CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

G -bestemmingsplan-beemsterbuiten-ca

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Beemsterbuiten20.598 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De verontreiniging boven de I-waarde is aanwezig vanaf 0,5 m-mv tot maximaal 2,0 m-mv. In totaal is

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

in dat geval circa 28 m³ (circa 50 ton) verontreinigde grond boven de I-waarde op het perceel aanwezig. De verontreiniging is in noordelijke richting niet afgeperkt. Grondwater Het grondwater in één peilbuis is maximaal licht verontreinigd met tolueen. In een andere peilbuis is het grondwater sterk verontreinigd met som DDD/DDE/DDT. Het grondwater is verder met geen van de andere onderzochte parameters verontreinigd. Daarnaast is ter plaatse van één van de boringen het grondwater maximaal licht verontreinigd met aromatische verbindingen (benzeen, tolueen, xylenen en/of naftaleen). Conclusie Aangezien op de locatie meerdere sterke verontreinigingen aanwezig zijn, zijn ten behoeve van de voorgenomen bouwwerkzaamheden zowel financieel als procedureel belemmerende factoren aanwezig. Uit informatie van deskundigen blijkt dat de saneringskosten naar schatting circa 135.000 euro exclusief BTW zullen bedragen en daarmee geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het plan. In het bodemonderzoek wordt een aantal aanbevelingen gedaan voor nader onderzoek en voor de sanering. Hiervoor dient een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen) te worden opgesteld. De BUS-melding dient vervolgens ter goedkeuring overlegd te worden aan het bevoegd gezag.

Indien de bodemverontreiniging in de toekomstige situatie 'onaangetast' blijft, behoeft er formeel gezien (uitgaande van het ontstaan van de verontreiniging voor 1987) geen sanerende maatregel genomen te worden met als voorwaarde dat de verontreiniging niet als spoedeisend wordt beschouwd.

4.3

Luchtkwaliteit

In 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Met deze wet zijn luchtkwaliteitseisen verankerd in de Wet milieubeheer. Er is een andere wijze van toetsing van bouw- en bestemmingsplannen opgenomen. Zo dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Als een bouwproject voldoet aan de gestelde criteria voor de schaalgrootte van het plan (minder dan 1.500 woningen of 100.000 m2 kantooroppervlakte) dan hoeft er niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Omdat er in het plangebied het aantal woningen met 17 toeneemt, kan worden geconcludeerd dat uit het oogpunt van het 'Wet luchtkwaliteit' er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2020, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (13,7 microgram per m³) en fijn stof (15,5 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (7,9 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden. 28

Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen knelpunt voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen.

4.4

Geluid

In de Wet geluidhinder zijn geluidhindernormen voor toelaatbare equivalente geluidniveaus opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrie. De geluidhindernormen gelden voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidzone van een (spoor)weg of gezoneerd industrieterrein. Een geluidzone is een aandachtsgebied aan weerszijden van een (spoor)weg en rondom een industrieterrein waarbinnen de geluidhindernormen van de Wet geluidhinder van toepassing zijn. In het algemeen geldt dat in een bestemmingsplan alleen aandacht aan geluid besteed moet worden voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder dat vereist (artikel 3.3.1 Bro). Aan de Zuiderweg is uitsluitend sprake van wegverkeerslawaai. Volgens artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) is het nodig akoestisch onderzoek te verrichten naar (nieuwe) woningen die in een geluidszone vallen. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van: woonerven; 30 km/uur-gebieden. De breedte van de geluidszone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). In het buitenstedelijk gebied geldt hiervoor een zone van 250 meter aan weerszijden van de weg.

De Zuiderweg en de Nekkerweg zijn wegen met één rijstrook en behoren in de zin van de Wet geluidhinder tot het buitenstedelijk gebied. Derhalve is akoestisch onderzoek5 te worden uitgevoerd. De maximumsnelheid op de Zuiderweg en de Nekkerweg bedraagt 60 kilometer per uur. Het plangebied ligt op ongeveer 830 meter vanaf de A7 en daarmee ruimschoots buiten de geluidszone van 600 meter van die weg. In de Wet geluidhinder is vastgelegd dat de geluidbelasting op de gevel niet meer mag bedragen dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, danwel een door burgemeester en wethouders vast te stellen hogere grenswaarde. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de maximale geluidsbelasting als gevolg van de Nekkerweg maximaal Lden=43 dB en van de Zuiderweg maximaal Lden=30 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt derhalve niet overschreden.

4.5

Externe veiligheid

Bij de externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, transportroutes of buisleidingen.

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het BEVI heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaardbare maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Het doel wordt in het BEVI vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Er is voor gekozen om de norm voor het groepsrisico als oriëntatiewaarde te handhaven, zij het met een nadrukkelijke verantwoordingsplicht. Door de afwezigheid van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen in de directe omgeving (bron: www.risicokaart.nl) van het bouwplan, voldoet de ontwikkeling aan de eis voor het plaatsgebonden risico (artikel 5 van het BEVI). Het plangebied ligt op ongeveer 830 meter vanaf de A7 en ligt derhalve ruim buiten het invloedsgebied van dit wegtracé.

30

Afbeelding 9: Fragment risicokaart. De Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland heeft aangegeven dat de kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen op de A7 klein is, maar dat de gevolgen kunnen groot kunnen zijn. Over de A7 worden gevaarlijke stoffen zoals LPG, benzine en giftige stoffen vervoerd. Bij een aanrijding met een tankauto kunnen deze stoffen vrijkomen. Alleen bij het ongevalscenario waarbij giftige stoffen vrijkomen en een toxische wolk vormen kunnen de effecten het perceel Nekkerweg 72 bereiken. De Veiligheidsregio adviseert daarom: de woningen te voorzien van een afschakelbare ventilatie; gerichte risicocommunicatie aan de bewoners over externe calamiteiten en bijbehorende handelingsperspectieven; zorg te dragen voor een adequate bluswatervoorziening en een goede bereikbaarheid in het plangebied. Uit het oogpunt van externe veiligheid is er evenwel geen belemmering voor de realisatie van het plangebied.

