K -bestemmingsplan-tarwestraat-2022-toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
uit naar het verzekeren van de kosten via een anterieure overeenkomst. In hoofdstuk 6 zal concreet worden ingegaan op de vraag hoe de kosten van de grondexploitatie gerelateerd aan de in dit bestemmingsplan opgenomen bouwplan(nen) verzekerd zijn. 3.4.11 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voor de bouw van maximaal 21 appartementen voor senioren op de locatie van de voormalige schooltuin aan de Tarwestraat, die door dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is in overeenstemming met de beleidskaders van rijk, provincie, regio en de gemeente Purmerend.
28
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsanalyse
Huidige situatie
Het plangebied maakt onderdeel uit van de wijk De Purmer-Noord. Deze wijk heeft een waterrijk karakter. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door de oorspronkelijke poldertochten en -sloten die opgenomen zijn in het stedenbouwkundig plan voor de wijk. In noord-zuidrichting wordt de wijk doorsneden door twee hoofdstructuren, een stadsstraat (Grotenhuysweg) en een singel die zich centraal in de wijk splitst (Waterschapsingel/Heemraadsingel/Dijkgraafsingel). In de bebouwing van Purmer-Noord is een duidelijke hiërarchie aanwezig in stedelijke, tuinstedelijke en landelijke milieus. Het stedelijke milieu bevindt zich rondom de Overlanderstraat en het landelijke milieu aan de rand van de wijk. Daartussen bestaat het overgrote deel van de wijk uit een tuinstedelijk milieu. Langs de rand van de wijk bevinden zich stadsrandgroenzones, zoals het Leeghwaterpark, het Park De Uitvlugt en een aantal grotere groene percelen met enkele woningen.
Afbeelding: de diverse milieus in de omgeving De locatie aan de Tarwestraat is bijna volledig onbebouwd en werd in het verleden gebruikt als locatie voor schooltuinen. Het gebruik als schooltuinen is inmiddels al enige tijd beëindigd. Momenteel is het plangebied een grotendeels met hekken afgesloten groene ruimte, die geen landschappelijke of recreatieve waarde heeft. In de zuidwesthoek resteert nog een afdak met daaronder fietsklemmen, die gebruikt werden voor de schooltuinen. Deze zullen worden verwijderd.
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
Afbeelding: bestaande situatie plangebied (bron: google earth) Aan de noordkant grenst het bestemmingsplan aan de erfafscheiding aan de achterzijde van de woningen Tarwestraat 3 t/m 41. Deze woonbebouwing en ook andere omliggende bebouwing in de buurt bestaat hoofdzakelijk uit rijwoningen van twee bouwlagen en een kap met de nok evenwijdig aan de straat.
Afbeelding: Woningen Tarwestraat 3 t/m 25 met nok evenwijdig aan de straat (bron: google maps) Aan de westkant grenst het plangebied aan een bouwblok met 6 garages, waarvan enkele zijn voorzien van een opbouw. Het pad achter de garages is een gedeeld eigenaarschap van de bewoners aan de Tarwestraat 39 en 41. Ten noordwesten van de garages bevinden zich de 30
woningen Tarwestraat 45 t/m 61. Deze woningen zijn op het zuidoosten georiënteerd en bevinden zich op een afstand van minimaal 20 meter van het plangebied.
Afbeelding: garages langs westgrens plangebied (bron: google earth) Aan de oostkant wordt het plangebied begrensd door een eenlaagse gymzaal, waarbij de zaal zelf hoger is dan de rest van de bebouwing.
Afbeelding: gymzaal langs de oostgrens van het plangebied (bron:google earth)
Aan de zuidkant van het plangebied bevindt zich een watergang langs de Gemetstraat met de bijbehorende groenstroken. De watergang heeft een breedte van circa 7 meter. Ten zuidwesten van de watergang en de groenstroken bevinden zich de rijwoningen Gemetstraat 7 t/m 45. Deze woningen liggen op een afstand van minimaal 23 meter van het plangebied. Het plangebied bestaat momenteel voor een groot deel uit gras en wordt aan de randen omgeven
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
door boomgroepen en bosplantsoen van wisselende grootte en kwaliteit. Het plangebied sluit aan de westzijde aan op een groene zone met een recreatieve functie. Het perceel heeft een zuiver rechthoekige geometrie met de lengterichting in oost-west-richting. Het belangrijkste landschapselement is de watergang langs de zuidwestrand die onderdeel is van de ruimtelijke structuur van de Purmer. De bomenrij langs de waterpartij is incompleet (zie ook de afbeelding in paragraaf 3.4.8). Het eigenlijke perceel is op dit moment niet ontsloten door een straat toegankelijk voor motorvoertuigen. De nabijgelegen Tarwestraat is een smalle woonstraat die aan de westkant van het plangebied in een doodlopende insteek tussen de woningen met de nummers 45 t/m 63 en de garageboxen eindigt. Ten oosten van de gymzaal ligt een ventweg van de Tarwestraat. Deze ventweg is aangesloten op de Grotenhuysweg, één van de belangrijke wijkontsluitingswegen in de Purmer.
