Beschikking eerste fase (Milieu)
Tekst van het document
*D211012489* D211012489
OMGEVINGSVERGUNNING Aanvrager Datum besluit Onderwerp Gemeente / locatie OLO-nummer Zaaknummer Activiteit(en)
: : : : : : :
Spiraloh B.V. 23 maart 2023 Wijziging bestaande co-vergistingsinstallatie Putten / Beulekampersteeg 4 te Putten 3582723 W.Z17.104842.02 Milieu (eerste fase)
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING I.
Onderwerp
Op 23 mei 2018 hebben wij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Spiraloh B.V. Het betreft het beëindigen van de veehouderijtak van het bedrijf, het verder optimaliseren en beter benutten van de capaciteit van de mestvergistingsinstallatie en het verder verwerken van mest en digestaat. Binnen de inrichting is er vergunning aanwezig voor het jaarlijks verwerken van 24.500 ton dierlijke mest en maximaal 6.000 ton co-producten. De aanvraag gaat over het verhogen van de doorzet naar maximaal 135.000 ton dierlijke mest en 15.000 ton co-producten, waarbij mest en digestaat verder verwerkt worden tot een dikke fractie, mineralenconcentraat en water. Het voorgenomen project wordt gerealiseerd binnen de inrichting van Loonbedrijf Dekker, gelegen aan de Beulekampersteeg 4 te Putten. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 3582723. Om dit project te realiseren is een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nodig voor de activiteiten bouwen, afwijken bestemmingsplan en het veranderen van de inrichting. Verder is een vergunning nodig op grond van de Wet natuurbescherming. De omgevingsvergunning wordt in twee fasen aangevraagd. In dit besluit wordt besloten over fase 1.
Deze fase betreft: - het veranderen van de inrichting vanwege het uitbreiden van de covergistingsinstallatie, het verwerken van mest en het beëindigen van de veehouderijtak. Fase 2 betreft de omgevingsvergunning bouwen en afwijken bestemmingsplan. II.
Besluit
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en –regelingen:
aan Spiraloh B.V. een (omgevings)vergunning eerste fase beschikking milieu te verlenen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (het veranderen van een inrichting) en artikel 2.5 van de Wabo, voor het verhogen van de doorzet van dierlijke mest naar maximaal 135.000 ton dierlijke mest en 15.000 ton co-producten en het verwerken van mest en digestaat tot een dikke fractie, mineralenconcentraat en water; de revisievergunning van 26 april 2011 (kenmerk M033/10) gedeeltelijk, namelijk voor het houden van vee (28 stuks fokstieren, 130 stuks legkippen en 155 vleesvarkens), in te trekken; aan de verlening van de vergunning voorschriften te verbinden die staan in het hoofdstuk ‘voorschriften’ van dit besluit; de voorschriften uit hoofdstuk 8 (betreft het houden van dieren) van de revisievergunning van 26 april 2011 (kenmerk M 033/10), in te trekken; de voorschriften uit hoofdstuk 2 (geluid) en hoofdstuk 3 (geur) van de revisievergunning van 26 april 2011 (kenmerk M 033/10), in te trekken en te vervangen door de voorschriften zoals opgenomen in deze vergunning onder hoofdstuk 7 (geluid) en hoofdstuk 8 (geur); maatwerkvoorschriften te verbinden voor het thema luchtkwaliteit op grond van artikel 2.7 eerste lid van het Activiteitenbesluit wegens technische kenmerken van de fakkelinstallatie; maatwerkvoorschriften te verbinden voor het thema bodem op grond van artikel 2.2, derde lid
van het Activiteitenbesluit vanwege een benodigd onderzoek naar de kwaliteit van de bodem voor het vastleggen van de nulsituatie;
W.Z17.104842.02
Pagina 2 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
III.
op de voorbereiding van het besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften, Afdeling 3.4 van de Algemene Wet bestuursrecht van toepassing te verklaren. Ondertekening en verzending
Nijmegen, 23 maart 2023 Het College van Gedeputeerde Staten van Gelderland, namens deze:
De heer R.F.J. Tophoven, Hoofd Afdeling Vergunningverlening Omgevingsdienst Regio Nijmegen Dit besluit is digitaal goedgekeurd en daarom niet ondertekend.
W.Z17.104842.02
Pagina 3 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
RECHTSBESCHERMING UITGEBREIDE PROCEDURE WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERPBESLUIT Tegen het ontwerpbesluit zijn zienswijzen ingebracht. Ten opzichte van het ontwerpbesluit is het besluit gewijzigd. INWERKING TREDEN BESLUIT Dit besluit treedt nog niet in werking. Er is sprake van een aanvraag in twee fasen (artikel 2.5 Wabo) en dit besluit heeft betrekking op fase 1. Het besluit zal tegelijkertijd met de omgevingsvergunning voor fase 2 in werking treden. PUBLICATIE Dit besluit wordt bekendgemaakt d door de Provincie Gelderland op de landelijke website www.overheid.nl. Deze website kunt u benaderen via https://www.gelderland.nl/besluiten. Klik op de tekst “Overzicht van de bekendmakingen van provincie Gelderland”. MOGELIJKHEID VAN INZIEN Het besluit en de bijbehorende stukken liggen gedurende een termijn van zes weken ter inzage. Wilt u de stukken inzien, bel dan 024 751 7700 of stuur met vermelding van het OLO en/of zaaknummer een email naar wabo@odrn.nl. De eerste dag van de ter inzage legging is 28 maart 2023. BEROEP EN MOGELIJKHEID VAN VOORLOPIGE VOORZIENING Belanghebbenden en degene die een zienswijze hebben ingediend kunnen een beroepschrift indienen bij de rechtbank Gelderland. Een beroepschrift moet gestuurd worden aan de rechtbank Gelderland, team bestuursrecht, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Het beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken vanaf de dag na de dag waarop het besluit ter inzage is gelegd. Het beroepschrift moet zijn ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht, waaronder het zaaknummer en datum van het besluit; d. de gronden van het beroep. Wanneer een beroepschrift wordt ingediend kan tevens een verzoek om een voorlopige voorziening worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, team bestuursrecht, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Alleen wanneer binnen de beroepstermijn een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan, wordt de inwerkingtreding van het besluit opgeschort. Voor individuele burgers (niet voor advocaten en ook niet voor gemachtigden namens een bedrijf of een organisatie) bestaat de mogelijkheid digitaal beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Voor het behandelen van een verzoek om een voorlopige voorziening moet griffierecht worden betaald aan de Rechtbank. Meer informatie kunt u vinden op www.rechtspraak.nl.
