Bijlage 4: RAAP cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Tekst van het document
Aan het einde van de Middeleeuwen ontstond het systeem van minerale plaggenbemesting. De mest en urine van het vee werd opgevangen in een bed van bos-, gras-, of heideplaggen. Daarmee ontstond plaggenmest, essentieel om de vruchtbaarheid van de akkers op peil te houden. Vanaf ongeveer de 15e eeuw werd door het vele plaggensteken de organische bovengrond van de heidevelden steeds dunner. Er kwam zand mee met de plaggen en de mest werd zandhoudend. Door het eeuwenlang toedienen van zandhoudende plaggenmest werden akkers opgehoogd tot soms 1 meter dikte. Om die reden werden de toch al hoger gelegen akkers nog hoger dan hun omgeving.
1 Droge kampontginningen (kd1) 14 De droge kampontginningen ontstonden in gebieden met relatief uitgestrekte hogere zandgronden. In Putten lagen die aan de flanken van het Veluwemassief en op de grootste dekzandruggen. De droge kampontginningen horen waarschijnlijk tot de oudste kampontginningen in de Gelderse Vallei. 15 De ontwikkeling van deze kampontginningen vond plaats vanaf de Vroege Middeleeuwen,
12 13 14 15
Voor de bewoning van de Gelderse Vallei vóór de Vroege Middeleeuwen verwijzen we naar Scholte Lubberink e.a., 2015. Kroes (1998) spreekt in dit verband van primaire en secundaire (later uitgebreide) kampontginningen. De coderingen achter de landschapstypen (zoals hier kd1) corresponderen met een kolom in de GIS-database. We gaan hierbij uit van het gegeven dat op de Nederlandse zandgronden onder de hoger gelegen enken vaak sporen worden gevonden van vroeg- en vol-middeleeuwse boerderijen die later naar de lagere randen van zandruggen verschoven. In Putten hebben we aanwijzingen voor een dergelijk fenomeen te Bijsteren (Scholte Lubberink e.a., 2015), maar het kwam ook elders op de oostelijke zandgronden voor (zie bijvoorbeeld Van Doesburg e.a., 2007 voor Salland, Twente en Achterhoek). Peter Bijvank wijst er op dat dit in Huinen mogelijk niet het geval was. Daar lagen de oudste gronden in de Middeleeuwen rond de brinkerven. Het is volgens Bijvank onduidelijk wanneer de hoger gelegen enk in gebruik werd genomen.
27
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.1. Droge kampontginningen met open field-karakter bij Groot Hell (foto Overland 348).
waarbij het heel goed mogelijk is dat hier al in de prehistorie, met name in de IJzertijd, nederzettingen lagen. 16 De kampontginningen hadden in eerste instantie vaak een individueel karakter. Er was geen sturing van bovenaf op de inrichting van het gebied. Natuurlijke lijnen, zoals de aanwezigheid van natuurlijk reliëf, bos of de ligging van oudere wegen, waren bepalend voor de landschapsopbouw. Daardoor ontstond meestal een onregelmatig patroon van wegen en perceelsgrenzen, vaak met kromme lijnen. Vanwege de relatief hoge ligging van de droge kampontginningen waren sloten of afwaterende beken niet nodig. Droge kampontginningen met ‘open field’-karakter (toevoeging F) Naarmate de Middeleeuwen vorderden werd alle geschikte droge zandgronden in gebruik genomen als akker (figuur 3.1). Boerderijen, die in eerste instantie vaak nog op de hogere zandgronden stonden, verhuisden daarbij vaak naar de overgang naar de lagere zandgronden. Op een groot deel van de Nederlandse zandgronden ontwikkelden de bouwlandcomplexen zich tot grote open akkergebieden, zonder zichtbare perceelsscheidingen, zoals meidoornhagen of houtwallen. Er waren op de aaneengesloten akkers immers geen veekeringen nodig. Ook de wegen werden niet vergezeld van laanbomen. Zo’n aaneengesloten bouwlandcomplex zonder opgaande begroeiing of bebouwing wordt internationaal ook wel ‘open field’ genoemd.
In de gemeente Putten hadden de Putter Eng of Enk en de Huinerenk een ‘open-fieldkarakter’. De naam eng of enk duidt vaak op een gezamenlijke ontginning van bouwland en deze enken waren op de oudste kadasterkaarten dan ook verdeeld in vele percelen
16
Scholte Lubberink e.a., 2015.
28
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.2. Deze droge kampontginning bij Huinerwal dankt het gecompartimenteerde karakter onder andere dankzij deze met eiken begroeide wal. Ooit was deze wal waarschijnlijk de grens tussen akkers (rechts) en heide aan de noordzijde (links), maar al in 1800 waren de kampontginningen verder naar het noorden uitgebreid (foto Overland 92).
(maar zonder zichtbare perceelsgrenzen). De Putter Eng is nu geheel onder de bebouwing verdwenen. De Huinerenk is versnipperd en bebouwd geraakt, waarbij slechts kleine delen nog een min of meer open karakter hebben. Ook een akkercomplex ten zuiden van boerderij Groot Hell heeft een open field-karakter, maar hier is geen sprake van een enk. Hier zijn afzonderlijke kampontginningen van enkele erven aaneengegroeid. Dit akkercomplex is nog zeer gaaf. Alle droge kampontginningen die nu nog enigszins een open field-karakter hebben, staan op kaartbijlage 1 met de toevoeging F. Droge kampontginningen met ‘gecompartimenteerd’-karakter (toevoeging C) Op de West-Veluwe waren open fields vaak vrij zeldzaam. De meeste droge kampontginningen of engen in de gemeente Putten hadden een ‘gecompartimenteerd’ karakter (figuur 3.2). De afzonderlijke eigendommen en percelen, zo is op 19e-eeuwse kaarten te zien, werden omgeven en afgewisseld door houtwallen en bosstroken, waarschijnlijk met eikenhakhout. Er was hier een landschap met relatief kleine, vaak onregelmatig gevormde, akkers die waren omgeven door houtwallen, bosstrookjes en kleine bosjes. Alle droge kampontginningen die nu nog enigszins een gecompartimenteerd karakter hebben staan op kaartbijlage 1 met de toevoeging C.
2 Vochtige kampontginningen (kn1a) De kampontginningen zijn de oudste ontginningen op vochtige (of beter: afwisselend natte en droge) zandgronden in de Gelderse Vallei. Hoewel delen van de Gelderse Vallei al in de IJzertijd werden bewoond, nemen we aan dat de vorming van het kampontginningenlandschap begon vanaf
29
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
de Middeleeuwen. 17 Gezien de aanwezigheid van belangrijke hoven en vroege vermeldingen van plaatsnamen in schenkingsoorkonden in dit deel van de Gelderse Vallei, kunnen we aannemen dat de ontginning hier al in de Vroege Middeleeuwen al gaande was. Uit zeer oude bisschoppelijke rechten, zoals het Hondekoren, leidt Kroes (1998) af dat de ontginningen van de Gelderse Vallei begonnen op de dekzandruggen aan de oostrand, dicht bij het al ouder bewoonde Veluwemassief (mogelijk in gebieden die nu tot de droge kampontginningen kunnen worden gerekend). Daarna kwamen ook op de meer westelijk gelegen dekzandruggen ontginningen tot stand. We kunnen aannemen dat eerst de grootste dekzandruggen werden ontgonnen. Naarmate de bevolking groeide kwamen ook de kleinere zandruggen aan de beurt. De uitbreiding van de kampontginningen ging door tot in de 19e eeuw. Bevolkingsgroei noopte tot de stichting van nieuwe boerderijen. De oudste zonen hadden recht op het erf van de ouders. Jongere kinderen vestigden zich als keuters op de heide, waarvoor toestemming van de maalschappen voor nodig was. Bijvank (2013) laat zien hoe dit proces in zijn werk ging aan de hand van de boerderijen Groot en Klein Weelderen aan de Beulekampersteeg en de Gervenseweg. Deze keuterijen verkregen in 1622 beperkt gebruiksrecht op het Hellerveld. In de 19e eeuw hadden ze zich uitgebreid tot volwaardige boerderijen.