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

4.6

Ecologie

Per 1 januari 2017 is de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur in Nederland wordt door de Wnb beschermd vanuit twee invalshoeken: bescherming van gebieden en bescherming van soorten. In de Wnb blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan de Ecologische hoofdstructuur (EHS) / het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap. Onder de Wet natuurbescherming vervallen de voormalige tabellen 1, 2 en 3 (Flora- en faunawet) waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

Om te bepalen of kan worden voldaan aan de Wet natuurbescherming is ecologisch onderzoek6 uitgevoerd. Gebiedsbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000-gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) opgenomen. Het Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naam voor deze gebieden is "Natura 2000-gebied". Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2.1 kilometer ligt het Natura 2000-gebied Wormeren Jisperveld & Kalverpolder. Het plangebied ligt op een afstand van circa 700 meter ten noorden van het Natuurnetwerk Nederland.

In verband met de planontwikkeling is een stikstofonderzoek7 uitgevoerd om de stikstofemissie op dit Natura2000-gebied tijdens de aanleg- en gebruiksfase te berekenen. Uit de berekeningen is gebleken dat in de tijdelijke sloop- en aanlegfase de stikstofdepositiewaarde niet hoger zal liggen dan 0,00 mol/ha/jaar. Uit de berekening blijkt ook dat in de gebruiksfase de depositie niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar zal bedragen. Stikstofemissie vormt derhalve geen belemmering voor de planontwikkeling. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de 32

omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. De wettelijke gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Soortenbescherming n het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling is de mogelijke functie van het plangebied onderzocht8 op de aanwezigheid van marterachtigen, uilen en vleermuizen. In het onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen zijn individuen en sporen van steenmarter aangetroffen binnen het plangebied. Er is binnen het plangebied een verblijfplaats van de steenmarter aanwezig. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming artikel 3.10, lid 1. Ten aanzien van steenmarter is derhalve een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet benodigd voor boommarter en kleine marterachtigen. Tijdens het onderzoek is 1 zomer-, en 1 paarverblijfplaats van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de schuur in het plangebied een functie heeft voor de gewone dwergvleermuis als zomerverblijfplaats. Deze verblijfplaats wordt bij de beoogde ingreep weggenomen.

Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen 1 verblijfplaats). Er dient ten aanzien van gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de bebouwing met een vleermuisverblijfplaats gesloopt kunnen worden. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten en roestplaats van de kerkuil en naar roestplaats van de ransuil. Ransuilen zijn niet waargenomen tijdens het onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn geen bezette nesten van kerkuil gevonden. Tijdens de onderzoeken is wel een roestplaats van kerkuil vastgesteld in de bebouwing binnen de planlocatie. De sloop van de bebouwing leidt derhalve tot het wegnemen van een roestplaats van de kerkuil. De beoogde sloop leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daardoor noodzakelijk. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er zijn in geen nesten van vogelsoorten aangetroffen binnen het plangebied.

Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen. De benodigde ontheffingen kunnen door het bevoegd gezag onder voorwaarden worden verleend. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (marterachtigen: er is sprake van een ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, kerkuil: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

zouden kunnen worden. Te treffen maatregelen Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) dient gefaseerd te worden verwijderd. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Ook wordt aan andere dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, gelegenheid gegeven te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Vooraf dient vastgesteld te worden of de vijverpartij in de tuin nog vissen bevat. Bij aanwezigheid van vissen dienen deze in het kader van de Algemene zorgplicht voor het dempen van de vijver overgeplaatst te worden naar een ander watersysteem. Het heeft de voorkeur het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. Voor de rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijvoorbeeld aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijden kunnen vervullen. Kap- en sloopwerkzaamheden dienen te worden opgestart of uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart tot en met medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Conclusie In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de ontwikkelingen aan de Nekkerweg 71/72 te Zuidoostbeemster uitvoerbaar zijn, zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

34

4.7

Milieuzonering

Algemeen In het bestemmingsplan staat het begrip "een goede ruimtelijke ordening" centraal. Ook het milieubeleid beoogt handhaving en bevordering van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Om dit te realiseren wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Milieuzonering heeft met name betrekking op milieuaspecten die een ruimtelijke dimensie hebben, te weten geur, stof, geluid en gevaar. Om de gemeenten een handreiking te bieden voor een verantwoord inpassen van bedrijvigheid of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de VNG de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld, die voor het eerst in 1986 verscheen en voor het laatst in 2009 is geactualiseerd. De milieuzonering wordt bepaald aan de hand van de richtafstandenlijst en omgevingstypen. In de richtafstandenlijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. De categorie 1 staat voor de laagste potentiële milieubelastingen en de categorie 6 staat voor de hoogste potentiële milieubelasting. Het hoekperceel Nekkerweg 71/72 houdt de bedrijfsbestemming. De milieucategorie wordt verlaagd van 3.2 naar 2.

