B2_Besluit omgevingsvergunning Heetenseweg 9a-9c met wijzigingen geaccepteerd
Tekst van het document
Diercategorie/ huisvestingssysteem
Aantal dieren
Emissiefactor
Maximale
Kolom maximale
(kg NH3 per
emissiewaarde
emissiewaarde
dierplaats per
(kg NH3 per
jaar)
dierplaats per jaar)
1
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en
2.912
0,45
1,6
A
196
2,9
2,9
B
160
2,9
2,9
B
6
0,83
-1
-2
1.170
0,63
2,6
B
288
0,45
1,5
B
8.100
0,10
0,21
B
80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7) 2
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
3
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
4
Dekberen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
4
Guste en dragende zeugen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
4
Opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
5
Gespeende biggen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)
80 / 107
6a
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2
3.584
0,07
1,1
C
1.792
0,07
1,1
C
3.584
0,07
1,1
C
1.792
0,07
1,1
C
(2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6) 6b
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
7a
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
7b
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35%
fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6) 1) Niet vastgesteld. 2) Niet van toepassing.
In alle stallen overschrijdt de emissiefactor van het huisvestingssysteem de maximale emissiewaarde niet. De uitvoering van de stallen voldoet aan de eis van het toepassen van de BBT. Voor de diercategorie ‘dekberen' geldt geen maximale emissiewaarde. Het voorgestelde huisvestingssysteem in stal 4 voldoet daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT. 8.1.3. Aanvullende toetsing ammoniak bij IPPC-installatie De aanvraag heeft betrekking op een uitbreiding van het aantal te houden dieren. Als gevolg van deze uitbreiding neemt, door het toepassen van verdergaande ammoniakemissie reducerende technieken, de ammoniakemissie van de inrichting niet toe.
81 / 107
Voor het terugdringen van de ammoniakemissie uit de stallen 1, 4, 5, 6a, 6b, 7a en 7b kiest de aanvrager voor het toepassen van meerdere luchtwassers. Deze luchtwassystemen zijn niet als algemeen toepasbaar systeem beschreven in de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. De reden daarvoor is de hoge uitvoeringskosten (stijging van het energieverbruik en het produceren van afvalwater). Door toepassing van deze luchtwassystemen wordt een vergaande reductie van de ammoniakemissie, geuremissie en fijn stofemissie bereikt. Voor ammoniak gaat deze reductie verder dan de maximale emissiewaarde die voor de betreffende diercategorie in het Besluit emissiearme huisvesting is opgenomen. De negatieve milieueffecten wegen niet op tegen deze positieve effecten. De aangevraagde luchtwassystemen zijn algemeen gebruikte en geaccepteerde systemen in de intensieve veehouderij. Ondanks de negatieve milieueffecten, zoals het energie- en waterverbruik, gaat het om systemen die kunnen worden aangemerkt als de best beschikbare techniek. 8.1.4. Conclusie BBT dierenverblijven De dierenverblijven voldoen voor het onderdeel ammoniak aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Er is geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
8.2.
Ammoniakemissie dierenverblijven
8.2.1. Toetsingskader Voor zover het de ammoniakemissie uit dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). 8.2.2. Toetsing De dierenverblijven van onderhavige inrichting liggen niet binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Voor deze inrichting geldt op grond van de Wav geen beperking met betrekking tot het ammoniakplafond. Aan het gestelde in de Wav wordt voldaan. 8.2.3. Conclusie ammoniakemissie uit dierenverblijven De ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
82 / 107
9.
GEURHINDER UIT DIERENVERBLIJVEN
9.1.
Toetsingskader
De aanvraag is getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). In tabel 4 staan de normen voor de geurbelasting en afstandseisen die van toepassing zijn. Tabel 4
geurnormen en afstandseisen
Ligging en aard geurgevoelig object
Afstandseis/ norm
Waarde
In de bebouwde kom
Norm
3 OUE/m3
In het buitengebied
Norm
14 OUE/m3
In de bebouwde kom
afstand gevel
50 meter
In het buitengebied
afstand gevel
25 meter
In de bebouwde kom
afstand emissiepunt
100 meter
In het buitengebied
afstand emissiepunt
50 meter
In de bebouwde kom
afstand gevel
50 meter
In het buitengebied
afstand gevel
25 meter
Geen onderdeel veehouderij
Onderdeel veehouderij
9.2.
Toetsing geurhinder
De geurhinder, die afkomstig is van de inrichting, is getoetst aan de normen voor de geurbelasting en de afstandseisen uit de Wgv. Wanneer in de gevraagde situatie aan de normen voor de geurbelasting en afstandseisen wordt voldaan, dan vormt geurhinder uit dierenverblijven geen weigeringsgrond voor de aanvraag. Binnen deze inrichting worden uitsluitend dieren gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld.
9.3.
Beoordeling dieren met geuremissiefactoren
Bij diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de geurregeling, moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' de geurbelasting op het geurgevoelige object worden bepaald. In afwijking hiervan moet tot geurgevoelige objecten die deel uitmaken van een andere veehouderij en objecten die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij een vaste afstand worden aangehouden (artikel 3, tweede lid, van de Wgv). Ook moet op grond van artikel 5 van de Wgv een afstand tussen het geurgevoelige object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt tenminste 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom en tenminste 25 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten een bebouwde kom.
83 / 107
De maximale geurbelasting (norm) op een geurgevoelig object is vastgelegd in artikel 3, van de Wgv. Een berekening van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' gegenereerd op 10 januari 2024 is bij de aanvraag gevoegd, zie bijlage 5 van Toelichting Wabo Milieu van 11 maart 2025 Hieruit blijkt dat aan de geurnormen wordt voldaan. Hieronder is de geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de vergunde situatie en voor de aangevraagde situatie weergegeven. Geurbelasting vergunde situatie:
Geurbelasting aangevraagde situatie:
9.4.
Conclusie geurhinder dierenverblijven
84 / 107
De afstanden tot en de geurbelasting op geurgevoelige objecten vormen geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
10.
