CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

5b. Bijlagen bij de toelichting Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg 143 - 284

Raadsvergadering 6 juli 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan woningbouwlocatie Luttenberg (hamerstuk)19.885 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen, projecten en activiteiten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen effecten optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project of handeling niet nodig. Zijn (significant) negatieve effecten niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5.

Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het rijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer er voor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken en aan welk wettelijke belang wordt voldaan.

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

05

Houtopstanden (hoofdstuk 4) Hoofdstuk 4 regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij Wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.

Toetsingskader bestemmingsplannen De volgens de Wnb beschermde waarden dienen op twee manieren betrokken worden bij vaststelling en wijziging van een bestemmingsplan (Kaajan, 2018): 1. De uitvoerbaarheidstoets die volgt uit de Wet ruimtelijke ordening. Met deze toets wordt de vraag of de beschermingsregimes uit de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat beantwoord. Vrij vertaald wordt bepaald of er uitzicht is op het verkrijgen van een Wnb-vergunning of -ontheffing voor het project dat voortvloeit uit het bestemmingsplan. 2. Wet natuurbescherming-toets, zoals vastgelegd in artikel 2.7 lid 1 Wnb & artikel 2.8 lid 1 Wnb e.v. Kortweg: Voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of (uitvoering van) het plan kan leiden tot mogelijk significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied. Volgens vaste jurisprudentie bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de feitelijke, planologisch legale situatie en de maximale plansituatie. Als het plan niet leidt tot effecten is het plan ook uitvoerbaar.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Overheid, 2018) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen of nabij het NNN, waarbij wordt afgeweken van het -afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen en verankerd in de (gemeentelijke) bestemmingsplannen.

2.2 Onderzoeksmethode Om de aanwezige of te verwachten beschermde waarden binnen de invloedssfeer van het plangebied in beeld te brengen is gestart met een literatuuronderzoek. Hierbij is onderzocht of beschermde soorten

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

06

bekend zijn in of in de directe omgeving van het plangebied. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2020). De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek dat op 12 november 2020 (13°C, windstil, droog en bewolkt) is uitgevoerd. Tijdens het veldbezoek zijn het plangebied en de directe omgeving onderzocht, waarbij aandacht is besteed aan beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming. Speciale aandacht is uitgegaan naar aanwezigheid van (mogelijke) jaarrond beschermde nesten van broedvogels in de bomen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Daarnaast zijn de bomen gecontroleerd op de geschiktheid als vaste verblijfplaats voor vleermuizen en grondgebonden zoogdieren zoals egel en kleine marterachtigen.

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

07

3. Bescherming gebieden en houtopstanden 3.1 Natura 2000 Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Boetelerveld Vecht- en Beneden-Reggegebied , gelegen op een afstand van respectievelijk 4,5, 4,7 en 5,3 kilometer van het plangebied (zie figuur 3.1). Doordat het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is gelegen, zijn negatieve effecten door oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebied op voorhand uitgesloten. De eventuele effecten beperken zich tot externe werking (uitstralende, of indirecte effecten). Het gaat bijvoorbeeld om mogelijke effecten op de waterhuishouding, uitstoot van stikstof en verstoring door licht of geluid. Op basis van de aard van de plannen, de tussenliggende afstand, bebouwing en infrastructuur, worden indirecte effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden met uitzondering van stikstof uitgesloten. Stikstofdepositie Gezien de aard en omvang van het plan en de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden zijn indirecte effecten als gevolg van stikstofdepositie mogelijk. Of dit al dan niet het geval is kan alleen worden getoetst door een stikstofberekening uit te (laten) voeren met behulp van het rekenmodel AERIUS. Een dergelijke toetsing waarbij wordt gerekend met machine-uren en emissiefactoren kan worden gevraagd door bevoegd gezag.

Ter onderbouwing van de plannen wordt geadviseerd een dergelijke toetsing uit te (laten) voeren. Vecht- en Beneden-Reggegebied

5,7 km

Luttenberg

2,6 km

4,7 km 4,5 km

Boetelerveld

Sallandse Heuvelrug

Figuur 3.1 Locatie plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (groen) en NNN-gebied (geel). Bron luchtfoto: Nationaal Georegister.

