Advies Voorkeurslocatie Woningbouw Luttenberg incl. bijlagen
Tekst van het document
3.4.4
Overige amfibieën Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (NDFF, 2026) wordt voortplanting en overwintering van overige in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën zonder vrijstelling, zoals kamsalamander, in het plangebied uitgesloten. Het water in het plangebied wordt mogelijk wel gebruikt als voortplantingswater door soorten als kleine watersalamander, gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker. Daarnaast is geschikt overwinteringshabitat aanwezig in de sliblaag van sloten en in (oude) muizenholen. Bij de geplande ingrepen kunnen exemplaren en verblijfplaatsen van deze amfibieën geschaad worden. In
26
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel een vrijstelling van het verbodsartikel voor het beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- en rustplaatsen. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van dieren. Het nemen van mitigerende maatregelen is nodig om opzettelijk doden bij uitvoering van de werkzaamheden te voorkomen. Als dit niet mogelijk is, is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. De mitigerende maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 3.8. Daarnaast geldt de specifieke zorgplicht voor deze amfibieën (zie paragraaf 3.8).
3.5
Vlinders
3.5.1
Grote vos In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van grote vos bekend (NDFF, 2026). De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op circa 120 meter afstand ten westen van het plangebied. Grote vos is een soort van vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Als voortplantingsplek worden vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten gebruikt. De vlinders voeden zich met sap van bloedende bomen, rottend fruit en honingdauw. De soort overwintert als vlinder. Als winterschuilplaats worden koele en donkere plekken gebruikt zoals stapels hout, holle bomen of schuurtjes gebruikt. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte voortplantingsplaatsen aangetroffen. Echter is het plangebied enkel vanaf openbaar terrein beoordeeld waardoor op de erven in het plangebied mogelijk geschikte waardplanten en overwinteringsplekken van grote vos aanwezig zijn (zie figuur 3.9). Indien de erven verloren gaan, dan kunnen mogelijk waardplanten en overwinteringsplekken van grote vos verloren gaan. Wanneer bij uitvoering van de plannen de erven verloren gaan dan is voorafgaand aan de uitvoering aanvullend onderzoek nodig om te bepalen of en waar waardplanten en overwinteringsplekken van grote vos aanwezig zijn.
Indien grote vos wordt vastgesteld en schade is niet te voorkomen dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
27
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Figuur 3.9 Potentieel leefgebied (voortplanting en overwintering) van grote vos op de erven (blauw omlijnd) in het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
3.5.2
Teunisbloempijlstaart In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de teunisbloempijlstaart (NDFF, 2026). De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op circa 350 meter afstand ten westen van deelgebied Noord Oost. Waarnemingen van deze snel oprukkende nachtvlinder worden alleen incidenteel gedaan, omdat de meeste waarnemingen in Nederland afkomstig zijn van specialisten of toevalvondsten van de rupsen in tuinen. De soort gebruikt wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart als waardplant. Waardplanten kunnen verspreid door het plangebied groeien in wegbermen, perceelsgrenzen, langs watergangen en op en rond erven. Aangezien het veldbezoek in de winter is uitgevoerd vanaf de openbare weg zijn groeiplaatsen van waardplanten niet in beeld gebracht. Bij uitvoering van de plannen (het realiseren van een nieuwe woonwijk) kunnen mogelijk voortplantingsplaatsen van teunisbloempijlstaart verloren gaan. Voorafgaand aan het uitvoeren van de plannen dient eerst aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van waardplanten van de soort. Indien waardplanten aanwezig zijn en deze niet gespaard kunnen worden dan is aanvullend onderzoek naar de teunisbloempijlstaart nodig door te zoeken naar rupsen op waardplanten.
Indien teunisbloempijlstaart wordt vastgesteld en schade is niet te voorkomen dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
3.5.3
Overige vlinders Op basis van het veldbezoek, de ecologische vereisten van soorten en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026) worden voortplantings- en verblijfplaatsen van overige vlinders van de in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en overige nationaal beschermde vlinders (zoals aardbeivlinder, zilveren maan, kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde.
28
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
3.6
Reptielen
3.6.1
Ringslang In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen bekend van ringslang (NDFF, 2026). Waarnemingen beperken zich voornamelijk tot het Boetelerveld en de Sallandse Heuvelrug. Ook is er een oude waarneming van een doodgereden ringslang bekend in het bosgebied op 300 meter afstand ten zuiden van locatie oost B. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. De soort is voor zijn voortplanting afhankelijk van broeihopen. Overwintering vindt plaats op droge en vorstvrije plekken zoals onder schors/houthopen, in basaltdijken, spoordijken, puinhellingen, ruïnes, kelders, vermolmde boomstronken, rietscholven en stromijten. In het plangebied ontbreken geschikte voortplantingsplekken voor ringslang. Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens wordt ook overwintering van ringslang niet binnen het plangebied verwacht. Daarnaast is het plangebied (zeer beperkt) geschikt als foerageergebied voor ringslang. Negatieve effecten op (verblijfplaatsen van) ringslang worden zodoende uitgesloten. Vervolgstappen voor ringslang zijn niet aan de orde.
3.6.2
Hazelworm In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van hazelworm (NDFF, 2026). Waarnemingen beperken zich voornamelijk tot de Sallandse Heuvelrug en dan met name ten zuiden van de N35. Daarnaast zijn er enkele waarnemingen van de soort bekend bij landgoed het Reelaer. De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op ruim 2,5 kilometer afstand van het plangebied. De voorkeurshabitat van de hazelworm bestaat uit enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen en ruderale plaatsen. De meeste waarnemingen hebben betrekking op bos- en heideterreinen. De bodem is meestal matig vochtig tot droog. In zeer natte habitats worden slechts zelden hazelwormen waargenomen. De soort is weinig mobiel. Het is onwaarschijnlijk dat hazelwormen meer dan 500 - 1000 meter in een jaar af leggen. Dat maakt ze zeer gevoelig voor versnippering van het landschap door bijvoorbeeld wegen, kanalen en hazelwormonvriendelijk terrein zoals intensieve landbouw, dichte naaldbossen, dorpen en steden. De soort wordt in het plangebied niet verwacht gezien het ontbreken van geschikt biotoop. Het plangebied bestaat namelijk hoofdzakelijk uit agrarische percelen. Negatieve effecten op (verblijfplaatsen van) hazelwormen worden zodoende uitgesloten.