EMISSIE ZWEVENDE DEELTJES UIT DIERENVERBLIJVEN
10.1.
BBT dierenverblijven voor zwevende deeltjes
10.1.1. Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting, de Wabo (artikel 2.22, derde lid) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen voor zwevende deeltjes (PM10) zijn maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit emissiearme huisvesting gestelde eisen kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende BBT is. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT. Voor de diercategorieën gespeende, biggen, kraamzeugen, guste- en dragende zeugen, dekberen, opfokzeugen en vleesvarkens gelden geen maximale emissiewaarden. De voorgestelde huisvestingssystemen in alle stallen voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT. 10.1.2.
Conclusie BBT dierenverblijven De dierenverblijven voldoen voor het onderdeel zwevende deeltjes aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Er is geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
10.2.
Luchtkwaliteitseisen
10.2.1. Toetsingskader In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren. De grenswaarden hebben betrekking op de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), lood, koolmonoxide en benzeen Tevens is in deze bijlage een richtwaarde voor ozon gedefinieerd en zijn richtwaarden gegeven voor het totale gehalte in de PM10 fractie voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen. In beginsel dient ter beperking van de emissies BBT te zijn toegepast. Worden desondanks overschrijdingen van de grenswaarden verwacht en er is sprake van een in betekenende mate bijdrage van de inrichting, dan moet worden gezocht naar aanvullende eisen of alternatieven, waardoor de bijdrage van de inrichting per saldo niet groter wordt dan voor het te nemen besluit voor de vergunningverlening.
85 / 107
Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit; c. de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate'; d. het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. 10.2.2. Toetsing De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor agrarische inrichtingen hebben betrekking op zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). De stof stikstofdioxide komt voornamelijk vrij bij verbrandingsprocessen. Gezien de activiteiten van de inrichting kan worden gesteld dat geen of nauwelijks stikstofdioxide wordt uitgestoten. De andere genoemde stoffen (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide, benzeen en ozon) zijn niet relevant bij een agrarisch bedrijf. Aan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld, is niet getoetst. Gezien de aard van de inrichting (veehouderij) zullen deze niet worden overschreden.
Voor zwevende deeltjes zijn de volgende grenswaarden opgenomen: • 24-uurgemiddelde grenswaarde van 50 g/Nm3 voor PM10, waarbij geldt dat deze maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden; • jaargemiddelde grenswaarde van 40 g/Nm3 voor PM10; • jaargemiddelde grenswaarde van 25 g/Nm3 voor PM2,5. Voor het berekenen van de concentratie van PM2,5 zijn nog niet in alle gevallen emissiefactoren bekend. Tot die tijd zal voor de beoordeling van PM2,5 worden uitgegaan van een publicatie van het Planbureau voor de leefomgeving. Op basis van een onderzoek van het RIVM (“Attainability of PM2,5 air quality standards, situation for the Netherlands in a European context, J. Matthijsen, B.A Jimmink, F.A.A.M de Leeuw en W. Smeets, Planbureau voor de Leefomgeving, Bilthoven 2009) wordt geconcludeerd dat wanneer aan de norm voor PM10 wordt voldaan, dit ook geldt voor de norm voor PM2,5. De veehouderijen zijn geen belangrijke bron van fijn stof uitstoot. Het aandeel PM2,5 binnen de uitgestoten hoeveelheid PM10 bij volièrestallen voor pluimvee bedraagt ongeveer 6% (zie rapport: Maatregelen ter vermindering van fijnstofemissie uit de pluimveehouderij; effect van een oliefilm op het strooisel in volièrehuisvesting voor leghennen, ASG, februari 2009, rapport 195). Als de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet, dan geldt dit ook voor de PM2,5 norm.
Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde. Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit niet in betekende mate bijdragen (NIBM) kunnen gebieden en bronnen worden aangewezen die geen gebruik kunnen maken van NIBM. Het bedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd ligt niet in een aangewezen gebied en is niet aangewezen als bron. Bij de aanvraag is een NIBM-toets gevoegd, zie hoofdstuk 12 van het document ‘Toelichting Wabo milieu’ van11 maart 2025. Met het toepassen van (gecombineerde of chemische) luchtwasinstallaties bij een groot deel van de stallen worden maatregelen getroffen om de emissie van fijn stof (PM10) uit dierenverblijven te reduceren.
86 / 107
Uit toetsing van onderhavige aanvraag blijkt dat ten aanzien van de vergunde emissie fijn stof een verslechtering optreedt. Uit de NIBM-toets blijkt dat ten gevolge van de aangevraagde situatie de toename van de emissie fijn stof (PM10), ten opzichte van de geldende vergunning, 633.470 gram per jaar bedraagt. Het dichtstbijzijnde gevoelige object ligt op een afstand van circa 175 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt van stal 4. Uit de ‘Handreiking fijn stof en veehouderijen’ blijkt dat op een afstand van 160 meter een toename van de emissie fijn stof (PM10) ten gevolge van een uitbreiding met 1.376.000 gram per jaar als NIBM kan worden beschouwd. Bij de aanvraag zijn de resultaten gevoegd van verspreidingsberekeningen conform het Nieuw Nationaal Model voor zwevende deeltjes. Deze berekeningen zijn gemaakt met het rekenmodel ISL3a, versie 2023.1. Naast de dierenverblijven zorgen ook verkeersbewegingen voor emissies van fijn stof. De fijn stofemissie afkomstig van de verkeersbewegingen zijn, in vergelijking met de emissies afkomstig van dieren, echter zeer beperkt. Dit blijkt uit de berekening met de NIBM-tool van Infomil. Uit deze berekening is gebleken dat de emissie van fijn stof afkomstig van verkeersbewegingen NIBM is en daarom als niet significant aan te merken is. De emissie van fijn stof (PM10) van de veehouderij bedraagt meer dan 800 kg per jaar.
