Advies Voorkeurslocatie Woningbouw Luttenberg incl. bijlagen
Tekst van het document
• •
• •
• •
•
•
• •
•
•
•
•
•
•
•
• •
•
•
• • •
•
•
•
•
TERUGKOPPELING Inloopbijeenkomst mogelijke woonlocaties in Luttenberg 10 december 2025
SAMENVATTING
Luttenberg gaat groeien. Er zijn plannen om nieuwe woningen te bouwen in het dorp. Op basis van de eerder gemaakte groeibeelden zijn er twee locaties aangewezen waar woningbouw het meest kansrijk is: aan de oost- en noordoostzijde van het dorp. Op 10 december 2025 gaven ongeveer 250 Luttenbergers hun input mee over de twee woonlocaties die in beeld zijn. Daarnaast hebben we via de website ook nog bijna 200 reacties gekregen. In dit verslag lees je een samenvatting van wat er is gezegd.
DIT HEB JE ONS MEEGEGEVEN
Algemeen Woningbouw is noodzakelijk voor behoud van school, verenigingen en voorzieningen in Luttenberg Er moeten betaalbare woningen komen Bouw voor alle doelgroepen: van starters tot senioren Veel vraag naar woningen voor jongeren Mix van woningtypen is belangrijk: rug-aan-rug, rijtjes, 2-onder-1-kap, levensloopbestendig Zorg dat er ook plek is voor CPO
Geef Luttenbergers voorrang Hou de regie bij de gemeente om woningen betaalbaar te houden Behoud het dorpskarakter door het gebied groen en natuurlijk in te richten Zorg voor snelheid bij de bouw van nieuwe woningen Elskampweg en inbreidingslocaties werden ook genoemd als mogelijkheid
Zorgen over toename verkeersdrukte, verkeersveiligheid en sluiproutes
LOCATIE OOST Kansen en ideeën Sluit aan op de dorpskern. Dat zorgt voor behoud van een compact dorp Er is ruimte voor veel woningen vanwege de grootte van het perceel Dichtbij voorzieningen, dus aantrekkelijk voor ouderen Hogere ligging: minder risico op wateroverlast Regie bij gemeente: daarmee mogelijkheid om voor betaalbaarheid, CPO en variatie in woningen te zorgen Creëer seniorenwoningen zodat grotere woningen vrijkomen. Ideeën voor een parkachtige opzet met wadi's en wandelpaden Bouw gefaseerd om vraag en aanbod te spreiden Extra ideeën: zorgboerderij/kinderboerderij, speelplekken, koppeling met Spoolder-locatie, veilige fietsverbindingen
Zorgen en aandachtspunten Hindercirkel voederbedrijf: geur-, geluid- en verkeershinder, eventuele klachten Verkeersveiligheid en schoolgaande kinderen Water stroomt van de berg af, risico op wateroverlast Impact op privacy omwonenden de Havekamp (uitzicht en ontsluiting achtertuinen) Verlies van glooiend landschap en dorpsaanzicht Impact op aanwezige dieren en planten in het gebied
LOCATIE NOORDOOST Kansen en ideeën Logische uitbreiding van de aangrenzende Borgwijk Ideeën voor een ruime opzet en groenvoorzieningen in de wijk Relatief goed te ontsluiten voor verkeer Gebied geeft kansen voor een woonprogramma met een mix van woningen Met dit woongebied kan Luttenberg de komende jaren vooruit
Zorgen en aandachtspunten Zorgen om de betrokkenheid van een projectontwikkelaar Lage ligging van het gebied: kans op wateroverlast, hogere kosten voor ophoging Verkeersveiligheid en schoolgaande kinderen Hindercirkel van omliggende (agrarische) bedrijven Zorgen om impact op landschap en verlies van open entree van Luttenberg Impact op aanwezige planten en dieren in het gebied
adviesrapport Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurwet- en regelgeving
Gemeente Raalte
Definitief
(085) 4871265 info@ecogroen.nl www.ecogroen.nl
Colofon Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurwet- en regelgeving
25-707
9 februari 2026
Definitief
R. Wormmeester & S.J.A. van de Kamp
S.J.A. van de Kamp
R. Olthof
Gemeente Raalte
©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, met uitzondering van de persoonsgegevens van betrokken medewerkers en mits onder vermelding van bron en status. Wormmeester, R. & van de Kamp, S.J.A. (2026). Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg. Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurwet- en regelgeving. Rapport 25-707. Ecogroen bv
Inhoud Samenvatting
5
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 1.3 Leeswijzer
8 8 8 10
2.
Wettelijk kader en methode 2.1 Omgevingswet 2.2 Onderzoeksmethode 2.2.1 Bureaustudie 2.2.2 Quickscan veldbezoek 2.2.3 Toets Flora- en fauna-activiteit 2.2.4 Toets Natura 2000-activiteit 2.2.5 Toets Natuurnetwerk Nederland 2.2.6 Toets overige beschermde gebieden 2.2.7 Toets houtopstanden
11 11 11 11 11 12 12 12 12 12
3.
Soortbescherming 3.1 Flora 3.2 Zoogdieren 3.2.1 Vleermuizen 3.2.2 Eekhoorn 3.2.3 Steenmarter 3.2.4 Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) 3.2.5 Egel 3.2.6 Grote bosmuis 3.2.7 Das 3.2.8 Waterspitsmuis 3.2.9 Otter 3.2.10 Boommarter 3.2.11 Overige zoogdieren 3.3 Vogels 3.3.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten 3.3.2 Vogels zonder jaarrond beschermde nesten 3.4 Amfibieën 3.4.1 Poelkikker 3.4.2 Heikikker 3.4.3 Rugstreeppad 3.4.4 Overige amfibieën 3.5 Vlinders 3.5.1 Grote vos 3.5.2 Teunisbloempijlstaart 3.5.3 Overige vlinders 3.6 Reptielen
13 13 13 13 15 16 17 18 18 19 20 21 21 21 22 22 25 26 26 26 26 26 27 27 28 28 29
3.6.1 Ringslang 3.6.2 Hazelworm 3.6.3 Levendbarende hagedis 3.6.4 Overige reptielen Overige soortgroepen Specifieke zorgplicht
29 29 29 30 30 30
4.
Gebiedsbescherming 4.1 Natura 2000-gebieden 4.1.1 Algemeen 4.1.2 Stikstofdepositie 4.1.3 Specifieke zorgplicht Natura 2000 4.2 Natuurnetwerk Nederland 4.3 Overige beschermde gebieden
32 32 32 33 33 33 34
5.
