CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bedrijventerrein Henslare Toelichting

Hoorzitting 11 januari 2024, gemeente PuttenBij agendapunt: Raadsvoorstel, besluit en bijlagen28.829 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Toetsingskader

De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing 'passend' zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie (1 tot en met 6) een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Deze indeling is afhankelijk van de activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. Dit heet milieuzonering. Op basis van deze milieucategorie geldt een minimale richtafstand ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' of het omgevingstype 'gemengd gebied' (zie tabel 4.1). Het zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en (andersom) dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd.

Tabel 4.1 Milieucategorieën en richtafstanden (categorie-indeling cf. publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, uitgave 2009) Milieucategorie

32

Richtafstand in meters tot omgevingstype 'rustige woonwijk'

Richtafstand in meters tot omgevingstype 'gemengd gebied'

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

5.1

500

300

5.2

700

500

5.3

1.000

700

6

1.500

1.000

De VNG-publicatie legt niet vast wat wel en niet is toegestaan. De gemeente bepaalt zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken. De gemeente dient dit wel op een zorgvuldige wijze af te wegen en te verantwoorden.

4.1.2

Resultaten

De gemeente wil op het nieuwe bedrijventerrein lichte milieucategorieën 1 en 2 toestaan, en daarnaast ook milieucategorie 3.1 en 3.2, mits dit geen onaanvaardbare overlast voor de omgeving veroorzaakt.

Nieuwe bedrijvigheid ten opzichte van bestaande woningen Voor het gebied rondom het nieuwe bedrijventerrein Henslare is het uitgangspunt omgevingstype 'rustige woonwijk'. De afstand van een nieuw bedrijf met milieucategorie 1 tot een bestaande woning moet minimaal 10 m zijn. Voor een bedrijf met milieucategorie 2 moet dat minimaal 30 m zijn. Voor milieucategorie 3.1 geldt een minimale afstand van 50 m en voor categorie 3.2 een afstand van 100 m (zie ook tabel 4.1). De afstanden van bestaande woningen net buiten het plangebied van Henslare tot aan de nieuwe bedrijvigheid is bij de toewijzing van de milieucategorieën aan de gebieden leidend geweest. Vervolgens is gekeken hoe qua milieucategorisering aangesloten kan worden bij de huidige aanwezige bedrijvigheid. Het resultaat hiervan is te zien op afbeelding 4.1. Categorie 1, 2 en 3.1 zijn toegewezen aan het meest noordelijke gebied. In het middengebied en het zuidelijke gebied zijn de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 toegestaan (resp. oranje, groen, donkerblauw, rood op afbeelding 4.1).

Nieuwe bedrijvigheid ten opzichte van bestaande bedrijvigheid In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere bedrijven, zoals propaangasleverancier Benegas, Van de Mheen Grondwerken BV, Van de Mheen Rail BV en bouwbedrijf J. Timmer BV en daarnaast diverse agrarische/veehouderijbedrijven. De nieuwe bedrijvigheid van het bedrijventerrein Henslare mag geen beperkingen opleveren voor de bestaande bedrijvigheid. Met andere woorden: de verworven rechten van de bestaande bedrijven die zij hebben via (milieu)vergunningen mogen niet worden ingeperkt. Op afbeelding 4.1 is de risicocontour van Benegas te zien, de 'veiligheidszone-LPG' uit bestemmingsplan Veegplan Westelijk Buitengebied (cirkel met zwart onderbroken lijn). Te zien is dat de veiligheidszone aan de oostkant van het spoor gedeeltelijk het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan van het toekomstige bedrijventerrein Henslare raakt. Dit deelgebied ten noorden van Van der Mheen is komen te vervallen en is geen onderdeel meer van dit vastgesteld

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

33

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare bestemmingsplan. Daarom levert de veiligheidszone-LPG van Benegas geen belemmering op voor het nieuwe bedrijventerrein en levert de nieuwe nieuwe bedrijvigheid ook geen belemmeringen op voor Benegas. Andere omliggende (agrarische/veehouderij) bedrijven zijn op een dusdanige afstand gesitueerd van het nieuwe bedrijventerrein dat deze elkaar onderling niet beïnvloeden.

Toewijzing van de milieucategorieën De situering van de toegestane milieucategorieën zijn vastgesteld na analyse vanuit de bestaande gevoelige bestemmingen en bedrijvigheid in en rondom het plangebied, waarbij gezocht is naar de hoogst toegestane milieucategorie volgens de richtafstanden. Dit leidt tot de situering van de milieucategorieën zoals weergegeven op afbeelding 4.1. Voor specifiekere details wordt verwezen naar paragraaf 4.4.2 Industrielawaai.

Afbeelding 4.1 Toegestane milieucategorieën op het te realiseren bedrijventerrein

Vertaling naar de verbeelding van het bestemmingsplan Voor het bedrijventerrein wordt in het uitgiftebeleid aangegeven dat een bedrijf 'geen zware milieucategorie' heeft. Ter plaatse van bestaande woningen met een woonbestemming wordt in het bestemmingsplan een inwaartse zonering gehanteerd. Dit betekent dat de lichtste categorie bedrijfsactiviteiten, milieucategorie 1, het dichtst bij de woonbestemmingen ligt. Daarna milieucategorie 2, 3.1 en 3.2. Bij het definitief intekenen van de verkaveling kan het daarbij voorkomen dat er meerdere milieucategorieën over één kavel liggen. In zo'n situatie dient met de inrichting van de kavel en de plaatsing van de bedrijfsactiviteiten rekening gehouden te worden met de milieuzones zoals aangegeven in het bestemmingsplan. Een lichtere categorie bedrijf dan de maximaal toegestane categorie is overigens altijd toegestaan. 34

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare Kanttekening daarbij is dat het niet de voorkeur heeft om gronden die geschikt zijn voor categorie 3.2, uit te geven voor een lagere categorie, omdat de gronden met categorie 3.2 al zeer beperkt zijn. Zwaardere categorieën dan milieucategorie 3.2 worden door de gemeente niet toegestaan. Uitzondering hierop zijn bedrijven die door hun aard, omvang en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot de ter plaatse toegelaten categorieën van bedrijven en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Op die manier zal de nieuwe bedrijvigheid niet voor hinder zorgen voor de bestaande woon- en bedrijfsfuncties en is er daarmee sprake van een aangenaam woon- en bedrijfsklimaat.

