CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

211028 BP Heino, woningbouwlocatie Molenweg 2750-101

Raadsvergadering 9 december 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Heino, woningbouwlocatie Molenweg Heino (bespreekstuk)28.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.5.2

Situatie plangebied

Er is een quickscan in het kader van de huidige natuurwetgeving voor het plangebied uitgevoerd (Rapport ecologische onderzoek en advies Molenweg (ong.) te Heino, Econsultancy, 23 juni 2020, bijlage 5). Hierbij is gekeken naar zowel soortbescherming als gebiedsbescherming.

Soortbescherming Ten aanzien van jaarrond beschermde broedvogels wordt in het onderzoek geconcludeerd dat er van de torenvalk en ooievaar een ingebruikzijnd nest aanwezig is binnen de onderzoekslocatie. Het beschadigen of vernielen van deze nesten betreft een overtreding van artikel 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Hiervoor is een ontheffing noodzakelijk. Het onderzoeksgebied van het ecologisch onderzoek is groter dan het daadwerkelijke plangebied waar woningen komen. De nesten vallen hierbuiten en zullen daarom niet verwijderd worden, waardoor een ontheffing niet noodzakelijk is. Dit wordt nader onderbouwd in een aanvullende rapportage (Rapportage mitigatie ooievaar en torenvalk, Molenweg ong. te Heino, Econsultancy, 26 oktober 2021, bijlage 6). De onderzoekslocatie maakt daarnaast mogelijk onderdeel uit van de functionele leefomgeving van de steenuil. Een nestplaats is niet uit te sluiten. In dat kader is een aanvullend onderzoek naar het gebruik van de onderzoekslocatie door de steenuil noodzakelijk. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door bij het verwijderen van nestgelegenheden en groen buiten het broedseizoen te werken. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd.

De groenstructuren op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor kleine marterachtigen. Ten aanzien van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) is daarom een aanvullend onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het gebied voor kleine marterachtigen te kunnen vaststellen en te bepalen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Ten aanzien van de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

57

Voor het plangebied is het aanvullend onderzoek uitgevoerd (Rapportage aanvullend ecologisch onderzoek Molenweg (ong.) te Heino, Econsultancy, 22 april 2021, bijlage 7). Voor de kleine marterachtigen is hierbij gebruik gemaakt van vijf cameravallen (bunzing) en marterboxen, zoals de Mostela of Struikrover (hermelijn en wezel). Er zijn gedurende het onderzoek géén bunzing, hermelijn of wezel vastgelegd op één van de camera's. Tevens zijn er tijdens geen enkel terreinbezoek sporen van marters aangetroffen. Het is daarmee met voldoende zekerheid uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van bunzing, wezel of hermelijn, waarmee overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van kleine marterachtigen uit te sluiten is. Voor de steenuil is een gebied dat een groot deel van het buitengebied ten westen van Heino bestrijkt onderzocht. Hierbij zijn in totaal op vijf locaties steenuilen waargenomen, gesteld kan worden dat het hier om vaste territoria gaat. Deze territoria zijn vrij evenredig verspreid over het buitengebied ten westen van Heino. Daarnaast kan met zekerheid worden aangenomen dat er op de onderzoekslocatie zich een territorium bevind van een mannetje steenuil en dat de onderzoekslocatie deel uit maakt van het functioneel leefgebied van de steenuil.

Een territorium van een steenuil bestaat over het algemeen uit een straal van 300 meter vanaf de nestplaats. Het leefgebied, van de steenuil met een straal van 300 meter, wordt een homerange genoemd. Omdat het leefgebied van de steenuil zo klein is, kan een klein oppervlakteverlies van het leefgebied al een grote impact hebben op de geschiktheid van het totale leefgebied. Op basis van de aangetroffen territoria in het onderzoeksgebied kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie is gelegen binnen de homerange (300 meter) van één steenuilenterritorium. Het totaal functioneel leefgebied binnen het territorium is zo'n 11 ha. Geschat wordt dat er 2,4 ha functioneel leefgebied verloren zal gaan op de planlocatie waar gebouwd zal worden. Daarnaast wordt verwacht dat het overgebleven leefgebied ten oosten van de planlocatie van zo'n 2,6 ha (op den duur) ook verloren zal gaan door de toekomstig geïsoleerde ligging, waardoor het geen onderdeel meer zal uitmaken van het functioneel leefgebied. Verwacht wordt dat het geschikte leefgebied met zo'n 45 % zal afnemen. Op basis hiervan is niet met zekerheid te stellen dat de nestlocatie duurzaam behouden kan blijven. Er zal, ter compensatie, een uitwijkmogelijkheid naar geschikt leefgebied in de directe omgeving moeten worden gerealiseerd.

58

Functioneel leefgebied steenuil (geel) binnen homerange. Rood gearceerd het plangebied waar gebouwd zal worden

Door de voorgenomen ingreep zal de nestlocatie zelf niet worden aangetast. Artikel 3.1 lid 2 (verbod op het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten en rustplaatsen, of het wegnemen van nesten) en artikel 3.1 lid 4 (verbod op het opzettelijk verstoren van vogels) wordt niet direct overtreden. Echter, bij de steenuil wordt bij ingrepen in het functioneel leefgebied, die er voor kan zorgen dat een steenuil onvoldoende leefgebied behoud, worden geïnterpreteerd als een overtreding van artikel 3.1. Immers voor het duurzaam in stand houden van een nestlocatie is voldoende voedsel binnen een straal van 300 meter noodzakelijk. Omdat in dit geval binnen de homerange een substantieel deel van het leefgebied verloren gaat en er aan de oostzijde (bebouwde kom) geen foerageermogelijkheden zijn is het op voorhand niet uit te sluiten dat na verloop van tijd de steenuil zijn territorium zal verlaten. Daardoor is er sprake van overtreding van artikel 3.1 (verbod op het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten en rustplaatsen, of het wegnemen van nesten). Hiervoor dient een ontheffingsaanvraag bij de provincie Overijssel aangevraagd te worden en zal compensatie worden verlangd. Om negatieve gevolgen voor deze soorten te voorkomen zal het verlies aan functioneel leefgebied gecompenseerd dienen te worden in de directe omgeving.