4.2
Nieuwe situatie
Vanwege de ligging binnen De Purmer Noord is het plangebied geschikt voor een nieuwe invulling met wonen. Voor de recreatieve behoeften van de nieuwe bewoners ligt een volwaardig park om de hoek (Park de Uitvlugt) en het open landschap op korte wandel- of fietsafstand. Verder is het plangebied gelegen in een relatief groene buurt met ruime en groene straatprofielen. Tegelijkertijd ligt het plangebied op korte afstand (ongeveer 300 meter loopafstand) van voorzieningen (wijkcentrum Gildeplein) en OV-halten. De combinatie van de ruime opzet van de buurt, de nabijheid van voorzieningen en OV-halten en de beschikbaarheid van een onbenutte ruimte maakt dit plangebied een geschikte locatie voor het toevoegen van woningen.
Afbeelding: situering plangebied ten opzichte van het winkelcentrum, park en toegang open landschap
32
Afbeelding: omliggende buslijnen en bushaltes Het project gaat uit van het bebouwen van het onbebouwde terrein met een rechthoekig en drielaags appartementencomplex van maximaal 21 appartementen ten behoeve van senioren. Het nieuwe woongebouw in het plangebied wordt op een zorgvuldige wijze ingepast in de omgeving. Zo ligt de nieuwbouw evenwijdig aan woningrijen aan de noord- en aan de zuidkant. Samen met de woningrij aan de noordkant vormt het gebouw een woonblok, zoals die typisch is voor de buurt. De galerijkant van het appartementencomplex is naar de achterzijden van de bestaande woningen toe gericht terwijl de representatieve zijde van het appartementencomplex (balkonzijde) de zuidelijke rand van het woonblok vormt.
Afbeelding: inpassing in de omgeving: achtergebieden
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
Afbeelding: beoogde invulling plangebied in nieuwe situatie, met uitzondering van het trafostation, dat naar aanleiding van reacties van omwonenden buiten het plangebied wordt gesitueerd (bron:ontwerp Tarwestraat) Gelet op de positionering en omvang van de nieuwbouw heeft het plan op voorhand beperkt ruimtelijke effecten op de bestaande woonbebouwing in de omgeving. De nieuwbouw bevindt zich namelijk op ruime afstand van bestaande bebouwing en tuinen aan de Tarwestraat 3 t/m 41 en doordat er ook sprake is van een bouwhoogte die overeenkomt met de bebouwing in de omgeving, zijn er geen relevante effecten te verwachten op het gebied van uitzicht, privacy en/of lichtinval. Dat wordt hierna toegelicht voor de bestaande bebouwing rondom de nieuwbouw van de woningen: Zowel aan de oost- als aan de westkant van het plangebied zijn geen woningen aanwezig die overlast zouden kunnen ondervinden door de nieuwbouw. De woningen ten noordwesten van het plangebied (nummers 45 t/m 63) bevinden zich op een afstand van minimaal 30 meter en zijn niet recht tegenover de nieuwbouw gelegen. De nieuwbouw komt op een afstand van ongeveer 20 meter tot aan de erfgrens aan de achterzijde van de woningen Tarwestraat 3 t/m 41, welke ten noordoosten van het plangebied zijn gelegen. De afstand tot de bestaande woningen bedraagt minimaal 32,75 meter.
