CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

07 TOELICHTING Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4_vastgesteld_1

Raadsvergadering 18 juli 2023, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Nijverdalseweg 13 + Nieuwe Deventerweg 4 (bespreekstuk)28.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Nijverdalseweg 13

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Voor het deelgebied aan de Nijverdalseweg 13 geldt dat het hier gaat om een planologische omzetting van een agrarisch erf naar een regulier woonerf. De reeds aanwezige bedrijfswoning is reeds een bestaand milieugevoelig object. In de nieuwe situatie blijft dit onveranderd. Omliggende bedrijven worden door de bestemmingsplanherziening dan ook niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning heeft geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Omgekeerd worden omliggende (agrarische) bedrijven door de bestemmingsplanherziening dan ook niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Nieuwe Deventerweg 4 – Hondemotsweg e.o. Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het deelgebied bevinden zich enkele op basis van het huidige planologische regime percelen waar (agrarische) bedrijvigheid is toegestaan (zie tabel 3). Opgemerkt wordt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend.

Hier wordt in de paragraaf geur (5.6) nader op ingegaan. Er is in onderstaande tabel getoetst aan de overige aspecten ‘stof’, ‘geluid’, ‘geur’ (voor niet agrarische bedrijven) en ‘gevaar’ op basis van het gebiedstype ‘gemengd gebied’. In onderstaande tabel zijn de adressen van bedrijven en de bijbehorende maximale milieucategorie weergegeven. Verder is de afstand tussen de grens van het bestemmingsvlak dat bedrijvigheid toe laat tot de dichtstbijzijnde woning die op basis van dit bestemmingsplan kan worden gerealiseerd weergeven. Locatie

Functie

Max. categorie 4.1

Grootste richtafstand 100 m (geur)

Afstand tot woning Ca. 125 m

Hondemotsweg 2 t/m 2a, Raalte Stobbenbroekerweg 16, Raalte Oude Zwolsestraat 8a, Raalte Stobbenbroekerweg 8 Raalte Hondemotsweg 9, Raalte Stobbenbroekerweg 29, Raalte

RWZI - < 100.000 i.e. Puinbrekerijen en -malerijen v.c. < 100.000 t/j Tuincentrum

4.2

200 m (geluid)

Ca. 270 m

2

10 m (geluid)

Ca. 175 m

Paardenhouderij

3.1

Ca. 270 m

Intensieve veehouderij (o.b.v. maximale planologische mogelijkheden) Intensieve veehouderij (o.b.v. maximale planologische mogelijkheden)

4.1

10 m (geluid), m.u.v. geur 10 m (stof, geluid), m.u.v. geur 10 m (stof, geluid), m.u.v. geur

Tabel 3: Milieubelastende activiteiten nabij plangebied

4.1

Ca. 270 m Ca. 270 m

Zoals blijkt uit tabel 4, wordt in voorliggend geval in alle gevallen aan de richtafstanden voldaan. Bij de activiteiten van RWZI Raalte aan de Hondemotsweg 2 t/m 2a vinden geuremissies plaats, die in de omgeving van de zuivering tot geurhinder kunnen leiden. Het toetsingskader voor geur van RWZI’s staat in artikel 3.5.b van het Activiteitenbesluit (AB) en dient daarom nader te worden beschouwd. De RWZI Raalte is vóór 1 februari 1996 in gebruik genomen en beschikte voor deze datum over een onherroepelijke vergunning Wm. De zuivering zelf wordt daarom getoetst als bestaande situatie. De oprichting van (compensatie) woningen geldt echter als nieuwe situatie, waarvoor strengere geurnormen gelden (voorkomen van nieuwe hinder). Alle ontwikkelingen in het plan zijn gelegen buiten de bebouwde kom van Raalte, zodat dient te worden getoetst aan de normering conform artikel 3.5.b. lid 2: een geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten van maximaal 1 ouE/m3 als 98-percentiel. In afbeelding 5.2 zijn de geurcontouren rond de RWZI Raalte weergegeven. De lichtgroene contour van 1,0 ouE/m3 als 98-percentiel reikt niet tot de locaties van de beoogde woningen in het plangebied. Geconcludeerd wordt dat hiermee wordt voldaan aan een aanvaardbaar geurhinderniveau voor een woonbestemming buiten de bebouwde kom conform artikel 3.5.b. lid 2 van het AB.

