B toelichting-regels-bestemmingsplan-Hobrederweg-19
Tekst van het document
Archeologie en cultuurhistorie
Met de Wet op Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) is het verplicht voor alle (op)nieuw vast te stellen bestemmingsplannen om het archeologisch belang een volwaardige plaats toe te kennen. In de Beleidsnota Archeologie in de gemeente Beemster uit 2003 is voor het ‘overig grondgebied’, waaronder ook het perceel Hobrederweg 19 valt, een archeologieregime opgenomen. In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’ rust op het perceel Hobrederweg 19 een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De archeologische dubbelbestemming is echter niet langer nodig op het perceel en komt met het op- en vaststellen van onderhavig bestemmingsplan te vervallen. Onderhavig bestemmingsplan is gericht op het wijzigen van het gebruik van het bestaande voormalige agrarische bedrijfsperceel. Voor het wijzigen van het gebruik van het perceel zijn geen bodemingrepen nodig. Ook om die reden is geen archeologisch onderzoek nodig. Voor het verplaatsen van het bouwvlak en de herbouw van de stolp op het perceel zijn wel bodemingrepen nodig, maar de oppervlakte van deze bodemingreep is zodanig dat er geen archeologisch onderzoek nodig is. Vanwege de geringe trefkans op archeologische vondsten heeft de gemeenteraad van Beemster bij besluit van 26 juni 2008 het archeologieregime voor het ‘overig
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
29
grondgebied’ laten vervallen. Voor het perceel Hobrederweg 19 is dus geen archeologieregime met verplicht archeologisch onderzoek bij bodemingrepen van toepassing. De archeologische dubbelbestemming is niet langer nodig op het perceel. De Beemster heeft de status werelderfgoed. De cultuurhistorische waarden zijn hierin verankerd. De status en vooral ook de te behouden cultuurhistorische kernwaarden van de polder zijn de basis van het gemeentelijke ruimtelijke beleid nu en in de toekomst. Er moet plaats blijven voor groei, voor nieuwe ontwikkelingen maar wel met behoud en respect voor de kernwaarden. Onderhavig bestemmingsplan is gericht op het wijzigen – en juridisch vastleggen van het gebruik van het perceel als woonperceel met als nevenactiviteit een kleinschalig kraanverhuurbedrijf. Op grond van het vigerende – en het onderhavige bestemmingsplan heeft de stopboerderij een nadere aanduiding ‘Karakteristiek’. De stolpboerderij wordt gerenoveerd. De overige bebouwing blijft intact en wordt gebruikt voor opslag en stalling ten dienste van het kleinschalig (mini)kraanverhuurbedrijf. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. 4.5
Water
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In deze paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Toetsing De waterbeheerder in het plangebied en in de directe omgeving hiervan is Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Op 10 februari 2020 is de digitale watertoets aangevraagd en uitgevoerd. Hieruit blijkt dat onderhavig bestemmingsplan geen of geringe invloed heeft op de waterhuishouding. Hierdoor
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
30
kan de procedure ‘Geen waterschapsbelang’ worden gevolgd. Het advies naar aanleiding van de watertoets is als bijlage in dit bestemmingsplan opgenomen. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om het gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te wijzigen naar een woonfunctie met een ondergeschikt kleinschalig kraanverhuurbedrijf. De bestaande stolp wordt gerenoveerd. De bestaande bebouwde oppervlakte neemt op grond van onderhavig bestemmingsplan niet toe. Op het perceel is veel verharding in de vorm van beton en stelconplaten en een voormalige gierkelder aanwezig. In de toekomst zal de gierkelder een deel van deze verharding waarschijnlijk worden verwijderd, waardoor het verhard oppervlak op het perceel zal afnemen. Aanvulling op de watertoets In het plangebied is geen gemeentelijke riolering aanwezig. De woning is aangesloten op de bestaande IBA. Voor deze lozing wordt een IBA I (=6m³ septic tank) als minimale zuiveringstechniek beschouwd. Deze zuiveringstechniek voldoet aan het beleid van het hoogheemraadschap ten aanzien van nieuwe lozingen van huishoudelijk afvalwater op het oppervlaktewater in niet-kwetsbaar gebied. In een 6m³ septic tank wordt al het afvalwater (toiletwater én was-, spoel- en douchewater) behandeld voordat er water op het oppervlaktewater wordt geloosd. De septic tank dient, zo vaak als voor de goede werking noodzakelijk is, te worden geleegd.
