CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

11.1 Beleidsregels Sociaal Domein 2021

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente PuttenBij agendapunt: Ingekomen stukken - Raadsinformatiebrieven20.129 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.2.2. Aanvullende hulp Aanvullende hulp wordt toegekend wanneer de basisnorm voor een inwoner onvoldoende is. Ook hiervoor maken we gebruik van het HHM-normenkader.

5.2.2.1 Aanvullende hulp / minder hulp 1. Resultaat: Schoon een leefbaar huis Meer inzet: a. Beperking en belemmeringen cliënt enige extra inzet: 30 minuten b. Beperking en belemmeringen cliënt veel extra inzet: 60 minuten c.

Samenstelling huishouden: +30 minuten

d. Extra kamer in gebruik: +18 minuten e. Extra kamer “niet in gebruik” +5 minuten

f.

Extra vervuiling huisdier: +15 minuten

g. Overige kenmerken: +15 minuten Minder inzet:

a. Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk -/- 15 minuten 2. Resultaat: Wasverzorging Meer inzet: a. Extra wasmachine-week t.g.v. beperkingen en belemmeringen inwoner + 16 minuten Minder inzet: a. Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk -/- 17 minuten 3. Resultaat: Boodschappen Hiervoor verstrekken we geen extra uren omdat er een goede boodschappen bezorgservice is. 4. Resultaat Maaltijden Meer inzet: a. 2 broodmaaltijden per dag: + 20 minuten per dag b. Warme maaltijd: + 20 minuten per dag 5. Resultaat: Regie / organisatie, Advies Instructie Voorlichting (AIV) Meer inzet: a. Regie/organisatie + 20 minuten per week b. AIV (6 weken): maximaal 90 minuten per week 6. Resultaat: Kindzorg Meer inzet: Maatwerk

5.2.2.2 Overig  

In sommige gevallen is de basisnorm met aanvullende hulp niet voldoende. In dat geval is het maatwerk om te beoordelen hoeveel meer ondersteuning nodig is. De urenindicatie die op of voor 1 januari 2020 was toegekend en die op 1 januari 2020 van kracht was, blijft geldig tot 1 januari 2024.

5.3. Afwegingskader begeleiding Begeleiding kan worden ingezet wanneer een inwoner beperkingen heeft op één of meer van de volgende gebieden:

•

Meedoen in de samenleving

•

Bewegen en verplaatsen

•

Probleemgedrag

•

Psychisch meedoen

•

Geheugen- en oriëntatiestoornissen

Er zijn twee vormen van begeleiding: begeleiding individueel en begeleiding groep. Begeleiding individueel gaat meestal over ondersteuning thuis, bij activiteiten die nodig zijn voor het meedoen aan de samenleving. Begeleiding groep is altijd externe begeleiding, met name gericht op ontmoeten, dagstructuur en het hebben van een zinvolle dagbesteding.

5.3.1. Resultaten Begeleiding is altijd gericht op het behalen van een vooraf omschreven resultaat. Dit resultaat wordt tijdens het gesprek door de inwoner zelf beschreven op basis van zijn eigen persoonlijke doelen. Er zijn vijf hoofdresultaten:

1. Vermogen om zelfstandig te leven 2. Deelnemen aan het maatschappelijk leven 3. Hebben van dagstructuur 4. Voeren van regie 5. Ontlasten van de mantelzorger Deze hoofdresultaatgebieden worden verder uitgesplitst naar subresultaten. Wanneer een indicatie begeleiding wordt verstrekt is dit ter bevordering van één of meerdere subresultaten. Resultaat 1: Het vermogen om zelfstandig te leven Subresultaten: a. De inwoner kan zelfstandig wonen. b. De inwoner kan voorzien in primaire levensbehoeften. c.

De inwoner kan een huishouden voeren.

d. De inwoner kan zijn financiële situatie op orde brengen. e. De inwoner kan zijn financiële situatie stabiel houden. f.

De inwoner kan de administratie bijhouden.

g. De inwoner kan iets kopen/betalen. h. De inwoner kan gezond leven en hier ook naar handelen. i. j.

De inwoner heeft zicht op zijn lichamelijke/medische toestand en kan omgaan met zijn chronisch medische aandoening. De inwoner heeft controle over zijn lichamelijke/medische/psychische toestand.

k.

De inwoner kan zichzelf verzorgen.

Resultaat 2: Het deelnemen aan het maatschappelijk leven Subresultaten: a. De inwoner heeft een voor zichzelf voldoende sociaal netwerk. b. De inwoner kan sociale contacten onderhouden. c.

De inwoner kan zichzelf verplaatsen/vervoeren. De inwoner kan sociale vaardigheden toepassen.

d. De inwoner kan deelnemen aan georganiseerde activiteiten. e. De inwoner kan gesprekken voeren met instanties.

Resultaat 3: Het hebben van dagstructuur Subresultaten: a. De inwoner heeft een regelmatige dagstructuur en dagritme. b. De inwoner kan een (week)planning maken. c.

De inwoner heeft een zinvolle dagbesteding.

Resultaat 4: Het voeren van regie (altijd in combinatie met andere sub-resultaten) Subresultaten: a. De inwoner heeft en houdt eigen regie en autonomie. b. De inwoner herkent problemen en kan hierop reageren. c.

De inwoner kan vaardigheden toepassen.

d. De inwoner kan besluiten nemen en de gevolgen daarvan wegen. e. De inwoner kan initiatief nemen. f.

De inwoner kan zich aan regels en afspraken houden.

Resultaat 5: Het ontlasten van de mantelzorger Subresultaten: a. De mantelzorger is in staat mantelzorg vol te houden. b. Het voorkomen van klachten ten gevolge van overbelasting.

5.3.2. Ontwikkelingsdoelen Iedere inwoner is anders. Het subresultaat “de inwoner kan sociale contacten onderhouden” is voor inwoner A bijvoorbeeld makkelijker of beter te bereiken dan voor inwoners B en C. Voor inwoner A is het realistisch om te groeien, om een echte verbetering te bereiken. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met leerbaarheid, leeftijd en met de ernst van zijn beperking. Voor inwoner B is het niet realistisch om een groei te verwachten. Als in zijn situatie achteruitgang kan worden voorkomen dankzij de hulp van de begeleider is dat het ontwikkelingsdoel: Stabilisatie. Voor inwoner C, waarmee het vanwege een progressieve aandoening steeds slechter gaat, is zelfs stabilisatie buiten bereik. De situatie van inwoner C gaat verslechteren. Het ontwikkelingsdoel is dan om de achteruitgang onder controle te houden en de problemen rondom de achteruitgang zo veel mogelijk te beperken. Omdat de situatie per inwoner kan verschillen wordt gewerkt met drie verschillende ontwikkeldoelen.

1. Positieve ontwikkeling Het doel is dat de inwoner op dit subresultaat een positieve ontwikkeling doormaakt.

2. Stabiliteit Het doel is dat de inwoner op dit subresultaat stabiel blijft.

3. Gecontroleerde achteruitgang Het doel is dat de inwoner op dit subresultaat gecontroleerd achteruit gaat. Als een inwoner op meer dan één subresultaat begeleiding nodig heeft wordt per subresultaat gekeken wat het ontwikkeldoel is.