Vervolgstappen voor hazelworm zijn niet aan de orde.
3.6.3
Levendbarende hagedis In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van levendbarende hagedis (NDFF, 2026). Waarnemingen beperken zich voornamelijk tot de Sallandse Heuvelrug en het Boetelerveld. Daarnaast zijn er ook enkele waarnemingen van de soort bekend op de heideveldjes in het bosgebied in het zuiden van Luttenberg. De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op ruim 250 meter afstand van het plangebied. De voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis bestaat uit heide en hoogveen. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde
29
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. De soort wordt in het plangebied niet verwacht gezien het ontbreken van geschikt biotoop. Het plangebied bestaat namelijk hoofdzakelijk uit agrarische percelen. Negatieve effecten op (verblijfplaatsen van) levendbarende hagedis worden zodoende uitgesloten. Vervolgstappen voor levendbarende hagedis zijn niet aan de orde. 3.6.4
Overige reptielen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026) worden in het plangebied geen (vaste) verblijfplaatsen en/of voortplantingsplekken verwacht van overige beschermde reptielen, zoals zandhagedis en adder. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet is ook voor de overige beschermde reptielen niet aan de orde.
3.7
Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026), worden in het plangebied geen (vaste) verblijfplaatsen of essentieel leefgebied verwacht van vissen en overige ongewervelden waarvoor een omgevingsvergunningplicht geldt. Wel is (mogelijk) de specifieke zorgplicht van toepassing (zie paragraaf 3.8).
3.8
Specifieke zorgplicht Vanuit de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor soorten. De specifieke zorgplicht schrijft voor dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen en beperkt moeten worden. Dit betekent dat er bij de uitvoering van het plan voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om invulling aan deze specifieke zorgplicht te geven (zie ook bijlage 1, kader B1.2). Er zijn aanwijzingen dat er soorten - waarvoor de specifieke zorgplicht geldt - kunnen voorkomen in het plangebied. Het betreft soorten uit de soortgroepen zoogdieren, vogels, amfibieën, vaatplanten en ongewervelden. Toekomstige woningbouwontwikkeling kan nadelige gevolgen hebben voor (belangrijke leefgebieden van) die soorten groeiplaatsen, nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren. Met onderstaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de specifieke zorgplicht voor soortbescherming. Geadviseerd wordt om de maatregelen tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden vast te leggen in een logboek (zie voor een voorbeeld bijlage 2). Met behulp van het logboek kan in geval van handhaving worden aangetoond dat er zorgvuldig en conform de specifieke zorgplicht wordt gewerkt.
• Het uitvoeren van werkzaamheden wordt zoveel mogelijk buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd (broedseizoen loopt van ongeveer begin maart en half juli) of het werkgebied voor wordt het broedseizoen ongeschikt gemaakt voor vogels. • Het verwijderen van vegetatie gebeurt in een langzaam tempo waarbij een richting op gewerkt wordt om zo eventueel aanwezige soorten de kans te geven om te ontsnappen. De verwijderde vegetatie wordt direct verwerkt of afgevoerd om te voorkomen dat er dieren in gaan schuilen. • Voorafgaand aan het dempen van watergangen worden de watergangen geschoond en in het water levende dieren zoveel mogelijk weggevangen en buiten het werkgebied in watergangen weer uitgezet.
30
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
• Dempen van watergangen gebeurt langzaam en in één richting (de waterafvoerende zijde) om in het water levende dieren de kant te geven te ontsnappen. • Werkzaamheden worden overdag uitgevoerd en tussen zonsondergang en zonsopkomst wordt geen kunstmatige verlichting gebuikt om het werkgebied te belichten (voornamelijk bij potentiële vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen). • Materiaal en materieel wordt zoveel mogelijk op de huidige verharding geplaatst en niet in begroeide delen rondom het plangebied.
31
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsdrie drievoorkeurslocaties voorkeurslocatieswoningbouw woningbouwLuttenberg Luttenberg
4. Gebiedsbescherming 4.1
Natura 2000-gebieden
4.1.1
Algemeen Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn Vecht- en Beneden-Reggegebied, gelegen op circa 4,2 kilometer van het plangebied gelegen (zie figuur 4.1). Overige Natura 2000-gebieden (het Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug) liggen op ruim 5 kilometer afstand. Directe nadelige gevolgen, waaronder betreding en oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebieden van soorten, worden vanwege de afstand tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Indirecte (uitstralende) effecten door bijvoorbeeld licht of geluid eveneens uitgesloten, gezien de aard en omvang van het plan en de afstand tot habitattypen en leefgebieden van soorten. Alleen indirecte nadelige gevolgen door stikstofdepositie (verzuring en/of vermesting) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten, gezien de reikwijdte van stikstofdepositie.
Figuur 4.1 Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groen). Bron luchtfoto: PDOK.
32
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
4.1.2
Stikstofdepositie De activiteiten in het plangebied (zowel de aanlegfase als gebruiksfase) kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Een teveel aan stikstof kan leiden tot verzuring en vermesting van stikstof-gevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied(en). Een zogenoemde stikstof-berekening met het rekenmodel AERIUS Calculator is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of er vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet nodig zijn
4.1.3
Specifieke zorgplicht Natura 2000 Vanuit de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor Natura 2000 (zie ook bijlage 1, kader B1.3). De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten maar ook voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, maar die niet significant zijn (zoals verstorende of verslechterende gevolgen). Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden, waardoor er bij voorliggend plan geen vervolgstappen aan de orde zijn in het kader van de specifieke zorgplicht Natura 2000. Een eventuele uitzondering hierop geldt voor de mogelijke nadelige gevolgen door stikstofdepositie. Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of dit aan de orde is (zie paragraaf 4.1.2).
