G BIJLAGE 2 - Gorslaan 10 2020 toelichting en regels
Tekst van het document
Externe veiligheid
5.5.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag.
Gorslaan 10 2020
31
5.5.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. In de nabijheid bevindt zich eveneens geen transportroute waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Op circa 560 meter van het plangebied bevindt zich een buisleiding die gezien de ruime afstand geen belemmering vormt. Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk. 5.5.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan .
5.6
Geluid
5.6.1
Wegverkeerslawaai
5.6.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/h-gebied geldt geen wettelijke geluidszone en is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.
Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting op de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Bij gebrek aan wettelijke normen kunnen uitsluitend de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader worden gehanteerd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger.
Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB.
32
Gorslaan 10 2020
Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld 5.6.1.2 Analyse Door Cauberg-Huygen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeer ten behoeve van de transformatie van het pand gelegen aan de Gorslaan 10 te Purmerend. Onderstaande resultaten zijn direct overgenomen uit dit onderzoek (Bijlage 2 Akoestisch onderzoek). De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom (binnenstedelijk). In het kader van de Wet Geluidhinder is de planlocatie gelegen binnen de geluidzone van: De Gorslaan, Churchilllaan, Purmerweg (gedeeltelijk 50 km/u) en Waterlandlaan hebben elk ter hoogte van de planlocatie 2 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 200 m zodat de planlocatie binnen de zone is gelegen van elk van de voornoemde wegen. De overige wegen rondom de planlocatie zijn uitgevoerd als 30 km/uur wegen. 30 km/uur wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening (en eventueel ten behoeve van de bouwvergunning) is het desalniettemin noodzakelijk om de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen inzichtelijk te maken. Hierbij gaat het met name om de Broekerhof en Purmerweg (gedeeltelijk 30 km/u). De voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde 63 dB (stedelijke situatie). De planlocatie is niet gelegen binnen de geluidszone van een hoofdspoorweg of gezoneerd industrieterrein. Gorslaan De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Gorslaan bedraagt 61 dB Lden inclusief aftrek. Er wordt niet overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Churchilllaan De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Churchilllaan bedraagt maximaal 55 dB Lden inclusief aftrek. Er wordt niet overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Purmerweg De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Purmerweg (50 km/u gedeelte) bedraagt maximaal 42 dB Lden inclusief aftrek. Er wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Waterlandlaan De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Waterlandlaan bedraagt maximaal 48 dB Lden inclusief aftrek.
Er wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. 30 km/u wegen De overige wegen rondom de planlocatie zijn uitgevoerd als 30 km/uur wegen. 30 km/uur wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Purmerweg (30 km/u gedeelte) bedraagt maximaal 48 dB Lden (geen aftrek). De geluidsbelasting is dus beneden of gelijk aan 48 dB (voorkeursgrenswaarde wegverkeerslawaai indien deze van toepassing zou zijn). Er vinden ter hoogte van de planlocatie overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde
Gorslaan 10 2020
33
wegverkeerslawaai plaats. Er is onderzoek gedaan naar de effecten van de cumulatie van de verschillende geluidsbronnen. Op de geluidbijdragen van het wegverkeerslawaai wordt de aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder niet toegepast. De 30 km/u wegen zijn in de berekening meegenomen. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden ten gevolge van wegverkeer op de Gorslaan en Churchilllaan. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Voor die onderdelen van het plan waarbij de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai boven de voorkeurgrenswaarde maar niet boven de maximale ontheffingswaarde ligt, zullen hogere waarden worden aangevraagd. Maatregelen ter reductie van het geluid ten gevolge van de relevante geluidbronnen zijn in relatie tot het onderhavige project vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, niet realiseerbaar. Het is realistisch om hogere waarden aan te vragen voor de in het plan opgenomen woningen ten opzichte van wegverkeer op de Gorslaan en Churchilllaan. 5.6.1.3 Conclusie Aangezien de voorkeursgrenswaarden ten gevolge het wegvekeer op de Gorslaan en Churchilllaan wordt overschreden dient een hogere waarde procedure doorlopen te worden, welke aangevraagd dient te worden bij het College van Burgermeester en Wethouder (B&W). 5.6.2
Spoorweglawaai
5.6.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 5.6.2.2 Analyse Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 5.6.2.3 Conclusie Er hoeft bij de voorgenomen ontwikkeling geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai.