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

08

3.2 Natuurnetwerk Nederland Uit de interactieve kaarten van Provincie Overijssel blijkt dat het plangebied buiten het NNN ligt op 2,6 kilometer afstand van het NNN (zie figuur 3.1). Met de beoogde ontwikkeling wordt afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. De provinciale regels van Overijssel over het NNN gelden echter alleen voor ruimtelijke ordening is het wel noodzakelijk te waarborgen dat een plan de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet aantast. Goede ruimtelijke ordening houdt in dat naastgelegen functies elkaar niet te veel hinderen. Het plangebied ligt omsloten door bestaande woonwijken, waardoor er bebouwing, straten en groenstructuren tussen het plangebied en het NNN gelegen zijn, welke een afschermende werking hebben. Vanwege deze ligging en de afstand van 2,6 kilometer tot het NNN heeft het plan geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden. Dat wil zeggen dat rust, donkerte, openheid landschap, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, waterhuishouding, oppervlakte, robuustheid, aaneengeslotenheid en de samenhang van het NNN, niet worden aangetast door het plan. Het nemen van vervolgstappen is niet aan de orde.

3.3 Houtopstanden Het plan voorziet in het vellen van twee bomen in het plangebied aan de Luttenbergerweg (zie figuur 3.2). De groenstroken aan de west-, oost- en zuidzijde blijven behouden. Het plangebied ligt binnen de grens van de bebouwde kom Wet natuurbescherming (Gemeente Raalte, 2020). Hier heeft de Wet natuurbescherming ten aanzien van de bescherming van houtopstanden geen werking. Vervolgstappen ten aanzien van houtopstanden zijn in het kader van de Wet natuurbescherming daarom niet aan de orde. Wel kunnen de gemeentelijke regels ten aanzien van kap van toepassing zijn.

Figuur 3.2 De te handhaven laanbomen langs de Luttenbergerweg en de Heuvelweg en de te handhaven houtwal langs de west- en zuidzijde van het plangebied (blauw). Twee bomen aan de Luttenbergerweg (rood kruis) worden geveld. Bron: Gemeente Raalte.

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

09

4. Soortbescherming 4.1 Flora Binnen het plangebied is beperkt vegetatie aanwezig. Vegetatie binnen het plangebied bestaat voornamelijk uit een beweid grasland met Engels raaigras en vogelmuur als dominante soorten. Verder zijn er rondom het plangebied bomenrijen aanwezig (zomereik). Tijdens het veldbezoek zijn geen in de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.

4.2 Zoogdieren Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 4.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. Kader 4.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve struc-

Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.

Verblijfplaatsen Tijdens de quickscan zijn geen potentiële verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis aangetroffen. Bebouwing ontbreekt in het plangebied waardoor verblijfplaatsen in bebouwing uitgesloten zijn. De bomen in het plangebied zijn ongeschikt als vaste verblijfplaatsen van vleermuizen door het ontbreken van geschikte holten en spleten. Door de voorgenomen plannen gaan zodoende geen verblijfplaatsen verloren. Vervolgstappen ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde.

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

10

Vliegroutes De bomenrijen rondom het plangebied vormen potentiële vliegroutes voor vleermuizen. Met name de bomenrij langs de Heuvelweg aan de oostkant van het plangebied is geschikt omdat deze onderdeel is van een lange laanstructuur waarlangs vleermuizen kunnen navigeren. Deze bomenrijen blijven behouden. De twee te kappen bomen aan de noordzijde van het plangebied maken geen onderdeel uit van een doorgaande lijnvormige structuur (figuur 3.2). Als gevolg van de voorgenomen plannen worden daarom geen opgaande lijnvormige structuren verwijderd die van belang kunnen zijn als onmisbare vliegroute voor vleermuizen. Vervolgstappen voor vliegroutes van vleermuizen zijn niet aan de orde. Foerageergebieden Door afwezigheid van begroeiing is het plangebied in beperkte mate geschikt als foerageergebied voor soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF, 2020). Het groen rondom het plangebied vormt wel geschikt foerageergebied voor vleermuizen. De omliggende groenstructuren blijven in de plannen behouden. Ook in de omgeving van het plangebied zijn vergelijkbare (potentiële) foerageergebieden voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bosgebied en bomenrijen. Er is daarom geen sprake van verlies van (onmisbaar) foerageergebied. Vervolgstappen voor foerageergebieden van vleermuizen zijn niet aan de orde.

