Beschikking eerste fase (Milieu)
Tekst van het document
9.2.4
De ammoniakconcentratiemetingen worden uitgevoerd volgens de norm NEN 2826 en overeenkomstig artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.
9.2.5
Het uitvoeren van metingen dient te geschieden door een rechtspersoon die voor deze verrichting is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (of een vergelijkbare buitenlandse instelling die erkend is door een staat, aangesloten bij de Multilateral Agreement on European Accreditation of Certification).
W.Z17.104842.02
Pagina 21 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
9.2.6
Binnen zes maanden nadat gebruik wordt gemaakt van deze vergunning moet een opleveringsmeting zijn uitgevoerd naar de optredende ammoniakemissies uit de luchtwasser.
9.3
Biobed
9.3.1
De NH3-concentratie na het biobed is maximaal 3,5 mg/Nm3.
9.3.2
Een controlemeting voor de bepaling van de ammoniakconcentratie bestaat uit een serie van tenminste drie deelmetingen van minimaal 30 minuten. Aan de emissie-eis voor ammoniak in voorgaand voorschrift wordt voldaan wanneer het gemiddelde van de deelmetingen verminderd met de meetonzekerheid, uitgedrukt als 95% betrouwbaarheidsinterval, lager is dan de emissie-eis. De hier gehanteerde meetonzekerheid dient door de meetinstantie te zijn onderbouwd in de rapportage en is kleiner dan 40 % van de emissie-eis voor gedeeld door de wortel van het aantal deelmetingen.
9.3.3
De ammoniakconcentratiemetingen worden uitgevoerd volgens de norm NEN 2826 en overeenkomstig artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.
9.3.4
Het uitvoeren van metingen dient te geschieden door een rechtspersoon die voor deze verrichting is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (of een vergelijkbare buitenlandse instelling die erkend is door een staat, aangesloten bij de Multilateral Agreement on European Accreditation of Certification).
9.4
Fakkelinstallatie
9.4.1
Continu vrijkomende procesgassen moeten zoveel mogelijk als brandstof worden gebruikt en mogen slechts in uitzonderlijke gevallen naar een fakkel worden afgevoerd.
9.4.2
De vergunninghouder moet zorgen voor een betrouwbare bedrijfsvoering, zodat er bij de verbranding in de fakkelinstallatie geen roet- of geurvorming optreedt.
9.4.3
De fakkelinstallatie moet ten minste een beveiliging bevatten die voorkomt dat vlamterugslag in het leidingsysteem kan optreden, terwijl een vrije doorstroming van de fakkelgassen onder alle omstandigheden blijft gewaarborgd.
9.4.4
Met betrekking tot het affakkelen moet een logboek worden bijgehouden, waarin ten minste de volgende gegevens worden geregistreerd: a. datum, begin- en eindtijd van het affakkelen; b. aard en oorzaak van het affakkelen; c. gemeten dan wel berekende hoeveelheid afgefakkeld gas.
10
PROCESINSTALLATIES
10.1
Lucht
10.1.1
Van alle bij storingen optredende emissies moeten de van belang zijnde gegevens worden geregistreerd, zoals tijdstip, aard, (geschatte) hoeveelheid, oorzaak, plaats en tijdsduur van de emissie en de relevante procescondities. Deze registratie moet ten minste twee jaar worden bewaard.
W.Z17.104842.02
Pagina 22 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
10.1.2
Ingeval de werking van continu werkende emissiemeetapparatuur gestoord is, geldt dat binnen 48 uur de nodige maatregelen moeten worden genomen om aan de storing een einde te maken. Indien te verwachten is dat een storing van deze meetapparatuur langer zal duren dan 48 uur, of indien de storing daadwerkelijk langer duurt dan 48 uur, moet hiervan melding worden gedaan aan het bevoegd gezag.
10.1.3
Van de genoemde afwijkingen in het vorige voorschrift moet aantekening gemaakt worden, inhoudende datum, tijdstip, tijdsduur, oorzaak en de gemeten of berekende hoeveelheden geëmitteerde stoffen. Deze aantekeningen moeten voor het bevoegd gezag ter inzage liggen en tenminste 5 jaren worden bewaard.
10.2
Meet-, regel- en beveiligingsapparatuur
10.2.1
Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies, welke niet of slecht functioneert moet direct worden gerepareerd of worden vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden gerepareerd of vervangen moeten de activiteiten onverwijld worden stilgelegd tenzij vergunninghoudster kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst.
10.2.2
De zogenaamde kritische alarmeringen (alarmeringen die direct verband hebben met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies) moeten visueel en akoestisch worden aangegeven en moeten gehandhaafd blijven totdat ze door terzake kundig personeel worden geaccepteerd.
10.3
Veiligheidstoestellen
10.3.1
Bij veiligheden die rechtstreeks naar de atmosfeer afblazen, moeten voorzieningen zijn aangebracht om de goede en veilige werking bij het afblazen te garanderen, zoals vlamterugslagbeveiliging, aarding, verwarming of voorzieningen om lucht bij te mengen in de uitlaat.
10.4
Procesinstallaties
10.4.1
Ter voorkoming van ongewenste uitstroming moeten productafsluiters in productieleidingen die naar de lucht afvoeren en die tijdens normaal bedrijf niet worden gebruikt (maar wel ten behoeve van bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden) zijn voorzien van blindflenzen of afsluitdoppen.
10.4.2
Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten voor zover deze betrekking hebben op stoffen waarop het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen van toepassing is, zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is.
10.4.3
De installaties moeten worden beschermd tegen verlies van stoffen door corrosie en beschadigingen.
W.Z17.104842.02
Pagina 23 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
OVERWEGINGEN
1.
