CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

G -bestemmingsplan-beemsterbuiten-ca

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Beemsterbuiten20.598 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het plangebied ligt in de droogmakerij van De Beemster en is ontstaan door menselijk handelen vanaf de 17de eeuw (zie paragraaf 2.4). In de diepere ondergrond liggen pleistocene afzettingen, die bestaan uit dekzand dat wordt gerekend tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. De top van de pleistocene ondergrond ligt in het plangebied op circa 20 m –NAP of dieper en zal geërodeerd zijn door latere inbraken van de zee. Door de zeespiegelstijging aan het eind van de laatste ijstijd steeg het grondwaterpeil, waardoor het gebied vernatte. Aan het begin van het Holoceen ontstonden grote moerasgebieden in deze regio, waarin veen werd gevormd. Dit veen, dat direct op de pleistocene zandondergrond ligt, wordt tot de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Alders 2004. NL.IMRO.0370.2012BPbuitengebied-OH01 4 TNO-NITG 2005; www.dinoloket.nl; kaart 2010. 5 Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Stichting voor Bodemkartering. 6 Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, Stichting voor Bodemkartering. 2 3

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

7

Vanaf het Atlanticum (vanaf circa 7.000 jaar geleden) werd het gebied gekenmerkt door de invloed van de zee. Er werd voornamelijk (zandige) klei en zand afgezet, afgewisseld met perioden waarin voornamelijk veen werd gevormd. Zo is een afwisseling van veen- en (zandige) kleilagen ontstaan. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Wormer, dat onderdeel uitmaakt van de Formatie van Naaldwijk. Vanaf circa 3.000 voor Chr. nam de snelheid van de zeespiegelstijging af en ontstond er een grotendeels gesloten strandwallensysteem. Slechts op enkele plaatsen werden de strandwallen onderbroken door riviermondingen, zoals de Oude Rijn bij Leiden en zeegaten, zoals het Oer-IJ bij IJmuiden. Ten oosten van deze strandwallen veranderde het zoute getijdengebied in een zoetwaterlagune, waarin op grote schaal veen werd gevormd. Naarmate de strandwallen hoger werden en de kust zich in westelijke richting uitbouwde, kreeg de zee steeds minder invloed in het westelijk veengebied, wat uiteindelijk resulteerde in een veenpakket met een dikte van enkele meters. Aanvankelijk ontwikkelde zich alleen laagveen, dat hoofdzakelijk uit rietveen bestaat, maar naarmate de veengroei vorderde en het veen uitsluitend was aangewezen op regenwater ontstond er hoogveen, dat uit veenmosveen bestaat. De veengroei hield aan tot en met de vroege Middeleeuwen.

In deze regio bereikt het veen een maximale dikte van circa 6 m. De top van het veen lag in deze periode op circa 2 á 3 m +NAP. Overtollig regenwater werd afgevoerd richting het IJ en het IJsselmeergebied via riviertjes, waar de Zaan, de Wormer, de Purmer en de Bamestra (de latere Beemster) voorbeelden van zijn.7 Vanaf de Middeleeuwen werd het veengebied ontgonnen. Er werden sloten gegraven om het gebied te ontwateren. Vanwege turfwinning werd het veen vervolgens afgegraven. Deze ontginning had grote invloed op het landschap. Waar het veen werd afgegraven ontstonden de zogenaamde petgaten. Tussen de petgaten lagen smalle stroken land waarop de turven te drogen werden gelegd, de zetwallen. Later zijn de petgaten deels verland. Ook trad er een sterke maaivelddaling op als gevolg van de ontwatering en er ontstonden grote veenplassen door de turfwinning, waar de Beemster het bekendste voorbeeld van is. Deze veenplassen werden steeds groter als gevolg van oevererosie en stormen, tot het moment dat ze voor wateroverlast dreigden te gaan zorgen. Veel van deze veenplassen zijn dan ook drooggemalen. De Beemster is als eerste drooggelegd. In 1607 zijn overeenkomsten gesloten om de omringdijk te realiseren. Vervolgens is de Beemster drooggemalen. In 1612 was de droogmakerij voltooid.