Kenmerkend voor de vochtige kampontginningen is de kromme lijn. Wegen, perceelsgrenzen en waterlopen waren vaak bochtig. De vorm van akkers en weiden en de kampontginningen waren aangepast aan de natuurlijke hoogten en laagten en dat gold ook voor de wegen die er langs liepen. Alleen als uitgestrektere natte gebieden in cultuur werden gebracht, kwamen er meer rechte lijnen voor. Indien dergelijke gebieden een groter areaal vormen, zijn ze afzonderlijk opgenomen als ‘broekontginningen’ (zie kaartcodes 9, 10, 11). Al in de natuurlijke situatie lagen er beken in de Gelderse Vallei, maar om grotere delen van het gebied in cultuur te brengen moest de ontwatering worden verbeterd. Dat was mogelijk door laagten tussen dekzandruggen met elkaar te verbinden met sloten of beken. Om die reden kunnen sommige beken dwars door dekzandruggen lopen. Kroes gaat ervan uit dat beeklopen ook werden rechtgetrokken. 18 Deze door de mens beïnvloede beken kunnen plaatselijk toch een natuurlijk uiterlijk hebben gehad, doordat de beek een relatief groot verhang had en daardoor een versterkte neiging tot meanderen kreeg. Historisch beeld 19 Ooit bestond een groot deel van de Gelderse Vallei uit vochtige en natte heide en bossen met daarbinnen afzonderlijke kampen, omgeven door wallen (figuur 3.3). Vaak waren die kampen in de loop van de Middeleeuwen en Nieuwe tijd aaneengegroeid.
Er ontstond dan een kampenlandschap met verspreid liggende boerderijen met akkers op de wat hogere gronden. In het landschap lagen veel wallen: op de overgang van heide naar kampen en ook binnen de kampen op de grens van de akkers. Met hun dichte beplanting met hakhout en doornige struiken hadden die een veekerende 17 18
Zoals blijkt uit recente opgravingen in Harselaar West. Zie o.a. Schut, 2014; zie ook Scholte Lubberink, 2015. Bijvank (2012), die zich baseert op Baaijens, verklaart deze verschijnselen door de aanwezigheid van vloeiweiden. Wij gaan er van uit dat de gewijzigde beeklopen uit de ontginningstijd stammen en dat toen de ontwatering de eerste prioriteit moet hebben gehad. Om die ontwatering van laagtes tussen dekzandruggen te verbeteren is het plausibel dat door dekzandruggen werd gegraven. De bodems die daar lagen waren van nature al vrij vruchtbaar. Door mineralisatie van het eutrofe veen kwamen bovendien extra nutriënten vrij. We zien daarom geen aanleiding te veronderstellen dat de landschappelijke structuur tot stand is gekomen met het doel te bevloeien. Uiteraard konden deze lage gebieden wel regelmatig overstromen, zoals dat van nature ook kon gebeuren. En het is niet uit te sluiten dat structuren er mede toe dienden dit in goede banen te leiden.
19
Peter Bijvank geeft met de beschrijving van Gagelwijk (2014), Groot Koestapel (z.j.) en de walsystemen bij Gerven (Landschapslezer, z.j.) een fraai voorbeeld van de ontwikkeling en het historisch aanzien van vochtige kampontginingen in de gemeente Putten.
30
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.3. Hoogtebeeld (AHN2) van kampontginningen bij Gerven. Duidelijk is hier de zuidoost-noordwest gerichte structuur van het landschap zichtbaar. Op de ruggen lagen akkers, in de laagten natte bosjes en weiden of heideveldjes. Kenmerkend voor landschap van Putten is de ligging van de akkers op langgerekte zandruggen. Bijvank (2013) gaat uitgebreid in op de lange akker midden-rechts met de naam Eerdbergen.
Figuur 3.4. Kampontginningen in de omgeving van Kruishaarse Heide hadden in 1812 (hier op de kaart van De Man) deels nog een eilandkarakter, zoals die van Veldhuizen en De Ridder. Meer noordelijk waren de afzonderlijke kampen aan elkaar gegroeid. Op de kaart rechts is met een lichtbruine kleur aangegeven welke gebieden nu tot het kampenlandschap zijn gerekend (NB: bij de omgrenzing van de kampontginningen is de situatie van omstreeks 1850 genomen. Daarom kan de omgrenzing afwijken van de situatie op de kaart van De Man). Bijvank (z.j.) gaat in op het kleine eilandje midden op het kaartje, met de naam Wilderen. Het was in 1667 nog maalschapsgrond, maar werd aangekocht door Killian van Rensselaer, die in Amsterdam woonde en bestuurder was van de West Indische Compagnie. Waarschijnlijk was dit kleine ruggetje op de heide geschikt om het door zijn pachter, de bewoner van boerderij Rensselaar, tot een akker te laten ontginnen. Het perceeltje is nog steeds in zijn oorspronkelijke vorm als een iets verhoogt kaveltje ten opzichte van de omgeving te zien.
functie. De boerderijen stonden op een lage rand van deze hoger gelegen akkers. De hogere akkers staken met een met hakhout begroeide steilrand af tegen de lagere gronden met graslanden, veentjes en bosjes. Ook waren er percelen met heiderestanten. De perceelsindeling en wegenstructuur was onregelmatig en bochtig. Plaatselijk (vaak in wat nattere gebieden) kwamen ook wat meer rechte lijnen voor. De boerderijen hadden, net als de wegen waar aan ze lagen,
31
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.5. De kampontginning van Veldhuizen (gezien vanaf de Donkeresteeg) heeft de typische kenmerken van kampontginningen: bochtige wegen, afwisseling van bosjes en open gebied, greppels en sloten, en hoogteverschillen. De hogere ligging van de vroegere akker (nu weiland) is nog goed zichtbaar. De houtwal op de rand is verdwenen. Het lagere perceel op de voorgrond was ook vroeger grasland en hoorde ook tot de kampontginning. De wal rond de kamp die de afscheiding vormde naar de heide ligt achter ons (foto Overland 70).
steeds een andere oriëntatie. Het landschap was besloten. Er waren bosjes en veel perceelsscheidingen in de vorm van hagen en elzenhout. Bij veel boerderijen hoorden bosjes, singels en wallen met hakhout en waarschijnlijk hadden veel boerderijen een eigen bosje met opgaand hout. Dat deze bosjes in Putten zo goed bewaard gebleven zijn, heeft te maken met het grootgrondbezit. Bijvank (z.j.) laat aan de hand van een contract en voorwaarden van de Kelnarij van Putten zien dat bijvoorbeeld de pachtboeren niet zonder toestemming opgaand hout of hakhout dat rond hun landbouwpercelen stond, mochten oogsten. 20 Het hout vormde een groot deel van het kapitaal dat een hoeve vertegenwoordigde. Later, toen veel grondbezit was overgegaan naar landgoedeigenaren, werd daarnaast ook esthetiek en jacht een reden om bos te behouden. De rest van het bos en de houtwallen bestonden uit hakhout en waren lager. Bijzonder in Putten is dat veel kampontginningen nog in de 19e eeuw als afzonderlijke kamp te midden van natte heide waren te herkennen. In grote delen van Putten is het oorspronkelijke landschap verrassend goed intact gebleven. B ochtige wegen, hoogteverschillen tussen akkertjes en groenlandjes, afwisseling tussen bosjes en open gebied en boerderijen in wisselende oriëntaties bepalen nog steeds het landschap (figuur 3.4 tot en met 3.8).
In gebieden met een landgoedkarakter (toevoeging L) is het landschap in sterke mate geconserveerd. Hier is vaak nog bos bijgekomen doordat heide en een deel van de 20
Bijvank nuanceert in een mededeling dat op de horige goederen van de Kelnarij meestal wel sprake was van vrij gebruik. Hier werd echter bijvoorbeeld voor opgaand hout de derde penning geëist door de kelnarij. Het hakhout was overigens voor de horige boeren van grote waarde en werd zeer goed beheerd.