Houtopstanden 5.1 Bescherming van houtopstanden 5.2 Vervolgstappen 5.2.1 Meld- en herplantingsplicht 5.2.2 Specifieke zorgplicht houtopstanden
35 35 36 36 36
Geraadpleegde bronnen
37
3.7 3.8
Bijlagen Bijlage 1 - Natuur in de Omgevingswet: Wettelijke kaders Bijlage 2 - Ecologisch logboek
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsdrie drievoorkeurslocaties voorkeurslocatieswoningbouw woningbouwLuttenberg Luttenberg
Samenvatting Aanleiding en doelstelling Gemeente Raalte heeft het voornemen om woningen te bouwen in Luttenberg. Het college van de gemeente Raalte heeft voorkeursrecht gevestigd op een tweetal gebieden: Noordoost en Oost (onderverdeeld in een noordelijk en een zuidelijk deelgebied). Om tot een definitieve voorkeurslocatie te komen wil de gemeente nader onderzoek laten uitvoeren naar o.a. flora en fauna. De resultaten gebruikt de gemeente om tot een beoordeling van de haalbaarheid van de locaties te kunnen komen. Het gaat nu nog niet over een ontwerpopgave of benodigde onderzoeken voor het wijzigen van het Omgevingsplan. Het betreft een verkennend onderzoek dat juridisch houdbaar is, als toets voor de (financiële) haalbaarheid. In deze quickscan natuurtoets zijn de effecten van het voornemen getoetst aan de beschermingskaders van de Omgevingswet ten aanzien van soorten, Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), overige beschermde gebieden en houtopstanden.
Soortbescherming • In het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Verblijfplaatsen zijn mogelijk aanwezig in bebouwing, boomholtes en een vleermuiskast. Daarnaast zijn bomenrijen langs de randen van het plangebied geschikt als essentiële vliegroutes van vleermuizen. Er is geen sprake van aantasting van onmisbaar foerageergebied van vleermuizen. • In het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen van eekhoorn, steenmarter, das, egel, kleine marterachtigen en grote bosmuis aanwezig. Daarnaast is het plangebied geschikt als foerageergebied voor deze soorten. • In het plangebied zijn mogelijk nestplaatsen van steenuil, kerkuil, huismus, huiszwaluw, gierzwaluw, boerenzwaluw, buizerd, sperwer, torenvalk, boomvalk en ransuil aanwezig. Deze nestplaatsen zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn mogelijk nestplaatsen van vogelsoorten van categorie 5 aanwezig. Deze nestplaatsen zijn jaarrond beschermd als er onvoldoende alternatieve nestplaatsen in de omgeving zijn. Tevens zijn nesten van enkele algemeen voorkomende broedvogels te verwachten zoals roodborst, merel, tjiftjaf, vink, houtduif en Turkse tortel. • In het plangebied is mogelijk leefgebied aanwezig van grote vos en teunisbloempijlstaart.
• De werkzaamheden leiden niet tot verlies of verstoring van groei-, nest- en/of verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van overige soorten uitgezonderd soorten waarvoor een vrijstelling van vergunningplicht geldt in de provincie Overijssel. Mits voorkomen wordt dat exemplaren opzettelijk worden gedood, geldt dat er voor deze soorten geen vervolgstappen aan de orde zijn. Wel is altijd de specifieke zorgplicht van toepassing.
05
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Gebiedsbescherming • Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op ruim 4 kilometer van het plangebied. Vanwege deze afstand en (lokale) aard van het voornemen zijn nadelige gevolgen – met uitzondering van stikstofdepositie – op voorhand uitgesloten. • Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op ruim 1,8 kilometer van het plangebied. Vanwege de afstand, tussenliggende infrastructuur, de aard en omvang van het voornemen kunnen negatieve effecten – met uitzondering van stikstofdepositie – op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden uitgesloten. • Het plangebied ligt buiten de begrenzing van overige provinciale beschermde gebieden zoals weidevogelgebied of ganzenrustgebied.
Houtopstanden Een houtopstand buiten de bebouwingscontour houtkap is (in veel gevallen) beschermd door de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De houtopstanden in het plangebied liggen buiten de begrenzing van de bebouwingscontour houtkap van de gemeente Raalte. Het betreft de bomen langs de Lemelerweg en de bomen langs de oprit van Lemelerweg 44. Dit betekent dat er in het plangebied sprake is van door het Bal beschermde houtopstanden.
Advies en vervolgstappen • Indien bij de voorgenomen plannen potentiële voortplantingsplaatsen, leefgebieden en nest- of verblijfplaatsen van bovengenoemde soorten worden beschadigd, verstoord of verloren gaan, dan is aanvullend onderzoek nodig om te bepalen of de soorten aanwezig zijn en wat de functie van het plangebied is voor betreffende soorten. Indien deze worden vastgesteld en schade aan deze groeiplaatsen, voortplantingsplaatsen, nest- of verblijfplaatsen of leefgebieden niet is te voorkomen, dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig voor het uitvoeren van voorgenomen plannen. Specifiek voor de kleine marterachtigen en egel kan in de provincie Overijssel direct een vergunning worden aangevraagd en is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen moeten altijd worden voorkomen. Hierom dient de uitvoering van de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor de meeste soorten kan de periode tussen begin maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ecologisch deskundige uit te laten voeren.
Bij het aantreffen van in gebruik zijnde nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de wettelijke kaders kunnen worden uitgevoerd. • De specifieke zorgplicht ten aanzien van soorten is altijd van toepassing. Daarnaast geldt voor het opzettelijk doden van dieren geen vrijstelling van vergunningplicht in Overijssel. In paragraaf 3.8 zijn voorzorgsmaatregelen genoemd om nadelige gevolgen voor soorten te voorkomen. Indien volgens deze voorzorgsmaatregelen wordt gewerkt én dit wordt vastgelegd in een logboek (of ecologisch werkprotocol) kan worden aangetoond dat er zorgvuldig en conform de specifieke zorgplicht wordt gewerkt. • Een zogenoemde stikstofberekening met het rekenmodel AERIUS Calculator is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of er vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet nodig zijn voor Natura 2000- en NNN-gebieden.
