CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

concept PIP vergelijkingsdocument nieuwe versie

Commissie Ruimte 31 augustus 2023, gemeente PuttenBij agendapunt: Consulterende notitie - Concept provinciaal inpassingsplan windpark Horst en Telgt47.384 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Het is dan ook niet aan de orde dat de windturbine en de daarbij behorende kabels veldsterkten veroorzaken boven 0,4 microtesla op plaatsen waar mensen langdurig verblijven. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat elektromagnetische velden die in de buurt van windturbines en de daarbij behorende ondergrondse kabelverbindingen voorkomen, een gezondheidsrisico vormen. Het Kennisplatform EMV bevestigt deze conclusie ook in een hun memo.66 Op grond van de normen die gehanteerd worden voor windturbinegeluid, slagschaduw en externe veiligheid wordt reeds een zodanige afstand tussen windturbines en bebouwing aangehouden dat er geen sprake is van elektromagnetische hinder van de windturbines dat er geen sprake is van effecten voor omwonenden door eventuele elektromagnetische velden van het windpark. Trillingen Op grond van ervaringen op land blijkt dat fundaties van windturbines, mits goed gedimensioneerd, geen hinderlijke trillingen doorgeven aan de ondergrond en de omgeving. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft in een brief het volgende laten weten (2013)67: "de bewering in enkele literatuurbronnen dat ook overdracht door de grond plaats vindt is ongegrond, hetgeen blijkt uit nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem rondom windturbines".

Het Geo-Consultancy bureau Fugro heeft in het verleden bij een aantal windturbines verspreid over Nederland trillingsmetingen uitgevoerd met als doel het inzichtelijk maken van de optredende trillingsintensiteiten tijdens de regulier in bedrijf zijn van de windturbine. Over de bevindingen van destijds heeft Furgo in briefrapportage gerapporteerd. Fugro heeft metingen verricht bij de volgende locaties: Ÿ Afrikahaven te Amsterdam. In oktober/november 2008 zijn metingen bij een drietal opgestelde 3 MW windturbines uitgevoerd; Ÿ Noordland (eiland Neeltje Jans/ Roompot). In januari/februari 2009 zijn metingen bij een tweetal 3 MW turbines uitgevoerd; Ÿ Eemshaven. In de periode januari - mei 2013 uitgebreide metingen (25 meetlocaties) bij een opgestelde 6 MW windturbine uitgevoerd. Op basis van de resultaten van de hierboven beschreven metingen concludeert Fugro dat de invloed van trillingen bij het in gebruik zijn van de windturbines binnen een afstand van circa 15 tot 20 meter uit de windturbine nog enige invloed kan hebben, daarbuiten is deze invloed verwaarloosbaar. Fijnstof

Provincie Gelderland

77

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Windturbines stoten uiteraard zelf geen fijnstof uit. Fijnstof is vooral afkomstig van wegverkeer en industrie. Windturbines hebben (mogelijk) een effect op de verspreiding van fijnstof doordat de wind in het zog achter de windmolen een hogere mate van turbulentie bevat, waardoor het verspreidingsgebied vergroot kan worden. Voor windpark Horst en Telgt is er gezien de afstand tot luchtverontreinigende bronnen zoals verkeer en industrie en de afstand tot woningen geen sprake van een significant effect door windturbines op de verspreiding van uitstoot van fijnstof. Neodymium Er wordt ook regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van neodymium in windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Neodymium is een zeldzaam aardmetaal en wordt ook gebruikt voor de permanent magneten in windturbines met een 'direct drive' mechanisme (zonder tandwielkast). In bepaalde gebieden waar neodymium wordt gewonnen wordt gerapporteerd over gezondheidseffecten ter plaatse als gevolg van de verwerking van de radioactieve materialen die bij de winning van neodymium vrijkomen. Er is echter geen bewijs voor een relatie tussen de aanwezigheid van neodymium in windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Neodymium zelf is geen radioactief materiaal.

SF6 gas De Telegraaf concludeert in het artikel van 29 oktober 2019 (Windmolen lekt schadelijk gas) dat het toenemend gebruik van het gas zwavelhexafluoride - SF6 - een onbedoeld, maar direct gevolg is van de transitie naar duurzame energie. Het artikel baseert zich op een bericht van de BBC waarin een studie door de Cardiff University naar het Britse elektriciteitsnet wordt aangehaald. Hierin wordt gesteld dat de toename in het gebruik van SF6 een direct gevolg is van de groei van duurzame energiesector. Het klopt dat SF6 wordt toegepast in uiteenlopende onderdelen van het energiesysteem om kortsluiting te voorkomen. Andere fluoride-gassen worden gebruikt in verhittings- en koelapparatuur, zoals koelkasten, warmtepompen en airconditioners. Het BBC artikel stelt dat SF6 voornamelijk door lekkages terechtkomt in de atmosfeer. Bij windturbines kunnen deze lekkages ontstaan door mechanisch falen, slijtage van machines of tijdens onderhoud of ontmanteling van een windturbine. Ter voorkoming van vrijkomen van SF6 in de atmosfeer wordt het bij reparatie en ontmanteling afgevangen. Vervolgens wordt het hergebruikt in nieuwe apparaten. Onderzoek van WindEurope68 wijst uit dat alle 100.000 windturbines in Europa jaarlijks naar schatting 150 kilo aan SF6 lekten in de afgelopen zes jaar. Dit staat gelijk aan een jaarlijkse uitstoot van 3.525 ton CO2.

Om dit in perspectief te plaatsen: deze 100.000 windturbines bespaarden in dat jaar 255 miljoen ton aan CO2 door 336 TWh aan groene stroom op te wekken. De lekkage van SF6 vormt dan ook slechts fractie, namelijk 0,001%, van de vermeden uitstoot van CO2. Er is geen bewijs voor een relatie tussen de eventuele (zeer minimale) lekkage van SF6 uit windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Windturbines zorgen juist voor een groot aandeel in vermeden emissies van CO2 omdat de elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. Desondanks is het de verantwoordelijkheid van de windsector om het gebruik van SF6 waar mogelijk te verminderen en waar dit om praktische redenen niet mogelijk is te zorgen dat het risico op lekkages zo klein mogelijk is. Diverse alternatieven voor SF6 worden momenteel onderzocht, zoals nieuwe combinaties van schone gassen. Bisphenol A en bladerosie In zienswijzen wordt ook regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van de stof Bisphenol-A in de bladen van windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Bisphenol-A (ook bekend onder de afgekorte naam BPA) is een weekmaker die veel gebruikt wordt in de productie van polycarbonaat plastic, epoxyhars en veel andere algemene producten zoals speelgoed, drinkflessen en contactlenzen. BPA veel wordt gebruikt in de (voedsel)verpakkingsindustrie.