5.7
Luchtkwaliteit
5.7.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of;
34
Gorslaan 10 2020
het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is.
Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.
Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 5.7.2 Analyse De nsl-monitor is geraadpleegd om de achtergrondconcentraties ter plaatse van de projectlocatie te bepalen. De grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 ter plaatse van de projectlocatie van stikstofdioxide NO2 bedraagt 17,94 µg/m3, van fijnstof PM10 19,24 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 10,841 µg/m3. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Tabel 1. Achtergrondconcentraties
NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied.
5.7.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het milieuaspect vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
Gorslaan 10 2020
35
5.8
Milieuzonering
5.8.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? 2. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? 3. Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? 4. Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen? Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. Het vigerende bestemmingsplan 'De Gors e.o. 2010' hanteert de systematiek van functiemenging. In gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Voor een dergelijk gebied wordt een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging gehanteerd. Daarin zijn categorieën opgenomen die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Richtafstanden zijn niet van toepassing.
Categorie A bedrijven zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B bedrijven zijn toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; Categorie C bedrijven zijn toelaatbaar indien zij beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Bedrijven in categorie C zijn toelaatbaar indien: het gaat om kleinschalige, voornamelijk ambachtelijke bedrijvigheid; de productie- en/ of laad- en loswerkzaamheden plaatsvinden in de dag- en avondperiode; en de activiteiten inclusief opslag hoofdzakelijk inpandig gescheiden. 5.8.2 Analyse Het initiatief voorziet enkel in de realisatie van woningen ter plaatse van het plangebied. Naast het plangebied zijn kantoren gelegen die behoren tot categorie A zoals hierboven beschreven. Dergelijke bedrijvigheid wordt als gevolg van het plan niet belemmerd. 5.8.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering geen rol.
5.9
Natuurwaarden
5.9.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun
36
Gorslaan 10 2020
directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.
Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden.
De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden.
De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt
Gorslaan 10 2020
37
dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan.
5.9.2 Analyse Ten behoeve van deze ontwikkeling is door Ecologie op Maat een ecologische quickscan uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden in het projectgebied (Bijlage 3 Quickscan ecologie. Bij het opstellen van deze quickscan is de volgende informatie verzameld en gebruikt: Het Natuurloket; Zoogdieratlas; Waarneming.nl. Door ecologisch advies en onderzoeksbureau Van der Goes en Groot is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Bijlage 4 Stikstofdepositieberekening). De bevindingen van beide rappotages worden hieronder weergegeven. Locatieonderzoek Het onderzoek is uitgevoerd op vrijdag 7 februari 2020 waarbij de locatie is onderzocht. Deze dag was het bewolkt en ca 8 graden C. Er was geen neerslag. Het beperkte groen is niet geschikt voor de Huismus, Heggemus, en overige soorten die al dan niet jaarrond beschermd zijn. Voor overige (zoog)dieren is het perceel ook minder geschikt. Zo is er bijna geen groen aanwezig, zijn daken niet geschikt voor verblijfplaatsen en zijn er nagenoeg geen open delen in de muren. De aanwezige openingen zijn onderzocht of deze mogelijk kunnen worden gebruikt door vleermuizen of marters maar dit was niet het geval. Door de aanwezigheid van (onaangetaste) spinnenwebben en de afwezigheid van sporen kan dit worden uitgesloten.