Grondgebonden zoogdieren Vaste verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren zoals egel en wezel worden op basis van terreinkenmerken, het veldbezoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) uitgesloten. Het perceel fungeert mogelijk wel als foerageergebied van kleine marterachtigen en egel, hetzij in beperkte mate vanwege de intensieve begrazing door schapen. Door het ruime aanbod aan geschikter foerageergebied in de directe omgeving, zoals de aanwezige ruigtes en houtwallen rondom het perceel en erven in de omgeving, is het grasland niet onmisbaar. Als gevolg van nieuwbouwplannen op het grasland worden geen verblijfplaatsen of onmisbaar foerageergebied van kleine marterachtigen en egel aangetast. Vervolgstappen zijn daarom niet aan de orde. Wel zijn in het plangebied vaste verblijfplaatsen van een aantal algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten te verwachten. Dit zijn onder andere konijn, huisspitsmuis, rosse woelmuis, veldmuis en gewone bosmuis. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele verblijfplaatsen en/of exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is.

4.3 Broedvogels Bij broedvogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie kader 2.1).

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

11

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Van veel broedvogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Nestlocaties kunnen buiten het broedseizoen zonder overtreding van de Wet natuurbescherming verwijderd worden. Voor een aantal broedvogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 4.2). Kader 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt in Overijssel verstaan: in functie zijnde nesten van de boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, oehoe, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief, zwarte specht en zwarte wouw. Voor sommige soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

In het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van broedvogels met jaarrond beschermde nesten (NDFF, 2020). Tijdens het veldbezoek zijn binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen (geschikte) nestlocaties of onmisbaar foerageergebied aangetroffen van vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn.

Overige broedvogels In de bomen binnen de invloedsfeer van de plannen is geschikt broedbiotoop aanwezig voor enkele vogelsoorten als houtduif, merel, kauw, ekster en Turkse tortel. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. Als broedseizoen wordt gehanteerd: periode van nestbouw, periode van broed op de eieren en de periode dat de jongen op het nest gevoerd worden. Voor de meeste soorten kan de periode tussen 1 maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Een aantal soorten, zoals houtduif en merel, kunnen vroeg starten met broeden maar kunnen ook tot laat in het seizoen doorgaan met broeden. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum.

Bij uitvoering van de plannen in de periodes tussen half februari en half december, is het advies om voorafgaand aan de werkzaamheden na te gaan of nog bewoonde nesten van vroeg- of laatbroedende vogels aanwezig zijn binnen het plangebied.

4.4 Amfibieën In het plangebied ontbreekt (permanent) oppervlaktewater, waardoor voortplanting van amfibieën is uitgesloten. Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) wordt ook overwintering van de soorten in de Habitatrichtlijn, de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

12

beschermde amfibieën zonder provinciale vrijstelling (zoals knoflookpad, poelkikker en heikikker) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Wel is -hetzij beperkt- overwintering van algemene amfibieënsoorten zoals gewone pad en bruine kikker te verwachten in (muizen)holen en de strooisellaag in het plangebied. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.

4.5 Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) worden in het plangebied geen voortplanting of vaste verblijfplaatsen verwacht van beschermde reptielen, insecten, vissen en ongewervelden. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde voor deze soortgroepen.

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

13

5. Geraadpleegde bronnen Literatuur Broekhuizen, S. et al. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Kaajan, M.M. (2018). Bescherming van Natura 2000-gebieden via het bestemmingsplan. Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht Nummer 5-6, augustus 2018. SDU. Den Haag.

Internet Gebiedendatabase Natura 2000 (http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000). Gemeente Raalte (https://www.raalte.nl/sites/default/files/Kaart%20komgrens%20Boswet.pdf). NDFF (2020). Nationale Databank Flora en Fauna (https://ndff-ecogrid.nl). Laatste raadpleging op 17 oktober 2020. Overheid (2018). Actuele tekst Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). (https://wetten.overheid.nl/BWBR0030378/). Laatste raadpleging oktober 2020. Overheid (2020). Wet natuurbescherming (https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/). Laatste raadpleging 17 oktober 2020. Provincie Overjjssel (2020). Interactieve kaart NNN en Natura 2000. (https://geo.overijssel.nl/viewer/app/master/v1) Laatste raadpleging op 20 oktober 2020. RAVON.nl (Website met soortinformatie over reptielen, amfibieën en vissen). Laatste raadpleging 16 november 2020. Sovon.nl (Website met soortinformatie over vogels). Laatste raadpleging 16 novemberm2020. Vlinderstichting.nl (Website met soortinformatie over vlinders en libellen). Laatste raadpleging 16 november 2020. Zoogdierenvereniging.nl (Website met soortinformatie over de Nederlandse zoogdieren). Laatste raadpleging 16 november 2020.