W.Z17.104842.02
Pagina 4 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
INHOUDSOPGAVE VOORSCHRIFTEN
1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN ................................................................................................................ - 8 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8
2
AFVALSTOFFEN ................................................................................................................................... - 10 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
3
ALGEMEEN.............................................................................................................................................- 17 REPRESENTATIEVE BEDRIJFSSITUATIE ...........................................................................................................- 18 INCIDENTELE BEDRIJFSSITUATIES .................................................................................................................- 19 SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN ......................................................................................................................- 19 -
GEUR .................................................................................................................................................. - 20 8.1 8.2 8.3
9
OPSLAGVOORZIENINGEN VOOR VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN (PGS 15 OPSLAGEN) .........................................- 16 OPSLAG ZWAVELZUUR IN VERPAKKING .........................................................................................................- 17 FAKKELS ................................................................................................................................................- 17 -
GELUID ............................................................................................................................................... - 17 7.1 7.2 7.3 7.4
8
ENERGIE ................................................................................................................................................- 16 -
EXTERNE VEILIGHEID .......................................................................................................................... - 16 6.1 6.2 6.3
7
MAATWERKVOORSCHRIFTEN BODEMLOZING .................................................................................................- 15 -
ENERGIE .............................................................................................................................................. - 16 5.1
6
ALGEMEEN.............................................................................................................................................- 14 PROCESWATER DAT WORDT GELOOSD OP DE BODEM ......................................................................................- 14 -
BODEM ............................................................................................................................................... - 15 4.1
5
AFVALSCHEIDING.....................................................................................................................................- 10 GEVAARLIJKE AFVALSTOFFEN .....................................................................................................................- 10 OPSLAG VAN AFVALSTOFFEN ......................................................................................................................- 11 ACCEPTATIE VAN AFVALSTOFFEN ................................................................................................................- 11 BEDRIJFSVOERING....................................................................................................................................- 12 REGISTRATIE ...........................................................................................................................................- 13 -
AFVALWATER ..................................................................................................................................... - 14 3.1 3.2
4
ALGEMEEN............................................................................................................................................... - 8 BEDRIJFSMILIEUZORG ................................................................................................................................. - 8 INSPECTIE, KEURING EN ONDERHOUD ............................................................................................................. - 8 BEDRIJFSTIJDEN......................................................................................................................................... - 9 TERREIN VAN DE INRICHTING EN TOEGANKELIJKHEID ......................................................................................... - 9 INSTRUCTIES ............................................................................................................................................. - 9 REGISTRATIE ............................................................................................................................................. - 9 BEDRIJFSBEËINDIGING ..............................................................................................................................- 10 -
ALGEMEEN.............................................................................................................................................- 20 MAATREGELEN .......................................................................................................................................- 20 METINGEN EN RAPPORTAGE ......................................................................................................................- 20 -
LUCHT ................................................................................................................................................. - 21 9.1 9.2
BIOGAS .................................................................................................................................................- 21 LUCHTWASSER ........................................................................................................................................- 21 -
W.Z17.104842.02
Pagina 5 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
9.3 9.4 10
BIOBED .................................................................................................................................................- 22 FAKKELINSTALLATIE ..................................................................................................................................- 22 PROCESINSTALLATIES...................................................................................................................... - 22 -
10.1 10.2 10.3 10.4
LUCHT ...................................................................................................................................................- 22 MEET-, REGEL- EN BEVEILIGINGSAPPARATUUR...............................................................................................- 23 VEILIGHEIDSTOESTELLEN ...........................................................................................................................- 23 PROCESINSTALLATIES................................................................................................................................- 23 -
OVERWEGINGEN
1.
PROCEDURELE ASPECTEN ................................................................................................................... - 24 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5. 1.6. 1.7. 1.8. 1.9.
2.
TOETSINGSKADER MILIEU ................................................................................................................... - 31 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7.
3.
AFVALSTOFFEN ALGEMEEN ........................................................................................................................- 35 MENGEN VAN NIET GEVAARLIJKE AFVALSTOFFEN............................................................................................- 36 DOELMATIG BEHEER VAN AFVALSTOFFEN......................................................................................................- 36 AV-BELEID EN AO/IC ..............................................................................................................................- 37 REGISTRATIE ...........................................................................................................................................- 38 CONCLUSIE.............................................................................................................................................- 38 -
AFVALWATER EN WATERBESPARING .................................................................................................. - 38 5.1. 5.2. 5.3.
6.
TOETSINGSKADER ....................................................................................................................................- 34 CONCRETE BEPALING BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN....................................................................................- 34 CONCLUSIES BBT ....................................................................................................................................- 35 -
AFVALSTOFFEN ................................................................................................................................... - 35 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5. 4.6.
5.
INLEIDING ..............................................................................................................................................- 31 TOETSING VERANDEREN ............................................................................................................................- 31 ACTIVITEITENBESLUIT ...............................................................................................................................- 31 MESTSTOFFENWET EN VERORDENING DIERLIJKE BIJPRODUCTEN.........................................................................- 32 WET NATUURBESCHERMING ......................................................................................................................- 32 TOETSING MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .........................................................................................................- 32 OMGEVINGSVISIE GELDERLAND ..................................................................................................................- 33 -
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN ...................................................................................................... - 34 3.1. 3.2. 3.3.