Voorwaarde hierbij is dat er vier alternatieve nestplaatsen worden aangeboden en het nieuwe leefgebied geschikt gemaakt wordt als foerageerhabitat door het realiseren van voldoende beschutting, vegetatie en zit-/uitkijkplekken. Deze maatregelen dienen worden beschreven in een projectplan. Dit projectplan zal getoetst moeten worden door de provincie Overijssel, middels een ontheffingsaanvraag. Gelet op de huidige bezetting van territoria in de omgeving is er ruimte voor een nieuw territorium aan de westzijde van de toekomstige woonwijk, waar al al (deels) geschikt habitat in de vorm van tuinen, 59

weilanden, houtwallen en poelen aanwezig is.

Potentieel leefgebied voor de steenuil (groen) tussen de bestaande territoria (geel) met voorgestelde locaties steenuilenkasten (rood)

De optie voor een nieuw leefgebied ten noorden van de Molenweg rond het erf van Molenweg 4a heeft de voorkeur, aangezien deze locatie al een deel overlap heeft met het huidige territorium van de steenuil. Hierdoor zal de kans groter zijn dat de steenuil het nieuwe leefgebied weet te vinden en accepteert. De ontheffingsaanvraag loopt momenteel nog. Deze zal bij voltooiing toegevoegd worden. In de regels bij dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee woningbouw pas mogelijk is als de ontheffing verleend is.

Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is gelegen binnen de invloedsfeer van het Natura-2000 gebied Rijntakken (circa 6,1 km afstand ten zuidoosten van het plangebied). Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstof-depositie zijn vanwege de afstand tot meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de aard en omvang van de werkzaamheden niet op voorhand uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt

60

noodzakelijk geacht.

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 400 m ten noorden van de onderzoekslocatie. In de provincie Overijssel hoeft voor nieuwe ontwikkelingen buiten het Natuurnetwerk niet getoetst te worden op externe effecten/werking van de voorgenomen ingreep. Aangezien de onderzoeklocatie buiten het gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland valt is vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland niet noodzakelijk.

Houtopstanden De te kappen bomen binnen de onderzoekslocatie vallen gezien het beperkte aantal en oppervlakte van de bomen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet Natuurbescherming. Overtreding van art. 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming is uitgesloten.

Stikstof Voor het plangebied is een berekening naar de stikstofdepositie uitgevoerd (Onderzoek stikstofdepositie Molenweg te Heino, Econsultancy, 25 maart 2021, bijlage 8). De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx ) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de bouw. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect van zowel de aanlegfases als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). Met betrekking tot zowel de inzet van materieel als de verkeersbewegingen is een worstcasescenario gehanteerd waarbij zowel de draaiuren als emissiefactoren in de praktijk waarschijnlijk lager zullen uitvallen. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

5.5.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

5.6

Externe veiligheid

5.6.1

Wet- en regelgeving

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Het gaat hierbij om risico's door stationaire (inrichtinggebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het 61

plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar die een persoon op een bepaalde plaats heeft om dodelijk getroffen te worden door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, indien de persoon zich continu maximaal blootstelt aan de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat een bepaald aantal personen dodelijk getroffen wordt door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, waarbij van de feitelijke omgevingssituatie wordt uitgegaan. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Dit houdt onder meer in dat er sprake is van een resultaatsverplichting om te voldoen aan de norm. Voor het groepsrisico is geen wettelijke norm vastgelegd maar wordt uitgegaan van een oriënterende waarde. Dit houdt in dat er een inspanningsverplichting is om te voldoen aan de norm. Het bevoegd gezag kan zo nodig, mits gemotiveerd en na belangenafweging, afwijken van deze norm. Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De regelgeving zoals die in het Bevi is opgenomen, is gericht op het beperken van de risico's van een ongeval met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijven) voor personen.

De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico zijn in het Bevi vastgesteld. Het externe veiligheidsbeleid met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen is in de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (nota Rnvgs) opgenomen. In de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is dit beleid verder uiteengezet. Dit beleid is waar mogelijk overeenkomstig het Bevi. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In het Bevb is bepaald dat er bij buisleidingen (veiligheids)zones aanwezig zijn.

5.6.2

Situatie plangebied

Voor het plangebied is een memo opgesteld m.b.t. externe veiligheid (Memo externe veiligheid, Aveco de Bondt, 18 maart 2021, bijlage 9). Hierin wordt aangegeven dat in de omgeving van het plangebied de volgende risicovolle bronnen zijn gelegen: Twee tankstations met opslag van LPG ten oosten van het plangebied; N35, aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen (Basisnet weg), ten noorden van het plangebied.