4.1.3

Conclusie

Aan de hand van minimale richtafstanden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' is het nieuwe bedrijventerrein Henslare ingedeeld in verschillende milieuzones. Dit zorgt ervoor dat de nieuwe bedrijfsactiviteiten een passende locatie krijgen in de nabijheid van bestaande woningen. Door het wegblijven uit de veiligheidszone-LPG van Benegas en de afstand tot andere omliggende bestaande bedrijven, zal de nieuwe bedrijvigheid ook een passende plek hebben ten opzichte van bestaande bedrijvigheid. Op die manier wordt er naar gestreefd dat de nieuwe bedrijvigheid niet voor overmatige hinder zorgt voor de bestaande woon- en bedrijfsfuncties. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het bedrijventerrein Henslare.

4.2

Verkeer en parkeren

Met de voorgenomen ontwikkeling kunnen wijzigingen optreden in het verkeerspatroon en de parkeer situatie. In dit kader is een verkeersstudie uitgevoerd voor het in beeld brengen van de verkeerskundige effecten van de ontwikkeling van bedrijventerrein Henslare. In deze paragraaf worden deze effecten nader toegelicht. Het volledige verkeersonderzoek is te vinden in Bijlage 1.

4.2.1

Uitgangspunten

In het verkeersonderzoek wordt bedrijventerrein Henslare grofweg opgedeeld in vier deelgebieden. (Red.: het tweede deelgebied van 0,4 ha categorie 3 is inmiddels komen te vervallen). Op afbeelding 4.2 zijn de deelgebieden gearceerd weergegeven. De twee zuidelijke deelgebieden liggen tegen elkaar aan en worden van elkaar gescheiden door de Bijsterenseweg. Om inzichtelijk te maken wat het bestemmingsplan mogelijk maakt zijn de hectares naar rato over de deelgebieden verdeeld. Bij dergelijke plannen is het van groot belang goed vast te leggen wat de maximale vulling van een deelgebied is en hoeveel dit aantrekt. Bij het berekenen van de planeffecten is het gebruikelijk om datgene wat via het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, via CROW-kencijfers wordt berekent. Daarmee wordt uitgegaan van een worst-case benadering omdat de CROW-kencijfers veelal hoger zijn dan het daadwerkelijke gebruik in de praktijk. Voor alle overige autonome (ruimtelijke) ontwikkelingen is het regionale verkeersmodel gehanteerd. Voor de autonome ontwikkelingen bepaalt het verkeersmodel dus de ritgeneratie. Het gaat in deze studie om een gemengd terrein (categorie 1, 2, 3.1 en 3.2) van circa 6 ha netto.

Afbeelding 4.2 Deelgebieden binnen plangebied

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

35

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Aansluitingen op het wegennet De vier deelgebieden krijgen elk een eigen ontsluiting. De twee zuidelijke deelgebieden sluiten aan op de Bijsterenseweg. Het middelste deelgebied sluit met een bestaande voorrangsaansluiting aan op Henslare en het noordelijke deelgebied krijgt een nieuwe aansluiting. Voor deze studie gaan we uit van een aansluiting op de Stationsstraat. In de Gebiedsvisie Henslare (maart 2022) is vastgelegd dat het bedrijventerrein ontsloten wordt via de hoofdwegen. Het gebruik van ongeschikte wegen zal ontmoedigd worden of onmogelijk gemaakt worden.

Verkeersmodel De gemeente Putten heeft recent een nieuw verkeersmodel laten opstellen: het verkeersmodel Putten versie 1.0. Dit verkeersmodel is bij uitstek geschikt voor deze studie.

4.2.2

Resultaten

Intensiteiten Bij realisatie van het plan neemt de intensiteit op een aantal wegen toe. Zonder aanpassingen van de bestaande infrastructuur ontstaan de belangrijkste toenames op Stenenkamerseweg, Bijsterenseweg, Broeksteeg en Henslare (ten zuiden van de rotonde).

Afbeelding 4.3 Intensiteiten plan (2030, mvt/etmaal, afgerond op honderdtallen)

36

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Het verkeer kan goed afgewikkeld worden via aantakkingen op het bestaande wegennet, het bestaande wegennet hoeft daarom niet aangepast te worden, met uitzondering van Broeksteegje. In het voorkeursalternatief is het gewenst om de weg minimaal te verbreden tot circa 5 m en bij voorkeur tot 5,80 m. Verder is er een risico aanwezig op verkeer via de erftoegangswegen Bijsterenseweg en Stenenkamerseweg. Vanwege het risico op toename van het (vracht)verkeer op Stenenkamerseweg wordt geadviseerd om de Stenenkamerseweg en Bijsterenseweg ter hoogte van de spoorwegovergangen af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer. Dit zorgt er voor dat de verkeersveiligheid gewaarborgd blijft op deze straten. Al het verkeer gekoppeld aan bedrijventerrein Henslare wordt dan afgewikkeld via Henslare en Stationsstraat. De rotondes waarop toenames van verkeer aanwezig is zijn onderzocht op hun afwikkelingskwaliteit. Henslare - Stationsstraat, Henslare - Broeksteegje en Henslare - Nijkerkerstraat. De verkeersafwikkeling van alle drie de rotondes is van voldoende kwaliteit.

Parkeren Het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt doorgaans bepaald op basis van de bruto vloeroppervlakte van bedrijven. De exacte invulling is echter nog niet bekend. Om toch een worst case beeld te verkrijgen, ten behoeve van het ruimtebeslag is een omrekening gemaakt van verkeersgeneratie naar parkeerplaatsen. Dit is per deelgebied in beeld gebracht. Het noordelijke gebied en middelste gebied hebben minder autoritten en daarmee ook minder parkeerplaatsen nodig. Op basis van dezelfde redenering als hierboven resulteert dit in: 30 parkeerplaatsen voor het noordelijke gebied (5 % van het totaal); 43 parkeerplaatsen voor het middelste deelgebied (7 % van het totaal); 537 parkeerplaatsen voor de twee zuidelijke deelgebieden (88 % van het totaal) - 397 noord (65 % van het totaal); - 140 zuid (23 % van het totaal). Aangezien het om een worst case berekening gaat is het belangrijk om hier een ruimtereservering voor te doen (op eigen terrein) en bij verdere uitwerking van de plannen opnieuw berekeningen uit te voeren

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

37

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare en te beoordelen hoeveel parkeerplaatsen er daadwerkelijk nodig zijn op basis van de parkeernormen van de gemeente Putten.

