CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bedrijventerrein Henslare Toelichting

Hoorzitting 11 januari 2024, gemeente PuttenBij agendapunt: Raadsvoorstel, besluit en bijlagen28.829 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.6.1

Toetsingskader

De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht geworden voor bestemmingsplannen. Omdat het beleid van het waterschap niet rechtstreeks doorwerkt in het bestemmingsplan is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaald dat de gemeente vooroverleg naast vooroverleg met o.a. het waterschap (art. 3.1.1 Bro) staat ook expliciet beschreven dat de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding (art. 3.1.6 b Bro).

4.6.2

Resultaten

Het planvoornemen is vergunningsplichtig op grond van de Keur van Waterschap Vallei en Veluwe. Onder meer vanwege de te verwachten effecten op het oppervlaktewatersysteem en de voorziene verhardingstoename dienen er vergunningen te worden aangevraagd. Ook voor het grondwater en de waterkwaliteit zijn er aandachtspunten waar afstemming met het waterschap en de omgeving voor vereist is. Hieronder worden per wateraspect enkele aandachtspunten voor het vervolg meegegeven. Dit zijn achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5.

grondwater; watersysteem; hemelwater, watercompensatie en meekoppelkansen; waterkwaliteit; stuw.

Grondwater Ten aanzien van het grondwater worden geen grote problemen verwacht. Wel zal er lokaal, onder invloed van de toegenomen verharding, een daling van de grondwaterstand optreden. Of dit effect heeft op de

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

55

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare direct aangrenzende percelen is vooralsnog onduidelijk en behoeft meer onderzoek. De precieze invulling van het gebied en de vereiste watercompensatie zijn hierop van invloed. In beginsel is het onttrekken van grondwater verboden. Voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van bouwputbemaling geldt een vrijstelling van het verbod op onttrekkingen, mits: 1. de onttrekking maximaal 3.000 m³ per dag bedraagt; en 2. de onttrekking maximaal zes maanden duurt; en 3. de onttrekking niet tot gevolg heeft dat de grondwaterstand meer dan 0,5 m verlaagd wordt ten opzichte van het gewenste ontgravings- of saneringsniveau. In een volgende fase dient te worden nagegaan of er een vergunning vereist is voor de onttrekking van grondwater of dat een melding volstaat. Watersysteem Op grond van de Keur van Waterschap Vallei en Veluwe dienen vergunningen te worden aangevraagd voor het aanbrengen van wijzigingen aan duikers en eventuele veranderingen aan de loop van A- en B-water. Het uitgangspunt is dat het watersysteem te allen tijde blijft functioneren. Daarnaast moet bij een eventuele demping het gedempte één-op-één worden gecompenseerd. Ten slotte dienen de overige betrokken functies, zoals de ecologie, zoveel mogelijk te worden behouden. Bij de verdere uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden met een A-watergang.

Dit omdat er meer dan 10 ha oppervlak loost op het aan te leggen water. De A-watergang direct onder het noordelijke deel van het plangebied en de spoorsloot zijn noodzakelijk en mogen niet worden gedempt omdat op deze watergang de nooduitlaat/riool overstort van het gemengde rioolstelsel van de gemeente Putten loost. Aan de status van A-watergang zijn eisen rondom dimensies en onderhoudspaden verbonden. Elke voorgenomen wijziging dient te worden afgestemd met het waterschap alvorens hiervoor een vergunning aangevraagd kan worden. Het waterschap Vallei en Veluwe heeft aangegeven dat bij een verdere uitwerking van het bestemmingsplan bedrijventerrein Henslare (middels een stedenbouwkundig plan) nauw betrokken wil zijn vanwege de aanwezigheid van een A-watergang in het plangebied. Op verzoek van het waterschap is deze A-watergang bestemd met de enkelbestemming Water en is de bijbehorende onderhoudsstrook opgenomen als Vrijwaringszone - Onderhoudszone hoofdwatergang. Hemelwater, watercompensatie en meekoppelkansen Door het toevoegen van verhard oppervlak in het plangebied zal hemelwater versneld afstromen naar het oppervlaktewatersysteem waardoor de piekbelasting toeneemt. De gemeente streeft naar oppervlakkige afstroming naar singels of wadi's die ontworpen zijn op buien met een herhalingstijd van honderd jaar, vanuit het STOWA wordt een bui van 70 mm hiervoor gebruikt.

Hier wordt, om het systeem zo robuust mogelijk te ontwerpen, de infiltratie niet van afgetrokken. Om te zware piekbelasting van het systeem te voorkomen heeft het waterschap daarnaast als eis dat er wordt gecompenseerd bij verhardingstoename. Hierbij dient gerekend te worden met een compensatie-eis van 60 mm over de verhardingstoename. Omdat de 70 mm eis het hoogst is wordt deze aangehouden. De vereiste watercompensatieopgave bedraagt daarmee 11 ha x 70 mm = 7.700 m3 waterberging. Daarnaast dient er gecompenseerd te worden voor het eventueel dempen van bestaand oppervlaktewater. De vorm van waterberging is aan de initiatiefnemer. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden. Er liggen kansen voor een lommer- en waterrijk bedrijventerrein dat ook hittebestendig en klimaatadaptief is ingericht. Dit sluit aan bij de Gebiedsvisie van het geplande bedrijventerrein. Daarbij kan gedacht worden aan een robuuste groen-blauw structuur met wandelroutes en -paden in de schaduw van bomen, groene daken, biodiversiteit en duurzaamheid. Dit door middel van het aanleggen van bergingsvoorzieningen en singels die het hemelwater bergen. De keuze en de uitwerking ervan dienen wel te worden afgestemd met Waterschap Vallei en Veluwe. Voor aanpassingen aan watergangen en kunstwerken is bovendien een vergunning nodig van Waterschap Vallei en Veluwe.