In een straal van 500 meter van deze veehouderij liggen geen andere veehouderijen met een emissie van fijn stof (PM10) van meer dan 800 kg per jaar (bij achtergrondconcentratie maximaal 27 µg/m³). Het is niet nodig om de immissieconcentratie van deze veehouderij samen met andere veehouderijen te berekenen. 10.2.3. Conclusie De uitbreiding van de veehouderij draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie fijn stof in de buitenlucht. Daarnaast concluderen wij dat wordt voldaan aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor zwevende deeltjes. Luchtkwaliteit vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
11.
(VOLKS)GEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ
Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wabo ruimte voor een aanvullende toets. Bij een vergunningaanvraag is het van belang om de gezondheid van omwonenden van een veehouderij mee te nemen bij de besluitvorming, ook als daar geen landelijk of wettelijk verankerd toetsingskader voor beschikbaar is. Met andere woorden, indien door het in werking zijn van de inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.
11.1.
Het toetsingskader
Op basis van alle tot nu toe bekende rapporten kunnen geen eenduidige conclusies worden getrokken om duidelijke uitspraken te kunnen doen over de onaanvaardbare gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt
87 / 107
van veehouderijen. Dit wordt als zodanig ook bevestigd door alle tot nu toe gedane uitspraken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en rechtbanken, waaruit blijkt dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn om de volksgezondheid mee te nemen bij de verlening van de omgevingsvergunning milieu. Voor het opstellen van één beoordelingskader is onvoldoende wetenschappelijke kennis aanwezig. Uit de onderzoeksrapporten kan geen relatie worden gelegd tussen de afstand tot veehouderijen en de gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Op 7 juli 2016 verschenen de volgende onderzoeksrapporten1: • Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), RIVM, juli 2016, RIVM Rapport 2016-0058; • Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering, Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 959; • Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen: verkenning van opties, kosten en effecten op de gezondheidslasten van omwonenden, Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 949. Op 16 juni 2017 verscheen het onderzoeksrapport Veehouderij en Gezondheid omwonenden (VGO) (aanvullende studies); Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen, RIVM, juni 2016, RIVM Rapport 2017-00622.
Vervolgens is op 8 oktober 2018 door het Nivel het onderzoeksrapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III; Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014 – 2016 gepubliceerd3. Op 10 oktober 2019 is door het Nivel het onderzoeksrapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III; Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht gepubliceerd4. Daarnaast is op 24 november 2021 door het Nivel het onderzoeksrapport Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Noord-Brabant en Limburg: actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2017 – 2019 gepubliceerd5. Deze laatste die rapporten zijn deelrapporten van een reeks vervolgonderzoeken in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III. In het VGO-onderzoek is aangegeven dat gezondheidsrisico’s aanwezig kunnen zijn bij met name pluimveehouderijen en in gebieden waar veel veehouderijen liggen (veedichte gebieden waar meer dan 15 1
Deze rapporten zijn op 7 juli 2016 aangeboden aan de Tweede Kamer, zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/07/07/kamerbrief-aanbieding-rapporten-gezondheidsrisico-s-rondveehouderijen.
2
Dit rapport is op 16 juni 2017 aangeboden aan de Tweede Kamer, zie https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-vaneconomische-zaken/documenten/kamerstukken/2017/06/16/kamerbrief-bij-het-rapport-veehouderij-en-gezondheid-omwonendenaanvullende-studies.
3
Op 22 oktober 2018 is dit rapport aangeboden aan de Tweede Kamer, zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/10/22/kamerbrief-met-reactie-op-deelrapport-veehouderijgezondheid-omwonenden.
4
Op 24 april 2020 is dit rapport aangeboden aan de Tweede Kamer, zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/24/kamerbrief-over-deelonderzoek-veehouderij-en-gezondheidomwonenden
5
Op 24 november 2021 is dit rapport aangeboden aan de Tweede Kamer, zie https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-vanlandbouw-natuur-en-voedselkwaliteit/documenten/kamerstukken/2021/11/24/kamerbrief-stand-van-zaken-diverse-onderwerpendiergezondheid
88 / 107
veehouderijen binnen 1 km van een burgerwoning zijn gelegen). Het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij’ concludeert dat de grenswaarde, die door de Gezondheidsraad is vastgesteld voor endotoxine, overschreden wordt binnen 200 meter van een varkenshouderij en binnen 500 meter van een pluimveehouderij. Voor varkenshouderijen geldt dat de maatregelen, die genomen moeten worden om te voldoen aan bestaande normen voor fijn stof en geur, ook de emissie van endotoxine beperken. Voor pluimveehouderijen is de overschrijding van endotoxine zodanig dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Het rapport ‘Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen’ geeft inzicht in de maatregelen die door de ondernemer in stallen genomen kunnen worden om een extra reductie van de emissie van bioaerosolen te realiseren, boven op de reductie die al plaatsvindt door het toepassen van technieken om de fijn stof emissie te reduceren. In het rapport is ook een synthese uitgevoerd welke maatregelen op basis van de kosten en de behaalde reductie het meest perspectiefvol zijn. In het aanvullend VGO-onderzoek worden de conclusies uit het VGO-onderzoek van 2016 bevestigd. Verder laat dit aanvullend VGO-onderzoek tot een afstand van 1,5-2 km rondom een individuele geitenhouderij een verhoogde kans op longontsteking zien.
De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. De resultaten van het deelonderzoek naar longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen (VGO III) wijzen, net als de voorgaande onderzoeken, op een associatie tussen het wonen en in nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. Ook nu kon de oorzaak van deze verhoogde kans niet door de onderzoekers worden aangegeven. Het eerder gevonden verband tussen een verhoogde kans op het oplopen van een longontsteking en het wonen nabij een pluimveehouderij kon in de nieuwe studie alleen worden bevestigd voor het jaar 2014.
11.2.
De gevolgen van de aangevraagde activiteiten
Het toetsingskader naar aanleiding van de op 7 juli 2016 gepresenteerde onderzoeken is ontwikkeling. Een eenduidige tekst voor de beoordeling is nog niet beschikbaar. De landelijke handreiking ‘Veehouderij en Gezondheid’ is in voorbereiding. De inrichting wordt uitgebreid met twee nieuwe stallen voor vleesvarkens en een uitbreiding van de biggenstal met één afdeling. Ten gevolge van de toename van het aantal dieren en de omvang van de activiteiten in de inrichting, kunnen mogelijk gevolgen voor de volksgezondheid optreden.