4.
AANVRAAG ............................................................................................................................................- 24 PROJECTBESCHRIJVING .............................................................................................................................- 24 IPPC-INSTALLATIES..................................................................................................................................- 25 BEVOEGD GEZAG .....................................................................................................................................- 26 VOLLEDIGHEID AANVRAAG ........................................................................................................................- 26 PROCEDURE ...........................................................................................................................................- 26 ZIENSWIJZEN ..........................................................................................................................................- 26 COÖRDINATIE WATERWET ........................................................................................................................- 30 ADVIEZEN ..............................................................................................................................................- 30 -
HET TOETSINGSKADER ..............................................................................................................................- 38 DE GEVOLGEN VAN DE AANGEVRAAGDE ACTIVITEITEN .....................................................................................- 39 BEOORDELING EN CONCLUSIE.....................................................................................................................- 39 -
BODEM ............................................................................................................................................... - 39 6.1.
ACTIVITEITENBESLUIT ...............................................................................................................................- 39 -
W.Z17.104842.02
Pagina 6 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
6.2. 6.3. 7.
PROCESWATERLOZING OP ZAKSLOOT ...........................................................................................................- 39 NULSITUATIEONDERZOEK, MAATWERK ACTIVITEITENBESLUIT ...........................................................................- 40 -
ENERGIE EN VERVOERSMANAGEMENT............................................................................................... - 40 7.1. 7.2.
8.
ENERGIE RELEVANTE INRICHTINGEN.............................................................................................................- 40 VERVOERSMANAGEMENT NIET RELEVANT .....................................................................................................- 40 -
EXTERNE VEILIGHEID .......................................................................................................................... - 41 8.1. 8.2. 8.3. 8.4. 8.5.
9.
ALGEMEEN.............................................................................................................................................- 41 OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN...................................................................................................................- 41 OPSLAG PROPAAN IN EEN BOVENGRONDSE TANK ...........................................................................................- 41 OPVANG METHAAN .................................................................................................................................- 41 BOUWBESLUIT 2012 ...............................................................................................................................- 42 -
GELUID ............................................................................................................................................... - 42 9.1. 9.2. 9.3. 9.4. 9.5. 9.6. 9.7.
10.
ALGEMEEN.............................................................................................................................................- 42 LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU ................................................................................................- 42 MAXIMALE GELUIDNIVEAU’S (LAMAX) ...........................................................................................................- 43 INDIRECTE HINDER...................................................................................................................................- 44 OPLEVERCONTROLE .................................................................................................................................- 44 CONCLUSIES ...........................................................................................................................................- 44 TRILLINGEN ............................................................................................................................................- 45 GEUR............................................................................................................................................... - 45 -
10.1. 10.2. 10.3. 10.4. 11.
LUCHT ............................................................................................................................................. - 47 -
11.1. 11.2. 11.3. 11.4. 11.5. 11.6. 12.
ALGEMEEN ..................................................................................................................................- 45 PROVINCIAAL BELEID......................................................................................................................- 45 ACCEPTABEL GEURHINDERNIVEAU ....................................................................................................- 45 GEURVOORSCHRIFT(EN) .................................................................................................................- 47 -
TOETSINGSKADER ..........................................................................................................................- 47 PUNTBRONEMISSIES VAN PROCESINSTALLATIES ...................................................................................- 48 EMISSIES VAN STOOKINSTALLATIES, NIET ZIJNDE EEN GROTE STOOKINSTALLATIE .........................................- 49 LUCHTKWALITEIT...........................................................................................................................- 49 PRTR-VERSLAG ............................................................................................................................- 50 EINDCONCLUSIE ASPECT LUCHT ........................................................................................................- 51 -
VOLKSGEZONDHEID ........................................................................................................................ - 51 -
12.1. 12.2. 12.3.
ALGEMEEN ..................................................................................................................................- 51 GEBRUIKTE RAPPORTEN ..................................................................................................................- 51 BEOORDELING EN CONCLUSIE ..........................................................................................................- 52 -
13.
ONGEWONE VOORVALLEN ............................................................................................................. - 53 -
14.
OVERIGE ASPECTEN ........................................................................................................................ - 54 -
14.1. 14.2. 14.3. 15.
BEDRIJFSBEËINDIGING ....................................................................................................................- 54 REACH ........................................................................................................................................- 54 PROEFNEMINGEN..........................................................................................................................- 54 -
CONCLUSIE ...................................................................................................................................... - 54 -
W.Z17.104842.02
Pagina 7 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
VOORSCHRIFTEN 1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
1.1
Algemeen
1.1.1
De inrichting moet zijn ingericht en in werking zijn overeenkomstig de bedrijfsbeschrijving zoals opgenomen in de documenten ‘Milieuverantwoord ondernemen’ bijlage 2 en bijlage 3, d.d. 11-07-2019 van Geling Advies, welke deel uitmaken van de aanvraag.
1.1.2
Een ongewoon voorval als bedoeld in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer moet zo spoedig mogelijk telefonisch worden gemeld aan het Provincieloket van de provincie Gelderland: (026) 359 99 99.