In de hele Beemster is het Hollandveen geheel verdwenen en liggen de oude zeeafzettingen (Laagpakket van Wormer) weer aan het maaiveld.8 Volgens de geormofologische kaart (zie afb. 2) ligt het plangebied in vlakte van zee- of meerbodemafzettingen (code 2M33). Op de bodemkaart (afb. 2) is het plangebied weergegeven als een kalkarme leek- of woudeerdgrond. De leekeerdgronden zijn zavel- of kleigronden met een dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 30 cm). De woudeerdgronden hebben een matig dikke Ahorizont van 30 tot 50 cm. In beide bodemtypen ligt de donker gekleurde A-horizont op een kleiige tot zavelige, vaak kalkrijke en permanent gereduceerde grijze ondergrond die verder weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De leekeerd- en woudeerdgronden worden vooral aangetroffen in de lager gelegen delen van het zeekleigebied en de droogmakerijen. Vaak is de A-horizont ontstaan door de vermenging van veraard veen en of opgebracht slib uit de sloten en de zavelige ondergrond. Roest- en reductievlekken komen soms al voor in de A-horizont en beginnen ondieper dan 50 cm. De grondwaterstand is meestal hoog en het profiel is dus slecht ontwaterd.9 Op het actueel hoogtebestand Nederland (AHN, zie afb. 3) is te zien dat de Beemster-polder een stuk lager ligt dan het oude land ten zuiden van de Beemster. Het maaiveld in het plangebied ligt op gemiddeld 3,2 m –NAP.

Leuvering 2014. www.beemster.net. 9 Rosing 1995. 7 8

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

8

Afbeelding 2. Het plangebied op de geomorfologische kaart en bodemkaart.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

9

Afbeelding 3. Het plangebied op het AHN.

2.4

Historische gegevens

2.4.1

De Beemster

De polder De Beemster is tussen 1608 en 1612 drooggemalen. Amsterdamse kooplieden financierden, onder andere met VOC-gelden en de verdiensten uit de Oostzeehandel, dit grootschalige landaanwinningsproject. Begin 17de eeuw bestond er een grote behoefte aan nieuwe en goede landbouwgrond. Bovendien dreigden de met elkaar verbonden binnenzeeën Schermermeer, Beemstermeer en Purmermeer door het afkalven van de oevers steeds groter te worden. Dat ging ten koste van de landbouwgrond en bedreigde de bebouwing aan de oevers. Tegen deze achtergrond gaven de Staten van Holland al in 1607 toestemming om het Beemstermeer droog te malen. Rond het meer werd een ringdijk met een ringvaart aangelegd. Daarna werd het water uitgemalen met behulp van een aantal molengangen met elk drie molens, die nadien voor de afwatering van de B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

10

polder moesten zorgen. In totaal waren er voor de drooglegging ongeveer vijftig molens nodig.10 In 1610 was De Beemster bijna voltooid toen bij een storm de Zuiderzeedijken braken en de polder weer gedeeltelijk volliep. Om herhaling te voorkomen, besloot men nu de ringdijk een meter boven maaiveld van het omringende ‘oude land’ te leggen. Op 19 mei 1612 viel De Beemster definitief droog, 7200 ha groot en grotendeels bestaand uit vruchtbare landbouwgrond. Vanwege de optredende bodemdaling werd rond 1632 een vierde bemalingstrap aan het bemalingssysteem toegevoegd. Zoals de meeste droogmakerijen werd ook De Beemster geometrisch verkaveld. Zeer bijzonder is echter dat hier de klassieke proportieleer als basis voor de verkaveling is gekozen. Dat patroon bestaat uit een raster van vierkanten. Volgens de klassieke opvattingen is dat een volledig harmonieus geheel, een symmetrie die in de Gouden Eeuw als de absolute perfectie gold en strookte met de renaissancistische opvattingen over landschapinrichting.11 Sinds 1999 staat droogmakerij De Beemster op de UNESCO lijst van werelderfgoederen. De Beemster wordt als nationaal landschap aangemerkt. Sinds enige tijd maakt De Beemster deel uit van de Canon van de Nederlandse geschiedenis als succesvol voorbeeld van de nationale traditie van waterbeheersing.

