Bijlage 4: RAAP cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Tekst van het document
17 Ontginningen op onbedijkte Zuiderzee-afzettingen (zn1) Het gebied ten westen van het dorp Putten, aan de Zuiderzeekust is, anders dan de polder Arkemheen, nooit bedijkt geweest (figuur 3.25). Een lage strandwal beschermde dit gebied bij hoogwate r
52
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.25. De overgang van (overstroomde) kampontginningen naar ontginningen op onbedijkte Zuiderzeeafzettingen, markeert zich hier in de vorm van een steilrandje. De weg leidt naar boerderij Krakenburg. Het gebied is nog steeds nagenoeg boomloos. Vroeger was hier vrij uitzicht op het water van de Zuiderzee. Nu ligt in de verte de A28 en het opgaand groen van het recreatiegebied aan de oever van het Nuldernauw (foto Overland 269).
tegen directe golfslag, maar het hoogwater had toegang tot het gebied via de beekmondingen, waardoor er regelmatig sprake was van overstromingen. Bij die overstromingen is een laag zeeklei afgezet. Het is mogelijk dat dit gebied ooit intensiever bewoond is geweest. Zo vermoedt Van de Kraats (2015) dat in dit gebied het oude huis Vanenburg heeft gestaan. 32 Pas met de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 behoorden de overstromingen tot het verleden. In 1850 was dit gebied vooral in gebruik als hooiland. De kavels, van elkaar gescheiden door sloten, waren vrij grootschalig en meestal onregelmatig ingedeeld. Met uitzondering van boerderij Krakenburg, dat op een pol lag, was het gebied onbewoond. Opgaande begroeiing was er niet en het gebied was daarom zeer open. Er was direct uitzicht op de Zuiderzee. Op de overgang naar de hoger gelegen zandgronden (overstroomde kampontginningen en broeken) lagen wegen (zoals de ’t Oeverstraat en de Knardersteeg) stonden boerderijen. Vanaf de hogere gronden liepen enkele doodlopende wegen het gebied in. De structuur van het landschap (wegen- en slotenpatronen) is ten opzichte van 1850 in deze gebieden nog redelijk te herkennen. Het landgebruik is nog steeds overwegend grasland, maar tegenwoordig is ook akkerbouw mogelijk. Het landschap is nog steeds grotendeels onbebouwd, boomloos en uitgestrekt.
Boerderij Krakenburg heeft nog steeds de karakteristieke ligging van een hoger gelegen boerderijplaats met wat geboomte te midden van het lage open landschap. Door de aanleg van de A28, die tegenwoordig pal langs de oude Zuiderzeekust loopt, is sinds de jaren zestig van de 20e eeuw de relatie met de vroegere Zuiderzee verdwenen. In plaats van het uitge32
Ook in bijvoorbeeld Nunspeet werden in het Zuiderzeekustgebied huizen verlaten en gesloopt, waaronder omstreeks 1830 het voorname Huis Bijssel (Neefjes e.a., 2015).
53
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.26. Vochtige heide met vliegden ten zuiden van boerderij Groot Gerven. De zichtbare hoogteverschillen zijn het gevolg van recent plaggen (foto Overland 33).
Figuur 3.27. Vennen of flessen op de heide zijn ook bij het landschap van de niet ontgonnen vochtige heide gerekend (foto Overland 43, de Enteplas, ten zuiden van boerderij Groot Gerven).
54
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
strekte water ligt de snelweg en het plantsoen van het recreatiegebied daarachter nu aan de einder. Het landschap is nu vooral goed te ervaren vanaf de snelweg: een uitzicht over open landschap dat zich in de verte, waar de hogere zandgronden liggen, verdicht met meer geboomte en bebouwing.
18 Nieuwe Randmeerkust (zn5) Tot in de jaren zestig van de 20e eeuw werd de onbedijkte Zuiderzeekust tegen directe zee-invloed beschermd door een lage strandwal, die daar door golfslag was opgeworpen en waar mogelijk ook duintjes op lagen. Door de strandwal stroomden beken die uitwaterden op zee, en daardoor feitelijk als getijdekreken functioneerden. Bij hoogwater stroomde water landinwaarts en bij zeer hoge waterstanden kwam een groot deel van het achterliggende gebied onder water te staan. Dit getijdelandschap hield op te bestaan na de aanleg van de afsluitdijk in 1932. Het landschap van de strandwal is verdwenen door de aanleg van de A28 begin jaren zestig. Aan de IJsselmeerkant van de snelweg werd op aangeplempte grond een recreatiegebied ontwikkeld, met parkeerterreinen en ligweiden, strandjes en rietoevers. Hier en daar is het gebied ook als natuurgebied ingericht, zoals de recent aangelegde nieuwe delta van de Schuitenbeek.
3.1.6 Niet ontgonnen gebieden in de Gelderse Vallei 19 Niet ontgonnen vochtige heide, nog open Tot in de 19e eeuw bestond een groot deel van de Gelderse Vallei uit vochtige heide (figuur 3.26). Vanaf de Middeleeuwen was de heide ontstaan ten koste van het bos, doordat boeren het als begrazings-, strooiselwin- en plaggebied in gebruik namen. Hierdoor verarmden de bodems. Het bos kwam steeds moeilijker terug en in de aanvankelijk grazige velden maakten gras en kruiden steeds meer plaats voor heidestruiken. In de 19e eeuw waren de heidevelden vaak uitgestrekte landschappen met behalve heide, soms ook schrale graslanden. De natste plekken waren moerassig. Door boeren uit de omgeving, verenigd in de maalschappen, werd hier wel veen gestoken. Door het reliëf van zandruggen waren er ook droge plekken. Hier konden, net als op de hogere delen van de Veluwe, plaatselijk kleine zandverstuivingen optreden. Deze zijn niet afzonderlijk in kaart gebracht. Het heidelandschap werd afgewisseld met vennen of flessen. Het overgrote deel van de vochtige heide in dit deel van Nederland is omgezet in landbouwgrond (jong landbouwontginning, kaarteenheid 21) of bos (jonge bossen, kaarteenheid 22). Het is heel bijzonder dat in Putten nog een redelijk areaal heide bewaard is gebleven. Waarschijnlijk is dit vooral in gebieden het geval die deel uit maakten van landgoederen.
In de heidegebieden bestaat nog steeds een fraai landschap van open heide en met een min of meer natuurlijk reliëf van zandruggen en -laagtes. Nog steeds zijn enkele flessen te zien. Mogelijk zijn er ook resten van kleine, door mensen gegraven veenputten. 33 Op landgoederen speelden de heide en de flessen een rol bij de jacht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de gegraven greppels met naastliggende wallen bij de Enteplas (figuur 3.27), ten zuiden van boerderij Groot Gerven. Die dienden, zo maakt Bijvank (2014) aannemelijk, om ongemerkt waterwild te benaderen. Tegenwoordig heeft de heide de neiging om dicht te groeien met bosopslag (zie eenheid 20). Om dit tegen te gaan moet het oude agrarische beheer van plaggen (nu machinaal) en begrazen weer worden toegepast.
33
Bijvank (z.j.) beschrijft de veenafgraving en veenputten op de Appelsche Heide, maar deze liggen in de gemeente Nijkerk.
55
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.28. Heide met bosopslag ten zuiden van boerderij Groot Gerven. Meestal bestaat de bosopslag uit dennen, soms ook eiken, maar hier groeien vanwege de natte omstandigheden vooral elzen. De waterpoel die hier te zien is, is mogelijk ontstaan doordat hier veen is gewonnen (foto Overland 37).
Figuur 3.29. Greppels met flankerende wallen die waarschijnlijk ooit dienst deden voor de jacht, om ongemerkt waterwild op de Enteplas te benaderen. De wallen zijn te zien op de kaart van omstreeks 1930. Dit landschap is bebost geraakt (foto Overland 42).
