TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3 MOTIVERING (versie raad 6 maart 2025)
Tekst van het document
5.2.3 Conclusie Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties en contra-indicaties is vastgesteld dat het onderzoeksgebied Nieuwbouwwijk Halvinkhuizen Putten in de gemeente Putten niet getroffen is door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waardoor onontplofte oorlogsresten in de (water)bodem kunnen zijn achtergebleven. Het onderzoeksgebied is onverdacht op onontplofte oorlogsresten . Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek onontplofte oorlogsresten en de conclusies is het onderzoeksgebied onverdacht op onontplofte oorlogsresten. De voorgenomen werkzaamheden kunnen derhalve plaatsvinden zonder dat vervolgstappen noodzakelijk zijn in de opsporing van onontplofte oorlogsresten. De (grond)werkzaamheden kunnen derhalve regulier worden uitgevoerd. Indien tijdens werkzaamheden toch onontplofte oorlogsresten of een verdacht voorwerp wordt aangetroffen, is het zaak de juiste procedure direct te starten. Het voorwerp niet beroeren en de politie meteen op de hoogte stellen. Deze zal, indien noodzakelijk, de EOD inschakelen om eventuele onontplofte oorlogsresten te ruimen.
28
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
5.3
Water
5.3.1 Wettelijk kader Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat het wettelijk kader voor het beschermen van waterbelangen. Hierin worden regels gegeven ter bescherming van primaire waterkeringen, de kust, grote rivieren en het IJsselmeergebied. Als een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsacitiviteit betrekking heeft op een locatie in een van deze gebieden, gelden er regels ter bescherming van waterbelangen. De gemeente heeft de verplichting het waterbelang mee te wegen bij het vaststellen van een omgevingsplan of het verlenen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 5.37 Bkl). Hierbij moet het waterschap betrokken worden. Dit kan door middel van een watertoets. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.3.2 Waterhuishoudkundigplan en watertoets De ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een primaire waterkering, in het kustfundament, bij grote rivieren of in het IJsselmeergebied. De instructieregels uit het Bkl met betrekking tot deze gebieden zijn daarom niet van toepassing. Voor de gehele ontwikkeling van Halvinkhuizen is door Royal Haskoning DHV een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Deze is opgenomen als Bijlage 5. Het plan is randvoorwaardelijk opgezet en geeft voor wat betreft de waterhuishouding de kaders waarbinnen het plangebied nader zal worden uitgewerkt. In het plan zijn een aantal relevante gebiedskenmerken beschreven, waaronder de maaiveldhoogte, afwatering, bodemopbouw, grondwaterstanden, oppervlaktewater en riolering. Vervolgens wordt de toekomstige waterhuishoudkundige inrichting geschetst. Middels een dynamische watergordel en wadi's in de wijk wordt het hemelwater vanaf de verharding van de buurten naar de hoofdwaterstructuur in de houtwalzone geleid. Afkomstig uit het plan geeft onderstaand figuur een aantal opties inzake de waterinrichting.
ruimte voor ontwikkeling
29
Waterinrichting opties (bron: Royal Haskoning DHV) In de paragrafen 4.2 t/m 4.9 van het waterhuishoudkundig plan zijn vervolgens verschillende randvoorwaarden/eisen geformuleerd waar de ontwikkeling in de verdere uitwerking aan getoetst dient te worden.
5.3.3 Conclusie Mits de voorwaarden uit het waterhuishoudkundig plan en de watertoets in acht worden genomen, zijn er vanuit het aspect water geen belemmeringen voor onderhavig plan.
5.4
Gezondheid en milieu
5.4.1 Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4 van het Bkl wordt het wettelijk kader voor het beschermen van de gezondheid en het milieu gegeven. In deze paragraaf worden instructieregels gegeven voor luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1), geluid (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.3), trilling (paragraaf 5.1.4.4), slagschaduw van windturbines (paragraaf 5.1.4.4a), bodem (paragraaf 5.1.4.5) en geur (paragraaf 5.1.4.6). In de volgende paragrafen komen deze milieuaspecten aan bod.
30
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
5.4.2 Beoordeling en conclusie In de volgende paragrafen wordt per milieuaspect ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op gezondheid en milieu.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. Dit geldt bij een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, voor het realiseren van een tunnel van ten minste 100 meter en bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg. Daarnaast zijn er aandachtsgebieden aangewezen waarbinnen getoetst moet worden aan de luchtkwaliteit. Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof gaat dat om Amsterdam/Haarlem, Arnhem, Eindhoven, Etten-Leur, 's-Gravenhage/Leiden, Rotterdam/Dordrecht en Utrecht. Voor alleen fijnstof gaat het om de gemeenten Asten, Barneveld, Bernheze, Ede, Leudal, Nederweert, Scherpenzeel en Venray. Het project draagt 'niet in betekende mate' (NIBM) bij, als de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijnstof onder de 1,2 µg/m3 blijft. Dan hoeft niet getoetst te worden aan te rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.
5.5.2 Beoordeling Effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling is niet gelegen in een van de aandachtsgebieden uit het Bkl. Toetsing van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden voor de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de NSL-kaart van de Rijksoverheid. Hiertoe zijn de waarden genomen van het dichtsbijzijnde rekenpunt langs de N798/Nijkerkerstraat direct grenzend aan het plangebied. Stof
Jaar 2020
Jaar 2030 3
3
Grenswaarde 3
Advieswaarde
N O2
12,9 µg/m
8,6 µg/m
40 µg/m
10 µg/m3
P M10
16,3 µg/m3
14,0 µg/m3
40 µg/m3
15 µg/m3
P M2,5
8,8 µg/m3
7,2 µg/m3
20 µg/m3
5 µg/m3
Waarden in het plangebied, omgevingswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2 , PM10 en PM2,5. De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige -en toekomstige situatie aan de N303/Van Geenstraat liggen de concentraties ver beneden de wettelijke grenswaarden. De huidige waarden zijn ruimschoots voldoende voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
ruimte voor ontwikkeling
31
5.5.3 Conclusie Wat betreft de luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.
5.6
Geluid
5.6.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat. Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp). Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden.
Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Een ggp is het gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt.
5.6.2 Beoordeling Voor de ontwikkeling is een akoestische verkenning gedaan door Goudappel Bijlage 2. Als eerste is gekeken naar de invloed van de omliggende wegen op het plangebied. Om te bepalen wat de geluidsniveaus zijn op de nieuw te realiseren gevoelige objecten. Uit het onderzoek blijkt dat er aan de noordzijde overschrijdingen zijn ten opzichte van gemeentelijke en provinciale wegen. Aan de zuidzijde zijn er overschrijdingen ten opzichten van gemeentelijke wegen. Van een overschrijding van de grenswaarde is geen sprake. Er zijn dus licht verhoogde waarden gemeten, maar geen die de ontwikkeling in de weg staan. Er kunnen hogere grenswaarden verleend worden en in de stedenbouwkundige uitwerking kan rekeninge gehouden worden met deze verhoogde geluidsniveaus door bijvoorbeeld ruimte te maken voor een geluidswal of de afstand tussen de wegen en de woningen te vergroten. Daarnaast is ook gekeken naar de effecten van de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg op de reeds bestaande woningen. Daaruit blijkt dat de 53 dB-contour op circa 45 meter vanaf de weg-as ligt. Wanneer de weg dus op ten minste 45 meter vanaf bestaande woningen gesitueerd wordt, is naar verwachting geen sprake van overschrijdingen van de standaardwaarde. Op basis van het voorlopige trace ligt er 1 woning binnen deze afstand en wordt daarvoor de grenswaarde van 53 dB overschreden, maar niet de waarde van 70dB.
Bij verdere uitwerking van het trace behoeft dit aandacht, maar zijn er ook mogelijkheden om hier maatregelen voor te nemen, dan wel een ontheffing te verlenen. Als laatste is ook gekeken naar de indirecte effecten van de ontwikkeling, door de toename van het verkeer op de bestaande wegen. Er is sprake van indirecte planeffecten wanneer de geluidsbelasting in de plansituatie met 1,5 dB of meer toeneemt ten opzichte van de toekomstige referentiesituatie, langs wegen buiten de aan te passen wegdelen. Van een dergelijke toename van de geluidsbelasting is sprake
32
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
wanneer het aantal verkeersbewegingen met circa 40% toeneemt. Uit een analyse van de verkeersmodelcijfers blijkt dat langs de Roosendaalseweg, Hoge Einderweg, Koekamperweg en Halvinkhuizerweg sprake is van een dergelijke verkeerstoename. Daarom zijn deze wegdelen opgenomen in het akoestisch onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake zal zijn van een onevenredige overschrijding van de geluidsbelasting, aangezien de grenswaarden als vastgelegd in het BKL niet worden overschreden.
5.6.3 Conclusie Vanuit geluid zijn geen aspecten die de uitvoorbaarheid van de ontwikkelingen im onderhavig plan in de weg staan. Er worden op basis van de verkenning geen onevenredige overschrijdingen van de geluidsbelasting verwacht, aangezien de grenswaarden zoals vastgelegd in het BKL niet worden overschreden. Aangezien de akoestische verkenning wel doelmatige maatregelen nodig acht, is in de planregels opgenomen dat een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden op het moment dat een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd. Dit is geborgd in de planregels.
5.7
Trilling
5.7.1 Wettelijk kader Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.
5.7.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling vindt plaats op een afstand van meer dan 250 meter van een spoor, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over trilling.
5.8
Slagschaduw bij windturbines
5.8.1 Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl worden regels gesteld voor slagschaduw van windturbines. Het gaat hierbij om regels voor windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die langer dan 10 jaar ergens zullen staan. Slagschaduwgevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebruik (artikel 5.98b Bkl). De gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met de aanvaardbaarheid van slagschaduw van windturbines. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.3.18 van de Bruidsschat en zijn gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit, zolang de gemeente deze regels nog niet heeft verplaatst en/of aangepast.
ruimte voor ontwikkeling
33
5.8.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling is niet gelegen in de buurt van een windturbine, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over slagschaduw.
5.9
Bodem
5.9.1 Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van de Bruidsschat. De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers: 1. Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies aan locaties); en 3. Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
5.9.2 Beoordeling Voorliggend initiatief voorziet in een functiewijziging van agrarisch naar woongebied. Door PJ Milieu BV is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5725. De onderzoeksrapportage is opgenomen als Bijlage 4. Voor dit onderzoek is de gehele ontwikkellocatie Halvinkhuizen aangehouden. Deze is gelegen tussen de Nijkerkerstraat, Enghuusweg, Roosendaalseweg, Hooiweg en Beitelweg. Op basis van het historisch bodemonderzoek blijkt dat voor delen van het plangebied bodemverontreinging verwacht wordt. Een verkennend bodemonderzoek moet hier voor de start van werkzaamheden uitsluitsel over geven. Naast een verkennend onderzoek kan het op enkele locaties ook gaan om een onderzoek naar asbest in de bodem.