Het gebouw zelf is nauwkeurig onderzocht met een hoogtecamera, en uit deze opname bleek dat ook het gebouw niet wordt gebruikt door vleermuizen. Het gebouw is ook minder geschikt voor huisvesting van vleermuizen. Uit nader onderzoek blijkt dat de spouw helemaal niet toegankelijk is voor vleermuizen, aangezien de detaillering zo is uitgevoerd dat er geen open verbinding is met de spouw. De stootvoegen zijn alleen te vinden boven de betonelementen (detail 25 en 12) van de originele omgevingsvergunning. Zowel op tekening als op locatie is dit gecontroleerd. Onderzoek van de voegen heeft het volgende aangetoond: Spinnenwebben in alle stootvoegen, voegengeheel gesloten Voegen niet geheel uitgekrabt (wigvormig) Geen doorgang naar spouw, na het metselwerk wordt gestuit op een harde achtergrond, conform de detaillering lood. Conclusie
38
Gorslaan 10 2020
Het perceel herbergt geen beschermde natuurwaarden en de werkzaamheden kunnen zonder bezwaar worden uitgevoerd. Wel dient de zorgplicht uit artikel 1.11 Wet Natuurbescherming in acht te worden genomen. Dit houdt in dat wanneer tijdens werkzaamheden toch blijkt dat zich (mogelijk) beschermde soorten in het groen bevinden, direct maatregelen dienen te worden getroffen om verstoring tegen te gaan. Extra Aanbevelingen Broedperiode Indien verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen gaan plaatsvinden, dient zeker te zijn dat er geen broedgevallen binnen de invloedsfeer van deze werkzaamheden aanwezig zijn. Richtlijn voor de broedperiode voor vogels is 15 maart t/m 15 juli. Zorgplicht Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming dient bij de bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor alle in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Gebiedsbescherming De projectlocatie is gelegen op circa 3 km van het Natura 2000-gebied Polder Zeevang. Met inachtneming van uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1603 van Raad van State d.d. 29 mei 2019, is het Programma Aanpak Stikstofdepositie (PAS) onverbindend verklaard. In het verlengde hiervan heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 16 september 2019 een herziene rekentool 'Aerius Calculator' beschikbaar gesteld.
In de berekening wordt de projectbijdrage door Aerius op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook vegetaties of Natura 2000- gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen 'stikstofgevoelige habitattypen' (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00. Door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is een stikstofdepositieberekening in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. De resultaten worden hieronder weergegeven. Figuur 13. Uitsnede synbios.alterra.nl
(afstand tot projectlocatie tot Polder Zeevang).
Aanlegfase De stikstofemissies tijdens de aanlegfase zijn toe te wijzen aan twee bronnen. Het betreft verkeersaantrekkende werking en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwsite. De aanlegfase zal ongeveer een jaar in beslag nemen. Omdat de precieze uitvoer van de plannen niet bekend is, is gedeeltelijk gerekend met zogenaamde 'worst-case' aannames. Verkeersaantrekkende werking De verkeersaantrekkende werking van de aanlegfase bestaat uit transport van materialen en personen (bouwvakkers). Het verkeer is gemodelleerd tot het eerste knooppunt/aansluiting op de doorgaande weg, in dit geval de aansluiting op de A7 met naar beide kanten 200 meter extra voor optrekken en
Gorslaan 10 2020
39
afremmen. Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld, omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rijen stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De verkeersaantrekkende werking bestaat uit: Transport personeel: tien ritten met licht verkeer per dag, gedurende een jaar, wordt gemodelleerd als twintig ritten. Aanvoer bouwmaterieel en bouwmaterialen: één rit met zwaar verkeer per dag, gedurende een jaar, wordt gemodelleerd als twee ritten. Mobiele werktuigen De belangrijkste werkzaamheden waarbij stikstof vrij komt, betreffen sloopwerk en afvoer van het dak, hijswerk t.a.v. prefab constructiedelen, productie/aanvoer van beton op locatie t.b.v. vloeren en fundering. Voor het gebruik van mobiele werktuigen zijn de machines en draaiuren genomen die zijn vermeld in figuur 11. Er wordt uitgegaan van de inzet van materieel van stageklasse IIIB of nieuwer. Figuur 14. Uitsnede stikstofdepositieberekening. Geschatte materiaalinzet en geproduceerde stikstof in de aanlegfase op basis van de invoer van bouwjaar in Aerius of met stageklasse in het Emissiemodel Mobiele Machines (EMMA).
