CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

211028 BP Heino, woningbouwlocatie Molenweg 2750-101

Raadsvergadering 9 december 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Heino, woningbouwlocatie Molenweg Heino (bespreekstuk)28.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan Heino, woningbouwlocatie Molenweg

Gemeente Raalte 28 oktober 2021 Vastgesteld

Gemeente Bestemmingsplan Voorontwer

Plannummer: NL.IMRO.0177.BP20210003-VG01 -

Toelichting Regels Verbeelding

Vastgesteld 28 oktober 2021 Projectnummer 2750-101

Gemeente Raalte Toelichting, deel uitmakende van het Bestemmingsplan Heino, woningbouwlocatie Molenweg Vastgesteld

Plannummer: NL.IMRO.0177.BP20210003-VG01 Vastgesteld door de gemeenteraad op ..-..-…. Plan onherroepelijk per ..-..-….

Inhoudsopgave Toelichting

Toelichting

5

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

Hoofdstuk2 Beleid 2.1 Inleiding 2.2 Rijksbeleid 2.3 Provinciaal beleid 2.4 Regionaal beleid 2.5 Gemeentelijk beleid

9 9 9 11 21 24

Hoofdstuk3 Huidige situatie 3.1 Ontstaansgeschiedenis 3.2 Huidige situatie plangebied

31 31 33

Hoofdstuk4 Planbeschrijving 4.1 Inleiding 4.2 Stedenbouwkundig plan 4.3 Woningen 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Groen, water en speelvoorzieningen 4.6 Duurzaamheid

39 39 39 42 46 48 48

Hoofdstuk5 Milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bedrijven en milieuzonering 5.3 Bodem 5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.5 Ecologie 5.6 Externe veiligheid 5.7 Geluid 5.8 Geur 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Luchtkwaliteit 5.11 Water 5.12 Milieueffectrapportage

51 51 51 53 54 56 61 64 67 68 68 69 73

Hoofdstuk6 Juridische vormgeving 6.1 Plansystematiek 6.2 Opzet en toelichting van de planregels

75 75 75

Hoofdstuk7

77

Economische uitvoerbaarheid

2

Hoofdstuk8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.2 Inspraak 8.3 Ter inzage legging

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Bodem verkennend onderzoek

Bijlage 2

Bodem aanvullend onderzoek

Bijlage 3

Archeologie bureauonderzoek

Bijlage 4

Archeologie veldonderzoek

Bijlage 5

Ecologie quickscan

Bijlage 6

Ecologie ooievaar en torenvalk

Bijlage 7

Ecologie aanvullend

Bijlage 8

Stikstofdepositie

Bijlage 9

Externe veiligheid

Bijlage 10

Geluid wegverkeerslawaai

Bijlage 11

Geluid industrielawaai

Bijlage 12

Geur

Bijlage 13

Waterhuishoudkundig plan

Bijlage 14

Grondexploitatie

Bijlage 15

Zienswijzennota

3

79 79 79 79

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1

Aanleiding

De gemeente Raalte wil aan de Molenweg in Heino een nieuw woongebied ontwikkelen. De locatie aan de noordwestzijde van de kern zal aan ongeveer 110 woningen plaats bieden. De woningen zullen bestaan uit een gemêleerd programma (goedkoop, midden, duur) en biedt ruimte voor initiatieven (CPO). Het plan wordt zorgvuldig ingepast in het dorp en het landschap. Bij het ontwikkelen van de woningen wordt veel waarde gehecht aan actuele thema's als duurzaamheid, klimaatadaptie en natuurinclusiviteit, waarbij er in het plan veel ruimte is voor water en groen. Daarnaast is een goede ontsluiting en goede verbindingen voor langzaam verkeer van belang. Er moet een helder raamwerk ontstaan waarbij de woonvelden flexibel ingevuld kunnen worden.

Het vigerende bestemmingsplan laat het beoogde gebruik en de bouw van woningen niet toe. Het gemeentebestuur heeft besloten onderhavig bestemmingsplan in procedure te brengen om de beoogde functies, bouwwerken en de aanleg hiervan mogelijk te maken. Het stedenbouwkundig plan voor de Molenwijk is vertaald naar dit bestemmingsplan.

1.2

Plangebied

Het plangebied is aan de noordwestkant van de kern Heino. De noordgrens wordt gevormd door een terrein met recreatiewoningen, Landgoed Old Heino. Aan de oostzijde ligt een boerenerf met daarachter bedrijventerrein Het Zeegsveld. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de Molenweg met de woonbuurt Kiezebos. Aan de westkant ligt het agrarisch landschap. Het plangebied is ca. 5 hectare groot.

5

Luchtfoto (plangebied rood omcirkeld), bron: Google Earth

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De gronden in het nieuwe bestemmingsplan zijn onderdeel van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Raalte’ (geconsolideerd). De basis van dit geconsolideerde plan wordt gevormd door het moederplan Buitengebied Raalte, vastgesteld op 8 juni 2012. Tegen dit moederplan is een reactieve aanwijzing ingediend door de provincie (10 juli 2012) en er zijn uitspraken gedaan door de Raad van State (op 17 juli 2013 met betrekking tot de reactieve aanwijzing en op 18 december 2013 met betrekking tot de beroepen in hoofdzaak). In de geconsolideerde versie zijn vervolgens de 1e en 2e correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Raalte verwerkt. Deze herzieningen zijn vastgesteld op 30 mei 2013 (correctieve herziening) en 19 februari 2015 (2e correctieve herziening). Daarnaast is een aantal postzegelbestemmingsplannen en wijzigingsplannen opgenomen in de geconsolideerde versie van het bestemmingsplan Buitengebied Raalte.

6

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Raalte (plangebied rood omkaderd), bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

In het vigerende bestemmingsplan hebben de gronden voor het grootste deel de bestemming ‘Agrarisch’ en voor een klein deel, ter plaatse van de kruising Molenweg en De Rikke, de bestemming 'Verkeer'. De nieuwe ontwikkelingen passen niet binnen deze bestemmingen en/of de bestaande begrenzing hiervan.

1.4

Leeswijzer

De toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 is de toetsing van het project aan het beleid van het Rijk, provincie en gemeente beschreven; in hoofdstuk 3 wordt de bestaande situatie weergegeven; in hoofdstuk 4 is de beschrijving van het plan opgenomen; in hoofdstuk 5 zijn alle aspecten op het gebied van het milieu en leefkwaliteit beschreven; hoofdstuk 6 omvat de juridische planbeschrijving; hoofdstuk 7 beschrijft de economische uitvoerbaarheid; in hoofdstuk 8 zijn de resultaten opgenomen van inspraak en overleg.