56
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
20 Niet ontgonnen vochtige heide met (spontaan) bos In de loop van de 20e en 21e eeuw is een deel van de heide begroeid geraakt met bos, zonder dat sprake was van bebossing. De aard van het bos is afhankelijk van zaadbronnen in de omgeving. In veel spontane bossen staan vliegdennen, ontstaan doordat de wind dennenzaad uit naburige naaldbebossingen aanvoerde. Ooit stonden deze dennen als solitairen op de heide, maar inmiddels zijn ze vaak opgenomen in jongere bosopslag. Ook kunnen er eiken voorkomen, die zijn opgekomen uit door schapen kort gehouden kreupelhout of uit hakhout dat verspreid op de heide stond. 34 Het spontane bos bestaat uit verschillende boomsoorten van verschillende ouderdom (figuren 3.28 en 3.29).
3.1.7 Jonge ontginningen 21 Jonge vochtige landbouwontginning (hn1) Onder jonge landbouwontginningen worden alle landbouwgebieden gerekend die in 1850 nog uit heide of bestonden. De heide kon plaatselijk venig zijn. Daar werd soms door boeren veen gestoken voor eigen gebruik. De laagste delen waren zowel natter als vruchtbaarder. Op de laagste delen werden door kwel- en beekwater nutriënten aangevoerd. Hier lagen ongeperceleerde graslanden waar ook het rundvee graasde. Sommige lager gelegen heidevelden hadden, zoals het Hoeverveld, hadden zelfs een dun kleidekje, voor de bedijking afgezet bij zeer hoge Zuiderzeewaterstanden. Dankzij deze relatief vruchtbare omstandigheden was in de 19e eeuw al een flink deel van de ooit gemeenschappelijk gebruikte gronden in percelen verdeeld. Deze gebieden worden onder het landschap van de broekontginningen geschikt. De heidevelden die halverwege de 19e eeuw nog over waren over het algemeen armer dan de eerder ontgonnen broeken. 35 In 1850 lag ten zuidwesten van het dorp Putten nog een groot gebied met natte en vochtige heidevelden: het Halvinkhuizerveld en het Huinerbroek. Ook lag er in het zuidwesten van de gemeente nog een groot heidegebied dat zich uitstrekte tot in de gemeente Nijkerk: de Kruishaarse en de Appelsche Heide. Verder lagen er verspreid kleinere heidevelden tussen de kamp- en broekontginningen.
Dankzij de opheffing van het gemeenschappelijke bezit van de marken (in Putten maalschappen genoemd) en de verkoop van domeingronden aan de gemeente in 1843, kon de heide worden verdeeld, ontgonnen en productief gemaakt. De perceelsvorm en indeling van de jonge ontginningen hangt samen met de wijze van verdeling. Op grotere te ontginnen heidearealen werd het nieuwe landbouwgebied min of meer rationeel ingedeeld. De percelen waren strook- of blokvormig, de wegen over het algemeen recht. Op het Halvinkhuizerveld en het Huinerbroek bleven de oude wegen over de heide bestaan. De Nijkerkerstraat, de Hooiweg en de Oude Nijkerkerweg waren al eerder, waarschijnlijk in het begin van de 19e eeuw, aangelegd en vormden toen kaarsrechte lijnen over de heide. Nog steeds zijn dit rechte wegen, voor zover ze binnen het landschap van de jonge ontginningen liggen. De Hellerweg en de Knapzaksteeg waren enigszins bochtige heidepaden of -wegen. De Hellerweg heeft nog altijd dit karakter. De Knapzaksteeg is bij de ontginning van de heide rechtge34
Anders dan op het Veluwemassief was in de Gelderse Vallei geen kaart beschikbaar van door Maes en Rövekamp geïnventariseerde hakhoutrestanten en inheemse bomen. Het is daarom onbekend welke spontane bossen restanten van hakhout of kreupelhout hebben.
35
Humuspodzolen (vooral veldpodzolen) versus beek- en gooreerdgronden volgens de bodemkaart.
57
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
trokken. Tussen de heidewegen probeerde men de heide in blokken of stroken te verdelen met rechte perceelsgrenzen. Opvallend is dat de nieuw gevormde percelen soms over de wegen heen liepen, zoals bij de Hellerweg. Blijkbaar vond dat men dat met de toen nog stille wegen geen probleem. De opvallende structuur van vierkanten op de Kruishaarse en Appelse Heide danken we aan de drie deskundigen die door de Commissie tot Verdeeling van de Malenschap het Hellerveld waren aangewezen het heidegebied te verdelen. Het moesten gelijkwaardige stukken worden van nagenoeg zeven bunders, met wegen op een afstand van 400 ellen en 350 ellen. 36 Het Hoeverveld werd, waarschijnlijk vanwege de relatief natte en kleiige grond door sloten verdeeld in stroken, die ten noorden van de Arkemheense Weg nog steeds zijn te herkennen. Op kleinere heideveldjes was het moeilijker deze rechtlijnige structuren te creëren. De kleinere jongere ontginningen kunnen daardoor een onregelmatigere structuur hebben. Daar waar de heide werd bestemd voor de vestiging van keuters (dagloners, landarbeiders) ontstond een kleinschalig en soms ook onregelmatig ingedeeld landschap, met veel kleine percelen, en veel woningen en boerderijtjes. Dit was bijvoorbeeld het geval in het Veenhuizerveld, in het zuiden van de gemeente.
37 In een deel van het Halvinkhuizerveld lijken met opzet kromme lijnen aan het landschap zijn toegevoegd (figuren 3.30 en 3.31). Waarschijnlijk heeft dit te maken met het buiten Bijstein. Ten zuiden van de buitenplaats werd omstreeks 1900 bos via grillige lijnen afgewisseld met grasland. Blijkbaar wilde men hier een landgoed creëren. Later is dit gebied weer als landbouwgebied ingericht, maar de Beitelweg dankt haar kromme verloop mogelijk nog aan dit kortstondige landgoedverleden. De omzetting van heide naar landbouwgrond heeft, ook na de verdeling van maalschappen en domeingrond, nog vrij lang op zich laten wachten. Op de kaartjes van omstreeks 1870 is te zien dat er wel al heide nieuw was ingedeeld, maar dat er nog nauwelijks akkers waren aangemaakt. Een groot deel van de heide werd nog gebruikt als weideveld voor schapen. Boeren hadden toen nog altijd mest en plaggen nodig. Later zal ook de grote Landbouwcrisis (1878-1895) aan het uitblijven van ontginningen hebben bijgedragen. De steeds betere verkrijgbaarheid van nieuwe meststoffen waaronder kunstmest bracht de zaak in versnelling. Toch lag er tot halverwege de 20e eeuw nog veel heide binnen de nieuwe ontginningsstructuur. Aanvankelijk werden houtsingels, waarschijnlijk vooral met elzen, als perceelsscheiding gebruikt.
Al in de jaren vijftig waren veel van deze houtsingels alweer opgeruimd, waardoor de jonge ontginningen sindsdien vaak een vrij grootschalig karakter hebben. In de tweede helft van de 20e eeuw vond de groeiende plattelandsbevolking een nieuwe inkomstenbron in de opkomende bio-industrie. Vooral in de jonge ontginningen nam het aantal boerderijen en de oppervlakte van de agrarische bebouwing daardoor sterk toe. 38 Alleen jonge ontginningen op landgoederen bleven min of meer open. Tegenwoordig beeld Over het algemeen is de rechtlijnige ontginningsstructuur van de jonge ontginningen nog herkenbaar (figuren 3.32 en 3.33). Er komen nu zowel akkers als graslanden voor. Veel elzensingels zijn 36 37 38
Friso, 2005. Friso, 2005. Hierbij is aangenomen dat deze ontwikkeling ongeveer parallel loopt met die in gemeente Nunspeet (Neefjes, 2015).
58
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.30. Links: ontginningsactiviteit op het Halvinkhuizerveld (omstreeks 1900) en het Huinerbroek. Rechts de situatie nu.
Figuur 3.31. Idem voor de Kruishaarse en Appelse Heide (situatie 1860 en nu).
Figuur 3.32. Het landschap van de jonge ontginningen met de Houtweg (links) en de Matseweg (rechts). Rechte wegen, relatief veel bebouwing en vrij veel veestallen. Tot op zekere hoogte passen de grote stallen in het rechtlijnige en vrij grootschalige landschap (foto Overland 91).