4.2.3

Conclusie

Het verkeer kan goed afgewikkeld worden via aantakkingen op het bestaande wegennet, het bestaande wegennet hoeft daarom niet aangepast te worden, met uitzondering van Broeksteegje. Vanwege het risico op toename van het (vracht)verkeer op Stenenkamerseweg wordt geadviseerd om de Stenenkamerseweg en Bijsterenseweg ter hoogte van de spoorwegovergangen af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer. Al het verkeer gekoppeld aan bedrijventerrein Henslare wordt dan afgewikkeld via Henslare en Stationsstraat. De rotondes zijn voor deze verkeersafwikkeling van voldoende kwaliteit. Voor parkeren is een omrekening gemaakt van verkeersgeneratie naar parkeerplaatsen. In de worst-case situatie zijn er op bedrijventerrein Henslare in totaal 610 parkeerplaatsen nodig. Hiervoor dient een ruimtereservering te worden gedaan op eigen terrein. De uiteindelijk plannen dienen te voldoen aan de Op parkeernormen van de gemeente Putten. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de realisatie van het bedrijventerrein Henslare.

4.2.4

Vervolg verkeersonderzoeken

Op basis van de conclusie in 4.2.3 laat de gemeente Putten door ingenieursbureau Sweco een nader onderzoek laten uitvoeren naar het effect van het eventueel afsluiten van de spoorwegovergangen en de verkeersmaatregelen die noodzakelijk zijn om sluipverkeer te voorkomen. Het hier uit voortvloeiende verkeersbesluit valt niet onder de reikwijdte van het bestemmingsplan.

4.3

Luchtkwaliteit

De gemeente Putten wil een bedrijventerrein, dat 'Henslare' gaat heten, ontwikkelen ten westen van de bebouwde kom van Putten. Het wordt een bedrijventerrein dat met name is bedoeld voor de Puttense ondernemers. Het biedt ruimte voor uit te plaatsen bedrijven en nieuwe bedrijven. In totaal komt er circa 11 ha bruto bedrijventerrein, waarvan in deze fase van de gebiedsontwikkeling 5,8 ha netto uitgeefbare grond wordt. Voor het wijzigen van het bestemmingsplan is een luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk. Hiermee moet worden aangetoond dat voldaan wordt aan de grenswaarden vanuit de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners.

4.3.1

Toetsingskader

Wet milieubeheer De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in titel 5.2 van de Wm. Artikel 5.16 lid 1 geeft de grondslagen waarop onderbouwd kan worden dat een plan voldoet aan de eisen met betrekking tot de luchtkwaliteit: het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; ten gevolge van het project is sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie blijft gelijk; het plan draagt niet in betekende mate (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat de projectbijdragen van NO2 en PM10 maximaal 3 % van de jaargemiddelde grenswaarde bedragen, oftewel maximaal 1,2 µg/m3; het project is opgenomen, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL) of een regionaal programma van maatregelen;

38

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor de realisatie van het plan. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stelt beperkingen aan de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale en rijkswegen, en richt zich op de bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor NO2 en PM10. Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. In het besluit zijn onderzoekszones van 50 m en 300 m vanaf de rand van de weg ingesteld voor respectievelijk provinciale en rijkswegen. Wanneer gevoelige bestemmingen binnen deze onderzoekszones zijn gesitueerd, is een luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk. Onder gevoelige bestemmingen vallen scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen, of vergelijkbare functies. Op het moment dat de grenswaarden voor NO2 of PM10 (dreigen te) worden overschreden mag het aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen. Er geldt dan een bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone.

Schone Lucht Akkoord Het schone luchtakkoord (SLA) is op 13 januari 2020 gestart, en alle provincies hebben inmiddels het SLA getekend. Het streven van het SLA is permanente verbetering van de luchtkwaliteit om gezondheidswinst voor iedereen in Nederland te realiseren waarbij in 2030 voldaan wordt aan de WHO advieswaarden van 2005. De gemeente Putten heeft het SLA niet ondertekend.

4.3.2

Resultaten

Het volledige luchtkwaliteitsonderzoek is te vinden in Bijlage 2.

Niet in betekenende mate Gezien de verkeersaantrekkende werking van het plan kan niet op voorhand worden gesteld dat er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden door het project, of dat er sprake is van een verbetering dan wel gelijkblijvende luchtkwaliteit. Voor de uitvoering van een NIBM-berekening is de totale verkeersaantrekkende werking van het plan uit het verkeersonderzoek van Goudappel (bijlage I) gebruikt.

Afbeelding 4.4 Jaar van planrealisatie

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

39

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Om aan te tonen dat het plan niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit zijn berekeningen uitgevoerd met behulp van het rekenpakket GeoMilieu V2022.2 rev. 2 (STACKS). Hiertoe is een verspreidingsmodel opgesteld, waarin de relevante emissiebronnen en toetspunten zijn opgenomen.

Berekende concentraties Onderstaande afbeeldingen 4.5 tot en met 4.7 geven de berekende concentraties van de respectievelijk luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2.5 weer. De kaarten zijn ook opgenomen in Bijlage 2.

Afbeelding 4.5 NO2-concentratie op rekenpunten - 2023

Afbeelding 4.6 PM10-concentratie op rekenpunten - 2030

40

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Afbeelding 4.7 PM2.5-concentratie op rekenpunten - 2030

Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de hoogst berekende waarden op de rekenpunten weer. Voor het overzicht van alle berekende waarden wordt verwezen naar Bijlage 2.

Tabel 4.2 Hoogst berekende resultaten

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

41

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Rekenpunt

Stof

Grenswaar Totale de (µg/m3) concentratie (µg/m3) max*

Achtergrond Bijdrage concentratie project (µg/m3) (µg/m3)

Aantal overschrijdingen uur-, etmaal- of jaargemiddelde grenswaarde

812

NO2

40

17,32

15,14

2,18

0 > uur-norm (-)

469

PM10

40

18,41

18,01

0,40

7 > 24u-norm (-)

478

PM2.5

25

8,76

8,64

0,12

--

Uit de berekeningen blijkt dat op alle rekenpunten voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden conform de Wm. Opgemerkt wordt dat voor NO2 en PM2.5 niet overal voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden. Omdat de WHO-advieswaarden geen wettelijke status hebben, en toetsing uitsluitend plaatsvindt aan de wettelijke grenswaarden van de Wm, heeft dit verder geen consequenties voor het planvoornemen.