32
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.6. Vanwege de aanwezigheid van lanen, een fraaie afwisseling van open gebied en opgaand geboomte, maar ook door goed bewaard gebleven historische boerderijen en kavelinrichting heeft een groot gedeelte van de vochtige kampontginningen nu een landgoedkarakter (toevoeging L). Foto van boerderij De Keut bij Gerven (foto Overland 13).
l andbouwgrond is bebost. In andere gebieden is de landbouw vaak geïntensiveerd. Het landschap is hier enerzijds opener geworden doordat bos en houtwallen plaats hebben gemaakt voor landbouwgrond. Daarnaast is de hoeveelheid bebouwing vaak toegenomen doordat zich hier meer mensen hebben gevestigd en de omvang van de landbouwbedrijven is toegenomen. In alle gebieden is het kenmerkende contrast tussen hoog en laag afgenomen doordat akkers als nu vaak als grasland in gebruik zijn. Een deel van de laagtes is beter ontwaterd en kan ook als akker (vaak met maïs) in gebruik zijn genomen.
Figuur 3.7. Een relatief klein deel van de Puttense vochtige kampontginningen ligt buiten de landgoederen. De bebouwingsdichtheid is hier soms sterk toegenomen waardoor het oorspronkelijke landschap minder goed te herkennen is. Maar ook sommige historische kenmerken zijn nog herkenbaar, zoals bochtige wegen, greppels en sloten en bosjes. (foto Overland 100, Klunenweg bij Huinen).
33
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.8. Kampontginningen waren omgeven door wallen die een vee- en wildkering vormden naar de omliggende woeste gronden. Aan de oostkant van de kleine kampontginning De Ridder ligt een forse wal, die waarschijnlijk is opgehoogd met instuivend zand. Het gebied op de achtergrond, nu groene jonge ontginningen, was vroeger heide, waarvan delen waren verstoven (foto Overland 54).
Figuur 3.9. Broekige kampontginning, waarin nog steeds de onregelmaat van de percelering is te herkennen, gezien vanaf de Waterweg naar het oosten. Bos met kleine akkertjes heeft hier plaats gemaakt voor grootschaliger ingedeeld landschap met vooral grasland. Op de achtergrond, iets links van het midden, boerderij Den Broek (foto Overland 266).
34
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
3 Broekige kampontginningen (kn1c) Broekige kampontginningen liggen in het van oorsprong natte gebied met overwegend broekontginningen ten westen van Putten, maar zijn een tussenvorm tussen kampontginningen en broekgebieden (kaartcodes 9, 10, 11; figuur 3.9). In het natte gebied lagen enkele kleine hogere ruggen waarop de boerderijen werden gebouwd en waar de typische onregelmatige percelering van de kampontginningen ontstond. Deze gebieden waren in de 19e eeuw, net als de omliggende broeken, zeer bosrijk met kleine, meestal onregelmatig gevormde perceeltjes met akkers en grasland omringd door bos. In de eerste helft van de 20e eeuw is nagenoeg al het bos verdwenen. Tegenwoordig is het landschap grootschaliger. Onregelmatig gevormde percelen zijn niet zo goed meer te herkennen.
4 Overstroomde kampontginningen (kn1b) Een deel van de kampontginningen is in de loop van de Middeleeuwen, toen de Zuiderzee zich vanaf de 12e eeuw steeds meer uitbreidde, met enige regelmaat overstroomd geweest. De laagten tussen de zandruggen raakten daarbij overdekt met een laag klei. Voor het gebied rond Diermen duurde dit tot in 1356, toen in de vorm van de Zeedijk een sluitende bedijking tot stand kwam. Het onbedijkte gebied meer noordelijk bleef tot de aanleg van de Afsluitdijk vatbaar voor overstromingen. Het landschap van de overstroomde kampontginningen bevindt zich vaak in een gradiënt. Dicht bij de ‘gewone’ vochtige kampontginningen was het landschap vrij besloten, met veel bosjes, houtsingels en houtwallen. Meer richting Zuiderzee werden de tussenliggende laagten met grasland opener en grootschaliger. In deze gebieden met overwegend grasland kwam kwamen (omstreeks 1850) wel bomen op de perceelsranden voor, waarschijnlijk in de vorm van
Figuur 3.10. Omkading van Groot Dasselaar, gezien vanaf het erf. Tot 1932, toen de Afsluitdijk werd aangelegd, keerde de omkading hoogwater vanuit de Zuiderzee. Deze doorgang werd dan met schotten afgesloten. Het verre zicht op de onbedijkte Zuiderzee is nu vervangen door zicht op de snelweg en achterliggende beplanting van het recreatiegebied aan de oever van het Nuldernauw. Het boerderijgebouw zelf is onlangs afgebrand (Mededeling Jan van de Kraats). (Foto 2004, Overland 409.)
35
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
e lzensingels. Ook nu is die gradiënt nog te herkennen. Vooral in gebieden met een landgoedkarakter (toevoeging L) zijn er nog veel bosjes en singels. Zeer bijzonder voor een kampontginningenlandschap is dat een aantal boerderijen op pollen ofwel terpen staat. De pollen zijn (onder de categorie ‘landschapselementen’) op kaartbijlage 1 opgenomen. Waarschijnlijk stonden ook in het gebied ten (noord)westen van Putten boerderijen op terpen. Heel bijzonder is boerderij Groot Dasselaar, tegen de grens met de gemeente Ermelo. De boerderij staat niet op een terp, maar is omringd door een kade (figuur 3.10). Ook Grote Hoef aan de Waterweg zou zijn omkaad, maar daar is nu niet veel meer van te zien. zien.
3.1.2 Bossen en buitenplaatsen in de Gelderse Vallei 5 Vochtige oude bossen (kn2) Onder de oude bossen rekenen we de bossen die al in 1850 op kaarten zijn te zien. Alleen de wat grotere vochtige bossen (deel uitmakend van een boscomplex van circa 10 hectare of meer) staan als afzonderlijke eenheden op kaartbijlage 1. De kleinere bossen maken onderdeel uit van andere landschappen, waaronder de kamp- en broekontginningen. Ze waren in gebruik als hakhout, als opgaand hout of als knot- en snijhout. Bijzonder in Putten is dat een groot deel van deze kleinere bosjes nog steeds bestaat (maar dus niet is onderscheiden op de landschappenkaart). Wel is van de kleinere bosjes bepaald of we ze als historisch kunnen kenmerken. De historische zijn als waardevol opgaand groen op kaartbijlage 1 opgenomen). Er zijn in Putten slechts enkele grotere vochtige bossen onderscheiden. Ze liggen worden omringd door het kampenlandschap. Het (voort)bestaan van deze bossen heeft waarschijnlijk te maken met grootgrondbezit. Ze liggen nu nog gebieden met een landgoedkarakter. De meeste oude bossen
Figuur 3.11. Oud bos bij Schoonderbeek ten westen van Putten. In het bos liggen enkele oude wallen die wijzen op een verleden als landbouwgrond. Deze kampontginningen moeten dan al voor 1800 zijn bebost (foto Overland 240).
36
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
staan al als bos op de kaart van 1812 (De Man), maar het is mogelijk dat ze in de voorafgaande eeuwen als akker in gebruik waren. Walstructuren in sommige bossen wijzen daarop. De meeste vochtige bossen liggen op nattere gronden dan de kampontginningen in de omgeving. In de bossen zijn greppels, sloten en beeklopen te ontwaren die ervoor dienden het bos te ontwateren. In het oude bos bij Blarinckhorst (ten westen van Gerven) en Withaag (ten oosten van Oldenaller) is op hoogtebeelden is een rabattenstructuur te zien. Hier zijn ruggen met tussenliggende greppels aangelegd. Daarmee werd een deel van het maaiveld boven het grondwater uitgetild. Boomsoorten waren, afhankelijk van de vochtigheid, elzen, wilgen, berken of eiken. In deze bossen liggen ook enkele zeer kleine landbouwperceeltjes op iets hogere ruggen. Het bos Withaag ligt in een gebied waar, afgaande op de kleiige bovengrond, voor de bedijking bij hoogwater het zeewater toe kon reiken 21 (zie ook kaarteenheid 4). De vochtige bossen ten noordwesten van Putten (Groevenbeek/ Volenbeek/Schoonderbeek; figuur 3.11) zijn iets hoger gelegen. Diep ingegraven sprengenbeken in de omgeving (zie hierna) zorgen hier voor de ontwatering.