59
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.33. In gebieden met landgoedkarakter, zoals hier op de Kruishaarse Heide, is er veel minder bebouwing en treedt de afwisseling met beplanting en omliggend bos op de voorgrond (foto Overland 50).
verdwenen, maar hier en daar markeren ze nog de perceelsranden of staan er bomenrijen of solitaire bomen als restant van de vroegere singels. Het landschap is over het algemeen grootschalig, door de lange doorgaande wegen, de relatief grote rechthoekige percelen en de soms verre doorzichten. Deze doorzichten zijn niet overal meer mogelijk doordat vrijwel alle jonge ontginningen tamelijk intensief bebouwd zijn geraakt. Delen van de jonge ontginningen zijn in veel extensiever gebruik gebleven. Waarschijnlijk is dat te danken aan het grootgrondbezit. Deze gebieden hebben meer bos, houtwallen en elzensingels en hebben een landgoedkarakter (zie toevoeging L). Dit geldt bijvoorbeeld voor de Kruishaarse Heide. De vierkantenstructuur is hier nog goed te zien. Bijzonder is dat sommige vierkanten hier nooit omgezet zijn in landbouwgrond (zie eenheid 23). De ontginningen waar zich veel keuters hebben gevestigd, zijn vaak nog steeds kleinschalig (zie toevoeging K). De wirwar van kaveltjes is nog steeds relatief dicht bebouwd, soms nog met kleine woninkjes. De kleine landbouwkaveltjes van vroeger worden nu gezien als ruime woonkavels, waardoor het aantrekkelijk wordt de huisjes om te zetten in riantere woningen.
22 Jonge vochtige en natte bossen Slechts een klein deel van de vochtige heide in de Gelderse Vallei is bebost (figuren 3.34 en 3.35). Het was meestal aantrekkelijker om de vochtige heide tot nieuw landbouwgebied om te vormen (zie kaartcode 21). In het Puttense deel betreft het bossen binnen gebieden met een landgoedkarakter. Het gaat hier niet om uitgestrekte nieuwe bossen, met rechthoekige padenstructuur, zoals op het Veluwemassief, maar om bosoppervlakten van 4 tot 10 hectare, die bijdragen aan de fraaie afwisseling tussen bos en open gebied in het landgoederenlandschap. De bosaanplant kon ook gepaard gaan met de aanleg van lanen en de bebossing van landbouwgrond (zie kaartcode 7).
60
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.34. Hoogtebeeld van het oppervlak van jonge bos bij Gerven, ten westen van Boerderij De Keut. Met wallen rond de Gervenseweg, een laagte met beekloop en ontwaterende greppels.
Figuur 3.35. Een van de wallen langs de Gervense Weg. Op de wallen staan loofbomen waaronder inlandse en Amerikaanse eik (foto Overland 22).
61
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.36. De heide op deze foto ligt vormt een rechthoekig blok tussen de ontginningswegen aan de noorden zuidkant, en landbouwpercelen en jonge bossen aan de west- en oostkant. Op de foto de Veldhoefweg (foto Overland 46).
De jonge bossen herbergen vaak bijzonder reliëf. Het oude oppervlak van de heide kan zijn blijven bestaan, met karresporen, zandruggen, en mogelijk ook grafheuvels. Ook kunnen heidevennen of -flessen en beeklopen zijn blijven bestaan. Soms zijn rabatten aangelegd. Langs bospercelen zijn vaak wallen aangelegd, waarschijnlijk om kort na de aanplant vee vanaf de omliggende heide of de wegen te weren. Sommige wallen kunnen ook te maken hebben met ouder cultuurland dat hier kan hebben gelegen. Delen van het deze jonge bossen zijn niet aangeplant, maar spontaan opgekomen. Die bossen (die alleen met uitgebreider veldwerk kunnen worden onderscheiden) lijken op het spontane bos van eenheid 20.
23 Vochtig heide/bos-relict in jonge ontginningen (hn4) Een deel van de heiderestanten ligt duidelijk ingekaderd in het wegen- en padenraster van de jonge ontginningen (figuur 3.36). Het zijn blokken heide, die wel in percelen of eigendomsblokken zijn verdeeld, maar waar nooit daadwerkelijk tot ontginning is overgegaan. Deze relicten komen landschappelijk overeen met de vochtige heide en het spontane bos van eenheden 19 en 20 maar de heidevelden hebben de vorm van meestal rechthoekige percelen. Vooral op de Appelse en Kruishaarse Heide benadrukken ze de rechthoekige ontginningsstructuur. Een deel van deze percelen is, vaak vanaf de rand, met bos bedekt geraakt (als in eenheid 20).
3.2 Historische landschappen Veluwemassief 3.2.1 Agrarische- en gebruikslandschappen Het hoge deel van de gemeente Putten dat we hier aanduiden als het Veluwemassief is historischlandschappelijk totaal anders van aard dan de Gelderse Vallei of het Zuiderzeekustgebied. Waar
62
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
de hoge delen van Putten al in de prehistorie goed begaanbaar en bewoonbaar waren, bleven de moerassen en natte bossen van het lage deel in deze periode grotendeels onbewoond. Waar de vroege bewoners op het droge Veluwemassief voor hun woonplekken bovendien op zoek moesten naar water, moest men in de Gelderse Vallei juist zoeken naar droge plekken. In de loop van de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd heeft zich tussen het hoge en lage deel van Putten een zeer sterke inverse of ommekeer in de bewoningsmogelijkheden voorgedaan. Stukje bij beetje slaagde men erin de van oorsprong nauwelijks bewoonde Gelderse Vallei te ontwateren en bewoonbaar te maken. Het agrarisch buitengebied van de gemeente Putten kent nu, zelfs voor Nederlandse begrippen, een hoge dichtheid aan woningen en boerderijen. Precies tegenovergesteld ging de ontwikkeling op de hoge delen van de gemeente. Op het Veluwemassief ontwikkelden de bewoningsmogelijkheden zich veel trager of namen ze zelfs af. Het gebied wordt nu gekenmerkt door bewoningseilanden tussen uitgestrekte bossen en heidevelden.
24 Droge kampontginningen (kd1) Droge kampontginningen zijn ook behandeld bij de landschappen in het agrarisch buitengebied (code 1). Op het Veluwemassief heeft dit landschap een specifiek karakter. Het betreft de al in 1850 in cultuur zijnde landbouwgronden bij Koudhoorn en Spriel en Krachtighuizen. Dit waren kleine cultuureilanden te midden van heidevelden en (nu voornamelijk) bossen. De hoge delen van de stuwwallen waren al bewoond vanaf de prehistorie en hoorden tot in de Vroege Middeleeuwen tot de favoriete vestigingsplaatsen. 39 Op de stuwwallen kwamen relatief rijke zanden (moderpodzolen) voor, ontstaan in door ijs opgestuwde rivierafzettingen. De kampontginningen ontstonden hier vanaf de Vroege Middeleeuwen, toen boerderijen en akkers een vaste ligging kregen. Er ontstonden kampen: boerderijen of kleine nederzettingen met akkers, bosjes en weiden, die als eilanden te midden van woeste gronden lagen. De beschikbaarheid van water (drinkwater, water voor vee) was bepalend voor de plek waar deze kampontginningen konden ontstaan. Het echte grondwater lag vaak zeer diep. De nederzettingen waren afhankelijk van stagnerend water op ondergrondse klei- en leemlagen of ijzerpannen. In Kootwijk zijn door archeologisch onderzoek nederzettingen aangetoond die op dergelijke gronden voorkwamen, maar later zijn ondergestoven onder stuifzand.