Gebruiksfase Er wordt bij de berekening met betrekking tot gebruik uitgegaan van 57 sociale huurappartementen. De bebouwing wordt gasloos en zonder andere stookinstallaties aangelegd, zodat hier van emissie geen sprake is en alleen de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking wordt berekend. Bij de bepaling van het aantal verkeersbewegingen per woning per dag is bij het project uitgegaan van huur 'appartement midden/goedkoop (incl. sociale huur), ligging 'sterk stedelijk', 'centrum' en 'maximale verkeersgeneratie'. Deze komt dan op 57x2,6(*1,11)= 164,502 vervoersbewegingen per dag (CROW 2018). Het betreft zowel heen- als terugreizend verkeer. De kencijfers van het CROW zijn hierbij (worst-case) gemodelleerd voor een werkdag door deze te vermenigvuldigen met 1,11. Gezien het gebruik van de woningen wordt dit verkeer in de 'lichte verkeerscategorie' gemodelleerd. Het verkeer is gemodelleerd tot het eerste knooppunt/aansluiting op de doorgaande weg, in dit geval de aansluiting op de A7 met naar beide kanten 200 meter extra voor optrekken afremmen. Deze modellering is in lijn met een algemeen criterium voor verkeer aantrekkende werking van wegverkeer dat de gevolgen voor het milieu van dit verkeer niet meer aan het nieuwe project kunnen worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het “heersende verkeersbeeld”.
5.9.3 Conclusie Uit de uitgevoerde quickscan van Ecologie op Maat, blijkt dat in het plangebied geen vleermuizen kunnen verblijven. Desalniettemin wordt voorzien in de aanleg van gierzwaluwkasten en worden vleermuiskasten opgehangen. Op grond van de stikstofdepositieberekeningen blijkt dat op alle rekenpunten de projectbijdrage van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse
40
Gorslaan 10 2020
voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000- gebieden in gevaar zouden kunnen komen.
5.10
Verkeer en parkeren
5.10.1 Beleidskader Het onderhavige ruimtelijke plan heeft invloed op het omliggende wegennetwerk. Het plan genereert verkeer en een parkeerbehoefte. De ontwikkeling mag het omliggende wegennetwerk niet onevenredig nadelig beïnvloeden. Daarnaast dient het plan een parkeeroplossing te bieden. 5.10.2 Analyse Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet in de rekentool aangegeven worden wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom'. In de huidige situatie kent de projectlocatie de bestemming 'Gemengd - 3'. Hierbinnen zijn bedrijven toegestaan voor zover deze voorkomen in de categorie A en B van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorziening. Het gehele pand is in de huidige situatie ingericht als kantoor (drie verdiepingen) en bestaat uit 2.603,5 m2 bvo verdeeld over 761 m2 begane grond, 1e en 2e verdieping bedragen 759 m2 bvo en de 3e verdieping bestaat uit 324,5 m2 bvo.
De planologische verkeersgeneratie bedraagt in de huidige situatie 251 motorvoertuig-bewegingen per etmaal. In de toekomstige situatie worden 57 huurappartementen gerealiseerd. De verkeersgeneratie in de toekomstige situatie bedraagt op basis van de CROW-tool 277 motorvoertuigbewegingen per etmaal (worst case op een gemiddelde weekdag). Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van 26 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Figuur 15. Verkeersgeneratie van het plan (bron: CROW-rekentool).
5.10.3 Conclusie verkeersgeneratie De projectlocatie is gelegen aan de Gorslaan. Een toename van 26 motorvoertuigbewegingen per etmaal is beperkt en zal, net als in de huidige situatie, worden afgewikkeld via de Gorslaan en Churchilllaan. Dit zijn gebiedsontsluitingswegen die voldoende capaciteit hebben om het extra verkeer zonder problemen te kunnen afwikkelen. Het aspect verkeersgeneratie vormt derhalve geen belemmering.
Gorslaan 10 2020
41
Figuur 16. Wegenstructuur Gorslaan 10.