06
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
• Voor het vellen van (een deel van) de beschermde houtopstanden in het plangebied is een melden herplantplicht van toepassing. • Op basis van voorliggende onderzoek zijn er momenteel geen onderscheidende argumenten die een voorkeur uitspreken voor woningbouw binnen een van de drie deelgebieden. Op basis van de vastgestelde ecologische waarden tijdens het quickscan natuuronderzoek zijn alle drie de deelgebieden even kansrijk voor woningbouw. Doordat de erven voor onderzoek niet betreden zijn en onderzoek vanaf de openbare weg is uitgevoerd kon de aanwezigheid van diverse soorten niet worden uitgesloten of vastgesteld. Om hierin een betere afweging te kunnen maken is aanvullend onderzoek naar beschermde soorten voor alle deelgebieden nodig (zie tabel hieronder). Tabel 1.1 Samenvattende tabel vervolgstappen t.o.v. soortbescherming. Vervolgstappen Aanvullend bezoek aan erven voor biotoopbeoordeling alle soorten Aanvullend onderzoek vleermuizen Aanvullend onderzoek grote bosmuis Aanvullend onderzoek dassen Aanvullend onderzoek steenuil en kerkuil Aanvullend onderzoek huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en boerenzwaluw Aanvullend onderzoek Buizerd, sperwer, torenvalk, boomvalk, havik en ransuil Vogels categorie 5 Aanvullend onderzoek grote vos Aanvullend onderzoek teunisbloempijlstaart
Noord Oost Ja
Oost A Ja
Oost B Ja
Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd ja
Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd ja
Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd Ja
ja
ja
Ja
Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd
Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd
Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd
ja
ja
Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd
ja Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd
ja Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd
Ja Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd Indien biotoop aanwezig is en dit wordt beschadigd
07
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsdrie drievoorkeurslocaties voorkeurslocatieswoningbouw woningbouwLuttenberg Luttenberg
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en doelstelling Gemeente Raalte heeft het voornemen om woningen te bouwen in Luttenberg. Het college van de gemeente Raalte heeft voorkeursrecht gevestigd op een tweetal gebieden: Noordoost en Oost (onderverdeeld in een noordelijk en een zuidelijk deelgebied). Om tot een definitieve voorkeurslocatie te komen wil de gemeente nader onderzoek laten uitvoeren naar o.a. flora en fauna. De resultaten gebruikt de gemeente om tot een beoordeling van de haalbaarheid van de locaties te kunnen komen. Het gaat nu nog niet over een ontwerpopgave of benodigde onderzoeken voor het wijzigen van het Omgevingsplan. Het betreft een verkennend onderzoek dat juridisch houdbaar is, als toets voor de (financiële) haalbaarheid. Omdat uitvoering van deze woningbouw negatieve gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden, dient er een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd te worden. In deze quickscan natuurtoets zijn de effecten van het voornemen getoetst aan de beschermingskaders van de Omgevingswet ten aanzien van soorten, Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, overige beschermde gebieden en houtopstanden.
1.2
Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden (locatie Noord Oost, locatie Oost A en Locatie Oost B) die allen zijn gelegen in Luttenberg (zie figuur 1.1 en 1.2). Locatie Noord Oost is gelegen ten noorden van de Lemelerweg. Dit deelgebied bestaat uit grasland, maisakkers, enkele sloten en een (boeren)erf met bebouwing aan de Lemelerweg 35. Locatie Oost A is gelegen ten zuiden van de Lemelerweg en bestaat uit grasland, een deel van een agrarisch perceel (akker), enkele sloten/greppels, bomen en een erf met bebouwing aan de Lemelerweg 44. Locatie Oost B is gelegen ten zuiden van locatie Oost A en ten noorden van de Vondervoortsweg. Dit deelgebied bestaat uit grasland, een deel van een agrarisch perceel (akker) en enkele greppels en bebouwing behorende bij de Vondervoortsweg 1. De omgeving van de deelgebieden bestaat aan de westzijde uit stedelijk gebied en bij de overige zijden uit agrarisch landschap en een bosje. Het college van de gemeente heeft voorkeursrecht gevestigd op deze locaties. Na het uitvoeren van nader onderzoek zal één van de drie locaties worden gekozen om woningbouw op te verrichten. De inrichting en planning is nog niet bekend omdat het plan zich nog in de verkennende fase bevindt.
De quickscan natuurtoets wordt door de initiatiefnemer gebruikt ter onderbouwing in het verkennende onderzoek voor het kiezen van de definitieve locatie voor woningbouw. Om de woningbouw mogelijk te maken dient het omgevingsplan te worden gewijzigd.
08
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Figuur 1.1 Het plangebied met de drie deelgebieden in Luttenberg (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
Figuur 1.2 Impressie van het plangebied met boven locatie noord oost, linksonder locatie oost A en rechtsonder locatie oost B.
09
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
1.3
Leeswijzer Het juridische kader waarbinnen de quickscan natuurtoets is uitgevoerd en de gebruikte methodiek zijn beschreven in hoofdstuk 2. Vervolgens wordt beschreven of beschermde soorten (hoofdstuk 3), Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en overige beschermde gebieden (hoofdstuk 4) en/of beschermde houtopstanden (hoofdstuk 5) voorkomen of te verwachten zijn binnen de invloedssfeer van het initiatief en of er mogelijk schadelijke handelingen worden verricht. Hierbij is aangegeven welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn om schadelijke handelingen te voorkomen, of een vergunningplicht van toepassing is en of vervolgonderzoek nodig is om kennisleemten op te vullen. Tot slot is een overzicht opgenomen van gebruikte bronnen.
10
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsdrie drievoorkeurslocaties voorkeurslocatieswoningbouw woningbouwLuttenberg Luttenberg
2. Wettelijk kader en methode 2.1
Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Een groot deel van de regels over de fysieke leefomgeving is hiermee gebundeld in één wet. De Omgevingswet bestaat, naast de Omgevingswet zelf, uit vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en één ministeriële regeling. De Omgevingswet regelt onder meer de bescherming van flora en fauna, Natura 2000-gebieden, houtopstanden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In dit rapport wordt ingegaan op de onderdelen flora en fauna, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, overige beschermde gebieden en houtopstanden. Bijlage 1 bevat een samenvatting van de wetteksten.
2.2
Onderzoeksmethode
2.2.1
Bureaustudie Om een beeld te krijgen van aanwezige natuurwaarden in en in de omgeving van het plangebied is gestart met een bureaustudie. Hierbij zijn onder andere bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Bij het raadplegen van de NDFF is een zoekgebied van ruim vijf kilometer rondom het plangebied aangehouden en is gezocht naar waarnemingen in de afgelopen tien jaar. Daarnaast zijn de Informatiekaart Natuur (IKN) en provinciale kaartviewers geraadpleegd om een beeld te krijgen van de ligging van nationaal en provinciaal beschermde gebieden in en rondom het plangebied.