PROCEDURELE ASPECTEN
1.1. Aanvraag Op 23 mei 2018 hebben wij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Spiraloh B.V. Het betreft het beëindigen van de veehouderijtak van het bedrijf en het verder optimaliseren en beter benutten van de capaciteit van de mestvergistingsinstallatie. Het voorgenomen project wordt gerealiseerd binnen de inrichting van Loonbedrijf Dekker, gelegen aan de Beulekampersteeg 4 te Putten. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 3582723. Om dit project te realiseren is een omgevingsvergunning Wabo nodig voor de activiteiten bouwen, afwijken bestemmingsplan en het veranderen van de inrichting. Verder is een vergunning nodig op grond van de Wet natuurbescherming. De omgevingsvergunning wordt in twee fasen aangevraagd. In dit besluit wordt besloten over fase 1. Deze fase betreft het onderdeel milieu: het veranderen van de inrichting vanwege het uitbreiden van de covergistingsinstallatie en het beëindigen van de veehouderijtak. In fase 2 wordt de aanvraag omgevingsvergunning bouwen en afwijken bestemmingsplan beoordeeld. 1.2. Projectbeschrijving Spiraloh B.V. (hierna: Spiraloh) is een bestaande inrichting voor loonwerk, het houden van vee en het vergisten van mest tezamen met co-producten. Het bedrijf heeft een vergunning voor het verwerken van 24.500 ton dierlijke mest en maximaal 6.000 ton co-producten.
De aanvraag gaat over het verhogen van de doorzet naar maximaal 135.000 ton dierlijke mest en 15.000 ton co-producten. Het digestaat wordt vervolgens verder verwerkt tot een dikke fractie, een mineralenconcentraat en loosbaar water. De verhoging van de capaciteit bestaat voornamelijk uit directe mestverwerking volgens het zogenaamde ‘KUMAC-principe’. De verandering gaat gepaard met diverse aanpassingen van de inrichting. De veranderingen waarvoor vergunning wordt aangevraagd worden hieronder samengevat. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar het document ‘bijlage 2 MVO’ en bijlage 3 MVO (Geling Advies B.V.), welke deel uitmaakt van de aanvraag en de vergunning (zie voorschrift 1.1.1.) Voor het onderdeel milieu worden de volgende veranderingen aangevraagd: • licht verhogen van de vergistingscapaciteit; • het in werking hebben van een mest/digestaat-verwerkingsinstallatie waarbij mest en digestaat wordt verwerkt door scheiding en omgekeerde osmose; • verhoogd gebruik van 3 WKK-installaties; • het plaatsen van een noodfakkel; • verhoogde aanvoer van mest en co-producten; • anaerobe vergisting in twee vergisters; • afvoer van digestaat en mineralenconcentraat. Het bedrijf beschikt over een revisievergunning d.d. 26 april 2011 (kenmerk M 033/10).
De huidige aanvraag heeft betrekking op het veranderen van de inrichting (het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting ex. art 2.1, lid 1, sub e, van de Wabo).
W.Z17.104842.02
Pagina 24 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
De aanvraag bestaat uit de volgende documenten en bijlagen: Aanvraagformulier dd. 23 mei 2018 met OLO-nummer 3582723; Bijlage 1 ‘B01 Definitieve milieutekening 15-04-2019, gewijzigd 06-11-2020/P.V, kenmerk 3984OM101, Stalbouw.NL’, ingediend op 21 januari 2022; Bijlage 2 ‘B02 def. Milieuverantwoord ondernemen 11-7-2019, Geling Advies, ingediend op 11 juli 2019; Bijlage 3 ‘B03 def. Mvo activiteiten, Geling Advies, ingediend op 16 februari 2021; Bijlage 4 ‘B04 Schemadiagram digestaatverwerking Dekker, ingediend op 13 mei 2018; Bijlage 5 ‘B05 Massabalans digestaatverwerking Dekker, ingediend op 13 mei 2018; Bijlage 6 ‘B06 Geuronderzoek voor de inrichting gelegen aan de Beulkampersteeg 4 te Putten’ door GO-consult, kenmerk 3984go0116 v2 van 24 mei 2017, ingediend 13 mei 2018, vervangen door ‘B08 Geuronderzoek Beulekampersteeg 4 te Putten’, rapportnummer: 3984go0116 v4 van 9 april 2020, ingediend 10 april 2020; Bijlage 6 ‘B06 Bijlage geuronderzoek meetrapport BuroBlauw’ Bijlage 7 ‘B07 Rapport: Akoestisch onderzoek Beulekampersteeg 4 te Putten’ van GOconsult, rapportnummer: 3984ao0116 v5, status: definitief, datum: 10 april 2020, ingediend op 10 april 2020; Bijlage 8 ‘Geohydrologisch onderzoek Beulekampersteeg 4 te Putten’ van Ecoconsultancy, rapportnummer 16033185, versie d 2, datum: 15 januari 2019, ingediend op 21 maart 2019; Bijlage 9
‘Mer-beoordelinsgbesluit’, kenmerk Z-17-188067, 8 februari 2018, ingediend op 13 mei 2018 Bijlage 10 ‘Aanvraag vergunning wet natuurbescherming Beulekampersteeg 4 Putten’ van 5 april 2018, ingediend op 13 mei 2018; Bijlage 11 ‘Machtiging’, ingediend op 13 mei 2018. ‘Aanvullende informatie definitief brief ODRN 21-3-2019/11-1-2018 voor de inrichting gelegen aan Beulekampersteeg 4 te Putten, Geling Advies, ingediend op 21 maart 2019; ‘Toelichting Infiltratie loosbaar water voor de inrichting gelegen aan Beulekampersteeg 4 Putten’ Geling Advies, datum: 21 maart 2019, ingediend op 21 maart 2019; Bijlage 12 ‘B12 A&V Beleid en Administratieve Organisatie en Interne Controle voor de inrichting gelegen aan Beulekampersteeg 4 Putten’ van Geling Advies, datum: 18 september 2018, ingediend op 2 mei 2019; ‘Toetstabel BBT’s op basis van de ‘BREF Energy Efficiency’ van Geling Advies, ingediend op 19 juli 2019; Rapportage ‘Onderzoek luchtkwaliteit Beulekampersteeg 4 te Putten’ van G&O Consult in opdracht van Geling Advies, rapportnummer 3984lu0121, datum: 3 november 2021, ingediend op 17 januari 2022; Dimensioneringsgegevens biobed van Wielaard Techniek, ingediend op 17 januari 2022; Dimensioneringsplan 95% chemische wasser mestverwerking van Inno+ B.V., ingediend op 17 januari 2022. 1.3.
IPPC-installaties Vanaf 1 januari 2013 is de Europese richtlijn industriële emissies (RIE) in de Nederlandse milieuwetgeving geïmplementeerd (richtlijn 2010/75/EU, PbEU L334). De RIE geeft milieueisen voor installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn horende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. De activiteit met betrekking tot het vergisten van mest en co-substraten wordt genoemd in categorie 5.3 onder b van bijlage 1 van de RIE (de nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen door middel van biologische behandeling met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag). Deze activiteit wordt aangevraagd, waardoor de gehele inrichting wordt aangemerkt als een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.