56

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare Waterkwaliteit De huidige waterkwaliteit is op dit moment mogelijk eutroof door de aanwezige agrarische percelen. Deze percelen worden in het planvoornemen vervangen door het bedrijventerrein. Daardoor neemt de belasting door nutriënten op de lange termijn af. Tegelijkertijd brengt de ontwikkeling het risico met zich mee dat opgehoopte verontreinigingen op de verharding worden meegevoerd naar het aanwezige oppervlaktewater. Ook is het vuil dat het water meeneemt in vergelijking met de huidige situatie van het plangebied van andere aard. Hierdoor neemt de aard van en het risico op vervuiling toe, met daardoor mogelijke negatieve effecten voor de waterkwaliteit. Meer onderzoek is nodig om de exacte impact van het plan 'Henslare' op de waterkwaliteit in te kunnen schatten. Negatieve effecten op de waterkwaliteit kunnen worden verminderd door de 'first flush' te mitigeren in een verbeterd gescheiden riool. Hiervoor liggen kansen omdat er nog een rioleringsplan dient opgesteld te worden. Stuw In en rond het plangebied is een stuw gesitueerd. Deze ligt in een A-water dat niet aangepast mag worden. Daardoor zijn er ook geen gevolgen voor de stuw.

4.6.3

Conclusie

Een mogelijke vergunningsplicht voor grondwater is geen belemmering voor het bedrijventerrein Henslare, omdat er geen aanleiding bestaat dat deze vergunning niet verkregen kan worden. Voor wat betreft het watersysteem moet in de verdere uitwerking van de plannen rekening gehouden worden met de A-watergang. In en rond het plangebied is een stuw gesitueerd. Deze ligt in een A-water dat niet aangepast mag worden. Daardoor zijn er ook geen gevolgen voor de stuw. Dit geldt ook voor hemelwater, watercompensatie en meekoppelkansen: in de verdere uitwerking van de plannen moet rekening gehouden met minimaal 7.700 m3 waterberging (compensatie van eventueel te dempen van bestaand oppervlaktewater komt daarbij op). De watercompensatie kan binnen het plangebied van bedrijventerrein plaatsvinden. Meer onderzoek is nodig om de exacte impact van het plan 'Henslare' op de waterkwaliteit in te kunnen schatten. Negatieve effecten op de waterkwaliteit kunnen worden verminderd door de 'first flush' te mitigeren in een verbeterd gescheiden riool. Het aspect water is geen belemmering voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Henslare.

4.7

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/ functie(s)? Is er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico's, ecologische risico's of verspreidingsrisico's op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het volledige bodemonderzoek is te vinden in Bijlage 8.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

57

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

4.7.1

Toetsingskader

De Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.7.2

Resultaten

De aanleiding van het uitvoeren van dit milieuhygiënisch vooronderzoek is het voornemen om een nieuw bedrijventerrein te ontwikkelen. Ten behoeve van deze herontwikkeling zijn grondroerende werkzaamheden voorzien. Onderzoeksgebied In afbeelding 4.9 is een schematische weergave van het toekomstige bedrijventerrein Henslare opgenomen. Het bedrijventerrein bestaat uit drie verschillende locaties. Afbeelding 4.9 Onderzoeksgebied bodemonderzoek (afbeelding noord gericht)

Het doel van het milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van

58

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek. Om dit doel te bereiken, wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de vooronderzoek locatie. Het vooronderzoek heeft zich specifiek gericht op een zone tot 25 m buiten de projectcontour van de onderzoekslocatie. Resultaten en conclusie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat maximaal lichte verontreinigingen te verwachten zijn op de onderzoekslocatie. In de bovengrond zijn op verschillende plaatsen licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK, EOX en/of minerale olie gemeten. In de ondergrond zijn lokaal licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK en/of minerale olie gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties zware metalen en vluchtige aromaten gemeten.

Op verschillende plaatsen is in uitgevoerde onderzoeken analytisch asbest aangetoond, maar overschrijden nergens de toetsingswaarde voor nader onderzoek en/of de interventiewaarde. Op basis van bodemvreemde bijmengingen in de bodem zijn de locaties Stationsstraat 128 en de Stenenkamerseweg 14 potentieel asbest verdacht. Bij het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt voor de onderzoeksstrategie een 'verdachte locatie, diffuse bodembelasting, niet-lijnvormig, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming' (NEN 5740; VED-HE-NL) als meest doelmatig beoordeeld om de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Ook dient asbestonderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5707. Op de onverdachte landbouwpercelen wordt de onderzoekshypothese en -strategie voor een 'grootschalige onverdachte, niet-lijnvormige locatie' (NEN 5740;ONV-GR-NL) als meest doelmatig beschouwd. 4.7.3

Conclusie

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat maximaal lichte verontreinigingen te verwachten zijn op de onderzoekslocatie. Voor vervolgonderzoek is in het vooronderzoek bodem een onderzoeksstrategie voorgesteld. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

59

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

4.8

Externe veiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico's met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico's voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij externe veiligheid de risico's volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel externe veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico's, plaatsgebonden risico en groepsrisico. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden en groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving. 4.8.1