4.2
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen NNN-gebied ligt op circa 1,8 kilometer van het plangebied (zie figuur 4.2). Vanwege de tussenliggende afstand zijn directe effecten op het NNN, zoals oppervlakteverlies, op voorhand uitgesloten. Provincie Overijssel hanteert geen externe werking. Het is echter wel mogelijk dat ook ontwikkelingen buiten het NNN van invloed zijn op het functioneren van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Dit zijn indirecte invloeden zoals verstoring (door geluid en licht) en stikstofdepositie. In lijn met vaste jurisprudentie, is het voornemen getoetst in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen: goede ruimtelijke ordening) (zie ook bijlage 1, kader B1.5). Tussen het plangebied en het NNN liggen meerdere agrarische bedrijven, opgaande beplanting en een doorgaande weg. Vanwege deze tussenliggende infrastructuur en de aard en omvang van het voornemen worden negatieve gevolgen door verstoring op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN uitgesloten. Een toename van stikstofdepositie kan leiden tot een vermestend en verzurend effect. De effecten kunnen tot vele kilometers van de bron optreden. Tijdens de aanleg- en de gebruiksfase van het initiatief kan er daarom een toename van stikstofdepositie in het NNN optreden.
Nadelige gevolgen voor het NNN in de provincie Overijssel kunnen niet worden uitgesloten en moeten daarom verder worden onderzocht. Hierbij gaat het specifiek om de mogelijke gevolgen van een toename in stikstofdepositie op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
33
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Figuur 4.2 Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen). Bron luchtfoto: PDOK.
4.3
Overige beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van overige provinciale beschermde gebieden zoals weidevogelgebied of ganzenrustgebied. Op basis van deze ligging treden er geen strijdigheden op met deze beschermde gebieden.
34
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsdrie drievoorkeurslocaties voorkeurslocatieswoningbouw woningbouwLuttenberg Luttenberg
5. Houtopstanden 5.1
Bescherming van houtopstanden Een houtopstand buiten de bebouwingscontour houtkap is (in veel gevallen) beschermd door de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (zie ook bijlage 1 kader B1.4). Dit geldt niet voor houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat. Er gelden nog diverse andere uitzonderingen (zie kader 5.1). De houtopstanden in het plangebied liggen buiten de begrenzing van de bebouwingscontour houtkap van de gemeente Raalte (zie figuur 5.1). In voorliggende situatie geldt dat een groot deel van de bomen binnen het plangebied onderdeel zijn van een houtopstand van meer dan 10 are of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen en dat er geen sprake is van andere uitzonderingen. Het betreft de bomen langs de Lemelerweg en de bomen langs de oprit van Lemelerweg 44. Dit betekent dat er in het plangebied sprake is van door het Bal beschermde houtopstanden. Voor het vellen van deze bomen in het plangebied zijn vervolgstappen aan de orde. Deze worden hieronder besproken. NB: Behalve dat houtopstanden beschermd kunnen zijn door Rijksregels, kunnen ook gemeentelijke regels van toepassing zijn op het vellen van bomen. Toetsing aan gemeentelijke regels is geen onderdeel van dit rapport. Meer informatie hierover is beschikbaar via gemeente Raalte.
Kader 5.1 Houtopstanden waarvoor de regels uit het Bal niet van toepassing zijn Voor onderstaande houtopstanden zijn de beschermingsregels uit het Bal niet van toepassing: • Houtopstanden op erven en in tuinen; • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; • Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; • Kweekgoed; • Uit populieren of wilgen bestaande: - wegbeplantingen; - beplantingen langs waterwegen; en - eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; • Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa als zijn: - ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; - bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter; en - zijn aangelegd na 1 januari 2013;
35
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
• Houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Bron: artikel 11.111, tweede lid, onder a t/m j, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Figuur 5.1 De ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de bebouwingscontour houtkap (blauw gearceerd). Bron luchtfoto: PDOK.
5.2
Vervolgstappen
5.2.1
Meld- en herplantingsplicht Voor het vellen van (een deel van) de beschermde houtopstanden in het plangebied is in dit geval een meld- en herplantplicht van toepassing. Een melding van eventuele velling moet in de regel minimaal vier tot zes weken, maar niet eerder dan één jaar, voorafgaand aan de kapwerkzaamheden worden ingediend bij het bevoegd gezag (Provincie Overijssel). Indien beschermde houtopstanden geveld worden, moeten deze herplant worden. De specificaties voor melding en herplant staan benoemd in de provinciale verordening. Wanneer herplant op dezelfde locatie niet mogelijk is, moet bij bevoegd gezag toestemming gevraagd worden voor herplant op een andere locatie. Een dergelijke toestemming heet onder de Omgevingswet een ‘maatwerkvoorschrift’.
5.2.2
Specifieke zorgplicht houtopstanden Iedereen die een activiteit uitvoert waarbij een beschermde houtopstand wordt geveld en grond wordt herbeplant, moet nadelige gevolgen voor de natuurbescherming, het bosareaal en landschappelijke waarden zoveel mogelijk voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is moeten gevolgen worden beperkt of ongedaan gemaakt (zie Bijlage 1, kader B1.4).
36
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsdrie drievoorkeurslocaties voorkeurslocatieswoningbouw woningbouwLuttenberg Luttenberg
Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12 (2024a). Juridisch Kader behorende bij de Kennisdocumenten Soorten, versie 2.0 januari 2024. BIJ12, Utrecht. BIJ12 (2024b). Kennisdocument kleine marterachtigen Bunzing - Hermelijn – Wezel. Versie 1.1 juli 2024.
Internet BIJ12 (2026a). Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. (https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/) BIJ12 (2026b). Informatiekaart natuur (IKN) (https://atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub). Laatste raadpleging januari 2026. NDFF (2026). Nationale databank flora en fauna. Uitvoerportaal (https://ndff-ecogrid.nl). Laatste raadpleging januari 2026. Provincie Overijssel (2026). Bebouwingscontour houtkap. (https://overijssel.maps.arcgis.com/apps/instant/sidebar/index.html?appid=8018c5756173419bb3cfea2a431cb3a2). Laatste raadpleging januari 2026. RAVON (2026). Website met soortinformatie over de Nederlandse reptielen, amfibieën en vissen (http://www.ravon.nl). Laatste raadpleging januari 2026. Sovon (2026). Website met soortinformatie over de Nederlandse vogels (http://www.sovon.nl). Laatste raadpleging januari 2026. Vlinderstichting (2026). Website met soortinformatie over de Nederlandse vlinders (https://www.vlinderstichting.nl/). Laatste raadpleging januari 2026. Zoogdiervereniging (2026). Website met soortinformatie over de Nederlandse zoogdieren (http://www.zoogdiervereniging.nl). Laatste raadpleging januari 2026.