In 2015 is het product door de Europese Voedselveiligheidsorganisatie (EFSA) aangemerkt als ongevaarlijk voor de volksgezondheid en bruikbaar voor direct contact met voedsel.69 Bij de productie van windturbines wordt BPA niet gebruikt. Het wordt gebruikt bij de bereiding van epoxyhars, die weer gebruikt wordt om windturbinebladen te maken. De windturbinebladen bestaan uit glasvezel, epoxyhars en soms koolstofvezels. In de productie van de windturbinebladen zelf wordt geen BPA gebruikt, dit gebeurt alleen in het proces van het produceren van de hars voor de windturbinebladen. De bladen worden uiteindelijk ook nog geschilderd met een speciale

78

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) beschermende coating. Als gevolg van erosie (die optreedt bij ieder object waarop verf aanwezig is, zoals een huis of auto) zal jaarlijks ongeveer 1.000 gram van deze beschermende coating van de bladen per windturbine eroderen.70 Dit betreft chemisch inactieve polymeerdeeltjes. Ter vergelijking: een recent rapport van TNO schat dat de totale jaarlijkse emissie van alle microplastics in Nederland naar het milieu ongeveer 5000 ton bedraagt, waarbij autobanden (~2000 ton), verpakkingen (~1500 ton), en landbouwplastics (~800 ton) de grootste bronnen zijn. De geschatte bijdrage van windturbines op land aan de totale landelijke emissie van microplastics is zeer klein en minder dan 0,0002% tot 0,8%, waarbij het laatste getal een worst-case inschatting betreft.

heeft verwijderd: <update>¶

Het is overigens nadrukkelijk ook een belang van de initiatiefnemer van een windpark zelf om erosie aan de windturbinebladen zoveel mogelijk te voorkomen omdat imperfecties aan het rotorblad ook voor een verlies van energieopbrengst zorgen, doordat het rotorblad minder soepel door de lucht heen beweegt. 5.5.3

Conclusie

Windturbines kunnen bij individuen wel tot het ervaren van hinder leiden en daardoor indirect tot gezondheidseffecten. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Gelet op de uitkomsten van de onderzoeken naar de effecten op de omgeving (zoals geluid en slagschaduw) kan geconcludeerd worden dat het windpark gerealiseerd kan worden binnen de gekozen normstelling waardoor er blijvend sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij de realisatie van windpark Horst en Telgt. Het aspect gezondheid geeft geen reden hieraan te twijfelen. Er is voor het aspect gezondheid dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.6

Natuur

5.6.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 201771. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming van flora en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in of nabij Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve gevolgen op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen (IHD) zijn uitgesloten. De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland.

heeft verwijderd: effecten

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen nadelige gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang in van deze gebieden, of als er: Ÿ sprake is van een groot openbaar belang; Ÿ er geen reële alternatieven zijn; Ÿ en de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor Natuurnetwerk Nederland wordt in Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN) gebruikt. De begrenzing en het beschermingsregime van het GNN is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. De provincie heeft daarnaast ook zogenoemde Groene Ontwikkelingszones aangewezen (GO).

Provincie Gelderland

79

heeft verwijderd: negatieve effecten heeft verwijderd: op heeft verwijderd: negatieve effecten kunnen heeft verwijderd: tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. beperkt en de overblijvende

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wnb. De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën: Ÿ beschermde soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Ÿ beschermde soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5); Ÿ overige beschermde soorten: nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is.

heeft verwijderd: strikt heeft verwijderd: : soorten heeft verwijderd: en

Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van het natuuronderzoek, zo ook voor de uitgebreide weergave van de resultaten van onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 6. 5.6.2

heeft verwijderd: bijlagen @@.

Onderzoek

5.6.2.1 Gebiedsbescherming Hierna wordt een beschouwing gegeven ten aanzien van de effecten van het plan op de beschermde gebieden: Natura 2000, Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). Natura 2000 Windpark Horst en Telgt maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Wl liggen er Natura 2000-gebieden in de omgeving van het windpark. Op circa 200 meter van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Op grotere afstand (respectievelijk 3 en 3,7 kilometer), bevinden zich de Natura 2000-gebieden ‘Veluwe’ en ‘Arkemheen’ (Vogelrichtlijngebied). Het is aannemelijk dat een aantal van de aangewezen vogelsoorten van deze gebieden ook gebruik maken van het plangebied en haar omgeving als onderdeel van hun leefgebied. Het plangebied kan namelijk gebruikt worden door (niet-)broedvogelsoorten van deze Natura 2000-gebieden wanneer de vogels hier overheen vliegen. De Veluwe is daarnaast ook een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Voor de relevante Natura 2000-gebieden nabij het plangebied zijn gevolgen door stikstofdepositie, verstoring door geluid, licht en trillen en verandering in populatiedynamiek (aanvaringsslachtoffers) niet op voorhand uit te sluiten. De gevolgen van deze effecttypen worden hierna beoordeeld.

Stikstofdepositie In het kader van Natura 2000-gebieden zijn de effecttypen verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie relevant. De werkzaamheden voor de aanleg van het windpark worden uitgevoerd met (zwaar) materieel dat stikstofemissies veroorzaakt. De emissies leiden mogelijk tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie. Ook in de gebruiksfase kan sprake zijn van een beperkte bijkomende depositie als gevolg van onderhoudswerkzaamheden aan de turbines (materieel). Aanlegfase Aan de hand van de AERIUS-berekening voor het windpark72 (bijlage III van Bijlage 6), inclusief de bijbehorende uitgangspunten, is geconcludeerd dat het windpark - zonder maatregelen om stikstofuitstoot te beperken - leidt tot een kleine en tijdelijke (één jaar) projectbijdrage van maximaal 0,05 mol N/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van de Veluwe. Gebruiksfase In de voortoets (bijlage IV bij Bijlage 6) is geconcludeerd dat hoewel er in de gebruiksfase incidenteel een aantal voertuigen/werktuigen ingezet worden voor het nodige onderhoud en eventuele herstel van (delen van) de windturbines, dit zeer kortstondige werkzaamheden zijn met een minimale inzet aan materieel en daarom niet relevant zijn voor verdere beoordeling. Deze bewegingen kunnen echter wel voor stikstofdepositie zorgen.

80

Provincie Gelderland

heeft verwijderd: PM¶

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) <PM. nieuwe berekeningen voor aanleg en gebruiksfase worden uitgevoerd in AERIUS in het kader van de passende beoordeling, dit dient hier vervolgens, voorzien van een nadere ecologische beoordeling, te worden opgenomen> Verstoring door geluid, licht, en trillingen Verstoring door licht, geluid en trillingen treedt voornamelijk op in de aanlegfase van het project. Het gaat dan om verstoring door de aanwezigheid van mensen in het gebied, verlichting van het werkterrein en het gebruik van (zwaar) materieel voor de aan- en afvoer alsook de uitvoer van de aanlegwerkzaamheden. Verstoring door licht en trillingen treedt lokaal op. Lichtverstrooiing beperkt zich tot enkele tientallen meters rond de lichtbron (afhankelijk van type verlichting, richting, armaturen, etcetera). Ook trillingen reiken doorgaans slechts tot enkele tientallen meters van de trillingsbron. Geluiden, en met name piekgeluiden, kunnen verder reiken. De meest verstorende (piekgeluid veroorzakende) werkzaamheden zijn het heien van steunpalen, wat geluid veroorzaakt en waarvan de effecten tot 1.500 meter van de heilocatie kunnen reiken (zie toelichting in concept voortoets bijlage IV bij Bijlage 6).