62

Ligging van het plangebied (rood gemarkeerd) ten opzichte van risicovolle bronnen

Het plangebied is niet gelegen binnen de risicocontouren van de tankstations met LPG vulpunt. Hierdoor is er geen belemmering of bestaat er geen verantwoordingsplicht voor de ontwikkeling van de woningen. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 380 meter ten opzichte van de N35 waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden. Ten aanzien van dit deel van de N35 (Wegvak O59) is er geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied of van een afstand voor het Plaatsgebonden risico. Wel is er sprake van een vaste afstand van het groepsrisico van 47. In dit geval wordt ruimschoots aan deze afstand voldaan. Gezien de N35 zich op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft de invloed van de planlocatie op de hoogte van het groepsrisico niet kwantitatief inzichtelijk gemaakt te worden. Uit de Regelgeving Basisnet en vervoersgegevens van IenW blijkt dat over het wegvak O59 brandbare vloeistoffen en brandbare gassen (LF1, LF2 en GF3) getransporteerd worden. De stof GF3 heeft hierbij de grootste 1% letaliteitsafstand, meer dan 355 meter. Het plangebied ligt derhalve ook buiten het invloedsgebied van de N35. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied niet gelegen is binnen de risicocontouren of invloedsgebieden van bedrijven, buisleidingen of aangewezen routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

63

5.6.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de woningen.

5.7

Geluid

5.7.1

Wet- en regelgeving

Wet geluidhinder De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten.

Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken, zie onderstaande tabel.

Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt 48 dB. De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB. Buiten de bebouwde kom bedraagt de uiterste

64

grenswaarde 53 dB.

Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A).

Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen. Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zo nodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden vastgesteld. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A).

5.7.2

Situatie plangebied

Voor het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit is zowel voor wegverkeerslawaai (Akoestisch onderzoek bouwplan Molenweg te Heino, Aveco de Bondt, 3 mei 2021, bijlage 10) als voor industrielawaai (Akoestisch onderzoek bedrijven tbv bouwplan Molenweg te Heino, Aveco de Bondt, 21 mei 2021, bijlage 11) gedaan. Overige geluidsaspecten, zoals spoorweglawaai en/of vliegtuiglawaai, zijn voor het onderhavige plan niet van toepassing.

Wegverkeerslawaai Vanwege het plan wordt de bestaande binnen de bebouwde komgrens op de Molenweg circa 400 meter verplaatst in westelijke richting, ter hoogte van Molenweg 4A. Hiermee wordt de maximumsnelheid op de Molenweg 30 km/uur ter hoogte van het plangebied. Daardoor is de weg niet zoneplichtig conform de Wet geluidhinder, waarmee de grenswaarden formeel niet van toepassing zijn. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen van deze weg inzichtelijk gemaakt om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De geluidbelastingen op de woningen langs het de Molenweg bedragen ten hoogste 53 dB, na aftrek artikel 110g Wgh. Dit is lager dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar ruimschoots lager dan

65

maximale ontheffingswaarde van 63 dB, die in de Wet geluidhinder wordt gehanteerd. Het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoals het plaatsen van een effectieve geluidscherm langs de Molenweg stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundig en landschappelijk aard. Een geluidreducerende wegdekverharding is onvoldoende effectief aangezien het motorgeluid maatgevend is bij 30 km/uur wegen. Met een geluidbelasting van ten hoogste 58 dB, exclusief aftrek art 110g Wgh, kan met de huidige stand van bouwen, mits geen ventilatieroosters worden toegepast, een geluidwering van 25 dB worden gehaald bij de nieuwe woningen. Hiermee wordt een binnenwaarde van 33 dB, zoals gesteld in het Bouwbesluit, geborgd. Opgemerkt wordt dat deze woningen minimaal één geluidluwe gevel hebben. Uit het voorgaande is gebleken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen.

Industrielawaai Het plan bevindt zich in de nabijheid van het bedrijventerrein ’t Zeegsveld waar allerlei bedrijven zijn gevestigd. Volgens het bestemmingsplan zijn bedrijven toegestaan t/m milieucategorie 3.2. In de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering zijn richtafstanden opgenomen die horen bij een bepaalde milieucategorie. Dit geeft een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Bij milieucategorie 3.2 hoort een richtafstand van 100 meter. Aan de westzijde van het bedrijventerrein bevindt zich het bedrijf De Haan Machinefabriek B.V. waarvan de 100 m contour over het plangebied valt. Verder zijn er geen andere geluidrelevante bedrijven gevestigd nabij het plangebied. Voor De Haan Machinefabriek B.V. is een gedetailleerd onderzoek uitgevoerd waarbij is getoetst aan de geluidvoorschriften die het bedrijf heeft. Bij De Haan Machinefabriek is tijdens een bedrijfsbezoek op 12 mei 2021 de bedrijfsvoering geïnventariseerd en zijn geluidmetingen aan de relevante geluidbronnen uitgevoerd. De uitgangspunten zijn ter goedkeuring voorgelegd aan het bedrijf en akkoord bevonden. Op basis van deze gegevens is een rekenmodel opgesteld om de werkelijke geluidniveaus te berekenen bij de nieuwe woningen. De berekeningen zijn uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999.

