CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

D 1 Bestemmingsplan Gedempte Where 1, toelichting en regels

Gemeenteraad 25 maart 2021, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Gedempte Where 1 (PostNL)36.126 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Projecten, die maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10) bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit, vallen onder de definitie van 'niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit' en hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen waarbij een besluit, aangaande een project, in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt. In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën projecten opgenomen die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. In de 'Regeling NIBM bijdragen' is onder meer opgenomen dat voor woningbouwlocaties van een bepaalde omvang sprake is van niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit ofwel dat het woningbouwproject geen aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit. Voor woningbouwprojecten is de regeling van toepassing op woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat.

Gedempte Where 1

49

4.3.2 Analyse Het Besluit gevoelige bestemmingen is voor het onderhavige plan niet relevant. De functie wonen wordt ten aanzien van luchtkwaliteit niet aangemerkt als een (meer) gevoelige bestemming. Het project, dat met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, omvat maximaal 158 woningen en 150 m2 bvo horeca, of maximaal 161 woningen en geen horeca. Gezien dit beperkte aantal woningen en de kleinschalige horeca zal het project appartementengebouw PostNL niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Dit kan worden geconstateerd op grond van de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". Het project draagt minder dan 1,2 µg/m3 bij aan de lokale luchtkwaliteit. Dit is geconstateerd op basis van de NIBM-tool. Het effect op de luchtkwaliteit is berekend op basis van de toename van het aantal voertuigen vanwege het onderhavige project (zie paragraaf 4.1). Op basis van de NIBM-berekening kan worden geconcludeerd dat het project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is voor het project PostNL daarom niet benodigd. De NIBM-tool berekening is weergegeven op afbeelding 4.3. Afbeelding 4.3: Berekening NIBM-tool verkeer PostNL-project

Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld draagt niet bij aan een relevante verslechtering van de luchtkwaliteit. Verder blijkt uit de NSL-monitoringstool (2019) dat de concentraties aan de luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het onderhavige plangebied ruim – met meer dan respectievelijk 19, 20 en 13 µg/m3 – onder de grenswaarden (voor jaargemiddelde concentraties) liggen, in zowel 2018, 2020 als 2030. Dit volgt uit het toets-/rekenpunt van de NSL-monitoringstool liggend op de grens van het plangebied (langs de Gedempte Where). De huidige luchtkwaliteit ter plaatse van de PostNL-locatie is ruim voldoende zodat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.3.3 Conclusie Er is bij het onderhavige project en bestemmingsplan sprake van 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Met NIBM bijdragen wordt voldaan aan de eisen van de Wet milieubeheer. Er is na projectrealisatie geen relevant effect op de luchtkwaliteit als gevolg van het project appartementengebouw PostNL. Tevens is de huidige luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied ruim voldoende. De luchtkwaliteit, of een geringe verandering daarvan, vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen nader onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

50

Gedempte Where 1

4.4

Bodemkwaliteit

4.4.1 Beleidskader Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat in de toelichting van een plantype onder meer moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Een onderzoek naar de bodemgesteldheid maakt hiervan deel uit. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. In de bestaande stad is dit niet in alle gevallen mogelijk in verband met de aanwezigheid van eventuele historische verontreinigingen. Teneinde maatschappelijke en/of ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren als gevolg van de aanwezigheid van bodemverontreiniging, is het mogelijk om onder voorwaarden bestemmingen op een verontreinigde bodem te realiseren. Een en ander is ook verwoord in het in 2009 door burgemeester en wethouders vastgestelde bodembeleidsplan van de gemeente Purmerend en het hieraan gekoppelde bodembeheerplan en de in 2014 vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Met deze instrumenten wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke taak met betrekking tot actief bodembeheer. De gemeente beschikt over een bodeminformatiesysteem. In dit systeem is de bij de gemeente bekende bodeminformatie geregistreerd. Dit systeem wordt ook in het kader van de bodemtoets bij bouwaanvragen regelmatig geraadpleegd en voortdurend geactualiseerd met nieuwe onderzoeksgegevens of geplande en gerealiseerde bodemsaneringen.

Door het vaststellen van het bodembeleid, het bodembeheerplan en de bodemkwaliteitskaart heeft de gemeente invulling gegeven aan haar beleidsvrijheid op het gebied van bodemtaken. Bij procedures voor ruimtelijke plannen worden deze instrumenten ingezet, waardoor er in de praktijk steeds minder vaak bodemonderzoek en bodemsanering hoeft te worden uitgevoerd. De mogelijkheid om op (eventueel verontreinigde) grond te kunnen bouwen dient per geval te worden beoordeeld. De Wet bodembescherming biedt de kaders waarbinnen gehandeld dient te worden. Afhankelijk van de verontreinigingssituatie, is de gemeente dan wel de provincie het bevoegd gezag bij een eventuele sanering. In het geval dat de gemeente het bevoegd gezag is, kan het bouwen op verontreinigde bodem geregeld worden in de omgevingsvergunning. Dit is in alle gevallen maatwerk. Indien de bevoegdheid ligt bij de provincie, dan dient bij de provincie een BUS-melding te worden ingediend. Wanneer binnen 4 weken geen reactie van de provincie wordt ontvangen, is het toegestaan om te saneren conform de BUS-melding. Deze procedure is in de plaats gekomen van de voormalige goedkeuring van de provincie. De BUS-melding of de beschikking inzake sanering wordt gepubliceerd in een huis-aan-huisblad. Indien noodzakelijk worden aanvullend saneringsvoorschriften in de omgevingsvergunning opgenomen. De beschikking is hiervoor leidend.

Wat betreft de concrete ontwikkelingen dient in geval van functiewijziging onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit.

4.4.2 Analyse In het kader van de ontwikkeling van de PostNL-locatie is er een verkennend bodemonderzoek verricht, namelijk door het bureau Ambiente Nederland BV. In de Toelichting van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van informatie uit het rapport "Verkennend bodemonderzoek Gedempte Where 1 Purmerend" (d.d. 7 april 2020) van Ambiente Nederland BV, dat is bijgevoegd als bijlage 8. Vanwege gebrek aan concrete informatie over voormalige bodembedreigende activiteiten enerzijds en de resultaten van het in 2008 door Search uitgevoerde bodemonderzoek anderzijds, is besloten de bodemkwaliteit van de planlocatie te onderzoeken, op basis van de strategie voor onverdachte locaties. De hypothese is dat de locatie Gedempte Where 1 een onverdachte locatie is.