Voor milieucategorie 2 geldt in rustig buitengebied een richtafstand van 30 meter en in gemengd gebied is die richtafstand 10 meter. Deze afstanden worden gemeten tussen de gevel van de gevoelige functie (dichtstbijzijnde woning) en de bestemmingsgrens van de bestemming "Bedrijf". Aan die richtafstand wordt niet voldaan. Bij het beoordelen van de milieubelasting in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan dient volgens vaste jurisprudentie te worden uitgegaan van een representatieve invulling van hetgeen planologisch maximaal mogelijk is. Dat volgt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:340). Een representatieve invulling van het hoekperceel Nekkerweg 71/72 – waar thans een onderzoeksbureau is gevestigd – is qua milieubelasting op de woningen in de omgeving beduidend minder ingrijpend dan de bedrijfstypen in milieucategorie 3.2, die volgens het vigerende bestemmingsplan is toegestaan, maar ook dan milieucategorie 2 die volgens het onderhavige bestemmingsplan maximaal is toegestaan. Voor de (uitbreidings)mogelijkheden van een bedrijf op deze locatie is de woning aan de Zuiderweg 58 bepalend omdat deze veel dichter bij dit perceel is gesitueerd dan de woningen in het onderhavige plangebied. Voor deze woning staat het woon- en leefklimaat niet ter discussie.

Voor een beoordeling van de te verwachten milieubelasting in het kader van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van het plangebied is gelet op het voorgaande niet aangesloten bij de milieubelasting van bedrijven in de milieucategorie 2, maar bij de milieubelasting die een representatieve invulling van het hoekperceel Nekkerweg 71/72 met zich brengt. Omdat geluid veelal de bepalende hinderfactor is voor bedrijvigheid in de lagere milieucategorieën, is wel een akoestisch onderzoek industrielawaai9 uitgevoerd. Om de representatieve bedrijfssituatie te bepalen is overleg geweest met de eigenaren van de bedrijven die op het hoekperceel zijn gevestigd. De uitvoerende werkzaamheden van het bodemonderzoeksbureau met betrekking tot grondboringen en dergelijke en de voertuigen die daarvoor benodigd zijn vinden plaats op industrieterrein De Baanstee in Purmerend. Op de locatie aan de Nekkerweg is een kantoor aanwezig. De activiteiten beperken zich tot het rijden met personenwagens op het terrein. Het

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

laden en lossen met een vrachtwagen kan 4 maal per jaar plaats hebben. Dit valt niet binnen de representatieve bedrijfssituatie waarbij het uitgangspunt is dat activiteiten ten minste 12 maal per jaar moeten voorkomen. Het bedrijf in de werkplekbeveiliging huurt een kantoorruimte en heeft de beschikking over een aantal parkeerplaatsen. De representatieve bedrijfssituatie ziet er als volgt uit: personenwagens. De werktijden zijn normaliter van 8:00-17:00, het kan voorkomen dat er 's avonds een overleg plaats heeft waarbij een aantal auto's wordt geparkeerd. Dit gebeurt maximaal 5 maal per jaar, en is daarom geen onderdeel van de representatieve bedrijfssituatie. In de nachtperiode vinden er geen activiteiten plaats; reparatie. In voorkomende gevallen worden er kleine reparaties uitgevoerd aan elektrisch handgereedschap en houten hekwerken. Daarvoor is een bedrijfsduur van 0,5 uur per dag aangehouden. De bedrijfsactiviteiten van beide bedrijven vallen onder het Barim (Activiteitenbesluit). De grenswaarden voor de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen zijn opgenomen in artikel 2.17 van dit besluit. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LA,Lrt en het maximale geluidniveau mag op de gevel niet hoger zijn dan is aangegeven in afbeelding 10.

LA,rLt LAmax periode tijd dag 7:00-19:00 50 avond 19:00-23:00 45 nacht 23:00-7:00 40 Afbeelding 10: Grenswaarden in dB(A) op gevels als gevolg van inrichtingen.

70 65 60

Uit het onderzoek blijkt dat et langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LA,Lrt) in de dagperiode maximaal 33 dB(A) ter plaatse van de te ontwikkelen woningen bedraagt. Er zijn ook geen overschrijdingen van het maximale geluidniveau. Het dichtslaan van een autoportier nabij de perceelsgrens leidt tot een maximaal geluidniveau van Lmax=58 dB. De grenswaarde van 70 dB(A) in de dagperiode wordt niet overschreden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat er voor de woningen in het onderhavig plangebied geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de bestaande bedrijvigheid. Binnen de bedrijfsbestemming zijn, na de verlaging van de milieucategorie van het perceel van 3.2 naar 2, echter ook andere bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 2 toegestaan. Met betrekking tot de uitvoering van deze bedrijfsactiviteiten zullen de woningen in het plangebied als bestaande woningen worden opgevat. Door eventueel maatwerkvoorschriften te stellen, kan in dat geval worden gewaarborgd, dat er voor de bewoners sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het overige zijn er geen bedrijven in de directe omgeving aanwezig die vanuit het oogpunt van milieuzonering belemmeringen veroorzaken voor de realisatie van woningen in het onderhavige plangebied.

Milieuzonering is daarom niet van invloed op het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van het plangebied.

36

4.8

Water

4.8.1 Algemeen Sinds 1 november 2003 is de watertoets verplicht bij ruimtelijke plannen. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer en onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Het bestemmingsplan is ten aanzien van de nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden op 10 januari 2019 voorgelegd aan de waterbeheerder, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), door middel van de digitale watertoets. Deze is geregistreerd op het nummer 19.0003823. Conclusie uit de digitale watertoets is dat er werkzaamheden binnen 5 meter van watergangen zal worden uitgevoerd en dat nadere afstemming voor dit plan moet plaatsvinden.