34
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
Situatietekening met aanduiding onderzoeksgebied (bron: PJ Milieu BV) Het plangebied valt wat betreft de nader te onderzoeken locaties binnen alle deelgebieden. Mede gezien het feit dat (een deel van) de percelen binnen het plangebied bij de terinzagelegging van dit plan niet beschikbaar zijn voor onderzoek in het veld, zal dit later worden uitgevoerd. Bij aanvraag van vergunning voor bouwen zal bodemonderzoek conform NEN 5707, NEN 5740 en/of NEN 5897 worden uitgevoerd.
5.9.3 Conclusie Op basis van de resultaten van het historisch bodemonderzoek blijkt dat voor delen van het plangebied bodemverontreinging verwacht wordt. Een verkennend bodemonderzoek is nodig om dit verder te onderzoeken. Bij aanvraag van de vergunning voor bouwen zal een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Er is voldoende budget voor het vervolg gereserveerd. Binnen het plangebied zijn geen (zware) verontreinigingen bekend. Vanuit het aspect bodem zijn er geen zaken die het plan onuitvoerbaar maken.
ruimte voor ontwikkeling
35
5.10 Geur 5.10.1
Wettelijk kader
Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan. De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een 'hoge bescherming' en daarbuiten een 'lage bescherming'. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan. Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en bouten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour.
5.10.2
Beoordeling
Het omgevingsaspect Geur is één van de bepalende elementen om aan te kunnen tonen dat er voldaan kan worden aan de instructieregel: “een juiste toewijzing van functies (in ons geval: Wonen) aan locaties”. De geurvisie Putten Zuid is daarbij het toetsend kader. Deze voldoet aan artikel 6 van de Wet geurhinder en Veehouderij. In de Geurvisie is onderzocht dat een norm van 7 odeur (6,8 odeur voorgrondbelasting en 13.7 odeur achtergrondbelasting) gehanteerd kan worden om een prettig woon- en leefklimaat in het plangebied te borgen. Waarbij er maximaal 15% geurgehinderden blijven bestaan. Ook zorgt deze te hanteren geurnorm er niet voor dat de bedrijfsmogelijkheden van agrarische bedrijven in een straal van 2 km rondom het plangebied niet onevenredig is aangetast. De norm van 7 odeur is daarmee geborgd in de Verordening Geurhinder en Veehouderij Putten Zuid 2017. Om de situatie in Halvinkhuizen te bepalen is een geuronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 6. Hierin wordt getoetst aan de voor- en achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting is de gecumuleerde geurbelasting van alle agrarische bedrijven samen. De voorgrondbelasting is de geurbelasting van die veehouderij welke de meeste geur op een geurgevoelig gebouw veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelig gebouw is gelegen.
De berekening van en het toetsen aan de voorgrond- en achtergrondbelasting is noodzakelijk aangezien uit onderzoek is gebleken dat de geurhinder door de voorgrondbelasting anders wordt beleefd dan geurhinder door de achtgrondbelasting bij gelijke belastingen. De voorgrondbelasting is bepalend als deze tenminste de helft bedraagt ten opzichte van de achtergrondbelasting. Voor deze verschillende soorten geurbelasting gelden de volgende normen: Een voorgrondbelasting van maximaal 7,0 ouE/m3 (conform geurverordening Putten Zuid) Een achtergrondbelasting van maximaal 13,0 ouE/m3 (conform geurvisie Putten Zuid; minimaal een redelijk goede milieukwaliteit voor het plangebied is acceptabel) Woningbouw in fase 2 en 3 is niet mogelijk zolang het agrarisch bedrijf aan de Beitelweg 7 in bedrijf is. Dit bedrijf ligt midden in het plangebied en legt een geurcontour over het gebied, waarin de overlast van geur
36
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
te groot is om te kunnen spreken van een goed woon- en leefklimaat. Wanneer dit bedrijf echter stopt, wat tevens noodzakelijk is om ruimte te maken voor de woningbouw zal de geurcontour voor het grootste gedeelte van het plangebied aanvraardbaar zijn. Enkele bedrijven aan de westelijke rand van het plangebied hebben echter nog wel een geurcontour over het plangebied, ook als het bedrijf aan de Beitelweg 7 is gestopt, die een over (een klein deel) van het plangebied een voorgrondbelasting hebben. Met deze bedrijven wordt overleg gevoerd over maatregelen of het stoppen van de bedrijfsvoering. Zo is met het bedrijf aan de Beitelweg 6 er een akkoord op hoofdlijnen gesloten ten aanzien van bedrijfsbeëindiging in het kader van functieverandering. Daardoor zal deze milieucontour ook verdwijnen. Ten aanzien van de milieu contour horende bij de Beitelweg 10 is de inschatting dat deze milieucontour niet bepalend zal zijn voor de realisering van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor het gewenste aantal woningen en overige milieu gevoelige functies in dit gebied. Dit deel van het plangebied zal dan ook worden benut voor niet milieu gevoelige functies, zoals groen- en watervoorzieningen indien er geen nadere afspraken wroden gemaakt. Dit staat het planvoornemen niet in de weg.
Wel zal voor de woonfunctie voor deze delen een voorwaardelijke verplichting van toepassing zijn, zodat er niet gewoond kan worden zonder dat de geursituatie verbeterd is.