Gedempte Where 1

51

Uit het bodemonderzoek van 2020, dat op de locatie Gedempte Where 1 is uitgevoerd, blijkt dat zowel in de grond als het grondwater verontreinigingen aanwezig zijn. Grond-verontreinigingen zijn aangetroffen vanaf een halve meter diepte. In de toplaag zijn geen verontreinigingen aangetoond. Tussen een halve en een meter diepte zijn lichte verontreinigingen met lood, minerale olie, PAK en PCB's aanwezig. Tussen een en twee meter diepte zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen (kwik, lood, zink) en minerale olie en licht tot sterk verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. Asbest is niet aangetroffen. Het sterk verhoogde PAK-gehalte in de ondergrond is gemeten buiten het voor woningbouw te ontwikkelen terrein en binnen de zone welke voor infrastructuur en groenvoorzieningen wordt ingericht. Het grondwater op de herontwikkelingslocatie bleek slechts licht met barium te zijn verontreinigd. Gezien de aangetroffen verontreinigingen dient de onderzoekshypothese verworpen te worden.

Gezien echter de aard van de aangetroffen verontreinigingen en de verdeling ervan in horizontale en verticale zin enerzijds en de resultaten van voorgaand onderzoek anderzijds, wordt geacht dat de bodemkwaliteit voldoende beschreven is en dat er geen reden is voor aanvullend bodemonderzoek, voor zover de werkzaamheden ten behoeve van de herontwikkeling en herinrichting plaatsvinden in de bovenste meter van de bodem. Ten behoeve van eventuele grondwerkzaamheden beneden een meter diepte wordt aanvullend onderzoek ter plaatse aanbevolen. In geval van werkzaamheden in sterk verontreinigde grond zal een BUS-melding (melding in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen) nodig kunnen zijn. De verwachting is dat er geen graafwerkzaamheden beneden een meter diepte plaatsvinden. Mocht er tijdens de ontwikkeling en herinrichting van het terrein grond vrijkomen, dan is deze mogelijk elders herbruikbaar. Die grond zal dan nog wel middels een AP04 keuring onderzocht moeten worden. Voorliggend onderzoek leent zich niet voor de toets op herbruikbaarheid. De in het bodemonderzoek vermelde PAK-bodemverontreiniging in de ondergrond bevindt zich ter plaatse van het bestaande parkeerterrein, aan de oostrand van het plangebied ter plaatse van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

Aldaar bevindt zich in de huidige en toekomstige situatie verhard oppervlak, en zal na herinrichting van het openbaar gebied geen aanraking met de grond plaatsvinden. De grondroering bij de herinrichting beperkt zich tot de bovengrond. De PAK-verontreiniging bevindt zich niet in de bovengrond en blijft afgedekt met een grondlaag. Vanwege het verdwijnen van het parkeerterrein zal de verontreiniging zich niet uitbreiden. Kortom, de PAK-verontreiniging vormt geen bedreiging, en geen belemmering voor het onderhavige plan. De verontreinigingen onder het gebouw en de bestemming 'Wonen', die zich in de ondergrond bevinden, zijn en blijven afgedekt door de bovengrond, en vormen daarmee geen enkele belemmering voor het onderhavige plan. De geconstateerde verontreinigingen in het bodemonderzoek bevinden zich allemaal in de ondergrond oftewel tenminste een halve meter onder maaiveld. De verontreinigingen zullen onder een schone grondlaag blijven liggen. Daarmee volstaat de bodemkwaliteit voor de beoogde functies. De bodemverontreinigingen in het plangebied vormen geen belemmering voor het onderhavige plan.

4.4.3 Conclusie De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze, in combinatie met kenmerken van het plan, de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.

52

Gedempte Where 1

4.5

Water

4.5.1 Beleidskader Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat de waterhuishouding in kaart moet worden gebracht voor ruimtelijke plannen. Daarom dient een watertoets te worden verricht. Bij de beoordeling van de watertoets door de verantwoordelijke instantie, het Waterschap, wordt rekening gehouden met juridische kaders en beleidskaders. Bij een watertoets worden meerdere beleidskaders in acht genomen. Hierna worden de beleidskaders met betrekking tot water(huishouding) beschreven. Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de 'Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw' en nota 'Waterbeleid voor de 21e eeuw' (Advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw) is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water.

De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationaal Bestuursakkoord Water actueel (NBW actueel) en Bestuursakkoord Water In 2003 is door het Rijk, de provincies, de waterschappen (Unie van Waterschappen) en de gemeenten (VNG) het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend in navolging van het advies Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het doel van het NBW is om rekening houdend met klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing, bodemdaling en verstedelijking, het watersysteem in 2015 op orde te hebben en voor de toekomst op orde te houden. In 2008 werd het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) geactualiseerd. In mei 2011 hebben het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) het Bestuursakkoord Water ondertekend.

Doel van het Bestuursakkoord Water is te blijven zorgen voor veiligheid tegen overstromingen, goede kwaliteit van water en voldoende zoet water. Het NBW en het Bestuursakkoord Waterketen hebben de basis gelegd voor het Bestuursakkoord Water. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers.

Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit.

Gedempte Where 1

53

De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen. Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water.

Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. De Keur, en Beleidsregels Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. De Keur is een eigen verordening van het Hoogheemraadschap die van oudsher zo heet.

De Keur dient ter bescherming van de waterhuishoudkundige infrastructuur, de waterkeringen en de handhaving van het waterpeil. De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. Voor een deel van de verboden activiteiten uit de Keur kan onder voorwaarden een watervergunning worden verleend. Voor bepaalde activiteiten kan worden volstaan met een melding. Het bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft de nu vigerende Keur vastgesteld: de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016, met de Algemene regels. De Beleidsregels keurontheffing zijn vastgesteld in 2007. Daarnaast zijn er de Beleidsregels 'Compensatie verhardingstoename' en 'Alternatieve vormen van waterberging'.