7

8

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1

Inleiding

Op bestuurlijk niveau zijn beleidsuitspraken geformuleerd die onder meer betrekking hebben op het plangebied. Dit hoofdstuk bevat een korte samenvatting van de voor het bestemmingsplan van belang zijnde nota's en studies. Het milieubeleid, dat is vastgelegd in diverse wetten en waarvoor specifiek onderzoek moet worden uitgevoerd, is opgenomen in hoofdstuk 5 (Milieu).

2.2

Rijksbeleid

2.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Daarmee is het nieuwe nationale ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van kracht geworden. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De rijksoverheid richt zich op nationale belangen. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; De bereikbaarheid verbeteren; Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Voor het verbeteren van de milieukwaliteit gaat de nota uit van de (internationaal) geldende normen. Verder gaat de nota uit van ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten, het gaat daarbij om de (herijkte) EHS (inmiddels Natuurnetwerk Nederland geheten) en Natura 2000-gebieden.

Voor het plangebied zijn geen specifieke opgaven bepaald. De ontwikkeling heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

9

2.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Ten behoeve van de bescherming van de in de SVIR genoemde nationale belangen, worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor de lagere overheden als provincie en gemeente. In het Barro worden de kaderstellende uitspraken uit de SVIR bevestigd. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro. Doel van het Barro is om onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken, danwel te beschermen. Het gaat hierbij onder meer om de volgende onderwerpen: rijksvaarwegen, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, Ecologische Hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

Geen van deze nationale belangen speelt een rol binnen de begrenzing van het plangebied.

2.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en moet overprogrammering worden voorkomen. Om beide te bereiken wordt een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waardoor artikel 3.1.6 lid 2 Bro aangeeft dat: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

2.2.4

Conclusie

Op basis van bovenstaande samenvattingen van de van belang zijnde beleidsnota's kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het rijksbeleid.

10

2.3

Provinciaal beleid

2.3.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie schetst de provinciale visie op de ruimte in Overijssel. Onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur komen aan bod. In de Omgevingsverordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel 2017 vastgesteld. De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening worden actueel gehouden met een jaarlijkse actualisatieronde. Eerder vastgestelde beleidswijzigingen worden dan verwerkt. Provinciale Staten hebben de Actualisatie 2018-2019 op 13 november 2019 gewijzigd vastgesteld. Deze Actualisatie treedt 1 december 2019 in werking.

De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. De Omgevingsvisie kent drie rode draden met elk hun eigen ambities: Duurzaamheid; 1. Een klimaatbestendig Overijssel; 2. Een duurzame energiehuishouding; 3. Kringlopen sluiten, ofwel: toegroeien naar een circulaire economie; 4. Beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur; Ruimtelijke kwaliteit; 1. Natuur als ruggengraat; 2. Een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel; 3. Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen; 4. Brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur; 5. Zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; 6. Het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken; 7. Sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; Sociale kwaliteit; 1. Het Overijssels ‘noaberschap’ koesteren; 2. Stimuleren van culturele identiteit; 3. Verbinden van de lokale kennis en energie met de ontwikkeling van provinciaal beleid en de uitvoering van ruimtelijke opgaven.

Het plan draagt met de klimaatbestendige inrichting van het plangebied en het gebruik van duurzame energie bij aan de ambities voor duurzaamheid. Ook de bestaande ruimte, bebouwing en infrastructuur beter en slimmer benutten is van toepassing op het plangebied doordat wordt aangesloten op de bestaande infrastructuur en de omringende bebouwing. Door de variatie in woningtypes en de groene opzet van het plan, waarin een natuurinclusieve inrichting een grote rol speelt, draagt het plan bij aan de ambities van een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus en de natuur als ruggengraat. Daarbij wordt aangesloten op de kenmerkende eigenschappen van het landschap in de omgeving.

Het plan draagt bij aan de ambities uit de provinciale omgevingsvisie.

11

2.3.2

Omgevingsverordening Overijssel

De Omgevingsverordening Overijssel wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid. De Actualisatie 2019/2020 is door Provinciale Staten op 3 maart 2021 vastgesteld.

Binnen de regels van de Omgevingsverordening zijn de onderstaande onderwerpen voor het plangebied van belang. Met betrekking tot de gebiedskenmerken valt het plangebied binnen de belevingslaag IJssellinie inundatiegebied, de natuurlijke laag Dekzandvlakte en ruggen en binnen het agrarisch cultuurlandschap in het Oude hoevenlandschap. Wat betreft de stedelijke laag valt het plangebied zelf in de categorie Verspreide bebouwing (geen kleur) en is het gelegen tussen Woonwijken 1955-nu (bruin) en Bedrijventerreinen (paars). De consequenties van deze verschillende lagen voor het plangebied worden beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken, deze wordt in de onderstaande paragrafen behandeld. Voor de verantwoording van de inpassing en de ruimtelijke kwaliteit van het plan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

Uitsnede kaart Stedelijke laag Omgevingsverordening, plangebied rood omkaderd

12

Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wat betreft deze bescherming van natuurgebieden wordt verwezen naar paragraaf 5.5 Ecologie van deze toelichting.

Het plangebied valt in het overstroombaar gebied. Hieronder vallen gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks) die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). Het plangebied is niet gelegen in een overstromingsrisicogebied of een waterbergingsgebied, maar valt onder de binnendijkse gebieden die bij een calamiteit onder water kunnen komen te staan. Een risico-inventarisatie overstromingen is daarom verplicht. De ernst van een overstroming wordt bepaald door: de maximale waterdiepte tijdens een overstroming (is af te leiden uit de risicokaart); de kans op een overstroming; de beschikbare tijd voor evacuatie/noodmaatregelen (hoe lang duurt het tot het water er is?).