Toetsingskader

Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) zijn het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) en de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi) van belang. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. De richtlijnen voor buisleidingen zijn weergegeven in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling (Revb). Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast is er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is, waaronder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Aanvullend op deze landelijke wet- en regelgeving geldt voor het bestemmingsplan tevens de 'Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord' (2015). In deze beleidsvisie is onder andere vastgesteld dat sprake is van een ruimtelijke scheiding van (beperkt) kwetsbare functies ten opzichte van risicobronnen. Voor de verantwoording van het groepsrisico zijn verschillende zones vastgesteld. Deze zones zijn opgenomen op afbeelding 4.10. In navolgende

60

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare paragrafen wordt voor de risicobronnen aangegeven binnen welke zone het planvoornemen zich bevindt. Afbeelding 4.10 Zone-indeling. Bron: Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord (2015)

Naast de zones maakt de Beleidsvisie tevens onderscheid tussen kwetsbare, beperkt kwetsbare en zeer kwetsbare objecten. De definities van (beperkt) kwetsbare objecten volgen uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten bestemd voor personen die niet of beperkt zelfredzaam zijn. Conform deze definitief staat voorliggend bestemmingsplan alleen beperkt kwetsbare objecten toe.

4.8.2

Risicobronnen

Afbeelding 4.11 toont een uitsnede van de EV Signaleringskaart. De afbeelding toont diverse risicobronnen in de nabijheid van het planvoornemen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

buisleidingen N570-26; buisleiding A510; spoorlijn Amersfoort - Zwolle; Benegas Vulcentrum BV; Coöperatieve Pelsdierenhouders Centrale Flevo B.A.; Trouw Nutrition Nederland B.V.

Afbeelding 4.11 Uitsnede risicokaart

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

61

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Vanwege de aanwezigheid van meerdere risicobronnen is onderzocht of het thema externe veiligheid kan leiden tot knelpunten voor de voorgenomen ontwikkeling. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de navolgende paragrafen. Hierbij zijn eerst de mobiele risicobronnen onderzocht, daarna de stationaire bronnen. 4.8.3

Mobiele risicobronnen

In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich drie mobiele risicobronnen: twee aardgasleidingen en een spoorweg. Deze risicobronnen zijn opgenomen op afbeelding 4.12. Op deze afbeelding zijn tevens de verschillende relevante zones om de risicobronnen weergegeven. Afbeelding 4.12 Uitsnede risicokaart

62

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen In en om het plangebied bevinden zich twee buisleidingen. De relevante gegevens van deze buisleidingen zijn opgenomen in tabel 4.6. Tabel 4.6 Aanwezige buisleidingen Nummer

Naam

Beheerder

Type

Diameter

Druk

1

N-570-26

Gasunie

Aardgas

4 inch

40 Bar

2

A-510

Gasunie

Aardgas

36 inch

66 Bar

Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontour van de buisleidingen bevindt zich binnen de belemmeringenstrook. Binnen deze contour zijn geen kwetsbare objecten toegestaan. Daarom is er geen sprake van een knelpunt met betrekking tot de plaatsgebonden risicocontour. Groepsrisico Alle gasleidingen hebben een 100 %-letaliteitsgrens en een 1 %-letaliteitsgrens. Binnen deze grenzen komt respectievelijk 100 % en 1 % van de onbeschermde personen te overlijden indien sprake is van bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

63

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare een ongeluk met een buisleiding, meestal een fakkelbrand. Afbeelding 4.13 weergeeft de beide letaliteitsgrenzen geprojecteerd op het huidige ontwerp. Afbeelding 4.13 Ligging gasleidingen met de 1 % en 100 % letaliteitsgrens

Uit de afbeelding blijkt dat het plangebied zich binnen zowel het 100 %- als het 1 %-letaliteitsgebied bevindt. Het plangebied bevindt zich daarom in zone 2 en zone 3 van deze buisleidingen. Aangezien sprake is van een nieuwe ontwikkeling binnen de letaliteitsgebieden van de buisleidingen, moet het groepsrisico berekend en verantwoord worden. In een Quantitative Risk Assessment (Bijlage 9) is het groepsrisico berekend en verantwoord van de

64

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare twee buisleidingen gelegen in het plangebied. Het beoogde bedrijventerrein Henslare bevindt zich grotendeels binnen het invloedsgebied van de buisleiding A-510 en gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van de buisleiding N-570-26. De twee buisleidingen hebben geen PR 10-6 contour, en vormen hiermee geen belemmering voor de realisatie van de beperkt kwetsbare objecten voorzien op het bedrijventerrein. Er wordt dus voldaan aan de risiconormering voor het plaatsgebonden risico. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt is het groepsrisico berekend en verantwoord. De berekeningen tonen aan dat er een toename is van 10 % van het groepsrisico, echter ligt het groepsrisico lager dan 10 % van de oriëntatiewaarde. Er is dus sprake van een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij dient te worden ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een ongeval.

Verantwoording groepsrisico - bestrijdbaarheid De resulterende fakkelbrand is door de brandweer niet te bestrijden. De fakkel stopt met branden wanneer de buisleiding is ingeblokt en al het gas is opgebrand. Bij een fakkelbrand richt de brandweer zich op: - redden en verlenen van eerste hulp aan slachtoffers; - bepalen van het bron- en effectgebied; - de fakkel gecontroleerd laten uitbranden; - voorkomen van uitbreidingen en beperken effecten door middel van het afschermen van de omgeving; - stabiliseren van het incident en ontstane branden in de omgeving blussen; - waarschuwen van de bevolking. Verantwoording groepsrisico - zelfredzaamheid Aangezien het gebied een bedrijventerrein betreft worden de aanwezige personen vanwege de aard van de werkzaamheden als zelfredzaam beschouwd. Verder is, gezien de afstand tussen de beoogde ontwikkeling en de hogedruk aardgasleidingen, het beste handelingsperspectief binnen blijven, ramen en deuren sluiten en de eventuele mechanische ventilatie uitschakelen. Mochten de gebouwen dichterbij de faalpunt van de aardgasleiding zijn gelegen kan het beste handelingsperspectief vluchten zijn vanwege de vrijgekomen warmte van de fakkelbrand.

Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan worden geconcludeerd dat het thema externe veiligheid buisleidingen geen belemmering vormt voor de realisatie van het beoogde bedrijventerrein Henslare te Putten. Belemmeringenstrook De belemmeringenstrook van de noord-zuid gelegen gasleiding betreft 5 m aan beide zijden van de leiding, gemeten vanuit het hart van de leiding. Deze belemmeringenstrook is in het bestemmingsplan opgenomen. Binnen deze strook zijn geen mogelijkheden voor het oprichten van gebouwen. Het bestemmingsplan laat bovendien geen (beperkt) kwetsbare objecten toe. De belemmeringenstrook van de oost-west gelegen gasleiding valt buiten het plangebied van dit bestemmingsplan. Spoorlijn Amersfoort-Zwolle Direct aan de westzijde van het plangebied ligt de spoorlijn Amersfoort-Zwolle. Over deze spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De spoorlijnroute 360, Amersfoort Oost-Hattem is een basisnet spoortraject met PAG-indicatie. In tabel 4.7 is voor de twee spoortrajecten relevante informatie uit de Regeling basisnet opgenomen. Tabel 4.7 Informatie Regeling basisnet

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

65

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Spoortraject + naam

Traject

PR 10-6

PR 10-7 (GR)

PAG

route 360 Amersfoort Oost Hattem

D

1m

15 m

ja

route 360 Amersfoort Oost Hattem

E

6m

20 m

ja

Plaatsgebonden risico Route 360 Amersfoort Oost-Hattem trajectnummer D en E hebben een plaatsgebonden risicocontour van één respectievelijk 6 m. Het bedrijventerrein ligt dus niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van de spoorlijn. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen knelpunt voor de ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisicoplafond wordt bepaald door het PR 10-7. Het plangebied bevindt zich niet of slechts zeer beperkt binnen het groepsrisicoplafond van de spoorlijn. Uit afbeelding 4.13 blijkt dat het plangebied voor een deel wel binnen het 100 % letaliteitsgebied en de 200 m zone van de spoorlijn bevindt. Het plangebied bevindt zich dus binnen het invloedsgebied van het groepsrisico. Om vast te stellen of dit een knelpunt kan opleveren worden de vuistegels uit de bijlage bij de Handleiding Risicoanalyse Transport toegepast. De relevante vuistregels zijn opgenomen in paragraaf 1.3.2.2, Toetsing groepsrisico voor een baanvak hoge snelheid (>40 km/u). Voor het toepassen van de vuistregels is de relevantie informatie uit de Regeling basisnet opgenomen in tabel 4.8. Tabel 4.8 Informatie Regeling basisnet Spoortraject A route 360 brandbaar Amersfoort gas Oost Hattem

B2 - toxisch gas

B3 - zeer C3 - zeer toxisch gas brandbare vloeistof

D3 toxische vloeistof

D4 - zeer toxische vloeistof

vervoershoe 1.430 veelheden (in ketelwagene quivalenten)

910

0

5.620

1.110

180

invloedsgeb 460 ied in meters

995

> 4.000

35

375

> 4.000

Toetsing oriëntatiewaarde: vuistregel 1: wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in ketelwagens (bulkvervoer) stoffen bevat in de categorie B3 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe; vuistregel 2: wanneer A kleiner is dan 50 en D4 of B2 maken deel uit van de vervoersstroom, pas dan RBMII toe als binnen 200 m van het baanvak aanwezigheidsdichtheden voorkomen van meer dan 200 per h; vuistregel 3: wanneer A minder is dan tien maal de drempelwaarde in tabel 19 (eenzijdige bebouwing) of tien maal de drempelwaarde in tabel 20 (twee-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.

66

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Er is geen sprake van het vervoer van B3, dus ingevolge vuistregel 1 zijn RBM-II berekeningen niet nodig. De vervoersaantallen voor stofcategorie A zijn groter dan 50, daarom zijn ingevolge vuistregel 2 RBM-II berekeningen niet nodig. Voor de toepassing van vuistregel 3 wordt uitgegaan van tabel 19 voor eenzijdige bebouwing, gezien de lage bebouwingsdichtheid in en in de omgeving van het plangebied. Vanwege de spreiding van de toekomstige bebouwing op het terrein, wordt voor de afstand van het plangebied tot de spoorlijn uitgegaan van de meest nabij-geprojecteerde bebouwing bij de spoorlijn. Deze afstand is ongeveer 50 m, dus binnen zone 2. In totaal zijn er 200 arbeidsplaatsen op 6 ha. De gemiddelde personendichtheid per ha is dus 33 personen per ha. Op een afstand van 50 m tot de spoorlijn, met een personendichtheid van 30 personen per ha, wordt de oriëntatiewaarde overschreden bij 24.200 vervoersaantallen categorie A. Aangezien sprake is van 1.430 vervoersaantallen per jaar, wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden.