4.5.2 Watertoets In het kader van dit bestemmingsplan en de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling is overleg gepleegd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

4.5.2.1 Algemeen Voor de ontwikkeling van de PostNL-locatie (Gedempte Where 1) is een waterparagraaf/-toets van belang. Het aspect water dient in het kader van het bestemmingsplan te worden beoordeeld. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft ten aanzien van ruimtelijke plannen een adviserende rol op het gebied van water, en beoordeelt de waterparagraaf/-toets.

54

Gedempte Where 1

Tijdens dit proces kunnen afspraken worden gemaakt over het borgen van de waterbelangen tijdens en na realisatie van de ontwikkeling. Bij de aanvraag van een watervergunning, die (indien benodigd) veelal volgt na een verkregen omgevingsvergunning, worden afspraken gemaakt en worden door het HHNK voorwaarden voor de uitvoering van een project opgelegd. Inmiddels is een watervergunning voor het project PostNL verleend. In de onderhavige waterparagraaf/-toets is een vertaalslag gemaakt van het vigerende beleid van het HHNK naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen in en nabij het plangebied (van het appartementengebouw project PostNL). Buiten het plangebied zijn geen sprake van relevante veranderingen in de waterhuishouding te verwachten omdat er geen wezenlijke wijzigingen plaatsvinden. De watertoets zal daarom hoofdzakelijk ingaan op het bestemmingsplangebied zelf. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Langs de (noord)oostzijde van het plangebied ligt de brede watergang De Where, een kanaal. Ten westen en zuiden van het plangebied bevinden zich geen watergangen. In de toekomstige situatie dan wel met de ontwikkeling van het plan/project vindt er geen verandering met betrekking tot het oppervlaktewater plaats.

De kade van de waterkant van de primaire watergang aan de (noord)oostzijde van het plangebied blijft in principe ongewijzigd, en is een element waarmee rekening moet worden gehouden bij de planuitwerking. De watergang De Where aan de (noord)oostkant van het plangebied betreft een primaire watergang. Voor werkzaamheden binnen 5 meter afstand van een primaire watergang is een watervergunning nodig.

4.5.2.2 Veiligheid / Waterkeringen Het onderhavige plangebied ligt in de kernbeschermingszone, de binnenbeschermingszone en de buitenbeschermingszone van een waterkering, namelijk de waterkering van/langs De Where. Deze waterkering, of de locatie langs de waterlijn, wordt gezien als een bebouwde dijkstrekking waarbij het maaiveld in de aangrenzende polder op kerende hoogte ligt (zogenoemd hoogland). Het bouwvlak van het bouwplan/project van het appartementengebouw PostNL ligt niet in de kernbeschermingszone van de waterkering. De beschermingszones van de waterkering ter plaatse van het onderhavige plangebied zijn weergegeven op afbeelding 4.5A. Voor het onderhavige plan/project is het voldoende om een afstand van 7 meter (als bouwgrens) vanuit de damwand/beschoeiing vrij te houden. Een mogelijk aandachtspunt bij de uitvoering van het plan is het uitsluiten/vermijden van een risico voor opbarsten van de ondergrond. Andere aandachtspunten zijn: Bestaande kabels en leidingen (tevens wenstracé/studietracé van stadverwarming Purmerend). Eventuele bestaande en/of nieuwe verankering van de oeverbescherming/kade. Het onderhavige bouwplan ligt op circa 10 meter van de kade (damwand/beschoeiing) van de watergang De Where. Daarmee ligt het appartementengebouw van het project PostNL op ruim voldoende afstand van de kade.

Het onderhavige plan en project zal niet van invloed zijn op de veiligheid van de waterkering. Voor het project PostNL is een watervergunning benodigd vanwege de ligging binnen de beschermingszone A (het rozige vlak op afbeelding 4.5A). Deze (binnen)beschermingszone is in het vigerende en onderhavige bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. Inmiddels is een watervergunning voor het project PostNL ten aanzien van bouwen binnen de beschermingszone verleend.

Gedempte Where 1

55

Afbeelding 4.5A: Beschermingszones waterkering ter plaatse van het onderhavige plangebied

4.5.2.3 Verhard oppervlak, infiltratie en waterberging Met het principe 'waterneutraal bouwen' zijn er bij een relevante toename van het verhard oppervlak compensatiemaatregelen vereist zijn om piekafvoeren op te kunnen vangen. Deze maatregelen kunnen worden gerealiseerd door het vasthouden of bergen van water door de aanleg van een waterberging of infiltratievoorziening. De benodigde compensatie voor de toename van het verhard oppervlak opgelegd door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) wordt per situatie vastgesteld, indien er meer dan 800 m2 extra verhard oppervlak wordt gerealiseerd. De compensatie-eis voor de toename van het verhard oppervlak van het HHNK is 10%, bij compensatie door realisatie van meer wateroppervlak, bij een toename van het verhard oppervlak tussen 800 m2 en 2.000 m2. Dit volgt uit het beleidsdocument "Beleidsregels 'Compensatie verhardingstoename' en 'Alternatieve vormen van waterberging'" d.d. 28 januari 2015 van het HHNK. De voorkeur van het HHNK gaat uit naar behoud van infiltratie ofwel compensatie door middel van infiltratie in de bodem. Voor het onderhavige plan/project zijn voor het plangebied berekeningen gemaakt van de oppervlakken van verhard gebied en onverhard gebied in de huidige situatie en de toekomstige situatie.

In tabel 4.5 staan de oppervlaktes van het verhard en onverhard oppervlak, in de huidige en toekomstige situatie, aangegeven. Het onverhard oppervlak in de huidige situatie, binnen het onderhavige plangebied, heeft een oppervlakte van circa 1.052 m2, en is weergegeven op afbeelding 4.5B. Het onverhard oppervlak in de toekomstige situatie, binnen het onderhavige plangebied, zal tenminste 318 m2 zijn, gelet op de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak Groen. De toename aan verhard oppervlak is maximaal 734 m2. Daarmee ligt de toename aan verhard oppervlak onder de 800 m2. Tevens vinden in de omgeving van het plangebied geen ontwikkelingen plaats die leiden tot een toename van verhard oppervlak. Er hoeven geen compensatiemaatregelen te worden getroffen. Langs de (noord)oostzijde van het plangebied kan circa 600 m2 onverhard oppervlak (groenstrook) gerealiseerd worden.