5.10.4 Analyse parkeren De parkeerplaatsen op het eigen terrein van Gorslaan 10 worden gereserveerd voor bezoekers. Uitgaande van een norm van 0,3 bezoekersparkeerplaatsen per woning resulteert dat (naar boven afgerond) in 18 noodzakelijke parkeerplaatsen (0,3 x 57 sociale huurappartementen). Daarnaast wordt onderzocht of het faciliteren van de bewoners van Gorslaan 10 met een deelauto op eigen terrein mogelijk is. In dat geval worden 19 parkeerplaatsen gerealiseerd. Indien een deelauto niet mogelijk is, wordt deze parkeerplaats tevens bestemd voor bezoekers. De verhuurder wijst haar potentiële huurders er van te voren op dat de sociale huurwoningen aan de Gorslaan 10 worden verhuurd zonder bewonersparkeerplaatsen op eigen terrein (met uitzondering van een eventuele parkeerplaats voor een deelauto) en dat de betreffende bewoners bij de invoering van parkeerregulering niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Dit wordt geborgd via een aanvulling op de anterieure overeenkomst. Tevens wordt via een aanvulling op de anterieure overeenkomst geborgd dat bestaande gevestigde erfdienstbaarheid voor het medegebruik van het parkeerterrein van de VvE Broekerhof wordt beëindigd. Het medegebruik van het parkeerterrein wordt gestaakt op het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Medewerking aan het beëindigen van de erfdienstbaarheid en het staken van het medegebruik wordt privaatrechtelijk geborgd. Erfdienstbaarheid voor het medegebruik van het parkeerterrein van Burghuizen BV is reeds beëindigd. 5.10.5 Conclusie parkeren Met deze parkeeroplossing wordt de parkeerbehoefte volledig opgelost op het terrein van de Gorslaan 10 en niet gedeeltelijk afgewenteld op de directe omgeving. De toekomstige huurders worden van tevoren gewezen op het ontbreken van bewonersparkeerplaatsen op eigen terrein (met uitzondering van de inzet van een eventuele deelauto voor de huurders) en het feit dat zij bij de invoering van parkeerregulering niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. Mede gelet op deze tijdige communicatie over het parkeren in de richting van potentiële huurders acht ons gemeentebestuur de aangedragen parkeeroplossing aanvaardbaar, ook bij het niet haalbaar blijken van de deelauto voor de huurders.
42
Gorslaan 10 2020
5.10.6 Algehele conclusie De aspecten verkeersgeneratie en parkeren vormen geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
5.11
Water
5.11.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen.
Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water.
Gorslaan 10 2020
43
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.11.2 Analyse Binnen de projectlocatie zijn geen beschermingszones en/of watergangen aanwezig.
In verband met de waterkwaliteit dient bij de beoogde verhoging van het bestaande pand geen uitloogbare materialen te worden toegepast die in contact kunnen komen met het hemelwater. De projectlocatie is in de bestaande situatie reeds verhard. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling vindt geen extra verharding plaats. Ter plaatse kan gebruik gemaakt worden van de reeds aanwezige riolering. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling die middels onderhavig rapport mogelijk gemaakt dient te worden. Figuur 21. Uitsnede legger Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
5.11.3 Conclusie Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling die middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk gemaakt dient te worden.
44
Gorslaan 10 2020
5.12
Milieu-effectrapportage
5.12.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.
Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. 5.12.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.
D.11.2
Activiteiten Gevallen De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit betrekking of uitbreiding van een heeft op: stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of meer, ontwikkelingsproject, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of met inbegrip van de meer woningen omvat, of bouw van 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 winkelcentra of m2 of meer. parkeerterreinen.
Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Dit betekent dat het verplicht is een vormvrije mer-beoordelingsplicht uit te voeren. De inhoudelijke vereisten voor deze beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn mer. Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. De initiatiefnemer heeft een aanmeldnotitie (Bijlage 5 Aanmeldnotitie) opgesteld waarin deze aspecten aan de orde komen. Uitkomst van de aanmeldnotitie is dat belangrijke nadelige gevolgen in het kader van het Besluit m.e.r. voor het milieu niet te verwachten zijn (zie tevens de in deze toelichting beschreven milieu-aspecten). Het bevoegd gezag zal hierover een besluit nemen.
Gorslaan 10 2020
45
5.12.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een mer op te starten.
46
Gorslaan 10 2020
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
6.1
Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid
Er zijn geen privaatrechtelijke belemmeringen op het pand gevestigd.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.3.1 Omgevingsparticipatie Op 14 september 2020 is er door de ontwikkelaar, Gemeente Purmerend en de architect een avond georganiseerd waar de omwonenden en de gebruikers van de omliggende percelen de plannen konden inzien. Vanwege de maatregelen door de COVID-19 protocollen was een inloopavond niet gewenst, maar is dit opgelost door een groot gebied te voorzien van specifieke uitnodigingen. De bewoners/belanghebbenden konden via de E-mail aangeven of zij wilden komen op de avond. Waarna door de architect de tijden zijn ingepland, zodoende een gelijkmatige opkomst te verkrijgen. Dit alles heeft er toe geleid dat er op de avond 19 personen zijn geweest, welke zich allemaal hadden aangemeld via de E-mail. In totaal zijn de volgende adressen benaderd.