De kampontginningen op de stuwwal bleven binnen de gemeente Putten beperkt van grootte. Omstreeks 1800 lagen er op de heide ten zuidoosten van het dorp Putten enkele kleine kampen met hooguit een of enkele boerderijen (zie kaartje): Kleine ontginningen ten zuiden van het Sprielderbos omsteeks 1800: Kragtig huijsen, Spriel, De Peppele boomen en Kouthoorn. 40 De omvang van deze kampen doet vermoeden dat ze toen vrij recent waren ontgonnen. Een deel van deze boerderijen wordt echter ook genoemd als herengoederen, boerderijen die horig waren aan de Gelderse Rekenkamer. Een deel van hen zal teruggaan op boerderijen die tot 1543 horig waren aan de hertog van Gelre. In dat geval is het aannemelijk dat ze een ouderdom hebben van omstreeks 1200 of ouder. 41 39 40 41
Zie onder andere Heidinga, 1984; Neefjes, 2006; Neefjes & Spek, 2014. Spelling volgens de kaart van De Man (omstreeks 1812). Na 1200 werden niet of nauwelijks nog nieuwe horige goederen meer gesticht. Vermelding herengoederen: De Jonge, 1992.
63
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.37. Overgebleven akkers bij Spriel, omgeven door bos, met landgoedkarakter (toevoeging L) (foto Overland 142).
In de loop van de 19e eeuw werden de landbouwgronden sterk uitgebreid, zo is op de kaart van 1870 te zien. Alle gronden die op de kaart van 1850 in agrarisch gebruik waren worden beschouwd als kampontginningen (gronden die later zijn ontgonnen horen bij de jonge droge landbouwontginningen zie kaartcode 26). Voor de kampontginningen op het Veluwemassief geldt dat ze, anders dan bij de droge kampontginningen in de Gelderse Vallei nog steeds vaak een eilandkarakter hebben. Ze worden niet omgeven door later ontgonnen landbouwgrond, maar bos (vroegere heide, nu bebost). De oude kampontginningen hebben niet meer het karakter van grote akkers horend bij agrarische buurschappen. Bij Spriel is een groot deel van de vroegere akkers bebost (zie kaarteenheid 25 en 30). De resterende kampontginningen bestaan uit enkele percelen, omgeven door bos of lanen. Ze zijn aangemerkt als gebieden met ‘landgoedkarakter’ (toevoeging L) (figuur 3.37). Kampontginningen met keutervestiging (toevoeging K) Bij Koudhoorn en Krachtighuizen nam, gepaard gaande met uitbreiding van het landbouw areaal, het aantal boerderijen en woningen sterk toe (figuur 3.38). Dit is te zien op kaarten van na 1850
Figuur 3.38. Bij Koudhoorn zijn de droge kampontginningen versnipperd geraakt met huizen en opgaande beplanting. Dit landschap wordt gedeeltelijk gekarakteriseerd door keutervestiging (toevoeging K) (foto Overland 156).
64
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.39. Landschapsdynamiek rond Spriel, Koudhoorn en Krachtighuizen in de 19e en begin 20e eeuw. Op de kaart is te zien dat in rond Spriel het akkerareaal toeneemt om vervolgens omgezet te worden in bos (nu gekarakteriseerd als buitenplaats, jong bos of beboste kampontginning). Bij Koudhoorn en Krachtighuizen is het proces van keutervestiging al in 1870 en ook in 1930 goed te zien.
65
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.40. De akkers bij boerderij Peppelboom zijn voor een groot deel bebost of beplant met lanen en fraaie boomgroepen. In de bossen zijn de oude omtrekken van de kampontginning nog te vinden in de vorm van wallen. De boerderij is nu een schilderachtige plek in een gebied met landgoedkarakter (foto Overland 140).
(figuur 3.39). Waarschijnlijk waren dit dagloners of kleine boeren die hier een zelfstandig bestaan op probeerden te bouwen. Ook in de loop van de 20e eeuw nam de bebouwingsintensiteit verder toe, vaak ook weer met kleine boerderijtjes of kleine huizen. Het gebied is nu verdeeld in vooral kleine percelen met veel bebouwing. Soms zijn hierin nog de kleine huisjes en boerderijtjes van de vroegere keuters te herkennen. De oude kampontginningen zijn versnipperd doordat er meer zichtbare perceelscheidingen en groenstructuren zijn aangelegd.
25 Beboste droge kampontginningen (kd4) Beboste voormalige landbouwgrond komt vooral voor op de droge gronden op en langs het Veluwemassief (figuur 3.40). Hier waren de opbrengsten van landbouwproducten lager en minder zeker dan op de vochtigere gronden in de Gelderse Vallei. In de 19e eeuw werd vooral eikenhakhout aangeplant, in eerste instantie vooral het gevolg van hoge prijzen voor hakhout en eek rond 1840. 42 Na 1850 waren waarschijnlijk ook de lage prijzen voor landbouwproducten een aanleiding voor de aanleg van eikenhakhout. Vooral rond Spriel werd, ongeveer tegelijkertijd met de bouw van het huis Groot Spriel in 1882, een groot areaal bebost. Dit waren deels bossen in de oude kampontginning van Spriel, en deels ook gronden die tussen 1800 en 1850 op de heide waren ontgonnen. Ook in de 20e eeuw werd nog landbouwgrond in bos omgezet. Grootgrondbezitters bebosten in het kader van landgoedontwikkeling een deel van hun landbouwpercelen voor de jacht of voor een aantrekkelijk landschap. In die tijd werd vaak met naaldhout bebost.
42
Van Oosten Slingeland, 1958.
66
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.41. Het beeld van droge landbouwontginningen op de Veluwe, hier ten zuiden van Koudhoorn: onbebouwde akkers afstekend tegen omliggend bos. Hier was de heide in eerste instantie bebost, om halverwege de 20e eeuw tot bouwland te worden omgevormd. Dichter bij de bebouwde dom van Koudhoorn is dit landschap meer bebouwd geraakt (foto Overland 1574, van omstreeks 2006).
Veel van het hakhout is in de loop van de 20e eeuw, toen er geen markt meer was voor eek, omgezet in opgaand eikenbos. Het eikenhout kan ook vervangen zijn door zogenaamde veeleisende boomsoorten als beuk of douglas, die goed gedijen op de voormalige landbouwgronden. In het bos zijn de resten van het oude cultuurland vaak nog te herkennen. Oude omwallingen, lanen, bomen, wegen, boerderijplaatsen, resten van schaapskooien, en geriefbosjes kunnen voorkomen. Het beboste cultuurland kan bijzondere boomvormen hebben die uit het vroegere hakhout voortkomen.
26 Jonge droge landbouwontginning (hd1) Van de droge heidevelden op het Veluwemassief is (in tegenstelling tot de vochtige heide in de Gelderse Vallei) slechts een klein deel in landbouwgebied omgezet (figuur 3.41). Het overgrote deel van de droge heide werd bos. Dankzij de kunstmest was het mogelijk deze arme en zure gronden te verrijken, maar door de droge omstandigheden waren ze niet erg aantrekkelijk voor landbouw. Het grootste areaal jonge ontginningen ligt rond Koudhoorn, waar de kampontginningen in de loop van de 19e en 20e eeuw zijn uitgebreid. Ook grenzend aan Krachtighuizen liggen jonge ontginningen. Daarnaast liggen enkele kleine akkers verspreid tussen de jonge bossen. Jonge droge heideontginningen zijn vaak nog steeds in gebruik als akker. Een deel van deze akkers steekt nog fraai af tegen het omliggende bos. In een deel van de heideontginningen bij Koudhoorn en Huinen is de bebouwing sterk toegenomen.
67
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
3.2.2 Bossen en buitenplaatsen op het Veluwemassief Het overgrote deel van het Veluwemassief bestaat uit bos. Deze bossen kennen een enorme variatie, zowel wat betreft ontstaanswijze als wat betreft het tegenwoordige landschapsbeeld. Bij de inventarisatie ontstond enerzijds de wens om recht te doen aan deze variatie en vele typen bos van elkaar te onderscheiden. Van de andere kant stuitte dat ook op praktische problemen. De overgang van het ene type naar het andere is gradueel. Sommige bossen kunnen wat betreft ontstaanswijze in het ene bostype vallen, maar wat betreft huidig aanzien in het andere. Grenzen trekken is daarom moeilijk, ook al vanwege de beperkte tijd om het grote areaal bos in het veld te controleren. Bij de onderstaande indeling in historische bostypen past dus de kanttekening dat bossen in de praktijk meer op elkaar kunnen lijken dan het onderscheid suggereert. Bij detailinventarisaties kan de omgrenzing en de beschrijving nauwkeuriger geschieden. In deze rapportage worden de bossen ingedeeld op historisch-geografische kenmerken: naar hun ouderdom, hun wijze van ontstaan en hun topografische structuur (omtrek, ligging in het landschap, wegen, bebouwing). Tot op zekere hoogte wordt ook rekening gehouden met de zichtbaarheid van het historische beheer.