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd) bron: GeoWeb 5.3 (gelderland.nl)

Het plangebied valt volgens de risicokaart binnen de gebieden met een kleine kans (1/1000 tot 1/10.000

13

jaar) op overstroming. Dit zijn de overstromingen vanuit het primaire systeem (bijvoorbeeld de IJssel of de Vecht) waar de dijken een strenge norm hebben. De maximale waterdiepte in het plangebied is daarbij 1,0-1,5 m. Bij de ontwikkeling van het plangebied zal het nog met ca. 0,6 meter worden opgehoogd. De maximale waterdiepte zal daarom lager uitvallen en is niet direct levensbedreigend. De woningen zijn voldoende hoog om op een hogere verdieping veilig te zijn. Het plangebied is aangesloten op de meest nabije hoofdontsluitingsweg, de Molenweg. Via de Molenweg is er richting de Zwolseweg een vlucht-/evacuatieroute mogelijk. Via deze route kan op een afstand van ca. 400 meter een gebied bereikt worden waar geen risico op overstroming meer is. Binnen het plangebied zijn geen functies of woningen voor mensen die verminderd zelfredzaam zijn gesitueerd. Daarnaast kunnen er bij het bouwen van de woningen nog rekening gehouden worden met waterrobuust bouwen, zoals het gebouw zodanig inrichten dat bij eventuele overstromingen de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. De vloer en de muren op de begane grond worden van waterrobuust materiaal gemaakt. De deuren kunnen waterdicht worden aangebracht en belangrijke apparatuur (zoals de noodstroomvoorziening) kan verhoogd of op de eerste verdieping gesitueerd worden. Daarmee zijn de risico's van een overstroming aanvaardbaar.

Met de onderbouwing in de genoemde paragrafen wordt aangetoond dat het plan niet in strijd is met de provinciale omgevingsverordening.

2.3.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Hierin wordt bepaald of een initiatief bijdraagt aan de ambities. In dit uitvoeringsmodel staan drie stappen centraal. 1. Of – generieke beleidskeuzes; 2. Waar – ontwikkelingsperspectieven; 3. Hoe – gebiedskenmerken. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etc. kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

Of – generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of de ontwikkeling nodig dan wel mogelijk is. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. Onderdeel hiervan is de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Van belang hierbij zijn integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

14

Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving). Bij het kiezen van woningbouwlocaties voor de woningbouwbehoefte (een gemêleerd woningbouwprogramma van 60 tot 100 woningen) van Heino is in 2018 en 2019 een uitgebreid proces doorlopen. Samen met inwoners en belanghebbenden in Heino heeft de gemeente gezocht naar de gewenste ruimtelijke invulling. Hierbij is geconstateerd dat uitleggebieden gelegen aan de randen van het dorp aansluitend aan bestaande bebouwing kansrijk zijn, omdat hier een groot deel van de maatschappelijke opgave (enkele tientallen tot honderd woningen) gerealiseerd kan worden. Daarnaast is er een aantal solitaire locaties (voor één of twee woningen) en inbreidingslocaties kansrijk, maar deze zijn niet voldoende om te voldoen aan de woningbouwbehoefte van Heino voor de komende tien jaar. Gedurende het proces hebben Provincie, Waterschap, Omgevingsdienst IJsselland (milieu), Veiligheidsregio IJsselland (veiligheid), GGD IJsselland (gezondheidsaspecten) en woningbouwcorporatie Salland Wonen (de zogeheten ketenpartners) advies over de kansrijke locaties uitgebracht.

Bij de beoordeling van de locaties zijn de volgende criteria gehanteerd: Inbreiding gaat vóór uitbreiding; Er is ruimte voor een breed woningbouwprogramma in voldoende aantallen; Een goede ontsluiting is mogelijk waarbij de bestaande wegen het extra verkeer aankunnen, al dan niet middels aanvullende maatregelen; Aansluiting bij bestaande bebouwingsstructuren en zorgvuldig ruimtegebruik; Realisatie is op afzienbare termijn mogelijk.

De keuze is uiteindelijk op de locatie aan de Molenweg gevallen, omdat hier voldaan wordt aan de criteria en er geen grote problemen verwacht worden op de verschillende milieu-aspecten. Vanwege de omvang van het gebied kan het totale woningbouwprogramma, inclusief de verschillende woningbouw typologieën, gerealiseerd worden. Voor de doelgroep senioren is deze locatie iets minder geschikt vanwege de afstand tot het centrum, maar gelet op de mogelijke inbreidingslocaties kan in die behoefte op andere locaties worden voorzien. Het gebied sluit aan bij bestaande bebouwingsstructuren. Het ligt weliswaar niet direct bij het centrum, maar scholen en sportvoorzieningen zijn wel relatief dichtbij. Er zijn geen bijzonder landschappelijke en archeologische waarden of grote wateropgaven en het gebied is goed te ontsluiten waarbij bestaande woonstraten niet met extra verkeer belast worden. Naar verwachting kan deze locatie binnen afzienbare tijd worden gerealiseerd. Het gebied heeft weinig planologische beperkingen, maar wel een aantal milieutechnische aandachtspunten. Hier kunnen echter passende maatregelen op getroffen worden in het stedenbouwkundig ontwerp.

Waar – ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie zijn zes ontwikkelperspectieven beschreven: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

15

Het plangebied valt binnen het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Dit richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Ligging van het plangebied (rood omkaderd) op de kaart met ontwikkelingsperspectieven Omgevingsvisie Overijssel

De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt past niet binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Met de ontwikkeling van het woongebied wordt het plangebied onderdeel van de bebouwde kom van Heino. Het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten stedelijke netwerking' is dan van toepassing. Hiervoor geldt dat steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken altijd mogen bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering

16

(bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Het ontwerp voor het plan is zodanig dat hieraan wordt voldaan. Het is een plan met een ruime groene opzet met voldoende ruimte voor klimaatadaptatie. Voor een verdere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving). In hoofdstuk 5 blijkt uit het waterhuishoudkundig plan dat er goed wordt afgestemd op het watersysteem en dat de ontwikkeling niet tot belemmeringen leidt voor omliggende bedrijven.

Hoe - gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Dit wordt verder uitgewerkt in de Catalogus Gebiedskenmerken, die in onderstaande paragraaf wordt behandeld.

2.3.4

Catalogus Gebiedskenmerken

De provincie Overijssel heeft met de Catalogus Gebiedskenmerken, als onderdeel van de verordening, een krachtig beleidsinstrument in handen om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. De Catalogus Gebiedskenmerken beschrijft voor alle gebiedstypen in Overijssel welke kwaliteiten en kenmerken behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden. In de Catalogus Gebiedskenmerken wordt per gebiedstype beschreven: de kenmerken die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebiedstype; de ontwikkelingen die spelen; de ambitie en visie op de toekomst van het gebiedstype; de sturing die realisatie van de visie mogelijk maakt.