Habitattypen en -soorten Het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren is aangewezen voor 3 habitatrichtlijnsoorten, namelijk kleine modderkruiper, rivierdonderpad en meervleermuis. Ook het Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen voor rivierdonderpad en meervleermuis. Daarnaast is dit Natura 2000-gebied aangewezen voor 6 andere soorten, namelijk gevlekte witsnuitlibel, vliegend hert, drijvende waterweegbree, beekprik en kamsalamander. In de concept voortoets is voor habitattypen, inclusief typische soorten, geconcludeerd dat negatieve effecten als gevolg van verstoring niet optreden. Dit op basis van de afstand tussen het projectgebied en de ligging van de habitattypen (allen gelegen buiten verstoringscontour van windpark). Voor habitatsoorten die aangewezen zijn voor de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Veluwe geldt dat vaatplanten, dagvlinder en libellen niet gevoelig zijn voor verstoring. Effecten op drijvende waterweegbree, gevlekte witsnuitlibel en vliegend hert zijn daarmee op voorhand uitgesloten. Voor de vissoorten (kleine modderkruiper, rivierdonderpad en beekprik) geldt dat deze onderwaterleefgebied hebben, waardoor individuen zich buiten de verstoringscontouren van licht en trillingen bevinden.

Daarnaast geldt voor deze soorten, dat er nauwelijks geluidsoverdracht van lucht naar water plaatsvindt, en dat er daarom geen sprake is van verstoring tot in het onderwaterleefgebied van deze vissoorten. Voor kamsalamander geldt dat de afstand van het projectgebied tot de Veluwe te groot is, waardoor het uitgesloten is dat individuen van de populatie in de Veluwe voorkomen binnen de verstoringscontour van het voornemen. Ook voor bovengenoemde soorten is daarom geconcludeerd dat negatieve effecten als gevolg van verstoring niet optreden. De meervleermuis maakt gebruik van het Natura 2000-gebied Veluwe als overwinteringsgebied (verblijfplaatsen) en als vliegroute tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. De meervleermuis maakt gebruik van het Veluwerandmeergebied als foerageergebied. Het is deze foerageerfunctie waarvoor een behoudsdoelstelling (zowel omvang als kwaliteit van het leefgebied) geldt binnen dit Natura 2000-gebied. In de zomer en het najaar van 2020 is een vleermuisonderzoek (bijlage II-II van Bijlage 6) uitgevoerd om na te gaan wat de functie van (de omgeving van) het projectgebied voor het windpark is voor vleermuizen. Hierbij is vastgesteld dat de vleermuisactiviteit van deze soort zich boven en dicht bij het water (Nuldernauw) concentreert.

De soort wijkt nauwelijks uit naar het oosten van het water (zelfs in het aangrenzend recreatiegebied nauwelijks te horen, enkel direct langs het water). Binnen het projectgebied zelf is de meervleermuis slechts zeer sporadisch waargenomen. Gezien het beperkt aantal waarnemingen kan worden gesteld dat het projectgebied zelf in ieder geval geen onderdeel uitmaakt van leefgebied (foerageergebied of migratieroute) dat van belang is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (behoudsdoelstelling) van deze soort binnen Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Het leefgebied van de meervleermuis bevindt zich daarmee in ieder geval buiten de verstoringscontour van eventuele verlichting. Verstoring door trilling speelt niet in de lucht, en is voor overvliegende en/of foeragerende vleermuizen dan ook niet relevant. Het leefgebied van de meervleermuis bevindt zich verder ook buiten de verstoringscontour van (piek)geluiden geproduceerd door de werkzaamheden. Voor vleermuizen wordt voor verstoring door geluid doorgaans een grens van 80 dB(A) gehanteerd. Dergelijke hoge geluidbelasting treedt bij de werkzaamheden aan het windpark enkel lokaal, binnen 50 meter van de heilocatie op en zodoende niet binnen het essentieel leefgebied van deze soort. Significante gevolgen door verstoring door geluid, licht en trillingen zijn daarom op voorhand uit te sluiten.

Provincie Gelderland

81

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Broedvogelsoorten Het Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen voor 10 verschillende broedvogelsoorten, waaronder wespendief, ijsvogel en duinpieper. De broedbiotoop van deze Veluwe-populaties bevindt zich weliswaar op een minimale afstand van 2,5 kilometer (rand van Veluwe gebied) van het plangebied en daarmee ruim buiten de verstoringscontour van het windpark. Hierdoor zijn significant negatieve gevolgen en negatieve gevolgen door verstoring door geluid, licht en/of trillingen op de aangewezen broedpopulaties van de Veluwe op voorhand uit te sluiten. Voor broedvogelsoorten geldt dat het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren enkel is aangewezen voor roerdomp en grote karekiet. Deze soorten zijn beide sterk gebonden aan rietmoeras. Binnen de verstoringscontour van heien (de meest verstorende activiteit van het voornemen in de aanlegfase) is matig geschikt broedbiotoop van deze broedvogelsoorten aanwezig. Hoewel roerdomp en grote karekiet in de huidige situatie beide niet broedend voorkomen binnen dit deel van het Veluwerandmeergebied, is het niet uit te sluiten dat deze zich hier in de komende jaren wel gaan vestigen. Als broedparen zich hierdoor in de komende jaren (tussen nu en 2025, waarin de aanleg van het park is voorzien) vestigen, kunnen deze worden verstoord door heiwerkzaamheden.

Dit heeft negatieve gevolgen voor het broedsucces van de hier aanwezige dieren. Gezien de doelstellingen voor het aantal broedparen in de huidige situatie nog niet worden behaald, kan dit -zonder het nemen van maatregelen- leiden tot (significant) negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling (IHD) voor beide soorten in het gebied. In de concept Passende beoordeling zijn mitigerende maatregelen opgelegd (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6) waarmee deze gevolgen worden voorkomen. Aalscholver De aalscholver is regelmatig waargenomen tijdens de tellingen in het kader van het vogelonderzoek waarbij de soort dagelijkse vliegbewegingen maakt tussen de foerageergebieden en de slaapplaatsen, ten noorden en ten zuiden van het projectgebied. Op basis van de resultaten van het gericht vogelonderzoek (bijlage II-III van Bijlage 6), zijn modelberekeningen uitgevoerd van de aanvaringsslachtoffers voor het windpark. Hier blijkt dat de verwachte mortaliteit van aalscholver lager is dan de 1 %-mortaliteitsnorm, namelijk <1 slachtoffer per jaar. De reden voor de lage mortaliteit is dat veel vliegbewegingen onder of boven rotorhoogte plaatsvinden. Om te beoordelen of en in hoeverre het berekend aanvaringsrisico een significant negatief gevolg heeft voor dit IHD van aalscholver, is een vergelijking gemaakt met de 1 %-norm.