De hierbij vrijkomende afvalstoffen mogen niet op het oppervlakteater worden geloosd. Hemelwater en drainagewater dienen buiten de zuiveringstechnische voorzieningen om te worden geleid. Deze waterstromen kunnen rechtstreeks op de sloot (blijven) worden geloosd. Voor een lozing op het oppervlaktewater moet op grond van de Waterwet een vergunning worden aangevraagd of moet een melding worden gedaan. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. 4.6
Bodem
Besluit ruimtelijke ordening Volgens het Besluit ruimtelijke ordening zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd.
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
31
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming bevat de voorwaarden, die kunnen worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden. De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde, waarboven er risico’s zijn voor mens, flora en fauna. De urgentie, de noodzaak om te saneren, hangt hiervan af maar ook van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. Situatie in het plangebied Hoewel er ten behoeve van de voorgenomen wijziging van de bestemming geen of nauwelijks bodemingrepen nodig zijn is toch een bodemonderzoek uitgevoerd om vast te leggen dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie.
In het bodemonderzoek worden de volgende doelen vastgelegd: ➢ de milieu hygiënische situatie op de locatie (grond en grondwater); ➢ de indicatieve verwerkingsmogelijkheden van de grond; ➢ de in acht te nemen veiligheidsklasse conform de CROW 400 tijden de uitvoering van eventueel uit te voeren werkzaamheden in de bodem. Met bovenstaande doelstellingen wordt nagegaan of er belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden. Het perceel ligt aan de Hobrederweg 19 te Middenbeemster en heeft een totale oppervlakte van 8.115m². Het perceel is deels verhard met betonplaten en elementen en deels onverhard. Op het perceel zijn enkele stallen en een gierkelder aanwezig.
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
32
Fig. 7: de oude veestalling met op de voorgrond de gierkelder (bron: bodemonderzoek)
Uit het verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: grond - de onderzochte grond is ten hoogste licht verontreinigd met zware metalen en/of minerale olie; - organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) zijn niet verhoogd aangetoond. Grondwater - in het grondwater is ten hoogste een lichte verontreiniging met barium aangetoond, vermoedelijk van natuurlijke oorsprong. Veiligheid - op onderhavige onderzoek locatie vallen eventueel uit te voeren werkzaamheden, in of met de bodem conform de CROW 400, onder het regime Basishygiëne. eindconclusie Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat ervan uit milieu hygiënisch oogpunt (grond en grondwater) geen beperkingen zijn voor de voorgenomen wijziging van de bestemming. Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage toegevoegd. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
33
4.7
Luchtkwaliteit
In Wet milieubeheer worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit wat betreft een zestal stoffen. Voor de normen voor zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood geldt dat overschrijding daarvan in Nederland nauwelijks valt te verwachten. De norm voor stikstofdioxide (NO2) wordt in Nederland met name in de directe omgeving van drukke (snel)wegen overschreden. De norm voor fijn stof (PM10) wordt eveneens op diverse locaties overschreden. In de Wet milieubeheer is indirect een koppeling gelegd met ruimtelijke plannen. Deze koppeling houdt in dat bij het voorbereiden van ruimtelijke plannen, waaronder ook een uitgebreide procedure van de Wabo, de gevolgen voor de luchtkwaliteit moeten worden onderzocht. De gevolgen hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
‘Niet in betekende mate’ is sinds de inwerkingtreding van het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De wijziging van de bestemming ‘Agrarisch’ naar een bestemming ‘Wonen’ valt binnen de NIBM tool omdat er slechts sprake is van het wijzigen van het gebruik van het perceel met bestaande bebouwing. De woning en het gebruik van het perceel als kleinschalig verhuurbedrijf, genereert minder verkeersbewegingen ten opzichte van het oorspronkelijke gebruik van het perceel als agrarisch bedrijf. Projecten of ruimtelijke plannen die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de geldende grenswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vorm geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8
Besluit Gevoelige bestemmingen
Sinds 15 januari 2009 is de AMvB gevoelige bestemmingen van kracht. Het Besluit verbiedt op plaatsen waar normen overschreden worden of waar overschrijding dreigt, de ontwikkeling van voorzieningen voor kwetsbare groepen in de nabijheid van snelwegen en provinciale wegen. Onder de categorie gevoelige bestemmingen
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
34
vallen gebouwen, geheel of gedeeltelijk bestemd voor of in gebruik voor onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis en/of bejaardentehuis. Onderhavig bestemmingsplan is gericht op wijzigen van het perceel met de bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Wonen’ en is het Besluit niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan. 4.9
Externe veiligheid
Wettelijk kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). inrichtingen Onderhavig bestemmingsplan moet op basis van het BEVI en het Besluit externe veiligheid transportroutes vervoer gevaarlijke stoffen worden getoetst aan de externe veiligheidsaspecten zijnde het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen die onder het BEVI vallen. transport Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water en het spoor is op 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes in werking getreden.