De geur van RWZI Raalte vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen. Gelet op de afstand tot omliggende milieubelastende functies en het vorenstaande wordt er van uit gegaan dat ter plaatse van de woningen in het deelgebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft de aspecten geluid, geur (m.u.v. geuraspecten in relatie tot veehouderijen), stof en gevaar.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Omgekeerd levert deze ontwikkeling geen belemmering op voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven.

Afbeelding 5.2: Geurcontouren RWZI Raalte (bron: Nota van Zienswijzen BP Raalte)

5.5.4

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.6

Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).

Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden nieuwe geurgevoelige objecten toegevoegd, namelijk de woningen. In dit geval is sprake van de realisatie van een compensatiewoningen in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van een agrarisch bedrijf. Zoals blijkt uit de paragraaf milieuzonering (5.5) bevinden zich in de omgeving van de compensatiewoningen enkele agrarische bedrijven. Het gaat om de volgende bedrijven: • • •

Stobbenbroekerweg 8 Raalte; Paardenhouderij Hondemotsweg 9, Raalte; Intensieve veehouderij (o.b.v. maximale planologische mogelijkheden) Stobbenbroekerweg 29; intensieve veehouderij

Binnen het bouwperceel van Stobbenbroekerweg 8 is een uitsluitend een paardenhouderij toegestaan. Hiervoor geldt een vaste afstand van 50 meter. Deze wordt ruimschoots gehaald en geconcludeerd wordt dat er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied. Binnen het bouwperceel Hondemotsweg 9 is op basis van het huidige planologische regime intensieve bedrijfsvoering toegestaan. In werkelijkheid is hier een grondgeboden agrarische bedrijfsvoering gevestigd. Redelijkerwijs is het niet aannemelijk dat op dit bedrijf in de toekomst de bedrijfsvoering intensiveert. Woonpercelen van derden liggen reeds dichter bij dit agrarische bedrijf waardoor deze reeds belemmerd zijn. Het is niet aannemelijk dat hiervoor nieuwe milieuvergunningen voor kunnen worden afgegeven. Voor deze locatie mag redelijkerwijs dan ook worden uitgegaan van een vaste afstand van 50 meter. Deze wordt ruimschoots gehaald en geconcludeerd wordt dat er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Aan de Stobbenbroekerweg 29 is een varkenshouderij gelegen met een geuremissie van circa 23.500 ouE/s. De gemeente Raalte ligt in concentratiegebied, waarvoor een maximale geurnorm van 14 ouE/m3 als 98percentiel van toepassing is op geurgevoelige objecten in het buitengebied. De afstand tussen Stobbenbroekerweg 29 en de dichtstbij gelegen woning in het deelgebied (woonerf aan de Hondemotsweg) is circa 600 meter. Het is voldoende aannemelijk dat op deze afstand wordt voldaan aan de geurnorm van 14 ouE/m3 als 98-percentiel. Bovendien zijn reeds bestaande woningen aanwezig die in dezelfde windrichting dichterbij de veehouderij zijn gelegen. De dichterbij gelegen woningen zijn reeds belemmerend en daarmee maatgevend. De veehouderij wordt niet in haar bedrijfsvoering belemmerd en geconcludeerd wordt dat er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij. Tevens worden agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt en zal er ter plaatse van het plangebied sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.6.3

Conclusie geur

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het deelgebied Nijverdalseweg 13 bevindt zich op circa 1,4 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’. Het deelgebied Nieuwe Deventerweg 4 - Hondemotsweg e.o. bevindt zich op circa 5,4 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. Hierna worden de belangrijkste conclusies besproken. Uit de rekenresultaten van de aanlegfase en de gebruiksfase blijkt dat er respectievelijk sprake is van een depositie van 0,01 en lager dan 0,00 is. Voor de gebruiksfase geldt dat er geen sprake is van een mogelijk significant effect op Natura 2000-gebieden. Voor de aanlegfase zijn deze niet direct uit te sluiten. Om deze reden is intern salderen toegepast op de aanlegfase.