Deze is voor aalscholver berekend op 40 individuen per jaar. Het verwacht aantal aanvaringslachtoffers voor een windpark zoals Horst en Telgt, valt daarmee (ver) onder de 1 %-norm. Omdat de 1 %-norm niet wordt overschreden kunnen ook significant negatieve effecten op het instandhoudingsdoel van de aalscholver als gevolg van enkel het windpark Horst en Telgt worden uitgesloten. Wespendief Uit onderzoek blijkt dat de wespendief vooral in het bos en directe omgeving foerageert en dat de wespendieven van de Veluwe de open gebieden om de Veluwe heen grotendeels vermijden. Het open grasland van het projectgebied zal daarom naar verwachting hooguit incidenteel gebruikt worden door foeragerende wespendieven afkomstig van de Veluwe. Toch kan ook dit incidentele voorkomen in het projectgebied relevant zijn voor het behalen van de IHD. De wespendief is immers een soort met een hoge gevoeligheid voor windturbines. Uit studies van Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof (2019) en Klop et al (2020) blijkt ook dat vooral de wespendief relevant is bij de ontwikkeling van windenergie rond de Veluwe. Daarnaast is voor deze soort een gezamenlijke bovenregionale aanpak in ontwikkeling en is het de meest beperkende soort met een instandhoudingsdoelstelling voor het Natura 2000-gebied Veluwe.

Op basis van de resultaten van het gericht vogelonderzoek (bijlage II-III van Bijlage 6) en rekening houdend met de afstand van de verschillende turbines tot de Veluwe (in welke kilometer-ring rond de Veluwe bevinden de turbines zich), zijn ook voor wespendief modelberekeningen uitgevoerd van de aanvaringsslachtoffers door het windpark. De mortaliteit onder wespendief vanuit het Natura 2000-gebied Veluwe bedraagt 0,12 slachtoffers per jaar (bijlage V van Bijlage 6).

82

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Om te beoordelen of en in hoeverre het berekend aanvaringsrisico een significant negatief gevolg heeft voor dit IHD van wespendief, is een vergelijking gemaakt met de 1 %-norm. Gebaseerd op een natuurlijke sterfte van 14 % en een populatie van 94 broedparen op de Veluwe, bedraagt de 1 %-norm 0,26 slachtoffers per jaar. Dit is ongeveer het dubbele van de mortaliteit bij windpark Horst en Telgt. Omdat de 1 %-norm niet wordt overschreden kunnen significant negatieve effecten op het instandhoudingsdoel van de wespendief als gevolg van enkel het windpark Horst en Telgt worden uitgesloten. Cumulatie Een belangrijk punt aspect is cumulatie met andere (windpark) initiatieven. Behalve windpark Horst en Telgt spelen er in de omgeving meerdere (windpark) initiatieven. Deze initiatieven kunnen tezamen een cumulatief effect op vogels, zoals aalscholver en de wespendief, hebben waardoor de 1 %-norm mogelijk wel wordt overschreden. De exacte cumulatieve mortaliteit is afhankelijk van het aantal initiatieven en turbines, de afmetingen en de locatie en afstand tot de Veluwe. PM <cumulatie wordt nog nader uitgewerkt. Zodra de gegevens betreffend de relevante projecten rond de Veluwe bekend zijn, wordt een indicatieve berekening gemaakt van de cumulatieve impact op aalscholver en wespendief (totaal aantal verwachte slachtoffers per jaar).

Op basis hiervan wordt opnieuw een vergelijking gemaakt met de 1% mortaliteitsnorm. De verwachting is dat met inachtneming van cumulatie de norm voor aalscholver (40 individuen per jaar) nog steeds niet wordt overschreden. Voor wespendief, waarbij de 1% mortaliteitsnorm veel lager is (0,26 individuen per jaar), is de verwachting dat deze in cumulatie wel wordt overschreden. Mitigerende maatregelen zijn dan nodig om significant negatieve gevolgen voor de IHD van wespendief te voorkomen (zie ook hoofdstuk 6 van bijlage 5). Wanneer het handelingsperspectief voor de wespendief is vertaald in beleid, of wanneer de Gedeputeerde Staten een beslissing hierover genomen heeft, kunnen uitgangspunten die in het handelingsperspectief opgenomen zijn over cumulatie worden betrokken> Stilstandvoorziening voor de wespendief Gezien nu al de verwachting is dat met inachtneming van cumulatieve effecten, het aanvaringsrisico voor wespendief boven de normwaarde zal uitkomen, wordt hier reeds rekening gehouden met de noodzaak voor mitigerende maatregelen ten aanzien van deze soort. Om het aantal aanvaringsslachtoffers, specifiek voor wespendief (maar ook effectief voor andere soorten), als gevolg van de windprojecten rond de Veluwe (in cumulatie) te beperken wordt in ieder geval reeds rekening gehouden met het toepassen van een stilstand voorziening.

De exacte voorwaarden (periode, tijdstip, weersomstandigheden etc.) waarbij deze stilstand voorziening moet gelden zal per turbine worden bepaald wanneer ook het handelingsperspectief bekend is en de resultaten van de cumulatietoets beschikbaar zijn. Voorlopig wordt uitgegaan van een conservatieve inschatting van de nodige mitigatie, waarbij alle turbines overdag stilstaan gedurende de maanden juli en augustus. Een stilstandvoorziening voor de periode juli én augustus, zorgt er naar verwachting voor dat het aantal aanvaringslachtoffers van het windpark teruggebracht wordt tot de helft (= nagenoeg 0). De bijdrage van dit windpark aan het cumulatieve effect van windprojecten rond de Veluwe op de hier aanwezige wespendiefpopulatie, wordt daarmee verwaarloosbaar geacht. PM <Vanuit het handelingsperspectief zullen tevens maatregelen worden opgelegd om deze aanvaringskans te beperken en mogelijk zijn er nog aanvullende mitigerende maatregelen nodig, zoals een optimalisatie van de locatie en het aantal windturbines. De benodigde mitigatie ten aanzien van wespendief wordt, zodra deze gegevens bekend zijn, hiermee aangevuld.> Gelders Natuurnetwerk In de omgeving van het projectgebied bevinden zich verschillende gebieden behorend tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het dichtstbijzijnde perceel van het GNN-netwerk is gelegen op een afstand van 200 meter ten oosten van het projectgebied.

Gezien het projectgebied echter buiten de grenzen van deze GNN zones ligt en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, zijn belemmeringen vanuit het provinciaal beleid niet aan de orde. Nader onderzoek is derhalve niet nodig.