De noordoostzijde van het gebouw is bovendien het deel waar de entree en de galerijen worden gesitueerd. De toekomstige bewoners hebben daardoor slechts vanuit de verkeersruimte zicht op tuinen en woningen. De nieuwe woningen zelf zijn met terrassen en balkons op het zuiden geörienteerd. Er is vanwege de onderlinge afstand en de oriëntatie van de nieuwbouw daarmee geen sprake van relevante inkijk of vermindering van privacy bij de woningen Tarwestraat 3 t/m 41. De nieuwbouw komt op een afstand van circa 35 meter tot aan de rijwoningen aan de Gemetstraat. Tussen de nieuwbouw bevindt zich een watergang met aan weerszijden groenstroken en bomen, alsmede de rijweg van de Gemetstraat en de voortuinen van de rijwoningen. Er is vanwege de onderlinge afstand en de oriëntatie van de bestaande woningen daarmee geen sprake van relevante inkijk of vermindering van de privacy bij de woningen Gemetstraat 7 t/m 45. Ten opzichte van de bestaande woningen ligt het toekomstige gebouw aan de noordoost-, zuidoost- of zuidwestzijde. Voor de woningen Gemetstraat 7 t/m 45 zijn er vanwege de ligging van de nieuwbouw ten noordoosten op voorhand geen gevolgen wat betreft schaduw. Bij de woningen Tarwestraat 3 t/m 41 en 45 t/m 61 is vanwege de positionering niet op voorhand uit te sluiten dat er schaduweffecten kunnen ontstaan. Er is daarom een schaduwstudie 34
uitgevoerd (zie ook paragraaf 5.2). Daaruit blijkt dat de afstand van de nieuwbouw tot de bestaande woningen zodanig is dat door het nieuwe gebouw alleen in de winter en het voorjaar, als de schaduwen lang zijn, enig schaduweffect op de bestaande woningen Tarwestraat 3 t/m 41 te verwachten is. De te verwachten schaduwimpact op het gebruik van de private buitenruimte wordt als beperkt gezien. De nieuwbouw zal zichtbaar zijn vanuit de omliggende woningen en tuinen maar vanwege de onderlinge afstanden, het tussenliggend groen en de beperkte maximum bouwhoogte van de nieuwbouw (9 meter) zijn er geen significant nadelige gevolgen te verwachten voor wat betreft het uitzicht van omwonenden.
Afbeelding: doorsnede vanaf de watergang langs de Gemetstraat (links) via de nieuwbouw naar de bestaande woningen Tarwestraat 3 t/m 41 (rechts)
Naast de te hanteren afstand zal de ruimte tussen de achtergevel van de nieuwbouw en de achtertuinen van Tarwestraat 3 t/m 41 worden ingericht met het oog op de bescherming van privacy. De bestaande groenzone met boomvormers en heesters (ongeveer in het midden op de voorgaande afbeelding) blijft zoveel mogelijk behouden en wordt aangevuld met nieuwe beplanting. De bedoeling is dat beplanting met een hoogte van ongeveer 12 meter een visuele scheiding tussen bestaande en nieuwe woningen vormt. De galerijzijde van de nieuwbouw wordt voorzien van een pergola die een enigszins groen aanzien van het volume vanuit de noordelijk woningrij mogelijk maakt. De feitelijke gevel van de appartementen ligt achter de galerijzone (op een afstand van minimaal 35 meter vanaf de achtergevels van de bestaande woningen). Het feit dat de gevel wordt gevormd door een galerij is belangrijk, omdat het niet aannemelijk is dat vanaf de galerij mensen langdurig naar de bestaande woningen kijken. De meeste bewoners zullen de verkeersruimte alleen gebruiken om van en naar hun woningen te lopen en niet om er langdurig te verblijven. De balkons en de huiskamers liggen aan de zuidkant, gericht op de waterpartij en de ten zuiden daarvan gelegen Gemetstraat. Deze straat is een openbare straat die aan weerszijden wordt geflankeerd door woningrijen, die in enige mate wederzijds zichtcontact hebben.