Bossen die volgens de inventarisatie van Rövekamp en Maes (2002) oude inheemse bomen of struiken bevatten worden apart aangeduid en krijgen meestal een hogere waardering (zie toevoeging H). In het onderstaande zal blijken dat oude bomen en hakhoutvormen zich zowel in oude als jonge bossen en zelfs op spontaan dichtgegroeide heide kunnen voordoen. De gemeente Putten herbergt twee zogenaamde malebossen, bossen die al in de Middeleeuwen in beheer waren bij zogenaamde maalschappen: het Putterbos en het Sprielderbos. Terwijl het overgrote deel van de Veluwse oerbossen vanaf de Middeleeuwen degradeerde tot heide, bleven deze malebossen dankzij het beheer van de maalschappen, tot de dag van vandaag bestaan. Voorgeschiedenis van de malebossen De oude Veluwse malebossen liggen op stuwwallen, op relatief rijke zanden die ooit door de voorlopers van Rijn en Maas zijn afgezet en later door ijs zijn opgestuwd. Deze gebieden zijn, zo nemen we aan, in de prehistorie (vanaf het Laat Neolithicum) en de Vroege Middeleeuwen bewoond geweest. 43 Grafheuvels, Celtic fields en mogelijk ook leemkuilen zijn de zichtbare resten van deze vroegere bewoning. Vanaf de Vroege Middeleeuwen vond een verschuiving plaats van de oude woongebieden naar de lage randen van het Veluwemassief en de Gelderse Vallei.
De bewoning op de stuwwallen groeide niet of nauwelijks meer, en werd geconcentreerd in kleine nederzettingen zoals Spriel. Sindsdien werd een groot deel van de voormalig bewoonde rijkere stuwwalgronden bestemd als bos. Tegelijkertijd verdween het bos op de armere gronden. In de Middeleeuwen werd in de meeste bossen gekapt en beweid met onder andere varkens. Dit leidde ertoe dat de eikels werden opgevreten, waardoor de verjonging stagneerde. Ook werd in bossen geplagd. Door uitputting van de bodem werd hergroei moeilijker en ontstonden heidevelden.
43
Meer over deze voorgeschiedenis van de bossen in: Neefjes, 2006; Neefjes & Spek, 2014.
68
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Op de stuwwal, met de wat rijkere zandgronden, was de hergroei beter en konden bossen overleven. De maalschappen worden als bosbeherende instanties in archieven genoemd vanaf de 13e eeuw, maar waarschijnlijk komen ze voort uit een veel oudere rechten en afspraken van de boerengebruikers in de nabijgelegen buurschappen. De gezamenlijke boeren waren eigenaar of rechthebbende op het bos. De productierechten werden verhandelbaar, waardoor later ook andere partijen zoals kloosters, adel of kooplieden uit de stad zich in konden kopen. Alleen een krachtig opererend bestuur, dat belang had bij een goede houtproductie, slaagde erin het bos te behouden. Dat was in het Sprielder en Putterbos het geval. Op de kaart van De Man, gekarteerd omstreeks 1812, zijn nog duidelijk de grote bosoppervlakten te zien. Toch waren deze bossen waarschijnlijk niet in goede staat. In 1859 stonden het Sprielder- en Putterbos op de nominatie om vanwege hun slechte toestand verkocht te worden. Bij stemming bleek daar onder de gerechtigden echter net geen meerderheid voor te bestaan. 44 Historisch beeld De oude bossen hadden in 1850 het aanzien van opgaand oud bos, hakhout, gedegradeerd bos of nieuw aangelegd productiebos. Delen van de malebossen waren veranderd in heide (bossen die na 1850 op heide zijn aangelegd, zijn onder de jonge bossen geschaard).
Het opgaand oud bos bestond voornamelijk uit eiken en beuken. Het hakhoutareaal bestond vooral uit eiken, maar er werden ook andere bomen gehakt. Tegenwoordig beeld: Landschappelijke kenmerken van de oude bossen Het contrast met de omgeving is vaak minder aanwezig dan vroeger. Immers, de heide die het oude bos omgaf, bestaat nu ook uit bos. De oude bossen hebben een aantal historische landschapskenmerken die soms in meerdere, soms in mindere mate kunnen optreden. In de bodem van de oude bossen kunnen archeologische resten schuil gaan uit de late prehistorie of de Vroege Middeleeuwen. De wat rijkere zandgrond maakte toen bewoning mogelijk. Doordat in bossen weinig wordt gebouwd of gegraven, is de bodem nog nauwelijks archeologisch onderzocht. In de malebossen bestaan daarnaast historische elementen als grenswallen, traa’s, of oude (grens)bomen. Leemkuilen zoals het Solsche Gat zijn als groeve soms geëxploiteerd tot in de 20e eeuw, maar een veel oudere oorsprong is niet uitgesloten. 45 De bossen herbergen oude, vaak bochtige paden, die soms het karakter van een holle weg kunnen aannemen. Opvallend in het Sprielderbos is een aantal rechte wegen: de Nieuwe Prinsenweg, de Oude Prinsenweg en de Peppelseweg.
Deze lopen door in het Speulderbos en hebben hun oorsprong als jachtweg voor de jachtgezelschappen van koning-stadhouder Willem III die tussen 1681 en 1702 vanuit Het Loo over de hele Veluwe jaagde. 46 Een deel van de genoemde relicten staat niet op kaartbijlage 1. Ze zullen pas door uitgebreid veldonderzoek voor de dag komen. 44 45
Hacke-Oudemans, 1969, p. 140. Al in de 17e eeuw moet de kuil een grote omvang hebben gehad, gezien de beschrijving van holtrichter Wolffsen van het Speulderbosch: “De playsierige en aengename kuyle gênant het Soll, hebbende een seer helderen echo” (Sloet, 1899).
46
Hacke-Oudemans, 1969, p. 139; Bleumink & Neefjes, 2010.
69
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.42. Boombos met kromme beuken en grafheuvel dicht bij het Solsche Gat (foto Overland 171).
We verdelen de oude droge bossen in bossen waar aan de bomen nog het oude bosbeheer kan worden afgelezen en in bossen die alleen beschikken over de bovengenoemde historische kenmerken.
27 Oude droge bossen, zichtbare kenmerken oud beheer (kd2a1) In het Putter- en het Sprielderbos zijn grote stukken bos waar het vroegere bosgebruik- en beheer nog afleesbaar is doordat er restanten zichtbaar zijn van het vroegere boombos of hakhoutbos. Om deze bossen op het spoor te komen is gebruik gemaakt van de inventarisatie naar inheemse bomen en struiken van Rövekamp en Maes (2002). Deze is gecontroleerd met luchtfoto’s, met informatie van de opstandsleggers van Staatsbosbeheer en (beperkt) veldonderzoek. 47 Met het voorbehoud dat uitgebreider veldwerk nauwkeuriger en betrouwbaardere kaarten zal opleveren, zijn op basis hiervan de volgende varianten van het landschap van de oude bossen onderscheiden. Resten boombos met beuk (toevoeging Y) Boombos was in de 19e eeuw de aanduiding voor opgaand bos, waarmee het werd onderscheiden van het in Nederland veel vaker voorkomende hakhout (figuur 3.42). Ooit bestonden malebossen vooral uit opgaande eiken. De maalschappen beschermden dit bos door agrarisch medegebruik (begrazen, plaggen) te reguleren. Bomen werden selectief geoogst, er vond geen leegkap plaats.