56

Gedempte Where 1

Uit afbeelding 4.5C blijkt dat er bij het project en in de nieuwe situatie naar verwachting voldoende onverhard oppervlak in het plangebied zal worden gerealiseerd. Tabel 4.5: Oppervlakken onderhavig plangebied Totale oppervlakte = Verhard oppervlak 5.500 m2 Huidige situatie 4.448 m2 Toekomstige situatie 5.182 m2

Onverhard oppervlak (geen water zijnde) 1.052 m2 minimaal 318 m2

Verandering verhard oppervlak maximaal +734 m2

Door infiltratie en afvoer via kolken, putten en leidingen in het noordelijk en oostelijke deel van plangebied (van het appartementengebouw project PostNL) wordt het regenwater vanuit het plangebied geborgen in het oppervlaktewater ten (noord)oosten van het plangebied. Aan de zuid- en westzijde van het plangebied zal de waterafvoer en -berging in de toekomstige situatie min of meer hetzelfde zijn als in de huidige situatie, en aldaar verandert de verhouding verhard-onverhard oppervlak ook nauwelijks. Er was en is weinig ruimte voor onverhard oppervlak langs de Gedempte Where en Hoornselaan. Eventuele maatregelen om extra infiltratie of tijdelijke waterberging te realiseren zijn bij het onderhavige project en in dit plangebied niet of beperkt mogelijk. Er kan een daktuin boven de parkeergarage, op de binnenplaats, worden gerealiseerd. In de daktuin/tuinen kan regenwater kort worden opgevangen. De daktuin wordt niet gerekend als onverhard (en infiltratie) oppervlak. Afbeelding 4.5B: Huidig onverhard oppervlak (infiltratie-oppervlak) PostNL-locatie, binnen plangebied

Gedempte Where 1

57

Afbeelding 4.5C: Toekomstig onverhard oppervlak (infiltratie-oppervlak) PostNL-locatie

4.5.2.4 Grondwater De (freatische) grondwaterstand in het plangebied zal sterk worden bepaald door regenval en niet door het naastgelegen oppervlaktewater vanwege de kade/damwand. Het oppervlakwater is nabij aanwezig waardoor een deel van het regenwater snel naar de primaire watergang kan worden afgevoerd. In periodes van hevige regenval zal de grondwaterstand hoger liggen. Aangezien er bij de ontwikkeling van het appartementengebouw project PostNL geen kelders of half-verdiepte delen worden gerealiseerd, is het grondwater geen aandachtspunt of belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan en project.

4.5.2.5 Waterafvoer en riolering, en lozing De kade van de watergang De Where ligt lager dan het maaiveld aan de (noord)oostzijde van het plangebied, waardoor het regenwater aan de (noord)oostzijde (voor een deel) direct kan afstromen naar het oppervlaktewater. In de huidige situatie is in het plangebied een gemengd riool aanwezig en is langs het plangebied een gescheiden riolering gelegen. In het plangebied liggen geen regenwaterafvoerleidingen. Bij realisatie van het appartementengebouw project PostNL wordt aan de west- en zuidzijde aangesloten op het bestaand riool. Mogelijk wordt aan de (noord)oostzijde een (verbeterd) gescheiden rioleringsstelsel gerealiseerd, waarbij regenwaterafvoerleidingen worden aangelegd waarmee het schone regenwater (vanaf de daken) naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd. Een andere mogelijkheid is dat het hemelwater via de verharding, door het hoogteverschil, richting de kade afstroomt, waarbij in de verharding gootjes kunnen worden aangebracht waarin het water wordt afgevoerd. Als dit niet mogelijk is, dan zal het hemelwater ook aan de noordzijde naar het DWA riool worden afgevoerd.

58

Gedempte Where 1

De appartementen worden aangesloten op de gemeentelijke riolering (DWA). De capaciteit van de riolering zal (door de gemeente) worden afgestemd op de toename aan afvalwater. In principe wordt al het hemelwater afgevoerd middels het DWA riool ofwel gemengd rioolstelsel. Het HHNK adviseert in principe gescheiden afvoer. Afhankelijk van de beperkingen van (o.a.) de waterkering kan aan de (noord)oostzijde worden gekozen voor gescheiden afvoer. Het heeft de voorkeur om aan de (noord)oostzijde hemelwater apart af te voeren. Aan de west- en zuidzijde is gescheiden afvoer niet mogelijk. Het hemelwater op de binnenplaats/daktuin wordt direct afgevoerd naar het DWA riool, en eventueel naar een gescheiden stelsel (HWA). Enkel in de tuinen (op de binnenplaats/daktuin) kan regenwater kort worden opgevangen. Voor de capaciteit van de regenwaterafvoer wordt geen rekening gehouden met het eerst opvangen/vasthouden van regenwater. Het maaiveldniveau van het gebouw ligt lager dan de weg Hoornselaan aan de noordkant, waardoor bij regen het risico ontstaat op wateroverlast in het gebouw. Dit aspect wordt meegenomen bij de uitwerking van het plan. Er zijn oplossingen om het water af te voeren alvorens het water vanaf de weg het nieuwe gebouw bereikt, en het risico op wateroverlast zal worden geminimaliseerd (ook door bouwkundige aanpassingen).

Lozingen uit bronnering Indien er gebruik gemaakt zal worden van een bronnering met lozingspunten naar het oppervlaktewater tijdens de bouwwerkzaamheden, geldt het volgende ten aanzien van lozing. Het nabijgelegen oppervlaktewater De Where betreft primair water. Afhankelijk van de hoeveelheid te lozen water gelden de volgende uitgangspunten: Voor primaire watergangen geldt tot 50 m3 per uur geen beperking, geldt een meldplicht met mogelijk een meet- en registratieplicht bij hoeveelheden van 50 tot 100 m3 per uur, en geldt een vergunningsplicht bij een lozing boven 100 m3 per uur. Omdat het onderhavige project geen kelder kent, en dus de liftputten de grootste aanlegdiepte hebben, zal er nauwelijks sprake zijn van bronnering. In het meest ongunstige geval (uitvoering liftputten in natte periode) zou enige grondwateronttrekking benodigd kunnen zijn, met lozing op het oppervlaktewater mits de kwaliteit van het onttrokken water dit toelaat.