4.8.2 Verharding en compenserende maatregelen Het middelste plandeel, waar de woningen zullen worden gebouwd, is nu grotendeels verhard en bebouwd. Door de planontwikkeling neemt het verhard en bebouwd oppervlak met 2.887,7 m² af. Centraal in het plangebied wordt een watergang met een oppervlakte van ongeveer 680 m² gegraven. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. In de huidige situatie ligt ter plaatse van de te graven watergang reeds een watergang met een tertiaire leggerstatus (zie afbeelding 11). De te graven watergang levert een robuustere waterhuishouding op, bovendien neemt als gevolg van de afname van de verharding ook de bodemberging toe. Dit betekent dat het een positieve uitwerking zal hebben op de omgevingskwaliteit en de waterhuishouding in het plan. Omdat de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de zonering waterstaatswerk van het watersysteem is hiervoor een watervergunning nodig van het hoogheemraadschap. Voor deze watervergunning is te zijner tijd meer inzicht nodig in de verdere uitwerking en de dimensionering van de nieuwe watergang. In de huidige situatie betreft het volgens de Legger wateren een tertiaire schouwsloot met een bodembreedte van 1,60 meter, een bodemhoogte van -4,57 m NAP en aan weerszijden een talud van 1: 1,5.

De nieuwe watergang dient ook minimaal aan deze afmetingen te voldoen en dit kan in de nadere uitwerking worden geduid. Ook is het van belang dat het beheer en onderhoud na realisatie is geborgd, zodat de minimale maten geborgd blijven.

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

Afbeelding 11: Bestaande watergang (Bron: Legger Wateren 2020 (HHNK)) en te graven sloot. 4.8.3 Waterkwaliteit en riolering Binnen het plan is geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat voor de nieuwe ontwikkeling wordt geadviseerd om een gescheiden stelsel aan te leggen. Daarnaast wordt geadviseerd om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.

Afbeelding 12: Afname verhard oppervlak. Het afvalwater van de woningen zal worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel.

38

4.8.4 Proces en conclusie In het kader van digitale watertoets is het bestemmingsplan aangeboden aan HHNK. In hun e-mail van 8 februari 2019 heeft HHNK aangegeven dat het uitsluitend belang is voor HHNK voor zover werkzaamheden binnen 5 meter van de watergang plaatsvinden. Voor alle werkzaamheden binnen 5 meter van een waterstaatswerk geldt, afhankelijk van de werkzaamheden, minimaal een meldingsplicht. Verder geeft HHNK aan dat er geen belemmeringen en/of aanleiding tot het maken van opmerkingen zijn en het hoogheemraadschap kan instemmen met dit bestemmingsplan.

4.9

Verkeer en parkeren

In het Parapluplan Parkeernormen Beemster 2018 wordt voor de te hanteren parkeernormen voor parkeren naar de meest recente parkeerkencijfers van ASVV (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom), om te bepalen of sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor de nieuw te bouwen woningen. In de genoemde kencijfers is een range aangegeven. Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddelde (afronding naar boven).

Afbeelding 13: Parkeren. Het plangebied valt in de categorie 'buitengebied' en de gemeente Purmerend is 'sterk stedelijk'. Op grond van de ASVV geldt voor koopwoningen (tussen/hoek) in dat geval een parkeernorm van 1,6-2,4 parkeerplaatsen per woning, inclusief 0,3 bezoekersparkeerplaatsen per woning. De gemiddelde parkeernorm is derhalve 2,0 parkeerplaatsen per woning. Voor de 17 woningen dienen derhalve 34 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. In het plangebied worden 43 parkeerplaatsen aangelegd. Derhalve wordt voldaan aan de parkeernorm. Het surplus en parkeerplaatsen kan gebruikt worden door mensen die de gemeenschappelijke tuin bezoeken. Naar verwachting zal dit – omdat buurtbewoners veelal over een eigen tuin beschikken en gelet op de afstand tot de bebouwde kom - sporadisch plaatsvinden en zijn ook hiervoor derhalve voldoende parkeerplaatsen

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

beschikbaar. De woningen worden ontsloten via een inrit naar de Nekkerweg. Uit paragraaf 6.3.3.2 van de ASVV2021 blijkt dat koopwoningen (tussen/hoek) in weinig stedelijk gebied in het buitengebied 7,0 tot 7,8 autobewegingen per woning per etmaal genereren. Wanneer uitgegaan wordt van het gemiddelde betekent dit voor 17 woningen 125,8 autobewegingen per etmaal. Bij een spitsuurintensiteit van 10% betekent dit 12,6 auto's op het drukste uur van de dag, of te wel één auto per ongeveer 5 minuten. Op grond van het vigerende bestemmingsplan mag het bouwvlak, dat binnen het onderhavige plangebied een oppervlakte heeft van ongeveer 5.200 m², voor 66% worden bebouwd. Ervan uitgaande dat er in één bouwlaag wordt gebouwd, betekent dit dat 3.432 m² BVO gerealiseerd zou kunnen worden. Voor een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf (een bedrijf met een zo laag mogelijke verkeersaantrekkende werking) geldt in weinig stedelijk gebied in het buitengebied een verkeersaantrekkende werking van 3,9-5,7 autobewegingen per 100 m² BVO. Dit uitgangspunt resulteert in 164,7 autobewegingen per etmaal. Ten opzichte van deze mogelijke planologische invulling van het perceel is er derhalve sprake van een afname van de verkeersintensiteit.