Het plangebied valt niet binnen een zone van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. De A-7 ligt op een afstand van 1.3km. Nader onderzoek is niet nodig. buisleidingen In het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen moet worden beoordeeld of het perceel in de invloedssfeer ligt van een buisleiding. De dichtstbij gelegen aardgastransportleiding ligt op een afstand van ca. 1km. Onderhavig bestemmingsplan is niet in strijd met de regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 4.10 Kabels en leidingen
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
35
Normstelling en beleid In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan In het plangebied liggen geen kabels en leidingen die een belemmering vormen voor het plangebied of die een planologische bescherming vereisen. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. 4.11 Verkeer en parkeren Parkeren Op het perceel is voldoende parkeerruimte aanwezig voor meerdere auto’s. Ook bezoek kan de auto ruim op het perceel parkeren. Ontsluiting Het perceel is bereikbaar via de oorspronkelijke inrit vanaf de Hobrederweg. De Hobrederweg is een perceel ontsluitingsweg met voldoende breedte om de bestaande verkeersbewegingen te verwerken. De voorgenomen wijziging heeft ten opzichte van het voormalige agrarische gebruik een afname van de verkeersbewegingen tot gevolg. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
36
5. JURIDISCHE PLANOPZET Het voorliggende bestemmingsplan maakt de bestemmingswijziging mogelijk voor de realisatie van drie woningen. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de juridische aspecten van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1 Het digitale bestemmingsplan In aansluiting op de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), op 1 juli 2008, en de RO-standaarden, op 1 juli 2013, is bij het opstellen van het bestemmingsplan de genoemde wet- en regelgeving toegepast. De RO-standaarden bestaan uit: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012), de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012) en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). Inhoud bestemmingsplan Op grond van artikel 3.1.3 en artikel 3.1.6 van het Bro bestaat een bestemmingsplan uit: 1. bestemmingen die bij of krachtens de Wro kunnen worden voorgeschreven; 2. regels die bij of krachtens de Wro kunnen worden voorgeschreven; 3. een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven; 4. wanneer nodig uitwerkings- en wijzigingsregels en afwijken bij een omgevingsvergunning. Daarbij is een bestemmingsplan voorzien van een toelichting.
Hierin is de gemaakte keuze van de bestemmingen uiteengezet en zijn de resultaten van de voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken opgenomen. Ook de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro zijn in de toelichting opgenomen alsook de manier waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken is in deze toelichting uiteengezet. Daarbij zijn in de toelichting ook de inzichten in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan opgenomen. Additionele voorzieningen In het plan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, paden, parkeervoorzieningen, bermen en voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de bestemming begrepen, zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld. Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
37
Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met het bijbehorende Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. De invoering van de Wabo en het Bor heeft gevolgen voor het ruimtelijk omgevingsrecht zoals dat gold op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met de inwerkingtreding van de Wabo is de Wro deels vervallen en opgegaan in de Wabo. In de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning geïntroduceerd en geregeld. n Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks‐ en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw‐ en gebruiksmogelijkheden. 5.2 Toelichting op de regels Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de volgende bestemmingen: Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Voor de begrippen is gebruikt van de standaardregels uit de SVBP 2012. In dit artikel worden uitsluitend begrippen gedefinieerd die van het ‘normale’ spraakgebruik afwijken of een specifieke juridische betekenis hebben.
Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. De begrippen zijn alfabetisch geordend. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Enkelbestemmingen Het bestemmingsplan voorziet in de volgende enkelbestemmingen: Artikel 3 Agrarisch De reële en volwaardige agrarische bedrijven inclusief vollegrondstuinbouwbedrijven vallen binnen deze bestemming.