Kaart van de voorgrondbelasting van 7 ou/E/m3, die het plangebied overlapt (Legenda: geel: < 3,0 ouE/m3, oranje: 3,0 – 7,0 ouE/m3, rood: > 7,0 ouE/m3) De achtergrondbelasting van de gezamelijke bedrijven legt tevens voor een klein deel en vergelijkbaar deel van het plangebied een beperking op. Indien er afspraken met bedrijven kunnen worden gemaakt zal deze ook afnemen indien dit niet lukt zullen hier wederom geen gevoelige functies gerealiseerd worden. Zie navoglende afbeelding van de achtergrond belasting, zonder het agrarisch bedrijf aan de Beitelweg 7. De rode contour is de achtergrond belasting die zo hoog is dat het niet geschikt is voor gevoelige functies.
ruimte voor ontwikkeling
37
Kaart van de achtergrondbelasting(Legenda: geel: <8,0 ouE/m3, oranje: 8,0 - 13,0 ouE/m3, rood: > ouE/m3) Woon- en leefklimaat Dus ook wanneer het bedrijf aan de Beitelweg 7 plaats maakt voor woningbouw moeten er nog nadere afspraken gemaakt met de bedrijven aan de rand van het plangebied. Om het plangebied volledig voor wonen te kunnen benutten. Met het bedrijf aan de Beitelweg 6 is er daarnaast ook een akkoord op hoofdlijnen over de bedrijfsbeëindiging. Echter ook indien dit niet lukt is er voldoende ruimte voor de voorliggende ontwikkeling. Om dit te borgen zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen in het omgevingsplan. Gezondheid en veehouderijen De GGD adviseert in verband met gezondheid om een afstand van 250 meter aan te houden tussen nieuwe woningen en veehouderijen. Binnen een zone van 250 meter om het houden van vleeskalveren en vleeskuikens. Het realiseren van woningbouw binnen een zone van 250 meter om dit bedrijf is gezien de gezondheidsrisico’s niet wenselijk. In de regels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat in de zone van 250 meter om het bedrijf aan de Beitelweg 7 geen woningbouw gerealiseerd mag worden zolang het bedrijf nog in werking is. In feite betekend dit dat het hele plangebied moet wachten met realisatie tot er maatregelen zijn genomen ten behoeve van de veehouderij in het plangebied.
Uit voorzorg is de adviesafstand van de GGD tussen veehouderijen en gevoelige functies opgenomen. Op dit moment is nog geen wetenschappelijk onderbouwd direct bruikbaar instrument voor deze gezondheidkundige beoordeling voorhanden is. Daarnaast is het instrument GezondheidEffectScreening (GES), een methode om de milieuaspecten met gezondheidseffecten te beoordelen, in 2022 door de GGD teruggetrokken. De mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven is een mee te wegen belang bij de vaststelling van dit plan, maar de bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt primair in andere wetgeving plaats. Daarnaast kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen of te beperken zoals bijvoorbeeld extra
38
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
aandacht voor hygiënemaatregelen, waardoor de kans op (de overdracht van) infectieziekten wordt verlaagd. Er is onderzocht of er een goed woon-en leefklimaat te garanderen is in de geurgevoelige objecten. Uit voorzorg is de adviesafstand van de GGD tussen veehouderijen en gevoelige bestemmingen opgenomen.
5.10.3
Conclusie
Het aspect geur brengt enkele belemmeringen met zich mee voor de voorngenomen ontwikkeling. Echter zijn deze te overzien en zijn ze in de plangregels geborgd door de voorwaardelijke verplichting op te nemen. Daarmee is het plan niet onuitvoerbaar en zijn de voorwaarden voldoende vastgelegd.
5.11 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.
5.12 Ladder voor duurzame verstedelijking In deze paragraaf wordt duidelijk op wijze de beoogde ontwikkeling van fase 2 en 3 van de nieuwbouwwijk Halvinkhuizen voldoet aan de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12.1
Wettelijk kader
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van over programmering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in het Bkl opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit
ruimte voor ontwikkeling
39
jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen gekwalificeerd wordt als zijnde 'substantieel'. Met onderhavige ontwikkeling wordt deze grens ruimschoots overschreden. Zodoende is een onderbouwing van de Ladder nodig.
5.12.2
Beoordeling
Het voorliggende plan maakt de realisatie van de nieuwbouwwijk Halvinkhuizen, fase 2 en 3 mogelijk. Binnen het plangebied mogen maximaal 920 woningen gebouwd worden. Daarmee kan het dorp Putten aan de zuidzijde op agrarische gronden worden uitgebreid. Daarmee is het plan aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. In dit kader dient een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking plaats te vinden. Daarbij wordt het volgende overwogen: In hoofdstuk 4 is de behoefte voor de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk Halvinkhuizen. In de paragrafen 4.3.1 Woondeal regio Noord-Veluwe 2022-2030 en en in de paragrafen 4.4.1 (Omgevingsvisie) 4.4.4 Ontwikkelingsvisie Halvinkhuizen, 4.4.2 Woonvisie Putten 2020-2025 en 4.4.5 Woningbouwmonitor 2024. In de Woonvisie Putten 2020 – 2025 is een streefwoningbouwprogramma opgenomen waarmee is getracht een balans te vinden tussen enerzijds ontwikkelingen in de markt en anderzijds de behoefte op de korte en lange termijn en daarmee samenhangend de verhuur- en verkoopbaarheid van woningen. Deze ziet er als volgt uit: Aantal woningen sociale huur: 30%; Aantal woningen vrije sector huur: 5%; Aantal woningen sociale koop: 15%; Aantal woningen betaalbare koop: 15% Aantal woningen middeldure koop: 20% Aantal woningen dure koop: 15%.