Voorbeeld Een inwoner is geestelijk nog helemaal bij, maar is de laatste tijd in een sociaal isolement geraakt. Dit komt door zijn fysieke beperking, die hem belemmert bij bijna al zijn levensverrichtingen. Deze inwoner kan in staat zijn (redelijk) zelfstandig sociale contacten te onderhouden maar heeft hierbij wel ondersteuning in de vorm van oefenen nodig. Op dit gebied mag vooruitgang verwacht worden. Hij kan door zijn beperking echter niet goed meer voor zichzelf zorgen en heeft hierbij ondersteuning nodig. Het is niet te verwachten dat hij hierin een grote ontwikkeling gaat doormaken, maar met ondersteuning kan hij zich uitstekend redden. Deze inwoner krijgt dan ondersteuning op 2 subresultaten, met per resultaat een ander ontwikkeldoel. Subresultaat 1: De inwoner kan sociale contacten onderhouden Ontwikkeldoel: Positieve ontwikkeling Subresultaat 2: De inwoner kan zichzelf verzorgen Ontwikkeldoel: Stabiliteit

5.3.3. Activiteiten Er zijn verschillende typen activiteiten die een aanbieder kan uitvoeren om de doelen en resultaten te bereiken. De gemeente bepaalt met inwoner welke vorm van ondersteuning nodig is, het wat. De aanbieder is op basis van zijn professionaliteit aan zet om samen met de inwoner het hoe in te vullen.

1. Ondersteunen Inwoner kan activiteiten en/of handelingen zelf doen als hij geïnstrueerd, gesteund of aangestuurd wordt door een professionele hulpverlener.

2. Oefenen Inwoner kan activiteiten en/of handelingen zelf doen maar heeft ondersteuning nodig bij het oefenen en/of aanleren van vaardigheden en/of gedragingen. De hulpverlener instrueert en oefent met de inwoner.

3. Overnemen Inwoner kan activiteiten en/of handelingen niet zelf doen. De hulpverlener moet deze handelingen en/of activiteiten overnemen van de inwoner.

4. Toezicht houden Inwoner kan activiteiten en/of handelingen zelf doen maar er moet toezicht zijn om zo nodig in te kunnen grijpen. Toezicht houden vindt meestal plaats in situaties waar veiligheid in het geding is.

5.3.4. Omvang, frequentie en duur Indicatie De omvang van de indicatie, de frequentie van de activiteiten en de lengte van de indicatie (de duur) worden op basis van maatwerk per individuele inwoner bepaald. In het geval van begeleiding groep is de omvang maximaal zes dagdelen per week. De gemeente doet een voorstel op basis van de aanwezige expertise. Samen met de inwoner wordt, met andere woorden, het wat bepaald:

•

Resultaten en subresultaten

•

Ontwikkeldoelen en duur indicatie

•

Activiteiten op hoofdlijnen

•

Frequentie

•

Omvang indicatie.

De aanbieder gaat op basis van deze opdracht samen met de inwoner concreet invulling geven aan de activiteiten. Het behalen van de resultaten en subresultaten op basis van de ontwikkeldoelen staat hierbij centraal: Indicaties worden verstrekt omdat de inwoner ondersteuning nodig heeft bij een bepaald resultaat. Na afloop van een indicatie wordt beoordeeld in hoeverre het beoogde resultaat gehaald is.

5.4.Wonen 1. Iedereen zorgt zelf voor woonruimte. Het kan gaan om een huurwoning, koopwoning of een woonwagen met vaste standplaats of een woonboot.

5.4.1. Zelfstandig in de eigen woning 1. Inwoners moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Dat betekent dat de inwoner normaal gebruik van zijn of haar woning moet kunnen maken. Het gaat daarbij om de elementaire woonfuncties, zoals door- en toegankelijkheid van de woning, elementaire huishoudelijke activiteiten, toiletgang, lichaamsreiniging etc. 2. Het kan ook betrekking hebben op de berging, de toegang van tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en de noodzaak van het gebruik daarvan, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend om dit bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar te maken en te houden. 3. Voorzieningen met een therapeutisch doel en voorzieningen voor het uitoefenen van hobby’s vallen niet onder het normale gebruik van de woning tenzij de aanvaardbare maatschappelijke participatie van de inwoner wordt belemmerd.

5.4.2. Maatwerkvoorziening eigen woning Aan een inwoner die aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening of pgb voor het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening of pgb worden verleend in de vorm van: a. woningaanpassingen; b. hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen; c.

een financiële tegemoetkoming in verhuiskosten

d. een financiële tegemoetkoming voor onderhoud, reparatie en keuring van aanpassingen of hulpmiddelen.

5.4.3. Woningaanpassingen Woningaanpassingen kunnen bouwkundig of woontechnisch van aard zijn. Bij bouwkundige aanpassingen gaat het om aanpassingen aan de woning zelf, dus aan de structuur. Bijvoorbeeld een aanbouw of het maken van een doorgang. Dergelijke aanpassingen worden eigendom van de eigenaar van de woning. Woontechnische aanpassingen zijn meestal onroerend, zoals plaatsing van een herbruikbare traplift of woonunit. De eigenaar moet noodzakelijke woningaanpassing die door de gemeente of de inwoner wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. De eigenaar moet wel gehoord worden (zie 5.4.4 derde belanghebbende). Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. De woningaanpassing hoeft bij het vertrek van de inwoner niet te worden verwijderd.

5.4.4. Derde-belanghebbende De woningeigenaar kan derde-belanghebbende zijn bij het toekennen van een woningaanpassing. Bijvoorbeeld als het college of de inwoner een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengt die in strijd is met bijvoorbeeld het Bouwbesluit.

5.4.5. Primaat van verhuizen Bij een verzoek om woningaanpassing, wordt een afweging gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen, inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woning, anderzijds. Bij die afweging kunnen meespelen:

1. Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning. Het gaat om de vraag of de woningaanpassing langdurig als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarbij speelt de vraag wat de aard en prognose van de beperkingen is;

2. De eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning, bijvoorbeeld een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening. In de beoordeling wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid om een losse woonunit aan de huidige woning te plaatsen.

5.4.5.1 Afwegingsfactoren primaat van verhuizing Elke situatie is anders en moet individueel beoordeeld worden. Er is een aantal zwaarwegende redenen waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Onder meer: 1. Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een (dementerende) inwoner binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal raken in de nieuwe woning of woonomgeving; of 2. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de inwoner zich verzet tegen een zoektijd of wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken; of 3. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de inwoner verhuist. Bijvoorbeeld omdat de mantelzorg

wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de inwoner. Dat is het geval als de mantelzorg zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend; of 4. Verhuizen is een te grote belasting voor de aanwezige huisgenoten; of 5. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de inwoner zelf maar ook zijn partner; of 6. Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan een nieuwe woning. De huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Als het gaat om een koopwoning wordt gekeken naar de hypotheeklasten. Het primaat van verhuizing is niet toegestaan als de inwoner en/of eventuele mede-eigenaren een aanzienlijke restschuld overhouden na de verkoop van de woning.

Dit betekent niet dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast.

5.4.6. Hulpmiddelen Hulpmiddelen kunnen divers van aard zijn. Het gaat om onroerende zaken, die- mits passend – voorliggend zijn op een woningaanpassing. Ze kunnen in eigendom, in bruikleen of in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verleend.

5.5. Wmo voorziening voor Wlz-geindiceerde in een instelling verblijft De inwoner met een Wlz-indicatie die in een instelling verblijft komt in aanmerking voor de volgende voorzieningen: sociaal vervoer (de regiotaxi) zolang dat een algemene voorziening is onder de Wmo 2015; een woonvoorziening of hulpmiddel voor de thuissituatie als er sprake is van een deeltijd Wlz indicatie (7, 8 of 9 dagen per 14 dagen in een instelling); - het sociaal vervoer, een rolstoel, eventuele vervoermiddelen, een noodzakelijke (beperkte) woningaanpassing en losse woonvoorzieningen of hulpmiddelen voor de inwoner die in zijn eigen huis is blijven wonen en daar een pgb, een VPT of een MPT hebben of in verband met een VPT zijn verhuisd naar een geschikte zelfstandige woning (b.v. een aanleunwoning) meer in de nabijheid van een instelling. Als de inwoner aangeeft een indicatie nodig te hebben voor begeleiding (bij vervoer) voor participatie zal dit onderzocht moeten worden. Wanneer blijkt dat het gevraagde niet onder de Wlz valt kan deze maatwerkvoorziening via de Wmo worden aangevraagd (ECLI:NL:CRVB:2018:3933).