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
38
Voor een aantal activiteiten zijn met een afwijkingsbevoegdheid regelingen opgenomen: 1. verdelingsactiviteiten van meer dan 750m² tot een maximum van 1.300m² van het bedrijfsoppervlak; 2. m vanaf de gevellijn mag kleinschalig kamperen plaats vinden met een maximum van 20 standplaatsen of een kampeerterrein van maximaal 5.500 m². Dit mag alleen binnen het bouwvlak plaats vinden. Eventueel mag tot maximaal 1.500 m² kampeerterrein buiten het bouwvlak worden gerealiseerd; 3. bed and breakfast in een bijbehorend bouwwerk(en) van maximaal 70 m². Het bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 18m vanaf de gevellijn gelegen zijn; 4. een recreatie-eenheid tot maximaal 200m³ binnen 18m vanaf de gevellijn gelegen; 5. een recreatiewoning van 75 m² en 120 m³ is mogelijk; 6. binnen 18 meter vanaf de gevellijn mogen verbrede landbouwactiviteiten plaatsvinden zoals beschreven in artikel 3.17; 7. 7het huisvesten van tijdelijke seizoenarbeiders in een gebouw tot een maximum van 200 m². De regelingen ten behoeve van de uitvoering van ervenstudie zijn van toepassing. Dit geldt ook voor de wijzigingsbevoegdheden. Artikel 4 Tuin De gronden gelegen in het voorerfgebied van het hoofdgebouw zijn bestemd als ‘Tuin’. Binnen deze bestemming mogen, in verband met de kwaliteit van het straat- en bebouwingsbeeld, geen gebouwen worden gebouwd.
Binnen deze bestemming mogen uitsluitend erkers aan het hoofdgebouw en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd. Artikel 5 Water Dit artikel beschermt de belangen van het water. Er zijn ook bouwmaten opgenomen voor noodzakelijke kunstwerken zoals bruggen en duikers. In principe mogen bestaande kunstwerken alleen op dezelfde locatie worden herbouwd. Op verzoek kan in afwijking van het voorgaande een kunstwerk op een andere locatie worden gebouwd. Hierbij moet het bestaande kunstwerk verwijderd worden. Artikel 6 Wonen De voor 'Wonen' bestemde gronden zijn bestemd voor woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf en inclusief de bijbehorende aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen. Voor de
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
39
maatvoering van de gebouwen en bouwwerken is aangesloten bij de regels zoals die in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012, Partiële herziening 2021’ gelden. Het voormalige agrarische bedrijfsgebouw welke nu is verbouwd tot stalwoning wordt na de renovatie van de stolpboerderij als recreatiewoning ingericht. Op de verbeelding krijgt dit gebouw een nadere aanduiding ‘specifieke vorm van Wonen – recreatiewoning’. Voor een aantal afwijkende gebruiken, zoals kleinschalig kamperen, Bed & Breakfast in een bestaand voormalig agrarisch bedrijfsgebouw kan een omgevingsvergunning worden verleend. Dubbelbestemming Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie De waarde van het Beemster cultuurlandschap wordt met dit artikel gewaarborgd. Hiervoor zijn twee mechanieken opgenomen: 1. Algemene bouwregels, welke bepalen dat alleen bouwwerken ten behoeve van de bestemming gerealiseerd mogen worden; 2. Het bevoegd gezag weegt bij het verlenen van een omgevingsvergunning af of de waarde van het landschap niet aangetast wordt. Een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen indien voldoende is aangetoond dat de aanwezige waarden niet aangetast worden. Hoofdstuk 3: Algemene regels Het bestemmingsplan voorziet in de volgende algemene regels: Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Dit is de standaardbepaling zoals die is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Artikel 8 Algemene bouwregels Bouwen mag er niet toe leiden dat op het aangrenzende terrein of bouwperceel een situatie ontstaat die niet meer met de daar geldende regels overeenstemt. Artikel 9 Algemene gebruiksregels Met deze regels is het verboden de in het plan opgenomen gronden en gebouwen te gebruiken voor doeleinden waarin het plan niet voorziet. Als strijdig gebruik is in ieder geval genoemd: het gebruik als seksinrichting. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
40
Ten behoeve van een aantal activiteiten zoals de bouw van utilitaire bouwwerken en het met niet meer dan 10% afwijken van voorgeschreven maten kunnen burgemeester en wethouders op basis van de bepaling ontheffing verlenen. Onder deze algemene ontheffingsregels is regeling opgenomen voor vervangende bouw. De vervangende (bedrijfs)woning mag een stolp zijn. De inhoud van een vervangende (bedrijfs)woning mag niet meer dan 750 m3 bedragen, tenzij de inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt. De inhoud van een vervangende stolp mag niet minder dan 225m² (15m x 15m) en niet meer dan 400m² bedragen. Het bevoegd gezag kan ook een omgevingsvergunning verlenen voor het huisvesten van één extra huishouden in de vorm van ‘ondergeschikt wonen’. Artikel 11 Algemene regels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Activiteiten zoals het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden zijn niet zondermeer mogelijk. Evenals het graven, vergraven of dichten van waterlopen en het aanbrengen van nieuwe beplanting. Behoudens normale onderhoudswerkzaamheden en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis is voor deze activiteiten een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden vereist.