4.3.3

Conclusie

Ondanks dat het project (in geringe mate) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving blijkt op basis van de uitgevoerde berekeningen dat op alle toetspunten (ruimschoots) voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden vanuit de Wm. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het bedrijventerrein Henslare en voor omliggende gevoelige functies.

4.4

Geluid

4.4.1

Wegverkeer- en spoorweglawaai

Het volledige geluidsonderzoek voor wegverkeer- en spoorweglawaai is te vinden in Bijlage 1, als hoofdstuk 5 in het verkeersonderzoek. De realisatie van nieuwe bedrijven zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen op de omliggende wegen. Bovendien zorgt het afsluiten van de spoorwegovergangen voor een gewijzigde routekeuze. Daardoor hebben de plannen gevolgen voor de geluidsbelasting langs wegen in de omgeving. Dit hoofdstuk gaat in op de geluidssituatie. De Wet geluidhinder is van toepassing voor de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, de aanleg van nieuwe wegen en het aanpassen van bestaande wegen. In voorliggende situatie is met name sprake van indirecte planeffecten, als gevolg van wijzigingen van verkeersstromen en extra verkeersbewegingen. De Wet geluidhinder stelt geen normen voor dergelijke effecten. Wel dienen dergelijke 'gevolgen elders' te worden beschouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Resultaten In het geluidsonderzoek (hoofdstuk 5 van Bijlage 1) is onderzocht dat langs de wegen binnen het plangebied, waarneembare toenames van de geluidsbelasting verwacht worden. De exacte invulling van het plangebied is van invloed op de uiteindelijke intensiteiten. Langs de betreffende wegen (Stenenkamerseweg, Bijsterenseweg, Broeksteegje) zijn enkele woningen gesitueerd.

Vanuit de Wet geluidhinder geldt niet direct een verplichting tot het treffen van maatregelen. Wel kunnen deze in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden afgewogen. Daarbij kan in de eerste plaats gedacht worden aan bronmaatregelen: door de huidige maximum snelheid van 60 km/h terug te brengen kan de geluidsbelasting worden teruggebracht. Overwogen wordt om de komgrenzen van Putten te verschuiven zodat het bedrijventerrein binnen de bebouwde kom komt te liggen. Wanneer de maximum snelheid

42

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare wordt teruggebracht naar 30 km/h, neemt de geluidsbelasting met circa 3 dB af. In dat geval is geen sprake van toenames van de geluidsbelasting ten opzichte van de referentiesituatie. De geluidsbelasting op de aanliggende woningen is dan niet hoger dan de in formeel te toetsen situaties geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee is sprake van een acceptabele geluidssituatie. Het toepassen van een geluidsreducerend wegdek lijkt in voorliggende situatie niet realistisch. Er is slechts sprake van enkele woningen, waarmee de kosten van een dergelijke maatregel niet opwegen tegen de te behalen geluidsreductie. Bovendien zijn geluidsreducerende wegdekken doorgaans niet inpasbaar in bochten en op kruispuntvlakken, vanwege een beperkte slijtvastheid. Overdrachtsmaatregelen, in de vorm van geluidswallen of schermen worden als niet reëel inpasbaar geacht. Geadviseerd wordt daarom om een maximum snelheid van 30 km/h op het bedrijventerrein in te stellen. Aanvullende geluidsreducerende maatregelen zijn dan niet benodigd. Bij 30 km/h is de weginrichting wel een aandachtspunt. Een asfaltweg kan in de praktijk uitnodigen tot sneller rijden dan 30 km/h. Bij een elementenverharding zijn weggebruikers eerder geneigd langzamer te rijden, maar een elementenverharding heeft wel weer een hogere geluidsbelasting tot gevolg (ten opzichte van asfalt).

Bovendien is de toepassing van een elementenverharding op een bedrijventerrein niet gebruikelijk. Nieuwe wegen Aandachtspunt bij de verdere uitwerking is het eventueel aanleggen van nieuwe wegen ter ontsluiting van de te realiseren bedrijven. Per situatie dient afgewogen te worden in hoeverre sprake is van nieuwe wegen en dient de geluidssituatie op de omliggende woningen beschouwd te worden. In de directe nabijheid van de beoogde locaties voor de ontsluiting van het bedrijventerrein is geen sprake van de aanwezigheid van geluidsgevoelige bestemmingen. Door de nieuwe wegen niet te dicht op bestaande woningen te realiseren, ontstaan geen knelpunten ten aanzien van geluid. De exacte situering van de nieuwe wegen is afhankelijk van de uiteindelijke indeling van de terreinen. Ook wanneer bestaande wegen aangepast worden, bijvoorbeeld vanwege de aansluiting van nieuwe wegen, dient mogelijk aanvullend akoestisch onderzoek plaats te vinden. Aanpassing Bijsterenseweg/Broeksteegje In de huidige situatie betreft de wegverbinding Bijsterenseweg/Broeksteegje (wegvak 12) een relatief smalle weg. Daarom wordt overwogen het betreffende wegvak te verbreden. Langs dit wegvak is één woning gesitueerd. Uit de berekening (waarneempunt 12) blijkt dat dat de geluidsbelasting ruim onder de 48 dB ligt, waarmee sprake is van een acceptabele geluidssituatie.

Ook wanneer de weg verbreed wordt (in lijn met de huidige ligging), blijft de geluidsbelasting onder de 48 dB en is sprake van een acceptabele geluidssituatie. Langs het wegdeel van de Bijsterenseweg ten westen van de aansluiting van de Brijstroetweg is sprake van twee woningen. Alleen het verkeer van en naar deze woningen maakt gebruik van dit wegvak. De geluidsbelasting ten gevolge van dit bestemmingsverkeer ligt voor deze woningen ruim onder de 48 dB. 4.4.2

Industrielawaai

Het bedrijventerrein Henslare is in de huidige situatie een landelijk gebied, met agrarische bestemmingen. Met de realisatie van het bedrijventerrein worden deze agrarische bestemmingen omgevormd naar de bestemming 'Bedrijventerrein'. Dit maakt de realisatie van bedrijven uit verschillende milieucategorieën mogelijk. Afhankelijk van de afstand ten opzichte van omliggende gevoelige functies kunnen er bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 worden ontwikkeld. Omdat op voorhand niet bekend is welke (type) bedrijven zich gaan vestigen op het bedrijventerrein, is voor dit onderzoek aangesloten bij de VNG-systematiek om de akoestische inpasbaarheid van het planvoornemen te bepalen. Het volledige akoestisch onderzoek industrielawaai is te vinden in Bijlage 3. Bedrijven en milieuzonering Bij het realiseren van een bedrijf of bedrijventerrein nabij woningen (en andere gevoelige objecten) moet vanuit de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) worden beoordeeld of sprake is van een goede bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

