf. Bij de woningen Heetenseweg 7 en 9 neemt de achtergrondbelasting af met 3,1 respectievelijk 3,6 Ou en daalt daarmee tot 11,1 respectievelijk 11,4 Ou. Dit is slechts iets hoger dan de door de GGD geadviseerde achtergrondbelasting van 10,0 Ou.
Door het project aan de Heetenseweg 9a-9c uit te voeren overeenkomstig het uitgewerkte MMA wordt in alle gevallen het woon- en leefklimaat verbeterd en bij 1 woning blijft dit ongeveer gelijk. Ammoniak/stikstof Met dit project worden de nieuw te bouwen stallen uitgevoerd met chemische luchtwassers i.p.v. combiluchtwassers. Bij de bestaande stallen worden combi-luchtwassers met extra technische maatregelen toegepast. Door het toepassen van een verhoogde uittreedsnelheid en verhoogde uitstroomopeningen bij de luchtwassers is niet alleen de geurbelasting lager, maar dit zorgt ook voor een aanzienlijk lagere ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven (4.777,1 kg NH3/jr). Die ammoniakemissie bedraagt in de huidige situatie 6.841,3 kg NH3 per jaar, zodat dit een ruime afname van 2.064,2 kg en derhalve 30,2% is. Indien de ammoniakdepositie van alle bedrijfsactiviteiten wordt berekend, bedraagt de afname 2,51 mol/ha/jaar als bij de hoogste bijdrage in het Boetelerveld, van 6,88 naar 4,37 mol, een afname van 36,5%.Ter plaatse van het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug is sprake van een afname van 0,57 mol/ha/jaar en derhalve 33,9%, namelijk van 1,68 naar 1,11 mol.In de Aerius-berekeningen is uitgegaan van de gebruiksfase. Daaruit blijkt dat er geen significante toename van stikstofdepositie plaatsvindt.
Een berekening tijdens de bouw- of realisatiefase was in eerste instantie niet opgenomen. Om te voorkomen dat er als gevolg van de realisatiefase (tijdelijk) een toename van de ammoniakemissie / stikstofdepositie zal optreden, wordt eerst de bestaande vleesvarkensstal (stal 1) aangepast en uitgevoerd met de beoogde gecombineerde luchtwasser, alvorens een aanvang wordt gemaakt met de realisatie van de nieuwe stalruimte (stallen 6 en 7) en de realisatie van de overige nieuwe bedrijfsgebouwen/ bouwwerken. Deze gefaseerde werkwijze is als voorschrift (artikel 3 van de voorschriften Handelen in strijd met regels RO onder punt 7) in dit besluit opgenomen, zodat een (tijdelijke) toename van de ammoniakemissie /stikstofdepositie wordt vermeden. Aangezien de emissiereductie van ammoniak door de plaatsing van de gecombineerde luchtwasser vele malen groter zal zijn dan de toename van de emissie door de bouw- c.q. aanlegwerkzaamheden, konden wij op basis van onze ervaring met deregelijke faseringen uitsluiten dat er een toename van
27 / 107
stikstofdepositie zou ontstaan. De Commissie mer vindt het nodig dat deze berekening wordt gemaakt om aan te tonen dat de natuurlijke kenmerken van omliggende Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Op pagina 127 MER en in bijlage 44 ‘Notitie realisatiefase Beoordeling stikstofeffecten’ heeft initiatiefnemer daarom op basis van berekeningen met een toegepaste ‘worst-case’ benadering aangetoond dat de stikstofdepositie gedurende de gefaseerde aanlegfase(s) niet leidt tot significante negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Fijn stof/endotoxinen De fijn stofreductie bij de nieuw te bouwen vleesvarkensstallen (stallen 6 en 7) bedraagt 35% bij het MMA, terwijl er 80% fijn stofreductie bij alternatieve bedrijfsopzet in deze stallen plaatsvindt. Dit is de formele berekening met de RAV-emissiefactoren volgens de geaccrediteerde stalsystemen. Bij de chemische luchtwassers wordt de vuile stallucht echter eveneens door een waterverneveling/watergordijn geleid alvorens deze in de chemische luchtwasser wordt ingevoerd. Deze aanvullende maatregel heeft een positieve werking op de reductie van het fijn stof. Naar verwachting zal de emissie van fijn stof uit deze nieuwe stallen hierdoor aanvullend met 25 tot 50% worden gereduceerd.
Deze aanvullende reductie van fijn stof met de watergordijn bij chemische luchtwassers is niet geaccrediteerd, zodat deze reductie niet kan worden meegenomen in de berekeningen. Endotoxinen zitten aan de grovere stofdeeltjes van fijn stof. Met de waterverneveling vóór de chemische luchtwasser wordt naast de emissie van ammoniak, geur en zwevende deeltjes (fijn stof), ook de emissie van zoönosen of endotoxinen uit de stallen voorkomen of zeer sterk beperkt. Deze extra reductie van endotoxinen is eveneens niet meegenomen in de berekeningen. Daardoor vindt er ten opzichte van de vergunde situatie een berekende toename van de emissies van zoönosen of endotoxinen plaats. Zowel in paragraaf 6.14 Volksgezondheid & veiligheidsaspecten in het MER onder het sub kopje ‘Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid’ als in de voorschriften milieu onder hoofdstuk 11 heeft een nadere toetsing van de gezondheidsaspecten plaatsgevonden. Bij fijn stof wordt aan de grenswaarden voldaan. Omdat er geen wettelijke normen voor endotoxinen zijn vastgesteld, wordt er getoetst aan de adviesgrenswaarden. Op basis van de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen bedraagt de richtafstand 202,7 meter.