47
Studie van de opstandsleggers volgens Roos & Neefjes, 2006.
70
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Nadat een boom was verwijderd herstelde het bos zich door natuurlijke verjonging. Er werd vermoedelijk beperkt geplant of gezaaid. Eik genoot de voorkeur van de maalschappen. De eik werd bevoordeeld door opslag van beuken te verwijderen. Het nog bestaande boombos van het Sprielder- en Putterbos is nadat de maalschappen in de 19e eeuw ophielden te bestaan niet meer verwijderd of opnieuw geplant. 48 Het boombos veranderde sinds die tijd wel van aard. Beuken gingen overheersen. Beuken geven veel schaduw, waardoor eiken afsterven en er niet in slagen zich te verjongen. In het tegenwoordige boombos zijn nog maar heel plaatselijk eiken te zien. Het meest opvallende kenmerk van het oude boombos zijn de vaak uitgesproken kromme boomvormen. 49 Vanwege deze beweeglijk ogende vormen spreekt men ook wel van het ‘bos van de dansende bomen’. Er zijn verschillende hypothesen over het ontstaan van de kromme bomen. Het lichte bos, ontstaan door uitkap en agrarisch medegebruik, is waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak. Bomen bij een open plek hadden de neiging naar licht te groeien, en werden krom. 50 Een ander veel genoemde reden, is dat er sprake was van negatieve selectie. De maalschap oogstte de rechte bomen en de overblijvende exemplaren hadden genetische aanleg om krom te groeien. Ook een mogelijk hakhoutverleden wordt als oorzaak genoemd.
51 De opgaande beuken zijn in deze zienswijze uitgegroeid uit vroeger hakhout. Soms zou dat aan de verbrede stamvoet van de bomen nog te zien zijn. Kenmerkend voor het boombos zijn ook de metershoge moskragen rond de stammen. Als oorzaken worden genoemd: de permanent hoge luchtvochtigheid, de ouderdom van het bos, waardoor relictpopulaties mossen konden overleven, het extensieve bosbeheer, dat zorgt voor stabiliteit van de milieuomstandigheden, en de aanwezigheid van veel dood hout, kromme stammen en bastwonden. 52 Ten slotte is de aanwezigheid van instortende beuken kenmerkend. Als de beuken niet worden gekapt, kunnen ze enkele honderden jaren oud worden, maar uiteindelijk sterven ze af. De dode stammen blijven vaak nog even staan, vaak bedekt met tonderzwammen, en vallen uiteindelijk om. Resten voormalig eikenhakhout of eikenstrubben (toevoeging E) Een deel van het bos bestond ook uit hakhout, zo blijkt uit voorschriften in de maleboeken van het Speulderbos van 1620: die geen maelman is sal niet mogen schalen (alleen maalmannen mogen schillen ofwel bast van eikenhout oogsten). 53 In de 19e eeuw werd het hakhoutareaal flink vergroot, onder andere vanwege de hoge prijzen voor looizuur dat uit de schors van eikenhakhout werd gewonnen. Aanzienlijke grondbewerking, soms tot meer dan 1 meter diep, hoorde bij de voorbereiding.
Van Oosten Slingeland en De Rijk wijzen op de zeer grote arbeidsinput die het diepspitten vergde. 54 Mogelijk is dat een reden dat nog veel van het opgaande boombos bleef bestaan. 48
Gegevens over beheer o.a. in: Buis, 1985; Hacke Oudemans, 1969; Kwadijk, 1985; Oosten Slingeland, 1958; De Rijk, 1985; Schoenmaker, 1949; Horst, 2011.
49 50
Overigens zijn de kromste bomen vaak verwijderd, in het kader van het moderne bosbeheer dat in de 20e eeuw opgang deed. J. den Ouden (Alterra) stelt bovendien dat het bos vroeger voor een veel groter deel uit eiken bestond. Eikenbos is veel lichter, waardoor de beuken sowieso een grote neiging vertoonden zijwaarts te groeien (Mededeling J. den Ouden).
51 52 53 54
Jansen & Van Benthem, 2005. Jansen & Van Benthem, 2005. Hacke-Oudemans, 1969, p. 135 (naar Sloet, Geldersche Markerechten). Van Oosten Slingeland, 1958; De Rijk, 1985.
71
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.43. Deze grillige eikenstammetjes zijn de restanten van vroegere hakhoutcultuur. Foto van het Putterbos, dicht bij de Laak (foto Overland 233).
De rotatieduur van hakhoutbos was gemiddeld tien tot twaalf jaar, maar dat kon variëren afhankelijk van het gebruiksdoel en de grondsoort. Het hakhoutareaal was in de 19e eeuw in uitbreiding vanwege de hoge eekprijzen. De meeste hakhoutbossen zijn voor het laatst gehakt tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de prijs van eek nog een keer omhoogschoot. De meeste hakhoutbossen werden daarna omgezet in zogenaamd ‘spaartelgenbos’. Op één na alle scheuten (telgen) werden van de stobben verwijderd. De overgebleven telg (de ‘spaartelg’) groeide uit tot een opgaande eik. Aan de verbrede stamvoet van de eiken en soms ook aan de grillig gevormde stammen is het hakhoutverleden nog af te lezen (figuur 3.43). Soms staan er verspreid in een jonger bos met naaldhout of beuk alleen nog enkele eiken of zijn de eiken afgestorven en liggen de oude stammetjes en stoofjes nog op de bosbodem. De eikenboompjes zijn meestal zomereiken maar soms ook wintereiken (zie verder ook de paragraaf over toevoegingen).
28 Oude droge bossen, vernieuwd (kd2a2) Vanaf de 19e eeuw werd een deel van het boombos en hakhout vervangen door nieuw aangelegd bos en werden ook exoten geïntroduceerd (figuur 3.44). Ook op de tot heide gedegradeerde bossen werd bos aangeplant. Op de armere gronden verschenen vaak dennen en op de wat betere gronden zogenaamde ‘veeleisende’ boomsoorten, zoals douglas. Er kan ook opnieuw beuk of eik zijn aangeplant. Vooral in het Sprielderbos werd in 1880 veel loofhout gekapt, waarna grove dennen werden aangeplant. 55 Deze vernieuwde bossen missen herkenbare restanten van het vroegere beheer, maar hebben daarnaast wel vaak landschappelijke kenmerken van de oude bossen.
55
Hacke Oudeman, 1969, p. 140-141.
72
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.44. Vernieuwde droge bossen kunnen historische kenmerken hebben, zoals grafheuvels, wegenstructuren of leemkuilen. Op de foto het Solsche Gat in het oud Sprielderbos (foto Overland 174).
29 Oude droge bossen buiten de malebossen (kd2a3) Onder deze eenheid vallen de bossen die al in 1850 op de heidevelden ten zuiden van het Sprielderbos bestonden. Hieronder vielen twee oude bossen, Leuksche Bosch (nu kern van het Driecontinentenbos op landgoed Schovenhorst) en Bolleheg, ten noordwesten van Groot Spriel. Deze bossen lagen buiten het aaneengesloten Sprielderbos, maar hoorden wel tot het bezit van de maalschap. 56 Bijzonder aan deze twee bosjes is dat ze deels nog door wallen worden omgeven. Verder worden onder deze eenheid enkele oudere hakhoutbosjes gerekend die al in de 18e eeuw bestonden. Ten slotte vallen ook de eerste bebossingen van de heide, die tussen 1800 en 1850 hadden plaatsgevonden, onder deze eenheid. Deze vroege bosaanleg was mogelijk dankzij verkoop van domeingronden in 1843 aan de gemeente. Zo kochten enkele investeerders, verenigd in de maatschap van Groevenbeek, heidegrond ten noorden van de Garderense weg aan die al door de gemeente was gespit in het kader van werkverschaffing. Ze lieten het beplanten met dennen. Deze percelen werden later aangekocht door Mr. J.H. Schober, stichter van het landgoed Schovenhorst. Een deel van deze bossen heeft zichtbare resten van vroeger bosbeheer, in de vorm van restanten van eikenhakhout (toevoeging E).