11.3.
Maatregelen en voorzieningen
Binnen de inrichting zijn bepalingen ingevolge de Wet dieren van toepassing. Deze bepalingen waarborgen dat dierziektes binnen de inrichting worden voorkomen, dan wel worden bestreden. Het gaat daarbij onder andere om het gebruik van bedrijfskleding, het naleven van een hygiëneprotocol en het schoonmaken en ontsmetten van veetransportwagens. Bij de aanvraag is in hoofdstuk 19 van de ‘Toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu’ van 11 maart 2025 aangegeven welke maatregelen worden getroffen om de risico’s ten gevolge van de verspreiding van zoönosen te voorkomen of beperken. Het grootste deel van de stallen wordt aangesloten op (gecombineerde of chemische) luchtwassers. Daarnaast wordt in de nieuwe stallen waterverneveling toegepast. Hierbij wordt de vuile stallucht, alvorens deze in de chemische luchtwasser wordt ingevoerd, door een waterverneveling/-gordijn geleid. Voornoemde is vergelijkbaar met het watergordijn van de gecombineerde luchtwassers. Deze aanvullende maatregel heeft een positieve werking op de reductie van het fijn stof. Endotoxinen zitten aan de grovere stofdeeltjes. Ook de emissie van deze stofdeeltjes wordt verminderd door de waterverneveling/luchtwasser.
89 / 107
Hierdoor wordt, naast de emissie van ammoniak, geur en zwevende deeltjes (fijn stof), ook de emissie van zoönosen of endotoxinen uit de stallen voorkomen of zeer sterk beperkt. Ten opzichte van de vergunde situatie vindt een toename van de emissies van zoönosen of endotoxinen plaats.
11.4.
Beoordeling en conclusie
De inrichting levert niet zodanige risico’s op voor de volksgezondheid dat de vergunning om die reden moet worden geweigerd. Voor zover gezondheidsrisico’s kunnen ontstaan door geur-, fijn stof- of geluidemissie wordt erop gewezen dat voor deze emissies wettelijke toetsingskaders beschikbaar zijn. Aan de geldende normstellingen, dan wel bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij, hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer en de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening wordt voldaan (zie ook de overwegingen in de hoofstukken ‘Geurhinder uit dierenverblijven’, ‘Geluid’ en ‘Luchtkwaliteit’). Gezondheidsrisico’s door deze aspecten worden uitgesloten geacht. Voor micro-organismen en het voorkomen van zoönosen zijn geen normen of grenswaarden beschikbaar. Alleen voor endotoxinen geeft de Gezondheidsraad een aanbeveling om de gezondheidskundige advieswaarde voor werknemers te verlagen naar 30 EU (Endotoxine Units) per kubieke meter lucht als advieswaarde voor de algemene bevolking. Deze aanbeveling is niet wettelijk verankerd. Als voorschrift in de omgevingsvergunning is vastgelegd dat de inrichting schoon moet zijn en in goede staat van onderhoud moet verkeren. De (goede) werking van de huisvestingssystemen wordt geregeld via artikel 3.123, tweede en derde lid van het Activiteitenbesluit.
De artikelen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit hebben een rechtstreekse werking. Wanneer wordt voldaan aan de artikelen uit de hoofdstukken 2 en 3 van het Activiteitenbesluit, de bijbehorende ministeriële regeling en de geldende wetgeving ten aanzien van volksgezondheid en besmettingsgevaar, zijn er geen redenen om een onderzoekverplichting op te leggen met betrekking tot volksgezondheid.
12.
OVERIG AGRARISCH
12.1.
Mestbassin
Binnen het terrein van de inrichting zijn mestbassins aanwezig voor de opslag van bedrijfseigen drijfmest. De bassins hebben gezamenlijk een oppervlakte van 1.508,75 m² en een inhoud van 7.500 m³. Het gaat hier om mestbassins die niet zijn voorzien van een afdekking die als vloer kan functioneren en die geen onderdeel zijn van een (voormalig) dierenverblijf, werktuigenberging, opslagvoorziening of erfverharding. Omdat dit oppervlak groter is dan 750 m² en deze inhoud groter is dan 2.500 m³ is op deze mestbassins het Activiteitenbesluit niet van toepassing. Voor de opslag van drijfmest in deze mestbassins zijn in deze vergunningvoorschriften gesteld. Deze voorschriften zijn afgeleid van paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.4.6 van de Activiteitenregeling. Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten.
12.2.
Opslag en verwerking van bijvoedermiddelen
90 / 107
Binnen de inrichting zijn opslagen voor plantaardige bijvoedermiddelen aanwezig. Het gaat om de opslag van: • 540 ton plantaardige bijvoedermiddelen (sojaschroot, broodmeel, raapzaad, tarwegries, sojahullen en koekjes), opslag in silo's; Jaarlijks wordt binnen de inrichting 5.500 ton aan plantaardige bijvoedermiddelen verwerkt. In paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit worden eisen gesteld aan de opslag van agrarische bedrijfsstoffen. Deze eisen gelden ook voor de opslag van bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn. Doordat deze paragraaf een rechtstreekse werking heeft voor de opslag van niet verpompbare bijproducten worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen. Per jaar wordt meer dan 4.000 ton aan plantaardige bijvoedermiddelen verwerkt waardoor het Activiteitenbesluit niet van toepassing is op deze verwerking. Voor de verwerking van plantaardige bijvoedermiddelen zijn in deze vergunningvoorschriften gesteld. Deze voorschriften zijn afgeleid van paragraaf 3.5.9 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.5.7 van de Activiteitenregeling.
12.3.