In de gewenste situatie bedraagt de afstand tussen het dichtstbij gelegen emissiepunt van de varkenshouderij (stal 4 / guste & dragende zeugen) en de woning Heetenseweg 9b (voormalige bedrijfswoning varkenshouderij/ zuidzijde) ongeveer 178 meter (= ongewijzigd). Andere woningen van derden liggen op grotere afstand dan de richtafstand tot de dichtstbij gelegen emissiepunten van het bedrijf. De richtafstand wordt worstcase berekend, alsof alle emissies uit het meest nabijgelegen emissiepunt komen, wat niet het geval is. Tezamen met de maatregelen die initiatiefnemer neemt om de risico’s op endotoxinen zoveel
28 / 107
mogelijk te beperken en de borging van de goede werking van de luchtwassers met de milieu-/ROvoorschriften, zijn er geen ontoelaatbare risico’s voor de volksgezondheid. Ondanks de uitbreiding in dieraantallen wordt door de milieumaatregelen voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Er is geen reden om de vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet te verlenen. Participatie In paragraaf 6.1 van de Ruimtelijke onderbouwing is een verslag van de buurtdialoog opgenomen. Een deel van de buren kan instemmen met de plannen, de erven van het naastgelegen landgoed zijn tegen deze ontwikkeling. Enkele andere omwonenden staan niet te springen, maar hebben wel een aantal wensen aangegeven. In de planontwikkeling heeft dit geleid tot nog iets hogere emissiepunten van de stallen en een aangepaste landschappelijke inpassing, waarbij rekening is gehouden met de wensen van omwonenden. Wij kunnen instemmen met deze aanpassingen. Met name de extra aanpassing van de landschappelijke inpassing komt tegemoet aan de bezwaren op dit punt, zoals genoemd in de zienswijzen. Het levert evenals een verdere versterking van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving op. Milieueffectrapportage (MER) De voorgenomen activiteit valt onder categorie 14 van de C-lijst van het Besluit milieueffectrapportage.
Het MER is opgesteld ten behoeve van de besluitvorming in het kader van de aanvraag om vergunning op grond van de Wabo voor zowel de milieu-activiteit als het afwijken van het bestemmingsplan/handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Onder de milieu-activiteit c.q. ‘Overwegingen horend bij oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting - verandering [art.2.1, lid 1, sub e Wabo]’ van dit besluit wordt bij de Algemene overwegingen onder paragraaf 2 eveneens ingegaan op de Milieueffectrapportage (hierna te noemen MER). Naast die zogenaamde Besluit-MER (omdat de activiteit in kolom 2 genoemd wordt) is tevens een Plan-MER benodigd, omdat het het plan wordt genoemd in kolom 4 bij onderdeel C 14. Dit betreft immers een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hiervoor is de openbare voorbereidingsprocedure overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De m.e.r.-plicht heeft dus betrekking op de ruimtelijke én milieuaspecten. Het project betreft een gecombineerde aanvraag, waarbij, waarbij één gecombineerde MER ofwel CombiMER is opgesteld waarin zowel de milieu- als de ruimtelijke aspecten voldoende toegelicht worden.
De Commissie mer heeft overigens in haar toetsingsadvies aangegeven dat dit uitsluitend een project MER betreft. Aangezien het MER tevens informatie bevat die betrekking heeft op ruimtelijke aspecten, zijn wij echter van mening dat dit rapport mede input bevat ten aanzien van een goede ruimtelijke ordening. Voor de procedure wordt verwezen naar de Algemene overwegingen onder paragraaf 2 van de activiteit milieu verderop in dit besluit. Wij hebben geoordeeld (Wm, art.7.28 eerste lid onder b) dat het MER voldoende uitwerking geeft aan het advies voor de reikwijdte en het detailniveau van het MER en geen evidente onjuistheden bevat.
29 / 107
Wij hebben het MER en de aanvraag om vergunning op grond van de Wabo vervolgens op 29 augustus 2024 doorgestuurd aan de adviseurs en bestuursorganen die betrokken zijn bij de voorbereiding van het besluit op de voorliggende aanvraag en hen verzocht om binnen zes weken een advies ter zake aan ons te verstrekken. Voorts hebben wij het MER, de aanvraag om vergunning op grond van de Wabo en het ontwerpbesluit op 24 juni 2024, 27 juni 2024 en 25 juli 2024 ook doorgestuurd aan de Commissie voor de milieueffectrapportage met een gelijkluidend verzoek. De aanvrager heeft voor het voornemen alleen een omgevingsvergunning nodig voor de activiteiten milieu, bouwen, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (afwijken bestemmingsplan) en werken/werkzaamheden. Coördinatie van de m.e.r.-procedure met een medebevoegd gezag is daarom niet aan de orde. Overwegingen bij het MER De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft op 13 november 2024 een advies uitgebracht over de inhoud van het MER. Dit toetsingsadvies ‘Uitbreiding varkenshouderij Heetenseweg (de Heetenseweg 9a en 9 c in Heeten) met projectnummer 3862 is aan ons toegezonden en door initiatiefnemer toegevoegd als bijlage 49 MER aan de stukken. De Commissie is van oordeel dat de essentiële informatie in het toegezonden MER onvoldoende aanwezig is: Er ligt een uitgebreide milieueffectrapportage.