W.Z17.104842.02
Pagina 25 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
1.4.
Bevoegd gezag
Vanwege de aangevraagde activiteiten worden Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3, lid 1, van het Besluit omgevingsrecht. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage 1, onderdeel C, categorieën: 1.1, 4.1, 7.1, 7.4, 7.5 en 28.4 a onderdeel 6 van het Besluit omgevingsrecht en daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC- installatie behoort (de inrichting is aangewezen in bijlage 1, categorie 5.3, lid b, van richtlijn 2010/75/EU). 1.5.
Volledigheid aanvraag
Na het indienen van de aanvraag is deze nog aangepast en aangevuld. Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij hebben de aanvrager in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Na publicatie van de ontwerpbeschikking is de aanvraag nogmaals aangevuld. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag - inclusief de aanvullingen - voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. 1.6. Procedure Dit besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3. van de Wabo. 1.7. Zienswijzen Van het ontwerp van de beschikking hebben wij op 16 maart 2021 kennis gegeven in het Provinciaal blad van Gelderland, te bereiken via de site https://zoek.officielebekendmakingen.nl/. Vanaf 19 maart 2021 heeft het ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt door MOB, Coöperatie Mobilisation for the Environment. De zienswijzen zijn ingediend binnen de termijn en zijn ontvankelijk. Het betreft de volgende zienswijzen: 1. Berekening luchtkwaliteit De ontwerpbeschikking concludeert dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan stikstofdioxide en fijnstof (PM10).
De berekening is uitgevoerd met de NIBM-tool, waarin de extra vervoersbewegingen ten gevolge van de wijziging zijn ingevoerd. Door de appellant wordt aangenomen dat de vergelijking tussen huidige en aangevraagde situatie is gebaseerd op de resultaten van de Aerius-berekeningen, welk programma volgens appellant “niet geschikt is voor het berekenen van verkeersbewegingen.” Op basis hiervan staat het volgens appellant dan ook niet vast dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan stikstofdioxide en fijnstof. Reactie zienswijze 1 Het uitgangspunt van de invoer in de NIBM-tool is geweest een worst-case scenario van de toename van verkeersbewegingen aan de hand van het geluidrapport. De uitkomsten uit de Aeriusberekening zijn slechts ter controle opgevoerd. Voorts is de NIBM-tool een geaccepteerde methode (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2020:2090) om te kunnen concluderen dat het project NIBM bijdraagt aan stikstofoxide en fijnstof. Deze zienswijze is dan ook niet gegrond. Wellicht ten overvloede: in het kader van de aanvraag fase 2 heeft Spiraloh een rapport laten opstellen en op 17 januari 2022 ingediend ‘Onderzoek luchtkwaliteit Beulekampersteeg 4 te
W.Z17.104842.02
Pagina 26 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
Putten’ van G&O Consult in opdracht van Geling Advies, rapportnummer 3984lu0121, datum: 3 november 2021. Uit dit rapport blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit. 2. Geen rekening gehouden met uitstoot SO2 Bij transportbewegingen komt ook SO2 vrij. Tevens bevat het biogas ook forse hoeveelheden H2S dat tijdens de verbranding in SO2 wordt omgezet en geëmitteerd. Deze SO2-vrachten zijn ten onrechte niet meegenomen in de beoordeling en niet opgenomen in de ontwerpbeschikking. Reactie zienswijze 2 Doorgaans zijn fijnstof en stikstofoxiden de kritische parameters als het gaat om toetsing van de emissies van verbrandingsprocessen aan de normen voor luchtkwaliteit. Wij zijn in eerste instantie hiervan uitgegaan. Vanwege technische ontwikkeling, zoals ontzwaveling van brandstoffen en verbeterde verbrandingsmotoren, zijn SO2-emissies als gevolg van de bij het bedrijf behorende transportbewegingen, nihil (zwaveldioxide komt immers alleen vrij bij de verbranding van zwavelhoudende fossiele brandstoffen, zoals sommige soorten aardolie, bruinkool of steenkool). De emissienorm voor SO2 vanuit WKK’s is vastgelegd in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Voorschriften van activiteiten geregeld in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn direct werkend, ook voor vergunningplichtige bedrijven.
Hiervoor hoeven geen voorschriften te worden opgenomen in de vergunning. In artikel 3.10f van het Activiteitenbesluit is bepaald dat de emissie van SO2 vanuit de WKK installaties niet meer dan 40 mg/Nm3 mag bedragen. Op grond hiervan was het ook niet noodzakelijk om dit nader te beoordelen in de vergunningprocedure. Deze zienswijze is dan ook niet gegrond. 3. Effectiviteit van luchtwasser onvoldoende bewezen In de BBT-conclusies Afvalverwerking 2018 zijn eisen gesteld aan de luchtemissies, onder andere voor ammoniak. Volgens het ontwerpbesluit voldoet de inrichting hieraan. Daartoe wordt overwogen dat in de aanvraag om een vergunning Wnb een totale vracht van 868,8 kg/jaar is berekend uit het emissie-punt van de luchtwasser. Dit zou neer komen op ongeveer 4 mg/Nm3. Daarmee zou de inrichting voldoen aan de range uit de BREF. Voor de berekening van ammoniakemissies na reiniging door de luchtwasser wordt in de aanvraag van de natuurvergunning gebruik gemaakt van de emissiefactoren RAV. Echter bestaat al langere tijd twijfel over het gebruik van deze emissiefactoren. Dat deze factoren niet de benodigde zekerheid geven, is recent bevestigd door de rechtbank in de uitspraak van 11 maart 2021 (ECLI:NL:RBNNE:2021:810).
Kortom, de conclusie dat de inrichting zal voldoen aan de range uit de BREF kan dan ook niet worden gevolgd, nu de daaraan ten grondslag liggende berekening niet voldoet. Reactie zienswijze 3 De totale vracht uit de aanvraag om een vergunning Wet natuurbescherming is gebaseerd op eerdere controlemetingen bij een vergelijkbaar proces volgens het KUMAC-principe. Op basis van deze metingen zijn (haalbare) eisen gesteld aan de gaswasser en zijn controlemetingen voorgeschreven. Hiermee is voor ons a) voldoende geborgd dat Spiraloh kan voldoen aan de range uit de BREF; b) Spiraloh (onder representatieve bedrijfsomstandigheden) voldoet aan de gestelde eisen. Deze zienswijze is dan ook niet gegrond.