Toetsing 10 % van de oriëntatiewaarde: vuistregel 1: wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in ketelwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorie B3 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe; vuistregel 2: wanneer A kleiner is dan 50 en D4 of B2 maken deel uit van de vervoersstroom, pas dan RBMII toe als binnen 200 m van het baanvak aanwezigheidsdichtheden voorkomen van meer dan 70 per ha; vuistregel 3: wanneer A minder is dan de drempelwaarde in tabel 1-19 (eenzijdige bebouwing) of in tabel 1-20 (2-zijdige bebouwing) wordt 10 % van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Er is geen sprake van het vervoer van B3, dus ingevolge vuistregel 1 zijn RBM-II berekeningen niet nodig. De vervoersaantallen voor stofcategorie A zijn groter dan 50, daarom zijn ingevolge vuistregel 2 RBM-II berekeningen niet nodig. Voor de toepassing van vuistregel 3 wordt uitgegaan van tabel 19 voor eenzijdige bebouwing, gezien de lage bebouwingsdichtheid in en in de omgeving van het plangebied. Vanwege de spreiding van de toekomstige bebouwing op het terrein, wordt voor de afstand van het plangebied tot de spoorlijn uitgegaan van de meest nabij-geprojecteerde bebouwing bij de spoorlijn. Deze afstand is ongeveer 50 m, dus binnen zone 2. In totaal zijn er 200 arbeidsplaatsen op 6 ha. De gemiddelde personendichtheid per ha is dus 33 personen per ha.

Op een afstand van 50 m tot de spoorlijn, met een personendichtheid van 30 personen per ha, wordt 10 % van de oriëntatiewaarde overschreden bij 2.420 vervoersaantallen categorie A. Aangezien sprake is van 1.430 vervoersaantallen per jaar, wordt 10 % van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) bedraagt 30 m aan weerszijden van het spoor, gemeten vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel voor het doorgaande verkeer. Het bestemmingsplan staat binnen deze zone geen bebouwing toe. Daarom leidt het PAG niet tot een knelpunt. Risicovolle inrichtingen In de buurt van het nieuwe bedrijventerrein bevinden zich drie risicovolle inrichtingen. De ligging van deze bronnen is weergegeven op afbeelding 4.14. Het gaat om de volgende risicobronnen: 1. Benegas Vulcentrum BV; 2. Coöperatieve Pelsdierenhouders Centrale Flevo B.A.; 3. Trouw Nutrition Nederland B.V. Afbeelding 4.14 Uitsnede risicokaart

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

67

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Het plangebied van voorliggende bestemmingsplan bevindt zich alleen binnen de risicocontouren van Benegas Vulcentrum BV. Het plangebied bevindt zich binnen zone 1, zone 2 en zone 3. Daarom wordt voor deze inrichting bepaald in hoeverre sprake is van een potentiële belemmering voor het planvoornemen. Benegas is een leverancier van propaangas en betreft een BRZO-inrichting. Binnen de plaatsgebonden risicocontour van Benegas zijn kwetsbare objecten niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten is sprake van een richtwaarde. De overige contouren van Benegas tonen het groepsrisicoplafond (PR10-7) en het invloedsgebied van het groepsrisico (PR10-8). Binnen deze zones zijn beperkte ontwikkelingen geprojecteerd, welke daarom leiden tot een beperkte toename van het groepsrisico. Dit leidt niet tot een knelpunt.

4.8.4

Conclusie

In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich meerdere mobiele en stationaire risicobronnen. De aanwezigheid van de spoorlijn en de omliggende stationaire bronnen leiden niet tot een belemmering voor het planvoornemen. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van twee buisleidingen is het groepsrisico berekend en verantwoord.

68

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

De berekeningen tonen aan dat er een toename is van 10 % van het groepsrisico, echter ligt het groepsrisico lager dan 10 % van de oriëntatiewaarde. Er is dus sprake van een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij is ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een ongeval. Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan worden geconcludeerd dat het thema externe veiligheid - buisleidingen geen belemmering vormt voor de realisatie van het beoogde bedrijventerrein Henslare te Putten. Het aspect externe veiligheid is daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling van bedrijventerrein Henslare.

4.9

Niet-gesprongen explosieven

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in het plangebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling. Het volledige onderzoek naar niet-gesprongen explosieven is te vinden in Bijlage 10.

4.9.1

Toetsingskader

Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland niet-gesprongen explosieven (verder NGE genoemd) achtergebleven. Deze NGE vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze NGE uitgesloten te worden of dienen eventuele NGE te worden verwijderd.

4.9.2

Resultaten

Er is feitelijk materiaal aangetroffen, waaruit blijkt dat er mogelijk verschillende typen explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven tijdens WOII. Hierdoor geldt dat het onderzoeksgebied (deels) verdacht is op de aanwezigheid van explosieven/ onontplofte oorlogsresten. Op basis van de inventarisatie en analyse van het bronnenmateriaal, is onderscheid gemaakt in verschillende deelgebieden. Tabel 4.9 is een samenvatting van de afbakening van de verdachte gebieden en de soorten te verwachten explosieven. Tabel 4.9 Conclusies en afbakening

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

69

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

70

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Voor aanvullende informatie over horizontale en verticale afbakening en de vermoede soorten, hoeveelheden en verschijningsvormen van de explosieven wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het onderzoek in bijlage X van deze toelichting. De uitleg op basis van welk feitenmateriaal de gebieden verdacht zijn verklaard en afgebakend, is terug te vinden in bijlage III van het onderzoek in Bijlage 10. Projectspecifiek achtergrondrisico Er heeft naoorlogs geen grootschalig grondverzet plaatsgevonden op basis waarvan voor delen van het onderzoeksgebied gesteld kan worden dat er een achtergrondrisico geldt. Wel kan het de moeite zijn om voor de verdachte gebieden 3 en 4 na te gaan wat de naoorlogse grondroering betrof, omdat deze locaties tot slechts 0.3 m-mv verdacht zijn en ook kleinschalige grondroering tot een reductie van het verdachte gebied kan leiden. Weergave verdachte en vrijgegeven gebieden binnen het onderzoeksgebied Onderstaande kaart weergeeft de verdachte en onverdachte gebieden weergeven. De gebieden zijn als onverdacht (groene markering) ingetekend indien het gehele gebied is vrijgegeven, of als roze gemarkeerde verdachte gebieden indien de locatie slechts deels is vrijgegeven. In de eerste tabel in bijlage III van het onderzoek in Bijlage 10 van deze toelichting zijn de vrijgegeven gebieden omschreven.