Het initiatief is daarin duidelijk beschreven en in het MER is al veel onderzoek is gedaan naar de milieugevolgen van het initiatief. De Commissie signaleert desondanks bij de toetsing van het MER dat belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de omgevingsvergunning en de verklaring van geen bedenkingen. Het gaat om de volgende punten: •
•
Emissies van ammoniak, geur en fijnstof: de onderbouwing van de emissiereductie van de luchtwassers is niet voldoende. Een nadere onderbouwing en/of maatregelen (in een Passende beoordeling) zijn nodig om aan te tonen dat omringende Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Ook mist een beschouwing of maatregelen mogelijk zijn die zorgen voor een vermindering van fijnstof-uitstoot en daarmee endotoxinen.Best Beschikbare Technieken (BBT): er mist een goede onderbouwing dat voldaan wordt aan de actuele BBT-conclusies voor intensieve veehouderij. Natuur: de stikstofdepositie-berekeningen moeten worden geactualiseerd en worden aangepast (voor stal 4 en voor de bouwfase van de stallen). Daarnaast zijn de gevolgen van de extra grondwateronttrekking en de aanpassing van het waterbergingsgebied voor omringende beschermde natuurwaarden onvoldoende onderzocht. Het is niet duidelijk of de uitbreiding ook overlapt met de naastgelegen sloot behorende bij een natuurgebied (Natuurnetwerk Nederland). Tot slot zijn de gevolgen voor beschermde soorten door aanpassingen van de huidige stallen onvoldoende beschreven.
30 / 107
•
•
Geluid: er ontbreekt een onderzoek naar mogelijkheden om de geluidhinder bij het laden van varkens te verminderen. Dit is nodig omdat regelmatig in de nacht laadactiviteiten plaatsvinden met een hoog piekgeluid. Bijzondere bedrijfsomstandigheden: inzicht ontbreekt in de mogelijke gevolgen van een lekkage bij de mestsilo op de aangrenzende natuur (Natuurnetwerk Nederland) en de waterkwaliteit.
Met de nadere onderbouwing van de emissiereductie van de luchtwassers in de Passende beoordeling (bijlage 38 MER), toetsing aan de meest recente BBT-conclusies en extra maatregelen om de risico’s van endotoxinen zoveel mogelijk te beperken, actualisatie van diverse berekeningen en aanvullingen op het flora en fauna-onderzoek, het beschrijven van de geluidreducerende maatregelen en het beschrijven en nemen van (voorzorgs-)maatregelen om lekkages van de mestsilo’s te vermijden, wordt aan het toetsingsadvies van de Commissie mer tegemoet gekomen. Initiatiefnemer heeft deze onderbouwingen en beschrijvingen verwerkt in het MER, de ROB, de Toelichting Wabo milieu en de bijlagen bij deze stukken. In het besluit omgevingsvergunning hebben wij extra voorschriften opgenomen om onder andere, naast de maximale dieraantallen/dierplaatsen en de verplichte toepassing van de aangevraagde huisvestingssystemen, met (continue) metingen en monitoring de werking van deze systemen zeker te stellen. Voor de volledige beantwoording wordt verwezen naar de “Reactienota zienswijzen en adviezen Heetenseweg 9a-9c”. Daarmee is, overeenkomstig de adviezen van de Commissie mer, belangrijke informatie toegevoegd, waarna het belang van de leefomgeving volwaardig is meegewogen bij het besluit over de omgevingsvergunning en heeft dit ook tot extra voorschriften geleid.
De volgende adviseurs en bestuursorganen die betrokken zijn bij de voorbereiding van het besluit op de voorliggende aanvraag, hebben met hun overlegreactie indirect een advies op het MER uitgebracht: • Waterschap Drents Overijsselse Delta, d.d. 20 september 2024. • Provincie Overijssel, d.d. 10 en 15 oktober 2024. Voor de adviezen en hoe hiermee is omgegaan, wordt wederom verwezen naar de ‘Reactienota zienswijzen en adviezen’. De kennisgeving over het MER, de ontwerp-beschikking en bijbehorende stukken is op 4 september 2024 gepubliceerd in het Sallands Weekblad, het Gemeenteblad en op internet via www.officielebekendmakingen.nl. Vervolgens heeft het MER, gelijktijdig met de ontwerp-beschikking en ontwerp verklaring van geen bedenkingen met de bijbehorende stukken, gedurende zes weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis en online, namelijk van 5 september tot en met 16 oktober 2024. Naar aanleiding van de ter inzage legging zijn, binnen de door de wet gestelde termijn, 6 zienswijzen op het MER, het ontwerp besluit en de ontwerp verklaring van geen bedenkingeningekomen. Voor een samenvatting van de ingebrachte zienswijzen en onze reactie daarop wordt wederom verwezen naar de ‘Reactienota zienswijzen en adviezen Heetenseweg 9a-9c’.
31 / 107
Evaluatie Wij zijn als bevoegd gezag verplicht een evaluatieonderzoek uit te voeren. Het evaluatieonderzoek dient zich te richten op de werkelijk als gevolg van de vergunde activiteit opgetreden milieugevolgen en de in het MER als leemten in kennis aangemerkte aspecten (Wm art. 7.39). De MER-evaluatie zal in ieder geval betrekking hebben op de aspecten zoals die in bijlage 6behorende bij de voorschriften aan ons besluit zijn verbonden. Op grond van de in deze voorschriften opgenomen termijnen achten wij het redelijk dat wij 5 jaar na het oprichten van het project verslag doen van het onderzoek naar de werkelijke milieueffecten (Wm. art. 7.41). Wij hebben gebruik gemaakt van de volgende wet- en regelgeving Meer informatie hierover kunt u vinden op wetten.overheid.nl. - artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo, waarin staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning deze activiteit uit te voeren - Bestemmingsplannen ’Buitengebied Raalte, inclusief correctieve herziening en 2e correctieve herziening’, ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ en ‘Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020’ gepubliceerd op 23 maart 2020.
- Bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ - Functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ - Dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ - Gebiedsaanduiding ‘reconstrcutiewetzone – verwevingsgebied’ - Meer informatie over het bestemmingsplan kunt u vinden op www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer. - artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 3° van de Wabo, waarin de afwijkingsbevoegheid is opgenomen - artikel 2.27 van de Wabo, waarin categorieën van gevallen zijn aangewezen waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft - Het Besluit milieueffectrapportage inclusief de Bijlage behorend bij dit besluit - Artikelen 7.1 tot en met 7.43 Wet milieubeheer - afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, in verband met de openbare voorbereidingsprocedure Conclusie Voor de activiteit ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ ontvangt u van ons de gevraagde omgevingsvergunning.