W.Z17.104842.02
Pagina 27 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
Bij het behandelen van deze zienswijze is een fout ontdekt. In de ontwerpbeschikking is verwoord dat de vracht ammoniak van 868,8 kg/jaar afkomstig is van het emissiepunt van de luchtwasser. Dit is niet correct. Op 17 januari 2022 heeft de aanvrager een door AVS opgesteld dimensioneringsplan van het biobed ingediend. De vracht ammoniak van 868,8 kg/jaar is afkomstig van het biobed. Met een ventilatiedebiet van 30.000 m3 per uur bedraagt de concentratie ammoniak 3,3 mg/Nm3. Deze omissie is verbeterd in de voorschriften. Het emissiepunt na de luchtwasser kent een veel lagere vracht ammoniak. Deze concentratie voldoet aan de BREF. Een correcte uiteenzetting is opgenomen in de considerans onder hoofdstuk lucht. 4. gelegd
Milieueffectenrapportage ten onrechte niet uitgevoerd/ besluit MER niet ter inzage
Bij besluit van 8 februari 2018 heeft het college besloten dat er geen MER behoeft te worden opgesteld ten behoeve van de beoordeling van de wijziging. Dit besluit evenals de aanmeldingsnotitie is echter niet ter inzage gelegd, ook niet bij de onderhavige ontwerpbeschikking. Daarnaast wordt niet gevolgd waarom er geen MER vereist zou zijn. Zoals blijkt zijn er meerdere onjuiste aannames en conclusies getrokken in de ontwerpbeschikking. Dit heeft ook consequenties voor de conclusie omtrent de noodzaak van een MER. Nu immers niet vaststaat dat de luchtkwaliteit wel of niet achteruitgaat, er onduidelijkheid is over de emissies van ammoniak en SO2, kan ook niet worden gesteld dat de wijziging bij voorbaat geen (negatieve) gevolgen heeft voor het milieu, de natuur en de gezondheid. De verlening van een vergunning, terwijl de gevolgen voor het milieu niet afdoende inhoudelijk zijn beoordeeld, is in strijd met het systeem van de Wet milieubeheer. Reactie zienswijze 4 Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is op 13 februari 2018 gepubliceerd in de Staatscourant en het provinciaal blad van Gelderland. Het besluit alsmede de bijbehorende aanmeldingsnotitie en bijlagen zijn tevens in te zien via internet: www.officielebekendmakingen.nl. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is bij de aanvraag om omgevingsvergunning gevoegd. Eenieder heeft hiervan kennis kunnen nemen.
Wij hebben getoetst of voor het project een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze toets is overeenkomstig artikel 7.17, derde lid, van de Wet milieubeheer uitgevoerd met behulp van de in bijlage III van de Mer-richtlijn opgenomen criteria. In het m.e.r.beoordelingsbesluit is onderbouwd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen die reden geven voor het opstellen van een MER. Ook na heroverweging van de in de zienswijze genoemde onderwerpen zijn wij van mening dat een MER in dit geval niet nodig is. 5. Verlenen van vergunning niet mogelijk zonder (de aanvraag van) een natuurvergunning of verklaring van geen bedenkingen Zoals reeds is aangegeven heeft het College van Gedeputeerde Staten van Gelderland eveneens een ontwerpbeschikking Wnb afgegeven. Hiertegen heeft MOB reeds een zienswijze ingediend. Indiener meent dat de natuurvergunning geweigerd dient te worden op basis van de gronden zoals aangevoerd in de zienswijzen. Dientengevolge zal de omgevingsvergunning ook niet verleend kunnen worden. Immers, dient het bevoegd gezag zich er van te vergewissen dat een daadwerkelijke aanvraag voor een natuurvergunning (of ontheffing) voorligt bij de provincie, wil van aanhaken in de procedure omtrent de omgevingsvergunning worden afgezien.
Indien er op de datum waarop op die aanvraag wordt beslist, er geen aanvraag voor een natuurvergunning of ontheffing voorligt, en het college tevens niet beschikt over een verklaring van geen bedenkingen, dan moet worden vastgesteld dat het besluit niet in overeenstemming is met het bepaalde onder art. 2.2aa van het Besluit
W.Z17.104842.02
Pagina 28 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
omgevingsrecht en ook niet voldoet aan het bepaalde in art. 6.10a, eerste lid, van het Bor (ECLI:NL:RVS:2018:12, r.o. 6.1). Nu de kans dat de natuurvergunning geweigerd wordt zeer waarschijnlijk is, zal niet aan deze vereiste kunnen worden voldaan. Reactie zienswijze 5 In de rechtsoverweging 6.1 van de casus ECLI:NL:RVS:2018:12 werd verwezen naar het niet aanwezig zijn van een aanvraag om Wnb vergunning die al dan niet zou zijn ingediend. Omdat de Raad van mening bleek dat dit niet het geval was, terwijl het college ten tijde van het nemen van het besluit evenmin beschikte over een verklaring van geen bedenkingen, moest worden vastgesteld dat dit besluit niet in overeenstemming was met het bepaalde in artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor en ook niet voldeed aan het bepaalde in artikel 6.10a, eerste lid, van het Bor en daarom moest worden vernietigd. Er is echter geen twijfel dat een aanvraag om Wnb vergunning is ingediend . en dat hiervoor ook een ontwerpbeschikking is afgegeven door het bevoegde gezag. Zoals vermeld in hoofdstuk 2.5 hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland op 5 april 2018 een aanvraag voor een vergunning Wet natuurbescherming ontvangen voor de locatie Beulekampersteeg 4 te Putten. Deze aanvraag is voorafgaand aan de Wabo-aanvraag ingediend en doorloopt een apart vergunningentraject onder de Wnb.