Geur voerkeuken
Ter voorkoming van eventuele geuroverlast is de voerkeuken uitgevoerd als een afgesloten gebouw. De ventilator van deze ruimte mondt uit op het centrale luchtkanaal van de naastgelegen stal 5 die is aangesloten op de luchtwasser. Vanwege het ontbreken van een eigen emissiepunt kan de geuremissie van dit gebouw als verwaarloosbaar worden beschouwd en is daarom verder buiten beschouwing gelaten. Binnen de inrichting worden alleen gangbare bijproducten opgeslagen die weinig tot geen geurhinder geven. Daarnaast is sprake van de opslag in gesloten silo’s en verwerking in gesloten systemen/ruimtes.
13.
AGRARISCH AFVALWATER
13.1.
Het toetsingskader
Het lozen van afvalwater vanuit de inrichting op de riolering valt onder de reikwijdte van de Wabo en Waterwet. Voor een aantal lozingen gelden algemene regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling kunnen in de vergunning geen voorschriften worden opgenomen die betrekking hebben op in het Activiteitenbesluit geregelde activiteiten en aspecten, tenzij het Activiteitenbesluit of de Activiteitenregeling de mogelijkheid biedt tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
13.2.
De gevolgen van de aangevraagde activiteiten
In de inrichting komen de volgende afvalwaterstromen vrij: • Opvang in mestkelder(s) of aparte opvangvoorzieningen:
91 / 107
- reinigingswater van de stallen. - reinigingswater van de spoelplaats. - spuiwater luchtwassers. - huishoudelijk afvalwater van de hygiënesluis/kantine. • Lozing in de bodem: - huishoudelijk afvalwater van de twee bedrijfswoningen (na passage IBA I). • Lozing op oppervlaktewater: - spoelwater van de waterpomp en ontijzeringsinstallatie. • Lozing in de bodem (via wadi) en op oppervlaktewater: - niet verontreinigd regenwater van daken en verhard bedrijfsterrein.
13.3.
Maatregelen en voorzieningen
De maatregelen en voorzieningen voor de volgende lozingen zijn niet beoordeeld omdat hiervoor in het Activiteitenbesluit milieubeheer regels zijn gesteld: • paragraaf 3.1.3. Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening • paragraaf 3.1.4. Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie. • paragraaf 3.5.4. Waterbehandeling voor agrarische activiteiten De voornoemde voorschriften van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling voor het doelmatig beheren en afvoeren van afvalwater zijn in deze situatie toereikend, behalve voor de opslag van spuiwater. Het spuiwater van de chemische luchtwasser wordt afgevoerd naar de spuiwateropslag. Dit betreffen twee spuiwatersilo’s met een inhoud van 50 m³ per silo. Voor de opslag van spuiwater bij inrichtingen type C gelden geen specifieke eisen uit het Activiteitenbesluit. Voor de opslag van spuiwater in een tank zijn daarom specifieke voorschriften in deze vergunning opgenomen. Het spuiwater van de gecombineerde luchtwassers wordt opgeslagen in een ondergrondse kelder. Het spuiwater wordt vervolgens als meststof afgevoerd en verwerkt door een hiertoe erkende inzamelaar. Aan een opslag van spuiwater in een ondergrondse kelder hoeven, naast voorschriften voor de bescherming van de bodem, geen specifieke voorschriften te worden gesteld.
Omdat de inrichting een IPPC-installatie is, gelden de bodemvoorschriften uit het Activiteitenbesluit.
13.4.
Beoordeling en conclusie
Voor een aantal specifieke afvalwaterstromen gelden de eisen van het Activiteitenbesluit. Doordat de aangegeven artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen.
14.
BODEM
14.1.
Activiteitenbesluit
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
92 / 107
14.2.
Beoordeling en conclusie
Met betrekking tot deze bodembedreigende activiteiten blijkt dat de beschreven combinatie van voorzieningen en maatregelen tot een verwaarloosbaar bodemrisico zullen leiden. De aangevraagde activiteiten kunnen als regulier voor de agrarische bedrijfstak worden aangemerkt. De te treffen voorzieningen om tot een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging te komen, zijn standaard.
15.
ENERGIE
15.1.
ENERGIE relevante inrichtingen
Uit de aanvraag blijkt dat een jaarlijks energiegebruik door de inrichting, volgens de aanvraag; 1.180.000 kWh/jaar elektriciteit en 12.000 m3 gas is. In het bedrijf wordt nu circa. 250.000 kWh opgewekt door zonnepanelen. Men wil dit uitbreiden naar circa 1.400.000 kWh. De stallen worden verwarmd middels warmtepompen. Er vindt warmteterugwinning plaats. De aanvraag dient vanwege het tijdstip van indiening getoetst te worden aan de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Hierin wordt gesteld dat inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit als energierelevant bestempeld. Er is sprake van een zogenaamde “grootverbruiker”. De (algemene) regels waaraan het bedrijf moet voldoen ten aanzien van energiebesparing zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit (na 1 januari 2024 in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) par. 3.4.1 (gebouwdeel) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) par. 5.4.1. (processen en faciliteiten)). Derhalve zijn er aan deze vergunning geen voorschriften verbonden met betrekking tot het doelmatig gebruiken van energie. Bij het voornoemde verbruik kunnen slechts maatwerkvoorschriften worden opgenomen, inhoudende het uitvoeren van een energiebesparingsonderzoek bij gebleken onvoldoende inspanning ten aanzien van het thema energie.
15.2.
Toetsing
Uit de aanvraag blijkt dat het jaarlijkse energieverbruik dat samenhangt met de activiteiten als energierelevant wordt aangemerkt. Er is op 19 december 2023 een informatieplicht melding voor de energiebesparende maatregelen ingediend bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RvO). De aanvrager heeft in deze melding aannemelijk gemaakt dat aan de kernbepaling van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit (na 1 januari 2024 aan artikel 5.15 lid 1 Bal en artikel 3.84 lid 1 Bbl, bestaande bouw) met betrekking tot het nemen van maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar wordt voldaan/gaat worden voldaan. Het team toezicht en handhaving zal toezien op de daadwerkelijke naleving van de energiebesparingsplicht.
16.
EXTERNE VEILIGHEID
16.1.