Uit de resultaten blijkt dat het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT op de nieuwe woningen ten hoogste 44 dB(A) in de dagperiode, 42 dB(A) in de avondperiode en 37 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de geluidvoorschriften van 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode die zijn opgenomen voor De Haan Machinefabriek. Voor de Maximale geluidniveaus LAmax blijkt dat het LAmax op de nieuwe woningen ten hoogste 67 dB(A) in de dagperiode (storten staal in container), 42 dB(A) in de avondperiode en 42 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de geluidvoorschriften van 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode die zijn opgenomen voor De Haan Machinefabriek. Geconcludeerd kan worden dat op de nieuwe woningen wordt voldaan aan de geluidvoorschriften voor De Haan Machinefabriek conform het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gesteld kan worden dat bij de nieuwe woningen geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het bedrijf De Haan Machinefabriek niet wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. De nieuwe woningen bevinden zich niet binnen de richtafstand van de overige bedrijven op ’t Zeegsveld . Er is geen nader onderzoek nodig.

Gesteld kan worden dat in het plangebied geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat deze bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering.

66

5.7.3

Conclusie

Het wegverkeerslawaai en industrielawaai vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van Molenwijk. Een goed akoestisch binnenklimaat wordt door maatregelen aan de woning gewaarborgd. Overige geluidsaspecten, zoals spoorweglawaai en/of vliegtuiglawaai, zijn voor het onderhavige plan niet van toepassing.

5.8

Geur

5.8.1

Wet- en regelgeving

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. De Wgv is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. De geuremissie van veehouderijen bepaalt de geurbelasting ter hoogte van een geurgevoelig object. De Wgv maakt onderscheid tussen dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en dieren waarvoor dat niet is gedaan. Melkkoeien of paarden zijn dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, hiervoor geldt een vaste afstand. Dieren met een geuremissiefactor zijn bijvoorbeeld varkens of kippen, hiervoor geldt een geurnorm. De geuremissiefactoren zijn vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij en worden uitgedrukt in odour units per seconde per dier. Door het aantal dieren binnen een bedrijf te vermenigvuldigen met de bijbehorende geuremissiefactor kan de geuremissie van een bedrijf worden bepaald. Voor geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom geldt een strengere norm dan voor objecten die buiten de bebouwde kom zijn gelegen. De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht. De wettelijke norm voor geur is 3 ouE/m3 zoals opgenomen in artikel 3 lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).

Indien kan worden uitgesloten dat de geurnorm van 3 ouE/m3 wordt overschreden in het plangebied kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook wordt de veehouderij dan niet belemmert in zijn bedrijfsvoering.

De Wet ruimtelijke ordening bewaakt de 'goede ruimtelijke ordening', zij heeft hiervoor onder meer de instrumenten structuurvisie en bestemmingsplan tot haar beschikking. De ligging van geurgevoelige objecten binnen de geurcontouren van veehouderijen is een onderwerp dat betrekking heeft op een goede ruimtelijke ordening. De Wgv heeft dus consequenties voor de goede ruimtelijke ordening. De geurnormen uit de Wgv zijn bedoeld om mensen in de omgeving van een veehouderij te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat een geurgevoelig object gerealiseerd wordt binnen een geurcontour. Dit principe wordt aangeduid als de 'omgekeerde werking' van de Wgv.

5.8.2

Situatie plangebied

Voor het plangebied is een memo opgesteld m.b.t.geur (Memo Geurhinder bouwplan Molenweg te Heino, Aveco de Bondt, 6 mei 2021, bijlage 12). Op basis van de door de Omgevingsdienst IJsselland verstrekte gegevens over de veehouderijen zijn de drie meest maatgevende bedrijven bepaald voor het plan Molenweg. Voor het beschouwen van de geurhinder in het plangebied Molenweg is uitgegaan van de worst case situatie waarbij onderstaande uitgangspunten zijn gebruikt:

67

De geuremissie van de drie maatgevende veehouderijen gelijk of hoger is dan opgegeven door de Omgevingsdienst IJsselland; Voor de beoordeling de geurhinderhindercontour van 2 ouE/m3 is gehanteerd in plaats van 3 ouE/m3 . De geurhindercontour van 2 ouE/m3 is namelijk groter dan de 3 ouE/m3 geurhindercontour. Op basis van de beschikbare informatie kan worden uitgesloten dat bouwplan Molenweg een belemmering is voor de bestaande veehouderijen omdat de geurhindercontouren (2 ouE/m3) van de drie maatgevende veehouderijen en de overige veehouderijen niet in de buurt komen van het plangebied. Daarnaast kan worden gesteld dat binnen het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur.

5.8.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen verdere belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

5.9

Kabels en leidingen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's.

Deze zijn in het plangebied niet aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1 Wet- en regelgeving De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. Gelijktijdig met het in werking treden van de nieuwe Wet luchtkwaliteit is de AMvB 'Niet in betekende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling 'niet in betekende mate' (Regeling NIBM) in werking getreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn onder andere: 6. Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen; 7.

Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen; 8. Bepaalde landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen . Bovenstaande projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

68

5.10.2 Situatie plangebied Dit bestemmingsplan maakt maximaal 110 woningen mogelijk en valt daarmee onder de projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen). Er is geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzicht gegeven in de luchtkwaliteit binnen het plangebied. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Raalte' is de luchtkwaliteit in de omgeving beschreven. Hierin wordt geconcludeerd dat er binnen de gemeente geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden voor fijn stof (PM10), stikstofdioxide (NO2) , benzeen en koolstofmonoxide. Ook uit de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) - een webapplicatie die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort - blijkt dat direct langs de maatgevende wegen ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wlk wordt voldaan. Op de kaart van de luchtkwaliteit van het RIVM (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat het plangebied binnen de grenswaarden blijft. De luchtkwaliteit zal in de komende jaren verbeteren door het effect van maatregelen die met name op rijksniveau zijn doorgevoerd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan schonere auto’s, verplichten van roetfilters op vrachtwagens en nieuwe auto’s en het stellen van strengere eisen aan de industrie.