De ontwerpbeschikking Wet natuurbescherming heeft vanaf 21 juli 2020 gedurende zes weken ter inzage geleden. Hiertegen is een zienswijze ingediend. Het definitieve is inmiddels door Gedeputeerde Staten genomen. Het gegeven dat het MOB van mening is dat deze natuurvergunning geweigerd dient te worden is dan ook geen aanleiding om uit te gaan van strijdigheid met de bovengenoemde artikelen uit het Bor. 6. Wijziging leidt tot verslechtering van de geursituatie Zoals blijkt uit de ontwerpbeschikking leiden de nieuwe geurbronnen (namelijk het verwerken van mest en co-producten) tot een verslechtering van de geursituatie. De geurimmissie van deze nieuwe bronnen voldoet niet aan de streefwaarde, terwijl de oude bronnen dat wel deden/doen. Het toelaten van deze verslechtering is in strijd met de algemene doelstelling waarin het voorkomen van nieuwe hinder en beperken van bestaande hinder wordt nagestreefd. Reactie zienswijze 6 Onduidelijk is waar appellant zijn conclusie over de geurimmissie van de bestaande bronnen op baseert. In de vigerende revisievergunning (26 april 2011) worden in voorschrift 3.1 voor de Veldwijkweg 19 en Beulekampersteeg 7 ook waarden boven de streefwaarden vergund. Ook wordt gesteld dat dat de nieuwe geurbronnen leiden “tot een verslechtering van de geursituatie”.
Dit is juist wanneer alleen de beoordeling aan de hand van artikel 2.14 van de Wabo wordt gekeken. Echter, bij het oordelen van deze geurhinder is door appellant geen rekening gehouden met het feit dat ten opzichte van de vigerende vergunning geen dieren meer zullen worden gehouden. Deze vorm van geurhinder wordt immers niet beoordeeld door het artikel 2.14 van de Wabo, maar door de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In de vergunde situatie bij bijvoorbeeld Veldwijkweg 19 is de geurbelasting 12,7 ouE/m3 door de veehouderij en 2,2 ouE/m3 door de mestverwerking, beide als 98-percentiel. De cumulatie van deze bronnen ligt daarmee altijd hoger dan 12,7 ouE/m3. Op basis van de huidige aanvraag bedraagt de totale geurbelasting op de Veldwijkweg 19 nu 4,34 ouE/m3 als 98-percentiel. Dit is ruim onder de bovengenoemde, eerder vergunde, totale geurbelasting. Voor andere toetspunten in de omgeving geldt een vergelijkbare afname.
W.Z17.104842.02
Pagina 29 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
De toename van de geurbelasting door alleen de nieuwe bronnen is inderdaad hoger dan de streefwaarde van het Gelders geurbeleid. Omdat de totale geurbelasting echter sterk afneemt, past het om toepassing te geven aan de uitzonderingsbepaling als genoemd in het provinciale beleid onder artikel 5, tweede lid. Naar onze mening voldoen de aangevraagde wijzigingen, zoals uitgewerkt in de paragraaf 10.3 van de considerans, hiermee aan de gestelde voorwaarden van het Gelders geurbeleid. Dit is overigens ook niet bestreden door appellant. 7. Datum aanvraag De aanvraag dateert van mei 2018 en is daarmee in feite al weer achterhaald. Er worden bijvoorbeeld drie WKK’s aangevraagd, die elders in het land in de afgelopen jaren zijn afgekoppeld om de eenvoudige reden dat de vergoeding voor stroom onvoldoende oplevert. Ook het concept co-vergister is gedateerd mede omdat dit op grote schaal heeft geleid tot het mee ’vergisten’ van niet toegestane afvalstoffen. Reactie zienswijze 7 Wij kunnen niet anticiperen op de ontwikkeling van het prijsniveau van elektriciteit en zullen niet verder ingaan op dit deel van deze zienswijze. Ten aanzien van de co-producten hebben wij, na bestudering en toetsing van de aanvraag, beoordeeld dat een verantwoord gebruik van co-producten geborgd is.
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht: De considerans ten aanzien van het hoofdstuk lucht is verbeterd (de jaarlijkse vracht ammoniak vanuit het biobed en vanuit het mestverwerkingsproces is gecorrigeerd); De verbeteringen zijn verwerkt in de voorschriften voor de luchtemissies uit het biobed en uit het mestverwerkingsproces. 1.8. Coördinatie Waterwet De aangevraagde activiteiten hebben betrekking op een inrichting waartoe een IPPCinstallatie behoort. Er is geen sprake van handelingen waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is. Spiraloh loost afvalwater op de bodem. De lozing van afvalwater op/in de bodem is echter niet geregeld in de Waterwet. Er hoeft geen coördinatie hoeft plaats te vinden. 1.9. Adviezen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Besluit omgevingsrecht, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden: Burgemeester en Wethouders gemeente Putten; Inspectie Leefomgeving & Transport; Waterschap. Naar aanleiding hiervan hebben wij adviezen ontvangen van: Inspectie Leefomgeving & Transport.
W.Z17.104842.02
Pagina 30 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
2.
TOETSINGSKADER MILIEU
2.1. Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo. 2.2. Toetsing veranderen Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder a van de Wabo betrokken; met de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder b van de Wabo rekening gehouden; de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder c van de Wabo in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. 2.3. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht geldt (type C inrichting). Binnen Spiraloh B.V. vinden activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit.
Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten: Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; Paragraaf 3.2.1 In werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie; Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer; Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen; Paragraaf 3.4.1 Opslaan van propaan; Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen; Paragraaf 3.4.5 Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen; Paragraaf 3.4.6 Opslaan van drijfmest en digestaat Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank; Paragraaf 3.5.4 Waterbehandeling voor agrarische activiteiten Voor het overige is per hoofdstuk dan wel afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.
Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. Om rekening te kunnen houden met de specifieke omstandigheden van inrichtingen bestaat er voor het bevoegd gezag de mogelijkheid om in bepaalde gevallen zogenaamde maatwerkvoorschriften vast te stellen, waarmee van de algemene regels van het
W.Z17.104842.02
Pagina 31 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
Activiteitenbesluit kan worden afgeweken. Maatwerkvoorschriften kunnen ambtshalve of op verzoek van de vergunninghouder door het bevoegd gezag worden vastgesteld. Wij hebben aanleiding gezien maatwerkvoorschriften te stellen, als bedoeld in artikel 2.7 (emissies naar de lucht) en 2.11, tweede lid (bodem) van het Activiteitenbesluit. Het betreft de volgende aspecten uit het Activiteitenbesluit: Bodem: het uitvoeren van een nulsituatie bodemonderzoek Lucht: maatregelen om emissies zoveel mogelijk te beperken. Behalve het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning bevat deze beslissing daarom tevens het besluit (ambtshalve) tot vaststelling van maatwerkvoorschriften.