56
Zie Hacke Oudeman, 1969, p. 268 en 224.
73
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.45. Spriel op de kaart van 1931.
30 Buitenplaatsen (kd3/hd3) Buitenplaatsen bestonden uit een voornaam huis, een parkachtige tuin en waterpartijen en vaak ook wandelbossen. De meeste buitenplaatsen liggen in het lage deel van de gemeente. Hier was water voorhanden voor de grachten rond het huis en de vijvers. In Putten is echter ook het huis en de omgeving van Groot Spriel tot de historische buitenplaatsen gerekend. Tot 1882 was Groot Spriel al een voorname plek, zo is te zien op kaarten van 1800, 1850 en 1870. Het huis (of de voorname boerderij 57) werd omgeven door een vierkant van lanen en had een oprijlaan naar de Garderense weg. Het gebouw lag centraal in een oude kampontginning met landbouwgronden. Dat op deze hoogte bewoning mogelijk was is waarschijnlijk te danken aan waterstagnerende leem in de ondergrond, waardoor water voor mens en vee voor handen was. In 1882 liet de uit Indië teruggekeerde planter Wouterus Blokhuis in 1882 het huis ‘Groot Spriel’ bouwen (figuren 3.45 en 3.46). De voormalige landbouwgronden werden bebost en het huis werd het middelpunt van een ster waar veertien lanen bijeenkwamen. 58 Blijkbaar lukte het om op de droge grond (27 meter boven NAP) een vijver aan te leggen, mogelijk dankzij leem in de ondergrond. Tegenwoordig is een aantal lanen vervaagd in het boslandschap. Een aantal andere is echter nog goed zichtbaar. Ook het huis bestaat nog.
Ook het gebied rond Klein Spriel wordt tot de buitenplaatsen gerekend. Een groot deel van landgoed Schovenhorst, voor zover ingericht als park, met pinetum, arboretum, wandelpaden en weide, wordt tot de buitenplaatsen gerekend. In 1888 kocht Mr. J.H Schober dit 57
Volgens Mijngelderland.nl stond op de plek van het in 1882 gebouwde huid Groot Spriel al eeuwen de boerderij Veldwijck. Op oudere kaarten wordt de plek echter al Groot Spriel genoemd.
58
Volgens de topkaart van omstreeks 1900. Naar ontwerp van landschapsarchitect P.H. Wattez (bron: Wikipedia).
74
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.46. Een nog gave laan en het huis Groot Spriel (foto Overland 152).
gebied dat nog grotendeels uit heide bestond, met als doel die te bebossen. Hij was op zoek naar alternatieven voor eik, beuk of den. Hij experimenteerde met allerlei naaldhoutsoorten en werd een promotor van douglas vanwege de goede eigenschappen deze boom en het hout. Zo kwam het pinetum tot stand, dat later werd vergroot en uitgebreid. Een deel van het Driecontinentenbos is onderdeel van het park, maar wordt vanwege de gave omwalling van het vroegere Leukschebosch onder de oude bossen gerekend (zie kaartcode 29).
31 Jonge droge bossen (hd2a) De bebossing van de uitgestrekte droge heidegebieden in de gemeente Putten werd mogelijk doordat, dankzij de komst van kunstmest en andere meststoffen, de heide als beweidingsgebied voor schapen overbodig werd. De vochtige heide in de Gelderse Vallei werd vooral omgezet in landbouwgrond. Het overgrote deel van de droge heide op het Veluwemassief werd bos. Deze eenheid komt zowel voor in het zuidoosten van de gemeente, in de vroeger uitgestrekte heidegebieden die werden aangeduid als Het Veld, het Huinerveld en de Kolthorensche Heide. Maar ook binnen de territoria van de oude maalschappen (die gebieden waar het bos was gedegradeerd tot heide) komt deze eenheid voor. Het betreft die gebieden die in 1850 uit heide bestonden. De inrichting van de bossen was afhankelijk van het doel. Meestal stond houtproductie voorop. Dan werd het bos door paden verdeeld in meestal vierkante of rechthoekige blokken. De heide werd voor het overgrote deel met naaldhout geplant. Grove den was het best bestand tegen de droge, arme en zure heidegrond. Bovendien bestond er vanuit de mijnbouw vraag naar dennenhou t. De
75
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
dennen werden zowel gezaaid als opgekweekt en geplant. Vanwege het brandgevaar in het dennenbos bestond de rand van een bosperceel, langs de bospaden, vaak uit een strook berken. De minder brandbare berken remden de uitbreiding van de brand. Vaak waren het grootgrondbezitters die de nieuwe bossen aanlegden. Naast houtproductie wilden die ook een landschappelijk aantrekkelijk gebied. De bebosser had een huis/boerderij. Enkele landbouwpercelen rond het huis zorgden voor een fraaie afwisseling tussen bos en open gebied. Tegelijkertijd met het bos werden daarom ook vaak enkele beuken of eikenlanen aangelegd, soms langs meer bochtige paden. Daar waar deze kenmerken nog steeds op de voorgrond treden, zoals bij Bato’s Erf, kunnen de jonge bossen als een gebied met ‘landgoedkarakter’ worden aangeduid (toevoeging L). Tegenwoordig landschapsbeeld De meeste jonge bossen zijn wat betreft hun wegenstructuur na hun aanleg niet veel veranderd. Soms zijn de oorspronkelijke padenpatronen vervaagd. De opstanden zijn vaak al weer aan een tweede of derde generatie toe. De lanen hebben soms hun volle wasdom bereikt en hebben nu een monumentaal karakter. In sommige jonge bossen zijn in de tweede helft van de 20e eeuw villaparken en campings aangelegd. De jonge naaldhoutbossen worden landschappelijk en ecologisch tegenwoordig meestal laag gewaardeerd.
Ze staan bekend als weinig afwisselende ‘dennenakkers’. In hun grootschaligheid en monotonie herinneren ze echter nog aan de zeer uitgestrekte en als monotoon ervaren heide van vroeger. Grote terreinbeheerders en particuliere terreineigenaren vormen de naaldbossen nu vaak om tot loof- of gemengd bos. Een breder scala aan boomsoorten is nu mogelijk doordat, onder andere door een dikke strooisellaag, de bodemvruchtbaarheid hoger is dan vroeger op de heide. In de jonge bossen op voormalige droge heide zijn soms nog restanten van de vroegere heide te herkennen. Op open plekken kan nog heidevegetatie aanwezig zijn. Landschapselementen van de heide zoals karrensporen, grafheuvels en Celtic fields, kunnen in jonge bossen zijn te ontwaren. Waar bij het planten of herplanten van het bos de grond diep is bewerkt en geëgaliseerd, zijn deze sporen meestal vernietigd. Dat hoeft echter niet per definitie zo te zijn, omdat veel naaldbos is gezaaid. In of langs jonge bossen kunnen landschapselementen liggen die te maken hebben met de aanleg van het bos: aarden wallen die schapen en wild vanuit de overgebleven heide moesten tegenhouden of resten van dennenkampjes om zelf zaad te kweken. Soms zijn ook berkenstroken te ontwaren. Het is mogelijk dat jonge bossen oude bomen herbergen. Dat kunnen oude solitaire bomen zijn die ooit op de heide stonden.
De bomen onderscheiden zich van de andere bomen doordat ze veel breder en vaak ook kronkeliger zijn uitgegroeid. Bij de aanleg van het nieuwe bos kan hakhout op de heide zijn gespaard. Die hakhoutvormen kunnen nog in het jonge bos zijn terug te vinden (toevoeging E) (figuren 3.47 en 3.48).
76
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.47. Jong bos ten oosten van Veenhuizerveld, rechte wegen en veel naaldhout (foto Overland 111).
Figuur 3.48. Jong bossen kunnen fraaie lanen herbergen, zoals hier, iets ten noorden van Bato’s Erf (foto Overland 127).