37
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Bijlagen
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Bijlage 1 Natuur in de Omgevingswet: Wettelijke kaders Kader B1.1: Algemene zorgplicht Algemene zorgplicht (Afd 1.3 Ow) De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht, uitgewerkt in de artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a van de Omgevingswet. Deze geeft aan dat eenieder (overheden, bedrijven en burgers) verantwoordelijk is voor een veilige en gezonde leefomgeving, door nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en ongedaan te maken. Het bevat ook een algemeen verbod op het verrichten van activiteiten die leiden tot aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In principe geldt de algemene zorgplicht altijd, tenzij er een specifieke zorgplicht is uitgewerkt voor bepaalde activiteiten.
Kader B1.2: Flora en fauna Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle in het wild levende dieren en planten, met inbegrip van de relevante directe leefomgeving van soorten (foerageergebied, rustplaatsen). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht (zie kader B1.1). Iedereen die een activiteit uitvoert met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten (‘flora- en fauna-activiteit’), moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27 lid 1 van het Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat onderzoek wordt verricht naar het voorkomen van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.
Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I VR en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de VR; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V van de HR; • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX van het Bal). De kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten is dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid, van het Bal wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. In art. 11.27, tweede lid, onder b, van het Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te hebben voldaan, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een quickscan of nader onderzoek wordt vastgelegd.
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Flora- en fauna-activiteit Bij het uitvoeren van activiteiten in de leefomgeving moet op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet beoordeeld worden of sprake is van: 1. een flora- en fauna-activiteit en 2. of voor de gevolgen van een flora- en fauna-activiteit een omgevingsvergunningplicht geldt. Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de handelingen genoemd waarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is ten aanzien van de daarin genoemde beschermde dieren en planten in het wild. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 van het Bal), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 11.46 van het Bal.
• Andere soorten (artikel 11.54 van het Bal), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een omgevingsvergunning vereist kan zijn (bijlage IX van de HR). – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt (artikel 11.56 van het Bal). Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt. Voorafgaand aan het vaststellen van een plan moet in het geval van schadelijke handelingen zijn beoordeeld of er zicht is op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Als aantoonbaar zicht is op het verkrijgen van een omgevingsvergunning kan het plan worden vastgesteld.
Kader B1.3: Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden (en bijzondere nationale natuurgebieden) (art. 11.6 van het Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6 lid 1 van het Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze mogelijke gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6 lid 2 onder d van het Bal), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6 lid 2 onder f van het Bal). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord.
De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten maar ook voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, maar die niet significant zijn (zoals verstorende of verslechterde gevolgen). Natura 2000-activiteit De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Bij een project moet beoordeeld worden of sprake is van een ‘Natura 2000-activiteit’. Dat is een ‘activiteit (het realiseren van een project) die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. Of sprake is van een Natura-2000-activiteit wordt onderzocht in een voortoets. Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1 lid 1 van de Ow). De term ‘Natura 2000-activiteit’ geldt alleen voor projecten. Voor plannen is er een ander afwegingskader dat, hoewel vergelijkbaar met een Natura 2000-activiteit, elders in het stelsel Omgevingswet is verankerd. Een plan mag volgens art. 10.24 Bkl worden
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
vastgesteld als uit een passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de Omgevingswet de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als er uit de voortoets naar voren komt dat de activiteit geen ‘Natura 2000-activiteit’ is, of als er sprake is van een vergunningsvrij geval, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied’. Hoewel voor deze type activiteit geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing.
Kader B1.4: Houtopstanden Specifieke zorgplicht houtopstanden In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor houtopstanden (art. 11.116 van het Bal). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht (zie kader B1.1). Iedereen die een activiteit uitvoert waarbij een beschermde houtopstand wordt geveld en grond wordt herbeplant, moet nadelige gevolgen voor de natuurbescherming, het bosareaal en landschappelijke waarden zoveel mogelijk voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is moeten gevolgen worden beperkt of ongedaan gemaakt (art. 11.116 van het Bal). Houtopstanden Afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij het Bal beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen, én die zich bevindt buiten de bebouwingscontour houtkap. De bebouwingscontour houtkap (art. 11.111 lid 2 van het Bal) is (door de gemeente) vastgelegd in een omgevingsplan (art. 5.165b van het Bkl).
In bepaalde gevallen is er - ondanks dat aan genoemde voorwaarden voldaan wordt - alsnog geen sprake van een beschermde houtopstand, bijvoorbeeld wanneer deze zich bevindt op een erf of in een tuin (art. 11.111 lid 2 van het Bal). Voor het vellen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt een meldplicht (art. 11.126 van het Bal) en herplantplicht (art. 11.129 van het Bal). Het voornemen tot velling moet tijdig gemeld worden bij bevoegd gezag; waarbij de termijn bepaald wordt door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt (art. 11.113 van het Bal), soms is dat het Rijk (art. 11.114 onder a van het Bal). Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant (art. 11.129 van het Bal). Provinciale staten kunnen in de omgevingsverordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.
Kader B1.5: Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en uitgewerkt in provinciale omgevingsverordeningen. In het Bkl staat dat bij omgevingsverordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen, waarbij tevens de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden worden vastgesteld. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van omgevingsplannen en projectbesluiten. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen of nabij het NNN, waarbij een omgevingsplan gewijzigd moet worden dan wel een projectbesluit wordt verleend, geldt een ‘ja, mits’-afweging. Dit houdt kortweg in dat aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN alleen toegestaan is als deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in de omgevingsverordening en verankerd in de omgevingsplannen.