Gorslaan 10 2020
47
Figuur 22. Weergave omliggende benaderde adressen.
Tijdens de avond hebben de bezoekers gelegenheid gekregen om vragen te stellen, uitleg hierover te verkrijgen en hun mening op te schrijven. De vragen/cq meningen zijn van alle bewoners terug te herleiden naar vier kernpunten: 1. Zorgen over parkeren 2. Zorgen betreffende de Franse balkons aan de zijgevel t.p.v. VVE Purmerweg 78 3. Zorgen omtrent de inkijk vanuit de ramen behorende bij het project. 4. Zorgen over de inkijk vanaf het dakterras Naar aanleiding van deze punten is door het projectteam een reactie geformuleerd met antwoorden en oplossingen. Oplossingsrichtingen/reactie: 1. Het parkeren wordt geheel opgelost op eigen terrein, hier is in de ruimtelijke onderbouwing een berekening voor opgenomen. 2. De Franse balkons worden omgezet naar ramen, zodoende dit punt op te lossen. 3. De ramen behorende bij het project kijken uit op het openbaar gebied/straat of op eigen terrein. Er is geen situatie waar de ramen direct grenzen aan het terrein van belanghebbenden. Overal zit een straatprofiel tussen. 4. Door de plaatsing van het dakterras 5 meter vanaf de dakrand is het onmogelijk om direct in de tuin te kijken van het naastgelegen perceel VVE Purmerweg 78. Met de aanwezige buurtbewoners is ook afgesproken om de reacties en antwoorden naar hun te mailen, om hun zo optimaal mogelijk te informeren in het vergunningen traject.
6.3.2 Wettelijk vooroverleg Het concept ontwerp-bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 Bro alleen naar het hoogheemraadschap opgestuurd, omdat de belangen van de overige instanties niet in het geding zijn. De vooroverlegreactie van het Hoogheemraadschap heeft ertoe geleid dat om een nadere invulling aan klimaatadaptie mogelijk te maken een waterberging en waterhuishoudkundige voorziening zijn toegevoegd aan artikel 3.1 onder c.
48
Gorslaan 10 2020
6.3.3 Overleg ingevolge artikel 3.8 Wro Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze afdeling bevat bepalingen rond de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Gorslaan 10 2020' heeft - gecoördineerd met het ontwerpbesluit hogere waarden geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai en de ontwerpomgevingsvergunning - ter inzage gelegen van maandag 21 december 2020 tot en met maandag 1 februari 2021. Gedurende die termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen omtrent de ontwerp-besluiten. Dit is gemeld in een publicatie op 17 december 2020 in de Staatscourant, in het Purmerends Nieuwsblad en op de gemeentelijke website. Een aantal personen heeft een zienswijze ingediend. In de Nota van zienswijzen, bijlage bij dit bestemmingsplan, wordt op deze zienswijzen ingegaan. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan (naar aanleiding van de alternatieve parkeeroplossing worden de toelichting en de regels aangepast) en aanpassing van de omgevingsvergunning (naar aanleiding van de alternatieve parkeeroplossing en het gewijzigd dakterras worden de tekeningen aangepast).
Voor het overzicht van de ambtshalve aanpassingen ten opzichte van de ontwerp-besluiten wordt verwezen naar bijlage C van de Nota van zienswijzen.
Gorslaan 10 2020
49
50
Gorslaan 10 2020
Hoofdstuk 7
Juridische planbeschrijving
Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.
7.1
Planvorm
Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Gezien het gewenste behoud van de ruimtelijke en functionele structuur en de mate van ontwikkeling is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft omtrent de in acht te nemen horizontale en verticale maten. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn.
Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis.