1.2
Bedrijfsmilieuzorg
1.2.1
Vergunninghouder moet een milieuzorgsysteem invoeren en naleven hetgeen onder andere inhoudt: a) Het definiëren van een milieubeleid voor de installatie door het management; b) Het plannen en vaststellen van de noodzakelijke procedures; c) Het invoeren van procedures met aandacht voor structuur & verantwoordelijkheid, training, bewustzijn, communicatie, documentatie, procescontrole, onderhoudsprogramma, noodgevallen, beschermingsmaatregelen; d) Controle op prestaties en correctieve acties; e) Beoordeling en evaluatie door het management; f) Het zorgsysteem en de audit-procedure laten onderzoeken en valideren door een geaccrediteerd certificatiebureau of een externe MBS-verificateur; g) Het voorbereiden en publiceren van een periodieke milieuverklaring waarin alle belangrijke milieuaspecten van de installatie beschreven worden. Deze publicatie moet het mogelijk maken om een jaarlijkse vergelijking met de opgestelde milieudoelen en met het sector benchmark te kunnen maken; h) Het invoeren en naleven van een internationaal aanvaard vrijwillig systeem zoals EMAS of ISO 14 001; i) Aandacht besteden aan de milieu-impact van het eventueel ontmantelen van de installatie op het moment van het ontwerpen van een nieuwe installatie; j) Aandacht besteden aan de ontwikkeling van schonere technologieën; k) Het waar mogelijk regelmatig benchmarken van de sector.
1.3
Inspectie, keuring en onderhoud
1.3.1
Er moet een inspectie- en onderhoudssysteem zijn dat periodiek onderhoud en controle van installaties met een afdoende frequentie en diepgang waarborgt. Het inspectie- en onderhoudssysteem moet opgezet zijn voordat de installaties in gebruik worden genomen.
1.3.2
Het inspectie- en onderhoudssysteem moet ten minste bevatten: - een beschrijving van de organisatie; - een beschrijving en inhoud van functies binnen de organisatie; - de verantwoordelijkheden van de betrokken functionarissen; - de onderdelen van de inrichting die aan inspectie en onderhoud worden onderworpen;
W.Z17.104842.02
Pagina 8 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
- een beschrijving van de preventieve onderhoudsactiviteiten (volgorde en frequentie); - de wijze waarop registraties, interne en externe rapportage plaatsvinden. 1.4
Bedrijfstijden
1.4.1
De inrichting mag in werking zijn van maandag tot en met zondag volgens de bedrijfstijden die zijn genoemd in paragraaf 3.2 van het ‘Akoestisch onderzoek Beulekampersteeg 4 te Putten’, rapportnummer 3984ao0116 v5, d.d. 9 april 2020.
1.4.2
Op zondag mag geen aan- en afvoer en laden en lossen ten behoeve van de vergisting of mestverwerking plaatsvinden.
1.5
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
1.5.1
Procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen die aangereden kunnen worden door verkeer moeten afdoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie.
1.5.2
De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van niet tot de inrichting horende woningen wordt voorkomen.
1.6
Instructies
1.6.1
Voor het vergistingsproces en het mestverwerkingsproces moeten bedieningsvoorschriften of procedures zijn opgesteld waarin ten minste het onderstaande is opgenomen: - de handelingen bij het opstarten, het volgen en het stoppen van een proces; - de hoeveelheden en wijze van volgorde van doseren van de voor het proces noodzakelijke stoffen; - de procesomstandigheden voor een normaal procesverloop (proceswindow); - de te treffen maatregelen bij bovennormale procesomstandigheden die tot een gevaarlijke situatie kunnen leiden en de te volgen noodstopprocedures; - de te volgen schoonmaakprocedures van de installatie.
1.7
Registratie
1.7.1
Binnen de inrichting dient een milieulogboek te worden bijgehouden. Het milieulogboek dient tenminste te bevatten: a. een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag); b. alle overige voor de inrichting geldende vergunningen en meldingen; c. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; d. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen.
1.7.2
Van de werking van de gasmotoren moet een logboek worden bijgehouden waarin aantekening wordt gehouden van: a. datum, tijdstippen en tijdsduur gedurende welke de gasmotor niet conform de vergunning in bedrijf is geweest;
b.
de oorzaken van het buiten bedrijf zijn van de gasmotor;
W.Z17.104842.02
Pagina 9 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
c.
de maatregelen die zijn/of worden genomen om de gasmotor weer conform de vergunning te doen functioneren
1.7.3
Van (het gebruik van) de fakkelinstallatie moeten de gegevens zoals benoemd in voorschrift 9.3.4 van deze vergunning, in een logboek worden vastgelegd.
1.7.4
Van het onderhoud en de inspectie van het biobed moet verslag worden gelegd in een logboek.
1.7.5
Van het onderhoud en de inspectie van de luchtwasser moet verslag worden gelegd in een logboek.
1.7.6
De documenten genoemd in deze paragraaf moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.
1.8
Bedrijfsbeëindiging
1.8.1
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de te beëindigen activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
1.8.2
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
2
AFVALSTOFFEN
2.1 2.1.1
Afvalscheiding Vergunninghouder is verplicht om, naast de genoemde afvalstromen in de vigerende vergunning, de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: -spuiwater afkomstig van de luchtwasser in de mestverwerkingsloods.
2.2
Gevaarlijke afvalstoffen
2.2.1
Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen, die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen.