4.5.2.6 Waterkwaliteit Bij het appartementengebouw project PostNL worden geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. Voor de overige objecten in het plangebied worden alleen milieuvriendelijke en niet-uitlogende materialen gebruikt. Kortom, de bouwmaterialen hebben niet of nauwelijks negatieve invloed op de waterkwaliteit. Indien er toch gebruik gemaakt wordt van uitlogende materialen, adviseert het HHNK om ter plaatse maatwerk toe te passen om uitspoeling naar het oppervlaktewater te voorkomen. Ter voorkoming van het onnodig belasten van de rioolwaterzuiveringsinstallaties wordt hemelwater zoveel als mogelijk geloosd op het oppervlaktewater. Aangezien de waterstromen naar verwachting geen of geringe verontreinigingen bevatten kan het regenwater in principe zonder maatregelen direct in het oppervlaktewater worden geloosd. Het is van belang dat de regenwaterstromen zoveel als mogelijk vrijblijven van verontreinigingen om negatieve invloed op de waterkwaliteit van het oppervlaktewater te voorkomen.

4.5.2.7 Ruimtelijke- en klimaatadaptie De situatie en ligging van het onderhavige plangebied bieden weinig ruimte voor specifieke of uitgebreide oplossingen en/of maatregelen met betrekking tot ruimtelijke- en klimaatadaptie. Doordat de nieuwbouw groter is dan de bestaande bebouwing, en een groot deel van de aanliggende openbare ruimte (in het plangebied) van verharding moet worden voorzien, algemeen bruikbaar moet zijn en/of ter plaatse van een waterkering ligt, zijn (naast de groenstrook) bijvoorbeeld waterdoorlatende oppervlakken, wadi's en infiltratiekratten niet mogelijk op deze planlocatie.

Gedempte Where 1

59

De ligging van het plangebied maakt het mogelijk dat regenwater voor een groot deel rechtstreeks afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, maar dat betreft niet een klimaat adaptieve maatregel. Als klimaat adaptieve maatregel wordt in het plangebied de maatregel 'Tegel eruit, groen erin' toegepast. De voorgaande paragrafen laten zien dat er reeds rekening is gehouden met ruimtelijke- en klimaatadaptie, voor zover nodig en mogelijk op de onderhavige planlocatie.

4.5.3 Vooroverleg Hoogheemraadschap(Waterschap) Voorafgaand aan het opstellen van de watertoets is er reeds contact geweest met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het eerste advies van het HHNK is meegenomen in het opstellen van de watertoets. De watertoets is voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het HHNK heeft om verduidelijking en nadere toelichting gevraagd op een aantal onderdelen in de watertoets. De vragen van het HHNK zijn beantwoord, en de watertoets is aangepast.

4.5.4 Conclusie De waterhuishouding vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan en project PostNL. De beperkte toename aan verhard oppervlak vereist formeel geen maatregelen of compensatie. Doordat een groot deel van het regenwater rechtstreeks naar het groot oppervlaktewater De Where wordt afgevoerd, is het verhard oppervlak geen nader aandachtspunt. Nadere maatregelen zijn bij het onderhavige plan ook niet nodig. De waterkering, betreffende de kade van De Where, aan de (noord)oostzijde van het plangebied, ligt op voldoende afstand van de nieuwbouw.

4.6

Natuurwaarden

4.6.1 Beleidskader Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de wet- en regelgeving inzake natuur, flora en fauna. Zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten kennen wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenoemde speciale beschermingszones ("Natura 2000" gebieden) aangewezen. De door het Rijk aangewezen Natura 2000-gebieden zijn eerst aangemeld bij de Europese Unie. Gebiedsbescherming is in het Nederlands recht geregeld in de Wet natuurbescherming sinds 1 januari 2017, en was voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Daarnaast is er ook sprake van juridische natuurbescherming via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale ruimtelijke omgevingsverordeningen. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat een samenhangend netwerk van natuurgebieden is. Inmiddels is de EHS opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Bij het NNN zijn ook de door het Rijk aangewezen, en door de Europese Unie geconfirmeerde, Natura 2000-gebieden van groot belang.

60

Gedempte Where 1

De bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van planten- en diersoorten in hun natuurlijke leefgebied is geregeld in de Wet natuurbescherming sinds 1 januari 2017. Het uitgangspunt van de wet is "nee, tenzij". Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken met een ontheffing of vrijstelling. In de Wet natuurbescherming is een doorvertaling en interpretatie van de Europese richtlijnen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn opgenomen. Bij de wet zijn uitgebreide lijsten met beschermde soorten opgenomen. Op grond van de Wet natuurbescherming moet inzicht worden gegeven in het voorkomen en de verspreiding van beschermde soorten op populatieniveau, zodat de effecten van voorgenomen ontwikkelingen en activiteiten kunnen worden getoetst aan de (gunstige) staat van instandhouding van de betreffende soorten. Afhankelijk van het beschermingsniveau van de soort moet de gunstige staat van instandhouding worden getoetst op lokaal, regionaal of landelijk niveau.

In de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wnb); soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (artikel 3.5 Wnb); overige soorten (artikel 3.10 Wnb). Voor alle soorten, dus ook voor de niet beschermde soorten, geldt de zorgplicht. De Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet zijn per 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming kent veel bevoegdheden aan de provincies toe. De uitvoering van de wet wordt gedaan door de provincies en voor bepaalde zaken door de RVO (namens het Rijk). De provincies kunnen ten aanzien van verboden handelingen ontheffing verlenen en bij verordening vrijstellingen geven. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vloeien voort uit de Europese richtlijnen (evenals de verboden handelingen). De verbodsbepalingen die gelden voor de overige soorten hebben betrekking op de soorten opgenomen in de Bijlage van de Wet natuurbescherming, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, onder Onderdeel A en Onderdeel B.

Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan.

