211028 BP Heino, woningbouwlocatie Molenweg 2750-101
Tekst van het document
In het ontwerp voor het plangebied is met deze punten uit de stedenbouwkundige visie rekening gehouden. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).
27
2.5.3
Landschapsontwikkelingsplan (2008)
Het Landschapsontwikkelingsplan Salland (LOP, gemeente Deventer, Raalte, Olst-Wijhe) zet in op het benutten van gebiedsdynamiek om de verschillende landschapstypen te versterken. Nieuwe ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de versterking van het landschap. De landbouw is hierbij een belangrijke economische functie in het buitengebied en speelt een rol in het beheer van het landschap. Nieuwe economische functies als landelijk wonen en werken en recreatie zijn steeds belangrijker. Daarnaast worden water en natuur als belangrijke ruimtelijke opgaven gezien. Het landschap van Salland is grofweg in tweeën te delen: het rivierenlandschap en het dekzandlandschap. Binnen deze tweedeling zijn vervolgens deelgebieden te onderscheiden.
Plangebied valt binnen het deelgebied dekzandruggen, met klein hoekje escomplex aan noordwestzijde. Voor de dekzandruggen is de visie dat de visueel-ruimtelijke kwaliteiten van de hogere gronden voor een belangrijk deel zijn gelegen in de sterke verwevenheid van diverse ruimtelijke elementen zoals bosjes, bebouwing, houtwallen en singels. Samen met reliëfverschillen (essen) en open ruimtes ontstaat hierdoor een gevarieerd landschapsbeeld van besloten tot half open landschap, ook wel kampen- of hoevenlandschap genoemd. De historische ensembles die in het gebied voorkomen zijn van grote waarde. Monumentale bomen en oude gebouwen hebben een grote museale kwaliteit. Plaatselijk is de aanwezigheid van landgoederen dominant in het landschap van de dekzandruggen, vooral ten noorden van Deventer en rondom Heino. De buitenplaatsen vormen karakteristieke elementen in het landschap van Salland. Op een aantal plaatsen is de link tussen de hogere ruggen en de lagere delen heel karakteristiek: bij de grotere essen bij Bathem, Averlo en het landgoederenlandschap bij Diepenveen en Heino. Het landschapsbeleid is gericht op het versterken van de karakteristiek door de hoger gelegen ruggen ruimtelijk te verdichten, met landschapselementen als bosjes, landgoederen, houtwallen, hagen, singels en solitaire bomen (soorten van de hogere gronden zoals eik, beuk).
Nieuwe rode functies in het buitengebied (passend binnen bestaand beleid) zijn landschappelijk gezien het meest wenselijk op de ruggen onder de voorwaarde dat landschapselementen worden aangelegd. De wegen op de ruggen zijn beplant. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de doorgaande wegen passen zich aan deze karakteristiek aan en zijn ter hoogte van de ruggen beplant. De plannen voor stads- en dorpsuitbreidingen worden beschreven in Structuur- en Toekomstvisies. Het landschapsontwikkelingsplan doet geen uitspraken over locatiekeuze en wijze van uitbreiden. Wel kunnen de nieuwe ontwikkelingen worden gezien als een motor om de overgangen van stad naar land vorm te geven. Er is voor de grote plaatsen in Salland beschreven op welke wijze de geplande uitbreiding kan bijdragen aan een betere ruimtelijke overgang van stad naar land. Het gaat hierbij zowel om het vormgeven van de overgang zelf als om het doorzetten van landschappelijke structuren in de bebouwde kom. Structuurdragers van het landschap in het buitengebied zijn vaak zichtbaar in de groenstructuur binnen de bebouwde kom. Uitgangspunt is dat per kern wordt aangesloten op de beschreven karakteristieken van het deelgebied waarin deze ligt. Naast deze landschappelijke overgangen zijn de fysieke verbindingen van belang om vorm te geven aan de uitloopgebieden rondom de kernen.
Door de aanleg van routes vanuit de kern naar het buitengebied wordt het landschap beter toegankelijk en beleefbaar. Voor Heino wordt aangegeven dat de uitbreiding van Heino onder andere gepland is aan de westzijde van de kern. Het is wenselijk deze uitbreiding af te ronden met een landschappelijke goed vormgegeven groene rand als overgang naar het laaggelegen gebied aan de westzijde van de uitbreiding. Door de groene afronding wordt een koppeling gemaakt tussen verdichte
28
ruggen ten noorden en ten zuiden van Heino.
Met de ligging binnen de dekzandruggen is het landschappelijk wonen dat binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt en de ruimte die er voor waterinfiltratie, biodiversiteit en landschappelijke inpassing is binnen het ontwerp passend het beleid van het LOP. Voor de verder onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).
2.5.4
Programma Wonen 2021-2025
In het Programma Wonen geeft de gemeente aan hoe zijn de komende jaren wil werken aan het wonen in de gemeente. De overkoepelende ambitie voor het programma Wonen is: In onze gemeente kunnen jong én oud, arm en rijk, een passende woning vinden in een toekomstbestendige woonomgeving waarbij we ruimte geven aan eigenzinnig (samen) wonen voor onze huidige én nieuwe inwoners.
Deze ambitie wordt uitgewerkt in de volgende vijf thema's: 1. 2. 3. 4. 5.
Langer zelfstandig wonen in Raalte Duurzaam wonen in Raalte Huren in Raalte Kopen in Raalte Bouwen in Raalte
Voor het plangebied is een aantal onderdelen van de thema's relevant. In het eerste thema wordt aangegeven dat de gemeente ziet dat er onder senioren meer behoefte is aan zelfstandig maar meer geclusterd wonen, al dan niet met gezamenlijke voorzieningen. De gemeente wil initiatieven hiervoor, bijvoorbeeld in de vorm van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO), ondersteunen. In het stedenbouwkundig plan zijn twee gebieden aanwezig voor CPO. Ook wordt in het eerste thema aangegeven dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een levensloopbestendige openbare ruimte het uitgangspunt is. Hier is op basis van het stedenbouwkundig plan voldoende ruimte voor. De locatie geeft ruimte voor levensloopbestendig en aanpasbaar bouwen en sluit hiermee aan op het uitgangspunt van het Programma Wonen.
In het tweede thema wordt duurzame nieuwbouw genoemd, woningen moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Daarnaast moet het hele woongebied zoveel mogelijk duurzaam, klimaatadaptief, waterrobuust en natuurinclusief zijn. Hier is in het stedenbouwkundig plan rekening mee gehouden. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving). Voor het derde thema wordt aangegeven dat er een toename van de sociale huurwoningvoorraad gewenst is en meer diversiteit in de wijken. Ook bij nieuwe wijken en initiatieven moet een percentage sociale huur worden toegevoegd. In het stedenbouwkundig plan is ruimte voor ca. 20 woningen in de categorie sociale huur en/of sociale koop, dit is ca. 20% van het totale plan. Aan deze ambitie draagt het plan bij. Bij thema 4 Kopen in de gemeente Raalte wordt aangegeven dat er vooral moet worden ingezet op
29
starters én ouderen. Hierdoor ontstaat er een doorstroming die alle vragers op de markt ten goede komt. De ambitie is daarom om meer woningen in het kleinere en goedkope/betaalbare segment te realiseren in nieuwbouw. Daarnaast blijkt uit het woningmarktonderzoek dat er ook een tekort is in het segment eengezinswoning. Bij nieuwbouw is het niet of-of maar en-en. De gemeente wil ook meer projectmatige bouw, naast de kavels voor eigen bouw. De toenemende vraag naar appartementen, betaalbare rijenbouw, kleine levensloopgeschikte (kant en klare) woningen en nieuwe en flexibele concepten kan hiermee beter en sneller mee gerealiseerd worden. Zoals bij het vorige thema aangegeven is er binnen het plan ruimte voor sociale huur/koop. Daarnaast komen er betaalbare rijen en uitgeefbare kavels in het middendure en dure segment. Voor de doelgroep senioren is deze locatie iets minder geschikt vanwege de afstand tot het centrum, maar een seniorenwoongroep binnen het CPO gebied is goed mogelijk. Binnen de delen voor CPO is het ook mogelijk tiny houses of rug-aan-rugwoningen te realiseren. Hiermee is er binnen het plan ruimte voor een andere woningtypologie. In het laatste thema komen alle voorgaande thema's samen en gaat over welk woningbouwprogramma passend is bij de ambities van de thema's en de ontwikkelingen op de woningmarkt.