32 / 107
Het uitvoeren van een werk of werkzaamheid Uw aanvraag voor een omgevingsvergunning hebben wij getoetst aan onderstaande regels en eisen. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de volgende werkzaamheden: - uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in geval dat bij bestemmingsplan is bepaald (artikel 2.1, lid 1, sub b) te weten: het ophogen van grond met een wallichaam en afgraven van grond in verband met de aanleg van een wadi; - uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in geval dat bij bestemmingsplan is bepaald (artikel 2.1, lid 1, sub b), te weten: de aanleg van een toegangsweg/erfverharding met een oppervlakte van 2.165 m2; - uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in geval dat bij bestemmingsplan is bepaald (artikel 2.1, lid 1, sub b), te weten: het verwijderen van rijbeplanting langs de noordrand van het erf bestaande uit 24 bomen. Uw project is getoetst aan de bestemmingsplannen ‘’Buitengebied Raalte, inclusief correctieve herziening en 2e correctieve herziening’, en ‘Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020’ gepubliceerd op 23 maart 2020.
Op grond van artikel 4.7.1 is bepaald dat het verboden is op of in de gronden met de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, voor zover geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. egaliseren, ophogen, afgraven, grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm (zoals diepploegen) en ontginnen; b. graven en dempen van sloten, afdammen, herprofileren van sloten of ander oppervlaktewater, aanleggen van drainage, uitgezonderd het vervangen van bestaande drainage; c. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting; d. de aanleg van verhardingen > 50 m² (zoals verharde wandel- of fietspaden en kavelpaden). De omgevingsvergunning voor de activiteit “werk of werkzaamheid uitvoeren” is aangevraagd voor de volgende werkzaamheden: De aanvraag voorziet onder andere in landschappelijke inpassing. Een onderdeel hierbij is het gedeeltelijk ophogen van grond met een wallichaam met een gemengde houtsingel. Het afgraven van grond voor de aanleg van een wadi voor de opvang van het hemelwater. Het deels kappen een deels verplaatsen van de aanwezige houtopstand. Daarnaast wordt een verharding aangelegd met een groter oppervlak groter dan 50 m2 en het gedeeltelijk kappen en verplaatsen van de bestaande houtopstand / groenstrook.
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.7.1 zijn slechts toelaatbaar, indien het behoud, versterking en ontwikkeling van de landschappelijke waarde van de gronden, zoals deze tot uitdrukking komt in het reliëf, de kleinschaligheid, de openheid en de beplatingselementen (houtsingels en houtwallen).
33 / 107
niet onevenredig worden aangetast. Overweging In de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel is een nieuw instrument geïntroduceerd, namelijk de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO). Op basis van het provinciaal beleid ten aanzien van het KGO- instrument is het mogelijk om op gemeentelijk niveau beleidskaders op te stellen. In het provinciaal beleid is het volgende opgenomen: Plannen voor de Groene Omgeving kunnen voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. De gemeente Raalte heeft tot op heden geen verdere uitwerking en/of beleid omtrent de uitvoering van de KGO uitgewerkt. Er wordt daarom aangesloten bij het beleid van de provincie Overijssel. Gelet op voornoemde is de gemeentelijke adviesinstantie Het Oversticht verzocht een advies op te stellen op welke wijze bij de beoogde ontwikkeling van de varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a landschappelijk kan worden ingepast en (ruimtelijk) kan worden voldaan aan de KGO-inspanning. Het advies van Het Oversticht d.d. 25 maart 2020 en aanvullende advies d.d.
15 februari 2022 is de basis geweest voor het opstellen van een Plan voor landschappelijke inpassing uitgevoerd door Natuurbank Overijssel. Met het aangeleverde Plan voor landschappelijke inpassing wordt voldaan aan de inspanningsplicht van de KGO. In dit plan is tevens rekening gehouden met de vooroverlegreactie van de provincie Overijssel evenals de wensen van omwonenden. Opgemerkt wordt dat wanneer er bij graafwerkzaamheden grond over blijft, dat deze grond weer gebruik mag worden op dezelfde locatie. Dit geldt echter niet voor de gronden die als waterbergingsgebied zijn aangewezen, met uitzondering van de aanleg t.b.v. de grondwal overeenkomstig het Plan voor de landschappelijke inpassing. Naar aanleiding van zienswijzen is in overleg met de directe buren het Plan voor de landschappelijke inpassing nader aangepast, zodat dit beter aansluit bij hun wensen. Daarbij is tevens rekening gehouden met de opmerkingen van de provincie en die van een andere zienswijze. Dit heeft onder andere geleid tot bredere grondwal met meer bomen en struiken, juist geen opgaande beplanting in de directe nabijheid van de woning Heetenseweg 9, de strook bloem- en faunarijk grasland wordt verbreed tot minimaal 5 m, en aan de oostzijde van de nieuw te bouwen stallen wordt een houtsingel deels vergroot tot een loofbosje van 650 m2. Dit is een verdere versterking van de KGO-maatregelen.
Mochten er tussen de adviezen van Het Oversticht en het Plan voor de landschappelijke inpassing d.d. 21 januari 2025 tegenstrijdigheden zitten, dan prevaleert het Plan voor de landschappelijke inpassing.
34 / 107
Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat door het uitvoeren van de verschillende werken en/of werkzaamheden de landschappelijke waarden van de gronden niet onevenredig worden aangetast. Conclusie Voor de activiteit ‘werk of werkzaamheid uitvoeren’ ontvangt u van ons de gevraagde omgevingsvergunning.