Provincie Gelderland

83

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Groene Ontwikkelingszone De geplande windturbines bevinden zich, met uitzondering van windturbine 1 allen binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO) van de provincie Gelderland (gebieden die nog niet als natuur zijn ingericht in de voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Door de samenhang met de aangrenzende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende bestaande en potentiële natuurwaarden. Om negatieve effecten op de Groene Ontwikkelingszone te voorkomen en het GO netto te versterken, zijn een aantal inrichtingsmaatregelen nodig. In bijlage VI van Bijlage 6, waarin de verliesfactor en de impactfactor voor de Groene Ontwikkelingszone is berekend, is ook een voorstel gedaan voor versterkingsmaatregelen. Het gaat hier om de volgende maatregelen: 1. inrichting van een corridor met stapstenen voor kamsalamander: ten zuiden van het projectgebied loopt een ecologische verbindingszone (EVZ) voor kamsalamander. Het voorstel is om deze zone te versterken door een corridor en stapstenen aan te leggen; 2.

realisatie van geleidende bomenrij voor vleermuizen: door in de omgeving, buiten de invloedsfeer van de windturbines hoog opgaande groene structuren te voorzien, die de groenstrook langs de Veluwerandmeren (ten westen van het projectgebied) verbinden met de groenstructuren in het agrarisch landschap en de achterliggende woonwijken (ten oosten van het projectgebied), worden soorten met een grote aanvaringskans (vogels en vleermuizen) weggeleid van het windpark; 3. natuurlijke inrichting (randen) projectgebied: in het projectgebied en de wijde omgeving hiervan is sprake van homogene akkerpercelen met een beperkte natuurwaarde. De waarde van deze akkers kan worden verhoogd, door deze (of de randen ervan) om te vormen tot kruiden- en faunrijke akkers (N12.05); 4. realisatie van takkenrillen in (buitenranden) projectgebied: in en aan de randen van het projectgebied kunnen ook een aantal kleinere inrichtingsmaatregelen worden genomen om de waarde van het gebied voor grondgebonden soorten van het kleinschalig landschap zoals egel en kleine marterachtigen (soorten die tevens niet gevoelig zijn voor verstoring door windturbines) te verhogen. Een voorbeeld is om wanneer houtwallen, singels of bosjes moeten worden gesnoeid, het snoeihout te verwerken in een takkenril; 5.

alternatieve verblijfplaatsen voor beschermde soorten bomen en huizen buiten de invloedssfeer van het windpark kunnen geschikt gemaakt worden al verblijfplaats voor vleermuizen en vogels door het realiseren van (ingebouwde) vleermuiskasten en vogelhuizen, vogelvides en/of andere maatregelen; 6. versterken van de beeklopen door het versterken van de beeklopen buiten het projectgebied, door middel van natuurvriendelijke oevers en begeleidende beplanting, worden deze geschikt(er) voor beschermde soorten als vogels, kleine zoogdieren. PM <compensatieplan en eventueel vertalen maatregelen in PIP> Provinciaal weidevogelgebied Het projectgebied voor het windpark was in het verleden tevens aangewezen als provinciaal weidevogelgebied. Dit is echter in de huidige situatie niet meer aan de orde; het gebied heeft sinds 2022 niet langer de status als weidevogelgebied, waardoor hier verder niet aan wordt getoetst. Overige natuurgebieden In de omgeving van het projectgebied liggen verschillende (overige) natuurgebieden. Het gaat in dit geval om: Ÿ het Groene Kruispunt op circa 150 meter afstand van het plangebied, aan de westzijde van de A28; Ÿ het natuurgebied Groot Dasselaar in Putten op circa 400 meter afstand; Ÿ de natuurgebieden nabij Horsterhoeve, Horst Noord in Ermelo op circa 1 kilometer afstand.

Het natuurgebied Groene Kruispunt ligt aan de westzijde van het plangebied, aan de andere zijde van de A28. Door de aanwezigheid van deze fysieke barrière, zullen veel beschermde soorten onder de Wnb en andere bijzondere soorten zich niet naar het plangebied begeven. Effecten op soorten die deze barrière wel over kunnen steken, zoals vleermuizen en vogels, zijn beoordeeld onder 'Natura 2000' en 'beschermde soorten' waardoor er hier geen aparte beoordeling noodzakelijk is.

84

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Conclusie gebiedsbescherming PM <toe te voegen wanneer nadere onderzoeksinformatie beschikbaar is> 5.6.2.2 Soortenbescherming Het projectgebied en de omgeving hiervan vormt niet-essentieel leefgebied voor verschillende (algemeen voorkomende) grondgebonden zoogdiersoorten en amfibiesoorten. In het kader van de Zorgplicht wordt rekening gehouden met deze soorten (maatregelen uit te werken in ecologisch werkprotocol). Denk daarbij aan maatregelen zoals het niet uitvoeren van verstorende werkzaamheden in directe omgeving van dassenburchten/gekende verblijfplaatsen en/of in de kwetsbare periode van de betreffende soorten. Daarnaast vormt het projectgebied mogelijk wel een essentieel onderdeel van het leefgebied van vogels en vleermuizen, en kan sprake zijn van negatieve effecten van het windpark op de lokale populaties. Hierna worden de effecten van het windpark op vleermuizen en vogels in beeld gebracht (op basis van Bijlage 5en nader onderzoek in Bijlage 6) en op overige soorten (op basis van Bijlage 5). Vleermuizen Het bouwen van het windpark kan zorgen voor mogelijke vernietiging van verblijfplaatsen of verstoring van individuen of (essentiële) onderdelen van het leefgebied van vleermuizen tijdens de aanlegfase.

Het in werking treden van de windturbines kan in de gebruiksfase zorgen voor verstoring van individuen en (essentiële) onderdelen van het leefgebied van vleermuizen en voor een toename in sterfte van vleermuizen door aanvaring. Aanlegfase - vernietiging Op de locaties waar de windturbines worden geplaatst zijn geen bomen of gebouwen aanwezig, er is geen sprake van potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn wel aanwezig (aangetoond en/of te verwachten) in de bomenrijen en/of gebouwen vanaf een afstand van circa 175 meter van de windturbinelocaties. De werkzaamheden laten echter ook deze bomenrijen en gebouwen ongemoeid. Een directe beschadiging/vernietiging van verblijfplaatsen bij de plaatsing van windturbines is daarmee op voorhand uit te sluiten. Aanlegfase - Verstoring Op basis van het vleermuisonderzoek (bijlage II-II van Bijlage 6) is vastgesteld dat er (mogelijk) een aantal vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de (nabije) omgeving van de windturbinelocaties. Het gaat met name om een aantal zomer- en paarverblijfplaatsen in gebouwen en bomen van steeds 1 of enkele individuen van gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Verder bevinden zich in het gebied een aantal essentiële aanvliegroutes. De belangrijkste zijn daarbij deze voor rosse vleermuis.

Belangrijke routes, of beter ‘overvliegzones’, van deze soort zijn deze in het noordelijke deel van het plangebied tussen windturbines 1 en 2, alsook de bomenrijke zone richting landgoed Groot Dasselaar in het zuiden van het plangebied nabij windturbine 7. Deze overvliegzones vormen een essentiële schakel in het verbinden van verblijflocaties (onder andere 1 of meerder kraamkolonies verder ten oosten van het onderzoeksgebied) en foerageergebieden van rosse vleermuis. Het plangebied en haar directe omgeving biedt ook (essentieel) foerageergebied aan de verschillende hier aanwezige vleermuissoorten. De vleermuizen die gebruik maken van de genoemde verblijfplaatsen, vliegroutes (of overvliegzones) en foerageergebieden, kunnen als gevolg van de werkzaamheden voor de aanleg van het windpark worden verstoord door licht, geluid en trillingen. Wanneer verstoring optreedt in essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen, kan dit een significant negatief effect hebben op de kwaliteit van het leefgebied en daarmee goede instandhouding van de lokale vleermuispopulaties. Bij verstoring in niet-essentiële onderdelen van het leefgebied (bijvoorbeeld een enkele tuin/bosschage waar door enkele individuen gefoerageerd wordt), kunnen de hierbinnen aanwezige vleermuizen in principe uitwijken naar alternatief leefgebied in de directe omgeving.