Dit houdt in dat de gemeente tot 2030 uitgaat van het realiseren van 1.500-2.000 woningen (in plaats van 700 woningen uit het voorgaande beleid). Hierbij geldt maatwerk per kern en een plus voor Raalte-dorp en Heino. Deze plus betekent meer bouwen dan de lokale behoefte om ook de vestigers van buiten te kunnen faciliteren. De genoemde kernen zijn hiervoor geschikt vanwege het voorzieningenniveau en ze een goede ontsluiting kennen, zowel via weg als spoor. De groei wordt benut om de woningtypen die nu nog onvoldoende in de programmering aanwezig zijn toe te voegen. De harde plancapaciteit is op 1-1-2021 340 woningen. Er is voldoende ruimte voor het toevoegen van de ca. 110 woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt. Heino is één van de kernen waarin een plus in woningen gerealiseerd kan worden. En zoals bij de voorgaande thema's aangegeven wordt er in het plan ruimte geboden voor diverse woningtypen, waaronder de typen die nog onvoldoende gerealiseerd zijn. Voor de verder onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).
Het plan draagt bij aan de ambities uit het Programma Wonen van de gemeente.
2.5.5
Conclusie
Op basis van bovenstaande samenvattingen van de van belang zijnde beleidsnota's kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
30
Hoofdstuk 3 Huidige situatie
3.1
Ontstaansgeschiedenis
Raalte Het landschap in Raalte is voor een belangrijk deel gevormd tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Het landijs reikte tot ver in wat nu Nederland is. De ondergrond van het gebied waar deze gletsjer zich bevond bestond uit zand en grind dat al eerder door rivieren was afgezet. Door het enorme gewicht van de gletsjer werd dit pakket verplaatst en opgestuwd. Hierdoor ontstonden onder andere de stuwwallen het Veluwemassief en de Sallandse Heuvelrug. Tussen deze stuwwallen werd een 25 km breed dal uitgesleten: de huidige IJsselvallei. Aan het einde van het Pleistoceen, gedurende de laatste ijstijd (Weichselien), bereikte het landijs Nederland niet. Het zorgde wel voor koud en droog klimaat waardoor weinig vegetatie kon groeien en de wind vat kreeg op de bodem. Hierdoor werd op grote schaal zand afgezet door de wind, dat als dekzand wordt aangeduid. Pas daarna raakte het gebied begroeid. Tussen de IJsselvallei en de Sallandse Heuvelrug ligt een breed dekzandlandschap dat het grootste deel van de gemeente Raalte beslaat. Dekzandlandschappen zijn onder te verdelen in oud en jong dekzand en gordeldekzand. Het oude dekzand bestaat uit laagjes lemig en fijn zand. Het jonge dekzand is grover en minder lemig. Oude dekzandlandschappen zijn ruwweg te vinden ten oosten van de lijn Raalte - Heeten en zijn overwegend vlak en meer open dan de jonge dekzandlandschappen.
Deze vinden we ten westen van de lijn Raalte Heeten. Een bijzondere vorm van dekzand is terug te vinden in de gordeldekzandlandschappen rondom de stuwwallen. Deze landschappen zijn gevormd door dekzand dat in de laatste ijstijd van de toppen van de stuwwallen is afgesleten als gevolg van winderosie. Begin 19e eeuw waren alle hellingen van de stuwwalcomplexen begroeid met heide. Deze is echter door aanleg van productiebos halverwege de 19e eeuw grotendeels verdwenen. Ook werden landgoederen gesticht, met de bijbehorende boscomplexen.
Het watersysteem in Salland is sterk verweven met de landschapsstructuur en is in een aantal stappen gevormd. Na het ontstaan van de stuwwallen stroomde smelt- en regenwater vanaf de Sallandse Heuvelrug naar het lagergelegen rivierengebied, veelal haaks op het in noord zuid-richting lopende rivierdal. Op de dekzandvlakte zocht het water de laagste delen op waardoor in de loop der tijden de dalvormige dekzandlaagtes werden gevormd. De hoger gelegen gebieden bleven relatief droog en werden door de wind verder opgehoogd tot langgerekte hoge dekzandruggen. Dit gebeurde vooral op plekken waar begroeiing het zand kon vasthouden. In de dekzandlaagtes stagneerde het water en ontstonden op verschillende plaatsen moerassen, veen en broekbossen. Om de dekzandlaagtes beter te ontwateren en het water af te voeren naar de rivier werden weteringen aangelegd. De afwatering verbeterde hiermee inderdaad aanzienlijk en de grondwaterspiegel daalde. Hierdoor konden de dekzandlaagtes in de middeleeuwen worden ontgonnen tot hooi- en weiland. Het kappen van bossen leidde tot grotere en frequentere piekafvoeren en de weteringen voerden dit water versneld af richting de rivier, die hierdoor grotere pieken kreeg te verwerken. Om het water binnen de rivierbedding te houden worden dijken langs de rivier aangelegd.
De ontstaansgeschiedenis van de negen kernen binnen Raalte is divers, maar kent ook een belangrijke overeenkomst: alle kernen zijn op de een of andere manier op hoger gelegen gronden ontstaan of
31
gesticht. Voordat deze kernen enige omvang kregen was er in Raalte overigens al sprake van zogenaamde ‘marken’, een zeer oude agrarische bestuursvorm, die zorgde voor het beheer van de gemeenschappelijke gronden. Raalte kende de marken Raalterwoold, Pleegste, Luttenberg, Heeten, Ramele en Heino. Ook deze marken waren gekoppeld aan de hogere gronden. Raalte, Heeten, Heino en Luttenberg zijn de oudste kernen, vermoedelijk ontstaan ergens in de periode tussen het jaar 1000 en 1300.
Heino Heino is ontstaan op de rand van een oost-westliggende dekzandrug. Deze dekzandrug werd in de loop der eeuwen deels opgehoogd met stalmest. De bebouwing lag - vooral in later tijden - vaak aan de rand van deze essen, de es zelf bestond uit akkerland. Waar geen ruimte was voor grote aaneengesloten akkers of weilanden ontstonden kampen, ook wel éénmansessen genoemd. Heino is ontstaan vanuit een aantal verspreide groepjes met éénmansessen. Heino wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde van bisschop Otto III van Utrecht uit 1236. In de Sallandse hoevenlijst van omstreeks 1300 wordt aangegeven dat onder het Marke Heyne zo'n 30 boerderijen vallen. In deze periode wordt nog niet gesproken van een dorp aangezien de boerderijen verspreid op een oostwest georiënteerde dekzandrug liggen. Vanaf de late middeleeuwen is steeds meer sprake van een dorp. Er ontstaat een gebundelde dorpsbebouwing rondom de kerk en de brinken. Vanaf 1950 wordt met de verdere uitbreiding van Heino de oost-westelijke oriëntatie van de zandrug losgelaten.