Bij het stellen van deze maatwerkvoorschriften hebben wij in ieder geval betrokken: − de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting daarvoor gevolgen kan veroorzaken; − de gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken; − de met betrekking tot de inrichting en de omgeving waarin deze is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu; − de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen; − de voor onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende milieukwaliteitseisen, vastgesteld krachtens of overeenkomstig artikel 5.1 of bij Bijlage 2 van de Wet milieubeheer; − de redelijkerwijs te verwachten financiële en economische gevolgen van het voorschrift. De onderbouwing van de maatwerkvoorschriften is uitgewerkt bij de milieuaspecten. 2.4. Meststoffenwet en Verordening dierlijke bijproducten De Meststoffenwet regelt het gebruik van mest, door een systeem van verantwoording van mineralen, gekoppeld aan een landbouwkundig onderbouwde gebruiksnorm van mineralen per hectare cultuurgrond.
Op grond van de Meststoffenwet is voor agrariërs en mestverwerkende bedrijven voorgeschreven dat deze bedrijven een mineralenboekhouding bijhouden. Voor de verwerking van mest en producten van de bijlage AA van de Meststoffenwet zijn in de VO (EG) 1069/2009 enkele voorwaarden opgenomen voor wat betreft het mogen toepassen van verwerkte mest/digestaat. Dit betekent dat de houder van een dergelijke inrichting moet beschikken over een toestemming van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor het in bedrijf hebben van een dergelijke vergister. 2.5. Wet natuurbescherming Spiraloh B.V. heeft op 5 april 2018 een aanvraag om een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend. Deze procedure haakt niet aan bij de Wabo procedure en doorloopt een separate procedure. Op 14 juli 2020 is de ontwerpbeschikking gepubliceerd en ter inzage gelegd (kenmerk 2018-005335). Hierop zijn zienswijzen ingediend. Inmiddels is ook een definitieve vergunning verleend. 2.6. Toetsing milieueffectrapportage De aangevraagde activiteit wordt benoemd in kolom D 18.1 van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage: “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7. “. Spiraloh B.V. heeft voor het voorgenomen project een m.e.r.-aanmeldingsnotitie ingediend. Wij hebben 8
W.Z17.104842.02
Pagina 32 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
februari 2018 besloten dat geen MER hoeft te worden opgesteld. Spiraloh B.V. heeft dit besluit bij de aanvraag gevoegd. 2.7. Omgevingsvisie Gelderland Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, onder b, 10 van de Wabo moeten wij bij de beslissing op de aanvraag eveneens rekening houden met het voor ons geldende milieubeleidsplan, in dit geval de Geconsolideerde Omgevingsvisie Gaaf Gelderland van 1 maart 2019.
W.Z17.104842.02
Pagina 33 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
3.
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
3.1. Toetsingskader In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBTconclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de Rie. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF’s. Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBTmaatregelen staan (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen, geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld. BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten).
Zij worden daarom niet meer apart worden aangewezen in de Regeling omgevingsrecht. 3.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de RIE uitgevoerd. De inrichting valt onder categorie 5.3, lid b onder i) van bijlage I van de Richtlijn Industriële Emissies. Er wordt mest en co -producten be- en verwerkt doormiddel van opslag, scheiden, vergisting en verdere behandelingstechnieken. De installatie heeft een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag. Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsten aan BBTconclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies: • Afvalbehandeling; • Op- en overslag bulkgoederen; • Energie efficiëntie. In de bijlage van deze vergunning is de BBT-toets opgenomen voor BBT-conclusies afvalbehandeling. De BBT-toets voor energie-efficiëntie is opgenomen in de aanvraag. BBT voor op- en overslag bulkgoederen is bij de thema’s nader getoetst.
W.Z17.104842.02
Pagina 34 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
Verder zijn in bijlage I van de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor) de Nederlandse BBT-documenten aangewezen waaraan elke inrichting moet voldoen. De activiteiten voldoen aan de voor Spriraloh B.V relevante Nederlandse BBT-documenten, te weten; Handreiking (co-)vergisting van mest, Nederlandse Richtlijn Bodem 2012 (hierna: NRB), PGS 15, PGS 30, PGS 31 en Handboek Immissietoets 2016 . Waar geen specifieke PGS van toepassing is, zal worden aangesloten bij die PGS die het meest van toepassing is. 3.3. Conclusies BBT De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
4.
AFVALSTOFFEN
4.1.
Afvalstoffen algemeen
4.1.1. Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In hoofdstuk B.2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029 (verder: LAP3) het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogamma vastgesteld. Afvalpreventie is ook onderdeel van het programma 'Van Afval naar Grondstof' (VANG). Met het uitvoeren van het programma VANG is de uitvoering van het afvalpreventieprogramma voor een belangrijk deel geborgd. Zowel het LAP3 als de genoemde programma's bevatten geen kwantitatieve doelstellingen voor afvalpreventie bij bedrijven. Om invulling te geven aan dit aspect is de handreiking 'Wegen naar preventie bij bedrijven' (Infomil 2005) als toetsingskader gebruikt. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval zoveel mogelijk moet worden voorkomen of beperkt. De handreiking 'Wegen naar preventie bij bedrijven' (Infomil, 2005) hanteert ondergrenzen die de relevantie van afvalpreventie bepalen. Hierin wordt gesteld dat afvalpreventie relevant is wanneer er jaarlijks meer dan 25 ton (niet gevaarlijk) bedrijfsafval en/of meer dan 2,5 ton gevaarlijk afval binnen de inrichting vrijkomt. De totale hoeveelheid niet gevaarlijk afval ligt beneden de gehanteerde ondergrens. Binnen de inrichting komt zwavelwasvloeistof (spuiwater) vrij van de luchtwasser.