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Bijlage 2 Ecologisch logboek Projectomschrijving:
__________________________________________
Initiatiefnemer:
__________________________________________
Ecologisch toezichthouder:
__________________________________________
Handeling
Datum
Locatie
Paraaf ecologisch toezichthouder
Eventuele bijzonderheden/ opmerkingen
Veiligheidsregio IJsselland Postbus 1453 8001 BL Zwolle
Datum: Kenmerk: Doorkiesnummer: Onderwerp:
Gemeente Raalte info@raalte.nl In afschrift aan: francisca.holtman@raalte.nl
6 mei 2026, ZWOLLE V26.000694 088-1197450 Externe veiligheidsadvies voorkeurslocatie Noordoost woningbouw Luttenberg
Geacht college, Op 23 april 2026 heeft u mij tijdens de bespreking voorstel definitieve voorkeurslocatie woningbouw Luttenberg om advies gevraagd over de twee voorkeurslocaties. Hierbij ontvangt u mijn reactie op de locatie Noordoost. Deze is gebaseerd op: • artikel 5.2 Besluit kwaliteit leefomgeving; • de Beleidsagenda Veiligheidsregio IJsselland 2023 – 2026; • artikel 10 Wet veiligheidsregio’s (Wvr). Advies plangebied Noordoost Gezien de externe veiligheid aspecten hebben de plangebieden Oost en Noordoost ook onze voorkeur ten opzichte van de andere voorgestelde plangebieden. Ik adviseer u wel om: • binnen het brandaandachtsgebied geen kwetsbare en zeer kwetsbare objecten te projecteren; • het deel dat binnen het brandaandachtsgebied te bestemmen als groen; • als er wel (kwetsbare) gebouwen (woningen) binnen het brandaandachtsgebied worden geprojecteerd dan te overwegen of de kwetsbare gebouwen of een deel van het plangebied moet worden aangewezen als voorschriftengebied. Alleen dan kunnen er bouwkundige maatregelen verplicht worden gesteld via het omgevingsplan. Bij de afweging er rekening mee te houden dat er geen branden zijn te verwachten alleen afbladderend verf en ernstige verkleuringen.
Ik ben van mening dat de kosten van brandwerende maatregelen niet opwegen tegen de kans op brand; • als er zeer kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied worden geprojecteerd dan moeten deze worden aangewezen als voorschriftengebied; • duidelijke vluchtroutes en (nood)uitgangen te realiseren die van de hogedruk aardgasbuisleiding af zijn gekeerd, zodat mensen het gebied gemakkelijk kunnen verlaten naar een veilige plek; • voorlichting te geven aan bewoners over de risico's in hun omgeving en wat zij bij een incident zelf kunnen doen. Als u meer wilt weten over risicocommunicatie kunt u
• •
contact opnemen met de afdeling Communicatie via communicatie@vrijsselland.nl. Zij helpen u hier graag bij; bij de inrichting van het plangebied, de bouw van woningen samen met de provincie, het waterschap en de Veiligheidsregio te boordelen hoe de kans op wateroverlast kan worden beperkt dan wel voorkomen; bij de verdere inrichting van het plangebied (bereikbaarheid, bluswatervoorziening) en het ontwerp van de woningen contact op te nemen met M. Vloedgraven (tel: 0627839378) of R. Burink (tel: 06 – 21 99 69 90 van de Veiligheidsregio IJsselland.
Planomschrijving Naar aanleiding van het onderzoek naar de voorkeurlocatie voor woningbouw in Luttenberg is de locatie Noordoost ligt aan de Lemelerweg verder uitgewerkt. Deze locatie sluit aan op de vrij recente uitbreiding van Luttenberg aan de noordoostkant van het dorp (Borgwijk). Risicobronnen Volgens de gepresenteerde gegevens ligt het plangebied Noordoost op 513 meter van de hogedruk aardgas buisleidingen A-529 en A-523 en daarmee nog voor een gedeelte binnen het brandaandachtsgebied (540 m.) en het effectgebied (brand) van deze hogedruk aardgasbuisleidingen. Binnen een brandaandachtsgebied en het effectgebied (brand) zijn de aanwezigen binnen in een gebouw en buiten nog niet veilig. Scenario’s Het meest waarschijnlijke scenario is dat er tijdens graafwerkzaamheden een breuk ontstaat in een hogedruk gasleiding. Hierdoor stroomt het gas met hoge druk uit de leiding. Als het gas in brand vliegt, ontstaat er een grote steekvlam (fakkel). Deze fakkel blijft branden totdat de druk in de leiding is afgenomen. Bij de grootste leidingen kan de fakkel wel honderden meters hoog worden. Zo’n fakkelbrand is erg gevaarlijk en kan ook andere branden in de omgeving veroorzaken. Ik ga in mijn advies uit van de stabiele fase van het scenario fakkelbrand bij een hogedruk aardgasbuisleiding.
Effectgebied Als veiligheidsregio toetsen we ontwikkelingen niet alleen aan het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden, maar beoordelen we aan de hand van de mogelijke scenario’s ook de effecten van een incident. Zie: Hoge druk aardgasleiding – Fakkelbrand Scenarioboeken. Op circa 513 meter van het plangebied zijn twee hogedruk aardgasbuisleidingen (A-523, A529) gelegen. Gedeeltelijk liggen de effectgebieden van deze leidingen liggen over het plangebied. Het plangebied ligt daarmee in de derde ring. Binnen de derde ring is lichte schade, afbladderen verf en ernstige verkleuringen te verwachten maar geen branden. Buisleiding
Diameter
(mm)
A-523
1220
A-529
1220
Druk
1% Grens vanaf de Ring letaliteitsgrens buisleiding Gegevens Gegevens Atlas waarbinnen scenarioboek EV Veiligheid warmtebelasting in de (bar) stabiele fase hoger is (m) dan 10 kW/m2 is (m) Gegevens scenarioboek EV. (m) 66.2 540 420 Derde ring van 420 t/m 640 m 66.2 540 420 Derde ring van 420 t/m 640 m.