Natuurtoets Nieuwbouwplan Luttenberg

14

Bijlage 6 Archeologisch onderzoek

Luttenberg, w oningbouw locatie Luttenbergerw eg (ontw erp, versie 1)

223

ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN BOORONDERZOEK LUTTENBERGERWEG TE LUTTENBERG GEMEENTE RAALTE

HEUVELWEG

Archeologisch bureau- en booronderzoek Luttenbergerweg Opdrachtgever

Heuvelweg te Luttenberg Gemeente Raalte Postbus 140 8100 AC Raalte

Rapportnummer

13956.002

Versienummer1

2

Datum

18 februari 2021

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

Mevrouw M. Derks, MA & De heer drs. E. Louwe

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Zwolle Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

13956.002

Toponiem

Luttenbergerweg

Opdrachtgever

Gemeente Raalte

Gemeente

Raalte

Plaats

Luttenberg

Provincie

Overijssel

Kadastrale gegevens

gemeente Raalte, sectie R nummer 1306

Omvang plangebied

circa 29.805 m2

Kaartblad

28 A (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X = 221.404, Y = 491.010

Bevoegde overheid

Gemeente Raalte Dhr. R. Voeten Zwolsestraat 16 8101 AC RAALTE T: (0572) 34 77 99 E: robert.voeten@raalte.nl

Adviseur namens de bevoegde overheid

Het Oversticht Dhr. A. Vissinga Aan de Stadsmuur 79-83 8011 VD Zwolle T: 06 54232006 E: albert.vissinga@hetoversticht.nl

ARCHIS3

Booronderzoek 4916428100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Heuvelweg

Archeoregio NOaA

Overijssels-Gelders zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Overijssel

Uitvoerders

Econsultancy, Mevrouw M. Derks, MA & De heer drs. M.C.M. Komen

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de Gemeente Raalte in november 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen op de kruising van de Luttenbergerweg Heuvelweg te Luttenberg in de gemeente Raalte. In het plangebied zullen nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het plangebied bevindt zich op een gordeldekzandvlakte. Deze vlakte is ontstaan door de verwaaiing van dekzand vanaf de stuwwal De Luttenberg, ten oosten van het plangebied. Het uiterst zuidwestelijke hoek van het plangebied ligt op de flank van een noord-zuid georiënteerde gordeldekzandrug. Het noorden van het plangebied bevindt zich op gemiddeld 8,2 m +NAP. Voor het centrale en zuidelijke deel is dit 7,7 m +NAP. De zuidwestelijke hoek van het plangebied, daarentegen bevindt zich op 7,9 m +NAP. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit archeologische perioden. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Paleolithicum - Vroege-Middeleeuwen is hoog.

De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd is middelhoog. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden op de overgang naar de natuurlijke ondergrond verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.

R 13956.002 versie 1

Resultaten inventariserend veldonderzoek Het inventariserend veldonderzoek heeft vastgesteld dat de bodem in het plangebied (deels) intact is. Enkele boringen tonen een verstoorde bodemopbouw waarbij de A-horizont zich direct op de Chorizont bevindt (boringen 4, 7 en 8). Verder zijn in geen van de boringen een vondstlaag, oude akker- of cultuurlagen waargenomen. Deze lagen zijn mogelijk opgenomen in het bovenliggende Ahorizont of zijn simpelweg nooit aanwezig geweest. In vijf boringen is een intacte bodemopbouw aangetroffen (boringen 1, 2, 9, 10 en 14), hoewel de Bhorizont waarschijnlijk wel afgetopt is door ploegwerkzaamheden. Bij de overige boringen (3, 5, 6, 11, 12, 13, 15 en 16) is de B-horizont verdwenen en in de bovenliggende bouwvoor opgenomen. De BChorizont is daarentegen wel grotendeels intact. Hierdoor is het mogelijk dat op de overgang van de BC-horizont naar de C-horizont een intacte sporenniveau aanwezig. Conclusie en advies De bodemopbouw binnen het plangebied is grotendeels intact gebleken, hoewel door ploegwerkzaamheden de vondstlaag en mogelijke oude akker- of cultuurlagen zijn opgenomen in de A-horizont. Hieronder is in bijna alle boringen een (deels) intacte B-horizont aangetroffen van de oorspronkelijke podzolbodem.