5.6. Maatschappelijke opvang Maatschappelijke opvang is het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. Dit is gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis.

5.5.1. Melding en (eerste) opvang Als het college niet direct maatschappelijke opvang kan bieden, maar dit wel direct noodzakelijk is, regelt het college op een andere wijze of in een andere gemeente of regio tijdig een maatwerkvoorziening of pgb van de inwoner.

5.5.2. Onderzoek 1. De gemeente stelt met de inwoner vast wat de woonplaats was van de inwoner voor het ontstaan van dakloosheid. Woonde de inwoner voor het ontstaan van dakloosheid, in een andere gemeente of regio en is er overeenstemming met die gemeente of regio, dan kan het onderzoek overgelaten worden aan die gemeente of regio. 2. Is niet duidelijk waar de inwoner woonde voor het ontstaan van dakloosheid, dan voert de gemeente heronderzoek uit. Dit geldt ook als het gaat om een andere regio of gemeente als over de woonplaats geen overeenstemming is met die regio of gemeente. 3. De gemeente onderzoekt in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft., Dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de inwoner. 4. De gemeente betrekt bij dit onderzoek in elk geval de wens van de inwoner. Verder betrekt de gemeente bij het onderzoek: a. welke factoren de kans van slagen van een traject kunnen vergroten, zoals:

•

een sociaal netwerk en/of

•

werk,

•

dagbesteding

•

onderwijs

•

lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten.

b. welke factoren de kans van slagen van een traject kunnen verkleinen, zoals:

•

een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft

•

actuele criminele activiteiten

•

maatregelen die opgelegd zijn.

5. Als blijkt dat een traject in een andere gemeente een grotere slaagkans heeft dan wordt die gemeente betrokken. Het onderzoek wordt binnen 2 weken uitgevoerd. 6. De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in een verslag.

5.5.3. Overdracht en contact 1. Als de gemeente vindt dat de kans van slagen van een traject groter is in een andere gemeente of regio dan neemt de gemeente in overleg met de inwoner contact op met die andere gemeente of regio. 2. Is de andere gemeente of regio het eens de gemeente zoals bedoeld in lid 1 dan vindt de overdracht van de inwonergegevens direct plaats, tenzij wordt overeengekomen dat deze overdracht later plaatsvindt.

3. Tot het moment van echte overdracht van de inwoner blijft de gemeente maatschappelijke opvang bieden, dan wel blijft het college andere maatregelen treffen om te voorzien in de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke opvang. 4. De gemeente geeft alle noodzakelijke informatie over de inwoner, waaronder het onderzoeksverslag, aan de andere gemeente of regio. Dit in overleg met de inwoner. 5. De gemeente maakt met de andere gemeente of regio en de inwoner afspraken over:

•

de datum van overdracht;

•

welke aanbieder maatschappelijke opvang of andere ondersteuning voor maatschappelijke opvang zal bieden in de andere gemeente of regio;

•

hoe het vervoer van de inwoner en eventuele reisbegeleiding gebeurt.

6. Als de inwoner niet meewerkt aan de overdracht, kan de gemeente de aanvraag weigeren.

5.5.4. Verschil van mening tussen gemeenten 1. Bij verschil van mening tussen de gemeenten over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang kan de gemeente het geschil voorleggen aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid. 2. De gemeente blijft maatschappelijke opvang bieden zolang de commissie nog geen oordeel heeft gegeven. 3. De gemeente volgt het oordeel van de commissie.

6. Vervoer 6.1 Vervoer Wmo 6.1.1. Algemeen 1. De gemeente biedt een maatwerkvoorziening of pgb in de vorm van een vervoersvoorziening als een inwoner een beperking heeft en hierdoor niet kan deelnemen aan het (maatschappelijke) verkeer. 2. Om te bepalen welke hulp nodig is, stelt de gemeente de vervoersbehoefte van de inwoner vast. Hierbij bekijkt de gemeente:

a. de individuele situatie van de inwoner en zijn behoeften, voorkeuren en persoonskenmerken.

b. de beperkingen van de inwoner en de reden van de aanvraag. Welke vervoersbehoefte heeft de inwoner en waarom? Om de vervoersbehoefte van een inwoner te bepalen gaat het er niet om hoe vaak een inwoner een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen om voldoende te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.

c. de leeftijd van de inwoner en de daarbij passende behoeften, de gezinssamenstelling van de inwoner en bijvoorbeeld de aanwezigheid van jonge kinderen.

6.1.2. Collectief vervoer 1.

2. 3. 4.

Een maatwerkvoorziening of pgb voor vervoer kan worden ingevuld door middel van een vervoersvoorziening. Het vervoer wordt ingezet voor verplaatsingen naar bestemmingen waar afspraken over gemaakt kunnen worden met anderen: Sociaal recreatief. Denk hierbij bijvoorbeeld aan sociale contacten. In de meeste gevallen is het collectief vervoer de goedkoopst compenserende voorziening. Daarom heeft dit voorrang boven andere maatwerkvoorzieningen, op voorwaarde dat het passend is. De gemeente stelt de inwoner in staat zich lokaal of regionaal te verplaatsen tot 2000 km per jaar. Indien de inwoner aantoonbaar en verifieerbaar een hogere vervoersbehoefte heeft dan kan het aantal kilometers als genoemd in lid 2 hoger worden vastgesteld. Voor bovenregionale verplaatsingen kan een inwoner een beroep doen op Valys.

6.1.3. Bijzondere indicaties vervoer Bijzondere vervoersindicaties zijn diensten in aanvulling op het reguliere vervoer. Als een inwoner van de gemeente toestemming krijgt om gebruik te maken van het sociaal recreatief Wmo-vervoer of een pasje krijgt voor het vraagafhankelijk vervoer van de gecontracteerde vervoerder dan heeft de gemeente ook de mogelijkheid om een aantal bijzondere indicaties toe te kennen. Deze bijzondere indicaties worden alleen toegekend als ze medisch noodzakelijk zijn. Of dat zo is kan worden bepaald door onafhankelijk medisch onderzoek.

6.1.3.1 Individueel vervoer Bij de indicatie individueel vervoer mag de reiziger niet met andere reizigers gecombineerd worden.

6.1.3.2 Taxi Deze indicatie kan worden afgegeven als de reiziger niet in staat is om de opstap te maken in een bus. Er wordt speciaal voor deze rit een personenauto aangestuurd, ook als deze niet in de buurt is. Daardoor worden meer kilometers met de voertuigen gemaakt en zijn er meer voertuigen nodig.

6.1.3.3 Bus Deze indicatie kan worden afgegeven als de reiziger niet in staat is om in en uit de lage zit in een gewone personenauto te komen. Er wordt speciaal voor deze rit een bus aangestuurd, ook als deze niet in de buurt is. Daardoor worden meer kilometers met de voertuigen gemaakt en zijn er meer voertuigen nodig.

6.1.3.4 Rolstoel (duwrolstoel, elektrisch, opvouwbaar) of met scootmobiel Er wordt speciaal voor deze rit een rolstoelbus of een Caddy aangestuurd met ruimte voor de rolstoel of de scootmobiel, ook als deze niet in de buurt is. Daardoor worden meer kilometers met de voertuigen gemaakt en zijn er meer voertuigen nodig. Daarnaast zijn de kosten van rolstoelvoertuigen op zichzelf ook hoger dan van gewone auto’s vanwege de specifieke installatie en opleiding voor chauffeurs.