43

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare ruimtelijke ordening. Dat wil zeggen: ontstaat er een aanvaardbaard woon- en leefklimaat bij de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, en; worden de bestaande, reeds vergunde, rechten en milieubelangen gerespecteerd. Voor de bepaling hiervan wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' . Deze publicatie geeft richtafstanden die, als gevolg van jurisprudentie, in acht moeten worden genomen tussen gevoelige objecten en bedrijven. De te hanteren richtafstanden zijn gebaseerd op en afhankelijk van de milieucategorie van een bedrijf. Daarbij speelt ook de aard van het gebied een rol. Een stille woonomgeving verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige functiemenging aan de orde is. Om die reden kunnen de richtafstanden in een gemengd gebied met één trede worden verlaagd. Tabel 4.3 Richtafstand per milieucategorie uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Milieucategorie

Omgevingstypering Rustige woonwijk toetswaarde 45 dB(A)

Gemengd gebied toetswaarde 50 dB(A)

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

De richtafstanden uit tabel 4.3 gelden tussen de rand van de bestemmingsgrens van het bedrijf en de bestemmingsgrens van het nieuwe gevoelige object. De richtafstanden geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting, gebaseerd op een gemiddeld bedrijf. De feitelijke milieubelasting van bedrijfsactiviteiten kan afwijken als gevolg van specifieke processen, hinderbeperkende maatregelen, de inrichting het bedrijf(terrein) en de vigerende milieuvergunning. Om te bepalen of nieuwe gevoelige objecten nabij (bestaande) bedrijven gerealiseerd kunnen worden, moet onderstaande stappenplan doorlopen worden. Tabel 4.4 Stappenplan milieuzonering voor gevoelige objecten nabij (bestaande) bedrijven Stap

Actie

1

bepaal met behulp van de algemene richtafstanden tabel de relevante bedrijventerreinen en bedrijfspercelen in de omgeving van de locatie

2

bepaal op basis van het bestemmingsplan de toelaatbare milieucategorieën van deze bedrijven en teken de bijbehorende richtafstanden (milieuzones) op de kaart

44

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

3

indien de milieuzones de gewenste gevoelige objecten overlappen: a: pas de plannen voor de gevoelige objecten aan, óf; b: ga na wat de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten zijn. Indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten kleinere richtafstanden opleveren, beoordeel dan of het hanteren van een kleinere richtafstand wenselijk is

4

indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten van de gevestigde bedrijven strijdig zijn met de gewenste gevoelige objecten: a: pas de plannen voor de gevoelige objecten aan, óf; b: doe desgewenst vervolgonderzoek naar de feitelijke milieubelasting van de bedrijven. Neem hierin mee: - de milieubelasting voor de maatgevende milieuaspecten conform de milieuvergunning of het Activiteitenbesluit; - eventuele ontwikkelplannen van de bedrijven waarmee rekening gehouden dient te worden; - ga na welke maatregelen mogelijk zijn de milieubelasting in de omgeving te verkleinen; - ga na op het nemen van maatregelen aan de gevoelige objecten mogelijk is of pas de plannen voor de gevoelige objecten aan; - borg voor de gevoelige objecten de noodzakelijke maatregelen (zoals hinderbeperkende voorzieningen) bijvoorbeeld via de voorschriften in de milieuvergunning

Onderzoek bestemmingsplan VNG-systematiek Stap 1 en 2 Het gebied rondom het nieuwe bedrijventerrein Henslare geldt als een 'rustige woonwijk'. Daarmee blijven de niet afgewaardeerde richtafstanden van tabel 2.1 van toepassing voor de inpassing van de bedrijfsbestemmingen van het plan. De situering van de toegestane milieucategorieën zijn vastgesteld na analyse vanuit de bestaande gevoelige bestemmingen en bedrijvigheid in en rondom het plangebied, waarbij gezocht is naar de hoogst toegestane milieucategorie volgens de richtafstanden. Dit leidt tot de situering van de milieucategorieën zoals weergegeven in onderstaande afbeelding. Afbeelding 4.8 Toegestane milieucategorieën op het te realiseren bedrijventerrein

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

45

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Stap 3 Met deze voorgenomen indeling wordt op elke omliggend gevoelige bestemming voldaan aan de richtafstanden tussen de betreffende toegestane milieucategorie en de gevoelige bestemmingen. Daarmee is er geen milieuhinder vanuit de bedrijfsbestemmingen naar gevoelige bestemmingen te verwachten. Ook leggen deze bestaande gevoelige bestemmingen daarmee geen beperkingen op aan de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor de te ontwikkelen bedrijven. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening met een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat ter hoogte van de bestaande geluidgevoelige bestemmingen.

4.4.3

Conclusie

Wegverkeer- en spoorweglawaai In het geluidsonderzoek (hoofdstuk 5 van Bijlage 1) is onderzocht dat langs de wegen binnen het plangebied, waarneembare toenames van de geluidsbelasting verwacht worden. De geluidsbelasting op de aanliggende woningen is dan niet hoger dan de in formeel te toetsen situaties geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee is sprake van een acceptabele geluidssituatie. Geadviseerd wordt daarom om een maximum snelheid van 30 km/h op het bedrijventerrein in te stellen. Nieuwe wegen Aandachtspunt bij de verdere uitwerking is het eventueel aanleggen van nieuwe wegen ter ontsluiting van de te realiseren bedrijven. Per situatie dient afgewogen te worden in hoeverre sprake is van nieuwe wegen en dient de geluidssituatie op de omliggende woningen beschouwd te worden. Aanpassing Bijsterenseweg/Broeksteegje In de huidige situatie betreft de wegverbinding Bijsterenseweg/Broeksteegje (wegvak 12) een relatief smalle weg. Daarom wordt overwogen het betreffende wegvak te verbreden. Langs dit wegvak is één woning gesitueerd. Uit de berekening (waarneempunt 12) blijkt dat dat de geluidsbelasting ruim onder de 48 dB ligt, waarmee sprake is van een acceptabele geluidssituatie. Industrielawaai Uit het onderzoek blijkt dat de situering van de bedrijfsbestemmingen met de verschillende milieucategorieën de VNG-richtafstanden tot gevoelige bestemmingen respecteren.