Voor het overige wijzigt de totale hoeveelheid afval die binnen de inrichting vrijkomt, niet ten opzichte van de vigerende vergunning. Wij zien geen preventiepotentieel en hebben daarom geen preventieonderzoek voorgeschreven. 4.1.2. Afvalscheiding In deel B.3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
W.Z17.104842.02
Pagina 35 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
Voor een aantal afvalstoffen die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen. Daarnaast zijn in deel F bijlage 5 van het LAP verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Binnen de inrichting komt zwavelwasvloeistof (spuiwater) vrij van de luchtwasser. Deze vloeistof wordt gescheiden afgevoerd. Dit is vastgelegd in de voorschriften. Voor het overige wijzigt de totale hoeveelheid afval die binnen de inrichting vrijkomt, niet ten opzichte van de vigerende vergunning. 4.2. Mengen van niet gevaarlijke afvalstoffen Afvalstoffen dienen na het ontstaan zoveel als mogelijk gescheiden te worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst wanneer er in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt.
Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare afvalstoffen, alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen, wordt mengen genoemd. Mengen is niet toegestaan tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning. Op basis van het gestelde in de aanvraag hebben wij de doelmatigheid van het mengen van de co-producten met mest beoordeeld. Het mengen van mest en coproducten is doelmatig. Met co-producten verloopt het vergistingsproces beter. Indien juiste co-producten worden gebruikt (alleen co-produceten van bijlage Aa, onderdeel IV uit de Uitvoeringsregeling meststoffenwet), is het digestaat bruikbaar als meststof. Aangezien de Meststoffenwet en het bijbehorende uitvoeringsbesluit en de bijbehorende uitvoeringsregeling rechtstreeks van toepassing zijn, nemen wij geen voorschriften op ten aanzien van het mengen van de mest en de co-substraten. In aanvulling op het gestelde in de aanvraag hebben wij aan deze vergunning voorschrift(en) verbonden aan controle op de kwaliteit van de mest en van de co-producten. 4.3. Doelmatig beheer van afvalstoffen Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm.
In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheerplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP3) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom) en de eerste wijziging van LAP3 die op 19 juli 2019 in werking is getreden. De doelstellingen van het LAP3 geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: - preventie; - voorbereiding voor hergebruik; - recycling - andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; - veilige verwijdering. De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen
W.Z17.104842.02
Pagina 36 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is om aan de in LAP3 opgenomen minimumstandaard van verwerking te voldoen. 4.3.1. Uitsluitend overslaan Uit het LAP blijkt dat het overslaan van afvalstoffen in principe altijd doelmatig is. Er kan vergunning verleend worden als: binnen de inrichting benodigde milieu hygiënische voorzieningen aanwezig zijn; er geen enkele verwerking van het afval geschiedt (uitgezonderd eventueel overladen zonder dat daarbij feitelijk wordt gemengd) én de procedures voor de acceptatie, controle en administratie van de afvalstoffen toereikend zijn. 4.3.2.
Verwerking: afvalstromen waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen in deel E van het LAP 3 van toepassing: Sectorplan 6 Gescheiden ingezameld/afgegeven groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens (gft) Sectorplan 7 Gescheiden ingezameld/afgegeven organisch bedrijfsafval Sectorplan 8 Gescheiden ingezameld/afgegeven groenafval In het sectorplannen is aangegeven dat voor de minimumstandaard voor het verwerken van gft-afval vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door aerobe droging/narijping met het oog op recycling van het digestaat, voldoet. 4.4. AV-beleid en AO/IC Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieu hygiënische en informatie technische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces.
De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP. De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst. Het bevoegd gezag kan nadere voorwaarden stellen aan de capaciteit, duur en voorzieningen van/voor de overslag. Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer. Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&Vbeleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.
W.Z17.104842.02
Pagina 37 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
In 2019 hebben wij (onder zaaknummer W.Z19.106622.01) onderzocht of bij Spirolah ZZS vrij kunnen komen. Wij hebben geconcludeerd, dat geen ZZS vrij komen. Bij de aanvraag is een beschrijving van het AV-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven AV-beleid en de AO/IC voldoen niet aan de minimale onderdelen zoals die in het LAP zijn beschreven, omdat in de beschrijving niet aantoonbaar rekening wordt gehouden met ZZS en omdat niet wordt getoetst aan de minimum standaard voor verwerking. In de voorschriften wordt daarom opgenomen dat het AV-beleid en AO/IC moet worden aangepast. Voor het overige voldoen het AV-beleid en de AO/IC. Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist. 4.5. Registratie De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om registratieverplichtingen op te nemen (art. 5.8 Bor).
In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen. 4.6. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
5.
AFVALWATER EN WATERBESPARING
5.1. Het toetsingskader Het lozen van afvalwater vanuit de inrichting op de riolering valt onder de reikwijdte van de Wabo. Lozen op de bodem wordt in artikel 2.2 lid 1 van het Activiteitenbesluit verboden. Voor het lozen op de bodem moeten voorschriften worden opgenomen in de vergunning. Ter bescherming van het milieu zijn voor een aantal relevante aspecten voorschriften in de vergunning opgenomen met betrekking tot: a. de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van de lozing en het meten en registreren daarvan; b. te treffen maatregelen; c. de duur van de lozing; en d. de plaats van het lozingspunt. Bij de beoordeling houden wij rekening met het ‘Achtergronddocument vergunningenbeleid voor lozingen van afvalwater uit mestverwerkingsinstallaties’, Wageningen UR en Royal Haskoning DHV, versie 14 juli 2016, dat in opdracht van zeven waterschappen is opgesteld. Naast dat het mestvergistingsproces moet voldoen aan BBT, zijn er richtwaarden voor de voorkomende parameters in het afvalwater opgenomen.
W.Z17.104842.02
Pagina 38 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
5.2. De gevolgen van de aangevraagde activiteiten In de inrichting komen diverse afvalwaterstromen vrij: Hemelwater; Effluent uit reverse osmoseproces; Spuiwater bij het wassen van de ventilatielucht in de luchtwasser; Hemelwater afkomstig van de spoelplaats; Hemelwater afkomstig van de tankplaats; Overig afvalwater van huishoudelijke aard. In de geldende vergunning en in het Activiteitenbesluit zijn reeds voorschriften opgenomen voor het lozen op de riolering. De huidige verandering gaat alleen over het lozen in de bodem van het effluent uit het reverse osmose proces en het spuiwater afkomstig van de gaswasser. 5.3. Beoordeling en conclusie Het reverse osmose proces wordt aangemerkt als BBT. Vanuit de waterbeheerder verdient het de voorkeur om het afvalwater op de bodem te lozen, zie hiervoor tevens het document ‘Achtergronddocument vergunningenbeleid voor lozingenafvalwater uit mestverwerkingsinstallaties’. Bij het stellen van voorschriften is rekening gehouden met de parameters die in dit rapport zijn genoemd. Bij de aanvraag is een infiltratierapport toegevoegd, waarin wordt de capaciteit van de bodem wordt beoordeeld. De aangevraagde afmeting van de zaksloot is voldoende voor de te lozen hoeveelheid afvalwater. In de voorschriften zijn de debieten vastgelegd. Het afvalwater uit de gaswassers moet afgevoerd worden naar een verwerker.