Het grondgebied van de gemeente Beemster omvat het gehele cultuurlandschap van werelderfgoed droogmakerij De Beemster. Daarin liggen het centrumdorp Middenbeemster en de woonkernen Noordbeemster, Westbeemster en Zuidoostbeemster. Verder is er een aantal buurtschappen zoals de Klaterbuurt, Halfweg, De Blikken Schel. De Beemster is een eigentijdse, agrarische gemeente die haar ontstaansgeschiedenis en haar status als bijzondere droogmakerij met zijn stolpboerderijen en historische kernen koestert.12 Zuidoostbeemster groeide na 1850 uit tot dorp, nadat de concentratie buitenplaatsen verdwenen was. Gepensioneerde veehouders uit de Purmer en Purmerend wilden dichtbij de veemarkt van Purmerend blijven wonen en vestigden zich sindsdien net buiten de stad, in Zuidoostbeemster. Het werd daarom ook wel de ‘Voorstad’ van Purmerend genoemd. De eerste generatie bouwde een slag kleinere stolpen dan de voor de Beemster bekende stolpboerderijen. Vanaf 1885 werden rijen huizen gebouwd die speciaal werden aangeprezen als ‘rentenierswoningen’. Tussen 1918 en 1940 volgde nieuwe tuindersen rentenierswoningen langs de Purmerenderweg en de Zuiderweg. In 1920 kocht de gemeente Beemster grond van de boeren om te voorkomen dat de gemeente Purmerend het groeiende Zuidoostbeemster zou annexeren.13 In 1924 ontwierp de gemeente een uitbreidingsplan voor Zuidoostbeemster.

Met dit plan zou ongewenste bebouwing in dit deel van de polder voorkomen kunnen worden en kon de bebouwing stelselmatig worden opgezet. De ambitieuze uitbreidingsplannen zijn lang niet allemaal uitgevoerd. In 1940 werd geconstateerd dat het plan niet meer strookte met nieuwe stedenbouwkundige inzichten.14 2.4.2

Het plangebied

Rond 1640 telde de Beemster ongeveer 50 buitenplaatsen, gesticht door voornamelijk rijke Amsterdamse kooplieden. De grootste buitenplaats in die tijd was Vredenburgh, gelegen aan de Zuiderweg 68, ongeveer 250 meter ten oosten van onderhavig plangebied. Vredenburgh bestond uit een statig huis met daaromheen een vierkante gracht, met zowel binnen als buiten de gracht een tuinaanleg. De tuin was ingericht met fruitbomen, hakhout, moestuinen en siertuinen in geometrische vormen. Direct ten noorden van onderhavig plangebied is een kleine buitenplaats getekend op de kaart van Baltasar Floris van Berckenrode uit 1644, een van de eerste kaarten van de Beemster (afb. 4). De naam van deze buitenplaats is niet bekend. Op de kaart van Van Berckenrode is te zien dat de buitenplaats bestond uit een (heren)huis met daaromheen aangeplante (fruit)bomen, en daarbuiten een aantal rijen hakhout. Het hakhout diende mogelijk ook als windbreker. Het noordelijk deel van onderhavig plangebied ligt ter hoogte van het meest zuidelijke deel van de tuin van de kleine buitenplaats.

Bestemmingsplan buitengebied 2012. www.beemster.net. 12 www.beemster.net. 13 Nl.wikipedia.org/wiki/zuidoostbeemster. 14 Dehé 2011. 10 11

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

11

Op de kadastrale minuutplan van 1811-1832 is te zien dat het plangebied onbebouwd was (afb. 5). Het plangebied was in gebruik als boomgaard (nr. 320 en 321), bouwland (nr. 317) en moestuin (nr. 322). Op de topografische kaart van 1878 (Bonneblad) is het plangebied nog steeds in gebruik als bouwland of moestuin. Op deze kaart staat een huis ter hoogte van het huidige adres Nekkerweg 73, dit adres ligt echter buiten het plangebied. De situatie blijft onveranderd tot de jaren ’70 van de 20ste eeuw. In de jaren ’70, ’80 en ’90 wordt het plangebied voor een groot deel bebouwd met bedrijfsgebouwen (afb. 1).