Voor het windpark geldt dat gevolgen door verstoring in de aanlegfase zijn te voorkomen middels gepaste mitigatie (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6).

Provincie Gelderland

85

heeft verwijderd: PM¶ 5.6.3  Conclusie¶ PM¶

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Gebruiksfase - verstoring In de gebruiksfase zorgt de aanwezigheid van de windturbines voor verstoring van de directe omgeving. Mogelijke oorzaken van verstoring zijn onder andere obstructie van de doorgang, de ultrasone geluiden die windturbines produceren, en wervelingen de lucht direct nabij de windturbines. Het gebrek aan voldoende studies met eenduidige resultaten zorgt ervoor dat de verstorende effecten van windturbines op vleermuizen momenteel echter moeilijk zijn in te schatten. Zo is de verstoringsgraad onder andere afhankelijk van de afstand waarop vleermuizen nog ultrasone geluiden detecteren. Voor de meest gevoelige soort (rosse vleermuis) is dit maximaal 150 meter. Binnen een straal van 150 meter van de windturbines bevinden zich een aantal essentiële vliegroutes voor vleermuizen. Het gaat met name om de overvliegzones van rosse vleermuis zowel in het noorden van het gebied nabij windturbine 1 als in het uiterste zuiden direct ten zuiden van windturbine 7. Overige vastgestelde vliegroutes bevinden zich op grotere afstand van de windturbines en/of worden als niet-essentieel beschouwd. De in gebruik name van windturbine 1, voorzien binnen de noordelijke overvliegzone, zorgt voor een obstructie van deze druk bevlogen overvliegzone (wanneer de turbine draaiende is).

Dit kan een significant negatief effect hebben op de lokale (kraam)populatie van rosse vleermuis, doordat er sprake is van een afname van de binding tussen de bosgebieden rond Ermelo ten oosten van het windpark (waar de soort mogelijk een aantal grote kraamverblijven heeft) en geschikt foerageergebied in de omgeving (zoals de Veluwerandmeren ten westen). Verder zorgt de aanwezigheid en in gebruik name van de windturbines 1 en 7 voor een verstoring van de overvliegzones in het noorden en deze in het zuiden van het gebied (waardoor ook alternatieve route wordt aangetast). De genoemde vormen van verstoring, met mogelijk significante impact op de lokale (kraam)populatie van vleermuizen, zijn een overtreding van de verboden van de Wnb. Deze effecten (en zodoende overtreding Wnb) is voor het windpark te voorkomen door het nemen van gepaste mitigerende maatregelen (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6). Gebruiksfase - sterfte Op basis van het gericht vleermuisonderzoek (bijlage II-II van Bijlage 6) en verdere analyse betreffend overvlieggedrag, is in de concept Voortoets en Passende Beoordeling (zie bijlage IV van Bijlage 6) een inschatting gemaakt van het aanvaringsrisico onder vleermuizen.

Op basis van deze resultaten kan worden gesteld dat in de gebruiksfase van het windpark er sprake is van (meer dan) incidentele sterfte van individuen van gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Ter beoordeling van het effect van de windturbines op de lokale vleermuispopulaties, zijn de inschattingen van de jaarlijkse slachtoffers vergeleken met de huidige staat van instandhouding van de relevante vleermuissoorten. Hiertoe is het aantal aanvaringsslachtoffers vergeleken met 1 % van de gemiddelde jaarlijkse sterfte van de lokale populatie (1 %-mortaliteitsnorm). Voor een uitgebreide beschrijving van de werkwijze en berekeningen wordt verwezen naar de notitie van het vleermuisonderzoek in bijlage II-II van Bijlage 6. Voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger is de incidentele sterfte door aanvaring lager dan de 1%-mortaliteitsnorm (bijlage II-II van Bijlage 6). Een effect van het windpark (op zichzelf, cumulatie daarbij nog niet in rekening gebracht) op de gunstige staat van instandhouding van de lokale en regionale populaties van deze soorten is daarmee op voorhand uit te sluiten. Voor rosse vleermuis ligt het te verwachten aantal aanvaringsslachtoffers boven deze normwaarde. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van de rosse vleermuis zijn niet uit te sluiten.

Mits het nemen van mitigerende maatregelen zijn deze effecten wel te beperken (zie ook hoofdstuk 6 van Bijlage 6). Het geheel voorkomen van aanvaringsslachtoffers is echter niet mogelijk. Cumulatie PM <toe te voegen wanneer beschikbaar> Vogels Het bouwen van het windpark kan zorgen voor verstoring van vogels tijdens de aanlegfase. Het in werking treden van de windturbines kan in de gebruiksfase zorgen voor verstoring en een toename in vogelsterfte.

86

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Aanlegfase - verstoring broedvogels De agrarische percelen binnen het projectgebied zijn geschikt voor verschillende weidevogels zoals kievit. Werkzaamheden in het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels in de nabijheid van het projectgebied. Verstoring treedt op door aanwezigheid van mensen en materiaal, trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) en vernietigen van nesten verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing hiervoor is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb is te voorkomen door het nemen van gepaste mitigerende maatregelen (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6). Aanlegfase - aantasting jaarrond beschermd nesten In de nabijheid van de turbinelocaties zijn een aantal jaarrond beschermde nesten van buizerd, boomvalk en sperwer vastgesteld. Bij werkzaamheden in de directe omgeving van deze nesten (<75 meter) kan verstoring door geluid, licht, trillingen of optische verstoring indirect leiden tot een aantasting van het betreffend nest. Een dergelijke aantasting is echter voor het windpark te voorkomen door het nemen van gepaste mitigerende maatregelen (zie hoofdstuk 6 van Bijlage 6).

Gebruiksfase - sterfte door aanvaring Op basis van verspreidingsgegevens, habitatvoorkeur, vlieggedrag en monitoringsdata uit andere windparken is een lijst samengesteld van 161 soorten, waaronder potentiële aanvaringsslachtoffers kunnen vallen. Voor enkele soorten kan op basis van het voorkomen in en rond het windpark worden verwacht dat sprake zal zijn van meer structurele en jaarlijkse slachtoffers. Dit geldt onder meer voor broedvogels in de directe omgeving van de windturbines maar ook soorten die in de winter van het open grasland en akkergebied in het windpark gebruik maken. Op basis van de resultaten van het gericht vogelonderzoek (bijlage II-III van Bijlage 6) is het aanvaringsrisico onder vogels door het windpark berekend (bijlage V Bijlage 6). Bij 6 van de onderzochte vogelsoorten is sprake van meer dan 1 slachtoffer per jaar in het windpark, namelijk houtduif, kauw, koperwiek, spreeuw, veldleeuwerik en vink. Tezamen zijn deze 6 soorten verantwoordelijk voor circa 87-88 % van de totale mortaliteit in het windpark. De mortaliteit onder deze 6 soorten in windpark Horst en Telgt is getoetst aan de 1%-mortaliteitsnorm op provinciaal niveau. Bij geen van de 6 soorten is sprake van een overschrijding van de 1%-norm (bijlage V van Bijlage 6).