Het woonprogramma dat wordt gerealiseerd binnen het plangebied zal voldoen aan het streefprogramma dat de gemeente hanteert. Er wordt echter bewust gekozen om het streefprogramma uit de Woonvisie Putten 2020 – 2025 niet juridisch te borgen in dit TAM – Omgevingsplan, conform de wettelijke mogelijkheden die daartoe bestaan. De realisatie van Halvinkhuizen fase 2 en 3 ligt namelijk buiten de scope van het beleidsdocument waarin het streefwoningbouwprogramma is geborgen. Dit maximaliseert de mogelijkheid om in de realisatiefase te voorzien in de bouw van woningen die inspeelt op de dan geldende woningbouwbehoefte. Wel wordt de kwantitatieve behoefte vastgelegd in dit TAM – Omgevingsplan, door het maximaal aantal toegestane woningen binnen het plangebied vast te leggen in de planregels.
5.12.3
Conclusie
Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van fase 2 en 3 van de nieuwbouwwijk Halvinkhuizen. Daarmee maakt het de bouw van maximaal 920 woningen mogelijk. Daartoe is in deze paragraaf aannemelijk gemaakt dat dit plan voldoet aan de toets aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
5.13 Cultuurhistorie en archeologie 5.13.1
Wettelijk kader
In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten;
40
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Tot dat de gemeente Putten regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan heeft opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.
5.13.2
Cultuurhistorie
Gemeente Putten heeft haar erfgoedbeleid vastgelegd in 'Putten ons dorp - erfgoedbeleid 2024-2028'. Hierin staat beschreven hoe Putten met haar erfgoed wil omgaan. Uit het beleid is op te maken dat er in het plangebied Halvinkhuizen geen gemeentelijke monumenten zijn. Wel is er een analyse van de landschappelijke waarden gemaakt. In 2015 heeft de gemeente Putten een uitgebreid gemeentelijke cultuurhistorisch onderzoek door RAAP uit laten voeren. In het kader van dit onderzoek is de gehele cultuurhistorie van de gemeente in beeld gebracht. Op basis van dit onderzoek blijkt dat het hele plangebied voor de woonwijk Halvinkhuizen deel uit maakt van het kampontginningen landschap. Voor het gehele plangebied van Halvinkhuizen geldt dat op verschillende vlakken overblijfselen uit het vroegere landschap aanwezig en herkenbaar zijn. Voor de volledigheid worden deze cultuurhistorische waarden onderstaand beschreven. De eerste kadastrale inmeting uit 1832 laat de historische context van het plangebied goed zien.
ruimte voor ontwikkeling
41
Uitsnede kadastrale minuutplan Putten uit 1832 met grondgebruik, waarbij bruin=bouwland; roze=heide; olijfgroen=hakhout Het dorp Putten bestaat uit een grote dorpsenk en wordt zodoende Putter enk genoemd. Door bemesting van de landerijen met potstalmest zijn de akkers relatief hoog in het landschap komen te liggen (bolle akkers). De oude wegen snijden zodoende door het verhoogde landschap. Aan de randen van de dorpsenk ligt een groot aantal middeleeuwse boerderijen. Ook bij plangebied Halvinkhuizen is dit het geval. De middeleeuwse boeren erven hebben ongetwijfeld oudere voorgangers gehad. De boerderijen en landerijen waren eigendom van kloosters en we zien bij Rimpeler dat de voorgangers terug kunnen gaan tot in de 8e eeuw. De akkers worden vaak omgeven door hakhoutstruwelen (houtwallen). Enerzijds diende deze voor de bescherming van de bouwlanden tegen wild, anderzijds voor geriefhout (verwarming van de boerderij en het bereiden van eten). De houtwallen worden als cultuurlandschappelijke waarden bestempeld. Op de oude kaart is mooi te zien dat de dorpsenk als oase in een ring van heide ligt. De heide was van belang voor de bemesting van de landerijen en werd met schapen onderhouden. Het landschap duikt direct zuidelijk van het plangebied diep weg. De ondergrond is hier nat en ook in de middeleeuwen minder geschikt voor landbouw.
42
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart 2015 Aan de randen van het plangebied langs de Hooiweg en rondom het agrarische erf Beitelweg 7 bevinden zich twee historische groenstructuren. Daarnaast loopt er vanaf de Hooiweg 10 een historische ontginningswal het gebied in. Vanuit het westen, vanaf de Beitelweg, loopt langs de noordzijde van
ruimte voor ontwikkeling
43
Beitelweg 7 een aarden enkwal het gebied in. Beide wallen raken elkaar in het midden van het plangebied. De wallen zijn nu nog herkenbaar in het gebied als houtwal. Ook enkele historische kadastrale grenzen rondom Beitelweg 7 zijn nog in het huidige landschap te herleiden. De kromme vorm van de Beitelweg heeft mogelijk te maken met het landgoed Bijstein. Verder lag langs de huidige Roosendaalseweg in het verleden een weg die nu niet meer herkenbaar in het plangebied aanwezig is. Tot slot lagen in het zuidoostelijke deel van het plangebied aan de randen van de beoogde woonwijk meerdere historische boer- en woonerven. Ook het perceel Beitelweg 7 is aangeduid als historisch boerenerf. Dit erf blijft behouden met onderhavig plan. Verder hebben de betreffende percelen geen beschermde status in de vorm van een gemeentelijk- of rijksmonument.