Plangebied Het plangebied bestond aan het einde van de achttiende eeuw uit woeste grond, deels bos en deels heide. De huidige Molenweg is al aanwezig als Molenweg of Molensteeg. De benaming duidt op de ligging van een molen ten westen van het plangebied, langs de Nieuwe Wetering bij de Bredenhorst. De molen wordt in het jaar 1423 reeds vermeld en brandde uiteindelijk op 4 juli 1911 volledig af. In de negentiende eeuw bestaat het plangebied afwisselend uit ontgonnen gebied, percelen hakhout, heide en akker- of landbouwgebied. Omstreeks 1900 is voor het eerst bewoning in de vorm van een boerderij aanwezig direct ten oosten van het plangebied. Het plangebied zelf bestaat dan uit weilanden, akker- en landbouwgronden. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw ontstaat het grootste deel van het bedrijventerrein ten oosten van het plangebied. Het woongebied ten zuiden van het plangebied is in de jaren negentig gebouwd. Het recreatiepark ten noorden van het plangebied is in de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw ontstaan.
32
Kaart Heino en omgeving in 1880 (plangebied rood omcirkeld) bron: www.topotijdreis.nl
3.2
Huidige situatie plangebied
Het plangebied is geprojecteerd in het agrarisch gebied in noordwesten van de bebouwde kom. De randen van het plangebied hebben elk hun eigen karakteristieken. In deze paragraaf worden de belangrijkste kenmerken van het gebied en zijn directe omgeving beschreven.
33
Ligging plangebied (plangebied rood omcirkeld) bron: www.topotijdreis.nl
Het plangebied zelf bestaat in de huidige situatie uit weilanden met in het midden een slootje met enige beplanting erlangs. Ten noorden van het plangebied ligt een terrein met recreatiewoningen, Landgoed Old Heino. De bebouwing bestaat hier uit bungalows van één laag met kap. Aan de oostzijde ligt een boerenerf dat behouden blijft. Hierachter ligt het bedrijventerrein Het Zeegsveld. De bebouwing bestaat hier uit grootschalige bedrijfshallen. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de Molenweg met de woonbuurt Kiezebos. De woningen zijn grotendeels twee lagen met kap. Aan de westkant ligt het agrarisch landschap met een boerderij die in stand blijft.
34
Luchtfoto (plangebied rood omkaderd), bron: Google Earth
Zicht over het plangebied vanaf de oostzijde
35
Zicht langs de Molenweg met rechts het plangebied en links de bestaande woningen
36
Zicht over plangebied vanaf noorden richting de Molenweg
37
38
Hoofdstuk 4 Planbeschrijving
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt het stedenbouwkundig plan uiteengezet en beschreven aan de hand van een aantal aspecten. Het stedenbouwkundig plan geeft de beoogde ontwikkeling weer. De plannen zullen na vaststelling van het bestemmingsplan verder uitgewerkt worden. De woningbouwplannen en de inrichting van de openbare ruimte zullen in overeenstemming zijn met de regels en de verbeelding (het juridisch bindende deel) van het onderhavige bestemmingsplan.
4.2
Stedenbouwkundig plan
De stedenbouwkundige opzet van de Molenwijk is onderscheidend in zijn kleinschalige en dorpse opzet, met veel variatie. Het is een groene wijk waar veel ruimte is voor natuur, waterinfiltratie en speelaanleidingen. Het groen bevindt zich zowel aan de binnenzijde, in de vorm van een centraal park als aan de randen. Ook vanuit de omgeving wordt zo steeds een mooi aanzicht geboden en blijven groene bufferzones behouden die zorgen voor een zorgvuldige overgang naar de aangrenzende kern en naar het landschap. De aanwezige lijnen uit het landschap, de richting van de verkaveling, is opgenomen in het plan en bepaald de oriëntatie van de woningen. Door de verspringende rooilijnen van de woningen en de variatie in woningtypen in het straatbeeld ontstaat de kleinschalige en dorpse opzet. Het bijzondere landschappelijke karakter wordt mede tot stand gebracht door het beperken van de ruimtelijke impact van wegen en parkeerplaatsen. De ontsluiting bestaat uit korte insteken voor het snelverkeer met daaraan parkeren geclusterd. Het stedenbouwkundig plan is een gezamenlijk plan dat in nauw overleg met diverse stakeholders tot stand is gebracht en herhaaldelijk is afgestemd met omwonenden.
39
Stedenbouwkundig plan Molenwijk, bron: Vollmer & Partners
40
Impressie stedenbouwkundig plan Molenwijk, bron: Vollmer & Partners
4.2.1
Landschappelijke inpassing
Het stedenbouwkundig plan versterkt de landschapsstructuur doordat de verkavelingsrichting van het landschap is overgenomen in het plan. Deze richting bepaald de oriëntatie van de bebouwing. Aan de oostzijde is deze richting net iets verdraaid ten opzichte van de westzijde. Deze kleine verdraaiing wordt opgevangen door het bouwblok in het midden, dat zich daartussenin gepositioneerd heeft. Ook de hoofdinfrastructuur volgt deze richtingen.
De dorpsranden vormen de binding tussen het dorp en het landschap, waarbij het plangebied de nieuwe dorpsrand aan de westzijde vormt. Het stedenbouwkundig plan heeft aan alle zijden een groene rand gekregen die de nieuwe bebouwing op een vriendelijke manier aansluit op de omgeving en zorgt voor een robuuste en groene nieuwe dorpsrand. Aan de zuidrand, langs de Molenweg, sluit de nieuwe bebouwing van de wijk niet rechtstreeks aan op de Molenweg maar is wat afstand waarin ruimte gelaten wordt voor groen. Dit zal bestaan uit een haag met streekeigen beplanting, aangevuld met enkele solitaire bomen en ruimte voor wadi's. Langs de oost- en westzijde komt een houtwal, zoals deze in de streek veel voorkomt. Het zal een losjes opgezette houtwal worden, die ervoor zorgt dat het gebied mooi is ingekaderd. Een diffuse, informele groene rand is dorpseigen voor Heino. Deze houtwallen maken de verkavelingsrichting beter zichtbaar en beleefbaar. Aan de noordzijde wordt de overgang naar het vakantiepark vormgegeven door een brede groene strook met veel ruimte voor waterberging en solitaire bomen, aansluitend op de smalle watergang die hier loopt. Dit zet zich door in de inrichting van het groen in het hart van het plangebied. Op deze manier wordt het plan verankerd en ingepast in het landschap.