6 Bos met sprengen en sprengenbeken (kn2s) Ten westen en noorden van Putten komen beken en sprengkoppen in het bos voor. Ooit zijn hier beken naar het oosten verlengd, waarbij sprengen in de geleidelijk oplopende helling zijn gegraven om zo het grondwater te bereiken. In het bos zijn de vrij diep ingegraven beken of sprengkoppen te zien (figuur 3.12). Soms lijkt een brede zone langs de beek te zijn verlaagd. Dit lijkt het geval bij
Figuur 3.12. Diep ingegraven sprengkop bij het landgoed Oud Groevenbeek (foto Overland 181).
21
Toevoeging k op de bodemkaart.
37
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.13. In beboste kampontginningen geven wallen nog de topografie van vroegere landschappen prijs. Deze wal, nog vaag zichtbaar, lag in 1812 (op de kaart van De Man) op de grens van een akker, toen behorend bij boerderij De Hooft (links) en bos (rechts) bij Schoonderbeek. Het bos rechts is gerangschikt onder oud bos (zie kaarteenheid 5), maar is mogelijk een al vroeger beboste kampontginning (foto Overland 243).
de Schoonderbeek, waar ook de Beekweg in de verlaging ligt. Langs de beeklopen of bredere verlagingen liggen vaak wallen die waarschijnlijk zijn opgeworpen met materiaal uit de gegraven beek of verlaagde zone.
7 Beboste vochtige kampontginningen (kn4) Van de bossen in de Nederlandse zandgebieden is een deel aangelegd op voormalige akkers (figuren 3.13 en 3.14). Met name vanwege de hoge eekprijzen in de tweede helft van de 19e eeuw en de lage prijzen voor landbouwproducten tijdens de landbouwcrisis vanaf 1880 werd het aantrekkelijk om akkers met hakhout te beplanten. Omstreeks 1900, toen er vanuit de mijnbouw vraag ontstond naar grenenhout, werd ook naaldhout aangeplant. In de gemeente Putten gingen vooral grootgrondbezitters hier toen toe over. Vrijwel alle beboste kampontginningen liggen dan ook in gebieden met een landgoedkarakter (toevoeging L). Grootgrondbezitters bebosten niet alleen vanuit economische, maar ook vanuit esthetische motieven. Daarom kunnen in de bossen ook lanen of bijzondere exoten voorkomen. Ook de jacht, met bos als schuilplaats voor het wild, was een reden om te bebossen. Al voor de bebossingen waren de kampontginningen al rijk aan geboomte. Het bos (vooral hakhout) omzoomde akkers en weidegebiedjes. In de bossen zijn de steilranden en wallen rond de vroegere akkers te zien. In het bos kunnen nog verschillen te zien zijn tussen het vroegere hakhout dat de percelen omgaf, of het op de landbouwgrond aangelegde bos. Bij boerderij Rensselaar ligt nog een aantal niet beboste kleine landbouwperceeltjes in de beboste kampontginningen.
Niet alle beboste akkers staan op kaartbijlage 1. Verspreid over vooral het kampenlandschap zijn veel meer (delen van) akkers met bos beplant. Deze zijn echter te klein om afzonderlijk op kaart aan te geven en vallen onder de desbetreffende landschappen. Ze zijn echter wel geïnventariseerd bij de groenstructuren.
38
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.14. Beboste kampontginningen bij de vroegere boerderij Gagelwijk (bij Gerven) in 1850 en nu. Op het hoogtebeeld is te zien dat de vroegere topografie, met hoogteverschillen tussen akkers en lager gelegen bos en met wallen, nog goed in het reliëf bewaard is gebleven (Bijvank, 2014 beschrijft de geschiedenis van boerderij Gagelwijk).
8 Buitenplaatsen Gelderse Vallei Buitenplaatsen bestonden uit een voornaam huis, een parkachtige tuin en waterpartijen en soms ook wandelbossen. De oude Puttense buitenplaatsen liggen in het lage deel van de gemeente. Hier was water voorhanden voor de grachten rond het huis en de vijvers. Bij de inrichting van buitenplaatsen was de esthetiek doorslaggevend bij de inrichting. Daarmee onderscheiden ze zich van de in Putten zeer uitgestrekte gebieden met landgoedkarakter, waar ook land- en bosbouwproductie en jacht van belang waren. We gaan in deze inventarisatie niet in op de ontwikkeling, het tuinontwerp en de inrichting van de buitenplaatsen. Daarvoor verwijzen we naar literatuur over de afzonderlijke huizen en buitens. Wel is het mogelijk om in te gaan op het landschap waarin de buitenplaats is gesticht. Immers, naast de bewust aangebrachte tuinarchitectuur, is ook het oorspronkelijk landschap van invloed geweest op het huidig aanzien van de buitenplaats. De oorsprong van veel Veluwse buitenplaatsen ligt in de 17e eeuw. Er was een nieuwe klasse van rijke kooplui en regenten ontstaan, die hun geld in grondbezit belegden. Ze gingen er geleidelijk aan toe over om daar zelf in de zomer te verblijven.
In een bestaande boerderij werd een herenkamer ingericht, een ‘mooie’ kamer in het woongedeelte van de boer en boerin, waar een vermogende familie uit de stad ’s zomers haar intrek kon nemen. 22 Later ontwikkelden deze ‘camers’ zich tot afzonderlijk gebouw naast de boerderij, in Nederland ook wel ‘stenen camer’ genoemd. Als een familie veel geld te besteden had, of er vaker wilde verblijven, werd de stenen camer vervangen door een representatief landhuis. De omgeving van zo’n landhuis kon worden verfraaid met parken, sterrenbossen en vijvers. Tot in de 18e eeuw gebeurde dat vooral volgens de uit Italië en Frankrijk afkomstige, maar in Holland verder ontwikkelde classicistische stijl, ook wel bekend als formele, Franse of renaissancestijl, met vooral een rechtlijnige geometrie. Vanaf het eind van de 18e eeuw kwam de Engelse Landschapsstijl op. Rechthoekig ingedeelde parken maakten plaats voor verspreide boomgroepen en slingerende paden, telkens met nieuwe verrassende doorkijkjes.
22
Neefjes, Cultuurhistorische Atlas van Nunspeet, in publicatie.
39
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.15. De oprijlaan van Oldenaller strekt zich uit van Oldenaller tot Withaag en verbindt het landschap van de broekontginningen met dat van de kampontginningen (foto Overland 252, vanaf de Nijkerkerstraat).
Bijstein ontstond in het kampenlandschap. Het is ontwikkeld vanuit de aan de Abdinghof horige boerderij ‘Bollengoed’, dat in 1619 werd gevrijd en in handen kwam van de familie Van Arler. 23 De kromme lijnen van paden en waterpartijen lijken te passen in het kampenlandschap, maar op de kaart van De Man is te zien dat het landgoed omstreeks 1812 een rechtlijniger indeling kende, die waarschijnlijk meer was gebaseerd op de formele parkaanleg. In de loop van de 19e eeuw is het park heringericht naar de Engelse Landschapsstijl en verschenen de uitgesproken kronkelende paden en waterpartijen. In Putten ligt ook een deel van de grote buitenplaats Salentein, waarvan het huis in de gemeente Nijkerk ligt. In 1850 bestond het grootste deel nog uit landbouwgronden, met het landschap van de vochtige kampontginningen. In de loop van de 19e en 20e eeuw werden de akkers en graslanden met geboomte beplant en verschenen nieuwe gazons, en vijvers en slingerende paden, die soms nog overeenkomen met het onregelmatig ingedeelde oudere landschap. Het meest oostelijke deel van dit gebied heeft een minder uitgesproken wandelpadenpatroon, en zou ook onder de beboste kampontginningen gerekend kunnen worden. Ook het gebiedje rond het huis Schoonderbeek is tot de buitenplaatsen gerekend. Het huis was de kern van het vroeger veel grotere landgoed.