Het plangebied valt binnen de natuurlijke laag Dekzandvlakte en ruggen, binnen de laag van het agrarisch cultuurlandschap in het Oude hoevenlandschap, binnen de stedelijke laag Verspreide bebouwing en binnen de belevingslaag in het IJssellinie inundatiegebied.

Dekzandvlakte en ruggen Voor Dekzandvlakte en ruggen wordt bij de kenmerken aangegeven dat de dekzandgronden een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie beslaan. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Het natuurlijk bostype bestaat uit wintereiken-beukenbos op de hoogste delen, tot berken-zomereikenbos en elzen-eikenbos in de lagere delen. Bij ontwikkelingen staat dat in de occupatiegeschiedenis de dekzandgebieden voor het overgrote deel in cultuur zijn gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heideontginningslandschap.

17

Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke' soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. De sturing heeft als norm dat de dekzandvlakten en ruggen een beschermende bestemmingsregeling krijgen, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

Het plangebied kent een relatief lage ligging. De kenmerken van het oorspronkelijke landschap zijn in het plangebied niet heel duidelijk beleefbaar, het gebied is in cultuur gebracht voor de landbouw. In het stedenbouwkundig plan voor de locatie wordt wel rekening gehouden met de lijnen en richtingen die in het bestaande landschap voorkomen, met de bouwvlakken in dit bestemmingsplan wordt dat verder vastgelegd. Daarnaast is er in het plan ruimte voor een natuurlijk watersysteem met wadi's en wordt er gebruik gemaakt van streekeigen landschapselementen en beplanting voor de inrichting van de randen en de openbare ruimte in het plangebied. Er wordt daarmee zo veel mogelijk aangesloten bij de kenmerken van de natuurlijke laag.

Oude hoevenlandschap Kenmerkend voor het oude hoevenlandschap is een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het is een essenlandschap in het klein met een samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening komt vanuit de erven, die de 'organische' vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven. Het zijn contrastrijke landschappen met veel variatie op de korte afstand: open es, kleinschalige flank met erf, kleinschalige natte laagtes met veel houtwallen, open heidevelden en -ontginningen. Daartussen: kleinere (boven)lopen van beken. De schaal van de erven is middelgroot met verschillende volumes en zware beplantingen van eiken en houtwallen. Bij de ontwikkelingen wordt aangegeven dat de samenhang tussen erven, essen, flanken, heide(ontginningen) en laagtes verdwijnt.

Het open karakter van de essen wordt bedreigd door toename van bebouwing, en grondgebruik bij voorbeeld boomteelt. Vanwege de kleinschaligheid van het hoevenlandschap is dit landschapstype gevoeliger voor verandering dan bij voorbeeld het essenlandschap. Schaalvergroting in de landbouw en toename van burgererven veranderen het karakter van dit kleinschalige werklandschap. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er volop

18

mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. De norm bij sturing is dat de essen en esjes een beschermende bestemmingsregeling krijgen, gericht op instandhouding van de karakteristieke openheid, de bodemkwaliteit en het reliëf. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid. Ontwikkelingen vergroten de toegankelijkheid van erven en erfroutes.

Met de ontwikkeling van het woongebied wordt het plangebied onderdeel van de bebouwde kom van Heino. Het valt daarmee niet onder de ontwikkelingen die genoemd worden bij de beschrijving van het oude hoevenlandschap. De dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap worden door het plan niet aangetast. De nieuwe randen van het plangebied sluiten hier juist bij aan. De bestaande erven die in de directe omgeving van het plangebied voorkomen blijven in stand.

Verspreide bebouwing Kenmerkend voor de verspreide bebouwing is dat de agrarische erven van oudsher een hele sterke binding hebben met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze 'eenheid in handelen' ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broek- en heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende 'gewone' burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan. Bij ontwikkelingen wordt aangegeven dat bij de transformatie van de erven vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap vervalt. Daarbij heeft de oorspronkelijke 'eenheid in handelen', waarbij iedereen ongeveer hetzelfde deed, plaats gemaakt voor 'diversiteit in handelen': iedereen doet op zijn erf zijn eigen 'ding'.

De erven gaan daardoor binnen de landschappelijke eenheid steeds meer van elkaar verschillen. Nieuwe functies bepalen het aangezicht: of een erf in agrarisch gebruik is (grote stallen, werklijnen naar het landschap), er een aannemer of autobedrijf zit (kaal erf met een grote plaat verharding er omheen) of dat het bijvoorbeeld een woonerf is geworden (kleine erf, dicht in de beplantingen en een paardenweide). De ambitie is Levende erven! Opnieuw verbonden met het landschap, gaan de erven een serieus te verkennen alternatief woon/werkmilieu vormen. De erven die vrijkomen worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Sloop van de stallen is in bepaalde situaties een optie, maar soms worden de erven hierdoor zo klein dat ze als het ware verdampen. Deze robuuste erfensembles kunnen door het bieden van ruimte voor extra (vervangende) bebouwing een alternatief bieden voor - een deel van - de woningbouw en bedrijvenopgave elders, mits dit bijdraagt aan de lokale/regionale sociaal-economische ontwikkeling. Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, ligt hier een kans om unieke, echt Overijsselse woon/werk-, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling en expressie.

Cultuurhistorisch

19

waardevolle gebouwen en bouwwerken als identiteitsdrager van erftransformaties benut. Gebiedsgewijze aanpak van herstel erven en bebouwing volgens het 'Streekeigen huis en erf' concept. De norm bij sturing is dat de ontwikkeling van nieuwe erven bijdraagt aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd.

Met de ontwikkeling van het woongebied wordt het plangebied onderdeel van de bebouwde kom van Heino. Het valt daarmee niet onder de ontwikkelingen die genoemd worden bij de beschrijving van de kenmerken van verspreide bebouwing. Met het stedenbouwkundig plan wordt aangesloten op de kenmerken van het landschap en de bebouwing in de omgeving. In dit bestemmingsplan worden de bouwkenmerken (o.a. goot-/bouwhoogte, kapvorm, etc.) afgestemd op de bestaande bebouwing in de omgeving, zodat de woningen wat betreft bouwmassa en verschijningsvorm goed opgaan in het bebouwingskarakter van de omgeving.