41
4.3
Woningen
4.3.1
Woningtypen
Het stedenbouwkundig plan is een kleinschalig plan met een gevarieerde dorpse opzet. Daarmee ontstaat een heel gevarieerd programma, met veel afwisseling in woningtypen en woonvormen en voor diverse prijsklassen en verschillende doelgroepen. Dit wordt over de hele wijk verspreid, zodat de verschillende woningtypen in alle verschillende deelgebieden voorkomen. Daarbij zijn er ook twee plekken in de wijk aangegeven waar ruimte is voor initiatieven in de vorm van collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO). Deze kunnen heel divers ingevuld worden: ouderenwoningen, jongerenwoningen of tiny houses, dergelijke initiatieven zijn allemaal mogelijk. De woningverdeling sluit aan bij het woonbeleid van de gemeente. De verdeling, gebaseerd op het huidige stedenbouwkundige plan, is ca. 18% sociaal (rijwoningen sociale huur), 25% betaalbaar (rij woningen koop), 23% middenduur (twee-onder-een-kapwoningen), 17% duur (vrijstaande woningen) en 17% (CPO). Omdat de invulling nog enigzins flexibel is kan deze verdeling nog wat kleine verschuivingen krijgen.
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van circa 110 woningen mogelijk. De woonwijk zal gefaseerd ontwikkeld worden, waarbij in elke fase aangesloten kan worden bij de actuele woonvraag. De woonwijk is zo opgezet dat binnen elke fase een breed palet van woningen gerealiseerd wordt, zowel goedkoop, middenduur als duur en dat in elke fase voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.
4.3.2
Verantwoording ladder duurzame verstedelijking
In deze paragraaf wordt aangegeven hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de ladder voor duurzame verstedelijking en tot het woonbeleid van de verschillende overheden. In paragraaf 4.2 is gemotiveerd op welke manier de ontwikkeling is ingepast in het landschap. De behoeft aan de woningen die mogelijk worden gemaakt moet zowel kwantitatief als kwalitatief aangetoond worden. Daarnaast moet de keuze voor de locatie onderbouwd worden. In het Afwegingskader woningbouw van de gemeente Raalte, dat een bijlage bij het Programma Wonen is, worden de voorwaarden voor de locatiekeuze voor nieuwe woningbouwlocaties benoemd en aan welke voorwaarden (programmatisch en ruimtelijk) een plan moet voldoen om de ladder voor duurzame verstedelijking goed te doorlopen.
Kwantitatief In de regionale Woonagenda staat dat het kwantitatief de opgave is om tot 2030 35.000 - 40.000 woningen te realiseren, jaarlijks moeten gemiddeld 3.500 - 4.000 woningen worden toegevoegd. Dat is de helft meer dan de afgelopen jaren in de regio is gerealiseerd (gemiddeld 2.600 woningen per jaar). In de regio is momenteel de harde plancapaciteit 10.292 en de zachte plancapaciteit 15.511 woningen. Dit betekent dat er nog zo'n 9.197-14.197 aan uitbreiding van de capaciteit gewenst is. Voor de gemeente Raalte wordt aangegeven dat de harde plancapaciteit 306 is en de zachte plancapaciteit 468 woningen. De gemeente zelf heeft aangegeven dat per 1 januari 2021 de harde plancapaciteit inmiddels 340 is. Het project Heino Molenweg is onderdeel van de regionale sleutelprojecten. Het wordt bij de zachte plancapaciteit van de gemeente Raalte gerekend. In kwantitatief opzicht is er dus al rekening gehouden met de woningen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
42
Daarnaast is er voor de regio en de gemeente nog behoefte aan uitbreiding van de woningcapaciteit. In het rapport Woningmarktonderzoek Raalte van Rigo uit 2019 wordt aangegeven dat één van de belangrijkste invloedsferen op de woningmarkt de demografische ontwikkeling is. Voor het bepalen van de kwantitatieve ontwikkeling van de woningbehoefte is vooral de ontwikkeling van het totaal aantal huishoudens van belang. In de periode 2019 tot 2025 wordt volgens Primos 2020 een groei verwacht van ca. 500 huishoudens. In 2025 - 2030 wordt een groei van circa 300 huishoudens verwacht. Na 2030 vlakt de huishoudensgroei geleidelijk af, tot 2035 wordt nog een groei van ca. 200 huishoudens verwacht. Vanaf 2040 stabiliseert het aantal huishoudens en na 2045 zal het aantal huishoudens geleidelijk aan afnemen. Voor de planperiode van tien jaar van dit bestemmingsplan is er kwantitatief gezien voldoende behoefte aan de woningen die op de locatie Molenweg gerealiseerd kunnen worden, gezien de groei van ca. 800 huishoudens die er voor de gemeente Raalte voorzien wordt in de periode 2019-2035. In Heino is er slechts sprake van harde plancapaciteit van 14 woningen, ook daar is meer dan voldoende ruimte in de programmering. Heino bevat 19% van de huishoudens binnen de gemeente en zou in minimaal 19% van de prognoses moeten kunnen voldoen. Dit zou voor de planperiode een toename van ca.
135 huishoudens betekenen.
Met de woningbouwlocatie Molenweg wordt bijgedragen aan woningbouw voor de extra behoefte van de autonome groei van Raalte en Heino. Heino is vanwege de goede voorzieningen en bereikbaarheid (spoor en weg) genoemd als een van de kernen waar deze extra woningen gerealiseerd kunnen worden. Aan de ca. 110 woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt is dus behoefte in kwantitatief opzicht.
Kwalitatief Bij de opzet van het stedenbouwkundig plan is uitgegaan van het door de gemeente aangeleverde programma, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht. Dit programma is in overleg met de bewoners van Heino tot stand gekomen en is dus afgestemd op de betreffende kern. Hierbij is er een diversiteit door het aandeel sociaal waar volgens het Programma Wonen behoefte aan is, het aandeel betaalbare rijenbouw en twee-onder-een-kapwoningen voor de ook bestaande behoefte aan eengezinswoningen en de uitgeefbare kavels voor de traditioneel in de gemeente veel voorkomende wens van particulier opdrachtgeverschap. Daarnaast komen er in het plan twee grotere gebieden voor die bestemd zijn voor CPO. Met name hier is ruimte voor woningen voor de twee belangrijkste doelgroepen: starters én ouderen. Binnen deze velden kunnen woonvormen voor zelfstandig maar meer geclusterd wonen, al dan niet met gezamenlijke voorzieningen gerealiseerd worden. Het is ook mogelijk vernieuwende, collectieve en flexibele concepten zoals tiny houses of rug-aan-rugwoningen te realiseren. Dit zijn samen met de kleinere en betaalbaardere woningen de typen die nog onvoldoende gerealiseerd zijn.
In het rapport Woningmarktonderzoek Raalte van Rigo uit 2019 wordt aangegeven dat voor inzicht in de ontwikkeling van de kwalitatieve woningbehoefte vooral de ontwikkeling van de huishoudenssamenstelling van belang is. Volgens de Primosprognose 2018 neemt vooral het aantal ouderen neemt toe, terwijl het aantal tweepersoonshuishoudens tussen 23 en 65 jaar en het aantal gezinnen geleidelijk afneemt. In onderstaande figuur staat de ontwikkeling van de woningbehoefte naar eigendom en woningtype weergegeven. De behoefte aan grondgebonden koopwoningen neemt toe. Terwijl het aantal ouderen in grondgebonden koopwoningen toeneemt, worden er nieuwe jonge gezinnen gevormd die ook graag in dit woningtype willen wonen. In de periode 2019 tot 2030 gaat het om een toename van circa 450 grondgebonden koopwoningen. Na 2030 stabiliseert de behoefte en neemt gering
43
af met 80 woningen in 2030 tot 2040.