6.1.3.5 Kamer-tot-kamer Bij de indicatie kamer-tot-kamer vervoer wordt de Wmo-reiziger opgehaald en teruggebracht in de woning of kamer in plaats van bij de voordeur. De chauffeur helpt indien gewenst bij het aantrekken van jas en helpt om de woning veilig achter te laten. De chauffeur begeleidt de Wmo-reiziger van en naar het voertuig. De extra werkzaamheden van de chauffeur kosten extra tijd.

6.1.3.6 Voorin Met deze indicatie wordt de zitplaats naast de chauffeur gereserveerd voor deze reiziger. Doordat er geen andere passagiers met dezelfde indicatie gelijktijdig mee kunnen reizen tijdens deze rit kan het zijn dat er meer voertuigen worden ingezet waardoor sprake is meer kosten in de totale exploitatie van de gecontracteerde vervoerder.

6.1.3.7 Medische begeleider Medische begeleiding betreft begeleiding op indicatie van de gemeente vanwege medische redenen. Het wordt ook verplichte begeleiding genoemd. De Wmo-reiziger mag dan niet alleen reizen. Een medische begeleider betaalt zelf geen bijdrage aan het vervoer. Voor een medisch begeleider wordt een zitplaats in het voertuig gereserveerd. Doordat deze zitplaats op dat moment niet door een andere reiziger kan worden gebruikt is sprake van (geringe) meerkosten.

6.1.3.8 Sociale begeleider Sociale begeleiding is een recht dat de reiziger heeft om er voor te kiezen iemand mee te nemen tijdens de rit. Een sociale begeleider betaalt dezelfde prijs als de geïndiceerde Wmo reiziger. Voor een sociale begeleider wordt een zitplaats in het voertuig gereserveerd. Doordat deze zitplaats op dat moment niet door een andere reiziger kan worden gebruikt is sprake van (geringe) meerkosten in de totale exploitatiekosten van de gecontracteerde vervoerder . Als een reiziger geen indicatie voor begeleiding heeft maar toch iemand wil laten meereizen dan kan iemand als OV-vangnetreiziger tegen de bijbehorende voorwaarden en hogere tarieven reizen. We noemen dit een medepassagier en hiervoor is geen indicatie nodig.

6.1.3.9 Gezinstaxi Gezinsleden van de Wmo-reiziger, zoals kinderen, mogen bij deze indicatie meereizen. De gemeente bepaalt hoeveel gezinsleden er mee mogen reizen. De gezinsleden betalen zelf geen bijdrage aan het vervoer. Voor het gezin wordt het voertuig als geheel gereserveerd. Doordat er geen andere passagiers gelijktijdig mee kunnen reizen tijdens deze rit moeten er meer voertuigen worden ingezet waardoor sprake is meer kosten. Deze kosten zijn nog hoger wanneer er een bus moet worden ingezet.

6.1.3.10

Hulphond, visuele handicap, rollator en slechthorend

Deze indicaties hebben geen invloed op de kosten. De aangekruiste informatie wordt slechts doorgegeven aan de chauffeur zodat die rekening kan houden met de beperking van de reiziger.

6.1.4. Auto-aanpassing Collectief vervoer is bijna altijd de goedkoopst compenserende vervoersoplossing. Kinderen tot 18 jaar moeten echter mee kunnen reizen met het gezin. In de gevallen dat het noodzakelijk is voor het kind, kan de gemeente een auto-aanpassing verstrekken. Een auto-aanpassing wordt aangebracht op een door de inwoner zelf aangeschafte auto. Hierbij wordt gekeken naar de leeftijd en technische staat van de auto. Is een auto ouder dan 7 jaar, dan verstrekt de gemeente geen auto-aanpassing meer. Auto-aanpassingen zijn bijvoorbeeld: • Oprijgoten of een oprijplateau voor de rolstoel van het kind;

•

Rolstoelvergrendeling; of

•

Vloeraanpassing in verband met de vergrendeling van de rolstoel.

Een plateaulift wordt pas verstrekt nadat uit een extern advies is gebleken dat de specifieke aanpassing aan de personenbus noodzakelijk is om het kind te vervoeren. Het aanschaffen van stuur- en rembekrachtiging, een automatische versnelling of hoge instap is in de meeste gevallen een algemeen gebruikelijke voorziening. De gemeente bekijkt altijd de individuele situatie van de inwoner om te beoordelen of een aanpassing algemeen gebruikelijk is. Een auto-aanpassing wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming.

6.2. Vervoer Jeugdwet Bij het bepalen of een vervoersvoorziening naar een individuele voorziening jeugdhulp noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid die het reizen in het openbaar vervoer onmogelijk maakt, hanteert de gemeente het volgende criteria: • de regeling is alleen van toepassing indien het gaat om een vervoersvraag voor een jeugdige die een geldig besluit heeft voor een maatwerkvoorziening jeugd. • indien dit het geval is, wordt vervolgens nagegaan of en in hoeverre de ouders het vervoer van de jeugdige naar de voorziening voor jeugdhulp zelf kunnen regelen (eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid). • als ouders het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening zelf niet of niet volledig kunnen regelen, wordt nagegaan of er iemand uit het sociale netwerk is die wat kan betekenen in het vervoer van de jeugdige naar de voorziening voor jeugdhulp. • indien de inzet van het sociaal netwerk niet of onvoldoende mogelijk is, dan wordt nagegaan welke vervoersvoorziening het meest passend is. Wanneer bovenstaande van toepassing is en contractueel is vastgelegd dat de zorgaanbieder niet het vervoer verzorgt, kan er door de gemeente een vervoersindicatie worden afgegeven.

7. De vorm van de hulp Kernwaarden • • • • •

De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner; De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is; De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor; De gemeente stemt de hulp af op de inwoner; De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar.

7.1. Persoonsgebonden budget (pgb) De gemeente kan besluiten om een pgb toe te kennen aan de inwoner om de gewenste hulp in te kopen. Als de aanvrager de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst, vraagt de gemeente de aanvrager om een budgetplan op te stellen. In het plan geeft de aanvrager dan aan op welke wijze deze het budget wenst in te zetten, wie de hulpverleners zijn die ze willen inschakelen, hoe de resultaten behaald gaan worden enz. Het budgetplan is voor het college dan de toets of een pgb moet worden toegekend.

Om een pgb te ontvangen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. De inwoner verstrekt de noodzakelijke inlichtingen en gegevens. 2. Bij de aanvraag van een pgb wordt een plan van aanpak en een begroting toegevoegd. In het plan van aanpak staan welke resultaten worden behaald met het pgb en wat ingezet moet worden om de resultaten te behalen. In de begroting staat de hoogte van het bedrag en hoe het pgb besteed gaat worden. 3. Bij de aanvraag wordt gemotiveerd waarom de gecontracteerde hulp in natura niet passend is bij de specifieke situatie. 4. De inwoner is voldoende in staat om - al dan niet met ondersteuning van het sociale netwerk, een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde – het pgb te beheren en alle taken die hieraan verbonden zijn, uit te voeren (Zie 6.1.1.). 5. De hulp die met het pgb wordt ingekocht voldoet aan dezelfde kwaliteitseisen als hulp in natura. 6. De inwoner betaalt eventuele meerkosten van het pgb ten opzichte van hulp in natura zelf. 7. Een pgb mag niet worden besteed aan tussenpersonen of belangenbehartigers. 8. Er wordt geen pgb verstrekt voor spoedeisende hulp. 9. Indien de inwoner een pgb aanvraagt, wordt er gecontroleerd of een eerder besluit waarmee een pgb is toegekend is ingetrokken. In voorkomende gevallen kan het pgb geweigerd worden. 10.