Afbeelding 4. Het plangebied op de Beemster kaart van Baltasar Floris van Berckenrode uit 1644.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

12

Afbeelding 5. Het plangebied op de kadastrale minuut uit 1811 – 1832.

2.5

Verstorende bodemingrepen in het verleden

Het plangebied is vanaf de drooglegging van de Beemster tot de jaren ’70 van de 20ste eeuw in gebruik geweest als (moes)tuin en akkerland. In de tweede helft van de 20ste eeuw is een groot bedrijfsgebouw gebouwd in het zuiden en westen van het plangebied. De exacte aanlegdiepte is niet bekend, maar de bouw van dit bedrijfsgebouw zal de bodem in het plangebied deels verstoord hebben. Vanwege de vroegere aanwezigheid van het meer zullen sedimentatielagen van vóór de drooglegging van de Beemster, met name veen, en de daarin eventueel aanwezige archeologische resten, zijn verspoeld.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

13

2.6

Bekende archeologische waarden

Binnen een straal van ca. 500 meter is één onderzoeksmelding uit Archis bekend (afb. 6). Daarnaast bevinden zich geen archeologische onderzoeksgebieden of vondstmeldingen in de directe omgeving van het plangebied. In de Beemster zelf zijn weinig archeologische vondsten bekend van vóór de droogmaking in de 17de eeuw. Omstreeks het midden van de jaren ‘70 van de 20ste eeuw werd tijdens de aanleg van de huidige A7 op 1,5 tot 2 meter diepte een vuurstenen bijl gevonden uit het Neolithicum (late steentijd). In het noordelijk gedeelte van de Beemster is op de oppervlakte van het land een grote hoeveelheid keramiekfragmenten uit de Karolingische tijd gevonden. De hierbij behorende nederzetting lag indertijd op het nu ter plaatse verdwenen veen, enkele meters boven het huidige maaiveld. Bodemsporen zijn er daarom niet meer aan te verbinden.15

Afbeelding 6. Bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied.

15

Beleidsnota archeologie gemeente Beemster.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

14

2.6.1 Archis onderzoeksmeldingen Archis 3 zaakidentificatie Omschrijving 2468949100 Gemeente Beemster, Zuidoostbeemster, Zuiderweg 55. Bureauonderzoek door Buro de Brug uit 2015. Uit het bureauonderzoek is naar voren gekomen dat zich binnen het plangebied en in de omgeving van het plangebied geen archeologische bekende waarden bevinden. Bovendien is de verwachting volgens de IKAW en de kaarten van de provincie Noord-Holland voor alle periodes laag. Als er al sporen uit het Paleolithicum aanwezig zouden zijn, liggen deze op dusdanige diepte dat de trefkans erg laag is. De enige archeologische resten die wel zouden kunnen worden aangetroffen, dateren uit de Nieuwe tijd en kunnen samenhangen met de agrarische aard van het terrein. De in de beleidsnota archeologie van de gemeente Beemster genoemde buitenplaatsen en boerderijerven uit de 17de eeuw, worden op basis van 17de eeuwse kaarten niet binnen het plangebied verwacht. Pas op kaarten uit begin 19de eeuw is bebouwing in de omgeving van onderhavig plangebied te zien. Eventueel aanwezige agrarische sporen uit de periode van na de drooglegging en met name uit de 19-20ste eeuw zullen in het kleine plangebied van 100 m2 naar verwachting niet voor kenniswinst zorgen. Buro de Brug adviseert dan ook om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. 2.7