4.10 Duurzaamheid Purmerend ambieert een duurzame gemeente te zijn. Centraal in dit concept staat het bieden van een antwoord op de klimaatproblematiek. Het concept richt zich op het gebruik van energie en daarmee op de uitstoot van broeikasgassen zoals CO2. Duurzaamheid is echter een breed begrip en speelt op alle schaalniveaus, van woonomgeving tot woning, een rol. Vanaf 1 januari 2021 gelden er nieuwe energieprestatie-eisen voor nieuwbouw. In de plaats van de EPC gelden er nieuwe energieprestatie-eisen voor nieuwbouw: 'bijna energieneutrale gebouwen' (BENG). De BENG-eisen zijn een aanscherping ten opzichte van de EPC. In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: BENG 1 Energiebehoefte: de hoeveelheid energie die een gebouw nodig heeft voor verwarming en koeling uitgedrukt in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar. Deze indicator gaat over het beperken van de energievraag van het gebouw zelf. Aandachtspunten: stedenbouwkundig ontwerp, oriëntatie, compact ontwerp, schilisolatie, luchtdichtheid, zomernachtventilatie, ventilatiesysteem en zonwering. BENG 2 Primair energiegebruik: de hoeveelheid fossiele brandstof in kWh per m2 gebruiksoppervlakte per jaar die nodig is voor verwarming, koeling, warm water en installaties. Let op: voor netstroom wordt het rendement van elektriciteitsproductie verrekend.

Aandachtspunten: efficiënte installaties, warmteafgifte op lage temperatuur, warmwater met korte leidingen en warmteterugwinning en toepassing van hernieuwbare energie (ook BENG 3). BENG 3 Aandeel hernieuwbare energie: het percentage (in procenten) hernieuwbare energie van het totale energiegebruik. Aandachtspunten: toepassing van PV, zonneboiler, bodemenergie, omgevingswarmte, biomassa en externe warmtelevering (mits hernieuwbaar). 40

Uit een BENG-beoordeling van het woningbouwontwerp blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde eisen conform Bouwbesluit 2012.

4.11 Vormvrije mer-beoordeling Het Besluit ruimtelijke ordening stelt in artikel 3.1.1, onder f dat inzicht dient te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Bovendien dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit (tot vaststelling van het bestemmingsplan) de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3.2 Algemene Wet Bestuursrecht). In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van het onderzoek dat is verricht ten behoeve van de in dit plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zodat voldaan wordt aan de onderzoeksverplichtingen van het Besluit ruimtelijke ordening. Voorheen kon worden volstaan met de conclusie dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. Conclusie De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het in de voorgaande paragrafen beschreven onderzoek naar milieuaspecten geeft aan dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zijn uitgesloten. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid van het plan

Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In deze paragraaf wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. De beoogde herontwikkeling komt voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Uit een globale exploitatie-opzet, waarin rekening is gehouden met de bodemsaneringskosten, blijkt dat de planontwikkeling in financieel-economisch opzicht uitvoerbaar is. In artikel 6.12 van de Wro is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de grond waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij de bouw van één of meerdere woningen als bouwplan wordt gedefinieerd. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van die verplichting om een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. Voor de onderhavige ontwikkeling is een anterieure overeenkomst afgesloten met de initiatiefnemer, waarin ook planschadeverhaal is opgenomen, waardoor de gemeente planschadeclaims bij de initiatiefnemer kan verhalen. Op grond van deze gegevens kan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in voldoende mate gewaarborgd worden geacht. De kosten zijn hierdoor anderszins verzekerd.

Derhalve zal geen exploitatieplan worden vastgesteld.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De initiatiefnemer heeft in het voorjaar van 2019 omwonenden persoonlijk geïnformeerd over de planontwikkeling. Alle omwonenden waren positief over de transformatie van het gebied naar woningbouw en met name over de toegankelijke tuin. Op 12 februari 2020 is een inloopbijeenkomst georganiseerd. Omwonenden en geïnteresseerden zijn daarbij in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de plannen voor de ontwikkeling van de Nekkerweg 71/72 te Zuidoostbeemster. De direct aanwonenden zijn een week van te voren per woonadres uitgenodigd. De gemeente, raadsleden en contactpersoon van de Stichting Nekkerzoom zijn per e-mail uitgenodigd. De presentatie bestond uit het showen van een maquette, bouwmaterialen en een tiental impressies en bouwtekeningen. Namens de initiatiefnemer waren er twee projectontwikkelaars, de architect, makelaar en aannemer/ eigenaar aanwezig om uitleg en antwoorden op vragen te geven en de opmerkingen te noteren10. Circa 60 personen hebben de inloopbijeenkomst bezocht. Naar aanleiding van de bijeenkomst is het plan onder meer voor wat betreft het aantal parkeerplaatsen, de bouwhoogte, de situering van een van de bouwblokken, aangepast.

42

Het ontwerpbestemmingsplan Beemsterbuiten c.a. is vanaf 20 november 2023 tot en met 2 januari 2024 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegd. Tijdens deze periode zijn 4 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn in een separate Nota zienswijzen samengevat en beantwoord. De zienswijzen hebben niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

5.3

Overleg artikel 3.1.1 Bro

Het voorontwerp van het bestemmingsplan is in het kader van het overleg volgens artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aan de navolgende instanties toegezonden: Provincie Noord-Holland; Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier; Veiligheidsregio Zaanstreek - Waterland. De genoemde instanties hebben het onderhavig plan positief beoordeeld.

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Op 1 juli 2008 zijn de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (en het Besluit ruimtelijke ordening) in werking getreden. Daarnaast heeft het ministerie VROM het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP-2012) gepresenteerd, dat als uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is gebruikt. Vanaf 1 januari 2010 is het toepassen van de digitale standaarden verplicht. De bestemmingen in het voorliggende bestemmingsplan passen binnen die standaard. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit -met inachtneming van het vorenstaande- zoveel mogelijk aan bij het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021" van de voormalige gemeente Beemster.