2.2.2
Quickscan veldbezoek De verzamelde informatie uit de bureaustudie vormt de basis voor een veldbezoek dat op 17 december 2025 (bewolkt, droog, weinig wind, 8oC) is uitgevoerd door twee ecologen van Ecogroen. Het veldbezoek is enkel uitgevoerd vanaf openbaar terrein waarbij aanwezige landschapselementen en bebouwing van een afstand zijn beoordeeld. Tijdens het veldbezoek zijn het plangebied en directe omgeving (zone circa 75 meter rondom het plangebied) onderzocht, waarbij aandacht is besteed aan (biotoop van) beschermde soorten. Naast een beoordeling van de aanwezige biotopen is onder andere gelet op aanwijzingen voor (mogelijke) nesten van jaarrond beschermde vogels en verblijfplaatsen van vleermuizen.
11
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
2.2.3
Toets Flora- en fauna-activiteit Aan de hand van de uitgevoerde bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of er beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn binnen de invloedsfeer van het plangebied. Vervolgens is bepaald of er schadelijke handelingen kunnen optreden door uitvoering van het plan op beschermde soorten en/of hun leefgebied. Tot slot is beoordeeld of er vervolgstappen nodig zijn, zoals het vastleggen van mitigerende maatregelen in het plan of vervolgonderzoek.
2.2.4
Toets Natura 2000-activiteit Aan de hand van de uitgevoerde bureaustudie is beoordeeld of het plan kan leiden tot (significant) nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Er is gestart met het bepalen van de (mogelijke) negatieve effecten die kunnen optreden als gevolg van het plan. Vervolgens is beoordeeld of negatieve gevolgen te verwachten zijn voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, en zo ja, of deze significant (kunnen) zijn. Als er mogelijk sprake is van significant nadelige gevolgen is er advies gegeven over te nemen vervolgstappen.
2.2.5
Toets Natuurnetwerk Nederland Aan de hand van de uitgevoerde bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of er door het plan effecten kunnen optreden op de wezenlijk kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland. Indien dit het geval is, is er een advies opgenomen over de te nemen vervolgstappen.
2.2.6
Toets overige beschermde gebieden Aan de hand van de uitgevoerde bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of het plangebied (mogelijk) strijdigheid oplevert met één van de andere provinciale beschermingskaders, zoals weidevogelgebied of ganzenrustgebied. Indien dit het geval is, is er een advies opgenomen over de te nemen vervolgstappen.
2.2.7
Toets houtopstanden Om te bepalen of binnen het plangebied de Rijksregels voor het vellen van een houtopstand van toepassing zijn, is onderzocht of het plangebied buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’ ligt en/ of is nagegaan of er uitzonderingsregels van toepassing zijn. Indien de Rijksregels van toepassing zijn, worden de eventueel vereiste benodigde vervolgstappen beschreven.
12
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsdrie drievoorkeurslocaties voorkeurslocatieswoningbouw woningbouwLuttenberg Luttenberg
3. Soortbescherming 3.1
Flora In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende plantensoorten aangetroffen zoals riet, rode klaver en paardenbloem. Tijdens het veldbezoek zijn geen plantensoorten aangetroffen waarvoor een vergunningplicht geldt. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026) worden deze soorten ook niet verwacht. Het plangebied bestaat namelijk uit agrarische percelen, bemeste graslanden en tuinen/erven. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van beschermde flora is in het kader van de Omgevingswet niet aan de orde. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing (zie paragraaf 3.8).
3.2
Zoogdieren
3.2.1
Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van foeragerende en langsvliegende exemplaren gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF, 2026). Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bijvoorbeeld bomen, bebouwing en kelders. Dit kunnen onder andere kraamverblijven, zomerverblijven, baltslocaties, paarverblijven en winterverblijven zijn. Het verstoren, beschadigen, vernietigen of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Vleermuizen gebruiken vaak jarenlang dezelfde structuren om zich te oriënteren tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Als alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘essentieel’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water, zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen.
Foerageergebied van vleermuizen heeft binnen de Omgevingswet echter geen juridische bescherming, tenzij het essentieel is voor het voortbestaan van een populatie.
13
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Verblijfplaatsen Tijdens het veldbezoek konden enkel de bomen langs de Lemelerweg, Looweg en Vondervoortsweg geïnspecteerd worden. Er zijn in de bomen langs deze wegen geen potentiële verblijfplaatsen in de vorm van holtes, spleten of loszittend schors aangetroffen. Wel is één vleermuiskast aangetroffen aan een boom langs de Lemelerweg. Deze vleermuiskast kan mogelijk gebruikt worden als verblijfplaats door vleermuizen. Omdat het veldbezoek vanaf openbare wegen en paden is uitgevoerd waren niet alle bomen en gebouwen te inspecteren. Mogelijk zijn er meer bomen met geschikte holtes aanwezig in het plangebied. Daarnaast zijn er in het plangebied diverse woningen, schuren en bijgebouwen aanwezig die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn onder dakpannen, in spouwmuren en in andere gaten en kieren in bijvoorbeeld betimmering. In figuur 3.1 is op kaart weergegeven waar vooralsnog potentiële vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Indien bebouwing wordt gesloopt en/of bomen op en rond erven worden gekapt dan is aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk om te bepalen waar potentiële verblijfplaatsen exact aanwezig zijn en welke functies deze potentiële verblijfplaatsen hebben voor vleermuizen.
Aanvullend onderzoek bestaat in eerste instantie uit het nader inspecteren van bebouwing en bomen op aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen (en voor welke soorten). Op moment dat potentiële vleermuisverblijfplaatsen worden vastgesteld, dient middels nachtelijk vleermuisonderzoek onderzocht te worden of vleermuisverblijfplaatsen daadwerkelijk aanwezig zijn. Indien verblijfplaatsen worden vastgesteld en schade aan deze verblijfplaatsen en/of schade aan of verstoring van vleermuizen niet is te voorkomen, dan is er een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig voor het uitvoeren van de plannen.
Figuur 3.1 Potentiële verblijfplaatsen vleermuizen op erven (blauw omlijnd), potentiële vliegroutes (gele lijnen) en vleermuiskast (groene stip) binnen de invloedsfeer van het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
14
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Vliegroutes De houtwallen en bomenlanen in en langs de randen van het plangebied worden mogelijk gebruikt als essentiële vliegroutes door vleermuizen als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger (zie ook kader 3.1 en figuur 3.1). Aantasting van deze vliegroutes is te verwachten door het kappen van bomen in de houtwallen en bomenlanen waardoor onoverbrugbare gaten in de potentiële vliegroutes ontstaan. Ook is aantasting van vliegroutes te verwachten door het gebruik van verlichting tijdens de werkzaamheden en bij het plaatsen van verlichting langs de bomenlanen en houtwallen ten behoeve van de nieuwe woonwijk. Indien aantasting van de potentiële vliegroutes niet is te voorkomen dan is aanvullend onderzoek noodzakelijk naar de functie van de potentiële vliegroutes voor vleermuizen. Indien essentiële vliegroutes worden vastgesteld en schade aan deze vliegroutes en niet is te voorkomen, dan is er een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig voor het uitvoeren van de plannen. Foerageergebieden Door de aanwezigheid van beplanting, agrarische gronden en water wordt het plangebied mogelijk als foerageergebied gebruikt door diverse vleermuissoorten.