Aan het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in dit artikel is een toetsingscriterium verbonden. Dit criterium bestaat uit een onderzoek naar de gevolgen van de aanvraag voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de droogmakerij. Deze waarden mogen niet onherstelbaar worden aangetast. In de beoordeling maakt het bevoegd gezag gebruik van de mogelijkheid om advies in te winnen bij een aan te wijzen deskundige Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels De overgangs- en slotregels zijn standaardbepalingen voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
die
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
dwingend
zijn
41
6. UITVOERBAARHEID Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. 6.1 Grondexploitatie en economische uitvoerbaarheid Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten zullen door de initiatiefnemer worden gedragen. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een planschadeovereenkomst gesloten. Onderzoeks- en plankosten De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Dit geldt eveneens voor de gebruikelijke kosten voor de ambtelijke planbegeleiding. Planschade Door het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan voor de betreffende gronden is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. De mogelijke kosten die samenhangen met een planschadeverhaal worden door de initiatiefnemer gedragen. Hiervoor is tussen de gemeente en de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst ondertekend. Conclusie Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, wordt gedragen door de initiatiefnemer.
Op basis van deze overweging moet het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht. De exploitatiekosten zijn derhalve anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Initiatiefnemer heeft zijn voornemen om de bestemming van het perceel te wijzigen en de bestemming in overeenstemming te brengen met het feitelijk gebruik, besproken met de eigenaar van de agrarische gronden en de naaste omgeving. Het ontwerpbestemmingsplan zal ter inzage worden gelegd voor inspraak en overleg. In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro wordt het voorontwerp
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
42
toegezonden aan diverse overlegpartners, waaronder Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en provincie Noord Holland. De resultaten worden in hierna in deze paragraaf beschreven. Tervisielegging ontwerp Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeente eenieder in de gelegenheid om kennis te kunnen nemen van, alsmede te reageren op, de inhoud van het planvoornemen. De op het plan verkregen reacties zullen in deze paragraaf worden opgenomen.
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
43
BIJLAGEN 1. Watertoets 2. Verkennend bodemonderzoek 3. Verklaring buren 4. Akoestisch onderzoek 5. Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’
44
Inhoud Regels .......................................................................................................................................................2 Hoofdstuk 1 Inleidende regels ........................................................................................................3 Artikel 1 Begrippen ..........................................................................................................................3 Artikel 2 Wijze van meten ............................................................................................................9 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels................................................................................................. 10 Artikel 3
Agrarisch................................................................................................................... 10
Artikel 4
Tuin ............................................................................................................................. 21
Artikel 5
Water ......................................................................................................................... 22
Artikel 6
Wonen........................................................................................................................ 24
Artikel 7
Waarde - Cultuurhistorie .................................................................................... 31
Hoofdstuk 3 Algemene regels ...................................................................................................... 31 Artikel 8
Anti-dubbeltelregel ............................................................................................... 31
Artikel 9
Algemene bouwregels ......................................................................................... 31
Artikel 10
Algemene gebruiksregels ................................................................................... 32
Artikel 11
Algemene afwijkingsregels ................................................................................ 33