Er is uit het oogpunt van luchtkwaliteit dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.10.3 Conclusie Het onderhavige bouwplan voldoet aan de Wet luchtkwaliteit en er zijn op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten.

5.11

Water

5.11.1 Wet- en regelgeving Sinds 1 november 2003 is de watertoets een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan. Het doel van het watertoetsproces is om in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te houden met water in ruimtelijke plannen en besluiten. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. Hierbij wordt het waterneutraal principe gehanteerd. Concreet houdt dit in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, er maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten op te kunnen heffen. Uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied. Daarnaast is er het Deltaprogramma 2015: Nederland veilig en leefbaar in de 21e eeuw, een nationaal programma met beslissingen en strategieën die Nederland de komende decennia moeten beschermen tegen hoogwater en moeten zorgen voor voldoende zoetwater. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gaan aan de slag om Nederland robuuster in te richten en de extremen van het klimaat veerkrachtig op te vangen.

Voor nieuwbouw is hierbij van belang het punt ruimtelijke inrichting: alle overheden gaan gezamenlijk en systematisch aan het werk om de bebouwde omgeving bij (her)ontwikkeling beter bestand te maken tegen hitte, droogte, wateroverlast en eventuele overstromingen. Dit betekent steden en dorpen waterbestendig inrichten en het water waar nodig de ruimte te geven. In 2050 moet heel Nederland meer klimaatbestendig zijn ingericht.

69

5.11.2 Situatie plangebied Het plangebied maakt deel uit van het beheergebied van waterschap Drents Overijsselse Delta. Het plangebied maakt deel uit van peilgebied 459. In het peilgebied geldt een flexibel peil met een minimum van NAP +0,9 m en een maximum van NAP +1,25 m. De belangrijkste afwatering in dit gebied betreft de hoofdwatergang ten zuiden van de Molenweg. Deze A-watergang verzorgt de afwatering van het noordelijke deel van het stedelijk gebied van Heino.

Watercompensatie Voor het plangebied is een waterhuishoudkundig plan opgesteld (Waterhuishoudkundig plan, Woningbouw Molenwijk Heino, RPS advies- en ingenieursbureau bv, 15 februari 2021, bijlage 13) waarin wordt getoetst of er voldoende waterberging en afvoer in het plan is opgenomen rekening houdend met een maatgevende neerslaggebeurtenis, zowel naar de norm van de gemeente als het waterschap. Onderdeel van de toetsing betrof de bepaling van de waterdoorlatendheid van de bodem in het plangebied. RPS heeft op drie locaties infiltratieproeven uitgevoerd. Deze uitkomsten zijn meegenomen in de toetsing van het wadi-systeem. Het plangebied voorziet niet in permanent openwater; neerslag van verhardingen wordt geborgen in een wadi-systeem, van waaruit het water infiltreert naar de ondergrond en afvoer plaatsvindt naar een hoofdafwatering. De wadi’s vallen na enige tijd droog omdat de bodem hoger ligt dan de hoogste grondwaterstand. Uit het stedenbouwkundig plan zijn kentallen met betrekking tot groen en verharding bepaald. Daarbij is onderscheid gemaakt in openbaar en uitgeefbaar. Alle neerslag van verhardingen wordt via een oppervlakkige afwatering afgevoerd naar lager gelegen wadi’s. Daarin vindt berging, infiltratie en afvoer plaats.

De gemeente hanteert verder de regel dat 2/9 van de neerslag op particulier terrein zelf dient te worden geborgen (en dus geen deel uitmaakt van de waterbalans met betrekking tot het wadi-systeem).

Het wadi-systeem bestaat uit een serie geïsoleerde laagtes in het noorden, midden en zuiden van het plangebied. Het stedenbouwkundig plan geeft nog geen inzicht welke delen van verhardingen afwateren naar de diverse wadi’s. Daarom heeft de toets betrekking op de totaalsommen van verhard oppervlak (particulier en openbaar) en totaaloppervlak van de wadi’s. Uit de berekeningen komt naar voren dat de wadi’s conform ontwerp voldoende groot zijn om een neerslaggebeurtenis van 90 mm in één uur en 111 mm in 48 uur te kunnen bergen. De peilstijging blijft nog juist onder het niveau van het groen en nog ruimschoots onder de wegverharding. De woningen blijven met de hogere vloerpeilen te allen tijde droog, ervan uitgaande dat de afvoer via de straat gegarandeerd is. De waterschijf in de wadi bedraagt 0,31 tot 0,36 m. Binnen twee etmalen vallen de wadi’s weer droog. De gemeente Raalte heeft aangegeven dat ook groengebieden anders dan wadi’s kunnen meedoen in de waterberging. In de berekeningen is uitgegaan van regenwaterberging primair in wadi’s en dat bij peilstijging ook delen van het groen meedoen in de tijdelijke berging. Deze aanname is reëel, omdat in de praktijk de groengebieden meedoen in de afvoer naar de lagere gebiedsdelen (wadi’s) maar ook voor een stukje tijdelijke berging zorgen, onder meer in de taluds en lagere delen.