IJssellinie inundatiegebied Het IJssellinie inundatiegebied waar het plangebied in valt binnen de belevingslaag maakt onderdeel uit van de categorie Bakens in de tijd: relicten van diverse aard uit verschillende perioden van de wordingsgeschiedenis van Overijssel. De essentie van de bakens in de tijd is, dat ze de verhalende laag toevoegen aan het landschap. Het zijn belangrijke ingrediënten in de opbouw van gebiedsidentiteit. De ambitie is het creëren van verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens die onderdeel van een groter geheel zijn, maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Voeg bakens van deze tijd toe. Behoud monumenten, karakteristieke gebouwen en cultuurhistorische waarden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves. Maak de bakens meer zichtbaar en ontwikkel recreatieve routes langs deze bakens met uitleg over de ontstaansgeschiedenis. De richting voor sturing is inventariseer de bakens in de tijd (bijvoorbeeld beeldbepalende cultuurhistorische elementen of objecten die het verhaal van de streek vertellen) behoud ze, benut en versterk ze, bijvoorbeeld met inrichtingsmaatregelen, wanneer ontwikkelingen in de nabijheid plaats vinden.

Binnen het plangebied of in de directe nabijheid ervan komen geen bakens voor. Ook in de bodem zijn gen archeologisch waardevolle objecten te verwachten (zie paragraaf 5.4). Deze hoeven dan ook niet in het plan verwerkt te worden. Wel wordt met het stedenbouwkundig plan rekening gehouden met de gebiedsidentiteit door de landschappelijke inrichting ervan te laten aansluiten op de omgevingskenmerken.

2.3.5

Conclusie

Op basis van de bovenstaande samenvattingen en de motivering in hoofdstuk 4 en 5 kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal beleid.

20

2.4

Regionaal beleid

2.4.1

Ambitiedocument Regionale Woonagenda's Overijssel 2021-2024

In het Ambitiedocument hebben de gemeenten in Overijssel, de provincie en de Woonkeukenpartners de eerste stap richting de regionale Woonagenda’s gezet. In het Ambitiedocument is de opdracht voor de regionale Woonagenda’s geformuleerd: agenda’s met ambities voor de lange termijn en afspraken voor de middellange termijn, aandacht voor de positie van Overijssel in de Nederlandse woonopgave, een integrale blik op de woningmarkt en een regionale vertaling die past bij respectievelijk West-Overijssel en Twente. Daar horen de volgende ambities bij: 1. Toevoegen van 60.000 woningen tot 2030 In de regionale woonagenda's gaan gemeenten en provincies de slag maken van sturen op aantallen naar sturen en verleiden op kwaliteit en toegankelijkheid. Er wordt een verbinding gelegd tussen nieuwbouw en herstructurering. De aantallen zijn de uitkomst van het sturen op kwaliteiten. 2. Inspelen en voorsorteren op veranderende woningvraag Tegelijkertijd met de bevolkingsgroei vindt een verandering van de huishoudenssamenstelling en leeftijdsopbouw plaats. Door vergrijzing, ontgroening en huishoudensverdunning neemt het aandeel kleine huishoudens fors toe. Dit leidt tot een gedifferentieerde kwaliteitsvraag binnen de regio's. 3. Verstedelijking en stedelijke vernieuwing De verstedelijking van onze regio's kan niet los gezien worden van economische- en mobiliteitsvraagstukken.

Gebiedsontwikkelingen dienen als belangrijke motor voor woningbouw en vragen om inbreiding en uitbreiding om de groei te accommoderen, altijd in samenhang met de regio. 4. Sterke dorpen en platteland in het regionale netwerk Sterke regio's bestaan uit sterke steden én sterke dorpen en platteland. De groene en ruime woonmilieus waarmee Overijssel zich onderscheidt, liggen voor een groot deel in de dorpen. Er wordt steeds meer naar de dorpen gekeken voor het verlichten van de woningbouwopgave in de steden. 5. Verduurzaming Het regionale schaalniveau komt om de hoek kijken als het gaat om het verbinden en sluiten van ketens, het verknopen van besparing en individuele woningen aan collectieve opwek op wijkniveau. Maar ook als het gaat om experimenteren en kennisdeling. 6. Versnelling Ondanks de inzet van provincie, marktpartijen, corporaties en gemeenten, stokt de woningproductie en wordt niet het benodigde tempo gehaald om tijdig voldoende nieuwbouwwoningen te realiseren. Versnelling wordt gerealiseerd door tegelijk in te zetten op inbreiding en uitbreiding, met bijpassende stimuleringsmaatregelen, samenwerkingsvormen en proces- en procedureafspraken. 7. Toegankelijkheid en doorstroming Naast dat de woningbouwproductie stokt, komt ook de doorstroming in de huidige woningvoorraad maar moeizaam op gang.

De toegang voor verschillende doelgroepen tot de woningmarkt staat daarmee onder druk. Strategische nieuwbouw is een manier om de kansen voor verschillende doelgroepen te verbeteren, maar het vraagt om een breed palet van interventies en samenwerking.

Het onderhavige plan vormt onderdeel van de invulling van de woningbehoefte van Heino. Het is daarmee

21

onderdeel van het toevoegen van de benodigde woningen en het versnellen van de productie. Ook draagt het bij aan een sterke regio door het versterken van het dorp. Binnen het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan is ruimte voor diversiteit in woningtypen en er is flexibiliteit mogelijk in de invulling. Daarmee wordt de ruimte geschapen om in te kunnen spelen op de woningbehoefte en de verschillende doelgroepen van het moment. Daarnaast zijn duurzaamheid en energiezuinigheid van belang, zowel bij de inrichting van het plangebied als de ontwikkeling van de woningen.

2.4.2

Woonagenda West-Overijssel 2021-2025

In de Woonagenda schetsen de 11 gemeenten in West-Overijssel en de provincie hun gezamenlijke inzet, gevoed met inbreng van woningcorporaties, marktpartijen en andere partners zoals bouwers, ontwikkelaars en woningcorporaties. De Woonagenda is het kader en kompas op de woningmarkt: waar werkt de regio met elkaar naartoe en hoe gaat dat samen gedaan worden. In de visie op het wonen wordt aangegeven dat een toekomstbestendige woningmarkt in West-Overijssel betekent: 1. een inclusieve woningmarkt: wonen voor iedereen 2. een toekomstbestendige leefomgeving: sterke steden en vitale kernen en buitengebied 3. een duurzaam en circulair woningbestand.