Zowel het huis als de inrichting van het gebied rondom is in de laatste vijftig jaar gewijzigd, maar het gebied is nog herkenbaar als park/buitenplaats. De buitenplaats Vanenburg is aangelegd in regelmatige broekontginningen. Al in 1664 stond hier een voornaam huis, in bezit bij de rijke familie Van Essen, dat in 1831 is gesloopt, waarna in 1870 een nieuw huis is gebouwd. De formele stijl gaat hier goed samen met de rechtlijnige inrichting
23
Historische Canon van Putten.
40
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
van de broekontginningen en is nog goed herkenbaar in het geometrisch patroon rond het huis. Het bos en de vijver ten westen van het huis waren al in 1800 volgens de landschapsstijl ingericht, maar zijn nog altijd ingekaderd in de rechte lijnen van de broekontginningen. Aan weerszijden van het oude buiten zijn twee nieuwe landgoederen aangelegd. Aan de overzijde van de Vanenburgerallee is de oude structuur in de loop van de 20e eeuw vervaagd, maar recent weer nieuw leven ingeblazen door de aanleg van een waterpartij op de plek van een oude op het huis gerichte as. Ook dit gebied is tot de buitenplaatsen gerekend. Ook Oldenaller is aangelegd in regelmatige broekontginningen (figuur 3.15). Het huis dateert al van omstreeks 1650. Behalve het park rond het huis is ook de lange oprijlaan naar het huis tot de buitenplaats gerekend. De laan en de omtrekken van het park hebben een strakke geometrie die zowel vanuit de regelmaat van de broekontginningen als uit de eisen van de formele stijl is te verklaren. Binnen deze omtrekken is het park omstreeks 1850 omgevormd naar de Engelse Landschapsstijl. De buitenplaats en de nog gave omliggende broekontginningen vormen nog een fraai ensemble.
3.1.3 Broekontginningen Oude ontginningen (van voor circa 1850) op natte zandgronden en venige gronden noemen we broeken. Ze zijn ontgonnen vanaf de Late Middeleeuwen. De broekgebieden waren al voor ontginning populair bij de boeren. Veelal was daar sprake van grond- en beekwateraanvoer waarin nutriënten waren opgelost. Ze waren daardoor weliswaar erg nat, maar ook relatief vruchtbaar en geschikt om rundvee op de weiden of wintervoer (hooi) te winnen. Op venige plekken kon bovendien turf worden gestoken. Door deze gronden met sloten te ontwateren en te bemesten konden ze nog productiever worden gemaakt. De graaf van Gelre bezat de rechten op deze nog niet ontgonnen gronden. Vooral in de 14e eeuw was er een grote ontginningsgolf in de Gelderse Vallei gaande, die werd gestimuleerd door de hertogen van Gelre. 24 Tegen betaling van tijns konden de boeren, vaak uit nabijgelegen oudere kampontginningen, de ontginning ter hand nemen. Overigens is het niet zo dat broekontginningen altijd jonger zijn dan kampontginningen. In de gebieden die in de 14e eeuw in gebruik werden genomen, konden zowel kampontginningen als broekgebieden tot stand komen, zo laat Kroes (1998) zien. 25 Dat komt doordat ook in de gemiddeld natte broekgebieden zandruggen liggen die net iets droger waren.
Hier kon men akkers aanleggen en hier ontstonden kampontginningen waarbij perceelsranden de veelal kromme lijnen van de zandruggen volgden (zie ook broekige kampontginningen, kaarteenheid 3). De lagere gebieden werden met een patroon van veelal rechte sloten ontwaterd. We gaan er doorgaans van uit dat veel broekgebieden in eerste instantie onbewoond bleven en dat men in eerste instantie op of bij de zandruggen van de kampontginningen bleef wonen. Maar doordat bij de ontginning ook de ontwatering werd verbeterd, hoeft dat niet per definitie het geval geweest te zijn. In Putten raakte uiteindelijk een groot deel van de broeken na de ontginning bewoond, doordat in de loop der eeuwen de ontwatering verder verbeterde.
24 25
Wartena, 1975. Dat was het geval in het Garderbroek in de gemeente Barneveld.
41
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Niet alle broekgebieden zijn in de 14e eeuw ontgonnen. Soms lieten buurschappen broekgebieden en natte heidegebieden met opzet onontgonnen, om ze zo als gemeenschappelijk weide en plaggebied te behouden. Ze moesten dan wel door betaling van tijns de rechten van de graaf van Gelre overnemen. Deze gronden bleven in gebruik als gemeenschappelijke groenlanden of heidevelden. Vaak werden ze later alsnog ontgonnen. Als ze na circa 1850 zijn ontgonnen, zijn ze bij de jonge ontginningen ingedeeld.
9 Broekontginningen, enigszins regelmatig ingedeeld (kb2a) In de gemeente Putten missen de broekgebieden de zeer strakke regelmaat die elders op natte zandgronden veel voorkomt (figuren 3.16 en 3.17). Die regelmaat zegt iets over de wijze van ontginning en de natuurlijke omstandigheden bij de ontginning. Min of meer vlak gelegen grootschalige broekgebieden werden vaak planmatig ontgonnen en kregen meestal een regelmatige wegen-, sloten- en perceelsindeling. Als er minder sturing van bovenaf was, of als de broekgebieden veel natuurlijke onderbrekingen hadden (zandruggetjes, stroompjes) ontstond er vaak een minder onregelmatige indeling. In Putten is sprake van een mengvorm. Van de historische kaarten van de 19e eeuw is af te lezen dat bijna nergens sprake was van een strak, zich herhalend patroon van wegafstanden en rechthoekige percelen van uniforme breedte. De lijnen, gevormd door wegen, sloten en perceelsgrenzen, waren vaak recht, maar vaak was er sprake van een variatie in richtingen. Waarschijnlijk is dit het gevolg van wat drogere zandruggen die in de broekgebieden lagen en die noopten tot aanpassing van perceelsgrenzen en waterlopen. De broekgebieden konden zeer bosrijk zijn. Rond kleine akkertjes en weitjes lagen brede houtsingels en bosstroken, die soms zo breed waren dat ze soms het grootste deel van het perceel besloegen. Sommige percelen bestonden geheel uit bos.
Het landschap was daardoor uitermate besloten, met uitzichten die zelden verder gingen dan 100 meter. Het bos was niet hoog opgaand. Waarschijnlijk bestonden deze bossen en bosstroken voor een groot deel uit eikenhakhout, maar het is ook mogelijk dat op de nattere gronden bosjes met hak- en snijhout van elzen of wilgen stonden. 26 Het landgebruik bestond daarnaast uit akkers en graslanden. Over het algemeen gold: hoe westelijker en lager gelegen, hoe natter en hoe meer grasland en minder akkerland. Verspreid over de broekgebieden stond hier en daar een boerderij. Tegenwoordig zijn de broekgebieden veel opener geworden. Al in de eerste decennia van de 20e eeuw waren veel bospercelen, bosstroken en houtwallen omgezet in akker of weiland. Waarschijnlijk was dat een reactie op het instorten van de eekprijzen in de laatste decennia van de 19e eeuw. Later in de 20e eeuw nam de hoeveelheid bos verder af. Allen in gebieden die als landgoed werden beheerd bleef meer bos bestaan. De bebouwing van de broekgebieden is alleen plaatselijk toegenomen. De min of meer regelmatige perceelsindeling met over het algemeen vrij rechte wegen en perceelsgrenzen is nog goed te herkennen.
26
Volgens de kaarten van de eerste bosstatistiek (omstreeks 1940) was er voornamelijk hakhout. In die tijd waren de bosstroken en houtsingels echter al voor een groot deel verdwenen.
42
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.16. Strookvormige percelen met grasland en rechte wegen, zoals hier de Engersteeg zijn karakteristiek voor de broekontginningen (foto Overland 211).