Uit de rekenresultaten van de salderingsberekening blijkt dat er sprake is van een afname van maximaal 0,03 mol/ha/jr. en een maximale toename van 0,00 mol/ha/jr. Met deze cijfers is te stellen dat er in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat het plan, in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig is. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale Actualisatie Omgevingsvisie en –verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op ruime afstand van de deelgebieden. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en afstand tot de NNN, is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval zijn voor beide deelgebieden quickscans flora & fauna in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. In bijlage 12 en bijlage 13 bij deze toelichting zijn de onderzoeksrapportage opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies van de uitgevoerde quickscan ingegaan. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten Kleine zoogdieren en amfibieën (nationale soorten Wnb) Door werkzaamheden op het terrein kan verstoring van deze soorten optreden en ook sterfte van dieren. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt afhankelijk van de provincie een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. In provincie Overijssel geldt deze vrijstelling voor alle te verwachte soorten. Aanvullende maatregelen zijn voor deze soorten niet noodzakelijk. Broedvogels zonder vaste nestplaatsen (Wnb-Vogelrichtlijn) In opgaande begroeiing en de gebouwen zijn broedvogels niet uit te sluiten. Bij werkzaamheden tijdens het broedseizoen kan sterfte en verstoring van broedsels optreden.

Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.8

GGD-richtlijn Veehouderij en gezondheid

5.8.1

Algemeen

In de GGD-richtlijn Veehouderij en gezondheid wordt geadviseerd behoudend te zijn met inpassen van nieuwe gevoelige bestemmingen of functies (zoals woningen) binnen 250 meter van een veehouderij of binnen twee kilometer van een geitenhouderij. Binnen deze afstanden is een advies van de GGD nodig op gezondheidseffecten van de betreffende veehouderijen te bepalen. 5.8.2

Situatie plangebied

Binnen een straal van 250 meter rondom het deelgebied Nieuwe Deventerweg 4 – Hondemotsweg e.o. zijn geen veehouderijen gevestigd. Op het adres Heinoseweg 5, de Raarhoeksweg 34b en de Hogeweg 25, binnen 2 kilometer van het deelgebied Nieuwe Deventerweg 4 – Hondemotsweg 4 zijn bedrijven gevestigd waar geiten worden gehouden. Zie hiervoor ook onderstaande tabel. Locatie geitenhouderij Heinoseweg 5, Raalte Raarhoeksweg 34b, Raalte Hogeweg 26, Raalte

Aantal geiten 2 30 6

Afstand tot dichtstbijzijnde woning Circa 0,6 kilometer Circa 1,9 kilometer Circa 0,8 kilometer

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Vanwege de afstand tot het plangebied (< 2 kilometer) dient de situatie nader te worden beschouwd. Gelet op de dierenaantallen en de relatief grote afstand tot het plangebied wordt verwacht dat er geen zwaarwegend bezwaar is tegen de gewenste ontwikkeling. 5.8.3

Situatie plangebied

Het aspect vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Archeologie & Cultuurhistorie

5.9.1

Archeologie

5.9.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.9.1.2 Situatie plangebied De gemeente Raalte heeft haar archeologische verwachtings- en beleidskaart doorvertaald in het bestemmingsplan “Buitengebied” en de daaropvolgende correctieve herzieningen. Op basis van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen geldt voor een beperkt deel van de gronden binnen het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter. Deze oppervlakte wordt niet overschreden, aangezien het overgrote deel van de bodemingrepen plaatsvinden op gronden zonder een archeologische dubbelbestemming. In dit geval is er geen sprake van nieuwe bodemingrepen boven de grens waarvoor een onderzoeksplicht geldt.

In het bestemmingsplan is voor de betreffende gronden opnieuw de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen conform het geldende bestemmingsplan. 5.9.2

Cultuurhistorie

5.9.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Op grond van de wet Modernisering Monumentenzorg (de MoMo), die per 1 januari 2012 van kracht is geworden, moet een goede ruimtelijke onderbouwing een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 5.9.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in en rondom de deelgebieden zelf geen rijks- of gemeentelijke monumenten en overige cultuurhistorische waarden. Van aantasting van monumentale en cultuurhistorische waarden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is dan ook geen sprake.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld 5.9.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10