7.2
Bestemmingsregeling
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe functie in het plangebied gerealiseerd. De van toepassing zijnde regeling is hieronder nader toegelicht. 7.2.1 Algemeen De artikelen 1 en 2 (begrippen en wijze van meten) als ook de artikelen 6, 7, 9, 10 en 11 zijn geheel in lijn met de artikelen die over deze onderwerpen zijn opgenomen in de standaard van de gemeente. Voor artikel 8 (algemene gebruiksregels) geldt dat is afgeweken van de gemeentelijke standaard. 7.2.2 Verkeer De bestemming 'Verkeer -2' wordt toegekend aan wegen met een verkeers- of verblijfsfunctie. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan, zoals parkeren. Deze bestemming is opgenomen om te duiden hoe het plangebied ontsloten wordt. 7.2.3 Wonen Dit artikel regelt de zgn. woonbestemming binnen het plangebied en geeft daarbij invulling aan de bouwen gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsvlak "Wonen". Aan-huis-verbonden beroepen, (kleinschalige) bedrijvigheid zijn toegestaan, zolang de woonfunctie in overwegende mate aanwezig blijft en er geen onevenredige hinder voor de omgeving optreedt. Dit bestemmingsvlak is volgens de verbeelding begrensd tot het plangebied. Dit artikel impliceert verder de maximaal toegestane bouwhoogte, zoals nader op de verbeelding vermeld.
Gorslaan 10 2020
51
7.2.4 Archeologie Gebieden die op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, bijlagen van de Beleidsnota Archeologie in Purmerend (2009) zijn aangewezen als gebieden met een middelhoge of hoge archelogische verwachtingswaarde, worden beschermd via de dubbelbestemming 'Waarde- archeologie'. 7.2.5
Algemene regels
7.2.5.1 Anti-dubbelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven. 7.2.5.2 Algemene bouwregels In dit artikel worden regels gegeven voor bouwwerken die op twee of meer bestemmingen van toepassing zijn. 7.2.5.3 Ondergrondse bouw De regels die van toepassing zijn op bovengrondse bouw zijn ook van toepassing op ondergrondse bouw. Het onderhavige bestemmingsplan verbindt daar de regel aan dat qua diepte ondergrondse bouw beperkt moet blijven tot ten hoogste één bouwlaag. 7.2.5.4 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan. Bij het bouwen of aanleggen van een nieuwe functie of voorziening moet in principe op eigen terrein gezorgd worden voor voldoende parkeerplaatsen. In onderhavig plan is in paragraaf 5.10 Verkeer en parkeren een onderbouwing gegeven van de parkeerbehoefte van voorliggend plan.
7.2.5.5 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. 7.2.5.6 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.
52
Gorslaan 10 2020
Bijlagen bij de toelichting
Gorslaan 10 2020
53
Bijlage 1 Bezonningsstudie
54
Gorslaan 10 2020
PROJECT: FASE: ONDERWERP: DATUM:
Herontwikkeling Gorslaan 10 DO- ontwerp
LOCATIE: NR:
Gorslaan 10 Purmerend 2017-188
Bezonningsstudie 12-08-2020
PAGINAS:
13
© Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
Bestaande bebouwing
Nieuwe Bebouwing
13 maart ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
10:00 uur
BOVENAANZICHT
© Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
Bestaande bebouwing
Nieuwe Bebouwing
13 maart ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
10:00 uur
ISOMETRIE
© Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
Bestaande bebouwing
Nieuwe Bebouwing
13 juni ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
10:00 uur
BOVENAANZICHT
© Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
Bestaande bebouwing
Nieuwe Bebouwing
13 juni ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
10:00 uur
ISOMETRIE
© Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
Bestaande bebouwing
Nieuwe Bebouwing
13 september ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
10:00 uur
BOVENAANZICHT
© Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
Bestaande bebouwing
Nieuwe Bebouwing
13 september ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
10:00 uur
ISOMETRIE
© Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
13 juni
13 maart
13 september
ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
10:00 uur
BOVENAANZICHT
nieuwe situatie © Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
13 juni
13 maart
13 september
ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
10:00 uur
ISOMETRIE
nieuwe situatie © Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
13 juni ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
BOVENAANZICHT
10:00 uur nieuwe situatie © Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
13 juni ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
ISOMETRIE
10:00 uur nieuwe situatie © Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
13 december ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
BOVENAANZICHT
10:00 uur nieuwe situatie © Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl
BTW-nr: 8118.09.389.B01 K.v.K. te Hoorn nr: 36048194 RABOBANK 35.69.19.005
13 december ZONNESTUDIE
16:00 uur
13:00 uur
ISOMETRIE
10:00 uur nieuwe situatie © Copyright EWP Purmerend
EWP Purmerend B.V. Telefoon (0299) 42 46 35 Stationsweg 64 E-mail: info@ewp.nl 1471 CM Kwadijk Internet: www.ewp.nl