4.6.2 Analyse In het kader van de beoogde sloop van het bedrijfspand op de locatie Gedempte Where 1 te Purmerend, en het onderhavige project PostNL, is een quickscan flora en fauna en een vleermuisonderzoek verricht, door het ecologisch adviesbureau Eelerwoude. In de Toelichting van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van informatie uit het rapport "Toetsing Wet natuurbescherming - Sloop en herontwikkeling locatie Gedempte Where 1 Purmerend" (d.d. 30 april 2020) en het rapport "Nader onderzoek vleermuizen - Gedempte Where 1 te Purmerend" (d.d. 25 augustus 2020) van bureau Eelerwoude. Deze onderzoeken zijn bijgevoegd als bijlagen 9 en 10. De resultaten en conclusies van de onderzoeken voor het onderhavige plangebied worden hierna in hoofdzakelijk paragraaf 4.6.2.2 beschreven.

Gedempte Where 1

61

Daarnaast is in het kader van het onderhavige project PostNL, en de bijbehorende effecten op de aanwezig bomen in het plangebied, een bomeneffectanalyse (BEA), door het bureau Copijn Boomspecialisten. In de Toelichting van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van informatie uit het rapport "Bomeneffectanalyse, Gedempte Where 1, Purmerend" (d.d. 11 juni 2020), dat is bijgevoegd als bijlage 11. De resultaten en conclusies van de BEA worden hierna in paragraaf 4.6.2.3 beschreven. Voor het project PostNL is onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de projectrealisatie en het nieuwe gebruik van het plangebied. In de Toelichting van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van informatie uit het rapport "Onderzoek stikstofdepositie project PostNL Purmerend" (d.d. 14 januari 2021) van Metafoor RO, en met betrekking tot het verkeer in de gebruiksfase het rapport "PostNL-locatie Purmerend - Onderzoek stikstofdepositie" (d.d. 19 juni 2020) van Goudappel Coffeng. Deze rapportages zijn bijgevoegd als bijlagen 12 en 13. De resultaten en conclusies van het stikstofdepositie-onderzoek worden hierna beschreven.

4.6.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op circa 3 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Polder Zeevang', op circa 4 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder' en op circa 6 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske'. Niet stikstof-gerelateerdeeffecten: De aard van de werkzaamheden en het plan maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerdeeffecten: Tijdelijke effecten: Met de voorgenomen tijdelijke werkzaamheden (het slopen van het pand en bomen kap) worden mobiele werktuigen gebruikt die stikstof uitstoten. Gezien de huidige uitspraken met betrekking tot de PAS is onduidelijk welke werkzaamheden zondermeer zijn toegestaan en voor welke werkzaamheden wel of niet een berekening en/of onderbouwing en/of natuurvergunning noodzakelijk is.

Er zal derhalve een stikstofdepositieberekening met Aerius gemaakt moeten worden. Effecten op de lange termijn: De nieuwe situatie betekent een verandering van de verkeersintensiteit ten opzichte van de huidige situatie. Het huidige pand kent geen stikstofuitstoot meer. Een nadere onderbouwing of toetsing voor de nieuwe situatie wordt dan ook noodzakelijk geacht. Er zal een stikstofdepositieberekening met Aerius gemaakt moeten worden. Uit het verrichte stikstofonderzoek blijkt dat stikstofdepositie geen belemmering vormt voor het onderhavige bestemmingsplan en het project PostNL. Stikstofonderzoek/-depositie Ten behoeve van het onderhavige plan en project is onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de projectrealisatie en het nieuwe gebruik van het plangebied. Het PostNL-project betreft de realisatie van maximaal 161 appartementen (of 158 appartementen en 150 m2 bvo horeca). Het voormalige postkantoor dient te worden gesloopt.

62

Gedempte Where 1

Het onderhavige plan zorgt voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen op het omliggende wegennet. Ook bij de sloop en bouw is sprake van de uitstoot van stikstof. Daarmee is mogelijk sprake van een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In dat kader is een onderzoek naar stikstofdepositie verricht. In de notitie van het onderzoek zijn de uitgangspunten en resultaten beschreven. Het stikstofdepositie-onderzoek ten aanzien van verkeer in de gebruiksfase is verricht door het bureau Goudappel Coffeng en is tevens in de notitie van Metafoor RO verwerkt. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 3 kilometer van het plangebied, maar kent geen stikstofgevoelige habitatten. De twee relevante Natura 2000-gebieden liggen ten westen en zuiden van Purmerend, op circa 4 tot 6 kilometer van het plangebied. Bij woningbouw zijn twee aspecten/fases van belang ten aanzien van stikstofdepositie: De gebruiksfase: De stikstofeffecten als gevolg van de verandering van verkeersbewegingen op omliggende wegen bij ingebruikname van de appartementen, en de (eventuele) stikstofuitstoot van de woningen. De realisatiefase: De stikstofeffecten als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen en de verkeersbewegingen gerelateerd aan de bouw van de woningen, waarbij de (eventuele) sloop voorafgaande aan de bouw eveneens tot stikstofuitstoot leidt.

De appartementen (en horeca) van het PostNL-project kennen geen aansluiting op het aardgasnet. Omdat sprake is van gasloos bouwen, is er geen sprake van uitstoot van stikstof (bij het gebruiken van de nieuwbouw). De verkeersgeneratie vanwege het onderhavige plan en het PostNL-project is bepaald in het verkeersonderzoek. Er is sprake van een verkeerstoename in de toekomstige situatie ofwel met de herontwikkeling. De verkeerstoename op basis van de weekdag van 500 mvt/etm is gebruikt voor de stikstofdepositieberekening. De verkeerstoename is relevant aangezien het gaat om het bepalen van de planbijdrage in de stikstofdepositie. De stikstofdepositieberekening is uitgevoerd met AERIUS Calculator 2020 voor het jaar 2021 (zie notitie Metafoor RO); dit betreft het worst-case jaar omdat de uitstoot voor verkeer naar verwachting afneemt. De emissies ten gevolge van het wegverkeer worden bepaald door AERIUS. De ontwikkelaar heeft op basis van ervaringscijfers een inschatting gemaakt van de benodigde inzet van mobiele werktuigen, en het bouwverkeer, voor de realisatie van maximaal 161 appartementen. Deze informatie is vergeleken met andere bronnen en projecten. Met betrekking tot de benodigde inzet van mobiele werktuigen voor de sloop van het bedrijfspand is informatie aangedragen door de sloopaannemer.