Afbeelding 4.15 Vrijgegeven en beperkt vrijgegeven gebieden ter attentie van niet-gesprongen explosieven

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

71

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

4.9.3

Conclusie

Een deel van het plangebied van bedrijventerrein Henslare kan op basis van het vooronderzoek naar niet-gesprongen explosieven niet worden vrijgegeven. Dit betekent dat binnen deze gebieden nader onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd voordat er grondwerkzaamheden uitgevoerd worden. Mochten er niet-gesprongen explosieven aangetroffen worden, dan kunnen deze worden geruimd. Het aspect niet-gesprongen explosieven is daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling van bedrijventerrein Henslare.

4.10

Archeologie

Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.

72

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die op 1 januari 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016 - 2023 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd.

4.10.2 Resultaten In en rondom het plangebied zijn in het verleden diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd. In de noordelijke helft van het plangebied is in 2004 een booronderzoek uitgevoerd. De resultaten waren dusdanig dat het plangebied vrij is gegeven. In het zelfde jaar is in en rond het zuidelijke deel van het plangebied een booronderzoek uitgevoerd. Ook dit plangebied is destijds vrij gegeven. Bij de aanleg van de randweg Henslare heeft de regioarcheoloog een veldwaarneming gedaan. De bodem bleek in het wegtracé gediepploegd te zijn. In 2017 is oostelijk van het noordelijk deel van het plangebied een sleuvenonderzoek uitgevoerd (Rimpeler). Alle veldonderzoeken hebben aangetoond dat het gebied te nat was voor historische of prehistorische bewoning. Tekenend voor het reliëf is het hoogteverschil dat aan beide zijde van de Rimpelerweg aanwezig is. Alle onderzoeken hebben aanleiding gegeven om de onderzoeksgebieden vrij te geven.

4.10.3 Conclusie De diverse archeologische onderzoeken die binnen en direct rondom het plangebied zijn uitgevoerd, hebben alle aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of te verwachten zijn. Het gebied ligt laag en is daarom te nat voor historische en prehistorische bewoning. Daarom wordt voor het plangebied bedrijventerrein Henslare geen aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd. In het nieuwe plan zijn dan ook geen dubbelbestemmingen archeologie opgenomen.

4.11

Cultuurhistorie en landschap

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan moet een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet ook rekening worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het onder andere om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en de natuurwaarden in de omgeving.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

73

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

4.11.1 Toetsingskaders Cultuurhistorie De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de op 1 januari 2024 in werking treedt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2023 een overgangsregeling opgenomen. Het uitgangpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een bestemmingsplan verankerd worden.

Landschap De gemeente Ermelo en de gemeente Putten hebben in 2011 gezamenlijk een landschapsontwikkelingsplan opgesteld. Dit landschapsontwikkelingsplan beschrijft het landschapsbeleid voor het buitengebied van de gemeenten Ermelo en Putten, de kleine kernen en de randen van de kernen Ermelo en Putten voor de komende 10-15 jaar. Met dit plan geven de twee gemeentes richting aan zowel ontwikkelingen en initiatieven in het buitengebied als behoud en kwaliteitsverbetering van het landschappelijk karakter van het buitengebied. In het plan worden de volgende specifieke landschappelijke kwaliteiten en identiteiten van het gebied omschreven: 1. 2. 3. 4. 5.

variatie aan open en gesloten gebieden; waterlopen, welke een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van het landschap; routes en verbindingen als dragers van ontwikkeling; cultuurhistorische elementen, welke de identiteit van het gebied vormen; schaalvergroting van de veehouderijsector leidend tot verstorende elementen in het landschap (beeldkwaliteit bebouwing).

4.11.2 Resultaten Cultuurhistorie In het plangebied liggen geen Rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Daarnaast blijkt uit de aardkundige waardenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed dat het plangebied niet is aangewezen als waardevol aardkundig gebied (zie afbeelding 4.17). Afbeelding 4.17 Uitsnede aardkundige waardenkaart

74

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Landschap Het plangebied kent enkele typerende landschappelijke elementen, waaronder een verkavelend landschapspatroon, een houtwallenstructuur, een openheid landschap en de lintstructuur Stenenkamerseweg. In de Gebiedsvisie Henslare is gestreefd naar een samenhangend geheel en een logische inpassing van bedrijventerrein Henslare in het landschap. Met de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt de kwaliteit van de lintstructuur van de Stenenkamerseweg voortgezet en, waar nodig, aangevuld. Bebouwing wordt op afstand van de weg geplaatst zodat een groene voorruimte ontstaat en krijgt een hoogwaardige uitstraling, passend bij de overige boerderijwoningen. Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan een clustering van bedrijven mogelijk gemaakt. Op dit moment is nabij de Stenenkamerseweg en nabij het stations al enige bedrijvigheid. Hierdoor zijn in de huidige situatie verschillende landschap verstorende elementen aanwezig. Deze elementen hebben een invloed op de landschappelijke waarde van het gebied. Dit zal ook gelden voor het bedrijventerrein Henslare. Door in te zetten op een clustering van bedrijvigheid is geen sprake van verdere aantasting van de openheid van het gebied. Het bedrijventerrein fungeert als overgangsgebied tussen het dorp en het landelijk gebied. 4.11.3 Conclusie In het plangebied komen geen cultuurhistorische elementen voor.

Door het concentreren van verstorende elementen vindt geen verdere aantasting plaats van de openheid van het gebied. Daarnaast wordt de bestaande lintstructuur en houtwallenstructuur behouden. Het thema cultuurhistorie en landschap vormen daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.12

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1. buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2. bovengrondse hoogspanningslijnen;

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

75

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare 3. overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1. 2. 3. 4.

gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

4.12.1 Wettelijke grondslag Voor elk van de drie typen leidingen en verbindingen is het wettelijk gezien anders geregeld: 1. voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang; 2. voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk. Hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen heeft het rijk aangegeven in haar 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' uit 2005 met kenmerk SAS/2005183118; 3. voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt. 4.12.2 Resultaten In het meest zuidelijk gelegen deelgebied ligt een planologisch beschermde gasleiding. De voor Leiding - Gas aangewezen gronden zijn bestemd voor een ondergrondse aardgasleiding ter plaatse van de 'hartlijn leiding - gas', de bescherming, het beheer en het onderhoud van de aardgasleiding en de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt. Op de gronden mogen, in afwijking van de andere ter plaatse geldende bestemming(en), uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de leidingen worden gebouwd.

4.12.3 Conclusie In dit bestemmingsplan zijn de bestaande planregels voor dubbelbestemming Leiding-Gas van de bestemmingsplannen 'Veegplan Westelijk Buitengebied' en 'Stenenkamerseweg 21 en Broeksteegje' overgenomen. Initiatieven die mogelijk worden gemaakt door dit bestemmingsplan worden getoetst aan deze planregels. Door voorschriften met betrekking tot de gasleiding op te nemen in het bestemmingsplan wordt de bescherming van de gasleiding gewaarborgd. Het omgevingsaspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

76

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

4.13

Klimaatadaptatie

Door klimaatverandering neemt de kans op hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico's op voor onze gezondheid, veiligheid en economie. Het is van groot belang dat Nederland zich aanpast aan deze veranderingen. De overheid, maatschappelijke organisatie, inwoners en bedrijven werken aan de benodigde aanpassingen voor het omgaan met extreme weersomstandigheden, zodat dit het nieuwe normaal wordt. Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is een gezamenlijk plan van gemeenten, water-schappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert. Op initiatief van het ministerie van BZK en DPRA is de werkgroep 'Verkenning (bouw)regelgeving ten behoeve van klimaatbestendige inrichting' opgericht. Deze werkgroep heeft een handreiking over decentrale regelgeving bij klimaatadaptief bouwen en inrichten uitgewerkt, als handvat voor decentrale overheden om klimaatadaptief bouwen juridisch te borgen.

4.13.1 Hittestress Hitte is een van de thema's van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie, naast droogte, wateroverlast en overstroming. Uit de KNMI'14 klimaatscenario's blijkt dat niet alleen de gemiddelde temperatuur stijgt, maar dat ook de hitte-extremen toenemen. Steden houden door verstening meer warmte vast, waardoor het daar 's nachts tot zeven graden warmer kan zijn dan in het buitengebied: dit wordt het stedelijk hitte-eilandeffect genoemd. De mate waarin het hitte-eilandeffect optreedt, varieert: hoe warm het ergens wordt, hangt af van de lokale ruimtelijke kenmerken. De meest bepalende factoren hierin zijn: 1. aandeel bebouwd oppervlak; 2. aandeel verhard oppervlak; 3. aandeel groen oppervlak. Er zijn diverse maatregelen om hitte te beperken, zoals het aanpassen van gebouwen en infrastructuur, het vergroenen van tuinen en het aanpassen van gedrag. Een integrale aanpak, waarin andere klimaatthema's worden meegenomen (bijvoorbeeld droogte of wateroverlast) heeft hierin de voorkeur. Schaduwwerking van gebouwen en het beperken van de weerkaatsing van glas is in onderhavig bestemmingsplan uitgewerkt in het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 2). Schaduwwerking gebouwen en bomen of schaduwgevend groen Met een bouwregel in het bestemmingsplan kan worden gezorgd dat gebouwen zodanig worden gebouwd, dat zij voldoende schaduw werpen op de openbare ruimte.

Bomen brengen schaduw en houden water vast. Dat draagt bij aan de vermindering van hittestress in warme periodes. Bomen verhogen daarnaast de biodiversiteit en kunnen mogelijk ook op het gebied van wateroverlast een rol spelen. Echter nemen bomen ook veel ruimte in en kan ondergrondse infrastructuur ook een beperkende factor zijn bij het aanplanten van bomen. Daarom is het ook een optie om in plaats van bomen 'schaduwgevend groen' aan te planten. Weerkaatsing glas Glas is een populair materiaal voor met name bedrijfsgebouwen. Het zorgt voor veel daglicht, mooi uitzicht en kan een bron van energie zijn als de zon erop staat. Een nadeel van een gebouw dat bijna voornamelijk uit glas bestaat, is de weerkaatsing van zonlicht richting de openbare ruimte. Hierdoor warmt de openbare ruimte op hete dagen nog extra op.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

77

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Gelet op de afbakening tussen het bestemmingsplan en het Bouwbesluit, mag het bestemmingsplan geen eisen stellen aan het materiaalgebruik. Maar in aanvulling op het Bouwbesluit kan in het bestemmingsplan wel een bouwregel worden opgenomen die zich richt op beperking van deze weerkaatsing, omdat dit een effect heeft op de openbare ruimte en daarmee ruimtelijk relevant is. De initiatiefnemer heeft dan zelf de keuze op welke wijze hij de weerkaatsing beperkt.