Vertrekpunt van de regionale Woonagenda is het lokaal én regionaal blijven bieden van woningen waar huidige en toekomstige inwoners behoefte aan hebben. Dat betekent dat gemeenten door nieuwbouw, transformatie en herstructurering woningen toevoegen die goed aansluiten op de bestaande en toekomstige vraag. Dat vraagt om een toekomstgericht kwalitatief programma op lokaal en regionaal niveau. Hierbij moet de identiteit en positie van de steden, dorpen en het buitengebied versterkt worden. Dat wordt gedaan door lokaal een breed palet van woonmilieus aan te bieden en door de unieke woonkwaliteiten van de regio te bewaken, verder te versterken en het aanbod ervan uit te breiden. Daarvoor worden in regionaal verband drie ruimtelijke woonstrategieën onderscheiden: 'ontspannen wonen', 'centraal wonen' en 'stedelijk wonen'. Voor het plangebied is van belang centraal wonen in de grote kernen, met als unieke kwaliteit dat je er relatief rustig kunt wonen met een goed voorzieningenniveau en een goede bereikbaarheid. Het gaat allereerst om kernen met een goede OV-/treinverbinding zoals Kampen, met een flinke omvang en ruimte voor grootschalige toevoegingen, en om Steenwijk, Dalfsen, Ommen, Hardenberg, Olst, Wijhe, Heino en Raalte. Zij bieden een breed aanbod van dorpse, groenstedelijke en suburbane woonmilieus. De behoefte aan dergelijke woonmilieus is groot.

Deze kernen vervullen daarom een belangrijke rol in de verstedelijkingsopgave van de Cleantech Regio en de regio Zwolle. De regio ziet kansen in deze kernen woningen en milieus toe te voegen om daarmee hun vitaliteit en economie kracht bij te zetten. Voor een toekomstbestendige leefomgeving is de uitdaging om de groeiende en veranderende woningbehoefte te accommoderen met behoud van omgevingskwaliteit, de menselijke maat en een duurzaam leefklimaat. Dit vraagt om programma's en gebiedsontwikkelingen (nieuwbouw, transformatie en herstructurering) die een impuls geven aan de kwaliteit van steden, dorpen en het platteland. Met het regionale woningbouwprogramma wordt ruim baan gegeven aan de lokale behoefte en wordt daar bovenop ingezet op het toevoegen van meer woningen in de grote kernen rondom mobiliteitsknooppunten. Zoveel mogelijk door inbreiding, maar op sommige plekken uitbreiding is ook uitbreiding nodig. Ruimtelijke kwaliteit is hierin leidend, het behoud van de unieke landschappen staat voorop. De regio bieden daarom ruimte aan specifieke en unieke woningen en woonmilieus in het buitengebied. Woonmilieus die passen bij de identiteit van het gebied en de kwaliteiten van het

22

landschap. Ook de projecten die vooral een autonome rol hebben, dragen bij aan de regio door de lokale opgave te faciliteren, waardoor men kan blijven wonen in de gemeente. Door ruimte te bieden aan verschillende doelgroepen om te (blijven) wonen in hun gemeente, versterkt de regio de toekomstbestendigheid en leefbaarheid van de dorpen en het platteland. Tot slot is een duurzaam en circulair woningbestand van belang. De regio staat - naast aardgasloze en (bijna) energieneutrale nieuwbouw - voor de enorme uitdaging om de bestaande woningvoorraad te verduurzamen en aan te passen aan energietransitie.

Voor de regio is het kwantitatief de opgave om tot 2030 35.000 - 40.000 woningen te realiseren. Hiervan bestaat 24.255 woningen uit de lokale behoefte tot 2030 en ca. 12.000 -14.000 aan extra ambitie/opgave. Dit is een forse opgave, het betekent dat er de komende tijd jaarlijks gemiddeld 3.500 4.000 woningen moeten worden toegevoegd. Dat is de helft meer dan de afgelopen jaren in de regio is gerealiseerd (gemiddeld 2.600 woningen per jaar). In de regio is momenteel de harde plancapaciteit 10.292 en de zachte plancapaciteit 15.511 woningen. In de periode tot 2025 wordt er vooral ingezet op het hard maken van de zachte plancapaciteit. Naast het hard maken van de huidige zachte plannen is er een aanvullende capaciteit gewenst van zo'n 9.197-14.197 woningen. Voor de gemeente Raalte wordt aangegeven dat de harde plancapaciteit 306 is en de zachte plancapaciteit 468 woningen. Om het regionale woningbouwprogramma in kwantiteit en kwaliteit kracht bij te zetten zijn regionale sleutelprojecten aangewezen. Heino Molenweg is daar onderdeel van en is opgenomen als sleutelproject om zo een bijdrage te leveren aan de versnelling van woningbouw. In de lijst is de status nog zacht, met dit bestemmingsplan worden de woningen onderdeel van de harde plancapaciteit.

Het toevoegen van nieuwe woningen gebeurt in beginsel door binnenstedelijke ontwikkeling en transformatie/herstructurering of in de directe nabijheid van bestaande kernen. De provincie Overijssel ondersteunt gemeenten hierbij door optimaal ruimte en medewerking te geven voor binnenstedelijk bouwen. Kwalitatief dient getoetst te worden of het plan en programma aansluiten op de behoefte, onderbouwd vanuit verschillende kwalitatieve indicatoren en lokaal/regionaal behoefteonderzoek zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de Woonvisie. De regio wil ook ruimte bieden aan uitbreidingsplannen op korte termijn, dat wil zeggen realisatie binnen vijf jaar. Suburbane uitleg zal immers nodig zijn om de vraag te kunnen bedienen. Ook bij uitbreiding wordt gekeken naar de verscheidenheid en complementariteit in woonmilieus en de aansluiting op de vraag naar de verschillende woningtypologieën en -segmenten, onderbouwd vanuit verschillende kwalitatieve indicatoren, nabijheid van openbaar vervoer en andere infrastructuur en lokaal/regionaal behoefteonderzoek. De regio streeft naar een inclusieve woningmarkt. Iedereen moet in de regio kunnen wonen in een woning die past. Naast voldoende en passende woningen gaat het ook om toegankelijkheid en betaalbaarheid. De regio stimuleert bijzondere woonconcepten.