6.2

Bestemmingsplan

Het digitale bestemmingsplan Beemsterbuiten c.a. is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand (NL.IMRO.0439.BPBmstrbuiten2022-va01) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is via elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan.

6.3

Plansystematiek

Voor het plangebied is gekozen voor een gedetailleerde plansystematiek. Burgemeester en wethouders hebben voor een aantal ondergeschikte onderdelen de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van het plan, dan wel nadere eisen te stellen. De maximale goot- en bouwhoogten zijn op de verbeelding aangegeven.

6.4

Regels

De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs-, en slotregels.

Inleidende regels In de Inleidende regels worden de gebruikte begrippen beschreven (artikel 1) en worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop gemeten moet worden (artikel 2).

44

Bestemmingsregels artikel 3 Bedrijf De bestemming "Bedrijf" komt grotendeels overeen met de bestemming "Bedrijf" uit het vigerende bestemmingsplan. Bepalingen die voor het onderhavige perceel niet van toepassing zijn, zijn weggelaten. De belangrijkste inhoudelijke wijziging is dat de bestemming bedrijven maximaal tot en met milieucategorie 2 toelaat. artikel 4 Tuin - Landschapswaarden Het grootste deel van het plangebied heeft de bestemming "Tuin - Landschapswaarden". Centraal in het plangebied is door middel van een aanduiding een parkeervoorziening toegestaan. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke openheid. Alleen ter plaatse van de aanduiding 'kas' is een kas toegestaan. In artikel 3.2.3 is bepaald dat de gronden met deze bestemming niet worden aangemerkt als erf als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. In de nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van het Bor van 4 september 2014 (Stb. 2014, 333, p. 43-45) is over vergunningvrije bouwwerken onder meer het volgende opgenomen: "Voorts wordt nog gewezen op de mogelijkheid om via het bestemmingsplan, uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, het vergunningvrij bebouwen van percelen met een bijzondere stedenbouwkundige of landschappelijke betekenis in te perken. (…) Ook is het mogelijk om gronden «mede» te bestemmen voor andere functies.

Er geldt dan bijvoorbeeld voor het gehele perceel een bestemming woondoeleinden, maar door een zogenoemde dubbelbestemming te geven of door mede bepaalde waarden, functie- of gebiedsaanduidingen toe te kennen, kan tot uitdrukking worden gebracht dat percelen of perceelsgedeelten mede een ander planologisch doel dienen." In dit geval is een planologische inperking van de gebruiksmogelijkheden van de onbebouwde gronden aangebracht op stedenbouwkundige gronden. De bouwblokken komen op een kleine terp te staan. Deze terpen zijn geïnspireerd op de ringdijken rondom de polder en de forten. Door de aanleg van die terpen is het principe van niet tot de woning behorende buitenterrein herkenbaar. In de uitgifte zal dit terrein aan de woningen toegewezen worden en wordt het buitengebied collectief beheerd. Om dit zorgvuldig gecreëerde beeld ook op termijn in stand te kunnen houden, staat het onderhavige bestemmingsplan alleen gebouwen toe op de terp. De mogelijkheid om vergunningvrije en vergunningplichtige aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen te realiseren, is daarom niet toegestaan. artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied De ontsluiting van het plangebied heeft de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied ". artikel 6 Water De watergang door het plangebied heeft de bestemming "Water". artikel 7 Wonen De woningen in het plangebied hebben de bestemming "Wonen".

Binnen de bouwvlakken mogen uitsluitend aaneengebouwde woningen worden gebouwd. Ook parkeren is binnen deze bestemming toegestaan. De gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50% van het voor bebouwing aangewezen erf van de woning. De realisatie van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en van erkers en dakkapellen is uitgesloten. De gronden worden niet aangemerkt als erf als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Door deze regeling is ook het gebruik van vergunningvrije bouwwerken uitgesloten. In de nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van onder meer het Bor van 4

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

september 2014 (Stb. 2014, 333, p. 43-45, hierna: de NvT II) is over vergunningvrije bouwwerken onder meer het volgende opgenomen: "Voorts wordt nog gewezen op de mogelijkheid om via het bestemmingsplan, uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, het vergunningvrij bebouwen van percelen met een bijzondere stedenbouwkundige of landschappelijke betekenis in te perken. (…) Ook is het mogelijk om gronden «mede» te bestemmen voor andere functies. Er geldt dan bijvoorbeeld voor het gehele perceel een bestemming woondoeleinden, maar door een zogenoemde dubbelbestemming te geven of door mede bepaalde waarden, functie- of gebiedsaanduidingen toe te kennen, kan tot uitdrukking worden gebracht dat percelen of perceelsgedeelten mede een ander planologisch doel dienen." In dit geval is van die mogelijkheid gebruik gemaakt gelet op het bijzondere woonconcept met woningen op een terp. De beperkingen die hiermee worden gesteld aan de mogelijkheden voor het gebruiken de percelen, leiden ertoe dat geen sprake is erf in de zin van artikel 1 van de bijlage II van het Bor. Daarnaast is bij woningen beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis en/of een bed and breakfast onder voorwaarden toegestaan. Ten slotte is een voorwaardelijke verplichting in deze bestemming opgenomen, die de aanleg en instandhouding van het beplantingsontwerp regelt.