5.13.3
Archeologie
Er gelden voor archeologie vergunningplichten in het plangebied, waarvoor nader onderzoek voor archeologie moet plaatsvinden. Echter zijn niet alle gronden in eigendom, onderzoek zal dus worden uitgevoerd na verwerving van de gronden. De regels voor de archeologie bijven behouden voor het plangebied. Het onderzoek zal dus plaatsvinden voor de vergunningverlening. Dit is geborgd in de regels. De archeologische vondsten zijn ook een kans voor het plangebied. De gemeenteraad heeft expliciet gevraagd te kijken of de resultaten van het onderzoek inspiratie kunnen geven voor het stedenbouwkundig plan. Op deze manier is het mogelijk de nieuwbouwwijk en de bewoners een gedeelde identiteit te geven. Dit zorgt voor een gezamenlijke binding. Iets wat in tijden van polarisatie belangrijk is. Daarbij kijken we hoe kinderen/omwonenden en andere geïnteresseerden mee kunnen doen met archeologische opgravingen.
5.13.4
Conclusie
Bij de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk wordt waar mogelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden. Dit is met name terug te zien in het voornemen om de bestaan-de houtwalstructuren in het plangebied voor Halvinkhuizen te behouden en juist als groene drager voor de nieuwe woonwijk te gebruiken. Geconcludeerd kan worden dat met de ontwikkeling van fase 2 en 3 geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische elementen. Met het behoud van de houtwallen wordt beoogd de wijk extra kwaliteit te geven. Op grond van archeologisch onderzoek is het grootste deel van het plangebied vrijgegeven. Zover dit niet het geval is, zijn potentieel aanwezige archeologisch waarden beschermd in de regels van het plan. Er zijn geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief.
5.14 Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte 5.14.1
Wettelijk kader
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter - en goedkoper - gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten. In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor
44
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangsinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatieen radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes. Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
5.14.2
Beoordeling en conclusie
Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. In het stedenbouwkundig kader en in het beeldkwaliteitsplan dat de raad nog zal vaststellen, wordt concrete invulling gegeven aan de inrichting van het gebied en zal rekening worden gehouden met de toegankelijkheid van personen met een functiebeperking in de openbare ruimte.
5.15 Flora en fauna 5.15.1
Wettelijk kader
Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activeiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.
Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels. Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden.
Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.
ruimte voor ontwikkeling
45
Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
5.15.2
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ruim 1500 meter ten westen van Natura-2000 gebied Veluwe. Het plangebied is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel ligt op ruim 800 meter afstand. Het meest dichtbijgelegen weidevogelgebied betreft Nijkerkernauw-Wolderwijd gelegen op een afstand van ruim 2600 meter. Gelet op de ruime onderlinge afstanden, kunnen directe effecten zoals areaalverlies en versnippering van voorgenoemde gebieden worden uitgesloten. Tenslotte kan verstoring van natuurgebieden als verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Een uitgebreide beschrijving, beoordeling en aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Aanvullend is wel extra aandacht besteed aan de mogelijke verzuring en vermesting van een habitat ten gevolge van stikstofdepositie. Stikstofdepositie Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen.
Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van dit bestemmingsplan ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft 'Veluwe' op circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Om na te gaan of er sprake is van stikstofdepositie op kwestbare natuur is een onderzoek uitgevoerd ( Bijlage 8). In dit onderzoek is een inschatting gedaan van de referentiesituatie. Hierin is het bemesting van de landbouwgronden opgenomen en ook het stoppen van het agrarisch bedrijf aan de Hooiweg 22. Daarnaast is rekening gehouden met de bouwfase van het plan en met de gebruiksfase. In het onderzoek wordt nagegaan of de stikstofdepositie siginificant toeneemt ook nadat rekening is gehouden met de depostie die stop (interne saldering). Uit het onderzoek blijkt dat indien de referentiesituatie wordt afgetrokken van de bouwfase en gebruiksfase er dan wordt voor geen enkel jaar (niet tijdens de aanlegfase en niet inde gebruiksfase) en op geen enkel relevant hexagoon een toename in stikstofdepositie berekend ten opzichte van de referentiesituatie.
Er zijn dan geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan en het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan.
46
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
5.15.3
Soortenbescherming
Door TAUW is voor de ontwikkeling van Halvinkhuizen een ecologisch soortenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek ziet op alle fasen van de ontwikkeling van Halvinkhuizen. De rapportage is opgenomen als Bijlage 7. De resultaten van het onderzoek luiden als volgt: "In het plangebied zijn beschermde functies aanwezig van das, boommarter, vleermuizen, steenuil, kerkuil en huismus. In onderstaande tabel zijn de globale onderzoeksresultaten binnen het plangebied weergegeven.
Door het nemen van maatregelen kunnen verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen behouden blijven. De maatregelen bestaan uit het voorkomen van uitstralende verlichting richting verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes van vleermuizen. Voorwaarde is dat de woningen langs de Hooiweg en Van Geenstraat 85 behouden blijven. Wanneer dit niet het geval is, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Een ter zake kundig ecoloog dient betrokken te worden bij het opstellen van het verlichtingsplan, om te voorkomen dat er negatieve effecten optreden op beschermde functies van vleermuizen. Overige beschermde functies gaan permanent verloren bij de bouw van woningen in het plangebied. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1 lid 2 (steenuil, kerkuil en huismus) en artikel 3.10 lid 1b (das en boommarter). Hiervoor is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Er zijn in het plangebied geen beschermde functies van bunzing, hermelijn, wezel, buizerd, sperwer, havik, boomvalk, roek, gierzwaluw en ransuil aanwezig." In de rapportage worden de volgende vervolgstappen benoemd: "Voor het perceel op Beitelweg 7 is nog helemaal geen vleermuisonderzoek uitgevoerd en dienen de resultaten voor huismus aangevuld te worden. Ook dient op dit perceel nader onderzocht te worden of verblijfplaatsen van steenmarter uitgesloten kunnen worden.