Dat zicht wordt verzacht door een bomenrij aan de zuidkant van de waterpartij en een incomplete bomenrij aan de noordkant. De tussenliggende waterpartij zorgt voor een zekere mate van 'mentale' afstand tussen bestaande en nieuwe woningen. Door het plangebied te herontwikkelen met 3-laagse woningbouw wordt enerzijds bijgedragen aan het oplossen van de bouwopgave en wordt anderzijds een nu nog afgesloten terrein opengesteld. Weliswaar zal het oppervlak aan groen door de verdichting verminderen, maar ook in de nieuwe situatie is groen voorzien. Dit nieuwe groen zal, in tegenstelling tot de huidige situatie, ook bereikbaar zijn voor mensen uit de buurt. Zo zal langs het water een informeel openbaar pad worden ingericht dat het Park de Uitvlugt gaat verbinden met de groene ruimten langs de Dijkgraafsingel. Aan de westkant van het plangebied zullen waardevolle bomen zoveel mogelijk behouden blijven en wordt de ruimte zo groen mogelijk ingericht. Tussen het parkeerterrein naast de nieuwbouw en de bestaande rijwoningen zal het aanwezige groen worden verbeterd. De parkeerplaatsen zijn naar de wens van omwonenden Tarwestraat zodanig gepositioneerd, dat zij op deze manier het minste overlast ervaren. De toevoeging van in totaal maximaal 21 nieuwe appartementen zal leiden tot extra verkeer en
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
parkeren maar deze effecten zijn vanwege de aard en omvang van het programma beperkt. Het plangebied wordt ontsloten vanuit de oostkant waarbij de weg langs de gymzaal wordt opgewaardeerd om de ontsluiting van het appartementencomplex mogelijk te maken. De Tarwestraat komt hier uit op de Grotenhuysweg. Deze wijkontsluitingsweg kan de extra verkeersbewegingen goed opvangen. Ten aanzien van de toename van het extra verkeer geldt bovendien dat het geldende bestemmingsplan nu ook al voet- en fietspaden en (ontsluitings)wegen mogelijk maakt. Om te voldoen aan de parkeerbehoefte worden in het plangebied in ieder geval 34 parkeerplaatsen aangelegd, zodat geen extra parkeerdruk in de omgeving ontstaat. Van de 34 parkeerplaatsen zijn er 2 parkeerplaatsen ter compensatie van het opheffen van 2 parkeerplaatsen ten behoeve van fietsparkeren bij de gymzaal. Intermaris is voornemens modulair te gaan bouwen. De bouwperiode zal daardoor korter zijn dan bij traditionele bouw. Bij modulaire bouw worden modules gekoppeld en gestapeld om een gebouw te creëren. De modules worden in een fabriek geproduceerd en met behulp van een hijskraan op locatie geplaatst. Daarna worden de modules geïnstalleerd en aangesloten. Tijdens de realisatie zal bouwverkeer langs de entree van de gymzaal gaan rijden.
Om de veiligheid tijdens de bouw zoveel mogelijk te garanderen zal door de aannemer een BLVC-plan worden opgesteld, dat door de gemeente zal worden getoetst. In het BLVC-plan zijn maatregelen, verantwoordelijkheden en afspraken beschreven rondom bouwprojecten.
36
Hoofdstuk 5 5.1
Randvoorwaarden / omgevingsaspecten
Archeologie
5.1.1 Beleidskader In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gemeente Purmerend heeft in 2009 een eigen archeologisch beleid opgesteld. In 2017 is dit beleid opgegaan in het Erfgoedbeleid Purmerend 2017. Hierbij hoort een archeologische verwachtingskaart. Dit is een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Het bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg.
Voor gemeenten kunnen de door deskundigen opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten als leidraad worden gebuikt voor zowel de planologische bescherming van archeologische waarden in het ruimtelijke plan als voor het vaststellen van het benodigde archeologisch onderzoek dat bij voorbereiding van ruimtelijke plannen moet plaatsvinden. 5.1.2 Analyse Het plangebied valt volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart in een zone waar sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde. Onderzoek is daarom niet nodig.
Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: datalab Purmerend)
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
5.1.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan spelen archeologische waarden niet.
5.2
Bezonning
Ten opzichte van de bestaande woningen ligt het toekomstige gebouw aan de noordoost-, zuidoost- of zuidwestzijde. Voor de woningen Gemetstraat 7 t/m 45 zijn er vanwege de ligging van de nieuwbouw ten noordoosten op voorhand geen gevolgen wat betreft schaduw. Bij de woningen Tarwestraat 3 t/m 41 en 45 t/m 63 is vanwege de positionering niet op voorhand uit te sluiten dat er schaduweffecten kunnen ontstaan. Er is daarom een schaduwstudie uitgevoerd, waarin het volgende is geconstateerd: Het gebouw komt op een zo groot mogelijke afstand van de bestaande bebouwing te liggen. De schaduw treft in het voor- en in het najaar vooral in de avonduren de bestaande woningen langs de Tarwestraat. De woningen aan het oostelijke uiteinde van het rijtje langs de Tarwestraat worden in de achtertuin en laat in de avond aan de achtergevel getroffen. Deze situatie doet zich vooral voor in het voor- en najaar, in jaargetijden derhalve waarin het gebruik van de buitenruimte minder intensief is dan in de zomermaanden. De betreffende woningen beschikken over ruime achtertuinen van meer dan 10 meter diepte. Ook in de bestaande situatie is sprake van schaduwval veroorzaakt door opgaand groen aan de achterzijde van de tuinen en door bijgebouwen op de achterzijde van de tuinen. Wat betreft de woningen in de nieuwbouw zelf liggen de woningen met de woonkamer ideaal georiënteerd op de zuidzijde.