Opslag zwavelzuur
Een chemische luchtwasser vangt ammoniak uit de lucht van de stallen door de vrijkomende lucht te wassen met water waaraan zwavelzuur is toegevoegd. Tussen zwavelzuur en ammoniak vindt een chemische reactie plaats waarbij ammoniumsulfaat ontstaat. Hierdoor wordt de uit de lucht gewassen ammoniak vastgehouden in het waswater.
93 / 107
Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden die een oordeelkundig gebruik afdwingen en aldus waarborg bieden dat de chemische luchtwasser waarin het zwavelzuur zich bevindt, geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt. Bij het opstellen van deze voorschriften is aangesloten bij paragraaf 4.1.1 het Activiteitenbesluit en paragraaf 4.1.1 van de Activiteitenregeling. Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten.
16.2.
Opslag spuiwater chemische luchtwasser
Voordat aan het spuiwater een (nuttige) bestemming wordt gegeven wordt dit tijdelijk opgeslagen in twee spuiwatersilo’s met een inhoud van 50 m³/silo. Het ammoniumsulfaat in het spuiwater heeft een corrosieve werking. Daarnaast gaat het om een stof met een bijtend karakter. In verband met de externe veiligheid zijn daarom speciale eisen gesteld aan de opslag van spuiwater.
16.3.
Externe veiligheid
In voorgaande tekstpassage is ingegaan op de gevaarlijke stoffen die binnen de inrichting aanwezig zijn. De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag, kunnen een risico vormen voor de omgeving. Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen. Het aspect externe veiligheid is voor deze inrichting niet relevant en daarom zijn in dat kader in deze vergunning geen specifieke voorschriften opgenomen.
17.
GELUID
17.1.
Toetsingskader
De omgeving van het bedrijf en daaraan gerelateerd de te beschermen woonomgeving sluit het best aan bij de typering landelijke omgeving uit de 'Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening' (hierna: Handreiking). Dit betekent een richtwaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT).
94 / 107
De inrichting kan worden aangemerkt als een bestaande inrichting. Als grenswaarde voor bestaande inrichtingen geldt voor het LAr,LT in beginsel 50 dB(A) [hoofdstuk 4 van de Handreiking]. De inrichting ligt aan de Heetenseweg 9a in Heeten met verschillende agrarische bedrijven en woningen in de omgeving. Bestaande, reeds gemelde, activiteiten kunnen een reden zijn om een hogere geluidsbelasting te vergunnen. Uit jurisprudentie volgt, dat het daarbij gaat om de gemelde/vergunde activiteiten en niet om de gemelde/vergunde geluidsbelasting. De maximale geluidniveaus (LA,max) dienen getoetst te worden aan hoofdstuk 3.2 van de Handreiking. Als richtwaarde wordt hierin 50 dB(A) etmaalwaarde gesteld. De niveaus moeten in principe beperkt blijven tot 70 dB(A) etmaalwaarde. De indirecte hinder wordt getoetst aan de ‘Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting’ van 29 februari 1996. In eerste instantie wordt getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Een eventuele ontheffing is mogelijk tot de maximale grenswaarde van 65 dB(A). Bij de aanvraag is een akoestisch rapport gevoegd dat is opgesteld door Geurts Technisch Adviseurs. Het rapport met projectnummer 8.5640, versie 1, vrijgave 29‐08‐2023, maakt onderdeel uit van de aanvraag.
17.2.
Representatieve bedrijfssituatie (RBS).
De akoestisch relevante bedrijfsactiviteiten in het bedrijf zijn de ventilatoren van de stallen, transportbewegingen met vrachtwagens, het lossen van voer, het laden van varkens, de afvoer van mest, de afvoer van dunne en dikke fractie, de aan‐ en afvoer van diverse hulp‐ en afvalstoffen, de afvoer van kadavers en de loods met mestverwerkingsinstallatie. Naast bovengenoemd vrachtverkeer vinden tevens verkeersbewegingen met personenwagens plaats. De beschouwde situatie betreft nadrukkelijk een worst case-situatie waarin veel niet dagelijks voorkomende activiteiten op één en dezelfde dag samenvallen. De inrichting voert ook activiteiten uit die ‘incidenteel’ (maximaal 12 keer per jaar) plaats vinden. Maximaal twaalf keer per jaar wordt drijfmest afgevoerd uit één van de mestsilo’s met meerdere vrachten op één dag. Een uitgebreide beschrijving van de bedrijfssituaties is opgenomen in hoofdstuk 2 van het rapport van het akoestisch onderzoek.
17.3.
Beoordelingspunten
De beoordelingspunten zijn gesitueerd ter plaatse van de gevels van de dichtstbijzijnde woningen van derden. Zie hiervoor ook bijlage II van het akoestisch rapport. Het betreft hier woningen aan de Heetenseweg 9 en 9b in Heeten.
17.4.
Geluidsbelasting
Langtijd gemiddelde beoordelingsniveaus RBS: De geluidsbelasting voldoet in alle perioden aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. De geluidsbelasting wordt in de dagperiode met name bepaald door de transportbewegingen en laad‐ en losactiviteiten. In de avond‐ en nachtperiode zijn de ventilatoren en bewegingen met personenwagens relevant.
95 / 107
IBS: Uit de berekeningen blijkt dat tijdens de incidentele piekafvoer van dunne fractie afkomstig van de mestverwerkingsinstallatie een lichte overschrijding op de woning Heetenseweg 9b ontstaat in de dagperiode ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT van 42 dB(A). Hiermee wordt nog voldaan aan de grenswaarde voor bestaande inrichtingen voor het LAr,LT van 50 dB(A). Maximale geluidsniveaus: De geluidsbelasting voldoet op alle toetspunten aan de grenswaarde. Indirecte hinder Uit de berekening voor de maatgevende beoordelingspunten blijkt dat de indirecte hinder ten gevolge van wegverkeer van en naar de inrichting beneden de voorkeursgrenswaarde blijft.
17.5.