Voor teunisbloempijlstaart is Hooiweg 22 tot en met 24 nog niet onderzocht. Aangaande deze soorten en locaties dient het onderzoek als niet volledig te worden beschouwd en moet in een later stadium alsnog ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Bij de Provincie Gelderland dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Voor een ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk een activiteitenplan op te stellen. Hierin staat alle informatie over het voornemen, de onderzoeksresultaten en de effecten op populaties. Een belangrijk onderdeel zijn de maatregelen die genomen moeten worden om effecten op beschermde soorten te mitigeren en te compenseren. Daarnaast is het noodzakelijk het wettelijk belang aan te tonen van het voornemen. Ook moet aangetoond worden dat er geen reële alternatieven zijn om hetzelfde te bereiken, die gunstiger uitpakken voor de betreffende soorten."
ruimte voor ontwikkeling
47
De conclusie van het rapport luidt: "Bij het nemen van de juiste mitigerende/compenserende maatregelen, die verwerkt worden in activiteitenplan inclusief een volledige alternatievenafweging en onderbouwing van het wettelijk belang kan de beoogde ontwikkeling doorgang ondervinden. Ook een wijziging van het bestemmingsplan is op dat moment redelijkerwijs uitvoerbaar."
5.15.4
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan ziet op fase 2 en 3 binnen de gehele ontwikkeling van Halvinkhuizen. Binnen de begrenzing van fase 2 en 3 zijn er nog aandachtspunten voor bescherming van beschermde diersoorten. Zover dit volgt uit het onderzoek soortenbescherming zal voor realisatie bij de provincie Gelderland een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Er zijn geen zaken die erop wijzen dat het plan onuitvoerbaar is. Vervolgonderzoek zal uitgevoerd worden en de eventuele beperkingen die daaruit volgen zullen in acht worden genomen. Vanuit de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
5.16 Milieubelastende activiteiten 5.16.1
Wettelijk kader
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluidof geurhinderniveaus zijn. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de activiteit die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het omgevingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'.
5.16.2
Beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.
48
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
Het plangebied kan grotendeels worden gekarakteriseerd als rustig gebied, gelet op de beperkte functiemenging. Aan de randen is echter deels sprake van functiemenging, zodat hier gesproken kan worden van gemengd gebied. Onderstaande figuur toont een indicatie van dit gemengd gebied (bron: Omgevingsdienst Noord Veluwe).
Woningen betreffen een milieugevoelige functie. In de gewenste situatie zal er geen (agrarische) bedrijvigheid worden toegestaan binnen het plangebied. De plannen leiden niet tot overlast of beperkingen voor andere milieugevoelige functies in de omgeving. Op onderstaande afbeelding is te zien welke milieucontouren er aanwezig zijn in en rond het plangebied.
ruimte voor ontwikkeling
49
Bedrijven binnen het plangebied: van den hoek opslag De meest opvallende contour is die van Van den Hoek opslag. Deze ligt midden in het plangebied en legt een ruime beperking op. Echter is deze opslag gestopt nu Van den Hoek is verhuisd. Mts. Dekker Dit bedrijf ligt ook binnen het plangebied en zal bij de planontwikkeling rekening mee moeten worden gehouden of tot andere afspraken met de eigenaar worden gekomen. Bedrijven buiten het plangebied Bedrijf
adres
autorijschool
Nijkerkerstra autorijschool at 2 7 cat 2
timmebedrijf Kwekerij
50
maximaal toegestaan
richtafstand feitelijk aanwezig (gemengd gebied)
richtafstand werkelijke afstand tot plangebied
10 m
10 m
0m
eerste 4 m zijn bestemd als groen en daarachter komt de toegangsweg. dus vormt geen belemmering
Enghuusweg timmerbedrijf 10 m 15
timmerbed 10 m rijf
42 m
voldoende afstand
Enghuusweg agrarisch 15 a bedrijf
Kwekerij
0m
bestaande bedrijven op 20 m aan zuidzijde en 7 m aan noordzijde
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
30 m
autorijschool
10 m
Aldi
Enghuusweg detailhandel 13
0m
Supermark 0 m t
2m
voldoende afstand
agrarisch bedrijf
Beitelweg 4
Agrarisch bedrijf
30 m (geluid)
Agrarisch bedrijf
30 m (geluid)
8m
wordt afsgetemd met eigenaar mede ivm deel bedrijf in plangebied.
agrarisch bedrijf
Beitelweg 6
agrarisch bedrijf
30 m (geluid)
Agrarisch bedrijf
30 m (geluid)
26 m eerste 3 m van (bouwvlak)5 plangebied kent geen 0 m (stallen) bouwvlak.
agrarisch bedrijf
Beitelweg 10
agrarisch bedrijf
30 m (geluid)
Agrarisch bedrijf
30 m (geluid)
23 m
heeft al bestaande woning op 23 m aan zijde van plangebied.
agrarisch bedrijf
Beitelweg 11
agrarisch bedrijf
30 m (geluid)
Agrarisch bedrijf
30 m (geluid)
36 m
voldoende afstand
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er voldoende afstand wordt gehouden met de gevoelige functies in het woongebied ten op zichte van de bestaande bedrijven rondom het plangebied. Zo kan er voor dit aspect een goed woon en leefklimaat geborgd worden. Ook worden bestaande bedrijven niet extra belemmerd in hun bedrijfsvoering. Alleen voor de Beitelweg 4 geldt dit niet. Hiermee is de gemeente Putten in overleg om te komen tot een passende oplossing. Als blijkt dat het bedrijf blijft zitten zoals het is, zal hier rekening mee worden gehouden in de stedenbouwkundige uitwerking om voldoende afstand te kunnen borgen. De realisatie van de school in het plangebied zal ook aandacht vragen bij de inpassing naast de omliggende woningen. Hier zal bij de stedenbouwkundige uitwerking rekening mee gehouden worden.