Figuur 3.17. Bij Volenbeek hebben de enigszins regelmatig ingedeelde broeken nog het historische aanzien, met sloten begeleid door houtwallen en elzensingels die strookvormige percelen grasland omgrenzen (foto Overland 368).
43
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.18. Fraai omwald perceel direct ten westen van de spoorlijn en ten noorden van de Beekweg. De onregelmatige indeling komt tot uiting in bochtige wallen zoals de wal op de foto en heeft te maken met oude beeklopen zoals de Schoonderbeek op de voorgrond (foto Overland 203).
10 Broekontginningen, onregelmatig ingedeeld Ten westen van boerderij Groot Roest ligt aan weerszijden van de spoorlijn een gebiedje dat in de loop van de 19e en 20e eeuw vooral als grasland in gebruik was. Net als de kampontginningen ten noorden en oosten ervan had dit gebiedje onregelmatig gevormde percelen die door houtwallen of bosstroken waren omgeven (figuur 3.18). Het gebiedje lag echter lager en was daarom vooral als grasland in gebruik. Het gebiedje wordt nog steeds gekenmerkt door veel opgaan groen. Daarom is het ook ingedeeld als gebied met landgoedkarakter.
11 Broekontginningen, overstroomd Een deel van de broekontginningen is vanaf de 12e eeuw, toen de Zuiderzee zich steeds meer uitbreidde, met enige regelmaat overstroomd geweest (figuur 3.19). Ze raakten daarbij overdekt met een laag klei. Voor de broekontginningen in het poldergebied Arkemheen (ten westen van de Schuitenbeek, zie kaarteenheid 15) duurde dit tot in 1356, toen in de vorm van de Zeedijk een sluitende bedijking tot stand kwam. Het gebied ten noordoosten van de Schuitenbeek bleef tot de aanleg van de Afsluitdijk vatbaar voor overstromingen. Dit landschap lijkt op dat van de regelmatig ingedeelde broeken, met over het algemeen vrij rechte perceelsgrenzen, sloten en wegen. In de 19e eeuw was dit landschap ook rijk aan (hakhout)bos in houtwallen rond de percelen en in kleine bosjes. De laagste delen leken meer op de veen- en zeekleiontginningen, zonder veel opgaande beplanting en met sloten tussen de percelen. Tegenwoordig is veel opgaande beplanting
44
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.19. Overstroomde broekontginningen. Op de voorgrond heeft de zandgrond kleibijmenging in de bovengrond. Verderop ligt er een pakket klei op het zand. De bomen die hier op de perceelsranden stonden zijn omstreeks 1900 verdwenen en maakten plaats voor een opener landschap (foto Overland 271).
v erdwenen, maar de gradiënt is nog te herkennen. Bewoning was schaars in dit gebied en kwam alleen voor langs de wegen. Een aantal boerderijen stond op terpen, die nu nog te herkennen zijn. De nog als terreinverhoging herkenbare terpen zijn (onder de categorie ‘landschapselementen’) als pollen op kaartbijlage 1 en in de kaartlegenda opgenomen.
Perceelsverlaging door het weggraven van ijzeroer In de laaggelegen gronden in het landschap van de broekontginningen en de vochtige kampontginningen kwam plaatselijk ijzeroer voor. IJzeroer ontstaat in gebieden waar kwel (grondwateraanvoer) plaatsvind vanuit hoger gelegen dekzandruggen. Dit water bevat elders uitgespoeld ijzer. Daar waar het verschil tussen de gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand gering is, slaat het ijzer neer in een beperkte zone en kan zich een ijzeroerlaag gaan vormen. Dit ijzer slaat neer in de poriën van de zandkorrels waardoor de grond zich verdicht. Vooral in het oosten van het land kon dit ijzeroer worden gebruikt als grondstof voor ijzerindustrie. In Putten is geen grootschalige ijzerindustrie bekend. IJzeroer is hier vooral bekend omdat het een goede ontwatering verhinderde. Daarom zijn in de afgelopen eeuw veel percelen vergraven en ontdaan van de oerbank. Daardoor kunnen ze iets lager liggen dan de omgeving en kunnen er steilrandjes zijn ontstaan aan de randen van de percelen. Aan de Hellerweg stond tot enkele decennia geleden het ‘Oerhuisje’, dat was opgebouwd van ijzeroer en dienst deed als boswachterswoning. De huidige eigenaar, Natuurmonumenten, liet het huisje afbreken.
Overigens kunnen ook andere ingrepen geleid hebben tot verlagingen van het maaiveld en steilrandjes, zoals (soms recente) zand-, klei-, leem- en veenwinning of het egaliseren van landbouwpercelen.
45
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
3.1.4 Veen- en zeekleiontginningen 12 Veen- en kleiontginningen, regelmatig ingedeeld (vb2a) De polder Arkemheen bestaat uit zware kleigronden, maar heeft een oorsprong als veengebied. Het Zuiderzeegebied bestond tot in de Late Middeleeuwen nog voor een groot deel uit veenmoerassen, waarvan het huidige Arkemheen de zuidelijke rand vormde. Dit moerasgebied was, wanneer het werd ontwaterd, bewoonbaar. Vooral de grote veenkoepels, die van nature weliswaar zeer nat waren, maar hoger lagen dan de omgeving, waren goed te ontwateren door sloten te graven vanaf de lage randen in de richting van de hogere kern. Gevolg van deze ontwatering, en mogelijk ook van vergravingen in het veen, was dat het maaiveld ging dalen door klink en oxidatie van het veen. Daardoor kreeg de zee gemakkelijker toegang tot het veengebied en breidden de nature aanwezige veenplassen zich uit tot een groot meer dat vanaf 753 Almere werd genoemd. Vooral vanaf 1200 veroorzaakten stormvloeden grote overstromingen. Veenmoerassen, waarvan het maaiveld mogelijk onder invloed van eerdere ontwatering al was gedaald, werden weggeslagen of bedekt door een laag zeeklei. Deze ontwikkeling heeft zich ook in Arkemheen afgespeeld.
Ooit moet ten noorden van de huidige Zeedijk, in wat nu het Randmeer is, de al in 855 genoemde nederzetting Ark hebben gelegen (Archii maakte deel uit van een schenking van Folker aan een klooster in Werden). Van Dooren (1986) neemt aan dat de nederzetting hier ontstond door ontginning van een veenkoepel. In de 12e eeuw werd de nederzetting opnieuw genoemd. Toen stonden er acht boerderijen. Die boerderijen moeten veel te kampen hebben gehad van de zich uitbreidende Zuiderzee. Het gebied waar Ark lag werd volledig weggeslagen door het water. Meer zuidelijk, in wat we nu de polder Arkemheen noemen, werd klei op het veen afgezet. De polder Arkemheen bestaat nu voor een groot deel uit zogenaamde klei-op-veengronden. Onder de kleilaag die tot 1 meter dik kan zijn, zit een veenlaag met broek- en zeggeveen. Naar het zuiden en oosten toe worden zowel de klei en veenlaag dunner. Daar komen zandruggen met een dunne laag klei voor. Nog verder oostelijk en zuidelijk komt alleen natte zandgrond voor. Het is de vraag wat de aard en de ouderdom van de ontginningen van Arkemheen zijn.
Zijn het veenontginningen die in aanleg tegelijkertijd met het vroegere Archii zijn ontstaan en dus van vroegmiddeleeuwse ouderdom zijn? Of zijn het latere ontginningen in het zeekleigebied dat hier in de loop van de Late Middeleeuwen ontstond? Wanneer we uitgaan van optie 1 moeten de veenontginningen als die van Ark zich hebben uitgestrekt naar het zuiden tot in wat nu de gemeente Putten is. In dat geval is het denkbaar dat een deel van de strookvormige kavelindeling of het slotenpatroon van Arkemheen wellicht nog stamt van vóór de overstromingen, die vanaf 1200 optraden. In dat geval moet het veengebied, ook toen het door regelmatige overstromingen met een kleilaag werd bedekt, bij boeren in gebruik zijn gebleven, waardoor het verkavelings- en slotenpatroon gedeeltelijk konden blijven bestaan. Sommige sloten gingen zich gedragen als getijdekreken en gingen meanderen. Uiteindelijk raakte het gebied door de regelmatig optredende overstromingen nagenoeg onbewoond, maar bleef het in gebruik als wei- en hooiland en bleef de kavelstructuur in stand. De auteurs van Histland-Gelderland (Alterra, Overland) noemen deze mogelijkheid en scharen het grootste deel van Arkemheen daarom onder de veenontginningen.