Uit de in te zetten mobiele werktuigen voor de bouw en sloop, en de draaiuren, volgt de (in te voeren) uitstoot NOx per jaar van de mobiele werktuigen, voor het PostNL-project. Het uitgangspunt voor de stikstofdepositieberekening is dat de sloop en bouw in 1 jaar plaatsvindt. Dit betreft een worst-case benadering/berekening. Voor het jaar 2021 is met AERIUS Calculator 2020 een berekening van de stikstofdepositie gemaakt ten aanzien van de inzet van mobiele werktuigen en het bouwverkeer. Resultaten Gebruiksfase De stikstofdepositie als gevolg van het extra verkeer vanwege het plan is berekend met AERIUS Calculator 2020. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositietoename groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Realisatiefase De stikstofdepositie vanwege de inzet van mobiele werktuigen en het bouwverkeer per jaar is berekend voor het jaar 2021. Uit de berekening met AERIUS Calculator 2020 blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositietoename groter dan 0,00 mol/ha/jaar voor de projectrealisatie.

Gedempte Where 1

63

Conclusie Zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase zijn geen toenames van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor het onderhavige plan en het PostNL-project. Ten aanzien van de bouw én ingebruikname van het appartementengebouw PostNL is stikstofdepositie geen belemmering en is voor stikstofdepositie geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op ongeveer 1.700 meter van begrensd NNN-gebied (genaamd 'Ringvaart van de Wijder Wormer'). Doordat NNN-gebieden geen externe werking kennen, kunnen met de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN worden uitgesloten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

4.6.2.2 Soortenbescherming Conclusiesverkennend onderzoek flora & fauna De voorgenomen werkzaamheden om het pand te slopen, bomen te kappen en groen te verwijderen voor herontwikkeling, zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie Noord-Holland vrijstellingen van de ontheffingsplicht opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling van ontheffingsplicht indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar deze overig beschermde soorten (algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren), inzake of een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd is, is daarom niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is wel noodzakelijk. In het te slopen bedrijfspand en de te kappen bomen zijn mogelijk verblijfplaatsen aanwezig, omdat het gebouw in principe geschikt is voor vleermuizen. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. Conclusiesvleermuisonderzoek Tijdens de vleermuisonderzoeken zijn in het gebied twee vleermuissoorten vastgesteld: gewone dwergvleermuis en watervleermuis.

De watervleermuis is alleen buiten het plangebied, voorbij vliegend over het water van het kanaal De Where waargenomen. Er is slechts één vleermuissoort (de gewone dwergvleermuis) in het plangebied waargenomen. Deze vleermuizen kwamen alleen tijdelijk foeragerend en/of passerend in het plangebied voor, waarbij er geen verblijfplaatsen zijn aangetroffen in het plangebied. Hierdoor treden er geen negatieve effecten op bij het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden (slopen van het pand en verwijderen bomen) en is een ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Bij het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden treedt er geen verstoring op van foerageergebieden en vliegroutes die onderdeel uitmaken van het (essentieel) leefgebied van de betreffende vleermuissoorten. Uit het nader onderzoek fauna/vleermuizen is naar voren gekomen dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten vleermuizen of andere beschermde soorten. Op de planlocatie kunnen de werkzaamheden plaatsvinden zonder dat hiervoor een ontheffing Wet natuurbescherming nodig is.

64

Gedempte Where 1

4.6.2.3 Bomen Bomeneffectanalyse(BEA) Er is boomtechnisch onderzoek uitgevoerd bij twintig bomen aan de Gedempte Where 1, ofwel in het onderhavige plangebied. Op afbeelding 4.6 zijn de bomen in de huidige situatie, met de boomlocaties, de beleidsstatus en de gehanteerde nummering in het BEA-rapport, weergegeven. Afbeelding 4.6: Bestaande bomen in onderhavig plangebied

Naar verwachting zijn niet alle bestaande bomen in te passen met het onderhavige project PostNL. Doel van de BEA is informatie geven over de (on)mogelijkheden van het uitvoeren van werkzaamheden in de nabijheid van de individuele bomen. De hoofdvraag bij een Bomen Effect Analyse (BEA): 'kan de boom, in het perspectief van de voorgenomen werkzaamheden en de toekomstige situatie, in zijn huidige verschijningsvorm en op deze standplaats, duurzaam behouden blijven?' Gevolgen planontwerp Op basis van het algemeen conditiebeeld en kwaliteit van de bomen kunnen bij het ruimtelijke ontwerp, keuzes gemaakt worden in het ruimtelijk beslag ten aanzien van het al dan niet duurzaam inpassen van bomen. Er kunnen in het plangebied ten minste negen bomen niet behouden blijven. Dit geldt voor de exemplaren welke kort op de nieuwe bebouwing staan. Volwassen eerste grootte bomen op een afstand van minder dan 5 à 7 meter uit te slopen opstallen of vanaf nieuwe gevels, kunnen met een bouwplan op dergelijke afstand doorgaans niet op de huidige plek of in de huidige vorm behouden blijven. Verder is de situatie ten aanzien van bestaande lindes langs de Gedempte Where onvoldoende duurzaam. Bij het plan kunnen er in principe drie bomen voldoende duurzaam ingepast worden, aan de zuidoostzijde van het plangebied. Dit betreffen een plataan en twee iepen.

Een derde iep kent een slechte conditie en kan bij planontwikkeling worden vernieuwd. Voor elke te behouden boom geldt dat afdoende bescherming van boven- en ondergrondse delen van belang is.