In enkele boringen is de bodem geroerd tot in de overgangs-/BC-horizont, maar zelfs hier zou het sporenniveau indien aanwezig intact kunnen worden aangetroffen. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd. Archeologische waarden uit het Paleolithicum - Mesolithicum kenmerken zich door vuursteenstrooiingen. Doordat de B-horizont in veel gevallen verdwenen is, is de kans op het aantreffen van archeologische waarden uit bovengenoemde perioden in oorspronkelijke context klein. De archeologische verwachting voor deze perioden kan bijgesteld worden naar laag. Een verschil tussen haar- en veldpodzolgronden is tijdens het veldonderzoek niet waargenomen. Verder zal, doordat het plangebied zich op de flank van een stuwwal bevindt, de aanwezigheid van twee verschillende podzolgronden geen verschil maken met betrekking tot de archeologische verwachting. Op de hoogtekaart is het verschil in vergelijking met de bodemkaart in het noordelijk deel te herkennen. Hier ligt het maaiveld hoger en de grens van het verval in hoogte komt overeen met de grens van haar- naar veldpodzolgronden op de bodemkaart. In het zuidelijk deel is dit niet aantoonbaar doordat het terrein hier vermoedelijk deels is afgegraven.

Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Aangezien verwacht wordt dat alleen een sporenniveau zonder vondstlaag aanwezig is, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen daar waar archeologische waarden worden verwacht sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Met het oog op het planontwerp wordt geadviseerd om de proefsleuven te beperken tot de bouwputten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Raalte). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Het rapport is getoetst door de adviseur van de gemeente Raalte en op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek in dit rapport adviseert de gemeente Raalte een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek.

R 13956.002 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 14 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 15

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 17 BRONNEN .......................................................................................................................................... 18

R 13956.002 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14.

Boorprofiel van boring 2 en 15 Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Detailopname van het plangebied binnen het AHN Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische waardenkaart Situering van het plangebied binnen de Minuutplan Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart in combinatie met resultaten

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Vervolgonderzoek Boorprofielen

R 13956.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Raalte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Luttenbergerweg Heuvelweg te Luttenberg in de gemeente Raalte (figuur 2). In het plangebied zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in november 2020 door de heer drs. E. Louwe (senior KNA-prospector), dhr. drs. M.C.M. Komen (senior KNA-archeoloog) en mevr. M. Derks, MA (veldassistent). Het rapport is gecontroleerd door de heer drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog).

R 13956.002 versie 1

Pagina 1 van 19

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24 05 2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24 05 2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Raalte;

2

SIKB.

R 13956.002 versie 1

Pagina 2 van 19

2.3

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.3 Het plangebied, circa 29.805 m2, ligt aan de Luttenbergerweg Heuvelweg in Luttenberg in de gemeente Raalte (figuur 2 en figuur 3). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 7,8 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Raalte, sectie R, nummer 1306. Volgens de topografische kaart van Nederland, 28 A (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 221.404, Y = 491.010. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als weideland voor schapen (figuur 4). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht.

Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Luttenberg. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming archeologie. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de Raalte beleidsadvieskaart en de bijbehorende beleidsnota (WAD, 2016). Volgens de beleidskaart (figuur 5) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting.5 Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 13956.001).

De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch bureauonderzoek nog niet bekend.

3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 5 Zuidhoff, 2007.