Besluit milieueffectrapportage

5.10.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan/wijzigingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het deelgebied Nijverdalseweg 13 bevindt zich op circa 1,4 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’. Het deelgebied Nieuwe Deventerweg 4 - Hondemotsweg e.o. bevindt zich op circa 5,4 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. Hierna worden de belangrijkste conclusies besproken. Uit de rekenresultaten van de aanlegfase en de gebruiksfase blijkt dat er respectievelijk sprake is van een depositie van 0,01 en lager dan 0,00 is. Voor de gebruiksfase geldt dat er geen sprake is van een mogelijk significant effect op Natura 2000-gebieden. Voor de aanlegfase zijn deze niet direct uit te sluiten. Om deze reden is intern salderen toegepast op de aanlegfase. Uit de rekenresultaten van de salderingsberekening blijkt dat er sprake is van een afname van maximaal 0,03 mol/ha/jr. en een maximale toename van 0,00 mol/ha/jr. Met deze cijfers is te stellen dat er in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Geconcludeerd wordt dat het plan, in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig is. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Om deze reden is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het wijzigen van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschreden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (bedrijfsvloeroppervlakte van 2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dient de vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden gehanteerd. In dit geval wordt er een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld en als bijlage 14 opgenomen bij deze toelichting. Daarnaast zal over de vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie een separaat besluit worden genomen. 5.10.3 Conclusie Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.beoordelingsplichtig is.

5.11

Trillingshinder

5.11.1 Algemeen Ten noordwesten van het plangebied ligt de spoorlijn Zwolle – Enschede, waardoor trillingshinder als gevolg van de spoorlijn mogelijk relevant kan zijn. Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat trillingsgevoelige functies definieert. Bescherming gaat via de Wro/Wabo (invulling van een ‘goede ruimtelijke ordening’). De Meet- en beoordelingsrichtlijn B, "Hinder voor personen in gebouwen" (SBR-B) bevat richtlijnen voor het meten en beoordelen van trillingshinder voor personen. De richtlijn maakt onderscheid in de functie van het gebouw en de aard van de trillingsbron en onderscheid in bestaande, gewijzigde en nieuwe situaties. In de Richtlijn vindt de beoordeling plaats door middel van A1, A2 en A3: • • •

A1 is de onderste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A2 is de bovenste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A3 is de streefwaarde voor de trillingssterkte Vper.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Voor de hoogte van de streefwaarden geldt in algemene zin dat A3 < A1 < A2. Er wordt voldaan aan de streefwaarden indien: • •

De waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of; De waarde van de maximale trillingssterkte van een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor de ruimte (Vper) kleiner is dan A3.

Voor de beoordeling van de trillingen door railverkeer in nieuwe situaties (o.a. nieuwbouw langs spoor) dienen volgens de SBR richtlijn deel B de streefwaarden uit onderstaande tabel aangehouden te worden.

5.11.2 Situatie plangebied Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt doorgaans binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden bijna nooit voelbare trillingen op. Buiten deze afstand tot het spoor treden over het algemeen geen trillingsniveaus die boven de streefwaarde voor Vmax van 0,1 komen. Een zone van 100 meter voldoet daarom doorgaans. In dit geval worden geen woningen gerealiseerd binnen 100 meter van de spoorlijn. Bovendien is er geen sprake van een spoortraject waar veel verschillende type treinen over heenrijden of waar veelvuldig zwaar (vracht)verkeer passeert. Er kan worden voldaan aan de streefwaarden uit de SBR-richtlijn, waarmee er vanuit trillingshinder sprake is van een aanvaardbare situatie. 5.11.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect trillingshinder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Inleiding

Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.

6.2

Vigerend beleid

6.2.1

Europees beleid

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater verbeterd zodat het water chemisch en ecologisch (weer) gezond wordt. Alle waterbeheerders moeten ervoor zorgen dat de waterkwaliteit in 2015 op orde is. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op stroomgebied niveau plannen opgesteld In deze stroomgebiedplannen staan de concrete doelstellingen en maatregelen beschreven voor de verschillende stroomgebieden. 6.2.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.2.3

Provinciaal beleid

De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciale waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan. De provincie omschrijft haar ambitie met het waterbeleid voor de komende jaren in één zin als volgt: ‘We willen onze watersystemen zo inrichten dat ze voldoende en goed water bevatten en dat ze voor lange tijd veilig zijn en bestand tegen klimaatverandering’. Om daar te komen heeft de Omgevingsvisie vijf centrale thema’s: • • • • •

6.2.4

Veiligheid: een veilige omgeving om te wonen en te werken door voldoende bescherming tegen het water te bieden Schoon en gezond water: een goede drinkwatervoorziening onmisbaar. Goed functionerende ecosystemen hebben voldoende en schoon water nodig. Gebruik van water: een goed waterpeil voor de landbouw of beregening Water als waardevol element. Water heeft behalve praktisch nut ook een belevingswaarde. Water is een waardevol element in de woon- en werkomgeving en in het buitengebied. Sturing waterbeleid: In de Omgevingsvisie geeft de provincie aan welke rol ze in het waterbeleid wil spelen. Waterschapsbeleid

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. • •

•

6.2.5

Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Gemeentelijk beleid

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: • • •

inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen).

Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits 'vasthouden, bergen, afvoeren' houdt in dat er zoveel mogelijk water lokaal wordt vast gehouden, dan geborgen in oppervlaktewater of andere bergvoorzieningen, pas als dit niet mogelijk is wordt het regenwater afgevoerd. De trits ‘schoonhouden, scheiden, schoonmaken’ omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw in het buitengebied is het verwerken van hemelwater aan de eigenaar van het perceel. Verharde oppervlakken(gebouwen, terras, weg op eigen terrein) moeten met 20mm worden gecompenseerd op eigen terrein. Overtollig water mag afstromen naar oppervlaktewater of de openbare ruimte.

Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagse veiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan.

Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld

6.3

Waterparagraaf

6.3.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.3.2

Watertoetsproces

Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets). Voor beide deelgebieden is een watertoets uitgevoerd. De watertoetsresultaten voor de deelgebieden Nijverdalseweg 13 en Nieuwe Deventerweg 4 – Hondemotsweg e.o. zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 15 en bijlage 16 van deze toelichting. Nijverdalseweg 13 De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van het watertoetsproces van toepassing is. Dit houdt in dat direct kan worden doorgegaan met de planvorming onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf uit het watertoetsresultaat wordt toepast. De waterhuishouding binnen het plangebied wijzigt niet ingrijpend ten opzichte van de huidige situatie. Het hemelwater wordt op het erf geïnfiltreerd. Afvalwater wordt geloosd op het aanwezige vuilwaterriool. Nieuwe Deventerweg 4 – Hondemotsweg e.o. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van het watertoetsproces van toepassing is. Dit houdt in dat het waterschap om advies wordt gevraagd. Het advies wat het waterschap is opgenomen in subparagraaf 6.3.3. Overstroombaar gebied Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De dijkringgebieden zijn vastgelegd in de nieuwe waterkaart.

Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt. Het deelgebied ligt deels in een overstroombaar gebied. Onder overstroombaar gebied wordt verstaan gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). In dit geval ligt het deelgebied in een gebied dat in buitengewone scenario’s kan overstromen. Bij de scenario’s waarvoor een kleine en een (middel)grote kans voor overstroming bestaat enig overstromingsrisico (zie ook afbeelding 6.1). Het plangebied valt buiten deze scenario’s. In dit geval zijn er in het plangebied bovendien voldoende mogelijkheden om te ontvluchten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld

Afbeelding 6.1: Kaart overstromingsrisico’s (Bron: risicokaart.nl)

6.3.3

Advies waterschap

Het waterschap heeft gereageerd door een uitgangspuntennotitie toe te sturen. Het doel van de uitgangspuntennotitie is om in de initiatieffase van een plan bruikbare informatie aan te leveren voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. De belangrijkste uitgangspunten van het waterschap worden hierna uitgewerkt. De volledige uitgangspuntennotitie is te raadplagen in Bijlage 17 van deze toelichting. In de planvorming worden de uitgangspunten van het waterschap betrokken. Riolering De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. Afvalwater en hemelwater worden op de perceelgrens gescheiden aangeboden. De woningen worden aangesloten op de gemeentelijke rioolstelsel. Er wordt rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Geurzones RWZI Het oprichten van geurgevoelige objecten is binnen de geurzone rondom de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) niet toegestaan. Daar is dit geval geen sprake van. Dit aspect is reeds uitgewerkt in paragraaf 5.5 ‘milieuzonering’. Het waterschap geeft aan dat de dichtstbij zijnde nieuwe woning bij de RWZI in 0.5 odeur contour ligt. Formeel is er sprake van een aanvaardbare situatie.