artikel 8 Waarde - Cultuurhistorie De gronden hebben de primaire dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". Daardoor zijn ze bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de cultuurhistorische waarden die samenhangen met het Unesco Werelderfgoed. Bij het toepassen van afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden kunnen nadere eisen worden gesteld. Ook voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning (aanlegvergunning) noodzakelijk. Algemene regels In artikel 9 is een antidubbeltelregel opgenomen. De antidubbeltelregel strekt ertoe dat gronden die al eens in aanmerking zijn genomen bij het verlenen van omgevingsvergunningen, niet nogmaals meegeteld kunnen worden. De algemene bouwregels staan in artikel 10. Deze omvatten een bepaling dat het verboden is op een terrein of bouwperceel zodanig te bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die ter plaatse niet meer met de regels zou overeenstemmen, of voor zover al daar een afwijking van de regels bestaat, zodanig te bouwen, dat deze afwijking nog zou worden vergroot. Artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omvat een verbod om gronden in strijd met hun bestemming te gebruiken. De algemene gebruiksregels in artikel 11 omvatten daarom een verbod om gronden en bouwwerken voor prostitutiebedrijven te gebruiken en om bijgebouwen te bewonen.

Het beleid van de gemeente is erop gericht om maximaal één bordeel in de gemeente toe te staan. Daarbij wordt een afstandsmaat tot de omliggende bebouwing gehanteerd van 50 meter. Aangezien de omliggende bebouwing op een kortere afstand staat, zijn prostitutiebedrijven uitgesloten. De algemene afwijkingsregels (artikel 12) hebben betrekking op afwijkingen van regels ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages, op utilitaire gebouwen en op vervangende nieuwbouw. 46

In artikel 13 is bepaald dat waar in de regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, de wettelijke regelingen worden bedoeld, zoals die luidden op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan. Daarnaast is een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor een aantal werken met het oog op de instandhouding van de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster en/of van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam. Overgangs- en slotregels De verplichte overgangsregels voor bouwwerken en gebruik zijn conform het bepaalde in artikel 3.2.2 van het Bro opgenomen (artikel 14). Tenslotte bevat het plan een slotregel (artikel 15).

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

Bijlagen bij toelichting

48

Bijlage 1 Stedenbouwkundig plan

SITUATIE

Blok D

<

inrit

Blok A

Zitelement

takkenril

111111 1

@

■

•••••• •••••••••••••••••••••••••••••• ••

•••••••••••••••••••• speelweide

kas

•

takkenril

Gemaaid (speel) grasveld

12800 11800

Bloembollenlint

3eemster 3uiten

<)

1'1'1'1'1'1'1'1 l'l'I l'l'I l'I' %

l'l'l'l'l'I

1'1' %

<>

'l'I l'l'I l'l'I

"

"

l'I l'l'l'l'l'I

'l'I

'l'I l'l'I

1

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

Bijlage 2 Verslag PHO wonen ZW

74

gemeente Zaanstad

Verslag PHO wonen Zaanstreek-Waterland

DATUM TIJDSTIP LOCATIE AANWEZIG

25 november 2019 15:30 – 17.30 uur Stadhuis Purmerend Wethouders Songül Mutluer (Zaanstad), Thijs Kroese (Purmerend), Albert Koning (Edam-Volendam), Dick Butter (Beemster), Richard Quakernaat (Landmeer), Ton van Nieuwkerk (Waterland), Rozemarijn Dral (Oostzaan), Jeroen Schalkwijk (Wormerland), en ambtelijke ondersteuning , ,

1. Opening en mededelingen Songül Mutluer opent de vergadering. 4. Bouwplan Beemster Nekkerweg In het kader van de PRV is afstemming noodzakelijk van dit buitenstedelijke bouwplan. Achter een stolpboerderij aan het lint wordt een aantal woningen gebouwd. Het plan is landschappelijk ingepast. Het ligt niet in de buurt van een Natura 2000 gebied. Het BO is akkoord met dit bouwplan.

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

Bijlage 3 Archeologisch onderzoek

76

Buro de Brug Rapporten Archeologisch bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster, gemeente Beemster B17-338 Definitief, 26 juni 2017

Geaccordeerd Buro de Brug Naam + actorschap: Opdrachtgever Naam:

Bevoegd gezag Naam:

Datum

Handtekening/paraaf

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................5 1.1 Algemeen ........................................................................................................................5 1.2 Huidige situatie ................................................................................................................5 1.3 Toekomstige situatie ........................................................................................................5 2 Archeologisch bureauonderzoek ................................................................................................7 2.1 Methode bureauonderzoek ................................................................................................7 2.2 Beleid..............................................................................................................................7 2.3 Geologie, geomorfologie en bodemopbouw ........................................................................7 2.4 Historische gegevens ...................................................................................................... 10 2.4.1 De Beemster .............................................................................................................. 10 2.4.2

Het plangebied ........................................................................................................... 11

2.5 Verstorende bodemingrepen in het verleden .................................................................... 13 2.6 Bekende archeologische waarden .................................................................................... 14 2.6.1 Archis onderzoeksmeldingen........................................................................................ 15 2.7 Conclusies en archeologische verwachting ....................................................................... 15 Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................... 16 Geraadpleegde literatuur ........................................................................................................ 17 4.1 Digitale bronnen ............................................................................................................ 17 4.2 Literatuur ...................................................................................................................... 17 5 Bijlagen ................................................................................................................................. 18 5.1 Bijlage 1: Ontwerptekening ............................................................................................. 18 3 4