Alleen in de ochtend is er korte tijd sprake schaduw veroorzaakt door het eigen volume. Gelet op het klimaat en het gebruik van de eigen buitenruimte van de omliggende bebouwing, wordt de aantasting van schaduwval door de nieuwbouw als minimaal gezien. Zie voor de volledige bezonningsstudie bijlage 2)
5.3
Bodemkwaliteit
5.3.1 Beleidskader Op 7 mei 2020 is het nieuwe bodembeleid vastgesteld door de gemeenteraad. Deze stukken, bestaande uit de “Bodemkwaliteitskaart gemeente Purmerend en “Nota bodembeheer Purmerend”, bevatten de regels om grondverzet binnen Purmerend plaats te laten vinden zonder dat daar extra bodemonderzoek noodzakelijk is. De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op bodemonderzoek, en daarin zijn ook de PFAS- en PFOA-gerelateerde stoffen meegenomen. Daarbij heeft de gemeenteraad ook de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Beemster geaccepteerd als erkend bewijsmateriaal van de bodemkwaliteit. Hierdoor is voor veel locaties uitwisseling van grond tussen Purmerend en Beemster mogelijk zonder extra bodemonderzoek. Het bodembeleid is voornamelijk generiek (wat schoon is, moet schoon blijven). Voor de rijkswegen, spoorbanen en grond in eigendom van het Hoogheemraadschap zijn uitzonderingen daarop gemaakt en is het beleid specifiek (meer grondverzet mogelijk). In Beemster is het beleid voor alle locaties specifiek. Wat betreft de concrete ontwikkelingen dient in geval van functiewijziging onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit.
38
5.3.2 Analyse Door Landview Bodemonderzoek is een verkennend bodem- en asbest onderzoek uitgevoerd (kenmerk 2020309, 5 maart 2020, zie bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek). In de bovengrond en ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Verder is het gehalte aan PFAS licht verhoogd. De gemeten waarden zijn echter dusdanig laag, dat op basis van de beleidsregel van de provincie Noord-Holland de locatie als niet verontreinigd wordt beschouwd. De grond op de locatie valt in de klasse "landbouw/natuur”. In het grondwater is een lichte verhoging van molybeen aangetroffen. Dit kan mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van zwevende fijne stofdeeltjes in het grondwater, zonder dat daadwerkelijk sprake is van verontreiniging. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Op de locatie is geen asbest aangetroffen. 5.3.3 Conclusie De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.
5.4
Cultuurhistorische waarden
5.4.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 5.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecen worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen.
Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld.
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
5.4.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de nabijheid van dit perceel geen sprake is van cultuurhistorische waarden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stadsgezicht of ander cultuurhistorisch waardevol gebied. 5.4.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden aangezien dergelijke waarden niet aanwezig zijn in/rond het plangebied.
5.5
Duurzaamheid
Voor de ontwikkeling van dit plan wordt rekening gehouden met duurzaam bouwen. Er kunnen tal van duurzame maatregelen worden getroffen. Hieronder valt bijvoorbeeld het gebruik van stadsverwarming als een duurzame energievoorziening waardoor gasloos gebouwd kan worden. Daarnaast kunnen de woningen voorzien worden van een sedumdak, dat bijdraagt aan de waterretentie en hittestress in de wijk tegengaat. De gehele inrichting moet klimaatbestendig zijn (zo min mogelijk verharding, gevel- en dakbegroeiing, waterretentie, etc.). Het plan zal dan ook volgens het laatste bouwbesluit en de dan geldende BENG norm worden uitgevoerd. Welke maatregelen er getroffen zullen worden en hoe hier aan wordt voldaan, zal pas in een volgende fase duidelijk worden, als de plannen verder uitgewerkt zijn.
5.6
Externe veiligheid
5.6.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. 5.6.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Signaleringskaart EV geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk. Ook ligt het plangebied niet in een contour van een transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding. Zie voor planologisch relevante leidingen ook paragraaf 5.12.
40
Afbeelding: uitsnede nl.ev-signaleringskaart.nl ter hoogte van plangebied 5.6.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.
5.7
Geluid
5.7.1
Wegverkeerslawaai
5.7.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/h-gebied geldt geen wettelijke geluidszone en is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.
Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting op de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Bij gebrek aan wettelijke normen kunnen uitsluitend de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader worden gehanteerd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB.
Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld 5.7.1.2 Analyse Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 21 nieuwe woningen/appartementen mogelijk. Deze nieuwe woningen liggen binnen de zone van de Grotenhuysweg. Onderzocht is of er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, vervolgens of hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Buro Ontwerp en Omgeving, datum 23 november 2021 (zie bijlage 4 Akoestisch onderzoek wegverkeer). De hoogste geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwbouw, afkomstig van de Grotenhuysweg is opgenomen in de onderstaande tabel:
Geluidsbelasting van de ontwikkelingslocatie Tarwestraat (bron: Akoestisch onderzoek) De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Grotenhuysweg bedraagt 48 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe appartementen wordt daarmee voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. 5.7.1.3 Conclusie De wetgeving inzake wegverkeerslawaai levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan.
42
5.7.2
Spoorweglawaai
5.7.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 5.7.2.2 Analyse Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 5.7.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai.
5.7.3 Industrielawaai De Wet geluidhinder bepaalt dat indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. 5.7.3.1 Analyse Het plangebied bevindt zich niet in de geluidszone van een industrieterrein. 5.7.3.2 Conclusie Er hoeft voor dit bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van industrielawaai.
5.8
Geur
5.8.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 5.8.2 Analyse Gezien de aard van het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld en de omgeving van het plangebied, speelt geur hier geen rol.
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
5.8.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.
Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
44
5.9.2 Analyse Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld draagt niet bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er worden maximaal 21 woningen gebouwd op de locatie van de voormalige schooltuinen aan de Tarwestraat. Dit leidt tot een extra verkeersgeneratie van 84 voertuigbewegingen (CROW, publicatie 381, zie ook paragraaf 5.13) Uit toepassing van de NIBM-tool blijkt dat dit als 'niet in betekenende mate' (NIBM) is aan te merken.
Naast bovenstaande beoordeling is ook gekeken of in de huidige situatie de luchtkwaliteit voldoende is. Hiertoe is de NSL-monitoringskaart geraadpleegd.
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
Afbeelding: uitsneden NSL-monitoringstool Uit deze kaart blijkt dat de concentraties stikstofdioxide, fijnstof en zeer fijnstof in 2020 in Purmerend niet hoger zijn dan 35 microgram per m3 . Voor fijnstof (PM2.5 concentratie) zijn de waarden niet hoger dan 20 microgram per m3 . Hiermee bevinden de concentraties stikstofdioxide en fijnstof zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 . Deze grenswaarde beoogt vooral bescherming te bieden tegen de langetermijneffecten van fijnstof. 5.9.3 Conclusie De ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan de kaders biedt draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en daarmee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde regelgeving. Ook is in het plangebied de luchtkwaliteit voldoende en levert dat ook geen belemmering op voor de voorgestane ontwikkeling. Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
5.10 Milieuzonering 5.10.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? 2. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? 3. Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? 4. Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen? Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. 5.10.2 Analyse Het onderhavige bestemmingsplan bevat geen bedrijven waar een milieuzonering op van toepassing is. Ook zijn in de nabijheid van het plangebied geen bedrijven waarvoor een milieuzonering geldt. 46
5.10.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering geen rol.
5.11 Natuurwaarden 5.11.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.
De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1.
Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9:
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.
3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden.
In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan. 5.11.2 Analyse Door Regelink Ecologie & Landschap is gebiedsbreed onderzoek uitgevoerd naar beschermde flora en fauna in de gemeente Purmerend. Bij dit onderzoek zijn in het plangebied beschermde functies en beschermd leefgebied voor vleermuizen en vogels aangetroffen. De resultaten van het onderzoek, de effecten van de ingreep en de eventueel benodigde handelingen die moeten worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten zijn beschreven in een rapport (zie bijlage 5 Notitie natuurwetgeving): Ten aanzien van de waargenomen soorten geldt het volgende: Vleermuizen: Boven en langs de watergang ten zuiden van het plangebied foerageren gewone dwergvleermuizen, watervleermuizen en meervleermuizen. Daarmee is de watergang ten zuiden van het plangebied aangewezen als onderdeel van essentieel foerageergebied van deze drie soorten.