35 / 107
Overwegingen horend bij oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting - verandering [art.2.1, lid 1, sub e Wabo] Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en regelingen, de Wet milieubeheer (Wm), de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) aan Tijs Heeten B.V. een (omgevings)vergunning: •
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en/of 3° het in werking hebben van een inrichting) te verlenen voor een fokvarkens- en vleesvarkenshouderij. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften en een maatwerkvoorschrift verbonden.
•
De vergunning betreft een revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6 van de Wabo.
En tevens: dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning: • Aanvraagformulier d.d. 9 juni 2022, Olonr.: 7040045; • Aangepast aanvraagformulier d.d. 13 november 2022, Olonr.: 8166839 (om technische redenen is het OLO-nummer gewijzigd); • MER TIJS Heeten b.v. inclusief bijlagen, 11 maart 2025 (met aanpassing bijlagen 39 en 43 d.d. 25 maart 2025); • Toelichting Wabo milieu inclusief bijlagen, 11 maart 2025 (met aanpassing bijlagen 9 en 10 d.d. 25 maart 2025).
36 / 107
INHOUDSOPGAVE BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING ..........................ERROR! BOOKMARK NOT DEFINED. INHOUDSOPGAVE ....................................................................................................................37 VOORSCHRIFTEN MILIEU ........................................................................................................40 1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN.........................................................................................41 1.1 1.2 1.3 1.4
2
AFVALSTOFFEN ................................................................................................................43 2.1 2.2
3
REGISTRATIE ..................................................................................................................44
AGRARISCHE VOORSCHRIFTEN .....................................................................................45 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
5
AFVALSCHEIDING ............................................................................................................43 OPSLAG VAN AFVALSTOFFEN ...........................................................................................43
WATERBESPARING...........................................................................................................44 3.1
4
TERREIN VAN DE INRICHTING EN TOEGANKELIJKHEID..........................................................41 INSTRUCTIES...................................................................................................................41 REGISTRATIE ..................................................................................................................42 BEDRIJFSBEËINDIGING .....................................................................................................42
HOUDEN VAN DIEREN.......................................................................................................45 REGELBARE KLEPPEN ......................................................................................................46 REINIGINGS- EN ONTSMETTINGSPLAATS VOOR VEEWAGENS ...............................................50 HYGIËNEMAATREGELEN DIERENVERBLIJVEN .....................................................................50 GEZONDHEID ..................................................................................................................51 DROGE MEST (DIKKE FRACTIE) IN OPSLAGLOODS ...............................................................51 BEHANDELING EN BEWARING VAN VERPOMPBARE DIERLIJKE MEST, ALGEMEEN ....................51 MESTBEWERKING ............................................................................................................51 DE UITVOERING VAN EEN MESTBASSIN ..............................................................................52 VOERKEUKEN ..............................................................................................................53 OPSLAG VAN SPUIWATER LUCHTWASSYSTEEM IN EEN SPUIWATERSILO/SPUIWATERKELDER53 OPSLAG VAN ZWAVELZUUR LUCHTWASSYSTEEM IN EEN VERPAKKING ..............................53
GELUID................................................................................................................................54 5.1 5.2
GELUIDSNIVEAUS ............................................................................................................54 ALGEMEEN .....................................................................................................................55
OVERWEGINGEN ALGEMEEN .................................................................................................56 1.
PROCEDURELE ASPECTEN .........................................................................................57 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
HUIDIGE VERGUNNINGSITUATIE ........................................................................................57 OMGEVINGSWET .............................................................................................................57 VERGUNNINGPLICHT ........................................................................................................58 BEVOEGD GEZAG ............................................................................................................58 COÖRDINATIE MET DE WATERWET....................................................................................58
37 / 107
2.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE (M.E.R).........................................................................59
OVERWEGINGEN MILIEU .........................................................................................................62 3.
TOETSINGSKADER MILIEU ...........................................................................................63 3.1. 3.2. 3.3.
4.
INLEIDING .......................................................................................................................63 TOETSING OPRICHTEN, VERANDEREN EN/OF REVISIE .........................................................63 ACTIVITEITENBESLUIT ......................................................................................................63 AFVALSTOFFEN .............................................................................................................65
4.1. 4.2. 5.
AFVALSTOFFEN ALGEMEEN ..............................................................................................65 OPSLAAN VAN AFVALSTOFFEN OP DE PLAATS VAN PRODUCTIE ............................................66 AFVALWATER EN WATERBESPARING .......................................................................67
5.1. 5.2. 6.
TOETSINGSKADER ...........................................................................................................67 WATERBESPARING ..........................................................................................................67 DIERENVERBLIJVEN EN EMISSIE ................................................................................68
6.1. 6.2. 6.3. 7.
DIERAANTALLEN EN (HUISVESTINGS)SYSTEMEN VERGUND .................................................68 DIERAANTALLEN EN (HUISVESTINGS)SYSTEMEN AANVRAAG ................................................69 TOEPASSING (HUISVESTINGS)SYSTEMEN ..........................................................................72 BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN ..........................................................................73
7.1. 7.2. 7.3. 8.
IPPC-INSTALLATIE ..........................................................................................................73 BBT-DOCUMENTEN .........................................................................................................73 BBT-CONCLUSIES ...........................................................................................................74 AMMONIAKEMISSIE UIT DIERENVERBLIJVEN ...........................................................79
8.1. 8.2. 9.
BBT DIERENVERBLIJVEN AMMONIAK .................................................................................79 AMMONIAKEMISSIE DIERENVERBLIJVEN .............................................................................82 GEURHINDER UIT DIERENVERBLIJVEN .....................................................................83
9.1. 9.2. 9.3. 9.4. 10.