2.2.2
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel niet met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan of een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
W.Z17.104842.02
Pagina 10 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
2.3
Opslag van afvalstoffen
2.3.1
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
2.4
Acceptatie van afvalstoffen
2.4.1
In de inrichting mag in totaal maximaal 15.000 ton van de hieronder vermelde afvalstoffen (uitgezonderd dierlijke mest) per kalenderjaar worden geaccepteerd. Afvalstof
Euralcode
Nader omschreven
02 01 Afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht, visserij Afval van plantaardige weefsels
02.01.03
Voornamelijk van een fabriek afkomstige graanresten
Dierlijke feces, urine en mest 02.01.06 Mest (voornamelijk varkensmest, klein (inclusief stro), afval water, deel rundveemest) gescheiden ingezameld en elders verwerkt 02 02 Afval van de bereiding en verwerking van vlees, vis en ander voedsel van dierlijke oorsprong Voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02.02.03
Ongeboren mest
02 03 Afval van voedingsmiddelenindustrie (o.a. aardappelverwerking, genotmiddelen, groenten en fruit) Slib van wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren en scheiden
02 03 01
Voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02.03.04
Graanresten, havermout, aardappelen, breukmais
02 05 Afval van de zuivelindustrie Voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02.05.01
02 06 Afval van bakkerijen en de banketbakkersindustrie Voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02.06.01
07 06 Afval van BFLG van vetten, smeermiddelen, zepen, detergenten, desinfecterende middelen en cosmetische producten Waterige wasvloeistoffen en moederlogen Niet elders genoemd afval
07 06 01
Glycerine
07.06.99
Glycerine rechtstreeks van de fabriek voor productie van biodiesel afkomstig
16 Niet elders in de lijst genoemd afval Organisch afval dat geen gevaarlijke stoffen bevat
2.4.2
16.03.06
glycerine (of bijproduct vergelijkbaar met glycerine) uit een specifieke fabriek
Indien vergunninghouder een afvalstof wil accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in bovenstaande tabel, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter
W.Z17.104842.02
Pagina 11 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
goedkeuring aan bevoegd gezag gezonden worden. In het verzoek moet het volgende vermeld worden: a. omschrijving van de afvalstof; b. euralcode; c. met welke reeds vergunde euralcode de afvalstof overeenkomt; d. wijze van acceptatie, verwerking en opslag; e. dat er sprake is van vergelijkbare milieu hygiënische aspecten (gemotiveerd); f. dat er geen sprake kan zijn van ZZS (gemotiveerd); g. dat de totale vergunde opslag- en verwerkingscapaciteit niet wijzigt. De te accepteren afvalstof moet voorkomen op de lijst van bijlage Aa, onderdeel IV uit de Uitvoeringsregeling meststoffenwet en mag niet eindigen op .99. 2.4.3
De vergunninghouder moet altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en de AO/IC.
2.4.4
Het AV-beleid en de AO/IC moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.
2.4.5
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. Pas na toestemming van bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd worden. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden: a. de reden tot wijziging; b. de aard van de wijziging; c. de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het AV-beleid en de AO/IC; d. de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren.
2.4.6
Indien bij de controle van aangevoerde afvalstoffen blijkt dat deze niet mogen worden geaccepteerd, moeten deze afvalstoffen door vergunninghouder worden afgevoerd naar een inrichting die beschikt over de vereiste vergunning(en). Deze handelwijze moet steeds in het acceptatiereglement van het AV-beleid en AO/IC zijn vastgelegd.
2.5
Bedrijfsvoering
2.5.1
Binnen de inrichting mogen per kalenderjaar niet meer dan de hieronder aangegeven hoeveelheden afvalstoffen worden verwerkt. Dierlijke mest Mais/gras Vaste co-producten Vloeibare co-producten Glycerine Totale aanvoer mest en co-producten
1.000 ton 10.000 ton 10.000 ton 5.000 ton
135.000 ton som van deze coproducten 15.000 ton 150.000 ton
2.5.2
De binnen de inrichting ontstane afvalstoffen moeten met het oog op hergebruik naar soort worden gescheiden, gescheiden blijven, verzameld, bewaard en gescheiden worden afgevoerd.
2.5.3
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur,
W.Z17.104842.02
Pagina 12 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen. 2.6
Registratie
2.6.1
In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen en van alle aangevoerde stoffen die bij de verwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende moet worden vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangevoerde hoeveelheid (kg); c. de naam en adres van de locatie van herkomst; d. de naam en adres van de ontdoener; e. de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen; f. de euralcode; g. het afvalstroomnummer (indien van toepassing).
2.6.2
Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangeboden hoeveelheid (kg); c. de naam en adres van plaats herkomst d. de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd; e. de euralcode; f. het afvalstroomnummer (indien van toepassing).
2.6.3
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd moeten worden bepaald door middel van een op de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
2.6.4
Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.
2.6.5
Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar moet een sluitende massabalans over het voorgaande jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden. In deze balans moet duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de aard van de stoffen. De balans moet het volgende bevatten: a. de voorraad grondstoffen en afvalstoffen aan het begin en aan het einde van het voorafgaande jaar; b. de ontvangen hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar; c. de verwerkte hoeveelheden grondstoffen afvalstoffen in dat jaar; d. de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en deelstromen en eindproducten (inclusief vermelding van bestemming); e. een verklaring van de verschillen in de massabalans.
2.6.6
Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar op de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.
W.Z17.104842.02
Pagina 13 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
3
AFVALWATER
3.1
Algemeen
3.1.1
Spuiwater afkomstig van de luchtwasser in de mestverwerkingsloods moet worden opgevangen in een silo en moet worden afgevoerd door een erkende inzamelaar. Van de afgiften moeten bewijzen worden bewaard.
3.2
Proceswater dat wordt geloosd op de bodem
3.2.1
Het te lozen bedrijfsafvalwater, afkomstig van het osmoseproces, mag een hoeveelheid van 100.000 m3 per jaar en 12 m3 per uur niet overschrijden. De hoeveelheden moeten per kalenderweek en kalenderjaar worden gemeten en geregistreerd. Deze gegevens zijn binnen de inrichting aanwezig en direct beschikbaar voor de toezichthouder.
3.2.2
Het afvalwater, afkomstig van het osmoseproces, moet door een doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening worden geleid.
3.2.3
In het bedrijfsafvalwater dat afkomstig is van het osmoseproces, gemeten ter plaatse van de controlevoorziening, mogen de concentraties en de vrachten aan in de onderstaande tabel genoemde stoffen, niet worden overschreden. Lozingseis
Lozingseis
Emissie-
Per individueel
Voortschrijdend gemiddelde van 10
waarde BAT-
steekmonsters
conclusion’ (9)
steekmonster
eenheid
AEL in ‘draft FDM BREF-
Voorzorgparameters Bacteriën (Echerichia coli,
<2000
kve/100 ml
Intestinale enterococcen) Klassieke parameters CZV (chemisch zuurstof
30 – 100
150
50
mg/l
30
10
pH (zuurgraad)
6–9
6–9
Onopgeloste bestanddelen
60
20
4 - 65
mg/l
P-tot (totaal fosfor)
1,5
0,5
0,2 - 6
mg/l
N-tot (totaal stikstof)
<10
<6
2 – 20
mg/l
Zuurstof
>3
mg/l
Temperatuur
<30
graden C
verbruik) BZV (biochemisch zuurstof
mg/l
verbruik)
3.2.4
De vergunninghouder zorgt ervoor dat het debiet continu wordt gemeten (continue debietmeting met registratie), dat de steekbemonstering direct na de omgekeerde osmose kan worden uitgevoerd en dat de steekbemonstering ter plaatse van het infiltratiebed kan worden uitgevoerd.
3.2.5
Afvalwaterbemonstering en het conserveren van afvalwatermonsters moet worden uitgevoerd met gekalibreerde meters volgens de volgend NEN-voorschriften: -Afvalwaterbemonstering en conservering: NEN 6600-1 (2009) -Conserveren van watermonsters: NEN-EN-ISO 5667-3.
W.Z17.104842.02
Pagina 14 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
3.2.6
De vergunninghouder bewaakt de kwaliteit van het afvalwater door het door alle parameters in volumeproportioneel en enig steekmonster conform onderstaand bemonsterings- en analyseplan.
Parameters
Monitoringsfrequentie (in eerste maand na in gebruik name van de installatie) Dagelijks Wekelijks
Debiet
Monitoringsfrequentie (na eerste maand na in gebruik name van de installatie) Wekelijks Maandelijks Continu
E coli (totaal)
X
CZV (chemisch zuurstof
X
X
X
X
verbruik) BZV (biochemisch zuurstof verbruik) pH (zuurgraad)
Continu
Onopgeloste bestanddelen
X
P-tot (totaal fosfor)
X
N-tot (totaal stikstof)
X
Zuurstof
X X X
X
Temperatuur
X Continu
3.2.7
De vergunninghouder bewaakt de kwaliteit van het afvalwater door een continue meting en registratie van het elektrisch geleidend vermogen (EGV).
3.2.8
Na drie maanden volgens bovenstaande meetfrequentie te hebben gemeten, kan de vergunninghouder verzoeken om een alternatieve methode van kwaliteit bewaken, bijvoorbeeld door aan te tonen dat de continue meting en registratie van het EGV voldoende functioneert als indicator voor opgeloste stoffen als fosfor en stikstof. De alternatieve methode moet eerst worden goedgekeurd door het bevoegd gezag alvorens deze kan worden ingezet als alternatief.
4
BODEM
4.1
Maatwerkvoorschriften bodemlozing
4.1.1
Op de locatie van de zaksloot, wordt vóór aanvang van de bodemlozing, een onderzoek naar de bodemkwaliteit uitgevoerd en het rapport met de resultaten moet worden toegestuurd aan het bevoegd gezag.
4.1.2
Het onderzoek respectievelijk de rapportage worden uitgevoerd onderscheidenlijk opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
4.1.3
Het onderzoek voldoet aan NEN 5740 en richten zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden dan wel zullen plaatsvinden.
W.Z17.104842.02
Pagina 15 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
5
ENERGIE
5.1
Energie
5.1.1
Binnen zes maanden nadat de vergunning in werking is getreden, moet de vergunninghouder de rapportage van een energie onderzoek aan het bevoegd gezag aanbieden. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. Het energie efficiëntie plan moet de volgende elementen bevatten: a. een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (eventueel per bedrijfsonderdeel); b. een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van het totale object met een toedeling van ten minste 90% van het totale energiegebruik aan individuele installaties en (deel)processen en waarin ook de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus, zijn weergegeven; c. per maatregel (techniek/voorziening): 1. de jaarlijkse energiebesparing | 2. de (meer) investeringskosten | 3. de verwachte economische levensduur | 4. de jaarlijkse besparing op de energiekosten op basis van de energietarieven die tijdens het onderzoek gelden | 5. een schatting van eventuele bijkomende kosten en baten anders dan samenhangende met energiebesparing | 6. de onderbouwing en de conclusie dat de maatregel rendabel of niet rendabel is; d.
een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good house keeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing. e. een energie uitvoeringsplan voor de energiebesparende maatregelen. In het energie uitvoeringsplan is ten minste voor alle rendabele maatregelen (technieken en voorzieningen) aangegeven wanneer die zullen worden getroffen. Als er rendabele maatregelen zijn die niet zullen worden uitgevoerd, dan wordt dat in het plan gemotiveerd.
5.1.2
Het energieonderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het energie onderzoek worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift.
5.1.3
Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door de rendabele maatregelen uit het energie uitvoeringsplan uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het energie uitvoeringsplan is aangegeven.
5.1.4
Vergunninghouder moet eenmaal per vier jaar het energie onderzoek actualiseren en ter beoordeling zenden aan het bevoegd gezag.
6
EXTERNE VEILIGHEID
6.1
Opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen)
6.1.1
De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die vallen onder de ADR-klassen, zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 "Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2016 versie 1.0 (september 2016)) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3 van voornoemde richtlijn, met uitzondering van het voorschrift 3.4.12 en de voorschriften van de paragrafen 3.8 en 3.9.
W.Z17.104842.02
Pagina 16 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
6.2
Opslag zwavelzuur in verpakking
6.2.1
De verpakking van zwavelzuur moet bestand zijn tegen normale behandeling en is zodanig dat niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen.
6.2.2
Leidingen aangesloten op een verpakking met zwavelzuur a. moeten bovengronds zijn aangelegd in een daartoe speciaal aangelegde goot; b. zijn bestand tegen de daardoor getransporteerde stoffen en zijn vloeistofdicht uitgevoerd; c. worden periodiek gecontroleerd op vloeistofdichtheid.
6.2.3
In elke aansluiting op de verpakkingen met zwavelzuur, is een afsluiter geplaatst. De afsluiter is zodanig uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend dan wel is gesloten.
6.2.4
Leidingen die beneden het hoogste vloeistofniveau zijn aangesloten en waarin door hevelwerking product uit de tank kan stromen, zijn voorzien van een anti-hevel voorziening.
6.3
Fakkels
6.3.1
Het fakkelsysteem moet zo min mogelijk worden gebruikt en alleen als dit in verband met een veilige “start up” of “shut down” noodzakelijk is, of tijdens een noodsituatie.
6.3.2
De fakkelinstallatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, en zodanig worden geïnspecteerd, getest en onderhouden, dat te allen tijde ontsteking van de aan de fakkel toegevoerde brandbare dampen en/of gassen is verzekerd.
6.3.3
Bij een defect in het fakkelsysteem moet het fakkelsysteem onmiddellijk en op een veilige wijze buiten bedrijf worden gesteld en gerepareerd. De installaties die op het defecte fakkelsysteem zijn aangesloten, moeten daarbij buiten bedrijf worden gesteld, tenzij de functie van het defecte fakkelsysteem tijdelijk door een ander fakkelsysteem is overgenomen.
7
GELUID
7.1
Algemeen
7.1.1
Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.
7.1.2
Binnen 6 maanden nadat de inrichting in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidvoorschriften van dit hoofdstuk wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.
7.1.3
Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek en over de datum en het tijdstip waarop de geluidmetingen voor het in voorschrift 7.1.2 bedoelde onderzoek gaat plaatsvinden. Uitsluitend na toestemming van het bevoegd gezag kan worden overgegaan tot het uitvoeren van het onderzoek.
W.Z17.104842.02
Pagina 17 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden. 7.2
Representatieve bedrijfssituatie
7.2.1
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en omschrijving
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) Dag
Avond
Nacht
07.00 -
19.00 -
23.00 -
19.00 uur
23.00 uur
07.00 uur
Veldwijkweg 19
42
39
35
Veldwijkweg 21
40
39
35
Voorthuizerstraat 234
38
35
33
Voorthuizerstraat 232
35
32
30
Huinerschoolweg 13
25
26
24
Beulekampersteeg 7
30
29
27
50 m – noord
40
36
33
50 m – oost
40
37
34
50 m – west 37 36 34 De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 2 van het akoestisch rapport van G&O-consult d.d. 9 april 2020. De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is respectievelijk 1,5/ 5 / 5 m boven plaatselijk maaiveld. De beoordelingshoogte ingeval de referentiepunten noord-oost-west is in alle etmaalperioden 5 meter boven plaatselijk maaiveld.
7.2.2
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en omschrijving
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) Dag
Avond
Nacht
07.00 -
19.00 -
23.00 -
19.00 uur
23.00 uur
07.00 uur
Veldwijkweg 19
61
64
641
Veldwijkweg 21
60
64
641
Voorthuizerstraat 234
52
54
51
Voorthuizerstraat 232
49
51
50
Huinerschoolweg 13
43
44
42
Beulekampersteeg 7
45
47
47
50 m – noord
54
54
51
50 m – oost
53
53
50
50 m – west
53
53
50
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 2 van het akoestisch rapport van G&O-consult d.d. 9 april 2020. De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is
W.Z17.104842.02
Pagina 18 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
respectievelijk 1,5 /5/5 m boven plaatselijk maaiveld. De beoordelingshoogte ingeval de referentiepunten noord-oost-west is in alle etmaalperioden 5 meter boven plaatselijk maaiveld. 1 Alleen de tractor loonwerk en de vrachtwagens vergisting + wegen (derden) mogen een maximaal geluidniveau van 64 dB(A) veroorzaken voor de overige activiteiten geldt een norm van 60 dB(A).
7.3
Incidentele bedrijfssituaties
7.3.1
In het hoogseizoen gedurende ten hoogste 8 dagen (niet op zondagen) mogen tractoren gewogen worden met geoogst product naast de representatieve bedrijfssituatie. In de dagperiode mogen maximaal 90 tractoren en in de avondperiode 10 tractoren gewogen worden. Tijdens het wegen mogen de tractoren stationair in bedrijf zijn.
7.3.2
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag tijdens de incidentele bedrijfssituatie op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en omschrijving
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) Dag
Avond
07.00 -19.00 uur
19.00 -23.00 uur
Veldwijkweg 19
44
42
Veldwijkweg 21
43
42
Voorthuizerstraat 234
38
35
Voorthuizerstraat 232
35
33
Huinerschoolweg 13
25
26
Beulekampersteeg 7
33
31
50 m – noord
41
36
50 m – oost
41
37
50 m – west
37
36
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 2 van het akoestisch rapport van G&O-consult d.d. 20 mei 2019. De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is respectievelijk 1,5 /5/5 m boven plaatselijk maaiveld. De beoordelingshoogte ingeval de referentiepunten noord-oost-west is in alle etmaalperioden 5 meter boven plaatselijk maaiveld.
7.3.3
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting tijdens de incidentele bedrijfssituatie dient tijdens de dag- en de avondperiode te voldoen aan de opgegeven waarden in voorschrift 7.2.2 voor deze perioden.
7.4
Specifieke voorschriften
7.4.1
Gedurende het laden of het lossen mag de motor van het voertuig waarin wordt geladen of waaruit wordt gelost niet in werking zijn tenzij het in werking zijn van de motor noodzakelijk is voor het laden en het lossen.
W.Z17.104842.02
Pagina 19 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
7.4.2
Het laden en lossen van goederen mag uitsluitend plaatsvinden op het terrein van de inrichting.
8
GEUR
8.1
Algemeen
8.1.1
De geuremissie van de in de tabel genoemde naar de buitenlucht afgevoerde (gereinigde) lucht mag maximaal de in de tabel genoemde concentraties bedragen.
Emissiepunt Emissiepunt luchtwasser WKK 1 WKK 2 WKK 3 Biobed loods Transport producten drogestofinvoer Opslag vaste mest Transport vaste mest (1) Transport vaste mest (2) Transport vaste mest (3) Transport vaste mest (4) Container drogestofinvoer
Lozings-hoogte
Geuremissie
Locatie (X, Y) 169.633,00; 470.786,00 169.649,00; 470.808,00 169.651,00; 470.808,00 169.655,00; 470.807,00 169.585,87; 470.828,36* 169.639,69; 470.810,80*
(m) 12,00 7,50 7,50 7,50 1,50 1,50
(ouE/s) 3.158,58 2.777,78 2.777,78 2.777,78 10.666,67 18.480,56
Bedrijfsuren (h/j) 8.760 8.760 8.760 8.760 8.760 365
169.674,26; 470.854,70* 169.687,25; 470.830,72* 169.683,62; 470.816,10* 169.694,84; 470.813,48* 169.703,70; 470.849,92* 169.648,64; 470.862,56*
1,50 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50
3.355,56 125,83 138,42 356,53 419,44 2.772,08
8.760 365 365 365 365 8.760
* dit is een hoekpunt van een oppervlaktebron
8.2
Maatregelen
8.2.1
In de mestverwerkingsloods moet een inwaarts gerichte luchtstroming aanwezig zijn (onderdruk). De afgezogen lucht moet worden geëmitteerd via de luchtwasser.
8.2.2
In de opslagloods moet een inwaarts gerichte luchtstroming aanwezig zijn (onderdruk). De afgezogen lucht moet worden geëmitteerd via het biobed.
8.2.3
Indien de lucht zoals bedoeld in vorige voorschriften niet wordt afgezogen (door bijvoorbeeld een storing), moet onmiddellijk een alarmsysteem in werking treden dat een duidelijk signaal in de controlekamer afgeeft. Buiten de werktijden moet het signaal anderszins aan een controlerende persoon of instantie kenbaar worden gemaakt. Er moeten direct maatregelen worden genomen om het afzuigsysteem weer in gebruik te stellen.
8.2.4
Ramen en deuren van de mestverwerkingsloods en de opslagloods moeten steeds gesloten zijn. De deuren mogen uitsluitend worden geopend voor het doorlaten van personen en/of goederen.
8.3
Metingen en rapportage
8.3.1
Binnen zes maanden nadat gebruik wordt gemaakt van deze vergunning moet een opleveringsmeting zijn uitgevoerd naar de daadwerkelijk optredende geurbelasting uit de luchtwasser. Over de opzet en uitvoering van de meting moet tijdig en voorafgaand aan de opleveringsmeting overleg hebben plaatsgevonden met het bevoegd gezag. De aanvang van de meting wordt ten minste vijf werkdagen voorafgaand schriftelijk gemeld aan het bevoegd gezag.
W.Z17.104842.02
Pagina 20 / 55
Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening
9
LUCHT
9.1
Biogas
9.1.1
De jaargemiddelde concentratie van waterstofsulfide (H2S) in het gereinigde biogas bedraagt niet meer dan 250 ppm.
9.1.2
De concentratie waterstofsulfide (H2S) wordt bij controle bepaald volgens VDI 3486-1 of VDI 3486-2.
9.1.3
Het bepalen van de concentratie wordt uitgevoerd door een meetinstantie met een accreditatie voor deze meting. De metingen moeten worden uitgevoerd in perioden met de hoogste emissie, bij normale bedrijfsomstandigheden. Een afzonderlijke meting bestaat uit minimaal drie deelmetingen (= n) van minimaal dertig minuten. De resultaten van de deelmetingen worden, herleid naar 273 K, 101,3 kPA en betrokken op droog afgas, gemiddeld. Het gemiddelde van de deelmetingen, verminderd met de meetonzekerheid van de meetmethode, geldt als het resultaat van de afzonderlijke meting. De meetonzekerheid van de meting bedraagt maximaal 30%√n.
9.2
Luchtwasser
9.2.1
Op het moment van het in gebruik nemen van de luchtwasser moet een opleveringsverklaring aanwezig zijn, waarin ten minste de volgende gegevens zijn opgenomen: a. de maximale capaciteit van het luchtwassysteem in kubieke meter per uur; b. het aanstroomoppervlak van het filterpakket in vierkante meter; c. de afmetingen, het volume en de samenstelling van het filterpakket; d. de afmetingen van de drukkamer; e. de drukval over het filterpakket in pascal; f. het zuurverbruik in liters per dag in geval van een chemische wasstap; g. het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt uur; h. het spuiwaterdebiet in liters per uur en de spuifrequentie; i. het waswaterdebiet in liters per uur.
9.2.2
De NH3-concentratie na de luchtwasser is maximaal 0,5 mg/Nm3.
9.2.3
Een controlemeting voor de bepaling van de ammoniakconcentratie bestaat uit een serie van tenminste drie deelmetingen van minimaal 30 minuten. Aan de emissie-eis voor ammoniak in voorgaand voorschrift wordt voldaan wanneer het gemiddelde van de deelmetingen verminderd met de meetonzekerheid, uitgedrukt als 95% betrouwbaarheidsinterval, lager is dan de emissie-eis. De hier gehanteerde meetonzekerheid dient door de meetinstantie te zijn onderbouwd in de rapportage en is kleiner dan 40 % van de emissie-eis voor gedeeld door de wortel van het aantal deelmetingen.