Daarmee is er geen milieuhinder op de geluidgevoelige bestemmingen en beperkingen op de bedrijfsvoering van de bedrijven te verwachten. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening in het kader van milieuzonering, met een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.

Doorwerking van de conclusies bestemmingsplan In artikel 4.3.3 is een Voorwaardelijke verplichting verkeersmaatregelen opgenomen, welke waarborgt dat het bedrijventerrein niet in gebruik genomen mag worden als niet wordt voldaan aan de adviezen en (verkeers)maatregelen zoals opgenomen de bij dit bestemmingsplan behorende verkeersstudie (Bijlage 1).

4.5

Natuur

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur. De quickscan natuur en het soortenonderzoek - welke reeds beoordeeld is door de Omgevingsdienst Noord-Veluwe (kenmerk ODNV2022AVIF-00758) - zijn te vinden in Bijlage 4 en Bijlage 5.

46

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

4.5.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: bescherming van planten- en diersoorten; bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5).

De categorie 'andere soorten' gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden nagenoeg gelijk blijft aan de bepalingen uit de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt echter dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet is komen te vervallen.

Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer noodzakelijk. Stikstofdepositie Op grond van artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor het realiseren van projecten waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,005 mol N/ha/jr beoordeeld moet worden. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

47

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare van het rekeninstrument AERIUS Calculator.

Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening voor projecten: - op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren project, of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets (bijvoorbeeld door interne saldering); - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden.

De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten ; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: A: er zijn geen alternatieve oplossingen; D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m²); bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan twintig bomen bestaat.

De gemeente stelt de grenzen van de 'bebouwde kom Boswet' bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de 'bebouwde kom Verkeerswet'. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd.

4.5.2

Resultaten

Voor het onderdeel natuur is een quickscan uitgevoerd. Het doel van deze quickscan is om te toetsen: 1. welke effecten het bedrijventerrein in zowel de aanleg- als gebruiksfase heeft op: a. beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; b. beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; c. het Natuurnetwerk Nederland (NNN); d. houtopstanden dan wel gemeentelijk bomenbeleid; 2. wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). Gebiedsbescherming Natura 2000

48

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare Het optreden van directe effecten, zoals verstoring door oppervlakteverlies, geluid, licht, trilling of optische verstoring kan als gevolg van de afstand (2,2 km) tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Een Voortoets om directe effecten van het voornemen op Natura 2000-gebieden te toetsen is niet nodig. Door de aard en omvang van de werkzaamheden en de permanente duur daarvan, in combinatie met de afstand (2,2 km) tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Veluwe zijn effecten van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de werkzaamheden en/of het gebruik moeten met een AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt worden. Afhankelijk van de uitkomst zijn geen vervolgstappen nodig (geen deposities) of is een Voortoets en/of passende beoordeling nodig. Stikstofdepositie De aanleg- en gebruiksfase met bijbehorende emissies is gemodelleerd in AERIUS Calculator (zie hoofdstuk 3 van Bijlage 6 voor de geschetste situaties voor de aanleg- en gebruiksfase). Voor beide situaties is een verschilberekening uitgevoerd waarbij de beoogde situatie (bouwfase of de beoogde gebruiksfase) vergeleken wordt met de bemesting van landbouwgronden en de veehouderij.

Aanlegfase: uit de berekening voor de aanlegfase volgt dat er geen sprake is van een stikstofdepositietoename op Natura 2000-gebieden. Significante negatieve effecten kunnen daarbij op voorhand worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoering van de aanlegfase. Voor de aanlegfase is het niet noodzakelijk om het aantal vergunde dierplaatsen van de kalverhouderij te reduceren. Dit omdat de wegvallende stikstofemissies van de bemesting van de landbouwgronden voldoende stikstofruimte creëren.

Gebruiksfase: uit de berekening voor de gebruiksfase volgt dat er geen sprake is van een stikstofdepositietoename op Natura 2000-gebieden. Significante negatieve effecten kunnen daarbij op voorhand worden uitgesloten (inclusief intern salderen met 54 dierplaatsen van veehouderij Broeksteegje 2). Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de gebruiksfase. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan komen voor de veehouderij in totaal 54 vergunde dierplaatsen te vervallen. Om dit te waarborgen is een Voorwaardelijke verplichting salderen stikstof opgenomen in de regels voor bestemming Bedrijventerrein.

Voor het stikstofdepositieonderzoek en de resultaten van intern salderen, zie Bijlage 6. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN. Voor gronden die grenzen aan het NNN, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Het NNN heeft geen 'externe werking' die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Soortenbescherming Op basis van de conclusies uit de quickscan natuur is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar: 1. naar het voorkomen van de steenmarter, boommarter, wezel, hermelijn en/of bunzing; 2. naar het voorkomen van de bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis; 3. naar jaarrond beschermde nesten, vaste rustplaatsen en leefgebieden/territoria van de steenuil,

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

49

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare huismus en buizerd. Marterachtigen Op basis van dit soortgericht onderzoek is vastgesteld dat het plangebied geen onderdeel is van (essentieel) leefgebied van kleine marterachtigen. Op geen van de cameravallen is een marterachtige vastgelegd. De voorgenomen werkzaamheden in het kader van de realisatie van het bedrijventerrein zorgen niet voor een vernietiging en/of aantasting van (delen van) essentieel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn) en/of boommarter. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht. In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: 'Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden'. De zorgplicht geldt altijd. In het kader van de zorgplicht dient het plangebied voor aanvang van de werkzaamheden op diervriendelijke wijze ongeschikt gemaakt te worden door gefaseerd en in één richting het terrein kaal te maken.