Het waterschap adviseert echter wel om de nieuwe bewoners te attenderen op de aanwezigheid van de RWZI, en de mogelijkheid dat bij bepaalde windrichting altijd wel een bepaalde mate van geurhinder ontstaat. Op 31 maart 2022 is er een overleg geweest tussen de gemeente Raalte en het waterschap. Gesproken is over de nabije ligging van de toekomstige woningen nabij de RWZI. Tijdens het overleg bleek dat de geplande woningen niet dusdanig dicht op de RWZI kwamen dan vooraf was verondersteld door het waterschap. Geconstateerd werd ook dat enkele bestaande woningen dichter op de RWZI liggen. Het waterschap geeft het aandachtspunt mee dat toekomstige bewoners nabij een RWZI komen te wonen en daar ook de gevolgen van kunnen ondervinden. Watersysteem Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een secundaire B-watergang van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. De functie van deze watergang(en) moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Wateroverlast Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. Er wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Compensatie nieuwbouw plannen Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. Per m2 waterberging kan worden uitgegaan van een peilstijging van 30 cm. Ten tijde van de concrete uitwerking wordt elk woonerf voorzien een waterberging.

Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Er worden geen uitloogbare materialen gebruikt die tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld • • • •

Nadere eisen: burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan plaats en afmetingen van de bebouwing; Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bouwmogelijkheden. Specifieke gebruiksregels: elk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor een bepaalde bestemming is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 11) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 12) In dit artikel zijn regels opgenomen omtrent bestaande afstanden en maten die afwijken van de afstanden en maten uit de bestemmingsregels. Hierin is geregeld dat bestaande maten en afstanden als meer, dan wel minder mogen worden aangehouden als deze meer, dan wel minder bedragen dan op basis van de bestemmingsregels is toegestaan. Tevens zijn regels omtrent overschrijding van bouwgrenzen, herbouw woningen, afstand tot de weg ven voldoende parkeergelegenheid opgenomen.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. In het artikel is uiteengezet welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met de bestemming worden aangemerkt.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 14) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Het gaat om regels omtrent mantelzorg, herbouw woningen buiten bestaande funderingen en kleinschalige windmolens.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 15) In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om de herbouw van woningen buiten bestaande funderingen middels een wijzigingsplan mogelijk te maken of om de bestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’ onder voorwaarden geheel of gedeeltelijk te verwijderen.

•

Overige regels (Artikel 16) In dit artikel wordt aangegeven dat wettelijke regelingen waarnaar in dit bestemmingsplan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast is een regeling ten aanzien van parkeren opgenomen.

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In onderstaande paragraaf worden de verschillende bestemmingen nader onderbouwd. Agrarisch (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen te plaatse van de gronden rondom het woonerf aan de Nijverdalseweg 13. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor het agrarisch gebruik. Gebouwen zijn niet toegestaan. Er zijn uitsluitend erf- of terreinafscheidingen toegestaan. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een paardenbak mogelijk te maken. Agrarisch met waarden – Landschapswaarden (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen te plaatse van de gronden rondom de woonerven aan de Hondemotsweg en het voormalige agrarische bedrijfsperceel Nieuwe Deventerweg 4. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor het agrarisch gebruik. Gebouwen zijn niet toegestaan.

Er zijn uitsluitend erf- of terreinafscheidingen toegestaan. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een paardenbak mogelijk te maken. Tevens zijn er vormen van strijdig gebruik opgenomen en is er tot slot een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen om werken en werkzaamheden uit te voeren. Wel is hier specifiek een bepaling opgenomen die bepaalt dat maatregelen in het kader van het inrichtingsplan niet vergunningsplichtig zijn. Verder is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een paardenbak mogelijk te maken. Natuur (Artikel 5) De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden en bos, extensieve dagrecreatie, houtoogst en water. De aan het aan te platen bos in het noorden van deelgebied Nieuwe Deventerweg 4 – Hondemotsweg e.o. is deze bestemming toegekend. Tevens is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen om werken en werkzaamheden uit te voeren. Wel is hier specifiek een bepaling opgenomen die bepaalt dat maatregelen in het kader van het inrichtingsplan niet vergunningsplichtig zijn. Verder is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een paardenbak mogelijk te maken. Wonen (Artikel 6) Aan de gronden van voormalige agrarische bedrijfswoningen aan de Nijverdalseweg 13 en de Nieuwe Deventerweg 4 alsmede de woningen op woonerven met reguliere bouwmogelijkheden is de bestemming ‘Wonen’ toegekend.