4.13.2 Wateroverlast Wateroverlast is een van de thema's van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie, naast hitte, droogte en de gevolgbeperking van overstromingen. Uit de KNMI'14 scenario's blijkt dat de hoeveelheid jaarlijkse neerslag toeneemt, evenals de intensiteit van de buien. Hierdoor is er een grotere kans op wateroverlast. Er zijn drie typen wateroverlast: 1. wateroverlast door kortdurende hevige neerslag (vaker in de zomer); 2. wateroverlast door langdurige neerslag (meestal in de winter); 3. grondwateroverlast. De gevolgen van deze drie typen overlast variëren en zijn onder andere afhankelijk van de plaats waar de neerslag valt: in landelijk gebied of in de bebouwde omgeving, in een hellend of vlak gebied, in een (groot) watersysteem met veel of klein systeem met beperkte berging. Om de gevolgen van wateroverlast te beperken, is het van belang om de omgeving in te richten met het oog op veranderingen. Aangezien eigenaren verantwoordelijk zijn voor de afwatering van hun eigen terrein, is het ook passend dat zij maatregelen treffen door een gebouw, dak of tuin regenbestendig(er) te maken.

Dit is als volgt vertaald in de regels van bestemmingsplan bedrijventerrein Henslare: Artikel 4.2.1 g: het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan als voorzien wordt in de aanleg van een waterberging van ten minste 70 liter per vierkante meter bebouwd oppervlak, die tussen de 12 en 24 uur na een bui weer voor 90 % beschikbaar is en in stand wordt gehouden. Artikel 4.4.1 maakt het mogelijk om hiervan af te wijken als het realiseren van de waterberging redelijkerwijs kleiner kan of niet mogelijk is. In artikel 4.4.2 staan de voorwaarden hiervoor beschreven. 4.13.3 Conclusie Aan de hand van de handreiking over decentrale regelgeving bij klimaatadaptief bouwen en inrichten is in dit bestemmingsplan uitwerking gegeven aan het juridisch borgen van klimaatadaptief bouwen. Deze regels zijn terug te vinden in artikel 4.2.1 van de regels van bestemmingsplan bedrijventerrein Henslare en in het beeldkwaliteitsplan welke is opgenomen in Bijlage 2 van de regels. Het doel hiervan is het voorkomen van hittestress en wateroverlast op het bedrijventerrein Henslare.

4.14

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Voor elk besluit dat betrekking heeft op een activiteit of activiteiten die voorkomen op de C of D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

78

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

4.14.1 Wettelijke grondslag Het voornemen van dit bestemmingsplan komt voor op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Er sprake is van: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein' (categorie D11.3 Besluit m.e.r). De drempelwaarde van de D-lijst Besluit milieueffectrapportage is 75 ha of meer. Het bedrijventerrein is netto (uitgeefbare grond) 7,2 ha groot. Dat betekent dat de bestemmingsplanwijziging voor het bedrijventerrein onder de D-drempel valt en dat minimaal een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden opgesteld. Tabel 4.10 D-lijst van Besluit milieueffectrapportage Activiteiten D 11.3

Gevallen

de aanleg, wijziging n gevallen waarin of uitbreiding van de activiteit een een industrieterrein oppervlakte van 75 ha of meer betreft

Plannen

Besluiten

de structuurvisie, de vaststelling van bedoeld in de het plan, bedoeld in artikelen 2.1, 2.2 en artikel 3.6, eerste 2.3 van de Wet lid, onderdelen a en ruimtelijke b, van de Wet ordening, en het ruimtelijke ordening plan, bedoeld in dan wel bij het artikel 3.1, eerste ontbreken daarvan lid, van die wet van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet

4.14.2 Resultaten vormvrije m.e.r.-beoordeling In het kader van voorliggend bestemmingsplan diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor alle, voor dit plan, relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten in de paragrafen hiervoor zijn beschreven, blijkt dat het plan zeer beperkte milieueffecten heeft.

4.14.3 Conclusie Gezien de zeer beperkte impact van voorliggend bestemmingsplan op de milieuaspecten is er geen sprake van mogelijk aanzienlijke milieugevolgen. Daarom is het opstellen van een milieueffectrapport niet nodig.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

79

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Er wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en een toelichting gegeven op de regels van het bestemmingsplan.

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1. het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2. het bebouwen van de gronden; 3. het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

5.1.3

Hoofdstukopbouw van de regels

De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: 1. inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2);

80

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare 2. bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. algemene regels. In de laatste twee hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan.

Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; 4. overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente en vergelijkbare bestemmingsplannen van de gemeente.

5.3

Toelichting op de regels

5.3.1

Inleidende regels

Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in het eerste artikel van het bestemmingsplan uitgelegd. Vervolgens bevat het tweede artikel technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen. 5.3.2

Bestemmingsregels

Om recht te doen aan het uitgangspunt dat het plan niet meer dient te regelen dan noodzakelijk is, is het aantal bestemmingen in het plan zoveel mogelijk beperkt. Ook de bijbehorende bouw- en gebruiksregels zijn waar mogelijk beperkt in aantal en in mate van gedetailleerdheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://putten.raadsinformatie.nl/document/13650404/1/5_1575710