5.16.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering werpt enkele aandachtspunten op voor de stedenbouwkundige uitwerking van het plan, maar staat de uitvoering niet in de weg.
5.17 Parkeren en verkeer 5.17.1
Parkeren
Er is binnen het plangebied voldoende ruimte om in de benodigde parkeergelegenheid te voorzien. Een concrete uitwerking van de parkeervoorzieningen zal worden opgenomen in de nadere stedenbouwkundie uitwerking voor Halvinkhuizen fase 2 en 3. In de planregels wordt daarnaast opgenomen dat een omgevingsvergunning voor bouwen, danwel gebruiksverandering alleen kan worden afgegeven wanneer uit de aanvraag van deze vergunning blijkt dat aan het geldende parkeerbeleid wordt voldaan. Door de geactualiseerde gemeentelijke Nota Parkeenormen 2024 (of diens rechtsopvolger) te koppelen aan de regels van dit plan is het aspect parkeren ook juridisch afdoende geborgd.
5.17.2
Verkeer
Om na te gaan wat de invloed is van de verkeersafwikkeling door de realisatie van Halvinkhuizen is een onderzoek uitgevoerd door Goudappel Bijlage 3. De vier deelgebieden krijgen elk een eigen ontsluiting. Fase 2 wordt ontsloten via de Van Geenstraat. Fase 3 wordt aan de zuidzijde ontsloten en fase 4 op de Roosendaalseweg. De Hooiweg en Beitelweg sluiten niet aan op de nieuw te realiseren weg. Om het verkeer richting het hoofdwegennet te leiden wordt er een knip gerealiseerd op de Roosendaalseweg ten zuiden van de aansluiting van fase 4. Fase 1 die al in een eerder omgevingsplan is opgenomen sluit ook aan op de Roosendaalseweg, ook ten noorden van de knip. In de Ontwikkelingsvisie Halvinkhuizen is de verkeersstructuur van Halvinkhuizen uitgewerkt. In dit verkeersonderzoek is aangetoond dat fase 3 niet op bestaande infrastructuur kan worden ontsloten. Om
ruimte voor ontwikkeling
51
die reden is er voor fase 3 een nieuwe verkeersontsluiting opgenomen dat aansluit bij het trace van de Zuidelijke Ontsluiting. De beoogde ontsluiting van Halvinkhuizen fase 3 is opgenomen in het verkeerskundig onderzoek en is als bijlage van voorliggend plan is opgenomen. Voor de ontsluiting van Halvinkhuizen fase 3 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.
Plangebied met schematische weergave van de aansluitingen op het wegennet
Aansluiting van nieuwe ontsluitngsweg fase 3 op het tracé van de zuidelijke ontsluitngsweg voor Putten. De nieuwe woonwijk Halvinkhuizen wordt gerealiseerd aan de zuidzijde van Putten. Het betreft een ontwikkeling in vier deelgebieden, waarvan het bestemmingsplan van het eerste deelgebied in 2023 reeds ter inzage is gelegd. De deelgebieden worden in drie fases gerealiseerd, elk met een eigen aansluiting voor gemotoriseerd verkeer op het wegennet. Om fietsverkeer maximaal te stimuleren en faciliteren worden er in de wijk tussen de buurten hoogwaardige fietsverbindingen gerealiseerd. Binnen het plan zijn twee hoofddragers in de fietsstructuur: een oost-westverbinding en een noord-zuidverbinding. Deze sluiten naar buiten aan op routes naar het
52
TAM-omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3
centrum, het station en het sportpark. Het huidige openbaar vervoer blijft ongewijzigd, met bushaltes en het treinstation op fietsafstand. Het is belangrijk dat de fiets goede verbindingen en stalingsplekken krijgt naar de bushaltes en het station. De lage hoeveelheid verkeer op de Roosendaalseweg zorgt ervoor dat deze weg geen barrière wordt en goed oversteekbaar blijft. Ook de bereikbaarheid van het sportpark voor fietsers blijft goed en veilig. Op de van Geenstraat neemt de hoeveelheid verkeer iets meer toe. Op het drukste wegvak is de toename 2.500 à 3.000 motorvoertuigen per etmaal. Op de Van Geenstraat neemt de kwaliteit van de oversteekbaarheid voor langzaam verkeer iets af ten opzichte van de huidige situatie. Fietsers moeten zoals ook al in de referentiesituatie het geval is oversteken ter hoogte van kruispunten/rotondes of op locaties waar een middengeleider/-eiland aanwezig is. In de plansituatie geldt dit ook voor voetgangers. De Hooiweg krijgt geen toename van verkeer te verwerken, een belangrijk gegeven aangezien deze weg niet geschikt is voor een toename van verkeer. Het verkeer kan goed afgewikkeld worden via deze ontsluitingen. Ook de aansluitingen in de omgeving van het plangebied zijn beoordeeld en laten een goede afwikkelingskwaliteit zien. Het kruispunt Van Geenstraat-Voorthuizerstraat ligt wat verder weg en heeft een andere afwikkelingskwaliteit.