Artikel 12 Algemene regels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden ........................................................... 36 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels ..................................................................................... 37 Artikel 13
Overgangsrecht...................................................................................................... 37
Artikel 14
Slotregel.................................................................................................................... 38
Bijlagen ............................................................................................................................................. 38
Regels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan ‘Hobrederweg 19, Middenbeemster 2022’ met identificatienummer NL.IMRO.0349.2022Hobrederweg19-on01 van de gemeente Purmerend; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en bijlagen; 1.3. aanbouw: een gebouw met een primaire woonfunctie dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 aan-huis-verbonden bedrijf: een bedrijf dat in, aan of bij een woning wordt uitgeoefend door een (mede)bewoner van de op het bouwperceel gesitueerde woning, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat is gericht op het verlenen van diensten; de bedrijfsuitoefening dient een ruimtelijke uitwerking en uitstraling te hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7 aan-huis-verbonden beroep: een beroep dat in, aan of bij een woning wordt uitgeoefend door een (mede)bewoner van de op het bouwperceel
gesitueerde woning, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat is gericht op het verlenen van diensten; de beroepsuitoefening dient een ruimtelijke uitwerking en uitstraling te hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.8 achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1m van de voorkant, van het hoofdgebouw; 1.9 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.10 bebouwingspercentage: het in de regels of op de kaart aangegeven percentage van een bouwvlak, of indien geen bebouwingsgrenzen zijn aangegeven het percentage van het bestemmingsvlak, dat ten hoogste bebouwd mag worden met gebouwen, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.11 bed and breakfast: een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie zonder eigen kookvoorziening die zich met name richt op de trekkende toeristen, die voor één of enkele nachten een onderkomen zoeken; de indeling en invulling van de kamers is sterk afhankelijk van de bestaande bebouwing; 1.12 bedrijfswoning: een woning liggend op een erf of terrein van een (agrarisch) bedrijf, uitsluitend bestemd voor de huisvesting van één of meer personen wiens/wier huisvesting daar, gelet op de bestemming en bedrijfsvoering van het bedrijf, noodzakelijk is. 1.13 bestaand: • bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan; • bij gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan; 1.14 bestaande situatie (stikstofdepositie):
1. de activiteit die is toegestaan ten tijde van het vaststellen van dit bestemmingsplan op grond van: a. een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, lid 2 van de Wet Natuurbescherming, of b. een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.2aa onderdeel a van het Besluit omgevingsrecht is aangehaakt, of 2. indien een vergunning als bedoeld onder 1a ontbreekt: het feitelijke en planologisch legale gebruik ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan; 1.15 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.16 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak; 1.18 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door zijn vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.19 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.20 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.21 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.23 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten; 1.24 bouwwerk: elke constructie van enige omvang, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.25 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren
van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.26 dienstverlening: het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; 1.27 erker: een uitbouw aan een woning, die zich bevindt aan de voor- of zijgevel of beide, en ondergeschikt is aan de woning;
1.28 escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; 1.29 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30 gevellijn: aanduiding van de achtergevel en de verlengde lijn van de (bedrijfs)woning; 1.31 groepsaccommodatie: een (deel van) een (agrarisch bedrijfs)gebouw bedoeld voor recreatief nachtverblijf door groepen, waarbij wordt overnacht in slaapzalen en/of slaapkamers en waar een dagverblijf beschikbaar is, inclusief sanitaire voorzieningen en gezamenlijke keukenfaciliteiten; 1.32 hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is, zoals de bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning of woning; 1.33 huishouden: de bewoning van een woning door: a. één persoon; b.