TOETSINGSKADER ...........................................................................................................83 TOETSING GEURHINDER ...................................................................................................83 BEOORDELING DIEREN MET GEUREMISSIEFACTOREN .........................................................83 CONCLUSIE GEURHINDER DIERENVERBLIJVEN ...................................................................84 EMISSIE ZWEVENDE DEELTJES UIT DIERENVERBLIJVEN ......................................85
10.1. 10.2. 11.
(VOLKS)GEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ ..................................................................87
11.1. 11.2. 11.3. 11.4. 12.
BBT DIERENVERBLIJVEN VOOR ZWEVENDE DEELTJES ....................................................85 LUCHTKWALITEITSEISEN ...............................................................................................85 HET TOETSINGSKADER .................................................................................................87 DE GEVOLGEN VAN DE AANGEVRAAGDE ACTIVITEITEN ....................................................89 MAATREGELEN EN VOORZIENINGEN ..............................................................................89 BEOORDELING EN CONCLUSIE ......................................................................................90
OVERIG AGRARISCH .....................................................................................................90
38 / 107
12.1. 12.2. 12.3. 13.
AGRARISCH AFVALWATER..........................................................................................91
13.1. 13.2. 13.3. 13.4. 14.
TOETSINGSKADER .......................................................................................................94 REPRESENTATIEVE BEDRIJFSSITUATIE (RBS). ...............................................................95 BEOORDELINGSPUNTEN ...............................................................................................95 GELUIDSBELASTING .....................................................................................................95 OVERWEGING AKOESTISCHE SITUATIE EN TOEPASSEN VAN HET BBT-BEGINSEL ...............96 AFWEGING ..................................................................................................................96 VOORSCHRIFTEN .........................................................................................................96
ANDERE WETGEVING ...................................................................................................96
18.1. 18.2. 19.
OPSLAG ZWAVELZUUR .................................................................................................93 OPSLAG SPUIWATER CHEMISCHE LUCHTWASSER ...........................................................94 EXTERNE VEILIGHEID ...................................................................................................94
GELUID ............................................................................................................................94
17.1. 17.2. 17.3. 17.4. 17.5. 17.6. 17.7. 18.
ENERGIE RELEVANTE INRICHTINGEN ...........................................................................93 TOETSING ...................................................................................................................93
EXTERNE VEILIGHEID ...................................................................................................93
16.1. 16.2. 16.3. 17.
ACTIVITEITENBESLUIT ..................................................................................................92 BEOORDELING EN CONCLUSIE ......................................................................................93
ENERGIE .........................................................................................................................93
15.1. 15.2. 16.
HET TOETSINGSKADER .................................................................................................91 DE GEVOLGEN VAN DE AANGEVRAAGDE ACTIVITEITEN ....................................................91 MAATREGELEN EN VOORZIENINGEN ..............................................................................92 BEOORDELING EN CONCLUSIE ......................................................................................92
BODEM ............................................................................................................................92
14.1. 14.2. 15.
MESTBASSIN ...............................................................................................................90 OPSLAG EN VERWERKING VAN BIJVOEDERMIDDELEN ......................................................90 GEUR VOERKEUKEN .....................................................................................................91
EUROPEAN POLLUTANT RELEASE AND TRANSFER REGISTER (E-PRTR)...........................96 ANDERE REGELS EN WETTEN ........................................................................................97
CONCLUSIE ....................................................................................................................97
39 / 107
Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht VOORSCHRIFTEN MILIEU
40 / 107
1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
1.1
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
1.1.1
Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven: a. alle gebouwen en de installaties met hun functies; b. alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.
1.1.2
Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.
1.1.3
De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
1.1.4
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
1.1.5
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.
1.2
Instructies
1.2.1
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
1.2.2
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste vijf dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
1.2.3
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
41 / 107
1.3
Registratie
1.3.1
Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: a. alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen; b. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; c. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; d. de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik. e. de afleverbonnen van de plantaardige bijvoedermiddelen; f. registratie/elektronisch logboek regelbare kleppen; g. het logboek waarin van de ongediertebestrijding per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden zijn bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd, of dat dit is gedaan door een extern bedrijf. De documenten genoemd onder c, d en e moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.
1.3.2
Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
1.4
Bedrijfsbeëindiging
1.4.1
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigenactiviteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
1.4.2
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
42 / 107
2
AFVALSTOFFEN
2.1
Afvalscheiding
2.1.1
Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: a. Restafval b. GFT c. papier en karton; d. KGA / lampen; e. kunststoffolie; f. PMD; g. Spuiwater; h. Kadavers; i. Oud ijzer.
2.2
Opslag van afvalstoffen
2.2.1
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
2.2.2
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
2.2.3
Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.
2.2.4
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
43 / 107
3
WATERBESPARING
3.1
Registratie
3.1.1
Vergunninghouder moet de jaarrekening van het waterverbruik binnen de inrichting bewaren. De gegevens moeten naar herkomst (drinkwater en grondwater) worden geregistreerd (in m3).
44 / 107
4
AGRARISCHE VOORSCHRIFTEN
4.1
Houden van dieren
4.1.1
In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren op het aangegeven huisvestingssysteem aanwezig zijn: Stal
Diercategorie/ huisvestigingssysteem
1
Rav-code: D 3.2.15.4
Aantal dieren
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, 2.912 gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7) 2
Rav-code: D 1.2.13 196 Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
3
Rav-code: D 1.2.13 160 Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
4
Rav-code: 2.4.4 Dekberen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd 6 luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
4
Rav-code: D 1.3.12.4 Guste en dragende zeugen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, 1.170 gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
4
Rav-code: D 3.2.15.4 Opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie,
288
45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7) 5
Rav-code: D 1.1.15.4 Gespeende biggen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd 8.100 luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)
6a
Rav-code: D 3.2.7.1.2 i.c.m. D 3.2.14 Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend 3.584 mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (BWL 2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
6b
Rav-code: D 3.2.7.1.2 i.c.m. D 3.2.14
1.792
45 / 107
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (BWL 2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6) 7a
Rav-code: D 3.2.7.1.2 i.c.m. D 3.2.14 Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend 3.584 mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (BWL 2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
7b
Rav-code: D 3.2.7.1.2 i.c.m. D 3.2.14 Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend 1.792 mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (BWL 2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
4.1.2
Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste één keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard.