Gemeenten streven naar 10-20% nieuwe, innovatieve woonvormen in het programma (afhankelijk van lokale situatie), zoals o.a. (C)PO en urban commoning. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor een actueel en onderbouwd woonbeleid en woningbouwprogramma, uitgesplitst naar segmentering, typologie en milieus. Het programma delen en bespreken ze jaarlijks met elkaar. De regio houdt elkaar daarbij scherp op kwaliteit en complementariteit.

Heino is genoemd als een van de grotere kernen die vanwege een goed voorzieningenniveau en een goede bereikbaarheid geschikt zijn voor uitbreiding. De Molenweg is dan ook genoemd als een van de sleutelprojecten voor het realiseren van de woningbouwprogrammering. Met het dorpse en groene

23

karakter, met aansluiting op de karakteristieken van het landschap van het plan draagt het bij aan de gewenste woonmilieus en een toekomstbestendige leefomgeving. Met de bijna energie-neutrale woningen en de klimaatadaptieve inrichting is het een duurzaam plan. Door de diversiteit in woningtypen, met ruimte voor nieuwe, innovatieve woonvormen zoals CPO, draagt het plan ook kwalitatief bij aan de wensen van de regio. Voor dit plan is al vanaf een vroeg stadium overlegd met de bewoners en stake-holders in Heino, waarbij gevraagd is hoe mensen willen wonen. De uitkomsten hiervan zijn gebruikt voor de opzet en de woningtypes van het plan. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

2.4.3

Conclusie

Onderhavig plan is als sleutelproject regionaal afgestemd, past in het regionale beleid en draagt samen met de andere in- en uitbreidingslocaties bij aan een evenwichtige en een gevarieerde opbouw van de woningvoorraad in de regio.

2.5

Gemeentelijk beleid

2.5.1

Omgevingsvisie Horizon Raalte 2040

In de omgevingsvisie staan drie kernopgaven centraal: 1. Hoe geven we vorm en invulling aan de ontwikkelingen in het buitengebied, zodat het een prettige plek blijft om te wonen, werken, ondernemen en recreëren? Het groene en agrarische karakter van het buitengebied is de kern van de identiteit van de gemeente. Dit krachtige en afwisselende landschap vormt de onderlegger van een nieuwe toekomst voor het landelijk gebied en zal daarom verder ontwikkeld en waar nodig beschermd worden. In de toekomst is het buitengebied een divers en modern productie- en werklandschap met toekomstbestendige landbouw, dat vitaal is, reuring kent, maar waar ook gewoond wordt en waar aandacht is voor de natuur- en landschapswaarden. Innovatie, technologie, klimaatdiensten en duurzame energieopwekking maken nadrukkelijk onderdeel uit van het nieuwe verdienmodel van het buitengebied, evenals brede nevenactiviteiten door agrariërs, zoals zorg, educatie of toerisme. 2. Hoe zorgen we dat bestaande wijken en dorpen leefbaar en aantrekkelijk blijven? Raalte omarmt de verduurzamingsopgave van de wijken en dorpen en de demografische veranderingen die hier plaatsvinden. De gemeente ziet de noodzaak en kans om samen te werken aan een verbouwing van wijken en dorpen tot duurzame, gezonde, klimaat- en levensloopbestendige leefomgevingen. Transformatie is de kans om ruimte te geven aan nieuwe woonvormen.

Gemeente Raalte als proeftuin waarin gemeente, bewoners en bedrijven samen invulling geven aan eigentijds wonen. In de gemeente kunnen jong én oud, arm en rijk, een passende woning vinden doordat vol wordt ingezet op diversiteit; er is ruimte voor flexibel ontwikkelen en renoveren en nieuwe manieren van collectief wonen. Er is voor ieder wat wils. Nieuwbouw in de dorpen heeft een voorbeeldfunctie, daar laat de gemeente zien dat het anders kan en dat inwoners de ruimte krijgen om anders, flexibel en samen invulling te geven aan de opgaven. Daarbij worden de kansen gepakt die het lokale bedrijfsleven biedt, in de bouw en innovatieve maakindustrie. 3. Hoe creëren we de optimale randvoorwaarden voor wonen, werken, ondernemen en recreëren in Raalte? De gemeente voelt zich onderdeel van een prachtige landelijke regio met sterke en leefbare dorpen

24

en steden. Als hart van Salland en kruispunt in de regio dragen we bij aan en maken we gebruik van alles wat de regio te bieden heeft; een rijk aanbod aan voorzieningen op bijvoorbeeld het gebied van cultuur, zorg en winkelen. Tegelijkertijd wil de gemeente dat Raalte als gemeente onderscheidend is en zich aanvullend ontwikkelt op de drukte en reuring in Deventer, Zwolle en Twente. In Raalte als levendig hart van Salland vind je alles wat je niet in de stad vindt. Hier kun je rustig en ruim wonen in het groen, fietsen en wandelen door het agrarisch landschap en de natuur, er is gemeenschapszin en ruimte voor ondernemen en initiatief. De gemeente Raalte sluit in economische zin aan op wat de regio te bieden heeft en pakt de kansen die dit haar biedt. Het sterke MKB en de innovatieve agrarische sector blijven met de aanwezigheid van jong en goed opgeleid personeel klaar voor de toekomst.

Relevant voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt zijn onderstaande thema's die binnen de kernopgaven zijn aangegeven. Bij nieuwe ontwikkelingen, zoals het inpassen van duurzame energieopwekking, agrarisch vastgoed of woningbouw ontstaan kansen om ook de kwaliteit van het landschap te verbeteren. Ook in het nemen van klimaatadaptieve maatregelen ziet de gemeente grote kansen. Het veranderende klimaat leidt tot extremer weer, waarin langdurige droge periodes en extreme regenval, met wateroverlast tot gevolg, elkaar afwisselen. Dit zijn niet alleen grote opgaven, maar ook grote kansen om tegelijkertijd te werken aan de landschappelijke kwaliteit. Zo ziet de gemeente het aanplanten van bomen en heggen of het ruimte bieden aan waterberging als ontwikkelingen die het landschap juist versterken. Er wordt gekozen voor de inzet van flexibele en collectieve woonconcepten bij nieuwbouw en transformatie. Zo wordt gezorgd voor diversiteit en doorstroming en hebben wijken en dorpen in de toekomst meer te bieden. Het woningaanbod in de gemeente Raalte is nu relatief weinig divers. Een groot aandeel van de woningvoorraad bestaat uit eengezinswoningen, vaak rijwoningen, twee-onder-een-kap of vrijstaand.