46
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Voor in ieder geval de Puttense kant van de polder gaat deze zienswijze waarschijnlijk niet op. 27 Van Dooren toont aan dat een groot deel van Arkemheen nog in de 14e eeuw bestond uit niet ontgonnen, gemeenschappelijk gebruikte gronden die grotendeels in handen waren van de graven of hertogen van Gelre. In deze zienswijze moet de ontginning dus pas in de 14e eeuw of later hebben plaatsgevonden in een zeekleigebied. Een verklaring voor deze veel latere ontginning (ten opzichte van de vroegmiddeleeuwse ontginningen bij Ark) is dat hier (het Puttense deel van het huidige Arkemheen) voor de komst van de Zuiderzee geen veenkoepels voorkwamen, maar lager gelegen en dus moeilijker te ontwateren veenmoerassen. Daardoor bleef het gebied grotendeels onontgonnen. We gaan hier uit van de tweede optie en beschouwen het gebied als een moerassig zeekleigebied dat (grotendeels) onbewoond was toen het vanaf de 14e eeuw werd ontgonnen. Het is mogelijk dat dit gebied oudere sporen heeft, zowel wat betreft verkaveling als wat betreft oudere bewoningsplaatsen. Tot de ontginning was de hertog van Gelre een belangrijke eigenaar van dit onbedijkte kustgebied. Boeren in de omgeving hadden er gebruiksrechten en konden hier in de zomer hooien en vee laten grazen.
In de eerste helft van de 14e eeuw, in de zelfde periode dat in de Gelderse Vallei ook veel broekgebieden werden uitgegeven, gaf de hertog ook hier gronden uit ter ontginning. Door in de natte en zware kleigronden sloten te graven en weteringen voor de afvoer van het water richting Zuiderzee, kon het gebied productiever worden gemaakt en werd het in percelen verdeeld. Toen moet de kenmerkende regelmatige verkaveling met stroken en blokken zijn ontstaan in het noordelijk deel van Arkemheen. Mogelijk met als doel de uit te geven gronden in waarde te laten stijgen, verleende de hertog in 1356 dijkrecht aan de landeigenaren van Arkemheen. Van Dooren laat aan de hand van oude vermeldingen zien dat al eerder plaatselijk dijken waren aangelegd, maar de coördinatie van de hertog maakte een sluitende bedijking mogelijk. De dijkaanleg beschermde weliswaar tegen de periodieke overstromingen, maar maakte het gebied niet bewoonbaarder. De afwatering op de Zuiderzee, onder andere met water van de hoger gelegen gronden in het zuiden en oosten, werd door de dijk bemoeilijkt. Aan de Nijkerkse kant van Arkemheen noemt Van Dooren boerderijen die nog in de 16e en 17e eeuw werden verlaten. Het gebied bleef door de slechte afwatering en de zware kleigrond in gebruik als hooi en weiland.
28 Het landschap in de 19e eeuw Op de oudste topografische kaarten is te zien dat het gebied was ingedeeld in min of meer noordzuidgerichte stroken en blokken, een verkaveling die waarschijnlijk vanaf de 14e eeuw tot stand is 27
Voor het Nijkerkse deel geeft Van Dooren veel aanwijzingen voor in de 16e en 17e eeuw verdwenen middeleeuwse boerderijen en noemt hij veldnamen (met werf en hofstede) die wijzen op oudere bewoningsplaatsen (dus van vóór of tijdens de zeekleibedekking). In Putten noemt hij twee slechts twee werfnamen: Telinxwerf aan de Berencamperweg en Brinkswerf aan de Allersteeg.
28
Het landgebruik met louter grasland is te zien op historische kaarten vanaf 1800. Dit was ook de situatie in het begin van de 17e eeuw, toen slechts 1% van de oppervlakte van West Arkemheen in gebruik was als bouwland (Van Dooren, 1986). Bijvank noemt een graanopname van 1566 die aantoont dat in Diermen, Nulde, Norden veel gerst en haver werd verbouwd. Het is niet helemaal uitgesloten dat dit, met de nodige aandacht voor ontwatering, op de zware kleigronden gebeurde. Maar het is ook mogelijk dat dit op de drogere overgangen naar de zandgronden gebeurde. Dat was de landschappelijke ligging van deze buurschappen.
47
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.20. Strookvormige percelen gezien vanaf de Arlersteeg. Sloten en stroken lopen nu dood op de Zeedijk, maar liepen ooit verder door naar het noorden. Aan de horizon is tegenwoordig opgaande beplanting aan het Nuldernauw en de Flevopolder te zien (foto Overland 302).
gekomen. Niet helemaal uitgesloten is dat de ligging van enkele lijnen of de noord-zuid-oriëntatie van het geheel samenhangt met oudere verdwenen veenontginningen waarvan de ontginningsbasis meer noordelijk lag. De percelen waren van elkaar gescheiden door sloten. Door het gebied liepen enkele iets grotere weteringen die het water afvoerden richting Zuiderzee, waar het bij laagwater werd gespuid via de Putter Zeesluis. Het Putter Stoomgemaal werd in 1883 gebouwd. Het gebied was onbewoond, boomloos en geheel in gebruik als grasland. Het was een zeer open en uitgestrekt landschap, zonder opgaande bebouwing en zonder opgaand groen. Doorgaande wegen bleven beperkt tot de Arlersteeg (figuur 3.20) en de Schremmersteeg. Mogelijk hadden deze het uiterlijk van groene (met gras begroeide) kaden. Ten opzichte van de 19e eeuw is het landschap uitzonderlijk gaaf gebleven. Zowel aan de perceelsindeling als het landgebruik als de uitzonderlijke openheid is nauwelijks iets veranderd. Wel zijn enkele nieuwe elementen verschenen die de uitgestrektheid enigszins teniet doen: de A28 en het Arlerstrand, een zandput waarvan de oevers als recreatieterrein zijn ingericht. Toevoeging V: vergraven gebied aan de voet van de Zeedijk Ooit moet, om de bestaande Zeedijk te kunnen opwerpen of versterken, er aan binnendijkse zijde klei zijn afgegraven (figuur 3.21).
Daardoor kregen aan de dijk grenzende percelen een verlaagde ligging. De perceelsindeling van de veen- en kleiontginningen bleef in tact. Op historische kaarten is de verlaging te zien met een aanduiding die een moerassige of drassige situatie suggereert. Doordat in het kader van het natuurbeheer het waterpeil hier is verhoogd, staat tegenwoordig een groot deel van het verlaagde gebied gedurende natte perioden onder water.
48
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.21. Vergraven gebied aan de voet van de Zeedijk (foto Overland 360).
Figuur 3.22. De percelering van het gebied van de onregelmatig ingedeelde veen- en kleiontginningen is sinds de 19e eeuw nauwelijks gewijzigd en ook het landgebruik, grasland, zonder enige opgaande begroeiing is ongewijzigd gebleven. Grote verandering is opgaande begroeiing aan het Nuldernauw in de verte, en infrastructuur. De foto is genomen vanaf de parallelweg van de A28 (foto Overland 312).