Voor dit advies heb ik mij beperkt tot de zaken die relevant zijn voor de (externe) veiligheid. Dit advies heb ik afgestemd met de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) en de Politie Oost Nederland, district IJsselland. Ik ontvang graag een reactie op dit advies en adviseer u en/of initiatiefnemer graag in de verdere procedure(s). Een afschrift van deze brief stuur ik naar de mevrouw Francisca Holtman planoloog van uw gemeente. Afsluiting Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor vragen en opmerkingen kunt u contact opnemen met de heer G.B.J. Oosterik, bereikbaar op 088 – 119 7 450 of via e-mail op risicobeheersing@vrijsselland.nl. Ook uw volgende adviesaanvragen kunt u sturen naar risicobeheersing@vrijsselland.nl. Hoogachtend, Namens het dagelijks bestuur, drs. A.D.J. Mengerink, directeur Veiligheidsregio/commandant brandweer Voor deze,
R.W. Blaauw, teamleider Risicobeheersing
Veiligheidsregio IJsselland Postbus 1453 8001 BL Zwolle
Datum: Kenmerk: Doorkiesnummer: Onderwerp:
Gemeente Raalte info@raalte.nl In afschrift aan: francisca.holtman@raalte.nl
6 mei 2026, ZWOLLE V26.000695 088-119 7450 Externe veiligheidsadvies voorkeurslocatie Oost woningbouw Luttenberg
Geacht college, Op 23 april 2026 heeft u mij tijdens de bespreking voorstel definitieve voorkeurslocatie woningbouw Luttenberg om advies gevraagd over de twee voorkeurslocaties. Hierbij ontvangt u mijn reactie op locatie Oost. Deze is gebaseerd op: • artikel 5.2 Besluit kwaliteit leefomgeving; • de Beleidsagenda Veiligheidsregio IJsselland 2023 – 2026; • artikel 10 Wet veiligheidsregio’s (Wvr). Advies plangebied Oost Het plangebied Oost ligt op 684 meter en daarmee buiten de brandaandachtsgebieden en de effectgebieden van hogedruk aardgasbuisleidingen (A-529, A-523). Ik zie dan ook geen reden voor verder advies m.b.t. externe veiligheid. Gezien de externe veiligheid aspecten hebben de plangebieden Oost en Noordoost ook onze voorkeur ten opzichte van de andere voorgestelde plangebieden. Daarnaast adviseer ik wel om: • Bij de inrichting van het plangebied, de bouw van woningen samen met de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio te boordelen hoe de kans op wateroverlast kan worden beperkt dan wel voorkomen. • Bij de verdere inrichting van het plangebied (bereikbaarheid, bluswatervoorziening) en het ontwerp van de woningen contact op te nemen met M. Vloedgraven (tel: 0627839378) of R. Burink (tel:06 – 21 99 69 90) van de Veiligheidsregio IJsselland.
Planomschrijving Naar aanleiding van het onderzoek naar de voorkeurlocatie voor woningbouw in Luttenberg is de locatie Oost gelegen aan de Burtzelaarstraat/Vondervoortsweg verder uitgewerkt. Voor dit advies heb ik mij beperkt tot de zaken die relevant zijn voor de (externe) veiligheid. Dit advies heb ik afgestemd met de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) en de Politie Oost Nederland, district IJsselland.
Ik ontvang graag een reactie op dit advies en adviseer u en/of initiatiefnemer graag in de verdere procedure(s). Een afschrift van deze brief stuur ik naar de mevrouw Francisca Holtman planoloog van uw gemeente. Afsluiting Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor vragen en opmerkingen kunt u contact opnemen met de heer G.B.J. Oosterik, bereikbaar op 088 – 119 7 450 of via e-mail op risicobeheersing@vrijsselland.nl. Ook uw volgende adviesaanvragen kunt u sturen naar risicobeheersing@vrijsselland.nl. Hoogachtend, Namens het dagelijks bestuur, drs. A.D.J. Mengerink, directeur veiligheidsregio/commandant brandweer Voor deze,
R.W. Blaauw, teamleider Risicobeheersing
Haalbaarheidsbeoordeling woningbouwontwikkeling Luttenberg Oost Geuronderzoek 28 mei 2026
Kenmerk
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
Verantwoording Titel
Haalbaarheidsbeoordeling woningbouwontwikkeling Luttenberg Oost
Opdrachtgever
Gemeente Raalte
Projectleider
Paul Lammers
Auteur(s)
Sander Meems
2e lezer/Kwaliteitsborger
Bram Leemeijer-Belderbos
Kenmerk
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
Aantal pagina’s
16 (exclusief bijlagen)
Datum
28 mei 2026
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/16
Kenmerk
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
Inhoud 1
2
3
4
5
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding .......................................................................................................................... 4
1.2
Doel en afbakening ............................................................................................................ 5
Situatieschets ............................................................................................................................ 5 2.1
Omgevingswet ................................................................................................................... 5
2.2
Omgevingsplan .................................................................................................................. 5
2.3
Vergunning veehouderijen ................................................................................................. 5
2.4
Foliebassin ......................................................................................................................... 6
2.5
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat................................................................................... 7
Aanpak onderzoek..................................................................................................................... 8 3.1
Uitgangspunten .................................................................................................................. 9
3.2
Verspreidingsberekeningen ............................................................................................... 9
3.3
Toetspunten ..................................................................................................................... 10
Resultaten ............................................................................................................................... 12 4.1
Geurbelasting van de individuele bedrijven ..................................................................... 12
4.2
Geurbelasting van de gezamenlijke bedrijven ................................................................. 12
4.3
Analyse effect Booijink ..................................................................................................... 14
Samenvatting en conclusie...................................................................................................... 15 5.1
Aanleiding en doel ............................................................................................................ 15
5.2
Methode ........................................................................................................................... 15
5.3
Resultaten ........................................................................................................................ 15
5.4
Conclusie ......................................................................................................................... 16
Bijlage 1
Invoergegevens V-STACKS Vergunning .................................................................. 17
Bijlage 2
Invoergegevens berekening achtergrondbelasting STACKS-G ................................ 19
3/16
Kenmerk
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De gemeente Raalte heeft TAUW gevraagd milieuonderzoeken uit te voeren voor het haalbaarheidsonderzoek naar woningbouw aan de oostzijde van Luttenberg. De gemeente Raalte is voornemens om 80 woningen te realiseren ten oosten van de kern Luttenberg. Om de meest geschikte locatie te bepalen is een preadvies opgesteld. Hieruit zijn drie locaties naar voren gekomen die de meeste potentie hebben. Eén van deze locaties bevindt zich in Luttenberg Noordoost en twee locaties bevinden zich in Luttenberg Oost (Oost A en Oost B). Op een van deze locaties dienen circa 80 woningen gerealiseerd te worden. Vanuit verschillende milieuthema’s is mogelijk sprake van belemmeringen. Voor de drie potentiële locaties wordt een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd voor een aantal milieuaspecten. Het voorliggende rapport richt zich op geur.