R 13956.002 versie 1

Pagina 3 van 19

Atlas van Overijssel Middels de Atlas van Overijssel brengt de provincie Overijssel de bodemkwaliteit in grote delen van de provincie in kaart. In de Atlas van Overijssel wordt inzichtelijk gemaakt waar zich verontreinigingen in de bodem bevinden, welke gebieden zijn onderzocht en waar sanering of aanvullend onderzoek nodig is of reeds heeft plaatsgevonden. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen de Atlas van Overijssel eerder geen milieuhygienische onderzoeken uitgevoerd. 6 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is nieuwbouw gepland. Hierbij worden binnen het plangebied in eerste instantie 20 à 30 woningen gerealiseerd met de mogelijkheid om uit te breiden tot 50 woningen (bijlage 6). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Overgang Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; dekzand (Bx5) naar Diverse formaties, gestuwd; gestuwde Pleistocene formaties, veelal rivierzand en -grind (G1)

Geomorfologie8

Gordeldekzandvlakte (uiterst zuidwestelijk puntje gordeldekzandrug, uiterst noordoostelijk puntje bebouwde kom)

Bodemkunde9

Noord, oost en zuidoost: Haarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand Centraal, west en zuidwest: Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand

Grondwatertrap

VIII

Landschappelijke ontwikkeling10 Het plangebied is gelegen in een uitgestrekt laaggelegen landschap genaamd het IJsselbekken. Dit landschap is in het oosten omgeven door het stuwwallandschap van de Sallandse heuvelrug en in het westen door het rivierenlandschap van de IJssel. De stuwwallen zijn ontstaan gedurende de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ca. 200.000 130.000 jaar geleden). Tijdens deze ijstijd raakte Nederland bedekt met landijs. Het voortschuivende landijs zorgde ervoor dat de ondergrond omhoog werd ge-

6

Atlas van Overijssel De Mulder et al., 2003. 8 Wageningen Environmental Research, 2017. 9 Stichting voor Bodemkartering, 1983. 10 Zuidhoff, 2007; Spek, van der Velde et al. 2010. 7

R 13956.002 versie 1

Pagina 4 van 19

stuwd. In deze contreien zijn naast de Sallandse heuvelrug ook de Lemelerberg, de Holterberg en de Luttenberg ontstaan. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 120.000 10.000 jaar geleden) bereikt het landijs Nederland niet, maar heerste er over het algemeen een toendraklimaat. Er groeide nagenoeg geen vegetatie en straffe winden hadden vrij spel. Deze harde winden zorgden ervoor dat zand kon verstuiven en elders als dekzand weer werden afgezet. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen Oude en Jonge dekzanden. De Oude dekzanden zijn gedurende het pleniglaciaal (ca. 32.000 14.000 jaar geleden). De Oude dekzanden kenmerken zich doordat deze horizontaal gelaagd zijn en dunne leemlaagjes bevatten. Het jonge dekzand is gedurende het Oude en Jonge Dryas afgezet. Bij deze afzettingen ontbreken de leemlaagjes. Doordat het Oud dekzand leemlaagjes bevat is deze grondsoort van nature vruchtbaarder dan het Jonge dekzand. Hierdoor komen prehistorische en vroeghistorische bewoning met name op deze Oud dekzandgronden voor. 11 Het Holoceen begon circa 10.000 jaar geleden toen een temperatuurstijging de ijskappen op het noordelijk halfrond deed smelten, waardoor de zeespiegel wederom sterk steeg. Door deze temperatuurstijging kreeg vegetatie een kans om te groeien en zich uit te breiden waardoor het landschap grotendeels werd vastgelegd.

Gestaag ontstond er in Salland een uitgestrekt oerbos bestaande uit eik, linde, iep, els en berk. In lagere delen in het landschap kon door een geleidelijke stijging van het grondwaterstand veen vormen. In Salland zijn zo voedselrijke broek- en zeggenveengebieden als het Boetelerbroek, het Uilenbroek en het Heetenerbroek ontstaan. 12 In Salland kan het dekzand in vier eenheden worden onderverdeeld. Het gordeldekzandlandschap, het Oude dekzandlandschap, het Jonge dekzandlandschap en Jonge dekzandruggen. Het gordeldekzandlandschap liggen op de westelijke flanken van de stuwwallen. De grote vlakte tussen Raalte, Pleegste, Heeten, Okkenbroek, Espelo, Haarle en de Luttenberg bestaat uit het Oude dekzandlandschap. In deze afzettingen komen dunne leemlaagjes voor. In het oosten komen dekzandruggen voor zoals de dekzandrug van De Zegge (ten oosten van Raalte) en Hordelman (Heeten). Deze dekzandruggen bestaan uit Oud dekzand met daarop Jong Dekzand. In het westen van Salland bevinden zich het Jonge dekzandlandschap. Dit landschap word gekenmerkt door zandlandschap in het westen van Salland over in het rivierlandschap van de IJssel. DINO13 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland.

Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 14 Hieruit blijkt dat de ondergrond uit zand bestaat. Het zand kent een variabel grofheid spectrum en loopt van zeer fijn tot matig grof. In sommige boringen bestaat de bovengrond uit een pakket opgebrachte of omgewerkte grond. De natuurlijke zanden zijn over het algemeen zwak tot matig siltig en zwak grindhoudend. Het zandpakket bestaat uit dek11

Spek & van der Velde 2010.

12 Spek & van der Velde 2010. 13 14

Dinoloket. DINO boornummers B28A0253, B28A0260, B28A0565 en B28A0252.

R 13956.002 versie 1

Pagina 5 van 19

zand behorende tot de Formatie van Boxtel. Vanaf circa 330 cm 490 cm -mv gaat het dekzand over in zandafzettingen behorende tot de Formatie van Kreftenheye. Deze afzettingen zijn matig tot zeer grof zandig en zwak tot sterk grindig. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een gordeldekzandvlakte. Deze gordeldekzandvlakte is ontstaan doordat het dekzand vanaf de stuwwal is verwaaid en op de flank van de stuwwal is afgezet (figuur 6). Ten westen van het plangebied bevindt zich de stuwwal de Luttenberg. Zuidwestelijk van het plangebied bevindt zich een gordeldekzandrug. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)15 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op circa 7,8 m +NAP, oostelijk van de Luttenberg. Op de hoogtekaart steekt de Luttenberg duidelijk af ten opzichte van diens omgeving. De stuwwal ligt gemiddeld op circa 29,5 m +NAP.

Daarnaast is goed zichtbaar dat het plangebied zich net tussen twee verschillende hoger gelegen delen bevindt, oostelijk de stuwwal en zuidwestelijk de gordeldekzandrug zoals op de geomorfologische kaart. De top van de dekzandrug bereikt een hoogte van 10,1 m +NAP (figuur 7). Op basis van bovenstaande zijn in de omgeving hogere gelegen zones ten opzichte van het plangebied. Deze hogere gelegen zones zijn mogelijk aantrekkelijker geweest voor bewoning dan het iets lager gelegen plangebied. De zuidwestelijke hoek van het plangebied bevindt zich nog net op de flank van de gordeldekzandrug. Op de hoogtekaart is deze hoek dan ook iets hoger gelegen. Ditzelfde geldt voor de zuidoostelijke en noordwestelijke hoeken. De hoeken bevinden zich eveneens net op de flank van de stuwwal en een dekzandrug. Ingezoomd valt op dat het zuidelijk deel van het plangebied met een verschil van 50 cm beduidend lager ligt dan het noordelijk deel (figuur 8). De lager gelegen zone beperkt zich tevens tot de perceelsgrenzen wat doet vermoeden dat dit deel in het verleden is afgegraven. Het noordelijk deel is onderdeel van de gordeldekzandrug dat verder uitstrekt in noordelijke richting. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gedeeltelijk gekarteerd als haarpodzolgronden en veldpodzolgronden (figuur 9). Beide podzolgronden vallen onder de humuspodzolgronden.

Binnen deze humushoudende podzolgronden valt een onderscheidt te maken tussen de hydropodzolgronden en xeropodzolgronden. Haarpodzolgronden vallen onder de xeropodzolgronden, oftewel de droge podzolgronden. De grondwaterstand bij deze podzolgronden is over het algemeen dieper gelegen dan bij de hydropodzolgronden, waaronder de veldpodzolgronden vallen. De drogere haarpodzolgronden komen voornamelijk voor langs de randen van stuwwallen en ontstaan in het jonge dekzand. Het jonge dekzand wordt als gordeldekzand of als smalle ruggen aangetroffen. In gormerberg, de Luttenberg, de Hellendoornsche Berg en de Holterberg. Naast bovenstaande zijn bij haarpodzolgronden in de C-horizont grillige zwarte bandjes te herkennen, zogenaamde fibers.16

15 16

AHN. De Bakker & Schelling 1989.