Gedempte Where 1

65

Mate van kwetsbaarheid en verplantbaarheid De mate van kwetsbaarheid, en de voorlopige invloed werkzaamheden, is per boom beoordeeld. Onder andere de toekomstverwachting van het rijtje met lindes is relatief beperkt. Door middel van opwaardering van de groeiplaatsen kan in enkele gevallen nog verbetering worden gerealiseerd. Rekening houdend met boomsoort, conditie en kwaliteit komen vijf van de twintig bomen potentieel nog voor een verplanting in aanmerking. Dit betreft een plataan en vier lindes. Zonder een uitgebreide voorbereiding van één of meer groeiseizoenen achten we de slagingskansen echter onvoldoende. De huidige ligging van kabels en leidingen beperkt de mogelijkheden van een verplanting. Het verplanten van bomen binnen het plangebied wordt derhalve niet geadviseerd. Advies inpassen en herplant Aangezien er als gevolg van de herontwikkeling een aantal bomen komen te vervallen is herplant vereist. De gemeente heeft een aantal suggesties gedaan voor bomen en beplanting met locaties. In de BEA-rapportage zijn potentiele locaties aangegeven voor nieuwe bomen, en is aangegeven welke bomen naar verwachting ingepast kunnen blijven. In de smalle groenstrook langs het water ontstaat ruimte voor herplant van een groepje met drie elzen naast de te behouden plataan en circa acht à tien bomen van de 2e en 3e grootte.

Zwarte els en bomen van de 2e en 3e grootte hebben doorgaans een relatief korte omloop van circa 60 jaar. Het beschikbare sortiment aan soorten is ruim.

4.6.3 Conclusie Het project PostNL heeft geen invloed op de in de nabijheid van Purmerend gelegen Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. De aanwezige natuurwaarden (flora en fauna) in het plangebied zijn geen belemmering voor het onderhavige plan. Wel dient er voor de te kappen bomen compensatie plaats te vinden. De bomenkap vormt geen belemmering voor het onderhavige plan. In de bestaande bebouwing op de PostNL-locatie zijn geen vleermuizen waargenomen. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld en is geen sprake van leefgebied van vleermuizen of andere beschermde soorten. Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen nader onderzoek gedaan te worden naar de invloed van het plan op natuur en de flora en fauna.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Beleidskader Bij ruimtelijke procedures dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het aspect externe veiligheid heeft betrekking op risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veel ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag.

66

Gedempte Where 1

4.7.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart (risicokaart.nl) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de opgeheven risicobron in de omgeving van het plangebied nog op de risicokaart staat, namelijk het LPG-station aan de Wagenweg. Dit LPG-station bestaat inmiddels niet meer en is planologisch opgeheven. Overigens reikt de risicocontour niet tot het plangebied. Verder liggen er in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. In de wijdere omgeving bevindt zich ten oosten van het plangebied een buisleiding. Het onderhavige plangebied ligt op ruim 400 meter van de buisleiding, en ligt daarmee buiten het invloedsgebied van de leiding. Het plan zelf maakt geen risicovolle inrichting mogelijk. Afbeelding 4.7: Risicokaart (juni 2020), uitsnede omgeving onderhavig plangebied

4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid geeft geen belemmeringen voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.8

Archeologie

4.8.1 Beleidskader In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken.

Gedempte Where 1

67

De gemeente Purmerend heeft in 2009 een eigen archeologisch beleid opgesteld. In 2017 is dit beleid opgegaan in het Erfgoedbeleid Purmerend 2017. Hierbij hoort een archeologische verwachtingskaart. Dit is een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Het bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg. Voor gemeenten kunnen de door deskundigen opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten als leidraad worden gebuikt voor zowel de planologische bescherming van archeologische waarden in het ruimtelijke plan als voor het vaststellen van het benodigde archeologisch onderzoek dat bij voorbereiding van ruimtelijke plannen moet plaatsvinden. Ter plaatse van een lage archeologische verwachtingswaarde is er geen noodzaak om een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren voordat nieuwe bouwactiviteiten plaatsvinden.

Ter plaatse van een hoge en middelhoge verwachtingswaarde dient bij grondwerkzaamheden eerst een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerd bureau. Voor plangebieden liggend in het historisch centrum van Purmerend kan sprake zijn van gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde. Voor een plan liggend in een gebied met een hoge verwachtingswaarde en waarbij de bodemverstoring meer is dan 30 m2, is archeologisch onderzoek verplicht. Voor een plan liggend in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde en waarbij de bodemverstoring meer is dan 100 m2, is archeologisch onderzoek verplicht.

4.8.2 Analyse Het onderhavige plangebied ligt in het historisch centrum van Purmerend. Het plangebied ligt in een zone waar sprake is van een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde. De planlocatie geeft bij herontwikkelingen derhalve aanleiding tot archeologisch onderzoek. In verband met het onderhavige plan en het verrichten van grondroerende werkzaamheden bij het project PostNL, is een archeologisch onderzoek verricht door het bureau RAAP. In de Toelichting van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van informatie uit het rapport "Plangebied Gedempte Where 1 te Purmerend, gemeente Purmerend; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)" (d.d. 26 juni 2020) van RAAP, dat is bijgevoegd als bijlage 14. De resultaten en conclusies van het archeologisch vooronderzoek voor het onderhavige plangebied worden hierna beschreven. In maart en april 2020 is een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het onderhavige plangebied. Het onderzoek vond plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor het project PostNL. Op basis van het bureauonderzoek gold een lage tot middelhoge archeologische verwachting voor archeologische resten uit het neolithicum t/m de vroege middeleeuwen.

Resten uit het neolithicum zouden aanwezig kunnen zijn op gerijpte kwelderafzettingen in het Laagpakket van Wormer. Resten uit het laat neolithicum t/m de vroege middeleeuwen konden worden verwacht op het Hollandveen. Er gold een hoge verwachting voor de late middeleeuwen t/m nieuwe tijd. Het plangebied is sinds eind 16e eeuw bebouwd is geweest en behoort sindsdien tot de binnenstad van Purmerend. De mogelijke verschillende fases van bebouwing zijn tot aan de demping van de Weer (oorspronkelijke Where) en de verbreding van de stadsgracht in 1965-1966 en de bouw van het huidige postkantoor, reeds gesloopt. Tijdens het veldonderzoek is een bodemopbouw aangetroffen zoals deze verwacht werd in het bureauonderzoek. De ondergrond in het plangebied bestaat uit slappe oude getijdeafzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) met daarop een dik veenpakket van behorend tot het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). De top van het Laagpakket van Wormer is waarschijnlijk niet geschikt geweest voor bewoning. De verwachting voor de periode neolithicum kan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9773558/1