Rondom het plangebied zijn voldoende alternatieve leefgebieden waar eventueel aanwezige dieren dan naartoe kunnen vluchten. Daarnaast dienen ook de voor andere soorten in de quickscan flora en fauna (zie tabel 4.2) voor het plangebied voorgeschreven maatregelen in acht te worden genomen. Potentieel jaarrond beschermde nesten De vogelnesten in de houtwal nabij het plangebied zijn niet in gebruik. Tijdens geen van de veldbezoeken zijn vogels in of nabij het nest waargenomen of zijn sporen die wijzen op het in gebruik zijn van de nesten waargenomen. De nesten hebben derhalve geen jaarrond beschermde status. Wel geldt natuurlijk in het algemeen voor aanwezige broedvogels dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: 1. buiten het broedseizoen werken, dit met het risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; 2.

de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continu doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; 3. het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Steenuil Op basis van het soortgericht onderzoek zijn er vier territoria van steenuil vastgesteld in en nabij het plangebied. Daarnaast is er een territorium vastgesteld een stukje ten zuidoosten van het plangebied. Voor één nestlocatie geldt dat deze ongeschikt wordt als gevolg van de werkzaamheden. Voor de overige locaties geldt dat er weliswaar een klein deel van het functioneel leefgebied verdwijnt, maar dit zorgt er niet voor dat de steenuil onvoldoende leefgebied behoudt en de nestlocatie ongeschikt wordt. Door de voorgenomen ingreep zal de nestlocatie die ongeschikt wordt zelf niet worden aangetast (deze wordt niet verwijderd). Artikel 3.1 lid 2 (verbod op het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten en rustplaatsen, of het wegnemen van nesten) en artikel 3.1 lid 4 (verbod op het opzettelijk verstoren van vogels) wordt niet direct overtreden. Bij de steenuil wordt een ingreep in het functioneel leefgebied die ervoor kan zorgen dat een steenuil onvoldoende leefgebied behoud echter geïnterpreteerd worden als een overtreding van artikel 3.1.

Immers voor het duurzaam in stand houden van een nestlocatie is voldoende voedsel binnen een straal van 300 m noodzakelijk. Omdat in dit geval binnen de homerange

50

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare een substantieel deel van het leefgebied verloren gaat en de nestlocatie geïsoleerd komt te liggen is het waarschijnlijk dat na verloop van tijd de steenuil zijn territorium zal verlaten. Daardoor is er sprake van overtreding van artikel 3.1 (verbod op het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten en rustplaatsen, of het wegnemen van nesten). Hiervoor dient een ontheffing bij de provincie Gelderland aangevraagd te worden en zal compensatie worden verlangd. Vleermuizen Foerageergebied en vliegroutes Er zijn geen essentiële foerageergebieden voor vleermuizen binnen het plangebied aanwezig. Wel is er één essentiële vliegroute voor vleermuizen aangetoond. Dit betreft de houtwal met hop-over direct ten noorden van het middelste kleine deel van het plangebied. De overige houtsingels, houtwallen en groenstroken worden wel gebruikt door vleermuizen, maar kunnen niet als essentiële vliegroute bestempeld worden. De houtwal die als essentiële vliegroute voor vleermuizen fungeert wordt niet verwijderd bij de realisatie van het bedrijventerrein. Een aantasting of vernietiging van essentiële onderdelen van vleermuisleefgebied bij de geplande (sloop)werkzaamheden is daarmee op voorhand uitgesloten. Een overtreding van dit verbod van de Wet natuurbescherming (Wnb artikel 3.5 lid 3) is niet aan de orde.

Wel kan in de uitvoeringsfase van de werkzaamheden sprake zijn van verstoring van de hier aanwezige vleermuizen. Ook het verstoren van vleermuizen betreft een overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb artikel 3.5 lid 2). Verstoring kan echter makkelijk worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de periode dat vleermuizen hier actief zijn. Dat wil zeggen dat werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd in de winterperiode (november tot en met februari) of (in de periode maart tot en met oktober) enkel overdag, vanaf een uur na zonsopkomst tot een uur voor zonsondergang. Als verlichting van het werkterrein nodig is dient dit vleermuisvriendelijk te worden opgezet, waarbij in ieder geval lichtverstrooiing naar de essentiële vliegroute wordt beperkt. Hier kan op verschillende manieren invulling aan worden gegeven, bijvoorbeeld door: 1. gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting (amber kleurig licht van golflengte tussen de 580 en 600 nm); 2. het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied of de vliegroute schijnt; 3. gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant en weg van het foerageergebied, op richten; 4. gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; 5.

het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; 6. voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Ook in de toekomstige situatie kan er mogelijk verstoring van de essentiële vliegroute plaatsvinden als gevolg van verlichting. Daarom moet ook voor de toekomstige situatie verlichting van de houtwal met hop-over vermeden worden. Als verlichting toch nodig is dan dient dit vleermuisvriendelijk te worden uitgevoerd. Mits deze mitigerende maatregelen in acht worden genomen, zijn verdere vervolgstappen zoals een ontheffingsaanvraag Wnb niet nodig. Verblijfplaatsen De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is niet onderzocht. Omdat er voor de realisatie van het bedrijventerrein geen bebouwing gesloopt wordt of bomen gekapt worden is vernietiging van verblijfplaatsen op voorhand uitgesloten. Vleermuizen die gebruik maken van verblijfplaatsen in (de omgeving van) het plangebied kunnen wel als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord. In de

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

51

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare huidige situatie is reeds sprake van verstoring als gevolg van de autowegen, agrarische activiteiten en vrachtwagens en graafmachines. Bij een dergelijke, regelmatige en met een zekere frequentie optredende verstoring treedt vaak gewenning op. Van soorten die zich, ondanks deze sterke verstoring, hebben gevestigd in het onderzoeksgebied kan dan ook worden aangenomen dat deze tot op zekere hoogte gewend zijn aan verstoring door geluid en trillingen en zich hier mogelijk op hebben aangepast. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van een beperkte (en tevens tijdelijke) bijkomende geluidsverstoring zijn uit te sluiten. Deze redenering gaat echter niet op voor werkzaamheden die (plotse) sterke trillingen veroorzaken, bij het heien of intrillen van funderingspalen. Als gevolg van heiwerkzaamheden kan tot op een afstand van 1.500 m verstoring optreden door geluid. De (geluid)verstoringsafstand bij intrillen is over het algemeen kleiner, en heeft in vergelijkbare situaties geleid tot een (geluids)verstoringscontour van 300 m rondom de trillingsbron. De omvang van de verstoringscontour is echter in hoge mate afhankelijk van het vermogen van het ingezette materieel, de bodemgesteldheid en het omliggende landschap. Een geluidsonderzoek is nodig om deze contouren nauwkeuriger te bepalen.