De voorgenomen ingrepen hebben naar verwachting geen invloed op belangrijke foerageergebieden, omdat slechts beperkt foerageergebied verloren gaat en tijdens en na de werkzaamheden ruim voldoende foerageergebied aanwezig blijft in de nabije omgeving in de vorm van bosranden en bomenrijen, tuinen en agrarische percelen. Bovendien is de verwachting dat de nieuwe woonwijk weer geschikt is als foerageergebied. In het kader van de specifieke zorgplicht is het wel nodig om verstoring van foeragerende vleermuizen zoveel als mogelijk te beperken door het nemen van mitigerende maatregelen. Deze zijn opgenomen in paragraaf 3.8. Een vergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen is niet aan de orde. 3.2.2
Eekhoorn In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van eekhoorn (NDFF, 2026). Waarnemingen bevinden zich verspreid in en rond Luttenberg. De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op circa 120 meter afstand ten oosten van deelgebied Noord Oost. Eekhoorns bouwen nesten in bomen die vooral in de winter, wanneer er geen blad aan de bomen zit, goed waarneembaar zijn. Nesten worden op minstens 5 meter boven de grond gebouwd. Van binnen zijn de nesten bekleed met zacht materiaal zoals bast, gras, mos of wol. Soms gebruiken ze ook boomholten, oude kraaienof eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. Tijdens het veldbezoek zijn zeven nesten van eekhoorn waargenomen in de bomenlaan langs de Lemelerweg. Mogelijk zijn er ook nesten aanwezig in bomen op de erven in het plangebied (zie figuur 3.2). Dit kon vanaf de openbare weg niet beoordeeld worden. Indien er bomen worden gekapt in de bomenlaan langs de Lemelerweg en schade aan verblijfplaatsen van eekhoorn hierbij niet is te voorkomen dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Indien groen op en rond de erven verloren gaat, dan is een aanvullende inspectie noodzakelijk om te bepalen of eekhoornnesten aanwezig zijn.
Wanneer eekhoornnesten worden vastgesteld en schade aan verblijfplaatsen niet voorkomen kan worden, is een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit noodzakelijk.
15
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Figuur 3.2 Eekhoornnesten (groene stippen) en potentiële verblijfplaatsen eekhoorn op erven (blauw omlijnd) binnen de invloedsfeer van het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
3.2.3
Steenmarter In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van steenmarter (NDFF, 2026). De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op 200 meter afstand in de bebouwde kom van Luttenberg. Waarnemingen beperken zich voornamelijk tot te bebouwde kom maar er zijn ook waarnemingen bekend in het buitengebied ten oosten van het plangebied. Steenmarter is een cultuurvolger. Verblijfplaatsen zijn te vinden in en bij woningen, met voorkeur voor voorraadkelders, hooizolders, schuren, kerken en warmdroge rustplaatsen, maar ook in boomholtes, takkenhopen en dichte struwelen. Steenmarters beschikken over een netwerk van rustplaatsen, tot wel enkele tientallen, die ze afwisselend, tijdelijk of langdurig, kunnen benutten. Over het algemeen opereren ze voor een overgroot deel van het jaar vanuit enkele vaste rustplaatsen. Foerageergebied bestaat onder andere uit groenstroken, schuren, erven, heggen, bosjes, greppels en bermen (Zoogdiervereniging, 2026). De erven en bebouwing in het plangebied zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor steenmarter (zie figuur 3.3). Daarnaast is het plangebied geschikt als foerageergebied voor steenmarter. Van essentieel foerageergebied is geen sprake omdat er in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn in de vorm van tuinen, erven, bosjes, groenstroken en bermen.
Indien de erven ten behoeve van de woningbouw verdwijnen dan is aanvullend onderzoek naar steenmarter noodzakelijk om te bepalen of er verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig zijn. Wanneer steenmarter bij aanvullend onderzoek wordt vastgesteld en schade aan verblijfplaatsen niet voorkomen kan worden, is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
16
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Figuur 3.3 Potentieel leefgebied steenmarter op de erven (blauw omlijnd) in het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
3.2.4
Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de kleine marterachtigen bunzing en wezel (NDFF, 2026). De dichtstbijzijnde waarneming betreft een waarneming van wezel en bevindt zich op circa 200 meter afstand ten noorden van deelgebied Noord Oost. De kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) komen voor in kleinschalige landschappen met voldoende dekking, schuilplaatsen en prooiaanbod. Geschikte voortplantings- en rustplaatsen van kleine marterachtigen zijn binnen het plangebied mogelijk aanwezig op erven. Verblijfplaatsen kunnen hier bijvoorbeeld aanwezig zijn in dichte vegetatie, takkenhopen, schuurtjes en rommelhoekjes. Ook zijn potentiële verblijfplaatsen aanwezig onder hagen langs de westrand van deelgebieden Oost A en Oost B. Daarnaast kunnen verblijfplaatsen van wezel aanwezig zijn in oude muizenholen in enigszins ruig begroeide greppels in deelgebied Noord Oost (zie figuur 3.4). Tevens is het plangebied geschikt als foerageergebied voor kleine marterachtigen. Van essentieel foerageergebied is geen sprake omdat er in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn in de vorm van tuinen, erven, bosjes, groenstroken en bermen. Bij het verwijderen van bovengenoemde elementen gaat mogelijk leefgebied van kleine marterachtigen verloren.