Wanneer de kosten van een voorziening hoger zijn dan € 3.000,00 en lager zijn dan € 10.000 worden minimaal twee offertes ingediend. Bij een pgb voor hulp bij het huishouden kan worden volstaan met een offerte. 11. Wanneer de kosten van een voorziening hoger zijn dan € 10.000 worden minimaal drie offertes ingediend. Bij een pgb voor hulp bij het huishouden kan worden volstaan met een offerte. 12. In beginsel is het toegestaan dat de inwoner zich bij het beheer van zijn pgb laat vertegenwoordigen door een familielid in de eerste of tweede graad, dat tevens (een deel

van) de ondersteuning levert, tenzij er sprake is van ongewenste belangenverstrengeling. De dubbelrol van informele zorgverlener en pgb-beheerder mag niet ten koste gaan van het bereiken van de gewenste resultaten. 13. Bij een situatie als bedoeld in lid 11 kan ervoor gekozen worden de indicatieduur te beperken of frequenter tussentijds te evalueren hoe de ondersteuning en het beheer van het pgb verloopt.

7.1.1. Pgb vaardigheid De gemeente controleert of een inwoner of zijn vertegenwoordiger aan de voorwaarden van een pgb voldoet. Ook controleert de gemeente of de inwoner of zijn vertegenwoordiger met een pgb kan omgaan. Dat heet pgb-vaardigheid. Daarmee willen we voorkomen dat inwoners in de problemen komen. Bijvoorbeeld omdat iemand niet weet welke zorg hij of zij nodig heeft. Of hoe je goede afspraken maakt met een zorgverlener. Iemand is pgb-vaardig als hij de volgende dingen kan: 1. Een goed overzicht van de eigen situatie houden. Dit houdt in dat de inwoner weet welke zorg hij of zij nodig heeft. Of welke zorg de persoon voor wie het budget is nodig heeft. De inwoner moet zelf kunnen vertellen welke zorg hij of zij nodig heeft. Als ze dat niet kunnen, kunnen ze ook zorg in natura ontvangen. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb. Of de inwoner weet waar hij of zij die regels kan vinden. Bijvoorbeeld op de website van de gemeente. Het helpt als iemand digitaal vaardig is en kan omgaan met de computer, e-mail en websites op het internet kan bezoeken. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden en weet welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen nodig voor de inwoner zelf. Hij of zij kan de administratie ook nodig hebben als de gemeente daarom vraagt. 4. Communiceren met zorgverleners en de gemeente.

Inwoners moeten zelfstandig en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met zorgverleners. En als er iets verandert, moet hij of zij dat zelf (kunnen) aangeven. 5. Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen. Als een inwoner een pgb krijgt, moet hij of zij zelf zorgverleners uitzoeken. En afspraken maken over de zorg die ze gaan geven. En afspraken maken over hun uurtarief en inzet van hun uren. 6. Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. Inwoners moeten tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de zorgverlener genoeg uren maakt. Omgekeerd moet de inwoner zelf kunnen laten zien dat hij of zij de zorg inkoopt waarvoor hij of zij het geld gekregen heeft. 7. Beoordelen of de zorg uit het pgb bij de inwoner past en of de kwaliteit van de zorg in orde is. Als de inwoner de zorg niet goed vindt, moet hij of zij kunnen uitleggen waarom. Als de zorg niet volgens afspraak verloopt, moet hij of zij zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de zorgverlener op te bellen en uit te leggen wat er niet goed gaat. 8. Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners. En dat zo regelen dat er altijd zorg is. Ook als de zorgverlener ziek is of op vakantie gaat.

De inwoner moet zelf zorgverleners kiezen die goed bij zijn of haar situatie passen. En de inwoner moet zelf opletten of de zorgverleners hun werk goed doen. Als de zorgverlener ziek is, moet de inwoner zelf vervanging regelen. 9. Zorgen dat de zorgverleners die voor de inwoner werken weten wat ze moeten doen. En de inwoner durft een gesprek te beginnen als zorgverleners hun werk niet goed doen. Als de inwoner de zorgverlener betaalt, dan is de inwoner zijn werkgever of opdrachtgever. Hij of zij moet dan goed kunnen vertellen wat de zorgverleners moeten doen.

10. De inwoner weet wat hij of zij moet doen als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener. Het is niet erg als inwoners sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kennen. Bijvoorbeeld bij ontslag van een zorgverlener. Maar hij of zij moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven.

7.1.2. Inzet van het sociaal netwerk bij een persoonsgebonden budget Vaak wordt een pgb ingezet voor professionele hulp. In sommige gevallen kan hulp ingezet worden vanuit het sociale netwerk. Deze hulp kan worden gefinancierd met een pgb als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: 1. Er is sprake van niet-gebruikelijke hulp. 2. De inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter of minimaal gelijkwaardig aan professionele ondersteuning. 3. De geboden hulp is passend, adequaat en veilig. 4. De persoon uit het sociale netwerk, indien deze daarnaast ook gebruikelijke hulp verleent, heeft aangegeven dat de zorgverlening voor hem niet tot overbelasting leidt. 5. De persoon uit het sociale netwerk mag niet de persoon zijn die het pgb beheert. 6. De persoon uit het sociale netwerk mag op geen enkele wijze druk hebben uitgeoefend op de besluitvorming om tot een pgb te komen 7. Een pgb wordt alleen aan een persoon uit het sociale netwerk toegekend voor begeleiding, huishoudelijke hulp, logeeropvang, respijtzorg of persoonlijke verzorging. 8. De inwoner is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de hulp die zij betrekken van de personen uit hun sociale netwerk.

7.1.3. Het tarief van een persoonsgebonden budget Het pgb is hoog genoeg zodat er ondersteuning geboden kan worden. Als de prijs van de ondersteuning die wordt ingekocht met het pgb hoger is dan het tarief van zorg in natura, betaalt de inwoner de meerprijs zelf.

8. Inkomen en schulden Kernwaarden • • • • • •

De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor; De gemeente biedt een financieel vangnet; De gemeente stemt de hulp af op de inwoner; De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen; De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner; Iedereen doet mee aan een inclusieve samenleving.

8.1. Bijzondere bepalingen uitkering 8.1.1. Waarde auto Een auto wordt meegeteld bij het vermogen. Dit doen we niet wanneer:

•

een auto ouder is dan 9 jaar; en

•

het geen exclusieve auto is; en

•

er maximaal één auto per huishouden is.

Een auto wordt ook niet meegeteld bij het vermogen wanneer deze noodzakelijk is vanwege bijzondere omstandigheden.

8.1.2. Opname in een inrichting Wanneer de inwoner opgenomen is in een inrichting, wordt de bijstandsnorm aangepast vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij een volle maand opgenomen is in de inrichting.

8.1.3. Giften en vergoedingen voor materiële en immateriële schade 1. Giften zijn inkomsten als die het bestedingsniveau wezenlijk verhogen. Giften zijn geen inkomsten als het kosten zijn waarvoor ook bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden.

2. Vergoedingen voor materiële en immateriële schade zijn geen inkomsten, tenzij het gaat om een vergoeding vanwege verlies van inkomsten.

8.2. Huur 1. In deze beleidsregels wordt met huur bedoeld, de netto huur per maand. 2. Netto huur is de overeengekomen huurprijs, na aftrek van de hierover te betalen lokale belasting en de servicekosten.

3. Er is sprake van een commerciële huurprijs als de huurprijs minimaal de basishuur is. Bij een lagere huurprijs dan de basishuur wordt beoordeeld of het bedrag gebruikelijk is voor de ruimte die gehuurd wordt. Wanneer het om woonkosten gaat, waarin wateren energielasten zijn begrepen, is er sprake van een commerciële huurprijs als 60% van de totale huurprijs gelijk is aan de basishuur.