Overweging akoestische situatie en toepassen van het BBT-beginsel
Wanneer sprake is van een bestaande situatie, waarvoor een nieuwe vergunning mede strekt ter vervanging van de eerder verleende vergunning(en) en meldingen - zoals in deze situatie - kan de inrichting rechten ontlenen aan eerder verleende vergunning(en) en meldingen. Het is dan niet zonder meer mogelijk om strengere geluidsvoorschriften op te leggen. Het bevoegd gezag kan de rechten die een vergunninghouder ontleende aan eerder verleende vergunningen uitsluitend wijzigen voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt. Uit jurisprudentie blijkt dat voor de vaststelling van de ‘bestaande rechten’ - en de daarbij behorende geluidruimte - moet worden uitgegaan van de feitelijke bedrijfsvoering op basis van de eerder verleende vergunning(en) en meldingen. Daarbij moet het vanzelfsprekend gaan om activiteiten die redelijkerwijs (expliciet of impliciet) in de aanvraag om vergunning of melding van destijds zijn genoemd en niet om uitbreidingen die in een later stadium - zonder vergunning en of meldingen - hebben plaatsgevonden.
17.6.
Afweging
Na bestuurlijke afweging over het geluid, waarin de bescherming van de woonomgeving en de belangen van de inrichting zorgvuldig zijn gewogen, wordt de geluidsemissie die de inrichting naar de omgeving veroorzaakt op grond van de aanvraag toelaatbaar geacht en daarmee is de inrichting passend in haar omgeving.
17.7.
Voorschriften
Ter bescherming van de leefomgeving zijn de berekende geluidniveaus, indien deze de richtwaarde overschrijden, opgenomen in de voorschriften bij deze vergunning.
18.
ANDERE WETGEVING
18.1.
European pollutant release and transfer register (E-PRTR)
In het kader van het VN-verdrag van Aarhus is in februari 2006 de Europese Pollutant Release and Transfer Register (E-PRTR) verordening vastgesteld. De rechtstreeks werkende E-PRTR verordening verplicht bedrijven hun emissies naar water, lucht en bodem en de verwijderingsroutes voor afval te rapporteren aan de overheid. Bedrijven die onder de reikwijdte vallen moeten gedurende het jaar hun
96 / 107
emissies en afval registreren. Bij het overschrijden van de betreffende drempelwaarde rapporteren zij over hun emissies en/of afval in het daaropvolgende jaar. Bedrijven moeten zelf het initiatief nemen om te bepalen of de rapportageverplichting E-PRTR op hun bedrijf van toepassing is Het Integraal PRTR-verslag is aan de orde voor alle inrichtingen waarin één of meer activiteiten worden verricht, die worden genoemd in bijlage I bij de EG-verordening PRTR en waarvan de capaciteitsdrempel wordt overschreden. Voor de emissies naar lucht, water en bodem zijn de drempelwaarden voor meer dan 90 stoffen vastgelegd in de stoffenlijst in de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR. Bij afval gaat het om de afvoer van het terrein van de inrichting van meer dan 2 ton gevaarlijk afval en/of 2000 ton ongevaarlijk afval. Een PRTR-bedrijf dat verwacht op basis van de bekende emissie- en afvalgegevens te moeten rapporteren, raadpleegt de gegevens uit het aanwezige meet- en registratiesysteem om de daadwerkelijke waarden over het betreffende verslagjaar te kunnen bepalen. Door te beschikken over een meet- en registratiesysteem kunnen PRTR-bedrijven jaarlijks bepalen of ze een rapportageplicht hebben. Op basis van de EG-verordening PRTR moeten bedrijven die vallen onder de reikwijdte van deze verordening beschikken over een adequaat meet- en registratiesysteem.
Voor veehouderijen vallen de volgende installaties onder de reikwijdte van de EG-verordening PRTR: • meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, • meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens (van meer dan 30 kg) of • meer dan 750 plaatsen voor zeugen. Bij deze veehouderijen is met name van belang of de emissies boven de drempelwaarden voor ammoniak, fijn stof, methaan en/of lachgas uitkomen. De binnen de inrichting uitgevoerde activiteiten vallen onder de werkingssfeer van de EG-verordening PRTR. Uit tabel 2 in het hoofdstuk ‘Dierenverblijven en emissie’ blijkt dat de in de Uitvoeringsregeling EGverordening PRTR genoemde drempelwaarden niet wordt overschreden.
18.2.
Andere regels en wetten
Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalingen die in andere wetten en regels (zoals een besluit op basis van de Wet dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven.
19.
CONCLUSIE
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend. In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
97 / 107
BIJLAGE 4: DOCUMENTEN Bij het besluit met zaaknummer 0177ESUITE530132022 horen de onderstaande documenten. Deze documenten maken onderdeel uit van dit besluit. Nr. 1. 2. 3. 4.
Ontvangstdatum 9 juni 2022 13 november 2023 18 januari 2024 23 april 2024
5. 6. 7. 8.
23 april 2024 23 april 2024 23 april 2024 23 april 2024
9. 23 april 2024 10. 23 april 2024 11. 23 april 2024 12. 23 april 2024 13. 23 april 2024 14. 23 april 2024 15. 23 april 2024 16. 23 april 2024 17. 23 april 2024 18. 23 april 2024 19. 23 april 2024 20. 23 mei 2024 21. 23 april 2024 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28.