Ontwikkeling van de woningbehoefte naar eigendom en woningtype weergegeven, bron: Woningmarktonderzoek Raalte, Rigo, 2019
In onderstaande tabel is de ontwikkeling van de behoefte in de koopsector weergegeven, naar woningtype en prijsklasse. De toename van de behoefte aan koopwoningen in de periode 2019 tot 2025 bestaat vooral uit grondgebonden woningen tussen € 275.000 en € 400.000, gevolgd door woningen onder de € 275.000. Voor appartementen geldt dat in elk prijssegment de behoefte gering toeneemt.
Ontwikkeling van de behoefte in de koopsector, bron: Woningmarktonderzoek Raalte, Rigo, 2019
Het programma voor de Molenwijk bestaat voor een groot deel uit grondgebonden koopwoningen, waar
44
volgens Woningmarktonderzoek Raalte behoefte aan is. Daarvan bestaat 25% uit betaalbare woningen (rij woningen koop), 23% uit middendure woningen (twee-onder-een-kapwoningen) en 17% uit dure (vrijstaande) woningen. Dit past binnen bovenstaande verdeling. De invulling van het CPO deel is nog open en kan aan de gevraagde categorieën bijdragen.
In de eerstkomende jaren neemt de behoefte aan huurwoningen tot € 720 gering toe. Ervan uitgaande dat de verschillende verhuurders de doelgroepen in gelijke mate blijven bedienen als op dit moment, manifesteert de toename van de behoefte zich in het corporatiebezit (75 woningen in de periode 2019 tot 2025). Het gaat vooral om een toenemende behoefte aan appartementen met lift en nultredenwoningen, als gevolg van de vergrijzing. Deze toenemende behoefte kan ook worden opgevangen in bestaande gelijkvloerse grondgebonden huurwoningen. Rond 2030 stabiliseert de behoefte en in de periode tot 2040 ontstaat er een geleidelijke afname van de behoefte, door het overlijden van oudere huurders en een beperkte nieuwe instroom van jongere huurders. De afname van de behoefte hoeft niet direct te leiden tot leegstand. Als deze woningen voldoende kwaliteit hebben, kunnen nieuwe doelgroepen worden aangetrokken. Zo kunnen jongeren die nu een tussenstap maken in een huurappartement, wellicht rechtstreeks een grondgebonden woning bemachtigen. En als de woningen gelijkvloers zijn, kunnen deze mogelijk ook interessant zijn voor ouderen. Het deel van de woningen uit het programma voor Molenwijk is afgestemd met woningcorporatie Salland Wonen en voorziet in (een deel van) de behoefte van de corporatie.
Bij plannen met meer dan 10 woningen moet een gefaseerde realisatie mogelijk zijn. Het plan is verdeeld in 4 blokken en 1 kleiner blok, waardoor fasering mogelijk is. Voor de grotere blokken geldt dat binnen de blokken ook een diversiteit aan woningtypen voorkomt, waardoor er per fase ook variatie aanwezig is. Ook de parkeeropgave wordt per blok in de nabije omgeving opgelost. Door de flexibele opzet van de regels van dit bestemmingsplan is aanpassing in de invulling van de woningtypen in de loop van de tijd mogelijk. Andere ruimtelijke uitgangspunten uit het Afwegingskader woningbouw zijn een afstemming van de korrelgrootte op die van de omliggende bebouwing en het gehele dorp en, naast klimaatadaptatie, voldoende ruimte voor groen, spelen en ontmoeting. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van een vergelijkbare korrelgrootte en bouwhoogtes als in Heino aanwezig is. Het stedenbouwkundig plan dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt biedt ruimte voor duurzaamheid en klimaatbestendige maatregelen, met een ruime groene opzet waaronder veel ruimte voor wateropvang in een aantal grote wadi's. Hierdoor wordt het een klimaatadaptief en waterrobuust plan. Binnen deze groengebieden is ook ruimte voor spelen en ontmoeten. De woningen moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
Daarnaast zal het hele woongebied zoveel mogelijk duurzaam en natuurinclusief zijn. Hier wordt met de inrichting invulling aan gegeven, waardoor het gebied en bijdrage levert aan de biodiversiteit van de omgeving. Door de flexibiliteit, fasering en ruime opzet van het plan is het een toekomstbestendig plan.
Locatiekeuze Voor de uitbreidingslocatie in Heino is participatief locatieonderzoek gedaan. Bij de beoordeling van de locaties zijn de volgende criteria gehanteerd: Inbreiding gaat vóór uitbreiding; Er is ruimte voor een breed woningbouwprogramma in voldoende aantallen;
45
Een goede ontsluiting is mogelijk waarbij de bestaande wegen het extra verkeer aankunnen, al dan niet middels aanvullende maatregelen; Aansluiting bij bestaande bebouwingsstructuren en zorgvuldig ruimtegebruik; Realisatie is op afzienbare termijn mogelijk.
Binnen de locatiestudie zijn ook alle inbreidingslocaties in beeld gebracht, deze zijn grotendeels tot ontwikkeling gebracht. De inbreidingslocaties zijn niet voldoende om aan de woningvraag en het totale woningbouwprogramma te voldoen. Een aanvullende locatie is hiervoor nodig. De keuze is uiteindelijk op de locatie aan de Molenweg gevallen, naast een aantal inbreidingslocaties. Hier kan voldaan worden aan de criteria en vanwege de omvang van het gebied kan het totale woningbouwprogramma, inclusief de verschillende woningbouw typologieën, gerealiseerd kan worden. Met de ontwikkeling van het woongebied wordt het plangebied onderdeel van de bebouwde kom van Heino. De Molenweg zorgt voor een goede ontsluiting, waarbij bestaande woonstraten niet met extra verkeer belast worden. De Molenweg zal een aanpassing naar 30 km/uur inrichting krijgen. Het gebied sluit aan bij bestaande bebouwingsstructuren. Het ligt weliswaar niet direct bij het centrum, maar scholen en sportvoorzieningen zijn wel relatief dichtbij. Deze locatie kan binnen afzienbare tijd worden gerealiseerd, waarmee het bijdraagt aan de gewenste versnelling van de woningproductie en aan woningbouw voor de bovenlokale behoefte.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1
Verkeersstructuur
Belangrijk voor de ontsluiting van de nieuwe wijk is dat de Molenweg een andere inrichting krijgt. Het is nu een weg die langs de rand van het dorp loopt, straks wordt het een weg die door het dorp loopt. De Molenweg zal dan ook ingericht worden als 30 km/uur gebied. Om de Molenweg de kenmerken te geven van een 30km/u-weg is er gekozen om meerdere kruispunten toe te voegen. Dit remt de snelheid, zorgt voor alertheid en geeft het gevoel dat je in het dorp rijdt. Ook wordt niet al het verkeer dat de Molenweg op wil geclusterd op een enkele aansluiting. Door deze spreiding en de lagere snelheid zal de Molenweg leefbaarder worden. Dit is ook voor de omgeving gunstiger. Er is niet gekozen voor de aansluiting van de nieuwe wijk via één rotonde. Dit zorgt in dit geval voor minder leefbaarheid en veiligheid op de Molenweg als geheel. Voor de bereikbaarheid maakt het geen verschil. De wens van de gemeente en ook van de omgeving is om de Molenweg weer terug in de bebouwde kom te leggen en er een 30km/u-weg van te maken. De gereden snelheid op de Molenweg zal daarmee een stuk lager zijn dan in de huidige situatie waar de maximum snelheid 60 km/u is: Een lagere snelheid is een verbetering voor de leefbaarheid van zowel de nieuwe als de bestaande wijk en is vanzelfsprekend ook beter voor de verkeersveiligheid.