4. Basishuur is het bedrag dat voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening blijft. Zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag

5. Als er inkomsten uit verhuur zijn dan wordt de volledige huur als inkomen aangemerkt.

8.3. Bijzondere bijstand 8.3.1. Aanvraag bijzondere bijstand 1.

De inwoner vraagt een tegemoetkoming aan bij de gemeente.

2.

Voordat de gemeente beslist op de aanvraag, beoordeelt zij eerst in hoeverre het eigen netwerk en de eigen omgeving van de aanvrager, of voorliggende voorzieningen, kunnen voorzien.

3.

De inwoner verstrekt aan de gemeente alle informatie die voor de aanvraag van belang zou kunnen zijn.

4.

De inwoner verstrekt onmiddellijk alle informatie aan de gemeente die zou kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming.

5.

Als het nodig is kan de gemeente een indicatie vragen aan een onafhankelijke organisatie met de benodigde expertise.

8.3.2. Aanvraag is op tijd gedaan 1.

De inwoner moet bijzondere bijstand voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen aanvragen voordat hij deze kosten heeft gemaakt. Andere vergoedingen die in deze beleidsregels worden genoemd moeten binnen een jaar worden aangevraagd nadat de kosten zijn gemaakt tenzij anders aangegeven. De vergoedingen worden per kalenderjaar toegekend. Deze vergoeding geldt tot uiterlijk 1 januari van het volgende jaar.

2.

Bijzondere bijstand kan voor langer dan een jaar worden toegekend. Dit kan als is vastgesteld dat de kosten langer duren dan een jaar en de financiële omstandigheden naar verwachting niet wijzigen. De maximale periode is dan vijf jaar.

8.3.3. Hoogte bijzondere bijstand en drempelbedrag 1. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand en afschrijftermijnen sluiten we aan bij de Nibud richtlijnen. Behalve als in deze beleidsregels specifieke bedragen worden genoemd. 2. Het drempelbedrag is € 0,-.

8.3.4. Draagkracht(jaar) 1. Het draagkrachtjaar is het kalenderjaar waarin de bijzondere bijstand is toegekend. 2. Als het inkomen lager is dan 110% van de bijstandsnorm die voor de inwoner geldt, is er geen sprake van draagkracht.

3. Van het inkomen dat hoger is dan 110% van de bijstandsnorm die voor de inwoner geldt, is er een draagkracht van 35% voor bijzondere kosten en 100% voor algemene kosten.

4. De draagkracht als bedoeld in het derde lid wordt een keer per kalenderjaar vastgesteld, tenzij het inkomen wijzigt met 20% of meer.

5. Er is sprake van draagkracht uit vermogen als de inwoner een vermogen heeft dat hoger is dan het vermogen genoemd in artikel 34 van de Participatiewet.

6. Er is geen sprake van draagkracht als een inwoner in een wettelijk schuldtraject zit. Als een inwoner in een minnelijk schuldtraject zit is er maximaal drie jaar geen sprake van draagkracht.

7. De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag gelden niet als middel voor de bijzondere bijstand.

Paragraaf 8.3 A: Bijzondere kosten 8.3.5. Gerechtelijke procedures Voor de eigen bijdrage en griffiekosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt, als de inwoner een advocaat toegewezen heeft gekregen volgens de Wet op de rechtsbijstand.

8.3.6. Bewindvoering / mentorschap / curatele 1. Wanneer er sprake is van voor eigen rekening blijvende kosten van bewindvoering, mentorschap of onder curatele stelling door een rechterlijke uitspraak, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. 2. Wanneer er sprake is van bewindvoering in verband met de WSNP wordt voor de bewindvoeringskosten geen bijzondere bijstand verstrekt, tenzij bij de slotuitdeling blijkt dat er onvoldoende saldo is voor het salaris van de bewindvoerder. 3. Voor de hoogte en de ingangsdatum van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

8.3.7. Uitvaart 1. Wanneer de noodzakelijke kosten van een uitvaart niet kunnen worden voldaan uit de nalatenschap, kan voor deze kosten bijzondere bijstand worden verstrekt.

2. De volgende kosten merken we aan als noodzakelijk: a. legeskosten overlijdensakte b. werkzaamheden uitvaartverzorger c.

eenvoudige kist / kosten urn

d. grafrechten (voor een algemeen graf, niet voor een graf in eigendom) e. rouwauto f.

rouwkaarten

g. opbaren in rouwcentrum h. dragers i.

eenvoudige grafzerk

j.

kosten verstrooien

k.

kosten eredienst en/of kosten die voortvloeien uit culturele en religieuze achtergrond indien hiervoor kosten in rekening worden gebracht. 3. De in lid 1 genoemde kosten worden voor een evenredig deel aan de erfgenamen toegerekend. Hierbij sluiten we aan bij het Erfrecht.

Paragraaf 8.3 B: Algemene kosten 8.3.8. Leenbijstand en declaratie 1. We verstrekken bijzondere bijstand als een lening als er sprake is van: a.

bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen of woninginrichting;

b.

woonkostentoeslag, wanneer de inwoner een huurwoning bewoont, maar (tijdelijk) niet in aanmerking komt voor huurtoeslag omdat: • •

c.

het contract niet ingaat per de eerste van de maand; of de huurtoeslag aangevraagd is maar deze nog niet betaalbaar is gesteld, waardoor de inwoner in financiële problemen komt. overwaarde in de eigen woning die hoger is dan het geldende het vrij te laten vermogen;

de noodzakelijke aanschaf van een babyuitzet waarvoor de inwoner niet heeft kunnen sparen. En dit haar niet te verwijten valt. 2. De kosten waarvoor een vergoeding is toegekend, kunnen tot maximaal één jaar nadat de bijzondere bijstand is toegekend worden gedeclareerd. d.

8.3.9. Taxatie voor bepaling van de overwaarde van de woning Voor een taxatie die nodig is voor de bepaling van de overwaarde van de woning kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

8.3.10. Vaste lasten bij opname in een inrichting 1. Als de bijstandsnorm vanwege een opname in een inrichting wordt aangepast als bedoeld in artikel 7.1.2, kan bijzondere bijstand worden toegekend voor de vaste lasten.

2. De bijzondere bijstand bedraagt de alleenstaande norm min de kosten voor voeding en de norm voor zak- en kleedgeld. Deze wordt verhoogd met de verhoging uit artikel 23 lid 2 van de Participatiewet.

8.3.11. Kosten in verband met wonen 1.

Bijzondere bijstand kan worden toegekend als de inwoner (tijdelijk) geen huurtoeslag kan krijgen omdat: a.

het contract niet ingaat per de eerste van de maand; ‘en’

b.

de inwoner in financiële problemen komt omdat hij nog geen huurtoeslag ontvangt

2.

Als de inwoner in zijn eigen woning woont kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van hypotheekrente.

3.

Bijzondere bijstand voor huur of hypotheekrente wordt voor maximaal 6 maanden verstrekt. De inwoner is verplicht om zo snel mogelijk een goedkopere woning te accepteren.

4.

Deze periode kan met 6 maanden worden verlengd als het niet lukt om goedkopere woning te vinden. De maximale termijn is in totaal 24 maanden.

5.

Voor de hoogte van de bijzondere bijstand voor huur of hypotheekrente wordt aangesloten bij de systematiek van de Belastingdienst voor de huurtoeslag.

8.3.12. Noodzakelijke verhuizing 1. Als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing en een inwoner kon daarvoor niet sparen of lenen, kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor: a. het huren van een busje; b. dubbele huur, als de verhuizing binnen de gemeente is; c. verf en behang tot maximaal € 250,- als de verhuizing binnen of naar de gemeente is.

8.3.13.

Duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting

1. Als een inwoner niet heeft kunnen sparen voor duurzame gebruiksgoederen en dit hem niet te verwijten valt, kan voor deze kosten bijstand als lening worden verstrekt. 2. Als een woning volledig moet worden ingericht kan leenbijstand worden verstrekt. De hoogte hiervan is 60% van de Nibud norm.

8.3.14. Duurzame gebruiksgoederen niet als lening 1. Bijzondere bijstand voor duurzame (elektrische) gebruiksgoederen hoeft niet terugbetaald te worden als de inwoner: a. twee jaar of langer een inkomen ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm ontvangt; en b. een vermogen heeft dat lager is dan de helft van de vermogensgrens in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet.

8.3.15. Computer 1.

Voor de aanschaf van een computer en printer kan bijzondere bijstand worden verstrekt tot maximaal de Nibud norm.

2.

De bijstand wordt tot € 360,- als een lening verstrekt. De extra kosten boven € 360,- hoeven niet terugbetaald te worden. De lening wordt afgelost met minimaal € 10,- per maand.

3.

8.3.16. Crisisuitkering 1.

2.

Een inwoner kan een crisisuitkering ontvangen wanneer aan hem een uitkering voor levensonderhoud wordt toegekend en hij als gevolg van een plotselinge gebeurtenis met ingrijpende gevolgen geen vorm van inkomen of spaargeld heeft en hier ook geen aanspraak kan maken. De hoogte van de crisisuitkering is de voor de inwoner geldende bijstandsnorm per maand zonder vakantietoeslag.

8.3.17. Toeslag levensonderhoud 18-21 jaar Als een inwoner bijzondere bijstand krijgt volgens artikel 12 van de Participatiewet berekenen we de hoogte hiervan op de volgende manier: ‘de bijstandsnorm voor iemand van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie’ min ‘de voor deze inwoner geldende bijstandsnorm’. Beide normen zonder vakantietoeslag.

8.3.18. Bezoek aan zieke familieleden 1.

Er is sprake van bijzondere omstandigheden als: a.

door ziekte extra, noodzakelijke, vervoerskosten gemaakt moeten worden; en

b.

de zieke tot het gezin van de inwoner behoort of een familielid is in de 1ste of 2de graad; en

c.

de verpleging plaatsvindt in een verpleeghuis/ziekenhuis/hospice; en

d.

2. 3.

het verpleeghuis/ziekenhuis/hospice waar de verplegende verblijft, is gelegen buiten de gemeente van de inwoner, maar binnen Nederland. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de reiskosten vanaf 10 kilometer. Er wordt bijzondere bijstand verstrekt voor de goedkoopste optie van vervoer. Als er met eigen vervoer wordt gereisd is de kilometervergoeding € 0,19.

8.3.19. Bezoek aan gedetineerde 1. 2.

Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van het vervoer vanaf het woonadres van de inwoner naar de inrichting waar de gedetineerde verblijft indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Er is sprake van bijzondere omstandigheden als: a.

door detentie extra vervoerskosten gemaakt moeten worden; en

b.

de gedetineerde tot het gezin van de inwoner behoort; en

c.

de gedetineerde in een gesloten inrichting verblijft (= geen recht op verlof); en

d.

de inrichting is gelegen buiten de gemeente van de inwoner, maar binnen Nederland.

3.

Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de reiskosten vanaf 10 kilometer.

4.

Er wordt bijzondere bijstand verstrekt voor de goedkoopste optie van vervoer, waarbij er indien er met eigen vervoer wordt gereisd sprake is van een kilometervergoeding van € 0,19.

8.3.20. Bijdrage en reiskosten kinderopvang en inburgering 1. Voor de eigen bijdrage van de kosten kinderopvang tijdens een inburgeringstraject wordt bijzondere bijstand verstrekt. Hierbij sluiten we aan bij het maximale uurtarief van de Belastingdienst. 2. Er kan bij een inburgeringstraject bijzondere bijstand worden verstrekt voor de reiskosten vanaf 9 kilometer. Hierbij wordt gekeken naar de goedkoopste optie van vervoer. Wordt er met eigen vervoer gereisd dan is de kilometervergoeding € 0,19 per kilometer. 3: Als een kind van een ouder dat een inburgeringstraject volgt tevens een VVE-indicatie heeft worden de kosten van de eigen bijdrage van kinderopvang volledig vergoed uit de bijzondere bijstand. Ook hierbij sluiten we aan bij het maximale uurtarief van de Belastingdienst. 4: Wanneer in Putten uitsluitend kinderopvang beschikbaar is waarbij een hoger uurtarief wordt gerekend wordt de totale eigen bijdrage vergoed.

8.4. Minimaregelingen 8.4.1. Doelgroep 1.

De inwoner die: a.

minder vermogen heeft dan de voor hem geldende vermogensgrens van de Participatiewet; en

b.

de 12 maanden voor de aanvraag een inkomen had dat niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

kan van de gemeente een bijdrage op grond van de regelingen in dit hoofdstuk. 2.

3.

Voor de regeling sociaal-culturele, educatieve en sportactiviteiten geldt voor paren met kinderen (volgens artikel 4 lid 1 onder c en artikel 3 van de participatiewet) dat de inkomsten in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag niet hoger waren dan 130% van de bijstandsnorm. De periode van 12 maanden, genoemd onder lid 1 en lid 2, geldt niet als: a.

4. 5. 6.

in de 12 maanden voor de aanvraag sprake was van een echtscheiding, verbreken van geregistreerd partnerschap of verbreken van samenwoning. b. de inwoner een statushouder is die nog geen 12 maanden in Nederland woont. In deze gevallen geldt als inkomen: a. het inkomen van de aanvrager en niet van de ex-partner als het gaat om een echtscheiding; b. het inkomen vanaf het moment dat de inwoner in Putten reguliere huisvesting heeft als het gaat om een statushouder. De inkomensgrens van 110% geldt 6 maanden niet als de uitkering is beëindigd omdat de inwoner aan het werk is gegaan. En op dat moment recht had op een bijdrage voor maatschappelijke activiteiten. Een bewoner van een Wlz instelling en een student komen niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Kinderen kunnen een vergoeding per kind krijgen voor zwemmen of voor incidentele activiteiten, leermiddelen en een pc. Voor overige structurele sport- en culturele activiteiten kunnen kinderen worden aangemeld bij het Jeugdfonds Sport en Cultuur.

8.4.2. Bijdrage Maatschappelijke activiteiten 1. De bijdrage is bedoeld voor sportieve, culturele, politieke, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten en activiteiten in verband met onderwijs voor minderjarige kinderen. Het kan bijvoorbeeld gaan om:

•

een incidentele of regelmatige activiteit;

•

het lidmaatschap van een organisatie;

•

zwemlessen;

•

het abonnement op een krant of tijdschrift.

2. Voor inwoners waarbij de inkomsten in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag niet hoger waren dan 110% van de geldende bijstandsnorm is de bijdrage maximaal € 225,- per kalenderjaar per persoon. Waarbij er voor sportkleding wordt aangesloten bij de Nibud-normen.

3. Voor paren met kinderen (volgens artikel 4 lid 1 onder c en artikel 3 van de participatiewet) waarbij de inkomsten in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag hoger waren dan 110% van de geldende bijstandsnorm en niet hoger waren dan 130% van de geldende bijstandsnorm is de bijdrage maximaal € 100,- per kalenderjaar per persoon. Waarbij er voor sportkleding wordt aangesloten bij de Nibud-normen.

8.4.3. Bijdrage leermiddelen De bijdrage is bedoeld voor leermiddelen die nodig zijn vanwege een studie op de middelbare school. De inwoner heeft geen recht op een bijdrage als hij voor deze kosten een tegemoetkoming van het Rijk ontvangt. De gemeente vergoedt een bedrag van maximaal € 250 per inwoner per jaar.