Figuur 1.1 De drie onderzochte locaties in Luttenberg: Noordoost (rood), Oost A (geel) en Oost B (blauw)
In de nabijheid van de drie onderzochte locaties bevinden zich agrarische bedrijven welke geur verspreiden. Het betreft bedrijven welke landbouwhuisdieren houden. Daarnaast is in Luttenberg de veevoerfabrikant Booijink gevestigd, die geur uitstoot ten gevolge van het bedrijfsproces. Ook is aan de Vondervoortsweg, ten zuidoosten van Oost B, een foliebassin gelegen waarin drijfmest wordt opgeslagen. Hiervoor gelden afstandsnormen tot geurgevoelige objecten.
4/16
Kenmerk
1.2
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
Doel en afbakening
Het doel van dit onderzoek is om de geurbelasting van veehouderijen met landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor in beeld te brengen en te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de locaties Noordoost, Oost A en Oost B. Zowel de geurbelasting van de afzonderlijke agrarische bedrijven alsook de geurbelasting als gevolg van de bedrijven tezamen wordt ter hoogte van de kandidaatlocaties in beeld gebracht. Daarnaast is het effect van Booijink beschouwd op basis van het meest recente geuronderzoek. Ook wordt onderzocht of de aanwezigheid van het foliebassin met drijfmest belemmeringen met zich meebrengt.
2 Situatieschets 2.1
Omgevingswet
Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. In de Omgevingswet wordt zoveel mogelijk, dus ook geur, decentraal geregeld. De gemeente regelt in het omgevingsplan de wijze waarop lokaal met geur wordt omgegaan. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn (algemene) regels en instructieregels opgenomen over de wijze waarop de effecten van geur door milieubelastende activiteiten moeten worden beoordeeld. De gemeente moet voor een aantal activiteiten geurregels opnemen in het omgevingsplan. Dit geldt onder andere voor het houden van landbouwhuisdieren. Tevens is opgenomen dat regels ook gelden voor geurgevoelige gebouwen welke nog niet aanwezig zijn maar op basis van het omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mogen worden gebouwd. Beoordeling aan de hand van de geurregels vindt plaats als er een uitbreiding plaatsvindt van een veehouderij. Ter ondersteuning van de beoordeling van geur stelt de gemeente een bebouwingscontour geur vast.
2.2
Omgevingsplan
De gemeente Raalte heeft in haar omgevingsplan1 onder paragraaf 22.3.6 regels voor geur opgenomen, waaronder geur als gevolg van het houden van landbouwhuisdieren (subparagraaf 22.3.6.2). Een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet is zorgdragen voor een goede balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De gemeente bepaalt wanneer er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, wat de lokaal mogelijkheid biedt tot maatwerk.
2.3
Vergunning veehouderijen
Voor het in bedrijf hebben van een (intensieve) veehouderij is een vergunning nodig. Voor het verlenen van de vergunning wordt de geurbelasting in de omgeving getoetst. De geuruitstoot wordt bepaald op basis van het aantal dierplaatsen vermenigvuldigd met een emissiefactor.
1
Omgevingsplan gemeente Raalte d.d. 6 juni 2025
5/16
Kenmerk
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
De geurbelasting wordt berekend door middel van een verspreidingsberekening met het wettelijk voorgeschreven model V-STACKS. De vergunning wordt verleend als bedrijven voldoen aan de waarde voor geur zoals opgenomen in artikel 22.98 lid 1 van het omgevingsplan. Deze zijn overgenomen in onderstaande tabel. Tabel 2.1 Waarde voor toelaatbare geur in OuE/m³ als 98-percentiel op een geurgevoelig object door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor (artikel 22.98 van het omgevingsplan) Geurbelasting (OuE/m³) als 98-percentiel
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
3
14
Niet-concentratiegebied
2
8
De term concentratiegebied is afkomstig uit de Meststoffenwet en geeft een landelijke indeling van regio’s waar veel intensieve veehouderij plaatsvindt2. Regio’s waar beperkt intensieve veehouderij plaatsvindt worden als niet-concentratiegebied aangemerkt. De gemeente Raalte ligt in concentratiegebied Oost. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor wordt een afstandsnorm tot een geurgevoelig object aangehouden. De afstandsnormen volgen uit artikel 22.101 van het omgevingsplan en zijn overgenomen in onderstaande tabel. Tabel 2.2 Afstandsnorm tot geurgevoelig object voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor (artikel 22.101 van het omgevingsplan) Geurgevoelig object
Afstand (m)
Gelegen binnen de bebouwde kom
100
Gelegen buiten de bebouwde kom
50
2.4
Foliebassin
Ten zuiden van de Vondervoortsweg is een foliebassin gelegen waarin drijfmest wordt opgeslagen. Voor het opslaan van drijfmest zijn in artikel 22.117 van het omgevingsplan afstandsnormen vastgelegd ten opzichte van geurgevoelige objecten. Deze normen zijn ook overgenomen in onderstaande tabel. Tabel 2.3 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest (artikel 22.117 van het omgevingsplan) Oppervlakte
Minder dan 350 m
2
350 m2 tot en met 750 m2
2
Zonder functionele binding met
Met functionele binding met
dierenverblijf in directe
dierenverblijf in directe
omgeving
omgeving
50 m
25 m
100 m
50 m
Meststoffenwet, Bijlage I
6/16
Kenmerk
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
In dit geval is sprake van een bassin met een oppervlakte kleiner dan 350 m2 zonder functionele binding met een dierenverblijf in de directe omgeving. Het bassin heeft namelijk geen functionele binding met het nabijgelegen landbouwbedrijf aan de Looweg 4, maar is aangevraagd door de eigenaar van het verder weg gelegen Ter Borgweg 8. Er geldt dan ook een afstandsnorm van 50 m ten opzichte van geurgevoelige objecten. Uit metingen gebaseerd op luchtfoto’s (zie onderstaande figuur) volgt dat de locatie Oost B op een afstand van 187 m van het foliebassin gelegen is. Dit is ver boven de afstandsnorm van 50 m.