Voor kleine marterachtigen geldt geen onderzoeksplicht meer. Onderzoek naar kleine marterachtigen is niet nodig, mits het uitgangspunt bij verdere planvorming is dat kleine marterachtigen aanwezig zijn en dat voor deze soorten een vergunning flora- en fauna-activiteit wordt aangevraagd (BIJ12, 2024b). Wanneer bij uitvoering van de plannen mogelijke verblijfplaatsen van kleine marterachtigen worden geschaad is voorafgaand aan de uitvoering een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
17
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Figuur 3.4 Potentiële verblijfplaatsen kleine marterachtigen en egel onder hagen en bosschages (gele lijnen) en op erven (blauw omlijnd), en potentiële verblijfplaatsen wezel (groene lijnen) binnen de invloedsfeer van het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
3.2.5
Egel In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van egel (NDFF, 2026). De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op circa 80 meter afstand van het plangebied in de bebouwde kom van Luttenberg. Waarnemingen van egel beperken zich voornamelijk tot de bebouwde kom en op erven in het buitengebied. Egels komen vrijwel overal voor, met uitzondering van gebieden met een zeer natte bodem. Verblijfplaatsen worden binnen het plangebied verwacht op de erven die in het plangebied zijn gelegen. Verblijfplaatsen kunnen hier bijvoorbeeld aanwezig zijn in dichte vegetatie, takkenhopen, schuurtjes en rommelhoekjes (zie figuur 3.4). Ook zijn potentiële verblijfplaatsen aanwezig onder hagen langs de westrand van de deelgebieden Oost A en Oost B. Bij het verwijderen van bovengenoemde elementen gaan mogelijk verblijfplaatsen van egel verloren. Voor egel geldt geen onderzoeksplicht meer. Onderzoek naar egel is niet nodig, mits het uitgangspunt bij verdere planvorming is dat egel aanwezig is en dat voor deze soort een vergunning flora- en fauna-activiteit wordt aangevraagd. Wanneer bij uitvoering van de plannen mogelijke verblijfplaatsen van egel worden geschaad is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
3.2.6
Grote bosmuis In de wijde omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote bosmuis (NDFF, 2026). Waarnemingen zijn aanwezig bij de Sallandse Heuvelrug en in het bosgebied van landgoed het Reelaer, tussen Raalte en Heino. De dichtstbijzijnde waarneming bevind zich op circa 7,5 kilometer ten westen van het plangebied. Grote bosmuis komt van oorsprong voor in oude bosgebieden met een dichte struiklaag. De soort lijkt tegenwoordig minder kritisch en breidt zich daarom in rap tempo uit vanuit het oosten. Grote bosmuizen worden inmiddels ook in het agrarisch gebied waargenomen in houtwallen en braamstruwelen en ruig begroeide tuinen met struiken en bomen.
18
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Geschikte voortplantings- en rustplaatsen van grote bosmuis zijn binnen het plangebied mogelijk aanwezig op de erven in het plangebied. Aangezien het veldonderzoek vanaf de openbare weg is uitgevoerd kon niet beoordeeld worden of geschikt leefgebied aanwezig is op de erven. Overige terreindelen zijn niet geschikt door het gebrek aan ondergroei (zie figuur 3.5). Bij verwijderen van groen op de erven gaat mogelijk leefgebied van grote bosmuis verloren. Indien groen op erven verwijderd wordt, dan is eerst een aanvullend veldbezoek bij de erven nodig om te bepalen of potentieel leefgebied aanwezig is. Wanneer potentieel leefgebied van grote bosmuis wordt aangetroffen en dit bij uitvoering van de plannen wordt geschaad, dan is voorafgaand aanvullend onderzoek middels life traps (waarbij muizen levend worden gevangen) noodzakelijk om te bepalen of de soort aanwezig is. Wanneer grote bosmuis bij aanvullend onderzoek wordt vastgesteld en schade aan (mogelijke) verblijfplaatsen niet voorkomen kan worden, is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
Figuur 3.5 Potentieel leefgebied grote bosmuis op de erven (blauw omlijnd) in het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
3.2.7
Das In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van das (NDFF, 2026). Het betreft diverse waarnemingen in het bos ten zuiden van Luttenberg en ten oosten van Vakantiepark De Luttenberg. Het betreft waarnemingen van sporen en exemplaren op circa 800 meter afstand van deelgebied oost B. Mogelijk is hier een burcht van das aanwezig. Ook ten oosten van het plangebied zijn waarnemingen van das bekend in het bosgebied rond de crossbaan aan de Koetreeweg op 2 kilometer afstand van het plangebied. De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. De das leeft in familiegroepen. De soort is een nachtdier, dat in de schemering zijn burcht verlaat om te foerageren. Dit gebeurt tot op een afstand van één tot soms vier kilometer van de burcht. Een familiegroep bewoont gezamenlijk een burcht met territorium, waar andere dassen uit verdreven worden.
19
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Rondom het plangebied zijn diverse bosgebieden aanwezig die geschikt zijn als verblijfplaats voor das. Daarnaast is het bosje ten oosten van de Lemelerweg 35 ook geschikt als verblijfplaats voor das. Ook in de begroeiing rond het erf aan de Lemelerweg 44 kunnen mogelijk verblijfplaatsen of vluchtpijpen aanwezig zijn. Dit kon vanaf de openbare weg niet worden vastgesteld (zie figuur 3.6). Daarnaast kan het gehele plangebied onderdeel zijn van een territorium van een dassenfamilie. De graslanden en agrarische percelen zijn namelijk geschikt als foerageergebied van das. De voorgenomen plannen (woningbouw) hebben mogelijk een negatief effect op het territorium en (essentieel) foerageergebied voor das. Indirect kunnen de plannen ervoor zorgen dat burchten in het plangebied of de omgeving van het plangebied ongeschikt worden door een gebrek aan foerageergebied in de omgeving. Aanvullend onderzoek naar das is noodzakelijk om te bepalen of er burchten in en in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, of het plangebied onderdeel is van een territorium van das en of er essentieel foerageergebied aanwezig is in het plangebied. Wanneer das bij aanvullend onderzoek wordt vastgesteld en schade aan verblijfplaatsen en essentieel leefgebied niet voorkomen kan worden, is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
Figuur 3.6 Potentieel leefgebied das in bosgebied en op erven(groen omlijnd) en foerageergebied in het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
3.2.8
Waterspitsmuis In de wijde omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen bekend van waterspitsmuis (NDFF, 2026). De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op ruim 3 kilometer ten noorden van het plangebied. De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers met overjarige vegetatie. In de oevers moet voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Dergelijk biotoop is niet aanwezig in het plangebied. De oevers van sloten in het plangebied zijn open, weinig begroeid en er is geen goed ontwikkelde onderwatervegetatie aanwezig waardoor er geen schuilmogelijkheden voor de soort
20
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
aanwezig zijn. Op basis van de terreinkenmerken, het veldbezoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026) wordt de aanwezigheid van waterspitsmuis uitgesloten. Vervolgstappen voor de soort zijn niet aan de orde. 3.2.9
Otter In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van otter (NDFF, 2026). Waarnemingen beperken zich tot grote watergangen ten oosten en westen van het plangebied, zoals het Overijsselsch Kanaal en de Boksloot. In het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van otter. De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, maar ook in kunstmatige holten. In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor de soort aanwezig. De watergangen in het plangebied zijn smalle, veelal ondiepe agrarische sloten en er is onvoldoende dekking aanwezig. Negatieve effecten op otter zijn uitgesloten. Vervolgstappen voor otter zijn niet aan de orde.