4.2
Regelbare kleppen
4.2.1
De uitstroomopeningen van de luchtwassers van de stallen 1, 4, 5, 6a, 6b, 7a en 7b moeten zijn voorzien van regelbare kleppen.
4.2.2
De uittreedsnelheid van de ventilatielucht van de uitstroomopeningen, zoals genoemd in voorschrift 4.2.1 moet altijd 10 m/s bedragen.
4.2.3
De regelbare kleppen worden aangestuurd door de Varoline klimaatcomputer. De Varoline klimaatcomputer werkt samen met de Varoline luchtwasser computer.
4.2.4
De Varoline computer dient de volgende gegevens te registreren: o Het ventilatiedebiet in m³/uur o Het ventilatiedebiet in % o De klepstand in % Deze meetwaarden worden opgeslagen in het elektronische logboek. Elke 15 minuten worden de meetwaarden geregistreerd.
4.2.5
Het elektronisch logboek, moet minimaal vijf jaar online beschikbaar zijn en gedownload kunnen worden. De inloggegevens moeten beschikbaar worden gesteld aan het bevoegd gezag.
46 / 107
4.2.6
4.3
Een week voordat de regelbare kleppen worden geïnstalleerd, moet u dit melden bij de gemeente Raalte via telefoonnummer 0572-347799, zodat hierop een controle kan plaatvinden.
Metingen
4.3.1
Uiterlijk binnen vier weken na het plaatsen en ingebruikname van de gecombineerde luchtwasser in stal 1 wordt door een hiertoe geaccrediteerd onderzoeksbureau een nat-chemische meting uitgevoerd om het ammoniakverwijderingspercentage van de gecombineerde luchtwasser vast te stellen. Voorafgaand aan deze meting wordt door het geaccrediteerd onderzoeksbureau een meetplan conform het gestelde in de NEN-EN 15259 ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.
4.3.2
Uiterlijk binnen vier weken na het plaatsen en ingebruikname van de gecombineerde luchtwasser in stal 5 wordt door een hiertoe geacrediteerd onderzoeksbureau een nat-chemische meting uitgevoerd om het ammoniakverwijderingspercentage van de gecombineerde luchtwasser vast te stellen. Voorafgaand aan deze meting wordt door het geaccrediteerd onderzoeksbureau een meetplan conform het gestelde in de NEN-EN 15259 ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.
4.3.3
In de gecombineerde luchtwassers in de stallen 1 en 5 worden door de leverancier ammoniaksensoren aangebracht voor het continue meten van de ammoniakconcentratie in zowel in- als uitgaande lucht van de luchtwasser (nauwkeurigheid van 1,5 ppm). De exacte locatie voor het plaatsen van de betreffende sensoren (voor en na de luchtwasser) zullen door het geaccrediteerd onderzoeksbureau (Tauw/WUR of TNO) worden bepaald en als zodanig worden opgenomen in het voornoemde meetplan. De metingen zullen uitgevoerd worden volgens het meest actuele protocol voor het continu bemeten van stallen “Richtlijnen voor het bepalen van emissies uit veestallen: Guidelines for determination of emission from livestock barns”. Bij update van het protocol worden waar nodig aanpassingen uitgevoerd aan de methode van bemeten.
4.3.4
De meetgegevens van de ammoniaksensoren worden geregistreerd in het (elektronische) logboek en gedurende een periode van minimaal 5 jaar bewaard.
4.3.5
De ammoniaksensoren worden minimaal een keer per zes maanden gecontroleerd en geijkt door een hiertoe deskunige (leverancier). Indien bij de ijking een afwijking wordt geconstateerd, worden de sensoren direct vervangen.
4.3.6
Uiterlijk binnen vier weken na het plaatsen en de ingebruikname van de chemische luchtwassers in de stal 6a, 6b, 7a en 7b wordt door een hiertoe geaccrediteerd onderzoeksbureau een natchemische meting uitgevoerd om het ammoniakverwijderingspercentage van de chemische luchtwasser vast te stellen. Voorafgaand aan deze meting wordt door het geaccrediteerd onderzoeksbureau een meetplan conform het gestelde in de NEN-EN 15259 ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.
4.4
PH-regeling
47 / 107
4.4.1
In de stallen die zijn uitgevoerd met een gecombineerde luchtwasser (stallen 1, 4 en 5) wordt een automatische pH-regeling aangebracht.
4.4.2
De pH-regelaar is een automatische regeling van de zuurtegraad van het waswater van de luchtwasser. Het systeem bestaat uit een pH-elektrode (de pH-sensor) welke de zuurtegraad van het waswater meet en een doseerinrichting welke zuur en of base toevoegt aan het waswater.
4.4.3
De automatische regeling voegt aan de hand van de gemeten zuurgraad (wanneer de zuurgraad buiten het ingestelde bereik neigt te komen) zuur of base toe aan het waswater. Bij een verhoogde zuurgraad (een lage pH) wordt een base toegevoegd en bij een verlaagde zuurgraad (te hoge pH) wordt een zuur toegevoegd. De dosering van het base en het zuur verloopt op een zorgvuldige manier. Bij een biologische luchtwasser mag het toevoegen van zuur en of base geen continu proces zijn, bij chemische luchtwassers mag dit wel. Het toevoegen van zuur en of base is enkel voor het bijsturen van de pH binnen de bandbreedte van 6.5-7,5. Het tijdig spuien (gedeeltelijk verversen van het waswater) blijft nodig om vervuiling of afbraakproduct af te voeren.