Deze gronden zijn bestemd conform de bestemming ‘Wonen’ uit het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte geconsolideerd 2020”. Voor elke woning is een bouwvlak opgenomen, waarbij is bepaald dat per bouwvlak één woning is toegestaan. De voormalige agrarische bedrijfswoningen zijn voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfsbebouwing'. Bij de voormalige agrarische bedrijfswoningen zijn 250 m2 aan bijgebouwen en overkappingen toegestaan. Dit wordt geregeld middels een aanduiding op de verbeelding. Bij de overige woningen met deze bestemming is het maximum aan bijgebouwen en overkappingen 150 m2. Qua systematiek in de bouwregels is grotendeels aangesloten bij de standaard geldende regeling in het buitengebied van Raalte. De inhoud van het woning mag maximaal 750 m3 bedragen en er mag maximaal 150 m2 aan bijgebouwen aanwezig zijn. De voorgevel van woningen dient, voor zover aangegeven op de verbeelding, aan de zijde van het bouwvlak met de aanduiding 'gevellijn' te worden gebouwd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld Van de bouwregels kan afgeweken worden ten behoeve van het vergroten van het maximum oppervlakte aan bijgebouwen. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van toegestaan opgenomen. Ook zijn hier de voorwaardelijke verplichting voor sloop en landschappelijke inpassing opgenomen. Van de gebruiksregels kan afgeweken worden ten behoeve van nevenfuncties. Tot slot is een afwijking opgenomen die, in afwijking van de voorwaardelijke verplichting, andersoortige landschapsmaatregelen toestaat. Wonen – 1 (Artikel 7) Aan de gronden van de woonerven met de beoogde schuurwoningen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen – 1’. Qua systematiek in de bouwregels is grotendeels aangesloten bij de standaard geldende regeling in het buitengebied van Raalte, met dien verstande dat binnen deze bestemmingen (vanwege de schuurwoningen) geen vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan. De inhoud van het hoofdgebouw mag maximaal 1.100 m3 bedragen. Dit is inclusief een bergruimte. De inhoud van een woning in een hoofdgebouw bedraagt maximaal 750 m2. Vergunningsvrij bouwen is uitgesloten. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van toegestaan opgenomen. Ook zijn hier de voorwaardelijke verplichting voor sloop en landschappelijke inpassing opgenomen.

Van de gebruiksregels kan afgeweken worden ten behoeve van nevenfuncties. Tot slot is een afwijking opgenomen die, in afwijking van de voorwaardelijke verplichting, andersoortige landschapsmaatregelen toestaat. Wonen – 2 (Artikel 8) Aan de gronden van het woonerf met de beheerderswoning bij het landgoed is de bestemming ‘Wonen – 2’ toegekend. Qua systematiek in de bouwregels is grotendeels aangesloten bij de standaard geldende regeling in het buitengebied van Raalte met dien verstande dat de inhoud van de woning maximaal 1.000 m3 mag bedragen. Daarnaast mag er maximaal 250 m2 aan bijgebouwen en overkappingen aanwezig zijn. Voor deze woning is een groter oppervlak aan bijgebouwen opgenomen ten behoeve van (werk)gereedschap van het onderhouden van het landgoed. Van de bouwregels kan afgeweken worden ten behoeve van het vergroten van het maximum oppervlakte aan bijgebouwen. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van toegestaan opgenomen. Ook zijn hier de voorwaardelijke verplichting voor sloop en landschappelijke inpassing van zowel het woonerf van de beheerderswoning alsmede de aanleg en instandhouding van landschapsmaatregelen binnen het landgoed opgenomen. Van de gebruiksregels kan afgeweken worden ten behoeve van nevenfuncties. Tot slot is een afwijking opgenomen die, in afwijking van de voorwaardelijke verplichting, andersoortige landschapsmaatregelen toestaat.

Waarde – Archeologie 1 (Artikel 9) Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het bestemmingsplan buitengebied en geldt voor de gronden in het noordelijk deel van het plangebied. De voor ‘Waarde - Archeologie 1’ aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologische verwachtingszone met een hoge archeologische verwachting. Waarde – Landschap 1 (Artikel 10) Ook deze dubbelbestemming is overgenomen uit het bestemmingsplan buitengebied en geldt voor de gronden in het noordelijk deel van het plangebied. De voor ‘Waarde - Landschap – 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van waarden met betrekking tot openheid en reliëf.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

62

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

63

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 53, omgeving Nijverdalseweg 13 en Nw. Deventerweg 4 Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

VOOROVERLEG, INSPRAAK & ZIENSWIJZEN

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen, zoals onder meer beschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=e08305c9-0e0a-458e-b3e0-e41ee94a6c58