3.2.10
Boommarter In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van boommarter (NDFF, 2026). De dichtstbijzijnde waarnemingen bevinden zich op ruim 2,5 kilometer ten oosten van het plangebied in het bos van de Sallandse Heuvelrug. Andere waarnemingen van boommarter bevinden zich enkel in grotere bosgebieden in de wijde omgeving zoals landgoed het Reelaer. De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. De soort komt in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen in bossen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of en inrottingsholten. In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor de soort aanwezig. Er zijn geen bossen aanwezig en het plangebied bestaat voornamelijk uit grasland. Negatieve effecten op boommarter zijn uitgesloten. Vervolgstappen voor boommarter zijn niet aan de orde
3.2.11
Overige zoogdieren (Vaste) verblijfplaatsen en/of essentieel foerageergebied van andere beschermde grondgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling (zoals veldspitsmuis) worden op basis van de terreinkenmerken, het veldbezoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Wel zijn binnen het plangebied vaste verblijfplaatsen van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten bekend en/of te verwachten. Dit zijn onder andere haas, huisspitsmuis, gewone bosmuis en rosse woelmuis. Bij werkzaamheden in het plangebied kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel een vrijstelling van het verbodsartikel voor het beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- en rustplaatsen. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van dieren. Het nemen van mitigerende maatregelen is nodig om opzettelijk doden bij uitvoering van de werkzaamheden te voorkomen. Als dit niet mogelijk is, is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. De mitigerende maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 3.8. Daarnaast geldt de specifieke zorgplicht voor deze zoogdieren (zie paragraaf 3.8).
21
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
3.3
Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie bijlage 1). Voor een aantal vogelsoorten geldt dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.2). Kader 3.2 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van vogels wordt in provincie Overijssel verstaan: in functie zijnde nesten en rustplaatsen van boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, oehoe, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief, zeearend, zwarte specht en zwarte wouw. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
3.3.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten Steenuil In het plangebied en in de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van steenuil (NDFF, 2026). Bij het erf van Lemelerweg 44 is een recente waarneming bekend, maar ook direct buiten het plangebied bij Looweg 3 en Lemelerweg 39. Steenuil is afhankelijk van divers en kleinschalig cultuurlandschap waarbij nestplaatsen voornamelijk aanwezig zijn in boomholtes, nestkasten, schuren en andere gebouwen. Steenuilen zijn zeer plaatsgetrouw en hebben een relatief klein territorium van 5 tot 30 hectare. De leefomgeving rondom nestlocaties kan ook een beschermde status hebben wanneer de functionaliteit van de nestplaats hier afhankelijk van is. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor steenuil. Tijdens het veldbezoek zijn twee steenuil nestkasten aangetroffen aan de zuidkant van deelgebied Oost B. Bebouwing op erven binnen het plangebied en in de omgeving zijn niet van binnen geïnspecteerd, waardoor de aanwezigheid van potentiële nestplaatsen ook hier niet uitgesloten kan worden (zie figuur 3.7). Bij het uitvoeren van de plannen (het realiseren van een woonwijk) gaan mogelijk nestplaatsen en essentieel leefgebied van steenuil verloren. Ook nestplaatsen op erven buiten het plangebied kunnen indirect verloren gaan als het plangebied essentieel leefgebied is.
Voorafgaand aan uitvoering van de plannen is aanvullend onderzoek noodzakelijk om te bepalen of het plangebied deel uitmaakt van een territorium van steenuil. Indien de aanwezigheid van de soort wordt vastgesteld en schade aan biotoop van steenuil niet te voorkomen is, dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Kerkuil In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van kerkuil bekend (NDFF, 2026). De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op ruim 200 meter afstand te oosten van het plangebied. De kerkuil is een soort die voorkomt in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Kerkuilen broeden vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens. De kerkuil gebruikt een aantal vaste plekken in zijn territorium als nest- of roestplaats. De plekken kunnen op enkele honderden meters afstand van elkaar liggen. De kerkuil is zeer honkvast maar flexibel in het wisselen van vaste plek binnen zijn territorium. Het leefgebied van de kerkuil varieert van 60 tot 1200 hectare. De bebouwing op de erven in het plangebied kunnen mogelijk worden gebruikt als nest- of roestplaats door kerkuil. Daarnaast wordt het plangebied mogelijk gebruikt als essentieel foerageergebied door kerkuilen met nestplaatsen in of rondom het plangebied.
22
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Bij het uitvoeren van de plannen (het realiseren van een woonwijk) gaan mogelijk nestplaatsen en essentieel leefgebied van kerkuil verloren. Voorafgaand aan uitvoering van de plannen is aanvullend onderzoek noodzakelijk om te bepalen of het plangebied deel uitmaakt van een territorium van kerkuil. Indien de aanwezigheid van de soort wordt vastgesteld en schade aan biotoop van kerkuil niet te voorkomen is, dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en boerenzwaluw In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en boerenzwaluw (NDFF, 2026). Alle vier de soorten zijn gebouwbewonende soorten. Huismus maakt zijn nestplekken over het algemeen onder dakpannen en in andere openingen in gebouwen. Boerenzwaluw bouwt zelf nestkommen in open schuren en stallen. Huiszwaluw bouwt zijn nest meestal onder dakoverstekken. Gierzwaluw bouwt geen nestkommen, maar broedt in gebouwen op spouwmuren, onder dakpannen en in andere openingen. Potentiële nestplaatsen van de soorten zijn in het plangebied mogelijk aanwezig in gebouwen op de erven in het plangebied. Vanaf de openbare weg kon verder niet beoordeeld worden welke gebouwen precies geschikt of ongeschikt zijn voor deze soorten.