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

2

Samenvatting Dit archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA 4.0 protocol 4002 door Buro de Brug in opdracht van Bart de Jong project ontwikkeling. Het plangebied ligt aan de Nekkerweg 72 te Zuidoostbeemster in de gemeente Beemster. Het plangebied is momenteel deels bebouwd met enkele bedrijfsgebouwen. De aanleiding tot dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van 17 woningen in het plangebied. Volgens bestemmingsplan Buitengebied 2012 is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 0,35 m -mv en die tevens een oppervlakte van meer dan 50 m² beslaan. Het totale oppervlakte van het plangebied is 7500 m². De ontgravingen ten behoeve van de geplande werkzaamheden bereiken een oppervlak van ca. 1470 m² en een diepte van 0,9 m -mv. Daarmee is het plan omgevingsvergunningplichtig. Het plangebied ligt in de polder De Beemster. Deze polder is tussen 1608 en 1612 drooggemalen. Het plangebied is vanaf de drooglegging tot de jaren ’70 van de 20ste eeuw in gebruik geweest als (moes)tuin en akkerland. In de tweede helft van de 20ste eeuw is een groot bedrijfsgebouw gebouwd in het zuiden en westen van het plangebied. De bouw van dit bedrijfsgebouw zal de bodem in het plangebied deels verstoord hebben.

Aangezien in het plangebied geen historische bebouwing aanwezig is geweest, en gezien de verwachtte bodemverstoring als gevolg van de laat 20ste eeuwse bebouwing, is de trefkans op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd laag. Omdat het water van de Beemster voor de drooglegging in het begin van de 17de eeuw naar verwachting alle oudere archeologische lagen heeft verspoeld, geldt voor de overige periodes ook een lage trefkans. Vanwege de lage verwachting adviseert Buro de Brug om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Indien tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt een meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Bovenstaand advies dient beoordeeld te worden door de bevoegde overheid.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

3

1

Inleiding

1.1

Algemeen

Dit archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA 4.0 protocol 4002 door Buro de Brug in opdracht van Bart de Jong project ontwikkeling. Het plangebied ligt aan de Nekkerweg 72 te Zuidoostbeemster in de gemeente Beemster. Het plangebied is momenteel deels bebouwd met enkele bedrijfsgebouwen. De aanleiding tot dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van 17 woningen in het plangebied. Volgens bestemmingsplan Buitengebied 2012 is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 0,35 m -mv en die tevens een oppervlakte van meer dan 50 m² beslaan. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 7500 m². De ontgravingen ten behoeve van de geplande werkzaamheden bereiken een oppervlak van ca. 1470 m² en een diepte van 0,9 m -mv. Daarmee is het plan omgevingsvergunningplichtig. Het voorgaande maakt duidelijk dat de bodemverstoringen die de geplande bodemingrepen met zich meebrengen de toegestane verstoringsmarges van oppervlakte en diepte overschrijden. De voorgenomen werkzaamheden zouden een bedreiging kunnen vormen voor eventueel aanwezige archeologische waarden in de ondergrond van het areaal van de geplande voorziening. Gezien de aard en omvang van de bodemverstorende werkzaamheden is een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk. 1.2

Huidige situatie

In het plangebied zijn momenteel één of meerdere bedrijven gevestigd. De aard van de bedrijfsvoering is niet bekend. Binnen het plangebied staat een aantal bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 3000 m². Het plangebied wordt in het oosten begrensd door een sloot langs de Nekkerweg. Zie afbeelding 1. 1.3

Toekomstige situatie

In het plangebied zullen 17 woningen en 3 ondergrondse afvalcontainers worden ontwikkeld (bijlage 1) met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 1470 m². De nieuwbouw zal gefundeerd worden op prefab betonnen heipalen; onder de woningen komen kruipruimtes tot een diepte van 0,9 m -mv. De diepte van de ondergrondse afvalcontainers is niet bekend maar zal naar verwachting dieper zijn. De invloed van de bodemingrepen en de nieuwbouw op het waterpeil en het grondwaterpeil is niet bekend.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

5

Afbeelding 1: Locatie van het plangebied.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

6

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methode bureauonderzoek

Het bureauonderzoek heeft tot doel - op basis van bestaande landschappelijke, archeologische en historische bronnen - een gespecificeerde archeologische verwachting te verkrijgen voor het plangebied. Op basis van de resultaten is een aanbeveling gedaan om de eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied veilig te stellen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.0) en de gemeentelijke eisen. Voor het verzamelen van gegevens met betrekking tot reeds bekende archeologische- en bodemkundige waarden van het plangebied is de archeologische beleidskaart van de gemeente geraadpleegd. Ook zijn geo(morfo)logische kaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en historische kaarten bekeken. Tevens is het AHN geraadpleegd en zijn de meest recente archeologische onderzoeksresultaten in het onderzoek opgenomen. 2.2

Beleid

Het archeologiebeleid van de gemeente Beemster2 is doorgevoerd in de bestemmingsplannen van de gemeente. Het plangebied ligt binnen een zone met dubbelbestemming Waarde Archeologie in het bestemmingsplan “Buitengebied 2012”.3 De dubbelbestemming ter hoogte van het plangebied heeft functieaanduiding “swr-4”. Hiervoor geldt:

Bouwregels 27.2. Op de in lid 1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd ter plaatse van de functieaanduiding: […]

d. (swr-4) voor zover zij betreffen bouwwerkzaamheden dieper dan 0,35 m en een oppervlakte hebben van >50 m2. 2.3

Geologie, geomorfologie en bodemopbouw

Bron Geologie4 (1:600.000) Bodemkunde5 (1:50.000) Geomorfologie6 (1:50.000)

Informatie Na17: Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer / Formatie van Nieuwkoop; zeeklei en -zand met inschakelingen van veen. pMn86C: Kalkarme leek-/woudeerdgronden; klei, profielverloop 3, of 3 en 4 of 4. 2M33: Vlakte van zee- of meerbodemafzetting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943388/1