4.4.4
Indien de gemeten pH-waarden buiten het toegestane bereik van het luchtwassysteem vallen, worden deze middels de pH-regelaar gecorrigeerd zo dat deze weer binnen het toegestane bereik vallen. Het pH bereik van de betreffende luchtwasser is minimaal een pH van 6,5 en maximaal een pH van 7,5.
4.4.5
Er dient voldoende voorraad zuur en base op locatie aanwezig te zijn om altijd een goede correctie van de pH van het waswater te garanderen. Voldoende vertaalt zich in dit specifieke geval in een voorraad voor minimaal één maand gebruik.
4.4.6
De luchtwasser is voorzien van EC-sensoren. De geleidbaarheid van het waswater is maximaal 18 mS/cm.
4.4.7
Er dienen pH-sensoren (zuurgraad) en EC-sensoren (geleidbaarheid waswater) te zijn aanbracht in de luchtwasser. De pH-sensoren en EC-sensoren worden geplaatst zowel in het waswater boven het filterpakket alsmede in het waswater onder het filterpakket. De exacte locatie voor het plaatsen van de pH-sensoren en EC-sensoren zullen door het geaccrediteerd onderzoeksbureau (Tauw/WUR of TNO) worden bepaald en als zodanig worden opgenomen in het voornoemde meetplan.
4.4.8
De pH-en EC-meters dienen wekelijks gecontroleerd te worden. Dit dient, naast de geinstalleerde meters, te gebeuren met een handmeter. Wanneer blijkt dat de sensoren afwijkende meetwaarden laten zien dienen deze opnieuw gekalibreerd of vervangen te worden.
4.4.9
De pH-sensoren en EC-sensoren worden minimaal één keer per zes maanden gecontroleerd en geijkt door een hiertoe deskundige (leverancier). Indien bij de ijking een afwijking wordt geconstateerd, worden de sensoren direct vervangen.
48 / 107
4.5
Visuele controle en elektronische inspectie
4.5.1
Er wordt wekelijks een visuele controle uitgevoerd. De luchtwassers worden naast de wekelijks visuele controle, dagelijks gecontroleerd op het in werking zijn (onderdeel van routine), bijzonderheden worden hier dan al opgemerkt. Tijdens de wekelijkse controle wordt in het bijzonder gelet op de werking van de sproeiers, leidingen en druppelvangers. Daarnaast moet worden gecontroleerd of het gehele waspakket wordt besproeid. De uitkomst van de controle wordt vastgelegd in een logboek. Bij constatering van een suboptimale werking van de luchtwasinstallatie wordt de oorzaak hiervan zo snel mogelijk verholpen. Aanpassingen of reparaties worden beschreven en vastgelegd in een logboek.
4.5.2
De handelingen die uitgevoerd worden bij de visuele en elektronische inspectie, als onderdeel van het onderhoud, bestaan uit onderstaande handelingen: • Het controleren van de werking van de pompen (staan deze aan en werken ze naar behoren); • Het controleren van de sproeiers, leidingen en druppelvangers; • Het controleren van de PH- en EC-waarden, de actuele waarden worden afgelezen van de display van de installatie en de meetgeschiedenis van de sensoren wordt uitgelezen; • Controleren waswaterdebiet en verdeling van het waswater over het pakket; • Controleren spuiwaterdebiet; • Controleren ventilatie/luchtverdeling; • Controleren pH-regelaars, zuur-doseerinstallatie en het zuurverbruik; • Het controleren van de luchtwassers, zijnde in werking conform leaflet; • De registratie van de controle en eventuele reparaties worden in een logboek beschreven; • Bij het waarnemen van afwijkingen gaat de vergunninghouder over tot de actie om deze per ommegaande te verhelpen.
4.5.3
Storingen worden automatisch gemeld aan de vergunninghouder via een oproep naar de mobiele telefoon. Ook wordt de storing aangegeven op de klimaatcomputer van de betreffende stal waarop de luchtwasser is aangesloten en worden zo snel mogelijk verholpen. Na melding van storing checkt de vergunninghouder of een door hem aangesteld deskundige de luchtwasser op de gemelde storing. Dit doet hij door de gemelde storing fysiek te gaan bekijken bij de luchtwasser. Indien de vergunninghouder de storing zelf kan verhelpen, wordt dit zo spoedig mogelijk uitgevoerd. Indien de vergunninghouder niet in staat is om dit zelf te doen, dan wordt de leverancier van het luchtwassysteem of een andere deskundige derde partij onverwijld ingeschakeld om de oorzaak van de storingen zo snel mogelijk op te sporen en te verhelpen. Vastgestelde storingen en de genomen maatregelen van de storing worden vastgelegd in een logboek. Daarbij dient vergunninghouder in ieder geval acht te nemen wat in de “Bijlage storingen” is opgenomen. Deze bijlage is ingevoegd als bijlage 12 van de passende beoordeling (bijlage 38 MER).
4.6
Onderhoud
4.6.1
Groot onderhoud aan een luchtwasser, zijnde onderhoud dat langer dan vier uur duurt, dient minimaal zeven dagen voor aanvang van dat onderhoud gemeld te worden bij het bevoegd gezag.
49 / 107
Tevens dient er melding gemaakt te worden van het afronden van het onderhoud op het moment dat de wasinstallatie weer in bedrijf genomen wordt. Het bevoegd gezag mag extra (tijdelijke) maatregelen eisen om extra emissies te voorkomen. 4.6.2
Groot onderhoud dient, indien mogelijk, plaats te vinden in periodes van leegstand.
4.6.3
Eén keer per zes maanden worden (door leverancier) onderhoudscontroles van de technische werking van de luchtwasser uitgevoerd.