77
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
3.2.3 Niet ontgonnen gebieden op het Veluwemassief In de 19e eeuw bestond het hoge deel van de gemeente Putten grotendeels uit zogenaamde ‘woeste gronden’: heide. De term ‘woeste gronden’ voor heidegebieden is onterecht, gezien vanuit de gebruikers van de heide, de boeren. Tot ongeveer 1850 was de heide een onmisbaar element in het landbouwsysteem van de kampontginningen. Er boeren weidden er hun veel en staken er plaggen die als strooisel in de stal werden gebruikt. Het vee dat er graasde (voornamelijk schapen) leverde, behalve vlees en wol, mest voor de akkers. De komst van nieuwe meststoffen zoals guano en kunstmest was een keerpunt in de geschiedenis van de heide en de stuifzanden. De heide werd overbodig voor de landbouw. Aan het intensieve plaggen en begrazen kwam een eind. Vrijwel alle heide in de gemeente is omgezet naar ofwel landbouwgrond ofwel bos. Een klein deel bestaat nog. Van de enorme oppervlaktes aan droge heide die de gemeente in 1850 nog telde, is een relatief klein deel nooit ontgonnen tot landbouwgebied of bos. Het grootste droge heiderestant (met de naam Groote Ark) ligt op het voormalige Huinerveld langs de Arnhemse Karweg en de Kolthoornse Weg.
32 Niet ontgonnen droge heide, nog open (nd1a) Historisch beeld In 1850 waren de hooggelegen zandgronden ten zuiden van het Sprielderbos nog grotendeels met heide bedekt. Het landschap was desolaat: open, zeer uitgestrekt en onbewoond. Landschapselementen als grafheuvels, karrensporen en grenswallen waren goed te zien. De heide werd doorkruist door enkele doorgaande zandwegen, die vaak moeilijk begaanbaar waren. Paden of wegen waren, met uitzondering van de grote doorgaande wegen, vaak bochtig. Het tracé van de wegen over de heide kon zich in de loop van tientallen jaren wijzigen, doordat de menner nieuwe sporen kozen als een bestaand spoor kapotgereden was. Een deel van de heide was niet open. Hier kwam kreupelhout voor, dat soms wel werd gebruikt als hakhout. Dergelijke gebieden werden aangeduid als heide met struiken. Soms stonden deze struiken op rijkere gronden, waar het bos relatief laat was verdwenen; soms ook in de buurt van nederzettingen of oude bossen. Vogels verspreidden de eikels over de heide vanaf deze plekken. Die jonge eikenscheuten konden door intensieve begrazing niet uitgroeien tot bos, maar wel tot kreupelhout of tot een enkele solitaire eik. Tegenwoordig beeld Met uitzondering van het genoemde heideveldje is in de gemeente Putten vrijwel alle heide op het Veluwemassief bebost. Het heideveldje heeft nog steeds het open en verlaten aanzien van vroeger.
Verschil is dat de einder veel minder ver is. Het veld wordt omgeven door jonge bossen. Op de heideterreinen is het bijzondere reliëf vaak nog goed zichtbaar, in dit geval zijn dat enkele grafheuvels. De terreinbeheerder, Staatsbosbeheer, houdt de heide nu open door (machinaal) te plaggen (figuur 3.49).
33 Niet ontgonnen droge heide met (spontaan) bos (nd1b) Een deel van de jonge bossen is niet doelbewust aangeplant, maar ontstaan door spontane opslag op de heide. Op topografische kaarten van 1900 tot 1990 is te zien hoe op de heide boomgroepen ontstaan. Door deze bossen lopen hooguit enkele paden. Ze zijn niet systematisch verdeeld in
78
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
Figuur 3.49. Heide omzoomd door jong bos, gezien vanaf de Arnhemse Karweg (foto Overland 128).
percelen. Soms wisselen opgaand bos en open plekken elkaar nog op grillige wijze af. Spontane bossen kunnen allerlei bomen in zich herbergen, afhankelijk van de nabijheid van zaadbronnen. Eiken, dennen en berken zijn het meest algemeen op de Veluwe. De eiken komen voort uit kreupelhout of hakhout dat ooit op de heide stond of zijn uitgezaaid vanuit naburige houtwallen of hakhoutplantages. In de gemeente Putten komt vooral spontaan bos met naaldhout of berken voor. Dit bos is ontstaan door uitzaaiing vanuit aangrenzende heidebebossingen.
Figuur 3.50. Bos ten zuiden van Bato’s erf dat, naar we aannemen, spontaan is ontstaan, met verschillende leeftijden en boomsoorten. De oudere bomen kunnen grillige vormen hebben, doordat ze op de heide breed konden uitgroeien (foto Overland 327).
79
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten
In spontaan bos komen vaak bomen voor van verschillende leeftijden en verschillende soorten. De oudste bomen (ooit solitairen op de heide) groeien zeer breed en grillig uit. Daartussen staan jongere bomen die in bos zijn opgegroeid en rechter en smaller zijn. Het meeste spontane bos heeft een natuurlijk karakter, vanwege het leeftijdsverschil tussen de bomen, de afwezigheid van een monocultuur, de grillige overgangen tussen open plekken en bos en de afwezigheid van een systematisch wegenpatroon. Net als op open heideterreinen kunnen in het bodemreliëf nog karrensporen, grafheuvels of Celtic fields zichtbaar zijn. Spontaan bos is soms nog maar enkele jaren oud. In de gemeente Putten komen deze bosjes voor rond het heidegebiedje Groote Ark. Opvallend in deze eenheid is een oost-west lopende strook bos ten zuiden van Bato’s weg. In 1870 was dit nog een strook open heide tussen twee pas aangelegde boscomplexen. Het is niet duidelijk waarom de heide hier niet werd bebost. In 1950 was het nog steeds heide, waarna het in de daaropvolgende decennia dichtgroeide met bos (figuur 3.50). In de bosstrook liggen nog enkele open plekken en bochtige paden. In deze eenheid kan plaatselijk ook aangeplant bos voorkomen.
3.3 Toevoegingen, bijzonderheden binnen de Histland-eenheden Alle vlakken op kaartbijlage 1 zijn ingedeeld volgens de legenda-eenheden van Histland. Soms kunnen landschappelijke bijzonderheden optreden, die niet binnen zo’n eenheid te vangen zijn. Die bijzonderheden zijn aangegeven met een toegevoegde code. Per vlak kunnen dan één of meerdere codes aan de legenda-eenheid worden toegevoegd.
Y – Resten boombos met beuk Zie toelichting bij kaartcode 27.
E – Resten voormalig eikenhakhout of eikenstrubben Het overgrote deel van deze toevoeging komt voor in de oude bossen en wordt daar toegelicht (zie kaartcode 27). Daarnaast komen ook hakhoutrestanten voor in jonge bossen en spontane bossen. In bosgebieden met de toevoeging E komen oude bomen en hakhoutrestanten voor volgens de inventarisatie van Rövekamp en Maes. Hun inventarisatie was er op gericht om bomen op het spoor te komen die als inheems kunnen worden beschouwd. Rövekamp en Maes baseerden hun conclusies op kaartonderzoek en uitgebreid veldonderzoek waarbij ze uit de boomvorm (die vaak is beïnvloed door vroegere hakhoutcultuur) de ouderdom bepalen. Hun theorie over de relatie tussen boomvorm en ouderdom is omstreden, maar hun kartering geeft een indicatie van de aanwezigheid van oude bomen en boomvormen in bossen, en daarmee ook van bijhorende oud-bosvegetatie. Hun inventarisatie is gecontroleerd met luchtfoto’s en (zeer beperkt) veldonderzoek. De toevoeging E kan ook betrekking hebben op gebieden die op 19e-eeuwse kaarten nog als heide zijn aangeduid. Hier stonden dan lage struiken die nauwelijks hoger waren dan de heidestruiken en niet als bos door de karteerders zijn herkend. Ook op kan de toevoeging E betrekking hebben op akkers waarop hakhoutbos is aangelegd.
De oude bomen betreffen volgens Rövekamp en Maes meestal zomereiken, maar kunnen ook wintereiken, beuken en berken zijn. Andere boomsoorten die
80
RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten