CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Beschikking eerste fase (Milieu)

Commissie Ruimte 21 maart 2024, gemeente PuttenBij agendapunt: Omgevingsvergunning Beulekampersteeg 422.721 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Gelet op deze afstand en de adviesafstand die het RIVM in zijn rapporten aangeeft, is er niet een aanvullende berekening opgesteld ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Wel is in de

W.Z17.104842.02

Pagina 41 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

voorschriften een eis gesteld aan de concentratie van de zwavelwaterstof. 8.5. Bouwbesluit 2012 Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties. Voor voornoemde situaties zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning opgenomen. Daarnaast wordt in fase 2 van deze Omgevingsvergunning bij het onderdeel bouwen, nogmaals de brandveiligheid situatie beoordeeld.

9.

GELUID

9.1. Algemeen De bedrijfsactiviteiten (loonbedrijf en biogasopwekking) hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door voertuigbewegingen van tractoren, shovel en vrachtwagens, WKK-motoren, lossen van mest en laden percolaat. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht voor de gehele inrichting in een akoestisch rapport van G&O-consult, rapportnummer: 3984ao0116 v5, d.d. 9 april 2020. De aanvraag om veranderingsvergunning beschouwen wij tevens als verzoek om wijziging van de geluidvoorschriften. Het akoestisch rapport heeft betrekking op de aangevraagde veranderingen en de bestaande en vergunde situatie. Dit onderzoek komt in de plaats van het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de revisievergunningaanvraag uit 2011. De aan de vergunning te verbinden voorschriften hebben betrekking op de gehele inrichting, inclusief de aangevraagde veranderingen. Representatieve bedrijfssituatie Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

Incidentele bedrijfssituatie Door Spiraloh wordt daarnaast ook een incidentele bedrijfssituatie aangevraagd. In het hoogseizoen zal gedurende ten hoogste 8 dagen (met uitzondering van zondagen) tractoren worden gewogen met geoogst product. In de dagperiode 90 tractoren en in de avondperiode 10 tractoren. Het wegen neemt ten hoogste 1 minuut per weging in beslag waarbij de tractoren stationair in bedrijf zijn. 9.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998". Het loonbedrijf Dekker, Spiraloh, ligt in de gemeente Putten. In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor de dag-, avond- en nachtperiode. Spiraloh zal in de aangevraagde situatie van maandag t/m zondag bedrijfsactiviteiten uitvoeren. Op zon- en feestdagen zijn de luchtwassers en de wkk’s met koeling in bedrijf en vinden enkel beperkte loonwerkactiviteiten plaats (vertrek en aankomst van enkele voertuigen). Op zondag vindt geen aan- en afvoer en laden en lossen ten behoeve van de vergisting plaats. De gemeente Putten heeft op 26 oktober 2004 lokaal geluidbeleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld (BM/2006/373).

W.Z17.104842.02

Pagina 42 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

Wij toetsen daarom het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) vanwege de inrichting aan de normstelling uit het lokaal geluidbeleid van de gemeente Putten op basis van hoofdstuk 2 van de Handreiking. De woonomgeving kan worden gekarakteriseerd als een landelijk gebied met agrarische activiteiten. De woningen aan de Veldwijkweg 19 en 21 betreffen bedrijfswoningen. Voor de woonomgeving gelden de richtwaarden 40/40/30 dB(A) in resp. de dag-, avond- en nachtperiode. Voor bedrijfswoningen gelden 5 dB(A) hogere waarden in de dag- en avondperiode. Uit het akoestisch rapport blijkt dat bij de representatieve en incidentele bedrijfssituatie de richtwaarden niet worden overschreden. Uitgezonderd de woningen Veldwijkerweg 19 en 21 Voorthuizerstraat 234 in de nachtperiode tijdens de representatieve bedrijfssituatie. Aan de grenswaarde van 35 dB(A) wordt wel voldaan. Een overschrijding van de richtwaarde kan toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijke afweging. Aangezien betreffende geluidemissie niet door middel van BBT-maatregelen is te verlagen tot de richtwaarde van de betreffende woningen en sprake is van een bestaande inrichting met vergunde activiteiten achten wij de aangevraagde activiteiten vergunbaar. Op zon- en feestdagen wordt in alle etmaalperioden aan de richtwaarden voldaan.

Wij hebben aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden, waarin geluidnormen zijn gesteld op de gevels van de betreffende woningen en op een drietal beoordelingspunten. De geluidimmissies voor de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van deze woningen c.q. beoordelingspunten zijn overeenkomstig de voor de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimten. 9.3. Maximale geluidniveau’s (LAmax) Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen. De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In bepaalde situaties en onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om in de dag- en nachtperiode van deze grenswaarden af te wijken of activiteiten uit te zonderen van de toetsing. De grenswaarde wordt overschreden in de representatieve bedrijfssituatie op de gevels van de woningen Veldwijkweg 19 en 21 in de nachtperiode door voertuigbewegingen binnen de inrichting. Op zon- en feestdagen worden op de gevels van de woningen Veldwijkweg 19 en 21 de grenswaarden voor de avond- en nachtperiode overschreden.

De aanvrager Spiraloh heeft aangetoond dat verdere maatregelen ter vermindering van de geluidbelasting op de beoordelingspunten redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Wij achten de overschrijding van de grenswaarde op de gevels van de woningen Veldwijkweg 19 en 21 aanvaardbaar omdat Spiraloh op basis van de omgevingsvergunning van 26 april 2011 bestaande rechten heeft en er geen redelijke maatregelen mogelijk zijn om aan de grenswaarden te voldoen. Daarnaast wordt de grenswaarde van 65 dB(A) waartoe ontheffing kan worden verleend in de nachtperiode voor bestaande inrichtingen op grond van de Handreiking niet overschreden. Uitgaande van een geluidisolatie van 20 dB(A) zal in de avondperiode (zon- en feestdagen) en nachtperiode binnenniveaus optreden van 44 dB(A) hetgeen wij toelaatbaar achten voor de maximale geluidniveaus in deze perioden. De maximale geluidsniveaus voor de gehele inrichting hebben wij in de voorschriften vastgelegd.

W.Z17.104842.02

Pagina 43 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

9.4. Indirecte Hinder Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde 65 dB(A). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet zo mogelijk worden voorkomen door het treffen van maatregelen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A). Deze waarde mag alleen worden overschreden als in de geluidsgevoelige ruimten van woningen een geluidsbelasting van 35 dB(A) etmaalwaarde gewaarborgd is. Het equivalente geluidniveaus (LAeq) van het verkeer van en naar de inrichting is berekend op de gevels van woningen aan de Veldwijkweg 21 en de Beulekampersteeg 7 aangezien deze woningen het dichtst aan de ontsluitingsweg zijn gelegen en de verkeersbewegingen van en naar Spiraloh nog aan het in werking zijn van de inrichting zijn toe te rekenen. Bij de berekeningen is er van uitgegaan dat al het verkeer deze woningen passeert terwijl dit in de praktijk lager zal liggen. Op de andere wegen zijn de vrachtwagens opgenomen in het heersende verkeersbeeld en valt daarmee buiten de reikwijdte van de omgevingsvergunning.

Uitgangspunt is dat op de Hoofdweg 50% van de vrachtwagens in noordelijke richting en 50% in zuidelijke richting komen en gaan. Daarnaast is rekening gehouden met het rondrijden van de vrachtwagens die grondstoffen aanvoeren voor de tweede weging na afleveren van het product. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting bij de woningen langs dit traject niet meer bedraagt dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. 9.5. Oplevercontrole Een éénmalig geluidsonderzoek wordt voorgeschreven als bij het bepalen van de geluidbelasting in het onderzoek behorende bij de aanvraag is uitgegaan van vooronderstellingen of aannames met betrekking tot bijvoorbeeld bronvermogens. Geluidsvoorschriften zijn voorschriften in de zin van artikel 5.5, eerste lid, van het Bor. Uit de tekst van artikel 5.5, vierde lid, van het Bor volgt dat, voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, in ieder geval ook een of meerdere controlevoorschriften als bedoeld in het vierde lid aan de vergunning kunnen worden verbonden indien het betrekking heeft op een IPPC-installatie. Voor andere gevallen mag een controleverplichting worden opgenomen (artikel 5.5, lid 6 Bor).

Voor gevallen waarbij een nieuw onderzoek niets nieuws zal opleveren en het dus een herhaling betekent van het onderzoek dat deel uitmaakt van de aanvraag, kan dit voorschrift achterwege worden gelaten. Op basis van het akoestisch rapport hebben wij een controleverplichting opgenomen ten aanzien van de naleving van de geluidvoorschriften. 9.6. Conclusies Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de situatie milieu hygiënisch aanvaardbaar. Wij hebben aan de vergunning geluidvoorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten op de gevels van woningen van derden aan de Veldwijkweg, Voorthuizerstraat, Beulekamperweg en Huinerschoolweg. Daarnaast zijn op 3 referentiepunten op 50 meter afstand van de inrichtinggrens grenswaarden gesteld. De geluidsbelasting op deze punten en op de gevels van woningen is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte. Vanwege de grote afstand van de geluidsgevoelige bestemmingen tot de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom zijn, behalve de genoemde grenswaarden, controlewaarden vastgelegd op 3 referentiepunten

W.Z17.104842.02

Pagina 44 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

gelegen op 50 meter van de inrichtinggrens. Op deze punten kan in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten. De geluidsvoorschriften uit de vigerende vergunning d.d. 26 april 2011 (kenmerk M 033/10) worden vervangen door de huidige voorschriften. 9.7. Trillingen Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trilling gevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

10.

GEUR

10.1. Algemeen Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld. Indien en voor zover voor luchtemissies (waaronder emissies van geurstoffen) van IPPC installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies. In de BBT-conclusies Afvalverwerking 2018 zijn eisen gesteld aan de luchtemissies. Het aspect geur wordt dus in de vergunning geregeld. Het gaat hier om een veranderingsvergunning en niet om een revisievergunning. Het bij de aanvraag gevoegde rapport ‘Geuronderzoek Beulekampersteeg 4 te Putten’, rapportnummer: 3984go0116 v4, d.d.

9 april 2020, brengt de invloed van de gehele inrichting op de geurhinder in de omgeving in kaart, omdat de verandering invloed heeft op de emissie die zowel afkomstig is van het bestaande deel van de inrichting als van het te veranderen deel. De voorschriften die worden verbonden, gelden voor de gehele inrichting in plaats van de vergunningvoorschriften geur verbonden aan de revisievergunning van 2011. 10.2. Provinciaal beleid Het provinciaal geurbeleid is vastgelegd in de "Beleidsregels geur bedrijven (nietveehouderijen) Gelderland 2017", d.d. 28 februari 2017, zaaknummer 2016-009302, Provinciaal Blad 9 maart 2017, nr. 1043. In deze beleidsregels geven wij in algemene zin aan in welke gevallen wel en in welke gevallen geen sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Uitgangspunt bij deze afweging is de hindersystematiek zoals opgenomen in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). 10.3. Acceptabel geurhinderniveau Het acceptabele geurhinderniveau bepalen wij met inachtneming van artikel 9 of 10 van de Beleidsregels Geur. De volgende afwegingen zijn van belang om tot deze bepaling te komen.

W.Z17.104842.02

Pagina 45 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

De dichtstbijzijnde objecten zijn gelegen aan Voorthuizerstraat 234 en Veldwijkweg 21. Dit zijn woningen in het buitengebied van Putten. Aangezien de woningen gelegen zijn in Agrarisch gebied en de vrijkomende geur vergelijkbaar is met agrarische geur kan aan geurgevoelige objecten de categorie B - werken toegekend worden, zoals aangegeven bij de toelichting van artikel 8 van het geurbeleid. Vervolgens bepalen wij de hedonische waarde van de geuremissie. Hiervoor hebben wij gebruik gemaakt van het bij de aanvraag gevoegde rapport ‘Geuronderzoek Beulekampersteeg 4 te Putten’, rapportnummer: 3984go0116 v4, d.d. 9 april 2020 (en de bijlagen waarin onderzoek naar geuremissies is opgenomen). De hedonische waarde bedraagt 8,0 ouE/m3 bij H = -2. Gezien artikel 8 van de Beleidsregels Geur komt dit overeen met "minder hinderlijk". Tabel: Toetsingswaarden geurgevoelige objecten Categorie geurgevoelige objecten categorie A

categorie B

categorie C

streefwaarde

richtwaarde

grenswaarde

streefwaarde

richtwaarde

grenswaarde

streefwaarde

richtwaarde

grenswaarde

zeer hinderlijk

0,05

0,15

0,5

0,15

0,5

1,5

0,5

1,5

5

Hinderlijk

0,15

0,5

1,5

0,5

1,5

5

1,5

5

15

minder hinderlijk

0,5

1,5

5

1,5

5

15

5

15

50

niet hinderlijk

1,5

5

15

5

15

50

15

50

150

Aard van de geur

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de streef- en de richtwaarde voor categorie B objecten bij een "minder hinderlijke" geur 1,5 respectievelijk 5,0 ouE/m3 bedraagt. Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting ook sprake is van enkele kortdurende bronnen. Gelet op de aanwezigheid van de bronnen geven wij toepassing aan artikel 10 van de Beleidsregels Geur. Wij toetsen de geuremissie aan de percentielwaarden. Binnen de inrichting zijn de volgende bestaande en nieuwe geurbronnen aanwezig:  Emissiepunt luchtwasser;  WKK 1;  WKK 2;  WKK 3;  Biobed loods;  Transport producten drogestof invoer;  Opslag vaste mest;  Transport vaste mest (gemodelleerd als vier bronnen);  Container drogestof invoer. Gelet op wat overwogen is bij de paragraaf BBT vinden wij dat BBT wordt toegepast. Dat wil zeggen dat wij, overeenkomstig artikel 6 en 4 van het Beleidsregels Geur, het acceptabele geurhinderniveau van alle bronnen tezamen vaststellen op de richtwaarde of zoveel lager als haalbaar is. Uit de geurberekeningen blijkt, dat op geurgevoelige objecten in de omgeving de richtwaarde niet overschreden wordt. De volgende bestaande geurbronnen komen te vervallen in verband met het beëindigen van de veehouderijtak:  het houden van 28 stuks fokstieren en overig rundvee > 2 jaar;  het houden van 130 stuks legkippen;

W.Z17.104842.02

Pagina 46 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

het houden van 155 vleesvarkens.

Binnen de inrichting zijn de volgende nieuwe geurbronnen aanwezig:  het verwerken van mest, voor zover het de verhoging van de capaciteit van 24.500 naar 135.000 ton dierlijke mest en  het verwerken van co-producten, voor zover het de verhoging van de capaciteit van 6.000 naar 15.000 ton co-producten betreft. Gelet op wat overwogen is bij de paragraaf BBT vinden wij dat BBT wordt toegepast. Dat wil zeggen dat wij, overeenkomstig artikel 5 van de Beleidsregels Geur, het acceptabele geurhinderniveau voor nieuwe bronnen vaststellen op de streefwaarde. De geurimmissie van alleen de nieuwe bronnen voldoet niet aan de streefwaarde. Het geurbeleid biedt in artikel 5, lid 2 de mogelijkheid om naar boven af te wijken tot de richtwaarde. Een aantal oude bronnen vervallen. De aard van de geur is vergelijkbaar met geur van veehouderijen. De inrichting is gelegen in agrarisch concentratiegebied. De richtwaarde wordt bij zowel de nieuwe bronnen als bij alle bronnen samen niet overschreden. Hierom vinden wij het acceptabel voor de nieuwe bronnen af te wijken tot de berekende waarde, die tussen de streef- en de richtwaarde ligt. Voor het totaal van de bronnen houden wij ook de berekende waarde aan, die onder de richtwaarde ligt. 10.4.

Geurvoorschrift(en) In de "Beleidsregels geur in milieuvergunningen Gelderland" wordt een voorkeur uitgesproken om kwantitatieve doelvoorschriften aan de vergunning te verbinden. Wij hebben de aangevraagde maximale geurvrachten getoetst en aan de hand daarvan een acceptabel geurhinderniveau vastgesteld. Dit acceptabel geurhinderniveau hebben wij vervolgens vertaald naar een maximale geurvracht per geurbron. Deze maximale geurvracht per geurbron, alsmede de wijze waarop gemeten en beoordeeld moet worden, zijn vastgelegd in voorschriften. Uit het bij de aanvraag gevoegde geuronderzoek blijkt dat de emissies van de extra drogingsstap bronnen zijn gebaseerd op een (worst-case) aanname. Wij zijn daarom van oordeel dat het noodzakelijk is dat - na de ingebruikname van de inrichting - eenmalig, een geuronderzoek wordt uitgevoerd door de vergunninghouder. In dit onderzoek moet getoetst worden of aan de in deze beschikking opgenomen emissie-eis wordt voldaan.

11.

LUCHT

11.1. Toetsingskader Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Zo bevat Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit regels voor stoffen met een minimalisatieverplichting, emissiegrenswaarden, geur en monitoring. Voorts bevat het Activiteitenbesluit in Afdeling 2.11 en de hoofdstukken 3 en 5 (lucht)regels voor specifieke activiteiten, zoals stookinstallaties. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en zijn daarom niet in deze vergunning opgenomen. Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.

W.Z17.104842.02

Pagina 47 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies. In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm. Activiteiten die emissies naar de lucht tot gevolg hebben (hierbij is onderscheid gemaakt tussen puntbronemissies afkomstig van procesinstallaties en verbrandingsinstallaties alsmede van diffuse emissies): mestverwerkingsinstallatie; mobiele werktuigen en verkeer; WKK’s met als brandstof biogas uit de co-vergister; diverse mestopslagen; luchtwasser; biobed: in de referentiesituatie: vee. 11.2.

Puntbronemissies van procesinstallaties

11.2.1. Toetsing Werkzaamheden rondom het mestverwerkingsproces vinden plaats in een loods (loods 8). De loods wordt voorzien van een luchtreiniging in de vorm van een luchtwasser. Een tweede loods (loods 7) wordt gebruikt voor de opslag van pluimveemest, ongeboren mest, coproducten en eindproducten. Deze lucht wordt afgezogen en geleid door een biobed. Er zijn dus twee emissiepunten. Ten gevolge van deze activiteiten komt ammoniak vrij die in relevante hoeveelheden worden geëmitteerd naar de lucht. Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies. In de BBT-conclusies Afvalverwerking 2018 zijn eisen gesteld aan de luchtemissies. De emissies worden dus in de vergunning geregeld. Hierna gaan wij voor de emissies in op de grenswaarden en of volgens de BBT conclusie gehandeld is. Slechts indien en voor zover er voor de betreffende emissies BBT-conclusies zijn vastgesteld, en deze emissies daardoor in de omgevingsvergunning milieu geregeld worden, wordt het onderwerp monitoring ook in deze vergunning geregeld.

De mestopslag en de mestverwerking vinden plaats in een waterige omgeving, waardoor voor wat betreft de gereinigde lucht uit de loods geen aandacht besteed hoeft te worden aan de emissie van totaal stof. De vergunninghouder heeft in de aanvraag de emissie van ammoniak gepresenteerd. Er is echter geen monitoringsfrequentie van de emissie relevante parameters (ERP’s) in een controleplan bijgevoegd. Wel zijn voldoende gegevens beschikbaar van de

W.Z17.104842.02

Pagina 48 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

ingediende opzet. Deze hebben wij getoetst aan de BBT-conclusies en artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit. Om de emissies van ammoniak (blijvend) te presenteren en te laten zien welke controle hierop plaatsvindt, moet een luchtbalans en een controleplan worden aangeleverd. Wij hebben dit opgenomen in de voorschriften. Voor een IPPC-installatie geldt dat de monitoringseisen worden gebaseerd op de voor die IPPC-installatie relevante BBT-conclusies. Dit betekent dat de vastgestelde emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of kortere periode en voor dezelfde referentieomstandigheden als de met BBT geassocieerde emissieniveaus. De Bref Afvalbehandeling geeft in het hoofdstuk BAT specifieke typen van afvalbehandeling (biologische behandeling) een range voor de ammoniakconcentratie van <1 - 20 mg/Nm3 met behulp van een geschikte combinatie van de techniek good housekeeping (gekoppeld aan BAT nummer 3). In de aanvraag om een vergunning Wet natuurbescherming is een totale vracht van 868,8 kg/jaar berekend vanuit het biobed (loods 8). Op 17 januari 2022 zijn dimensioneringsgegevens van het biobed (Wielaard Techniek) ingediend. Bij genoemde vracht ammoniak en gezien de capaciteit van ongeveer 30.000 m3 per uur, komt dit neer op een ammoniakconcentratie van minder dan 3,5 mg/Nm3. Dit voldoet aan de range uit de Bref.

Op 17 januari 2022 is een dimensioneringsplan van de 95% chemische wasser mestverwerking van Inno+ B.V. ingediend. De emissie uit het mestverwerkingsproces (loods 7) bedraagt 1.478 kg ammoniak per jaar. De lucht uit loods 7 wordt via een luchtwasser geleid met een rendement van 95% ammoniakreductie. De jaarlijkse vracht bedraagt dan minder dan 80 kg ammoniak per jaar. Bij genoemde vracht ammoniak en gezien de capaciteit van ongeveer 22.500 m3 per uur, komt dit neer op een ammoniakconcentratie van minder dan 0,5 mg/Nm3. Dit voldoet aan de range uit de Bref. Voor het biobed en de luchtwasser zijn voorschriften opgenomen. Voor de emissie uit het biobed wordt verwezen naar hoofdstuk ‘geur’. Er vinden verder vanuit het biobed geen emissies plaats die nader gereguleerd moeten worden. 11.3. Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting zijn de volgende kleine en middelgrote stookinstallaties aanwezig: drie WKK’s. De emissie-eisen van paragraaf 3.2.1 zijn van toepassing. Het keurings- en onderhoudsregime van het Activiteitenbesluit is ook van kracht.

Emissiegrenswaarden kunnen door het bevoegde gezag op basis van maatwerk, volgens artikel 3.7 van het Activiteitenbesluit, worden gesteld. Dit vinden wij niet nodig. 11.4. Luchtkwaliteit In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grensen richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.

W.Z17.104842.02

Pagina 49 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde f. er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit g. de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM) h. het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. In het geluidrapport zijn vervoersbewegingen opgenomen. Deze vervoersbewegingen zijn ingevoerd in de NIBM-tool, de rekentool waarmee de bijdrage van plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kunnen worden vastgesteld. Hieruit volgt dat het plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan stikstofdioxide en fijnstof (PM10). Wij kunnen daarom de vergunning verlenen zonder verder te toetsen aan de grens- en richtwaarden. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit

Jaar van planrealisatie

2020

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

60,0%

NO2 in μg/m3

0,84

PM10 in μg/m3

0,10

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

172

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Ter controle zijn uit de aanvraag om vergunning op grond van de Wet natuurbescherming de emissies NOx vergeleken van de huidige activiteiten (voertuigen op het terrein, verkeer van – en naar de inrichting en de drie WKK’s) en de aangevraagde activiteiten (meer voertuigbewegingen op het terrein, een lagere emissie voor de drie WKK’s, een toename van verkeer van en naar de inrichting en NOx-emissies als gevolg van de propaanbrander). De toename van de NOx-emissies is gelegen in de extra vervoersbeweging op het terrein van de inrichting zelf. Deze zijn ingevoerd in bovenstaande NIBM-tool en geeft bovenstaand resultaat. 11.5. PRTR-verslag Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR verslag moet worden ingediend. Op grond van artikel 12.20 lid 1 Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.

W.Z17.104842.02

Pagina 50 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

11.6. Eindconclusie aspect lucht Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

12.

VOLKSGEZONDHEID

12.1. Algemeen Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wabo ruimte voor een aanvullende toets. Indien door het in werking zijn van de inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. In deze paragraaf wordt ingegaan op de risico's voor de volksgezondheid in relatie met de vergisting en verwerking van mest. Met risico wordt bedoeld: een eenduidige relatie tussen de emissies van mestvergistings- en mestverwerkingsinstallaties en het voorkomen van negatieve gezondheidseffecten bij mensen (bijvoorbeeld uit te drukken in aantal ziektegevallen/dodelijke slachtoffers per miljoen blootgestelde inwoners per jaar). De belangrijkste blootstellingsroute vanuit een mestvergistings- en mestverwerkingsinstallatie naar de mens verloopt via de lucht. 12.2. Gebruikte rapporten In onderstaande rapporten wordt aandacht besteed aan het aspect volksgezondheid in relatie met vergisting en verwerking van mest.

Syntheserapport 'nut en risico's van covergisting' (Wageningen UR, februari 2015) Risico's van covergisting voor de gezondheid en veiligheid van mens en dier hangen vooral samen met de opslagen en de samenstelling van mest, digestaat en biogas. Meest risicobepalende stoffen zijn H2S, NH3, C02 en CH4 in mest, digestaat en biogas. Effecten van covergisting op de gezondheid en veiligheid van mens en dier kunnen worden samengevat als (i) de risico's voor de arbeidsveiligheid van medewerkers van vergistingsinstallaties, (ii) de risico's voor de externe veiligheid voor omwonenden, en (iii) de hinder voor omwonenden ten gevolge van het vrijkomen van biogas. De risico's voor omwonenden zijn veel kleiner dan de risico's voor de ter plekke aanwezige medewerkers van vergistingsinstallaties. Risico's van verspreiding van pathogenen door covergisting en digestaat zijn gering. De risico's van het gebruik van niet-toegestane covergistingsmaterialen op de gezondheid zijn niet onderzocht en dus niet bekend. Bij Spiraloh B.V wordt alleen toegestaan covergistingsmateriaal gebruikt.

Rapport 'Effect van processtappen op overleving van micro-organismen bij mestverwerking' (Wageningen UR, juli 2015) Concluderend heeft mestverwerking de volgende microbiele veranderingen in de eindproducten tot gevolg:  de verwerkingsstappen rond mechanische scheiding geven geen vermindering van het oorspronkelijk aantal aanwezige micro-organismen. Wel concentreren de micro-organismen zich sterk in de vaste fractie;  hoewel statistisch niet significant lijkt vergisting een reductie te geven van de concentratie aan micro-organismen;  mineralenconcentraat bevat iets lagere concentraties aan micro-organismen dan de mest waaruit het geproduceerd wordt;  effluent na omgekeerde osmose is microbiologisch vrijwel schoon.

W.Z17.104842.02

Pagina 51 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

Briefrapport 'Gezondheid en Veiligheid' (nr, 2014-0162, RIVM 2015) In 2014 heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) in opdracht van het ministerie van Economische Zaken een evaluatie uitgevoerd van covergisting in Nederland. Het RIVM heeft hiervoor informatie verzameld over gezondheid en veiligheid. Hieruit blijkt dat de mensen bij mestvergisting niet in hogere mate aan pathogene en antibioticaresistente bacteriën blootstaan dan bij andere vormen van mestverwerking. Verkenning van de microbiologische risico's van mest voor de gezondheid (RIVM Rapport 2017-0100, J.P.G. van Leuken et al.) Een conclusie uit dit rapport is dat mestverwerking tot een sterke inactiviteit van microorganismen blijkt te leiden. Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid GGD'en Brabant/Zeeland Voorlopige Gezondheidsrisicobeoordeling mestverwerkingsinstallatie van MACE te Landhorst (19 juni 2015) Er is reeds door een GGD onderzoek gedaan en advies is gegeven over de vestiging van een mestverwerkingsinstallatie in Noord-Brabant (bedrijf MACE in Landhorst). Hieruit blijkt het volgende: "De GGD verwacht dat het risico van verspreiding van micro-organismen naar de omgeving door de inrichting zelf te verwaarlozen zal zijn waardoor er dan ook geen risico's voor de omwonenden zijn te verwachten. Buiten calamiteiten om zal er geen kans zijn op een verhoogd vrijkomen en verspreiding van micro-organismen.

Indien er een ongeval plaatsvindt waarbij bijvoorbeeld een vrachtwagen met mest lek raakt, vindt er mogelijk verspreiding van micro-organismen naar de omgeving plaats. Dit zal normaliter in principe snel opgeruimd worden, voordat verdroging en verwaaiing van de verse mest naar de omgeving optreedt." Rapport Gezondheidsrisico's rond veehouderijen: vervolgadvies Nr. 2018/04 (Den Haag 14 februari 2018) De uitkomsten van het vervolgadvies bevestigen voor een belangrijk deel de uitkomsten van eerdere onderzoeken. Opnieuw is het totaalbeeld niet eenduidig. Zo blijken astma, allergieën en COPD in de buurt van veehouderijen minder vaak voor te komen. Anderzijds doen zich bij aldaar woonachtige COPD-patienten vaker complicaties voor. Verder zijn er aanwijzingen dat omwonenden een verminderde longfunctie hebben. De verminderde longfunctie is vooral gevonden bij mensen die binnen een straal van een kilometer 15 of meer veehouderijen in de buurt hebben, en op dagen met hogere concentraties ammoniak in het hele onderzoeksgebied. De onderzoekers achten deze bevinding wat betreft de grootte van het effect vergelijkbaar met longfunctievermindering ten gevolge van luchtverontreiniging door stedelijk verkeer.

Onderzoek naar infectieziektes die worden overgedragen van dieren op mensen (zoönosen) en naar resistente micro-organismen onder omwonenden leverde in de meeste gevallen geen aanwijzingen voor associaties met veehouderijen op. In het onderzoek staat echter ook dat buitenlands onderzoek andere gevolgtrekkingen concludeert. Het aantal internationale onderzoeken is echter beperkt en de zeggingskracht van de beschikbare onderzoeken laat vaak te wensen over. De gegevensbasis is te beperkt om van algemeen aanvaarde inzichten te kunnen spreken, aldus de Gezondheidsraad. Gezondheidsrisico's kunnen derhalve niet in de weg staan aan vergunningverlening, niet voor veehouderijen en daarmee evenmin voor mestverwerkende installaties. 12.3. Beoordeling en conclusie Op grond van de bovenstaande rapporten kan worden geconcludeerd dat de risico's voor de volksgezondheid vanuit mestverwerkingsinstallaties waarschijnlijk zeer gering zijn en dat het

W.Z17.104842.02

Pagina 52 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

opleggen van specifieke voorschriften niet nodig is. De redenen hiervoor zijn: 1. het betreft een aaneenschakeling van procesunits die een reducerend effect hebben op micro-organismen. De laatste stap in de zuivering van de dunne fractie bestaat uit omgekeerde osmose. Met deze techniek worden zouten maar ook micro-organismen tegengehouden en komen dus niet in het gezuiverde water terecht; 2. de vaste fractie uit de mest mag alleen in het buitenland worden afgezet als deze gehygieniseerd is. De meeste bacteriën en virussen overleven dit niet. Dit geldt overigens niet voor alle sporenvormende bacteriën; 3. de installaties zijn opgesteld in een gesloten gebouw waarvan de lucht wordt afgezogen en gezuiverd middels nageschakelde technieken (zie hoofdstuk 10 'Geur' en hoofdstuk 11 'Lucht' van de considerans). Deze combinatie van nageschakelde technieken zijn aan te merken als BBT; 4. het ontbreekt aan algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, waaruit zou volgen dat mestverwerking (grote) nadelige gevolgen op de gezondheid van omwonenden zou hebben. De verwachting is dat de lucht afkomstig van de mestvergisting en mestverwerking, wanneer op adequate wijze luchtzuivering wordt toegepast, niet veel contaminanten zal bevatten. Vergeleken met de emissie van een veehouderij, is de emissie vanuit een mestvergistings- en mestverwerkingsinstallatie marginaal te noemen.

Aangezien binnen de inrichting de BBT’s zijn vergund voor wat betreft luchtzuivering, is de verwachting alleszins gerechtvaardigd dat er geen onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid plaats vinden. Op basis van het reeds uitgevoerde onderzoek door de GGD'en Brabant en Zeeland (Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland Voorlopige Gezondheidsrisicobeoordeling mestverwerkingsinstallatie van MACE te Landhorst (19 juni 2015) en de bovenstaande conclusie achten wij het niet noodzakelijk om voor Spiraloh B.V. een onderzoek naar gezondheidseffecten uit te laten voeren.

13.

ONGEWONE VOORVALLEN

In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld. In artikel 17.2, vierde lid is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval, waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn kan bepalen dat in afwijking van artikel 17.2, eerste lid het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting, genoemd in artikel 17.2, eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden. De inrichting heeft een meldschema ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld welke ongewone voorvallen kunnen worden geclassificeerd als voorval zonder significante gevolgen voor het milieu. Wij zijn van mening dat met dit meldschema voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen ongewone voorvallen mét en zónder significante gevolgen voor het milieu. Wij achten het echter van belang om zicht te houden op de aantallen, aard en omvang van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu.

Deze kunnen een indicatie zijn of de processen (in de ruimste zin) in voldoende mate worden beheerst en de installaties deugdelijk zijn. Daarom hebben wij, naast het toepassen van het meldschema, ook een aantal voorschriften opgenomen voor het verplicht registreren ervan en de wijze waarop wij periodiek moeten worden geïnformeerd over de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu die zich hebben voorgedaan.

W.Z17.104842.02

Pagina 53 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

Naast het inzichtelijk hebben van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu stellen wij echter ook eisen aan het afhandelingsproces van ongewone voorvallen binnen het bedrijf. Daarbij gaat het om zaken als signalering van de ongewone voorvallen, communicatie, onderzoek en bevoegdheden van medewerkers. De aanvrager heeft een beschrijving ingediend waarbij op hoofdlijnen inzichtelijk is gemaakt hoe het afhandelingsproces is georganiseerd. Om te borgen dat ook in de toekomst ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu door het bedrijf worden beschouwd hebben wij voorschriften opgenomen over het in stand houden van dat afhandelingsproces.

14.

OVERIGE ASPECTEN

14.1. Bedrijfsbeëindiging Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie zijn in deze vergunning voorschriften opgenomen. 14.2. Reach REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt. Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting geen stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is. 14.3.

Proefnemingen

14.3.1. Proefnemingen met producten en procesvoering Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu. Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu hygiënische consequenties. Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren. In de aanvraag heeft aanvrager niet aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren.

15.

CONCLUSIE

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de het veranderen van de inrichting zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

W.Z17.104842.02

Pagina 54 / 55

Omgevingsdienst Regio Nijmegen Afdeling Vergunningverlening

Bijlage 1 Toetsing aan BBT-conclusies Afvalbehandeling BBT01 Invoering en naleving van een milieubeheersysteem BBT02 Technieken om prestaties te verbeteren (procedures acceptatie, afvalscheiding) BBT03 Technieken om vermindering van emissies naar water en lucht te bevorderen (opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater- en afgasstromen) BBT04 Technieken om de met de opslag van afval verbonden milieurisico's te verminderen (adequate en veilige opslagcapaciteit) BBT05 Technieken om de met de behandeling en overbrenging van afval verbonden milieurisico's te Verminderen BBT06 en BBT07 Monitoring voor relevante emissies naar water en monitoringsfrequentie BBT08 en BBT09 Monitoring voor relevante emissies naar lucht en monitoringsfrequentie BBT10 Monitoring van geuremissies BBT 11 Monitoring van water, energie, grondstoffen en residuen BBT12 Geuremissies voorkomen BBT13 Technieken om geuremissies te voorkomen of te verminderen (beperking verblijftijd, toepassing van chemische behandeling, optimalisering van aerobe behandeling) BBT14 Technieken om diffuse emissies naar lucht te voorkomen of te verminderen (beperking potentiële diffuse emissiebronnen, gebruik van betrouwbare apparatuur, adequate behandeling van diffuse emissies, onderhoud, reiniging van ruimten) BBT15 en BBT16 BBT is affakkeling te minimaliseren door correct ontwerp en monitoring BBT21 Technieken om

de gevolgen van ongevallen en incidenten (beschermingsmaatregelen, beheer van emissies, systeem van incidentenregistratie)

W.Z17.104842.02

Opgenomen in voorschriften Is beschreven in AV-beleid en AO/IC en aangevuld in voorschriften Is beschreven in aanvraag en geborgd in voorschriften

Voor zover van toepassing (de afvalstoffen zijn niet direct gevaarlijk) zijn adequate opslagvoorzieningen voorgeschreven Voor zover van toepassing (de afvalstoffen zijn niet direct gevaarlijk) zijn adequate opslagvoorzieningen voorgeschreven Een monitoringsprogramma is voorgeschreven

Een monitoringsprogramma is voorgeschreven

Een monitoringsprogramma is voorgeschreven Monitoring is voorgeschreven

Voorschriften voor geuremissies en maatregelen zijn opgenomen in de vergunning, hetgeen voldoende is om geuremissies te voorkomen Deze technieken worden optimaal ingezet

Aan deze technieken wordt voldaan, onder andere door het gebruik van verwerkingsruimtes onder onderdruk en gebruik van beproefde methode (het KUMAC-principe)

Aan deze techniek wordt voldaan: situaties voor affakkeling worden beperkt onder andere vanwege de aanwezigheid van 3 WKK’s. Aan deze techniek wordt voldaan en deze is tevens opgenomen in voorschriften

Pagina 55 / 55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13892555/1