Het windpark op zich (zonder cumulatie met andere project ten in rekening te brengen) leidt daarmee niet tot negatieve effecten op deze vogelpopulaties. Voor de vogelsoorten waarvan er sprake is van minder dan 1 slachtoffer in het windpark geld dat deze zeer lage mortaliteit voor de meeste soorten als incidenteel kan worden beschouwd, met gemiddeld 1 slachtoffer per periode van >10 jaar (in sommige gevallen tientallen jaren). Deze mortaliteit is dusdanig laag dat negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding kan worden uitgesloten. Cumulatie PM <toe te voegen wanneer beschikbaar> Overige soorten Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde florasoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit een homogeen grasland (voornamelijk Engels raaigras en gestreepte witbol met her en der ridderzuring en klaversoorten) en maïsakkers. Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig voor kartuizeranjer of stofzaad. De akkers waar de windturbines zouden worden geplaatst, zijn te voedselrijk voor kartuizeranjer (soort van stikstofarme, kalkhoudende grond). Tevens ontbreekt het binnen het plangebied aan bossen of dicht strikgewas voor stofzaad. Ook overige onder de Wnb beschermde florasoorten worden, op basis van de ligging en de aard van het plangebied (homogene graslanden en akkers), niet verwacht.

Het is het aldus uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde florasoorten voorkomen.

Provincie Gelderland

87

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn waarnemingen gedaan van haas en sporen van ree. Het plangebied biedt geschikt biotoop voor deze alsook verschillende andere algemeen voorkomende nationaal beschermde soorten van de Wnb zoals egel, mol, konijn, vos en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Damhert, boommarter of eekhoorn of sporen van deze bosgebonden soorten werden niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Het bosrijke gebied aan de overzijde van het Nuldernauw (op een afstand van circa 1 kilometer ten westen van het plangebied) biedt wel geschikt leefgebied voor deze soorten. Binnen de grenzen van het plangebied zelf, en met name rond de locaties voor de windturbines, ontbreekt het echter aan geschikt biotoop voor deze dieren. Het gebied is hier te open (te weinig beschutting). Ook de kleine bosschages in het agrarisch gebied net ten oosten van het plangebied zijn te klein en te geïsoleerd gelegen om deel uit te maken van essentieel leefgebied van deze soorten. Het incidenteel voorkomen van een passerend individu van bijvoorbeeld boommarter of eekhoorn binnen de grenzen van het plangebied kan niet worden uitgesloten. Soorten als bunzing, wezel en das werden niet waargenomen tijdens het veldbezoek.

Wel werd in een bosschage 700 meter ten oosten van de geplande locatie voor windturbine 2 een dassenburcht aangetroffen (afbeelding 5.4). Het plangebied zelf, met name de locaties voor de windturbines, biedt echter onvoldoende dekking (te weinig schuilmogelijkheden in de vorm van houtwallen- of singels/bosschages) om deel uit te maken van essentieel leefgebied van das, bunzing of wezel. Wel is het plangebied en haar wijdere omgeving, als kleinschalig akker- en weidelandschap, geschikt als foerageergebied voor deze soorten. Het incidenteel voorkomen van een passerend individu van deze soorten kan daarom niet worden uitgesloten. Wat betreft de Habitatrichtlijnsoort bever is binnen het plangebied geen geschikt biotoop aanwezig. Bevers leven in en langs rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen. De Nuldernauw en haar oevers en zijlopen, vanaf 200 meter ten westen van het plangebied, vormen daarmee een geschikt biotoop voor de bever. Binnen het plangebied zelf zijn echter geen geschikte waterpartijen of oevers aanwezig voor deze soort. Het voorkomen van bever kan hier dan ook worden uitgesloten. Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende nationaal beschermde zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) in de wijdere omgeving van het plangebied, zoals veldmuis, egel, konijn, haas, vos en ree is op basis van het aanwezige biotoop niet uit te sluiten.

Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb (verbod op doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht.In de (wijdere) omgeving van het plangebied is ook geschikt leefgebied aanwezig voor de niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten das, damhert, boommarter, bunzing, wezel en eekhoorn. Het plangebied zelf, en met name de locaties waar de realisatie van de windturbines gepland staat, betreffen echter allen open, agrarische percelen met geen of een beperkte waarde voor deze soorten (enkel niet-essentieel foerageergebied). Van essentieel leefgebied van deze dieren is hier geen sprake. Een aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied van deze nationaal beschermde soorten als gevolg van het voornemen, en daarmee een overtreding van de verboden van de Wnb, is dan ook niet aan de orde. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde amfibiesoorten. Door de aanwezigheid van ondiepe sloten en (beperkt) begroeide oevers, is het plangebied wel geschikt voor een aantal algemeen voorkomende, beschermde amfibiesoorten zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander.

Door het ontbreken van poelen met rijke onderwatervegetatie in de nabijheid van bosbestanden, is het plangebied en haar directe omgeving niet geschikt voor kamsalamander. Gezien verder de afwezigheid van zandige terreinen met hoge dynamiek, structuurrijke oevers, flauwe, schrale taluds en plasdras situaties, is het plangebied ook niet geschikt voor overige niet-vrijgestelde amfibiesoorten zoals heikikker en poelkikker. Het voorkomen van deze soorten kan hier worden uitgesloten.

88

Provincie Gelderland

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende nationaal beschermde amfibiesoorten gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten in het kader van ruimtelijke ingrepen geldt een algemene vrijstelling. Het voorkomen van niet-vrijgestelde amfibiesoorten in en nabij het plangebied kan, gezien de afwezigheid van geschikt biotoop, worden uitgesloten. Reptielen Tijdens het veldbezoek werden geen reptielen aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde reptielsoorten. Het landschap is hier te open en te gecultiveerd, de aanwezige oevers van sloten te steil en onnatuurlijk voor deze soorten. Het voorkomen van de onder de Wnb beschermde reptielsoorten zoals zandhagedis, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang tot binnen de grenzen van het plangebied is daarmee uit te sluiten. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten.

Vissen Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde vissoorten in de sloten van het plangebied. Binnen het plangebied is tevens geen geschikt biotoop aanwezig voor onder de Wnb beschermde vissoorten (diep, open- of zuurstofrijk, stromend water). Door de afwezigheid van geschikt biotoop, kan worden uitgesloten dat beschermde vissoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vlinders, libellen en andere ongewervelden Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat het veldbezoek, met betrekking tot vlinders, libellen en ongewervelden, niet in de meest geschikte periode van het jaar heeft plaatsgevonden. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop aan vlindersoorten zoals de grote vos en grote weerschijnvlinder. Het ontbreekt er immers aan vochtige bossen. Het plangebied en de directe omgeving voldoen daarnaast niet aan de (over het algemeen hoge) eisen van overige beschermde vlinders, libellen en ongewervelden. Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn.

Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Conclusie beschermde soorten De werkzaamheden voor de inrichting en in gebruik name van het windpark leiden mogelijk tot verstoring en sterfte (door aanvaring) van lokale vleermuis- en vogelpopulaties. Voor zowel vleermuizen als vogels geldt dat effecten van verstoring zijn te voorkomen door het nemen van gepaste mitigerende maatregelen in de aanlegfase (zie ook Hoofdstuk 6 van Bijlage 6), waaronder: Ÿ werkzaamheden, met name in de overvliegzones van rosse vleermuis, worden uitgevoerd buiten de actieve periode van vleermuizen. Dit wil zeggen overdag (tussen 1 uur na zonsopgang en 1 uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot en met februari); Ÿ bij de overvliegzone voor rosse vleermuis in het uiterste noorden en het zuiden van het onderzoeksgebied, in de voor vleermuizen actieve periode (zie hierboven), geen verlichting wordt toegepast en waar verlichting toch nodig is, er gebruik wordt gemaakt van efficiënt (vleermuisvriendelijk) lichtbeheer; Ÿ werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels (periode half maart-half juli).

Voor de gebruiksfase kunnen ondermeer de volgende mitigerende maatregelen genomen (zie ook hoofdstuk 6 van Bijlage 6 voor compleet overzicht): Ÿ toepassen van een stilstandvoorziening om aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen (vooral rosse vleermuis, maar ook overige vleermuissoorten) te beperken. Als alternatief bestaat de mogelijkheid om een automatisch detectiesysteem in te bouwen in de gondel van de turbines;

Provincie Gelderland

89

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Ÿ

een automatisch detectiesysteem om de aanvaringskans van vogels in de periode dat de windturbines wel draaien verder te verminderen (experimenteel) PM <cumulatie> Het aanvragen van een ontheffing Wnb in het kader van soortenbescherming is noodzakelijk. 5.6.3

Conclusie

PM <in te vullen wanneer ontbrekende gegevens beschikbaar zijn>

5.7

Cultuurhistorie

5.7.1

Toetsingskader

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming was in Nederland geregeld in de Monumentenwet 198873. Vanaf 1 juli 2016 geldt de Erfgoedwet74, die de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Het beschermingsniveau van de oude wetgeving blijft gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt samen met de nog in te voeren Omgevingswet75 het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. 5.7.2

Onderzoek

heeft verwijderd: vervangt heeft verwijderd: 65 Gewijzigde veldcode

5.7.2.1 Archeologie Door ArcheoPro een bureauonderzoek uitgevoerd (Bijlage 7) voor het plangebied. Volgens de gemeentelijke beleidskaart van Putten en de verwachtingskaart van Ermelo zijn de windturbines gepland in gebieden met een hoge archeologische verwachting en in gebieden met een lage archeologische verwachting (zie Figuur 5.7). Figuur 5.7 Uitsnede gemeentelijke beleidskaart van de gemeenten Putten en de verwachtingskaart van de gemeente Ermelo

90

Provincie Gelderland

heeft verwijderd: PM¶

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp)

Figuur 5.8 Legenda gemeente Ermelo

Figuur 5.9 Legenda gemeente Putten

Volgens de gemeentelijke beleidskaarten liggen alleen de turbinelocaties 4 en 5 geheel of gedeeltelijk in een zone met een hoge archeologische verwachting. Hier is archeologisch onderzoek vereist voorafgaande aan bodemingrepen die dieper reiken dan 30 centimeter (windturbine 4 in de gemeente Ermelo) respectievelijk 40 cm (windturbine 5 in de gemeente Putten) en die meer dan 100 vierkante meter beslaan. Alle overige turbinelocaties liggen in zones met een lage archeologische verwachting. Hier is archeologisch onderzoek vereist voorafgaande aan bodemingrepen die dieper reiken dan 30 centimeter (windturbines 1 t/m 3 en 6, allen in de gemeente Ermelo) en die meer dan 2500 vierkante meter beslaan. In de zones met een hoge archeologische verwachting geldt een verwachting voor de aanwezigheid van resten uit de steentijd. Deze zullen bestaan uit sporen en artefacten in de top van het dekzand en moeten met name worden verwacht in zones waarin nog resten van de oorspronkelijke podzolopbouw aanwezig zijn. Vergelijking door ArcheoPro van de ligging van de turbinelocaties met de resultaten van een in 1998 binnen het gehele onderzoeksgebied verricht bodemonderzoek, komt grotendeels overeen met het beeld op de gemeentelijke beleidskaarten maar nuanceert dit enigszins.

De uitwerking van deze resultaten laat zien dat mogelijk alleen de turbinelocatie 5 in een zone ligt met nog deels intacte podzolbodems. Op alle overige van de geplande turbinelocaties is de top van de oorspronkelijke dekzandbodem volgens de gegevens uit dit onderzoek door erosie verloren gegaan of heeft voorafgaande aan de vorming van veen, nooit podzolvorming plaatsgevonden.

Provincie Gelderland

91

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt (concept ontwerp) Uit gegevens op historische kaarten blijkt dat geen van de geplande turbinelocaties in de directe nabijheid van historische bebouwing heeft gelegen. Voor resten van bewoning uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt derhalve voor alle geplande turbinelocaties een lage verwachting. Wel geldt voor de turbinelocaties 2, 3 en 4, dat deze in een zone liggen waarin op historische kaarten op een langgerekte noord-zuid lopende hoogte wordt aangegeven die deels ook op het AHN herkenbaar is. Het kan hier gaan om een oude dijk of om een natuurlijk fenomeen zoals een strandwal die eventueel door de mens is versterkt. Hiervan zouden eventueel nog resten aanwezig kunnen zijn. Nader onderzoek ArcheoPro adviseert om te boren op locaties waar landschappelijke overgangen worden vermoed. Hiervoor worden drie boorraaien voorgesteld die het noorden, midden en zuiden doorsnijden. Voorgesteld wordt om een boorraai te zetten van turbinelocatie 3 naar turbinelocatie 1 in het tracé van de tijdelijke bouwweg. Daarnaast wordt voorgesteld om een boorraai te plaatsen van turbinelocatie 3 tot en met turbinelocatie 6 om inzicht te kunnen geven over de strandwal en directe overgang van het achterliggend gebied. Vervolgens wordt een boorraai voorgesteld van turbinelocatie 5 naar turbinelocatie 4 om de overgangen van het dekzand te onderzoeken.

Voor turbinelocatie 5 wordt direct karterend booronderzoek aangedragen. Dergelijk booronderzoek dient plaats te vinden in een dichtheid van tenminste twintig boringen per hectare en waar mogelijk te worden aangevuld met een oppervlaktekartering. Op locaties waarop het booronderzoek (deels) intacte podzolbodems oplevert en waarop geen oppervlaktekartering mogelijk is, dient het booronderzoek vervolgens verder te worden verdicht waarbij gebruik wordt gemaakt van een megaboor en het opgeboorde zand wordt gezeefd. Het zeefresidu moet vervolgens worden geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en verbrand bot. Door Gedeputeerde Staten is in het selectieadvies besloten om het advies van ArcheoPro over te nemen met als voorwaarde dat het verkennend landschappelijk onderzoek (boorraaien) eerst dient plaats te vinden. Als uit dit onderzoek blijkt dat meerdere delen intensiever onderzocht moeten worden dan kan karterend booronderzoek daar gelijktijdig met het karterende booronderzoek bij turbinelocatie 5 worden uitgevoerd. <resultaten van nader onderzoek worden verwerkt wanneer de beschikbaar zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13013739/1