Met één ontsluiting via een rotonde is het afwaarderen van de Molenweg naar 30km/u niet geloofwaardig door het ontbreken van meerdere kruispunten en erfaansluitingen. Er is dan een te groot deel verkeersdeelnemers dat te hard blijft rijden. Omdat een wijk met ongeveer 100 woningen niet veel verkeer genereert, circa 700 verkeersbewegingen op een dag, is een rotonde voor de doorstroming niet nodig. Het oprijden van de Molenweg – vanuit de bestaande en nieuwe wijk - via een gelijkwaardig kruispunt is zonder veel vertraging mogelijk. Met maar één aansluiting via een rotonde was de Molenwijk een geïsoleerde wijk geworden in Heino en was alsnog een tweede ontsluiting voor fietsers en als calamiteitenroute nodig geweest. De aanpak van de Molenweg is een separaat proces. In de grondexploitatie voor de nieuwe wijk is een
46
bedrag gereserveerd om maatregelen te nemen op de Molenweg, zoals het inrichten van de nieuwe kruispunten, het toevoegen van een stoep en het eventueel toevoegen van extra snelheidsremmende maatregelen. De aanpak van de Molenweg past binnen het vigerende bestemmingsplan en maakt daarom geen onderdeel uit van het bestemmingsplan voor de Molenwijk. Hoe de Molenweg wordt aangepakt en opnieuw wordt ingericht zal de gemeente samen met de omwonenden bedenken.
Het stedenbouwkundig plan is erop gericht zo veel mogelijk van de wijk autovrij te houden. De ontsluiting is daarom bijzonder, er komen geen standaard woonstraten met overal parkeren, maar er komen twee korte insteken voor het snelverkeer met daaraan het parkeren geclusterd. Ook de inritten naar de woningen worden zo veel mogelijk gecombineerd, zodat het groene straatbeeld in stand gehouden wordt. Rondom de wijk komt een soort woonstraat, vooral ingericht op de voetganger en fietser. Alleen de woningen die er direct aan gelegen zijn kunnen er met de auto naartoe rijden. Dit woonpad heeft een afwisselend verloop met veel knikken, waardoor het ook verkeersveilig is. Om te voorkomen dat veel verkeer via de smalle woonstraten gaat rijden, wordt er een fietssluis geplaatst. Bewoners en bezoekers komen daardoor met de auto makkelijk bij de parkeerkoffers via de twee bredere ontsluitingen waar de grotere kavels verder van de weg staan. De smalle woonstraten zijn autoluw en dus meer geschikt om te spelen en te verblijven. Via de Molenweg zal het grootste deel van het verkeer vanaf de nieuwe wijk zijn route naar de omgeving vervolgen.
Fietsers hoeven niet om te rijden. Er komen verbindingen voor fietsers en voetgangers van de nieuwe wijk naar het dorp, zodat de nieuwe bebouwing onderdeel wordt van het netwerk van Heino.
4.4.2
Parkeren
In de woonwijk is voldoende ruimte opgenomen voor het parkeren. Daarbij is de gemeentelijke norm voor het aantal parkeerplaatsen per woningtype gehanteerd, waarvan 0,3 in het openbaar gebied ten behoeve van bezoekers (Parkeernormen Raalte 2015). Het parkeren wordt deels op eigen terrein en deels in het openbare gebied opgelost. Bij vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen wordt er zoveel mogelijk op eigen terrein geparkeerd. Bij voorkeur wordt dit binnen het bouwvolume gedaan, door bijvoorbeeld de kap van de woning door te laten lopen en daaronder parkeergelegenheid te creëren, of anders naast de woning, zodat de geparkeerde auto's niet het straatbeeld bepalen. Voor de overige woningen wordt er in de openbare ruimte geparkeerd. Dit is voor het grootste deel geconcentreerd in enkele parkeerkoffers binnen de bouwvelden. In het stedenbouwkundig plan is zorgvuldig gekeken naar de parkeerverdeling waarbij ervoor is gezorgd dat er steeds voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn per deelgebied. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt het aantal en type van woningen definitief gemaakt. Hierbij zal dan worden voldaan aan bovenstaande uitgangspunten voor het parkeren. Dit geldt met name voor de gebieden die voor CPO zijn aangewezen.
Voor deze CPO-gebieden geldt dat er binnen de grenzen van deze gebieden ruimte is gehouden om de parkeervraag op eigen terrein op te lossen. Bij de verdere uitwerking zal ook rekening worden gehouden met het dan geldende beleid van de gemeente voor elektrische laadpalen. In de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden ten behoeve van de nieuwe functie.
47
4.5
Groen, water en speelvoorzieningen
De woonwijk krijgt een groene uitstraling, met veel ruimte voor groen in en rondom het plan. Dit biedt ruimte om te spelen, ruimte voor de natuur, ruimte om water op te vangen. Veel groen in het plan was een duidelijke wens die naar voren kwam uit de input van de omgeving. In het hart van het gebied wordt een mooie groene ruimte gemaakt die autoluw is, met ruimte om te spelen en met wadi's. Zoals bij de landschappelijke inpassing is aangegeven komen er ook groene zones aan alle randen van de wijk. Dit samen bepaald, met de inrichting van de straten en de autoluwe opzet, het groene karakter van de wijk. De wegen krijgen een groen karakter door de aanplant van bomen, hagen en plantvakken met heesters en vaste planten. De inritten naar de woningen moeten zoveel mogelijk gecombineerd worden, zodat de groenstroken niet te veel doorbroken worden en het groene karakter wordt bevorderd. Ook de erfafscheidingen tussen de woningen krijgen bij voorkeur een groene invulling door hagen of een begroeid hekwerk. Er worden zoveel mogelijk inheemse planten toegepast en beplanting die rijk is aan bloei en vruchtdragend is. Dit komt ten goede aan het insecten- en vogelbestand van de wijk.
Vanwege de hoogteligging van het plangebied en de grondwaterstand is open water niet mogelijk in het plangebied. Daarom is er voor gekozen het water op te vagen in de vorm van wadi's. Deze nemen een belangrijke rol in bij de inrichting van het groen binnen het plangebied. Voor de wadi's zal een kruidenrijke begroeiing worden toegepast, dit komt ook ten goede aan de doorlaatbaarheid van de bodem en daarmee aan een betere waterberging.
De groene omgeving biedt ruimte voor speelaanleidingen en gelegenheid voor beweging en ontmoeting. Er komt een speelplek in de groenzone aan de noordrand en een centraal in de wijk, met natuurlijk ingericht spelen.
4.6
Duurzaamheid
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient aan de eisen voor duurzaam en klimaatneutraal bouwen te voldoen. Molenwijk wordt een duurzame woonbuurt, met veel aandacht voor energie en het infiltreren van hemelwater, zodat het een klimaatneutrale wijk wordt. Naast natuurinclusieve bebouwing is er een natuurinclusieve inrichting van de openbare ruimte. Geen traditionele straten met traditioneel groen, maar juist groen met ruimte voor groei en bloei. En daarmee meer waarde voor insecten en vogels en andere dieren. De duurzaamheid van Molenwijk blijkt onder andere uit: Een nagenoeg energieneutrale wijk; Aardgasvrij bouwen; Bezonning van de woningen; Het benutten van de daken voor zonnepanelen en groen; Toekomstgericht bouwen met voldoende flexibiliteit en goed doordacht woningaanbod; Klimaatadaptieve maatregelen; De ruime dooradering van de wijk met groen; Het gebruik van streekeigen beplanting met hoge natuurwaarde; De toepassing van hagen, bloemenweides en bloeiende beplanting in de woonomgeving; Een goed stelsel van voet- en fietspaden door de wijk en in aansluiting op de omgeving;
48
Natuurlijk spelen en speelaanleidingen; Afkoppeling van het hemelwater; Natuurinclusief bouwen (wordt zoveel als kan aangemoedigd): 1. Rekening houden met leef- en nestmogelijkheden nabij de woningen en in het openbaar gebied; 2. Gebruik van duurzame materialen wordt zoveel als kan gestimuleerd; Plaatsing ledverlichting.