6.
BODEM
6.1. Activiteitenbesluit Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf onder het Activiteitenbesluit. Ingevolge artikel 2.8b, lid 1, onder a, van het Activiteitenbesluit is afdeling 2.4 (Bodem) van het Activiteitenbesluit van toepassing op type C-inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort. Dit betekent dat de inrichting onverkort moet voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Ministeriële regeling. 6.2. Proceswaterlozing op zaksloot Wij zien wel aanleiding om ten aanzien van de proceswaterlozing in de bodem om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerk ten aanzien van bodembescherming kan in de situatie waarbij een onderzoek naar de bodemkwaliteit bij een verandering van de inrichting, indien het gelet op de aard of de mate waarin de inrichting verandert, nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen met het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem die kan of is ontstaan door een bodembedreigende activiteit (artikel 2.11, lid 2 Activiteitenbesluit). Spiraloh loost proceswater op een zaksloot van ongeveer 200 meter lang en 2 meter breed. Dit proceswater komt uit het proces van reverse osmose en is relatief schoon (zeker indien afgezet tegen mest dat ongezuiverd op het land wordt gebracht).
De kans dat er restanten van organische stoffen, antibiotica, biociden en voedingsstoffen in het afvalwater zitten, is gering, doch niet uit te sluiten. Het onderzoek is daarom ook tenminste gericht op deze componenten. Voor aanvang van de lozing van het proceswater moet de nulsituatie in beeld worden gebracht. Daartoe is een maatwerkvoorschrift gesteld.
W.Z17.104842.02
Pagina 39 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
6.3. Nulsituatieonderzoek, maatwerk Activiteitenbesluit Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over: De bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt; de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming; de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties.
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.
7.
ENERGIE EN VERVOERSMANAGEMENT
7.1. Energie relevante inrichtingen Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting. In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit namelijk als energierelevant bestempeld. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een verantwoord zuinig energiegebruik te komen. De aanvrager heeft op 19 juli 2019 een ‘Toetstabel BBT’s op basis van de ‘BREF Energy Efficiency’ van Geling Advies, ingediend. Met deze tabel is aangetoond dat wordt voldaan aan BBT. De aanvraag bevat geen energiebesparingsonderzoek. Om nog beter te kunnen vaststellen welke rendabele energiebesparende maatregelen voor de inrichting gelden, zijn aan de vergunning voorschriften verbonden waarin van de inrichting wordt verlangd dat het een energieplan opstelt met daarin opgenomen de te treffen energiebesparende maatregelen. 7.2. Vervoersmanagement niet relevant Wij hebben de vervoersbewegingen getoetst aan de relevantiecriteria genoemd in de Handreiking Vervoermanagement en vastgesteld dat er geen sprake van een vervoerrelevant bedrijf. Een verdere toetsing op dit onderdeel is niet nodig.
W.Z17.104842.02
Pagina 40 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
8.
EXTERNE VEILIGHEID
8.1. Algemeen Binnen de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig: Zwavelzuur in een IBC (1.000 liter) en in een opslagtank van 15 m3 Zoutzuur in een IBC (1.000 liter) Natronloog in een IBC (1.000 liter) IJzersulfaat in twee opslagtanks Olie (2.400 liter) in vaten Antischuimmiddel en polymeer worden gebruikt in het mestverwerkingsproces, maar deze stoffen vallen niet onder een ADR-klasse. Daarnaast wordt een bovengrondse tank met een inhoud van 13.000 liter gebruikt voor de opslag van propaan. Bij het vergistingsproces komt methaan vrij dat in silo’s wordt opgevangen onder een luchtdicht membraan. De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag, kunnen een risico vormen voor de omgeving. 8.2. Opslag gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen volgens de van toepassing zijnde richtlijnen, zoals PGS 15 (opslag gevaarlijk stoffen in verpakking) en PGS 30 (opslag dieselolie in een bovengrondse tank). Door te voldoen aan de richtlijnen uit de PGS, worden de risico's voldoende afgedekt. PGS 30 (opslag dieselolie in een bovengrondse tank) wordt voorgeschreven vanuit hoofdstuk 3 Activiteitenbesluit. PGS 15 is opgenomen in de vergunningvoorschriften. 8.3.
Opslag propaan in een bovengrondse tank De regels voor het opslaan van propaan in een bovengrondse tank komen uit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. 8.4. Opvang methaan Wij kunnen veiligheidsafstanden (plaatsgebonden risicocontour) en invloedsgebieden (groepsrisico) rond risicovolle inrichtingen of activiteiten bepalen op grond van berekende risico’s. Op grond van het rapport 620201001/2010 “Veiligheid grootschalige productie van biogas” liggen berekende risicocontouren van 10-6 op maximaal 50 meter van het middelpunt van de gashouders. De mestbe- en verwerkingsinstallatie aan de Beulekampersteeg 4 in Putten ligt op minimaal 160 meter afstand van omliggende bebouwing van derden. De handreiking bedrijven en milieuzonering adviseert een richtafstand van 100 meter rond installaties voor covergisting, verbranding en vergassing van mest, slib, GFT en reststromen voedingsindustrie (sbi-2008, 40). Dit is gebaseerd op afstanden van 100 meter voor geur en geluid, 50 meter voor stof en 30 meter voor veiligheid. Voor installaties voor covergisting is de afstand voor veiligheid licht onderschat (RIVM 2008 en 2010, zie verder onder ‘Rapporten RIVM externe veiligheid'). Bepalend voor veiligheid is de opslag van vergistingsgas. Volgens RIVM geldt voor veiligheid een afstand van 50 meter.