Daarnaast zijn de bosschage om het plangebied, als ook het veld ten noordwesten van het plangebied en de groenstrook langs de noordzijde van de Gemetstraat aangewezen als onderdeel van essentieel foerageergebied voor gewone en ruige 48
dwergvleermuizen als ook laatvlieger. In een woning aan de Tarwestraat is een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen en zijn op twee andere plekken baltsende gewone dwergvleermuizen gehoord. Omdat gewone dwergvleermuizen vliegend door hun territorium baltsen al, is de exacte paarverblijfplaats vaak niet bekend. Meestal bevindt de verblijfplaats zich in het zwaartepunt of midden in het territorium. Het is zeer aannemelijk dat het paarverblijfplaats van het dier dat al roepend aan het begin van de Tarwestraat is waargenomen, het dier is dat zijn paarverblijfplaats verderop in de Tarwestraat heeft. In het plangebied bevinden zich geen gebouwen die kunnen dienen als paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. In de bestaande woningen aan de Tarwestraat zijn op vier locaties baltsende ruige dwergvleermuizen waargenomen. Ruige dwergvleermuizen baltsen vanuit hun verblijfplaats, waardoor de exacte paarverblijfplaatsen bekend zijn. Vogels: Er zijn waarnemingen gedaan van roepende ransuilen in het volkstuinencomplex bij het spoor en het naastgelegen park (bij het Kinderparadijs). Vanwege de gemiddelde grootte van een territoria van ransuil, is het plangebied aangewezen als onderdeel van het leefgebied van ransuil. In de omgeving van het plangebied werden huismussen aangetroffen, maar werden geen waarnemingen gedaan binnen het plangebied zelf.
Enkele keren vlogen huismussen over, maar deze toonde geen binding met het plangebied. Er werden geen nesten aan de achterzijde van de woonhuizen aan de Tarwestraat aangetroffen, ook werden geen stofbaden, kwetterplekken of schuilplekken aangetroffen. Dit valt in lijn met de resultaten uit de gebiedsbrede inventarisaties die in eerdere jaren werden uitgevoerd. Het plangebied vormt dan ook geen essentiële functie voor huismussen. Door de ingreep kunnen er effecten optreden. Uit de notitie blijkt dat voor de vleermuizen mitigerende maatregelen mogelijk zijn om eventuele negatieve effecten te voorkomen. Wanneer deze maatregelen worden getroffen, is een overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Het gaat daarbij onder meer om het behouden van het groen langs de watergang, geen nadelige verlichting tijdens de bouw en geen lichtverstrooiing vanuit de nieuwbouw naar de watergang. Een ontheffing Wet natuurbescherming is alleen nodig indien deze maatregelen niet, of niet afdoende, kunnen worden uitgevoerd. In dat geval dient de ontheffing voorafgaand aan de bouw te zijn verleend en dien het essentieel foerageergebied te worden gecompenseerd. Voor de ransuil zijn geen negatieve effecten te verwachten. De randvoorwaarden voor de beschermde soorten zijn zoveel mogelijk leidend in de uitwerking van het bouwplan voor het plangebied.
Wanneer de randvoorwaarden niet, of niet afdoende, kunnen worden uitgevoerd, zal voorafgaand aan de bouw een ontheffing op de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Naar aanleiding van jurisprudentie en de daaruit voortkomende gewijzigde regelgeving met betrekking tot de PAS is het voor projecten nodig om na te gaan of sprake is van significant negatieve effecten op nabijgelegen natuurgebieden. Door Buro Ontwerp en Omgeving is onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebied (zie bijlage 6 Stikstofdepositie) . Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Polder Zeevang’ dat op circa 1,9 kilometer ten noorden van het projectgebied ligt. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn het ‘Markermeer & IJmeer’ (ca. 5,4 km), ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’ (ca. 5,9 km) en het ‘Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder’ (ca. 6,5 km). Op de navolgende kaart is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven.
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
Het project heeft tijdens de aanleg- en gebruikfase geen invloed op de in de nabijheid van Purmerend gelegen Natura2000-gebieden. 5.11.3 Conclusie In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter bescherming van de in het plangebied aanwezige natuurwaarden. Gelet op het voorgaande staat de Wet natuurbescherming niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg.
5.12 Planologisch relevante leidingen 5.12.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grensen richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 5.12.2 Analyse Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen sprake van leidingen die van invloed kunnen zijn op het project. 50
5.12.3 Conclusie De wetgeving inzake planologisch relevante leidingen levert geen belemmering op voor het onderhavige bestemmingsplan.