Uit de analyse van bodem, water en maaiveldhoogte volgt dat het plangebied moet worden opgehoogd om te voldoen aan de gestelde ontwateringseisen van bebouwd gebied. De ophoging is bij benadering 0,4 – 0,5 meter. In verband met de matige doorlatendheid van de bodem wordt een grondverbetering met drainage

70

toegepast ter plaatse van de wadi’s. Deze grondverbetering bestaat uit het vervangen van het moedermateriaal door matig grof tot grof rivierzand met daarin een robuuste drainagebuis (diameter tenminste 250 mm). Daarnaast vormt deze drainage de verbinding tussen de wadi’s en zorgt voor de afvoer naar buiten het plangebied. Op een drietal centraal gelegen wadi’s wordt een zogenaamde “slokop” geadviseerd. Dit is een overstortput met aansluiting rechtstreeks op de drainage. Deze voorziening zorgt ervoor dat het waterpeil in de wadi’s niet verder kan stijgen dan een bepaald niveau. Dit is overigens alleen van belang als blijkt dat er een onbalans ontstaat tussen afwaterende verhardingen en berging. Aan de randen van het plangebied dient nog een detaillering van extra ont- en afwateringsmiddelen plaats te vinden. Die middelen zijn in de huidige situatie niet aanwezig. Het is van belang dat de overgang van stedelijk naar landelijk bestaat uit een afvoersloot/greppel. Hiermee ontstaat een duidelijke afscheiding tussen beide gebieden en treedt er geen wateroverlast op vanuit het opgehoogde stedelijke gebied naar het landelijke gebied. De hoofdafvoer van geïnfiltreerd neerslagwater verloopt in zuidelijke richting en sluit met een nieuwe verbinding aan op de hoofdwatergang aan de zuidzijde van de Molenweg om verder afgevoerd te kunnen worden.

Met een centrale afvoerput wordt de afvoer uit het plangebied gereguleerd. Hierop worden ook de bestaande en nieuw te graven greppels aangesloten. Tenslotte dient een nieuwe duiker onder de Molenweg te worden gerealiseerd. Ook het watersysteem van de omliggende sloten worden op deze nieuwe verbinding aangesloten, hiermee zal de realisatie van een nieuwe woonwijk bijdragen aan een verbetering van de huidige afvoer. Binnen het plangebied wordt alleen overtollig grondwater afgevoerd. Grondwater wordt geregeld met drainage en regenwater wordt afgevangen in de wadi's. Er is genoeg berging binnen het plangebied om een bui van 90 mm in een uur (herhalingskans eens in de 250 jaar) af te vangen. Bij 90 mm neerslag is er in het omliggende gebied nu niet voldoende berging. Dit heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding binnen het plangebied, maar voor de omgeving geldt dat met het leggen van de nieuwe verbinding onder de Molenweg door de doorstroming en daarmee de waterhuishouding verbeterd wordt.

Keur Elk waterschap stelt een keur vast waarin de gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen die het waterschap nodig oordeelt ter uitvoering van zijn taak: de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. Om dat doel te bereiken stelt het waterschap eisen aan het onderhoud van de wateren. Het is van belang dat de wateren blijven bestaan, de juiste afmetingen hebben en worden onderhouden. De legger is onlosmakelijk verbonden met de Keur Waterschap Drents Overijsselse Delta en de algemene regels bij de keur. In de keur staat wat er wel en niet mag en wat moet. In de legger staat waar de keur van toepassing is en is gedetailleerd vastgelegd wie wat in hoeverre moet onderhouden.

71

Uitsnede leggerkaart waterschap Drents Overijsselse Delta (plangebied rood omkaderd) bron: www.wdodelta.nl

Primair zijn de wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op regionaal en polderniveau. Het zijn wateren met een belangrijke publieke functie. Secundair is een stelsel van wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op perceelniveau met diverse belanghebbenden. Wateren dus met een beperkte publieke functie. In de Legger Wateren is beschreven wie onderhoudsplichtig is. De primaire wateren worden over het algemeen onderhouden door het hoogheemraadschap zelf; dit betreft dan het buitengewoon onderhoud, het onderhoud nat en het baggeren. De secundaire en tertiaire wateren worden onderhouden door de aanliggende eigenaren. Ten zuiden van het plangebied ligt een waterloop die volgens de leggerkaart van het waterschap een primaire waterloop is. Binnen het plangebied zelf liggen geen primaire, secundaire of tertiaire waterlopen. Er is hiervoor geen bestemming 'Water' binnen het plangebied nodig.

5.11.3 Conclusie Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg gestuurd aan het waterschap. Uit het waterhuishoudkundig plan blijkt dat wordt voldaan aan de eisen voor wateropvang en waterberging in dit peilgebied, het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

72

5.12

Milieueffectrapportage

5.12.1 Wet- en regelgeving Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevals-definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft. De drempelwaarden die in kolom 2 'gevallen' aangegeven staan, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Voor deze activiteiten, die boven de drempelwaarden van onderdeel D, maar beneden die van onderdeel C vallen, geldt niet een directe m.e.r.-plicht, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht. In deze m.e.r.-beoordelingsplicht moet het bevoegd gezag beoordelen of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten die beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D vallen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.,om te bepalen of (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden.

Als uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen mogelijk zijn geldt voor plannen, die deze activiteiten mogelijk maken, geen directe (plan-)m.e.r.-plicht. Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage inwerking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling hierover een expliciet besluit moet nemen: het m.e.r.-beoordelingsbesluit.

5.12.2 Situatie plangebied Het plan voorziet in de bouw van maximaal 110 woningen, een toename ten opzichte van de bestaande situatie. Dit valt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. De drempelwaarden voor een m.e.r.- plichtige activiteit zijn hierbij: Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Met de bouw van maximaal 110 woningen wordt hier ruimschoots onder gebleven. Het plan is daarmee niet planMER-plichtig, maar er dient een vormvrije m.e.r. -beoordelingsbesluit genomen te worden.