8.4.4. Bijdrage Pc regeling kind De bijdrage is bedoeld voor de inwoner waarvan een kind in groep 7 of 8 van het lager onderwijs zit of voortgezet onderwijs volgt. De bijdrage is eenmalig en is voor de kosten van een computer/laptop/tablet met printer. De gemeente vergoedt een bedrag volgens de Nibud normen.

8.5. Individuele inkomenstoeslag 1. Heeft de inwoner in de referteperiode minimaal 3 aaneengesloten maanden een inkomen van meer dan 110% van de bijstandsnorm dan is er sprake van zicht op inkomensverbetering.

2. Er is sprake van zicht op inkomensverbetering als de inwoner een studie volgt die door het Rijk wordt betaald.

3. Er wordt geen individuele inkomenstoeslag toegekend als in de laatste 12 maanden voor de aanvraag een maatregel is opgelegd vanwege schending van één of meer van de arbeidsverplichtingen.

8.6. Ouderenkortingen Wanneer een inwoner in het jaar waarin bijstand ontvangen wordt, recht heeft op de ouderenkorting van de Belastingdienst, wordt deze niet teruggevorderd.

8.7. Heronderzoek en verhaal 8.7.1. Heronderzoek Tenminste een keer per 24 maanden onderzoekt de gemeente de rechtmatigheid van de toegekende periodieke uitkeringen en de behoefte aan ondersteuning van de inwoner. In het geval van een uitkering voor het Bbz onderzoekt de gemeente de levensvatbaarheid van het bedrijf.

8.8. Vrijlating van inkomen 8.8.1. Definities vrijlating inkomen 1. 2.

In deze paragraaf wordt verstaan onder inkomsten uit arbeid: inkomsten uit algemeen geaccepteerde arbeid; Onder inkomstenvrijlating wordt verstaan de vrijlating van inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in : a. artikel 31,lid 2 onder n van de Pw, b.

artikel 8 lid 2 van de IOAW; en

c.

artikel 8 lid 3 van de IOAZ, of

d.

artikel 31 lid 2 onder r van de Pw,

e.

artikel 8 lid 5 van de IOAW en

f.

artikel 8 lid 9 van de IOAZ,

g.

artikel 31 lid 2 onder y van de Pw,

h.

artikel 8 lid 7 van de IOAW en

i.

artikel 8 lid 11 van de IOAZ

8.8.2. Recht op inkomstenvrijlating 1.

Het college stelt het recht vast.

2.

Voor toepassing van een inkomstenvrijlating moeten de inkomsten lager zijn dan de geldende bijstandsnorm of grondslag van de Ioaw of Ioaz. De inkomstenvrijlatingen worden maximaal één keer per uitkeringsperiode toegekend. Als dezelfde uitkeringsperiode geldt: a. de periode waarin een uitkering aaneengesloten is of na een onderbreking korter dan 30 dagen wordt voortgezet. Dit geldt ook als direct hiervoor een uitkering in een andere gemeente is ontvangen.

3.

b. c. 4. 5. 6.

de situatie waarin de uitkering wordt hersteld na een onderbreking vanwege verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht hoe lang dit duurt; als de uitkering wordt omgezet naar een andere uitkeringsnorm.

Als een nieuwe uitkeringsperiode minder dan 6 maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating ingaat ontstaat geen nieuw recht op de inkomstenvrijlating. Als een nieuwe uitkering minder dan 30 maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating alleenstaande ouder ingaat, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating alleenstaande ouder. De 6 maanden waarin de inkomstenvrijlating wordt toegepast liggen binnen een periode van maximaal 24 aaneengesloten maanden.

8.8.3. Bijdragen aan arbeidsinschakeling 1.

Een inwoner heeft alleen recht op inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 7.8.2 als die vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

2.

Van een bijdrage aan de arbeidsinschakeling is alleen sprake als het werk onderdeel uitmaakt van het trajectplan voor de inwoner. En in dat plan moet toegewerkt worden naar uitstroom uit de bijstand/uitkering.

8.8.4. Geen recht op inkomstenvrijlating 1. Geen recht op inkomstenvrijlating bestaat voor: a.

inkomsten die de inwoner bij aanvang van de uitkering al ontving;

b.

inkomsten uit illegale activiteiten;

c.

inkomsten waarvan geen of geen volledige opgave is gedaan waardoor er sprake is geweest van een schending van de inlichtingenplicht.

9. Herziening, afstemming en terugvordering Kernwaarden • • • •

De gemeente en de inwoner zijn gelijkwaardige partners; De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor; De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is; De inwoner geeft de informatie die nodig is.

9.1. Herzien en afstemmen verlaging Nederlandse taal De gemeente stemt de opgelegde verlaging op grond van artikel 18b lid 7 van de Participatiewet af op de omstandigheden van de inwoner, op de wijze die is opgenomen onder a tot en met e. a. Als de gemeente de bijstand verlaagt conform artikel 18b lid 9, 10 of 11 van de Participatiewet, dan kan de verlaging worden stopgezet, als de inwoner aantoont dat hij zichzelf op een bepaald moment weer voldoende inspant en hij zich (opnieuw) bereid verklaart. b. Als de bepaling genoemd onder a. van toepassing is, dan stopt de verlaging vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum dat de inwoner zich heeft gemeld om aan te geven dat hij wederom gestart is met zichzelf in te spannen en hij dit ook heeft kunnen aantonen. Dit wordt bekrachtigd door middel van het taalplan. c.

Wanneer de inwoner op enig moment, nadat hij zich bereid heeft verklaard om zich in te spannen, stopt met de inspanning, dan moet de inwoner opnieuw meewerken aan een taaltoets.

d. Onderdeel c is in beginsel niet van toepassing, als de inwoner binnen drie maanden na de bereidverklaring stopt met de inspanning. In dat geval wordt aangenomen dat het niveau van de inwoner niet in die mate kan zijn verbeterd, dat het afnemen van de toets een significant beter resultaat oplevert. e. De afstemming gebeurt conform artikel 18b lid 9, 10 of 11 van de wet, met dien verstande dat voor de hoogte/het percentage van de afstemming wordt aangesloten bij het aantal maanden waarover reeds een afstemming voor deze gedraging is toegepast op de uitkering, in plaats van het aantal maanden dat is verstreken tussen de bereidverklaring en de gedraging. De afstemming wordt dus pas verhoogd als de afstemming over in totaal 6 dan wel 12 maanden heeft plaatsgevonden.

9.2. Terugvordering 9.2.1. Bevoegdheid tot terugvordering 1. De gemeente gebruikt de bevoegdheid om een uitkering te herzien, in te trekken en de bijstand terug te vorderen die onterecht is verstrekt. De gemeente volgt daarbij de artikelen 58 lid 2 tot en met 60 van de Participatiewet en 25 lid 2 van de Ioaw en Ioaz. Dit geldt ook voor artikel 12, tweede lid, onderdeel c Bbz 2004 artikel 39, eerste lid, onderdeel a onder 3 Bbz 2004, artikel 39, tweede lid Bbz 2004, artikel 41, vierde lid en vijfde lid Bbz 2004, artikel 43, derde lid Bbz 2004.

2. De gemeente gebruikt de bevoegdheid om een via de Jeugdwet ten onrechte verleend pgb te herzien, in te trekken en terug te vorderen, in de situatie dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. 3. De gemeente gebruikt de bevoegdheid om een beslissing op grond van de Wmo 2015 te herzien, dan wel in te trekken, zoals bedoeld in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015. 4. De gemeente gebruikt de bevoegdheid om de geldswaarde geheel of gedeeltelijk te vorderen als bedoeld in artikel 2.4.1 van de Wmo 2015.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9869164/1