5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Beleidskader Het onderhavige ruimtelijke plan heeft invloed op het omliggende wegennetwerk. Het plan genereert verkeer en bovendien zijn er parkeerplaatsen noodzakelijk. Het onderhavige plan mag als gevolg van deze invloed het omliggende wegennetwerk niet onevenredig nadelig beïnvloeden. Bovendien dient te worden voldaan aan de parkeernormering. 5.13.2 Analyse Verkeersgeneratie In het onderhavige plan worden maximaal 21 sociale huurappartementen toegevoegd. Dit heeft een toename van de verkeersgeneratie tot gevolg. Voor de berekening van de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren' (december 2018). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet rekening gehouden worden met: 1) de stedelijkheidsgraad van een gemeente; en 2) in welk gebied het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom'. De 21 appartementen vallen in de categorie 'huur, appartement, middel/goedkoop'. Hiervoor geldt een kencijfer van minimaal 3,2 tot maximaal 4,0 motorvoertuig bewegingen per woning. Dit geeft een verkeersgeneratie van minimaal 67,2 en maximaal 84 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dat is gemiddeld 75,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Het eigenlijke perceel is op dit moment niet ontsloten door een straat toegankelijk voor motorvoertuigen. De nabijgelegen Tarwestraat is een smalle woonstraat die aan de westkant van het terrein in een doodlopende insteek eindigt. Om ontsluiting van het plangebied mogelijk te maken wordt de aan de oostkant gelegen ventweg langs de gymzaal opgewaardeerd. Aan de oostkant van deze ventweg ligt de Grotenhuysweg. Dit is één van de belangrijke wijkontsluitingswegen in de Purmer. De toename in het aantal voertuigbewegingen is door de aanwezige wegenstructuur goed op te vangen. De Grotenhuysweg welke de verkeersbewegingen afkomstig van de nieuwe appartementen moet verwerken is gecategoriseerd met een maximale intensiteitsgrens van 7.500 mvt/etmaal. Met de toename van verkeersbewegingen als gevolg van de herontwikkeling komt de toekomstige intensiteit op circa 5.650 mvt/etmaal. Het maximum wordt daarmee niet overschreden. Het aspect verkeersgeneratie vormt derhalve geen belemmering. Parkeerbehoefte De parkeerbehoefte van het onderhavige plan is berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen 2016, vastgesteld op 26 mei 2016. De Nota Parkeernormen doorloopt een parkeertoets die moet vaststellen hoeveel parkeerplekken er nodig zijn ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich in de zone 'rest bebouwde kom'.
De maximaal 21 nieuw te bouwen appartementen vallen onder de categorie 'wonen 65 - 120 m2
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
gestapeld'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning. Voor de 21 appartementen zijn bruto 35,7 parkeerplaatsen nodig. In het aantal van 35,7 bruto benodigde parkeerplaatsen is een deel voor het parkeren van bezoek. Het aandeel bezoek bestaat uit 0,3 parkeerplaats per woning. In totaal zijn er 6,3 parkeerplaatsen bestemd voor het bezoek en zijn de overige 29,4 toegekend aan bewoners (het vast gebruik). Bij het berekenen van de netto parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met het dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Dubbelgebruik wordt toegepast omdat de gemeente zo goed mogelijk de openbare ruimte wil benutten. Bewoners zijn namelijk niet altijd op hetzelfde tijdstip thuis en bezoekers komen niet allemaal op hetzelfde moment langs. Hierdoor kunnen parkeerplaatsen optimaal benut worden. Aan dubbelgebruik zijn in de Nota parkeernormen 2016 percentages gekoppeld. Per functie verschillen de aanwezigheidspercentages. Voor de functie wonen gelden de volgende aanwezigheidpercentages:
Bron: Nota parkeernormen 2016 Met behulp van deze percentages wordt de netto parkeerbehoefte berekend.
Het maatgevende aantal parkeerplaatsen op basis van dubbelgebruik bedraagt 32 Voor de nieuwe ontwikkeling moeten ten minste 32 parkeerplaatsen worden aangelegd. Daarnaast zullen er 2 bestaande parkeerplaatsen bij de gymzaal worden opgeheven ten behoeve van fietsparkeren. Deze 2 parkeerplaatsen worden in het plangebied gecompenseerd. In de plannen voor de nieuwe situatie zijn 34 parkeerplaatsen voorgesteld, waarmee het plan voldoet aan het benodigde aantal parkeerplaatsen. Parkeren vormt geen belemmering. 5.13.3 Conclusie De bruto toename van gemiddeld 75,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal zal worden afgewikkeld via de ventweg van de Tarwestraat en de Grotenhuysweg. De toename in het aantal voertuigbewegingen is door de aanwezige wegenstructuur goed op te vangen. Het aspect verkeersgeneratie vormt derhalve geen belemmering. Het plan kent een netto parkeerbehoefte van 32 parkeerplaatsen. In totaal wordt voorzien in 34 parkeerplaatsen. Parkeren vormt geen belemmering.
52
5.14 Water 5.14.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen.
Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.14.2 Analyse Indien er meer dan 800 m² extra verharding wordt ontwikkeld op de locatie zal 10% van het geheel gecompenseerd moeten worden. Op dit moment bedraagt de verharding in het plangebied circa 275 m². Er is met de ontwikkeling op de Tarwestraat ca.