In de voorgaande paragrafen is het milieubelang van deze ontwikkeling in voldoende mate afgewogen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden. Voor de steenuil geldt dat de negatieve effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

73

5.12.3 Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

74

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1

Plansystematiek

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het vaststellen van een digitale versie is per 1 januari 2010 verplicht. De digitale versie is de juridisch bindende versie. Er blijft een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan bestaan. Bestemmingsplan 'Heino, woningbouwlocatie Molenweg' bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Heino, woningbouwlocatie Molenweg' zijn opgebouwd conform de door het SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

6.2

Opzet en toelichting van de planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de inleidende regels zijn alle gehanteerde begrippen nader omschreven (artikel 1). Ook is omschreven hoe er gemeten dient te worden (artikel 2). Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten, wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In de artikelen 3 t/m 7 is, per artikel, een bestemmingsomschrijving gegeven en zijn de bouwregels opgenomen. De bestemming 'Groen' (artikel 3) omvat de groene randen rondom het plan die de overgang vormen tussen de nieuwe woningen en de omgeving. Daarnaast heeft de centrale groene ruimte in het plan de bestemming Groen gekregen. De aanleg van diverse speelvoorzieningen en de wadi's zijn mogelijk binnen deze bestemming. Daarnaast is binnen deze bestemming o.a. de mogelijkheid voor realisatie van paden, inritten en parkeervoorzieningen, openbare kunst en nutsvoorzieningen opgenomen. De bestemming 'Tuin' (artikel 4) bevat de tuinen aan de voorzijde en in enkele gevallen de zijkant van de woningen. Binnen deze bestemming zijn, met uitzondering van erkers, balkons en dakoverstekken e.d., geen gebouwen toegestaan.

75

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' (artikel 5) heeft betrekking op de hoofdinfrastructuur: de ontsluitingswegen en de parkeerkoffers binnen het plangebied. Ook het woonpad rondom de nieuwe woningen valt binnen deze bestemming. Binnen deze bestemming is de mogelijkheid opgenomen voor de aanleg van voetpaden en (vrijliggende) fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water. Tevens is binnen deze bestemming de mogelijkheid voor realisatie van openbare kunst en nutsvoorzieningen opgenomen. Met de bestemming 'Wonen' (artikel 6) worden de woningen mogelijk gemaakt. Het exacte aantal woningen en de precieze ligging staan nog niet vast, daarom is gekozen voor een globale invulling. Hierdoor is het mogelijk om behalve woningen ook de bijbehorende voorzieningen zoals wegen, parkeren en groen mogelijk te maken. Binnen de bestemming Wonen wordt een aantal randvoorwaarden meegegeven zoals de maximaal toegestane bouwhoogte, de afstand van het hoofdgebouw tot de perceelsgrenzen, het maximum aantal woningen en de typen woningen die toegestaan zijn. Voor de CPO-gebieden is aangegeven wat het maximale aantal woningen in dat deel is. Daarnaast is er een totaal aantal woningen voor het gehele plangebied opgenomen.

Voor rijwoningen is aangegeven dat er maximaal 4 woningen op dezelfde rooilijn mogen staan, daarna is een verspringing in rooilijn of een scheiding tussen de woningblokken nodig. In de regels is een differentiatie binnen het gebied aangebracht. Naar aanleiding van de reacties van omwonenden op het stedenbouwkundig plan zijn aan de zuidzijde, langs de Molenweg, lagere goot- en bouwhoogtes toegestaan. Ook zijn hier geen rijwoningen mogelijk. Binnen deze randvoorwaarden kunnen verschillende plannen uitgevoerd worden, waardoor het stedenbouwkundig plan flexibel uitgewerkt kan worden. Omdat de ontheffingsaanvraag voor steenuilen nog loopt is in de regels bij Wonen een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee woningbouw pas mogelijk is als de ontheffing verleend is.

Hoofdstuk 3 Algemene regels De algemene regels omvatten een anti-dubbeltelregel (artikel 7), algemene bouwregels (artikel 8), algemene gebruiksregels (artikel 9), algemene afwijkingsregels (artikel 10) en overige regels (artikel 11). In de algemene bouwregels is een algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten opgenomen. In de algemene gebruiksregels wordt aangegeven wat er onder strijdig gebruik wordt verstaan. In de algemene afwijkingsregels staat vermeldt welke algemene wijzigingen ten opzichte van het bestemmingsplan zijn toegestaan. In de overige regels zijn de regels met betrekking tot parkeren opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hierin zijn de overgangsregels ten aanzien van bouwwerken en ten aanzien van het gebruik opgenomen (artikel 12). De regels eindigen met de slotregel, waarin de titel is opgenomen waaronder de regels kunnen worden aangehaald (artikel 13).

76

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Ook geldt volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dat als sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Een en ander moet worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor de vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten zijn gesloten.

De gronden binnen het bestemmingsplan zijn eigendom van de gemeente. De gemeente bepaalt de fasering en verdere uitwerking van het bouwplan, maakt de gronden bouw- en woonrijp en geeft de gronden uit voor realisatie van woningbouw. De dekking van de kosten vindt plaats door de uitgifte van gronden. De gemeente Raalte heeft in het kader voorliggende bestemmingsplan een grondexploitatie opgesteld. Deze is als bijlage 14 aan de toelichting toegevoegd. Er is voor eventueel te betalen vergoedingen van planschade in de grondexploitatie een voorziening getroffen. Geconcludeerd kan worden dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is.