13 Veen- en kleiontginningen, onregelmatig ingedeeld (vb2c) Dit gebied ligt tussen de regelmatig ingedeelde veen- en kleiontginningen en de overstroomde kampontginningen (figuur 3.22). Uit de perceelsstructuur en de bodemsoort is af te leiden dat de ontstaanswijze afwijkt van de dichter bij zee liggende veen- en kleiontginningen. Ook dit gebied bestaat uit kleigronden die vanouds vrijwel geheel in gebruik waren als grasland. Het gebied was nagenoeg onbewoond en ook hier ontbrak opgaande beplanting, waardoor ook hier sprake was van een zeer grote openheid en een grootschalig landschap. De overwegende noord-zuidgerichte
49
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.23. De Zeedijk met rechts een smalle strook van buitendijkse grond (zie kaartcode 16). Rechts daarvan het Nuldernauw (foto Overland 355).
oriëntatie van het kavel- en slotenpatroon ontbreekt hier echter, of is minder uitgesproken. Er zijn bovendien minder rechte lijnen in de vorm van perceelsgrenzen en sloten. Door het gebied lopen enkele enigszins bochtige wegen die in de 19e eeuw doodliepen in de polder. Ook de grondsoort verschilt. De kleilaag is hier veel dunner en ligt direct op zand. Op zandkoppen is de kleilaag heel dun. Soms is er hooguit klei in de bouwvoor bijgemengd. In tussenliggende laagten is de kleilaag dikker en kan er ook nog veen onder de klei liggen. Van deze gebieden nemen we aan dat ze al voor de komst van de Zuiderzee-overstromingen in gebruik waren. Mogelijk lagen er kampontginningen op de zandruggen, en mogelijk werd het gebied ook als broekgebied vanuit de nabijgelegen nog bestaande kampontginningen gebruikt. De onregelmatige kavelstructuur stamt nog uit deze tijd. Bij de overstromingen bleven kavel- en bezitsgrenzen in stand, maar veranderde het landgebruik in grasland, verdween de opgaande begroeiing en raakte het gebied onbewoond. Net als de andere veen- en klei-ontginningen heeft dit gebied het historische karakter goed behouden. De onregelmatige kavelstructuur is nauwelijks veranderd. Het betreft nog steeds een zeer open en uitgestrekt gebied met nauwelijks bebouwing en zonder opgaande begroeiing.
Een grote verandering is de komst van de A28 die het gebied doorsnijdt, en daardoor de uitgestrektheid deels teniet doet. De stegen lopen nu dood op de snelweg. De relatie met de oude Zeedijk is daardoor voor een deel van het gebied verdwenen.
3.1.5 Zuiderzeekust 14 Zeedijk (zn4) De Zeedijk die het gebied Arkemheen beschermde tegen de oprukkende Zuiderzee stamt uit 1356 (figuur 3.23). Volgens de dijkbrief uit dit jaar schonk hertog Reinald III van Gelre de erfgenamen van Putten en Nijkerk het recht om hun landen, die bekend stonden onder de naam Erckemeden, met een dijk te beschermen. Op enige afstand van de kustlijn werd een strook grond aangewezen
50
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
van circa 19 meter breed die werd onteigend. Aan de zuidrand van deze strook werd de dijk aangelegd, en aan de buitenkant werd de specie gegraven waarmee de dijk werd opgeworpen. 29 Het huidige tracé is niet dat van 1356. Als door afslag de eigenlijke kustlijn te dicht bij de dijk kwam, werd de dijk teruggelegd. De dijk heeft het ook meerdere malen begeven. In de gemeente Putten komen geen overstromingskolken of -wielen voor. De bochten ter hoogte van het Putter Stoomgemaal en die iets ten oosten er van kunnen wijzen op de plaats van vroegere doorbraken. Ooit bood de dijk een droge bewoningsplek waar een aanzienlijk deel van de Puttense bevolking huisde. Het polderbestuur stond hier bewoning toe op voorwaarde dat de bewoners het onderhoud van de dijk op zich namen. In 1611 stonden er op geregelde afstanden 48 huizen aan de dijk, waarvan 36 op het Puttense deel van de dijk. Het buurschapje werd wel Putterdijk genoemd. De bewoning verdween waarschijnlijk doordat de dijktechniek steeds zwaardere eisen stelde, waar de dijkbewoners niet meer in konden voorzien. Al voor 1830 waren de huizen verdwenen. 30
15 Schuitenbeek, oostelijke waterkering polder Arkemheen De bedijking van Arkemheen was een complex waterstaatkundig vraagstuk. Het ging daarbij niet alleen om de aanleg van een dijk, maar ook over de afvoer van het water dat van het gebied ten zuiden en oosten van Arkemheen lag. Tot die tijd stroomden beken uit dit gebied door Arkemheen naar de Zuiderzee. Door de bedijking werd het lozen van dit water veel moeilijker. Daarom werd het water om het bedijkte gebied heengeleid door de Schuitenbeek te graven. 31 Dit is af te leiden uit zowel historische als tegenwoordige kaarten en hoogtebeelden waarop is te zien dat de Schuitenbeek met een zuidwest-noordoostrichting loodrecht staat op de algemene gradiënt van het landschap met dekzandruggen en waterlopen, die een zuidoost-noordwest-oriëntatie hebben. Tussen de beek en de polder Arkemheen lag een dijkje of een hoge wal die het water buiten de polder moest houden. Op historische kaarten kaart staat deze waterkering aangegeven als ‘dijkje’ of ‘walletje’. De indruk bestaat dat het vaak niet om één, maar om meerdere evenwijdig aan elkaar liggende wallen ging (figuur 3.24). De structuur is nog onvoldoende onderzocht om uit te maken welke wallen een waterkerende functie hadden. De zuidwest-noordoostgerichte structuur van dijk en wallen doorsnijdt bijna het hele grondgebied van Putten.
Omdat er meerdere (deels verdwenen) landschapselementen in deze structuur liggen, is het niet alleen als afzonderlijke lijn maar ook als gebiedje, dus als landschapstype opgenomen in kaartbijlage 1. Dicht bij de monding, grofweg tot aan de Nijkerkerstraat, moet de Schuitenbeek het karakter van een getijdekreek hebben gehad. Het dijkje dat hier lag had dus een zeewaterkerende functie. Meer zuidelijk had de kade langs de beek vooral de functie om het beekwater uit de polder te houden. Op de oudste topografische kaarten is de wal meestal bebost. Soms liggen op enige afstand van de beek wegen en wallen, die ook tot het landschap dit worden gerekend, omdat niet uitgesloten
29 30 31
Van Dooren, 1986, p. 60. Informatie over de huizen: Van Dooren, 1986. De Schuitenbeek werd vroeger Nieuwe Beek genoemd (mededeling Jan van de Kraats).
51
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.24. Monding van de Veldbeek (komt van rechts) op de Schuitenbeek ten zuiden van boerderij Blankevoort. Het water van de Veldbeek maakt hier een haakse bocht naar rechts, naar het noordoosten. De wal langs de beek voorkwam en voorkomt nog steeds dat beekwater de polder Arkemheen in stroomt. Achter de wal ligt een graslandje waarachter nog drie min of meer evenwijdige wallen liggen, die mogelijk ook deel uit maakten van de waterkering (foto Overland 342).
kan worden dat ook deze een waterkerende functie hadden. Soms lag ook aan de oostkant van de beek een wal. Tegenwoordig is de wal plaatselijk verdwenen, maar vaak is hij nog zichtbaar, nog altijd met bomen op de wal. De wal (soms wallen) en de beek vormen een bijzondere structuur die net als de Zeedijk belangrijke elementen zijn in de waterstaatsgeschiedenis van de polder.
16 Buitendijkse gronden (zn3) Buiten de Zeedijk lagen ooit nog buitendijkse gronden met een aanzienlijke oppervlakte. Het waren veen- en kleiontginningen die door aanleg (of het naar binnen leggen van) de zeedijk buitendijks waren komen te liggen. Al op de oudste topografische kaarten, zoals die van De Man van omstreeks 1812, is te zien dat de buitendijkse gronden ter hoogte van Putten waren afgenomen tot een smalle strook aan de voet van de dijk. Het waren waarschijnlijk slikkige graslanden. Door de zoute omstandigheden was geen boomgroei mogelijk. Het stukje buitendijks gebied dat nu nog bestaat heeft het aanzien van een brede dijkvoet met gras. Waarschijnlijk bestaat het deels uit opgebrachte grond (zie ook foto bij kaarteenheid 14).