Conclusies en archeologische verwachting

Het plangebied ligt in de Beemster, een grote veenplas die in het begin van de 17de eeuw is drooggelegd en is ingericht met dorpen, rechte wegen en landbouwgronden. Ook werden hier in de 17de eeuw in de Beemster tientallen buitenplaatsen gesticht. Direct ten noorden van het plangebied lag een kleine buitenplaats. Deze buitenplaats bestond uit een huis met daaromheen een tuin, ingericht met (fruit)bomen en hakhout. Het plangebied is vanaf de drooglegging van de Beemster tot de jaren ’70 van de 20ste eeuw in gebruik geweest als (moes)tuin en akkerland. In de tweede helft van de 20ste eeuw is een groot bedrijfsgebouw gebouwd in het zuiden en westen van het plangebied (afb. 1). De bouw van dit bedrijfsgebouw zal de bodem in het plangebied deels verstoord hebben. Aangezien in het plangebied geen historische bebouwing aanwezig is geweest, en gezien de verwachtte bodemverstoring als gevolg van de laat 20ste eeuwse bebouwing, is de trefkans op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd laag. Omdat het water van de Beemster voor de drooglegging in het begin van de 17de eeuw naar verwachting alle oudere archeologische lagen heeft verspoeld, geldt voor de overige periodes ook een lage trefkans.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

15

3

Conclusies en aanbevelingen

Uit onderhavig archeologisch bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied vanaf de drooglegging van de Beemster tot de jaren ’70 van de 20ste eeuw in gebruik is geweest als (moes)tuin en akkerland. Gedurende de afgelopen decennia is een deel van het plangebied bebouwd met bedrijfsgebouwen, waardoor mogelijk de bodem lokaal is verstoord. De kans op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied is daarom laag. Vanwege de lage verwachting adviseert Buro de Brug om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Indien tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt een meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Bovenstaand advies dient beoordeeld te worden door de bevoegde overheid.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

16

4

Geraadpleegde literatuur

4.1

Digitale bronnen

www.ahn.nl https://archis.cultureelerfgoed.nl https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.dinoloket.nl www.gahetna.nl www.geologievannederland.nl www.hisgis.nl www.rijksmonumenten.nl www.rijksoverheid.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.topotijdreis.nl 4.2

Literatuur

Alders, G.P., 2004: Beleidsnota Archeologie Gemeente Beemster 2003, Stichting Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland, Wormer. Bakker, H. de/J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus, Wageningen (PUDOC). Barends, S., et al., 1993: Het Nederlandse landschap: een historisch-geografische benadering, Utrecht. Berendsen, H.J.A., 1997: Landschappelijk Nederland, Assen. Berendsen, H.J.A. / E. Stouthamer, 2001: Palaeogeographical development of the Rhine-Meuse delta,

the Netherlands, Assen.

Berendsen, H.J.A., 2004: De vorming van het land. Fysische geografie van Nederland, Assen. Bont, Ch. de 2008: Vergeten Land, ontginning, bewoning en waterbeheer in de westnederlandse veengebieden (800-1350), dissertatie in 2 delen. Wageningen. Dehé, J., 2011: Zuidoostbeemster uitgebreid. In: De Nieuwe Schouwschuit; Tijdschrift van het Historisch Genootschap Beemster. Jubileumuitgave. 9e jaargang, april 2011. Dijk, K.M. van /J.W.M. Oudhof, 2015: Archeologisch bureauonderzoek Zuiderweg 55 Zuidoostbeemster. Buro de Brug Rapporten B15-222, Amsterdam. Leuvering, J.H.F., 2012: Bureauonderzoek en Inventariserend Vledonderzoek, karterend booronderzoek. Nekkerweg 18 te Middenbeemster. Synthegra rapport S120433. Mulder, E.F.J. de /M.C. Geluk /I.L. Ritsema / W.E. Westerhoff / Th.E. Wong, 2003: De ondergrond van

Nederland, Groningen/Houten.

Salomons, K.T. en A. Griffioen, 2012: Archeologische opgraving Fort Nekkerweg, gemeente Beemster, NH. Hollandia-reeks nr 448. Stiboka, 1977: Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000.