Binnen de regels voor de bestemmingen van dit bestemmingsplan is er voldoende ruimte opgenomen voor het aanbrengen van zonnepanelen, zonnecollectoren, e.d. Ook is in de bestemmingsomschrijving kleinschalige duurzame energiewinning opgenomen. Door de opzet van het plan met veel ruimte voor groen en wadi's is er voldoende mogelijkheid tot waterbuffering wat de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid voor de toekomst groter maakt.
49
50
Hoofdstuk 5 Milieu
5.1
Inleiding
Voor het bestemmingsplan is een aantal milieuaspecten, van belang voor het plangebied, nader bekeken. Aandacht is besteed aan geluidhinder afkomstig van wegverkeer, bedrijven en milieuzonering, bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Daarnaast is aandacht besteed aan de aspecten ecologie, archeologie en is een waterparagraaf opgenomen.
5.2
Bedrijven en milieuzonering
5.2.1
Wet- en regelgeving
Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de milieuzonering wordt gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geur, stof, geluid en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand.
5.2.2
Situatie plangebied
De gewenste activiteit op de planlocatie is wonen. Het gebied is te beschouwen als een gebiedtype 'rustige woonwijk'. In de omgeving van het plangebied komt een aantal milieubelastende activiteiten voor, verder komen er in de nabijheid van het plangebied hoofdzakelijk bestaande (recreatie)woningen voor.
Langs de Molenweg liggen een aantal (agrarische) bedrijven. Deze vormen geen belemmering voor de woningen, dit wordt in paragraaf 5.8 nader toegelicht.
Ten oosten van het plangebied ligt het bedrijventerrein ’t Zeegsveld. Volgens het bestemmingsplan zijn bedrijven toegestaan t/m milieucategorie 3.2. Volgens de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering hoort bij milieucategorie 3.2 een richtafstand van 100 meter. Voor alle bedrijven geldt dat de richtafstand voor geluid de grootste afstand is. Aan de westzijde van het bedrijventerrein bevindt zich het bedrijf De Haan Machinefabriek B.V. waarvan de 100 m contour over het plangebied valt, de overige bedrijven liggen op een grotere afstand van het plangebied en vormen geen belemmering. Voor De Haan Machinefabriek B.V. is een gedetailleerd onderzoek uitgevoerd waarbij is getoetst aan de geluidvoorschriften die het bedrijf heeft, dit wordt in paragraaf 5.7 verder beschreven. Uit dit onderzoek blijkt dat de bedrijven geen belemmering vormen het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen en dat deze bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door de realisatie van de woningen. In de VNG handreiking wordt voor geluid in een rustige woonwijk de volgende richtwaarden aanbevolen:
51
Dag
Avond
nacht
Langtijd gemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A) Maximale geluidniveaus (LA,max)
65 dB(A) 60 dB(A) 55 dB(A)
Dit is 5 dB lager dan de niveaus van het Activiteitenbesluit, waarmee gerekend is voor het akoestisch onderzoek. Aanvullend wordt voor de milieuzonering het onderstaande geconstateerd. Voor het Langtijd gemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) geldt dat in de dag periode op alle woningen van het plan aan de VNG richtwaarde wordt voldaan. In de avond- en de nachtperiode wordt op 3 woningen de VNG richtwaarde met 1 à 2 dB overschreden (beoordelingspunten nr. 79, 80 en 83 uit het akoestisch onderzoek). Deze overschrijding van de VNG-richtwaarde doet zich alleen voor op de beoordelingshoogte 7,5 meter (op 2e verdieping). Op de begane grond en op 1e verdieping wordt bij deze woningen wel voldaan aan de VNG richtwaarde. Uitgaande van een minimale karakteristieke geluidwering (GA,k) 20 dB van het Bouwbesluit, kan gesteld worden dat wel aan binnenniveau wordt voldaan. Voor het Maximale geluidniveau (LA,max) geldt dat in de avond- en nachtperiode op alle woningen van het plan aan de VNG richtwaarde wordt voldaan. In de dagperiode wordt de VNG-richtwaarde op 4 woningen met 1 à 2 dB overschreden (beoordelingspunten nr. 01, 04, 05 en 21 uit het akoestisch onderzoek). De maatgevende bron in de dagperiode is het lossen van staal in een container. Bij de minimale karakteristieke geluidwering (GA,k) 20 dB van het Bouwbesluit wordt in de woningen voldaan aan de voorwaarden voor het binnenniveau.
Ook hier geldt dat de overschrijding van de VNG-richtwaarde zich alleen voordoet op beoordelingshoogte 7,5 meter (2e verdieping). In de dag periode wordt geluid beoordeeld op 1,5 meter hoogte begane grond. Op die hoogte wordt wel voldaan aan de VNG richtwaarde. Daarbij kan tevens gesteld worden dat deze woningen, zoals geprojecteerd in het stedenbouwkundig plan, de achtertuin aan de geluidluwe westkant hebben. In zoverre kan worden vastgesteld dat ook voor de geluidbelaste woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Zowel binnen als in de afgeschermde tuinzijde achter de woningen. Een overschrijding van de richtwaarden tot maximaal 5 dB is als het bevoegd gezag motiveert waarom ze de geluidbelasting in deze situatie aanvaardbaar acht. In dit geval is de overschrijding gering (1 à 2 dB). De overschrijding komt alleen voor op 7,5 meter hoogte. De toegestane goot- en bouwhoogte binnen dit bestemmingsplan voor deze woningen is resp. 6 en 10 meter. Dit betekent dat de overschrijding alleen gemeten is op de tweede verdieping, binnen de kap. Bovendien wordt aan het binnenniveau Bouwbesluit voldaan en hebben de woningen een geluidluwe achterzijde en tuin. Daarmee is er bij deze geluidbelastingen door een minimale gevelwering en een geluidluwe zijde wel sprake van een goed woon- en leefklimaat in en buiten de woningen.
Ten noorden van het plangebied ligt Landgoed Old Heino, een terrein met recreatiewoningen. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor recreatieparken een richtafstand van 50 m ten opzichte van een rustige woonwijk, in verband met het aspect geluid. Onder deze norm vallen ook kampeerterreinen e.d. De kortste afstand tussen de rand van het recreatieterrein en de nieuwe woningen is ca. 23 meter. Maar binnen de richtafstand van 50 meter komen op Old Heino alleen enkele recreatiewoningen voor en geen andere voorzieningen. Deze recreatiewoningen zijn qua milieuhinder vergelijkbaar met reguliere woningen. Het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen is daarmee aanvaardbaar.
52
5.2.3
Conclusie
Het plangebied betreft een woongebied. De bedrijven buiten het plangebied bevinden zich op voldoende afstand van de toekomstige woningen en vormen daardoor geen belemmering. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.