Het verstoren van (in de verblijfplaats aanwezige) vleermuizen vormt een overtreding van de Wnb. Om verstoring uit te kunnen sluiten dient daarom zonder (plotse) sterke trillingen te worden gewerkt (niet heien of intrillen). Hierdoor zijn verdere vervolgstappen zoals en een ontheffingsaanvraag Wnb niet nodig. Indien dit niet mogelijk is, moet worden onderzocht of er in de woningen en bomen binnen de verstoringscontour, vanwaar trilling veroorzakende werkzaamheden plaatsvinden, verblijfplaatsen aanwezig zijn. Dit kan aan de hand van een gericht vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2021 voor de soorten gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en bosvleermuis. De watervleermuis wordt niet verwacht vanwege ongeschikt biotoop. De resultaten van het vleermuisonderzoek verschaffen tevens meer duidelijkheid over de te treffen maatregelen tijdens de bouwwerkzaamheden. Indien uit het onderzoek volgt dat er binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, is voor de uitvoering van de trilling veroorzakende werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Houtopstanden Aanwezige bomen in het plangebied worden zoveel mogelijk gespaard. Mochten er bomen gekapt moeten worden, dan is hiervoor een omgevingsvergunning - kappen nodig.

Binnen het plangebied is voldoende ruimte gereserveerd voor groen, zullen er bomen worden aangeplant en waardoor - in geval van kap bestaande bomen - voldoende bomen gecompenseerd (kunnen) worden.

4.5.3

Conclusie

Stikstof Uit de AERIUS-berekeningen voor de ontwikkeling van bedrijventerrein Henslare blijkt dat zowel de gebruiksfase als de aanlegfase van het bestemmingsplan (inclusief intern salderen met 54 dierplaatsen van veehouderij aan de Broeksteegje 2) niet leiden tot een stikstofdepositietoename ten opzichte van de referentiesituatie. Daarmee zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof, mits er met 54 dierplaatsen van de veehouderij aan de Broeksteegje 2 wordt gesaldeerd, geen belemmering om het bestemmingsplan Henslare vast te stellen.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Momenteel loopt er een kansrijke verkenning om stikstof intern te salderen. Bij intern salderen wordt de stikstofuitstoot binnen het project opgelost. Als de resultaten hiervan bekend zijn, wordt deze paragraaf verder aangevuld.

52

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Voor het stikstofdepositieonderzoek en de resultaten van intern salderen is Bijlage 6 gereserveerd. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied valt geheel buiten het NNN. Er is geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Soortenbescherming Belangrijkste conclusie is dat er een ontheffing aangevraagd moet worden voor het opzettelijk ongeschikt maken van een nest van steenuil (overtreding artikel 3.1 Wnb). Daarbij zal ook compensatie worden verlangd. Deze ontheffing is naar verwachting verleenbaar omdat uit het onderzoek naar voren komt dat de dichtheid qua aanwezigheid van steenuil in het gebied vrij laag is, terwijl er wel geschikt leefgebied aanwezig is. Er is daarom ruimte voor nieuwe territoria van steenuil in de omgeving, waarmee er dus opties zijn voor het realiseren van de voor de ontheffing benodigde compensatie. In de onderstaande tabel staat een samenvatting van de bevindingen en conclusies ten aanzien van alle beschermde soorten. Soortgroep

flora

Kans op overtreding Vervolgstappen nodig? Wnb?

nee

Mitigerende maatregelen

Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk is of niet voldoende)

geen, wel zorgplicht

nee

grondgebonden nee, in de quickscan geen, wel zoogdieren natuur werd zorgplicht geconcludeerd dat de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen niet uitgesloten kon worden. In soortgericht onderzoek naar marterachtigen in het plangebied is vervolgens vastgesteld dat het plangebied geen onderdeel is van (essentieel) leefgebied van marterachtigen. Op de cameravallen werden geen marterachtigen vastgelegd

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

Ontheffing aanvragen?

nee

nee, vervolgonderzoek nee is reeds uitgevoerd en op basis hiervan wordt de aanwezigheid van (essentieel) leefgebied van marterachtigen binnen het plangebied uitgesloten

53

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

vleermuizen

ja, uit ja, in de nee, vervolgonderzoek nee, mits de vleermuisonderzoek aanlegfase: conform mitigerende conform het - werkzaamheden vleermuisprotocol maatregelen in vleermuisprotocol 2021 overdag uitvoeren 2021 heeft reeds acht worden naar foerageergebied en gebruik maken plaatsgevonden genomen en vliegroutes van van vleermuizen is de vleermuisvriendelijk aanwezigheid van één lichtbeheer essentiële vliegroute - meest verstorende voor vleermuizen werkzaamheden aangetoond (een buiten de houtwal met hop-over). kwetsbare periode Deze houtwal met uitvoeren hop-over wordt echter (afhankelijk van de niet verwijderd uitkomst van het nader soortgericht onderzoek)) - negatieve effecten zoals trillingen zoveel mogelijk beperken en in de toekomstige situatie: - verlichting van de houtwal met hop-over vermijden - als verlichting nodig is dit vleermuisvriendelijk uitvoeren

vogels

ja, - indien (algemeen voorkomende) broedvogels worden verstoord - vanwege het ongeschikt maken van één nestlocatie van steenuil

Ja, drie mogelijkheden voor algemene broedvogels: - buiten het broedseizoen werken - werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken, of, - plangebied ongeschikt maken voor broedvogels

nee, soortgericht ja, er moet een onderzoek heeft reeds ontheffing plaatsgevonden. Twee aangevraagd grote nesten in het worden voor het plangebied waren niet opzettelijk in gebruik, maar er is ongeschikt wel sprake van maken van een verschillende nesten nest van steenuil en territoria van (overtreding steenuil in en rond het artikel 3.1 Wnb). plangebied. Daarvan Daarbij zal ook wordt één nestlocatie compensatie ongeschikt als gevolg worden verlangd van het plan

nee, voor het jaarrond beschermde nest van steenuil amfibieën

54

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

bestemmingsplan Bedrijventerrein Henslare

reptielen

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

vissen

nee

geen, wel zorgplicht

nee

nee

vlinder, libellen nee & ongewervelden

geen, wel zorgplicht

nee

nee

Houtopstanden Aanwezige bomen worden zoveel mogelijk gespaard en er worden nieuwe bomen worden aangeplant. Mogelijke kap van bestaande bomen is hiermee gecompenseerd.

4.6

Water

De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van 'water' een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen. De volledige waterparagraaf - welke is voorgelegd aan het waterschap - is te vinden in Bijlage 7. Naar aanleiding van de opmerkingen hierop, is bij 'Watersysteem' bij 4.6.2 het e.e.a. aangevuld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://putten.raadsinformatie.nl/document/13650404/1/5_1575710