Indien bij uitvoering van de plannen bebouwing op erven wordt gesloopt dan is een aanvullend bezoek aan de erven nodig om te bepalen of potentiële nestplaatsen van huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en boerenzwaluw aanwezig zijn. Indien er potentie voor deze soorten aanwezig is en potentiële nestplaatsen worden verwijderd, verstoord of ontoegankelijk gemaakt, dan is voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend onderzoek naar huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en boerenzwaluw noodzakelijk. Indien de aanwezigheid van één of meerdere van de soorten vervolgens wordt vastgesteld en schade aan nestplaatsen niet te voorkomen is, dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
Figuur 3.7 Steenuilkasten (groene stippen) en potentiële nestplaatsen steenuil, kerkuil, huismus, gierzwaluw, huiszwaluw en boerenzwaluw op de erven (blauw omlijnd). Potentieel essentieel foerageergebied van steenuil en kerkuil in het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
23
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
Buizerd, sperwer, torenvalk, boomvalk, havik en ransuil In het plangebied en de omgeving zijn diverse waarnemingen bekend van buizerd, sperwer, torenvalk, boomvalk, havik en ransuil (NDFF, 2026). Deze soorten broeden onder andere in nesten in bomen. Oude nesten van zwarte kraai en ekster kunnen ook in gebruik worden genomen door deze soorten. De leefomgeving rondom nestlocaties kan ook een beschermde status hebben wanneer de functionaliteit van de nestplaats hier afhankelijk van is. Tijdens het veldbezoek zijn oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in bomen langs de Lemelerweg (zie figuur 3.8). Deze oude nesten zijn in potentie geschikt als nestplaats voor buizerd, sperwer, torenvalk, boomvalk, havik en ransuil. De bomen op de erven en in het bosje ten oosten van Lemelerweg 35 konden niet onderzocht worden aangezien het veldwerk vanaf de openbare weg is uitgevoerd. Nestplaatsen van betreffende soorten op de erven en in dit bosje kunnen daarom niet worden uitgesloten op basis van het quickscan onderzoek. Het plangebied wordt daarnaast waarschijnlijk gebruikt als foerageergebied door buizerd, sperwer, torenvalk, boomvalk en ransuil. Aanvullend onderzoek naar roofvogels is noodzakelijk om de functie van het plangebied en het bosje in de directe omgeving voor deze soorten in kaart te brengen.
Indien de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten op de erven of in de bomen in de directe omgeving van het plangebied wordt vastgesteld en schade aan nestplaatsen van betreffende soort(en) niet te voorkomen is, dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
Figuur 3.8 Oude kraaien- of eksternesten (groene stippen) en potentiële nestplaatsen op de erven (blauw omlijnd) en potentiele nestplaatsen in het bosje ten oosten van het plangebied (geel omlijnd). Potentieel foerageergebied in het plangebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK.
Vogels van categorie 5 In (de omgeving van) het plangebied zijn waarnemingen bekend van diverse vogelsoorten van categorie 5. Nesten van vogels van categorie 5 zijn geclassificeerd als nesten van vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Echter, zijn ze dusdanig kwetsbaar dat aangetoond moet worden dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. In (de omgeving van) het plangebied zijn waarnemingen bekend van
24
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
onder ander bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, middelste bonte specht, ringmus, spreeuw en zwarte roodstaart (NDFF, 2026). Voor deze soorten is mogelijk geschikt broedbiotoop aanwezig op erven (dit geldt voornamelijk voor spreeuw, ringmus, gekraagde roodstaart en zwarte roodstaart). Gezien de grootschaligheid van de voorgenomen plannen (het realiseren van een nieuwe woonwijk) is het niet zeker dat er voldoende alternatieve nestplaatsen aanwezig zijn voor deze soorten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk om te bepalen of ze in het plangebied broeden en of er voldoende alternatieve nestplaatsen in de omgeving aanwezig zijn. Wanneer blijkt dat aanwezige broedplaatsen verloren zullen gaan en in de omgeving geen uitwijkmogelijkheden mogelijk zijn, dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Overige vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied en in de directe omgeving (<75 meter) zijn geen andere jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels bekend (NDFF, 2026) of aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Mogelijk wordt het plangebied en omgeving wel gebruikt als foerageergebied door soorten als de ooievaar. Door de werkzaamheden verdwijnt mogelijk een klein oppervlak foerageergebied van deze soorten.
In de omgeving blijft ruim voldoende alternatieve foerageergebied beschikbaar om dit verlies op te vangen, waardoor (indirect) geen nestplaatsen verloren gaan. Het nemen van vervolgstappen voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten is niet aan de orde. 3.3.2
Vogels zonder jaarrond beschermde nesten Door de aanwezigheid van bomen en bebouwing binnen het plangebied is broedbiotoop aanwezig voor enkele algemene vogelsoorten als roodborst, merel, tjiftjaf, vink, houtduif en Turkse tortel. Daarnaast kunnen de oevers van sloten worden gebruikt als nestplaats door bijvoorbeeld wilde eend. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Verstoren is verboden wanneer de verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort of wanneer verstoring leidt tot het afbreken van het broedgeval. Voor de te verwachten soorten kunnen schadelijke handelingen (altijd) worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het dus van belang of een broedgeval wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen begin maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. Vooral soorten als merel en wilde eend kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden.
Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ecologisch deskundige uit te voeren. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de wettelijke kaders kunnen worden uitgevoerd. Indien geen nesten in gebruik zijn ten tijde van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten op broedende vogels worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten niet aan de orde, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen.
25
Quickscan natuurtoets drie voorkeurslocaties woningbouw Luttenberg
3.4
Amfibieën
3.4.1
Poelkikker In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van poelkikker (NDFF, 2026). De waarnemingen beperken zich tot natuurgebied het Boetelerveld en enkele geïsoleerde poelen in natuurlijk grasland ten zuiden van de Krieghuisweg. De waarnemingen bevinden zich op meer dan 4 kilometer afstand van het plangebied. De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt onder andere voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. In het plangebied ontbreken dergelijke biotopen. Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026), wordt poelkikker in het plangebied uitgesloten. Vervolgstappen voor poelkikker zijn niet aan de orde.
3.4.2
Heikikker In wijde omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van heikikker (NDFF, 2026). De waarnemingen beperken zich tot het Luttenbergerven op circa 3 kilometer afstand van het plangebied en op grotere afstand in het Boetelerveld. De heikikker leeft voornamelijk in poelen in heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. De soort komt nauwelijks voor in intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. De soort plant zich voor in voedselarme, enigszins zure wateren. In het plangebied ontbreken dergelijke biotopen. Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026), wordt heikikker in het plangebied uitgesloten. Vervolgstappen voor heikikker zijn niet aan de orde.
3.4.3
Rugstreeppad In wijde omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van rugstreeppad (NDFF, 2026). De waarnemingen beperken zich tot het Luttenbergerven op circa 3 kilometer afstand van het plangebied. De rugstreeppad is vooral een soort van terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water in de nabijheid van losgrondige zanderige bodems, die bij voorkeur vegetatieloos en zonder concurrentie van andere amfibieën of van waterinsecten zijn. In het plangebied ontbreken dergelijke biotopen. Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2026), wordt rugstreeppad in het plangebied uitgesloten. Vervolgstappen voor rugstreeppad zijn niet aan de orde.