R 13956.002 versie 1

Pagina 6 van 19

haarpodzolgronden naar veldpodzolgronden. De grondwaterstand bij veldpodzolgronden fluctueert doorgaans dichter onder het maaiveld. Daarnaast ontbreekt bij een veldpodzolgrond de E-horizont vrijwel altijd. Doordat de veldpodzolgronden over het algemeen een nattere karakter hebben, zijn ze minder geschikt voor landbouw. 17 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling18

Tabel II. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII (veldpodzolgronden) en VIII (haarpodzolgronden). Op basis van de toelichting van de Bodemkaart heeft het plangebied beperkte mogelijkheden betreffend akker- en weidebouw. De haarpodzolgronden zijn over het algemeen wat droger en geschikter voor landbouw dan de veldpodzolgronden. Aangezien het plangebied zich op de overgang van deze podzolgronden bevindt zal het verschil minder groot zijn. Vanwege de toch relatief diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden.19 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).20 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen.

17

De Bakker & Schelling 1989. Locher & De Bakker, 1990. 19 Ebbers & Visschers, 1983. 20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 18

R 13956.002 versie 1

Pagina 7 van 19

De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 10. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied21 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen eveneens geen AMK-terreinen. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 22 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vier archeologische onderzoeken uitgevoerd.

Het gaat daarbij om bureau- en booronderzoeken (verkennend/karterend) (bijlage 2 en figuur 10). Ten noordoosten van het plangebied is door Synthegra een bureau- en booronderzoek uitgevoerd op de locatie van het Maria-Oord. Hieruit is gebleken dat de ondergrond volledig verstoord is met uitzondering van twee boringen. Door de mate van verstoring is de archeologische verwachting naar laag bijgesteld en geen vervolgonderzoek geadviseerd.23 Een bureau- en inventariserend booronderzoek (karterende fase), uitgevoerd door Hamaland advies, ten zuiden van onderhavig plangebied toont eveneens een verstoorde ondergrond. In één boring is een intacte B-horizont aangetroffen. Het karterend booronderzoek heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd.24 Een ander bureau- en karterend booronderzoek van Hamaland advies, uitgevoerd ten noordoosten van het plangebied aan de Wispelweg toont een deels intacte bodemopbouw. Ter plaatse is sprake van een laarpodzol met een geleidelijke overgang naar Jong Dekzand. Cultuurlagen zijn hierbij niet waargenomen, evenals archeologische indicatoren.25 Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied 26 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan twee vondstmeldingen geregistreerd (bijlage 3 en figuur 10).

Op een afstand van 350 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied staan twee vondstlocaties geregistreerd die laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Paleolithicum en Neolithicum. De vondsten betreffen vuurstenen kernen, afslagen en fragmenten van werktuigen uit het Paleolithicum (3223998100). De vuurstenen fragmenten bevinden zich op de flank van een dekzandrug ten oosten van het plangebied. De vondstlocaties zijn geregistreerd op een hoogte van 8,1 - 9,5 m +NAP en bevinden zich op de flank van een gordeldekzandrug. Naast vuurstenen fragmenten is ook handgevormd aardewerk, een slijpsteen en een fragment 21

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Schorn, 2011 24 Van der Kuijl 2016 25 Van der Kuijl 2017 26 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22

R 13956.002 versie 1

Pagina 8 van 19

van een vuurstenen bijl uit het Neolithicum (2763601100 en 3185336100) aangetroffen. De zuidwestelijke hoek van het plangebied bevindt zich onderaan de flank van deze gordeldekzandrug. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van de gemeente Raalte27 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. Het landschap rondom de Luttenberg heeft met name in de prehistorie een belangrijke rol gespeeld voor de mens. Verscheidene prehistorische kampementen van de zogeheten Hamburg-cultuur (13.000 BP) getuigen hiervan. Elders in de gemeente Raalte zijn ook tal van prehistorische vuursteenvondsten verzameld. Aan de Hondemotswetering ten noordwesten van het huidige dorp Raalte is de grootste mesolithische site van de gemeente aangetroffen. Duizenden stuks vuursteen zijn hier aan het oppervlak verzameld ,op een relatief gezien klein maar hoog dekzandruggetje.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=c58616a8-aeec-48ae-a766-1e36720df438