Dit zijn relatief grote woningen waar nu en ook op korte termijn vraag naar is, maar die op de lange termijn niet meer passend zijn voor de groeiende groep een- en tweepersoonshuishoudens. De gemeente kiest daarom bij nieuwbouw en transformatie voor een meer diverse woningvoorraad die beter aansluit op de toekomstige vraag. Niet alleen voor starters, maar ook voor ouderen. Hierdoor ontstaat doorstroming die alle vragers op de markt ten goede komt. In nieuwe planvorming moet er daarom ruimte worden geboden aan flexibel en collectief bouwen. De gemeente kiest voor nieuwbouw en transformatie binnen bestaand bebouwd gebied waarbij woningbouw zo min mogelijk ten koste gaat van waardevol groen, binnen en buiten de kern. Raalte wil spaarzaam omgaan met de natuur; het waardevolle groen binnen en buiten de kern. We pleiten daarom voor renovatie en transformatie van bestaand bebouwd gebied, voordat wordt overgaan tot uitbreiding. Lucht en ruimte in het dorp is belangrijk voor de kwaliteit van leven (gezondheid) en ook met het oog op klimaatbestendigheid. Inbreiding gaat voor uitbreiding, maar we bouwen niet alle vrije ruimte vol. Het heeft ook voordelen voor het draagvlak van voorzieningen in de buurt en het efficiënter gebruik van infrastructuur. De gemeente staat open voor woningbouw voor een bovenlokale behoefte.

De dorpen blijven leefbaar door in elk dorp ruimte te geven voor woningbouw en bedrijvigheid zodat minimaal de autonome groei van bevolking en bedrijvigheid kan worden opgevangen. De gemeente wil bijdragen aan het oplossen van de woningschaarste in de regio en staat er voor open om meer ontwikkelruimte te bieden dan nodig is om de autonome groei op te vangen. Daarbij is het belangrijk dat in elk dorp ruimte blijft voor woningbouw, om minimaal de autonome bevolkingsgroei in de dorpen op te kunnen vangen. Dit is onder andere belangrijk voor de draagkracht van voorzieningen en daarmee de leefbaarheid. Een eventuele

25

'plus' (meer bouwen dan voor de lokale behoefte) laten we overwegend in de grotere kernen Raalte en Heino landen.

Het stedenbouwkundig plan dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt biedt ruimtelijke kwaliteit en ruimte voor klimaatbestendige maatregelen, waaronder wateropvang in een aantal grote wadi's. Ook is er ruimte voor collectief bouwen en worden er diverse woningtypen mogelijk gemaakt, met meer dan voorheen ruimte voor een kleiner woningtype. Door de flexibele opzet van de regels van dit bestemmingsplan is aanpassing in de invulling van de woningtypen in de loop van de tijd mogelijk. De locatie is wel een uitbreidingslocatie, omdat het plangebied met het aantal woningen dat gerealiseerd wordt zodanig groot is dat er geen inbreidingslocatie voor mogelijk is. De keuze voor deze locatie is in een uitgebreid proces met belanghebbenden en omwonenden bepaald. Hierbij zijn ook alle inbreidingslocaties in beeld gebracht waarvan een groot deel tot ontwikkeling zijn gekomen. Aanvullend was er nog behoefte die niet op inbreidingslocaties ingevuld kon worden. Met de woningbouwlocatie Molenweg wordt bijgedragen aan woningbouw voor de extra behoefte van de autonome groei van Heino en aan het in stand houden van het draagvlak van voorzieningen in de buurt. Voor de verantwoording van de inpassing en de ruimtelijke kwaliteit van het plan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).

2.5.2

Stedenbouwkundige visie Heino (2011)

Voor Heino is een stedenbouwkundige visie opgesteld. Deze vormt de leidraad bij verdere versterking van de ruimtelijke kwaliteit in Heino. In de visie zijn de volgende kwaliteitsopgaven aangegeven:

Groene kansen Versterken van de relatie tussen dorp en landschap (openhouden ‘schootsvelden’); Versterken laanstructuren; Versterken groene dorpsrand aan de noord- en westzijde van het dorp; Creëren van een heldere groenstructuur met samenhang (niet teveel perken, plantsoenen en overige autonome groenstructuren); Versterken erfbeplanting; Groene versterking van de lijn Lentheweg – Veld hoekerweg.

Blauwe kansen Zichtbaar maken van het water; Terugbrengen van verdwenen waterstructuren; Creëren van nieuw water.

Grijze kansen Inzetten op sterke straatprofielen (tegengaan versnippering en waarborgen continuïteit); Versterken van de karakteristieke brinkruimten; Zichtbaar maken van driesprongen van wegen (welke karakteristiek zijn voor het landschapstype); Aan de Dorpsstraat en Canadastraat inzetten op een versterking van de entrees tot de dorpskern, met ruimtelijke middelen.

26

Rode kansen Behoud van karakteristieke straatbeelden; Compact bouwen aan de kern; Kwaliteitsimpuls aan de noordrand; Bij gemengde functies de architectonische relatie tussen de beneden- en bovenverdieping herstellen en ontwikkelen; Nieuwbouw in schaal en maat zoveel mogelijk afstemmen op de omgeving; Specifiek ruimtelijk kader vaststellen bij de toevoeging van hogere bouwvolumes.

Uitsnede kaart Stedenbouwkundige visie Heino, plangebied rood omcirkeld

Het plangebied wordt aangegeven als toekomstige woonlocatie, waarbij de lijnen van het landschap zijn aangegeven als te versterken landschapsstructuur. Verder is de visie op de dorpsranden van belang voor het plangebied. Hier wordt aangegeven dat de dorpsranden de binding zijn tussen het dorp en het landschap. Een robuuste groene rand is het streefbeeld voor Heino. Een diffuse, informele groene rand is dorpseigen. Een dergelijke rand moet wel gerealiseerd worden met een voorkantenkwaliteit naar buiten gericht, waarbij ook achterkanten van bebouwing een dergelijke kwaliteit kan krijgen. Dorpsranden moeten vormgegeven worden binnen de landschappelijke structuur van essen en kampen. De verkavelingsrichting is bepalend voor de situering van woningen. Het landschap is daarbij maatgevend en dominant.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=a8b25510-31c2-467f-8725-68bc7222d5bf