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

17

5

Bijlagen

5.1

Bijlage 1: Ontwerptekening

B17-338

Bureauonderzoek Nekkerweg 72 Zuidoostbeemster

definitief

26 juni 2017

18

Bestemmingsplan "Beemsterbuiten c.a." (vastgesteld)

Bijlage 4 Actualiserend bodemonderzoek

96

2001/2002

HB Adviesbureau verklaart hierbij dat ten aanzien van de uitgevoerde werkzaamheden zij op geen enkele wijze een relatie heeft met de opdrachtgever en/of eigenaar van de onderzoekslocatie, danwel dat sprake is van een gewaarborgde functiescheiding conform de geldende richtlijnen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Hoewel HB Adviesbureau de grootste zorgvuldigheid betracht bij het uitvoeren van dit onderzoek kan het geen volledige zekerheid bieden omtrent de aan- of afwezigheid van een verontreiniging voor het gehele onderzoeksgebied. Het onderzoek betreft een momentopname. HB Adviesbureau aanvaardt op generlei wijze aansprakelijkheid voor gevolgen welke voortvloeien uit beslissingen welke genomen zijn op basis van de onderzoeksresultaten van het onderhavig bodemonderzoek. HB Adviesbureau werkt uitsluitend samen met laboratoria, welke door de Raad van Accreditatie (RvA) geaccrediteerd zijn. De laboratoria bieden u de mogelijkheid om de juistheid en authenticiteit van de analyseresultaten te controleren.

HB Adviesbureau

INHOUDSOPGAVE

PAGINA

1.

INLEIDING EN DOEL

1

2.

VOORONDERZOEK EN TOETSINGSKADER

2

2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6.

2 2 2 4 4 5

3.

4.

5.

Inleiding Geraadpleegde informatiebronnen Verkregen informatie Onderzoekshypothese en -opzet Toetsingskader Nader bodemonderzoek

BESCHRIJVING VELDWERK

6

3.1.

6

Uitvoering bodemonderzoek

RESULTATEN GROND

7

4.1. 4.2. 4.3.

Veldwerk Uitvoering analyses Analyseresultaten

7 8 8

RESULTATEN GRONDWATER

11

5.1. 5.2. 5.3.

11 11 12

Veldwerk Uitvoering analyses Analyseresultaten

6.

BESPREKING VERONTREINIGINGSSITUATIE

13

7.

VEILIGHEID

14

7.1.

14

8.

Bodem

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

BIJLAGEN I : II : III : IV : V : VI : VII :

22HB0316-A1

Overzichtstekening met topografische ligging Vlekkenkaart Profielbeschrijvingen Toetsingstabellen Analysecertificaten Toetsingskader Wet bodembescherming Toetsingskader Besluit en Regeling bodemkwaliteit

15

HB Adviesbureau

1.

INLEIDING EN DOEL

Door E.M.E. II is aan HB Adviesbureau opdracht verleend voor het uitvoeren van een actualiserenden nader bodemonderzoek. Een overzicht van de onderzoekslocatie met de topografische ligging is weergegeven in bijlage I. Aanleiding voor het uitvoeren van het onderhavig onderzoek is de toekomstige herinrichting van de locatie. Doel van het onderzoek is het vastleggen van: de milieuhygiënische situatie op de locatie; de indicatieve verwerkingsmogelijkheden van de vrijkomende materialen (grond) en de milieuhygiënische kwaliteit hiervan; de in acht te nemen veiligheidsklasse conform de CROW 400 tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Met bovenstaande doelstellingen wordt nagegaan of er belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden. Voorafgaand aan de uitvoering van onderhavig onderzoek wordt eerst alle (historische) informatie verzameld. Vervolgens wordt met in achtneming van de doelstellingen van het onderzoek bepaald welke onderzoeksprotocol(len) gevolgd dient te worden en op welke wijze (strategie) het onderzoek uitgevoerd wordt. Het gehele voortraject voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden wordt behandeld in hoofdstuk 2.

22HB0316-A1

24 van 16 | Pagina

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943388/1