77

78

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro zal het voorontwerp van het bestemmingsplan 'Heino, woningbouwlocatie Molenweg' naar verschillende overleginstanties gezonden. Het plan is ook in de Omgevingstafel IJsselland besproken. Er zijn uit het vooroverleg geen reacties gekomen die aanleiding geven tot het wijzigen van het bestemmingsplan.

8.2

Inspraak

Het stedenbouwkundig plan is een gezamenlijk plan met de omgeving. Een groep van 25 omwonenden en belangstellenden heeft input voor het plan gegeven in drie werkateliers (voorjaar-zomer 2020), daarnaast zijn de uitkomsten van de online-enquête (najaar 2020) verwerkt in het stedenbouwkundig plan. Een voorbeeld hiervan is de extra ruimte tussen de bestaande en nieuwe woningen aan de Molenweg in de vorm van een extra brede groene zone met haag.

8.3

Ter inzage legging

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient de kennisgeving, als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb, ook in de Staatscourant te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan 'Heino, woningbouwlocatie Molenweg' heeft van donderdag 10 juni 2021 tot en met woensdag 21 juli 2021 ter inzage gelegen. Er zijn tijdens de ter inzagelegging acht zienswijzen ingediend. Deze zijn beantwoord in de zienswijzennota (Reactienota zienswijzen inzake ontwerpbestemmingsplan Heino, woningbouwlocatie Molenweg, gemeente Raalte, oktober 2021, bijlage 15). De ingediende zienswijzen hebben geleid tot 1 aanpassing in de toelichting, het toevoegen van de juiste stedenbouwkundige tekening.

79

Bijlagen bij de toelichting (separaat)

Bijlage 1

Verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek Molenweg Heino, Hunneman Milieu-advies, 5 februari 2020

Bijlage 2

Resultaten bemonstering Molenweg, Tauw, 28 januari 2020

Bijlage 3

Plangebied Noordzijde Molenweg te Heino, Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, RAAP, 2 juli 2020

Bijlage 4

Plangebied Molenweg te Heino, Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), RAAP, 30 september 2020

Bijlage 5

Rapport ecologische onderzoek en advies Molenweg (ong.) te Heino, Econsultancy, 23 juni 2020

Bijlage 6

Rapportage mitigatie ooievaar en torenvalk, Molenweg ong. te Heino, Econsultancy, 26 oktober 2021

Bijlage 7

Rapportage aanvullend ecologisch onderzoek Molenweg (ong.) te Heino, Econsultancy, 22 april 2021

Bijlage 8

Onderzoek stikstofdepositie Molenweg te Heino, Econsultancy, 25 maart 2021

Bijlage 9

Memo externe veiligheid, Aveco de Bondt, 18 maart 2021

Bijlage 10

Akoestisch onderzoek bouwplan Molenweg te Heino, Aveco de Bondt, 3 mei 2021

Bijlage 11

Akoestisch onderzoek bedrijven tbv bouwplan Molenweg te Heino, Aveco de Bondt, 21 mei 2021

Bijlage 12

Memo Geurhinder bouwplan Molenweg te Heino, Aveco de Bondt, 6 mei 2021

Bijlage 13

Waterhuishoudkundig plan, Woningbouw Molenwijk Heino, RPS advies- en ingenieursbureau bv, 15 februari 2021

Bijlage 14

Grondexploitatie 2021 Molenweg Heino, gemeente Raalte

Bijlage 15

Reactienota zienswijzen inzake ontwerpbestemmingsplan Heino, woningbouwlocatie Molenweg, gemeente Raalte, oktober 2021

Gemeente Raalte Regels, deel uitmakende van het Bestemmingsplan Heino, woningbouwlocatie Molenweg Vastgesteld

Plannummer: NL.IMRO.0177.BP20210003-VG01 Vastgesteld door de gemeenteraad op ..-..-…. Plan onherroepelijk per ..-..-….

Inhoudsopgave Regels

Regels

3

Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

3 3 8

Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bestemmingsregels Groen Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Wonen

9 9 11 13 15

Hoofdstuk3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

21 21 22 23 24 25

Hoofdstuk4 Artikel 12 Artikel 13

Overgangs- en slotregels Overgangsregels Slotregel

27 27 28

2

Regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1

1.1

Begrippen

plan:

het bestemmingsplan 'Heino, woningbouwlocatie Molenweg' met identificatienummer NL.IMRO.0177.BP20210003-VG01 van de gemeente Raalte; 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3

verbeelding:

de analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie; 1.4

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6

aaneengebouwde woning:

een woning die onderdeel uitmaakt van minimaal drie aaneengebouwde woningen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.7

afhankelijke woonruimte:

woonruimte die een ruimtelijke eenheid vormt met de bestaande woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit oogpunt van mantelzorg is gevestigd; 1.8

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9

bebouwingspercentage:

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.10

bed & breakfast:

een aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt binnen de woning. Onder een bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur;

3

1.11

bedrijf aan huis:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, al dan niet gericht op uiterlijke verzorging (zoals onder andere kapper, pedicure, manicure, gezichtsverzorging), waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en waarbij de woonfunctie blijft behouden; 1.12

beroep aan huis:

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.13

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak; 1.14

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15

bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.16

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.17

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=a8b25510-31c2-467f-8725-68bc7222d5bf