5.3
Bodem
5.3.1
Wet- en regelgeving
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. In de bouwverordening is wettelijk geregeld dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op voor woningbouw geschikte grond te worden gerealiseerd.
5.3.2
Situatie plangebied
Voor het plangebied zijn bodemonderzoeken uitgevoerd (Verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek Molenweg Heino, Hunneman Milieu-advies, 5 februari 2020, bijlage 1). Voor het onderzoek is een uitgebreid historisch onderzoek gedaan. Waar hieruit mogelijk verdachte activiteiten voor de bodem naar voren zijn gekomen zijn extra werkzaamheden uitgevoerd. Daarnaast is er extra aandacht aan de aanwezigheid van asbest, PFAS en bestrijdingsmiddelen besteed in het veldonderzoek. Op basis van zintuiglijke waarnemingen (alle boringen doorgezet tot ongeroerde grond) zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van mogelijke ophogingen/stortingen. Wel zijn ter plaatse van oude dammen en ter plaatse van de voormalige rotonde (buiten het te kopen perceel) zintuigelijk sporen tot zwakke bijmenging aan puin aangetroffen. Uit het asbestonderzoek blijkt dat er zintuigelijk en analytisch geen asbest is aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige rotonde (buiten het te kopen perceel) is wel analytisch asbest (2mg/ kg.d.s.) aangetroffen. Deze blijft onder de waarde voor aanvullende onderzoek (50 mg/kg.d.s.). Uit het bodemonderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond geen verhoogde waarden zijn waargenomen. De aangetroffen licht verhoogde waarde aan minerale olie in de ondergrond is na uitsplitsing van het monster niet meer waargenomen.
PFAS is bepaald in een aantal monsters van de boven- en ondergrond. In alle monsters blijven de aangetoonde gehalten onder de tijdelijke achtergrondwaarden PFOA (0,8 mg/kg d.s) en PFOS (0,9 mg/kg d.s.). Er zijn acht peilbuizen geplaatst en bemonsterd. In het grondwater zijn licht tot matig verhoogde gehalten aan barium, chroom, nikkel en koper aangetroffen. Deze gehalten komen vaker voor in de gemeente Raalte en zijn meestal gerelateerd aan het agrarische gebruik van de grond. Ze leveren geen beperkingen op voor het gebruik van het perceel. De overige stoffen zijn niet in aangetoond in gehalten boven de achtergrondwaarden. TAUW heeft aanvullend onderzoek uitgevoerd (Resultaten bemonstering Molenweg, Tauw, 28 januari
53
2020, bijlage 2) ter plaatse van het mengmonster MM03 uit het Verkennend bodemonderzoek van Hunneman. Daarbij zijn op dezelfde locatie vier boringen geplaatst. De monsters zijn separaat onderzocht op bestrijdingsmiddelen. In geen van deze monsters zijn verhoogde gehalten aangetoond en daarmee zijn de gevalideerde waarden uit het verkennend onderzoek bevestigd.
5.3.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.
5.4
Cultuurhistorie en archeologie
5.4.1
Wet- en regelgeving
Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Deze nieuwe wet maakt deel uit van de (gewijzigde) Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De WAMZ verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Sinds 1 januari 2012 is het verplicht in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden (art. 3.1.6, van het Besluit ruimtelijke ordening). Daarvoor moet in de toelichting van het plan een afweging worden opgenomen over het voorkomen van cultuurhistorische waarden in het gebied en de wijze waarop deze cultuurhistorische waarden - indien noodzakelijk - in het plan worden geborgd.
5.4.2
Situatie plangebied
Uit het bureauonderzoek (Plangebied Noordzijde Molenweg te Heino, Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, RAAP, 2 juli 2020, bijlage 3) is gebleken dat binnen het plangebied laarpodzolbodems aanwezig zijn. Dergelijke bodems behoren tot de hydropodzolbodems die erop wijzen dat in het verleden permanent of periodiek met water waren verzadigd. Binnen het relatief laaggelegen gebied zullen enkele verhogingen aanwezig zijn in de vorm van dekzandwelvingen die in de laatste ijstijd, het Weichselien, zijn ontstaan. Gedurende het Holoceen is de omgeving van het plangebied vermoedelijk met veen afgedekt. Op basis van de paleogeografische kaart betreft dit de periode tussen de midden ijzertijd en de Karolingische tijd/late middeleeuwen B. In de nieuwe tijd is het gebied ontgonnen en in gebruik genomen voor bewoning en als akker- en landbouwgrond. Door bodembewerking is waarschijnlijk een bouwvoor van 30 tot 40 cm ontstaan.
54
Uitsnede Verwachtingskaart bureau-onderzoek, plangebied blauw omkaderd
Op basis van het bureauonderzoek kunnen binnen het plangebied zones met een lage-, een middelhoge- en een hoge archeologische verwachting aangewezen worden. Een lage verwachting is toegekend aan de laaggelegen gebieden (geel). Een middelhoge verwachting is toegekend aan gebieden waar gradiëntzones van dekzandwelvingen aanwezig zijn (oranje). Een hoge verwachting is toegekend aan het hooggelegen deel in het noordoosten van het plangebied, dat tegen de dekzandrug ten oosten van het plangebied ligt (rood). Geadviseerd wordt om het de gebieden met een middelhoge en hoge archeologische verwachting in het plangebied in situ te beschermen. Om verstoring van de vindplaats(en) te voorkomen wordt/worden de volgende maatregelen geadviseerd: een maximale verstoringsdiepte van de bovengrond van 30 cm -mv. Indien behoud in situ van deze gebieden niet tot de mogelijkheden behoort dat wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren.
55
Uit dit vervolgonderzoek (Plangebied Molenweg te Heino, Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), RAAP, 30 september 2020, bijlage 4) is gebleken dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Het veldonderzoek toont aan dat ook binnen gebieden met een middelhoge en hoge archeologische verwachting sprake is van landschappelijk lage en natte ligging. Hoewel er zelfs binnen deze welvingen onderscheid kan worden gemaakt tussen hogere en lagere delen, tonen de vrij siltige aard van de natuurlijke ondergrond en de oxidatieverschijnselen in de bouwvoor aan dat de lage ligging voor het gehele onderzoeksgebied geldt. Bovendien is aangetoond dat de oorspronkelijke podzolbodem volledig is verploegd. Binnen het onderzoeksgebied worden derhalve geen archeologische resten verwacht. De archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar laag. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).
Binnen het plangebied komen geen cultuurhistorisch relevante objecten voor.
5.4.3
Conclusie
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.
5.5
Ecologie
5.5.1
Wet- en regelgeving
Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming (WNB) van kracht. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden in deze wet geïntegreerd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het bouwen van woningen of het dempen van wateren kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). De WNB regelt ook de gebiedsbescherming van Natura 2000 gebieden en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland. De provincies kunnen ook andere gebieden aanwijzen vanwege landschappelijke en/of natuurlijke waarden.
In de bescherming worden ook de gevolgen van de stikstofdepositie door de geplande ontwikkeling op de beschermde gebieden meegenomen. In de WNB is ook de bescherming van houtopstanden (bossen, rijenbeplantingen, houtwallen, heesteren struikhagen, struwelen of beplantingen van bosplantsoenen) geregeld. Dit is van toepassing als er kap nodig is van een houtopstand die buiten de vastgestelde bebouwde kom houtopstanden ligt en die
56
groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of voor bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer. Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”