Figuur 2.1 Afstandsmeting van foliebassin tot locatie Oost B (bron: Street Smart). De afstand bedraagt 187 m, ver boven de afstandsnorm van 50 m
2.5
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
In 2001 is er onderzoek gedaan naar de relatie tussen geurbelasting en hinder als gevolg van veehouderijen3. Uit dit onderzoek blijkt dat de hindergevoeligheid van bewoners afhankelijk is van of men woont in een zogenaamd concentratiegebied en cumulatie. Concentratiegebied Luttenberg ligt in een concentratiegebied, een gebied met relatief veel veehouderijen. In een niet-concentratiegebied bleken de bewoners bij dezelfde geurbelasting meer geurhinder te ervaren dan bewoners in een concentratiegebied. En in een concentratiegebied waren de niet-agrariërs hindergevoeliger dan de agrariërs4. Cumulatie Bij cumulatie wordt er gekeken naar meerdere vergelijkbare bronnen in de omgeving. Uit het onderzoek van 2001 bleek dat de ervaren hinder als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting van meer bedrijven samen een andere relatie heeft dan de ervaren geurhinder als gevolg van 1 afzonderlijk bedrijf. 3 4
Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij, PRA Odournet, maart 2001 De agrariërs waren de agrariërs die niet bij een intensief veehouderijbedrijf woonden
7/16
Kenmerk
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
Dit heeft geleid tot het onderscheid tussen de zogenaamde voorgrond- en achtergrondbelasting geur van veehouderijen. De voorgrondbelasting is de geurbelasting veroorzaakt door de veehouderij die voor het betreffende geurgevoelige gebouw dominant is. Dat is de veehouderij welke de meeste geur bij het geurgevoelige gebouw veroorzaakt omdat het een grote veehouderij is of omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige gebouw ligt. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting (cumulatie) van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelige gebouw. Dus de geurbelasting door de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig gebouw. In de omgeving van de locaties Noordoost, Oost A en Oost B bevinden zich meerdere veehouderijen. Er is dus sprake van een achtergrondbelasting. Voor de beoordeling van het verblijfsklimaat binnen de locaties wordt gebruik gemaakt van onderstaande tabel5 met milieukwaliteitscategorieën en bijhorende geurhinderpercentages en geurconcentraties. Tabel 2.4 Leefklimaat versus percentage geurgehinderden bij geurbelasting in een concentratiegebied Milieukwaliteit
Gehinderden
Voorgrondbelasting (OuE/m³)
Achtergrondbelasting (OuE/m³)
0–5%
0 – 1,5
0–3
Goed
5 – 10 %
1,5 – 3,7
3–8
Redelijk goed
10 – 15 %
3,7 – 6,5
8 – 13
Matig
15 – 20 %
6,5 – 10
13 – 20
Tamelijk slecht
20 – 25 %
10 – 14
20 – 28
Slecht
25 – 30 %
14 – 19
28 – 38
Zeer slecht
30 – 35 %
19 – 25
38 – 50
Extreem slecht
35 – 40 %
25 – 32
50 – 65
Zeer goed
3 Aanpak onderzoek In de nabijheid van de locaties Noordoost, Oost A en Oost B zijn een viertal veehouderijen gevestigd welke landbouwhuisdieren houden met een geuremissiefactor. Deze zijn in bedrijf op basis van een vergunning waarbij nog niet getoetst is ter hoogte van de voorgenoemde locaties. Het gaat om de volgende bedrijven:
Butzelaarstraat 65 Ter Borgweg 14 Looweg 4
Lemelerweg 35
5
Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’
8/16
Kenmerk
R003-1305144SMM-V02-mwh-NL
Daarnaast zijn twee veehouderijen naar voren gekomen waar landbouwhuisdieren worden gehouden zonder emissiefactor: Mastenbroeksweg 1 Vondervoortsweg 5a Beide bedrijven voldoen echter zeer ruim aan de afstandsnorm zoals vastgesteld in het omgevingsplan van de gemeente Raalte (zie tabel 2.2) ten opzichte van de locaties Noordoost, Oost A en Oost B. Deze zijn dan ook niet verder beschouwd. Om het leefklimaat in het plangebied inzichtelijk te maken worden berekeningen uitgevoerd. Enerzijds om de geurbelasting van de vergunde situatie van de verschillende veehouderijen ter hoogte van de onderzochte locaties te bepalen. Anderzijds om het gecumuleerde effect, ofwel achtergrondbelasting, ter hoogte van de locaties te bepalen. Naast het effect van de veehouderijen wordt ook de geurbelasting ten gevolge van Booijink beschouwd op basis van eerder onderzoek. Hiervoor worden geen verspreidingsberekeningen uitgevoerd.
3.1
Uitgangspunten
Er wordt gebruik gemaakt van de gegevens waarop de vigerende vergunning van de bedrijven is gebaseerd. De locatie en hoogte van de emissiepunten worden gecontroleerd op basis van publiek beschikbare informatie6. Er wordt gebruik gemaakt van de geuremissiefactoren per dierplaats uit bijlagen V en VI uit de Omgevingsregeling. De gehanteerde uitgangspunten zijn opgenomen in bijlage 1. Voor het beschouwen van Booijink wordt gebruik gemaakt van het meest recente geuronderzoek7. Deze is uitgevoerd ten behoeve van de vergunningaanvraag in 2022 voor een verhoogde schoorsteen.
3.2
Verspreidingsberekeningen
Voor berekeningen van geurbelasting van agrarische bedrijven is het model V-STACKS ontwikkeld. Het model ‘V-STACKS Vergunning’ is ontwikkeld om de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen van individuele bedrijven te berekenen en verplicht om te gebruiken in het kader van vergunningverlening8. Het model ‘V-STACKS Gebied’ is ontwikkeld om de achtergrondbelasting te bepalen in een gebied. Dit kan dienen als hulpmiddel voor de vormgeving van omgevingsvisie en omgevingsplan. Beide modellen hebben echter beperkingen in het visueel maken van het leefklimaat in een plangebied. V-STACKS Vergunning en V-STACKS Gebied zijn vereenvoudigde afgeleiden van het rekenmodel STACKS. STACKS9 (en daarmee V-STACKS) is een model dat rekent volgens de beschrijving van het Nieuw Nationaal Model (NNM) en de aanvullende afspraken.