23 april 2024 23 april 2024 23 april 2024 23 april 2024 23 april 2024 23 april 2024 23 april 2024
29. 25 januari 2024
Omschrijving Aanvraagformulier Aangepast aanvraagformulier Situatie nieuw Blad 1 situatie en gevelaanzichten vleesvarkenstal Blad 2 plattegrond vleesvarkensstal Blad 3 doorsneden vleesvarkensstal Blad 4 puttenplan vleesvarkensstal Blad 5 balklagen, afzuigkanalen en opstelplaats luchtwassers vleesvarkensstal Blad 6 principe details vleesvarkensstal Plattegrond, gevelaanzichten en doorsnede loods Plattegrond, gevelaanzichten en doorsnede informatieruimte Situatie, gevelaanzichten, plattegrond en doorsneden voerkeuken Gevelaanzichten en doorsnede afzuigkanaal en luchtwasser Plattegrond afzuigkanaal en luchtwassers Plattegrond, aanzicht en doorsnede mestsilo Plattegrond en gevelaanzichen nutsvoorziening Plattegrond, aanzicht en doorsnede voersiloos Situatie, gevelaanzichten en doosnede biggenstal blad 1 Plattegrond, puttenplan en principedetails verlengen biggenstal blad 2 Weegbrug Situatie en brandcompartimentering bestaand Situatie en brandcomparimentering nieuw Branddetails Rex-dak-4-steenwol-productblad Steenwol-sandwichpaneel-BET Brandwerend 60 minuten dubbel 55 stomp Brandwerend 60 minuten enkel 40 stomp Beoordeling brandwerendheid bisoton massief Brandveiligheidsrapport
98 / 107
Document nr. 269684537813208 416545690812938 140135276889422 347598918360770 371933505082881 712045688725703 058605222095160 657939939945029 035793636697446 127800720160789 835183143886053 368339141681534 240045444261733 398232456125440 476724239150358 272740010047538 762216548380562 829162349913465 795657718900982 317957982882763 235131201336298 485055233387145 856241433109894 510948601804570 690102424956565 610699855593966 298669210688524 465486192859782 044191108349887
30. 25 januari 2024
Brandveiligheidoverzichtstekening
729465228808423
31. 32. 33. 34. 35. 36. 37. 38. 39. 40.
Te kappen bomen ROB Tijs Heeten – maart 2025 ROB1_Principebesluit B&W ROB2_Plattegrondtekening-blad1 ROB2_Plattegrondtekening-blad2 ROB3_bouwtekeningen ROB4_advies-Oversticht ROB5_inpassingsplan ROB6_GGD advies ROB7a-MMAAERIUS_projectberekening_20250211112 303_RxzoENu31CQp ROB7b-MMAAERIUS_extra_beoordeling_20250211112 303_RxzoENu31CQp ROB8_Verschil-MMAAERIUS_projectberekening_20250211 ROB8_Verschil-MMAAERIUS_extra_beoordeling_20250211 ROB8_Verschil-MMAAERIUS_randeffect_20250211 ROB9_Rapport-QS-FF ROB10_rapport-bodemonderzoek ROB11_situatieschets-waterberging ROB11_Situatieschets-NNN ROB12_resultaat-check-watertoets ROB13_rapport-akoestisch onderzoek ROB14-Notitie-Realisatiefase-Feb 2025 ROB15-Faunascan_Heetensewegaanvulling MER TIJS Heeten b.v.- maart2025 MER1_Notitie Reikwijdte en Detailniveau MER2-principebesluit B&W MER3-GGD Advies MER4-plattegrondtekening-blad1 MER4-plattegrondtekening-blad2 MER5-milieuvergunning-16-2-2015 MER6-plattegrondtekeningmilieuvergunning-2015 MER7-vergunning-WNB-28-11-2014 MER8a-ReferentieAERIUS_projectberekening_20250211112 233_RnNevZ114SRp_WNB2014-P MER8b-ReferentieAERIUS_extra_beoordeling_20250211112 233_RnNevZ114SRp_WNB2014-P
624565398706151 034056960054470
18 janauri 2024 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025
41. 12 maart 2025 42. 12 maart 2025 43. 12 maart 2025 44. 12 maart 2025 45. 46. 47. 48. 49. 50. 51. 52.
12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025
53. 54. 55. 56. 57. 58. 59. 60.
12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025
61. 12 maart 2025 62. 12 maart 2025 63. 12 maart 2025
99 / 107
740158965140869
824218721724370
64. 12 maart 2025 65. 66. 67. 68. 69.
12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025
70. 71. 72. 73. 74.
12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025 12 maart 2025
75. 12 maart 2025 76. 12 maart 2025 77. 12 maart 2025
78. 12 maart 2025
79. 12 maart 2025
80. 12 maart 2025
81. 12 maart 2025
82. 12 maart 2025 83. 12 maart 2025 84. 12 maart 2025 85. 12 maart 2025 86. 12 maart 2025
MER9-LBV-referentieAERIUS_depositievracht_2025020714034 8_qMMuCBjwqZMx_WNB2014 MER10-V-stack-Tijs-vergund 2015 MER11-lijst-omliggende-bedrijven MER12-Geomilieu-referentie MER13-advies-Oversticht MER14-landschappelijk inpassingsplan 2101-2025 MER15-situatieschets-waterberging MER16-rapport-QS-FF MER17-rapport-bodemonderzoek MER18-resultaat-check-watertoets MER19-dimensioneringsplannengecombineerde-LW MER20-dimensioneringsplannenchemische-LW MER21-leaflets MER22a-MMAAERIUS_projectberekening_20250211112 303_RxzoENu31CQp_2025Gewenstebedri jfsopzetMMA-P MER22b-MMAAERIUS_extra_beoordeling_20250211112 303_RxzoENu31CQp_2025Gewenstebedri jfsopzetMMA-P MER23a-Verschil-MMAAERIUS_projectberekening_20250211122 026_RX6bnhfzSvDg_2025Gewenstebedrijf sopzetMMA-P MER23b-Verschil-MMAAERIUS_randeffect_projectberekening_20 250211122026_RX6bnhfzSvDg_2025Gew enstebedrijfsopzetMMA-P MER23c-Verschil-MMAAERIUS_extra_beoordeling_20250211122 026_RX6bnhfzSvDg_2025Gewenstebedrijf sopzetMMA-P MER24-LBV-MMAAERIUS_depositievracht_2025020414221 3_qJhrbrHre3Nb_GewenstMMA-VK MER25-Vstack-MMA-VK gewenst feb 2025_20250203_170900 MER26-Geomilieu-MMA MER27-rapport-akoestisch onderzoek MER28a-AlternatiefAERIUS_projectberekening_20250211134 810_RUg3dSbweHjc
100 / 107
185710970981058
482426824648250
519305967732497
951350102712751
630141156844770
006488070234716 318595193811762
174087130614983