twee of meerdere personen in de vorm van een samenlevingsverband, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voeren of willen voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, waaronder geen kamerbewoning begrepen; 1.34 kamperen: het houden van recreatief nachtverblijf in een kampeermiddel of in een bouwwerk dat ter beschikking is gesteld voor het houden van een recreatief nachtverblijf, niet zijnde een hotel, een pension of een woning anders dan een recreatiewoning; het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen; 1.35 kampeermiddelen: tenten, tentwagens, kampeerauto’s of caravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen, gewezen voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, alsmede trekkershutten en demontabele verblijfsaccommodaties; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen
geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.36 maatschappelijke voorzieningen: voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, sport, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren; 1.37 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie; 1.38 omgevingsvergunning: een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo); 1.39 onderkomen: voor verblijf geschikte – al dan niet aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken – voertuigen, vaartuigen, arken, toercaravans, voor zover deze niet als bouwwerk zijn aan te merken, alsook tenten; 1.40 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste een wand; 1.41 paardenbak: een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; 1.42 prostitué/prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen
met een ander tegen vergoeding; 1.43 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.44 recreatie-eenheid een recreatie-eenheid is een zelfstandige verblijfsruimte in een gebouw die bestemd is voor recreatief verblijf door een persoon, een (deel van een) gezin of een daarmee gelijk te stellen groep mensen en die niet fungeert als permanent of hoofd-woonverblijf; 1.45 recreatiewoning:
een zelfstandig gebouw, dat geen woonkeet, geen caravan en geen bouwsel op wielen is, bestemd voor recreatief verblijf door een persoon, een (deel van een) gezin of een daarmee gelijk te stellen groep mensen en dat niet fungeert als permanent of hoofd-woonverblijf; 1.46 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke gebouw dan wel onderkomen waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.47 statische opslag: binnen opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven en geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto’s, boten, caravans, campers en dergelijke; 1.48 stolpwoning: van oorsprong voor agrarisch doel (inclusief wonen) opgericht gebouw op een vierkante plattegrond, bestaande uit één bouwlaag met pyramidaal dak, dat rust op een constructie van poeren en dwarsbalken; 1.49 trekkershut: een trekkershut is een houten blokhut met een maximale grootte van 30m², die dient als periodiek verblijf voor wisselende groepen van recreanten; 1.50 uitbouw: een
gebouw met een primaire woonfunctie dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.51 vrij beroep: een beroep in verband met iemands individuele, persoonlijke kwaliteiten, die in het algemeen op artistiek, academisch of HBO-niveau liggen; 1.52 webwinkel: het bedrijfsmatig via internet te koop aanbieden, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit of Het vanuit een bedrijf verkopen van goederen via internet, waarbij de goederen elders worden bezorgd en er geen sprake is van een voor publiek toegankelijke (winkel)ruimte of showroom.
1.53 wonen het huisvesten van één (afzonderlijke) huishouden in een (bedrijfs-)woning, waarbij deze woning uitsluitend mag worden gebruikt voor permanente bewoning; 1.54 woning: een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dient voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.1.2 wettelijke regelingen Waar in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de wettelijke regelingen, zoals die luidden op het moment van het ter inzage leggen van het vastgesteld van dit plan. Artikel 2 Wijze van meten 2.1. Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk; b. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; c. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; d. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; e.
de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; f. de breedte en diepte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van scheidingsmuren; g. de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; h. het peil: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van een gebouw of, indien de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de door het bevoegd gezag vastgestelde hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; i. de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 2.2. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5m bedraagt.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 3.1
Agrarisch
Bestemmingsomschrijving
De voor “Agrarisch” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. ondergeschikte neventak in de vorm van een intensieve veehouderij, met een maximale bedrijfsvloeroppervlakte van 750m²; c. caravanstalling, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘caravanstalling’; d. hoveniersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘hovenier’; e. kampeerterrein met 30 standplaatsen, waarbij voor het overige wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in lid 3.5.3. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘kampeerterrein’; (Volgerweg 86) f. agrarisch kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘kinderdagverblijf’; (Jisperweg 14) g. erfpad met bijbehorende beplanting ter plaatse van de aanduiding ‘pad’; h. fruitboomverkoop, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – fruitboomverkoop’; (Noorddijk 25) i. agrarisch hulpbedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hulpbedrijf’;
j. transportbedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – transportbedrijf’; k. delfstofwingebied, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifiek vorm van bedrijf – delfstofwingebied’; l. oorlogsmonument, ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding – oorlogsmonument’; m. wonen ten behoeve van het bedrijf, tenzij staat aangegeven dat een woning niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; n. huisvesting van ten hoogste 30 arbeidsmigranten ten behoeve van de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – huisvesting arbeidsmigranten’. alsmede voor: o. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – rijksmonument’ het behoud en bescherming van rijksmonumenten; p. ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ het behoud en bescherming van karakteristieke b 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemene bouwregels a. Op deze gronden mag uitsluitend ten behoeve van de bestemming worden gebouwd: b. indien een bouwwerk nader is aangeduid als karakteristiek bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' dient de uitwendige hoofdvorm van het betrokken bouwwerk, bepaald door de goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling, gevelindeling en grondoppervlakte gehandhaafd te worden; c.
de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de aanwezige sloten mag niet minder dan 3,6m bedragen; d. de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot de aanwezige kopergravuresloten mag niet minder dan 7,2m bedragen. e. ter plaatse van de aanduiding 'relatie' is sprake van één agrarisch bedrijf; f. bestaande (historisch ontstane) bebouwingssituaties worden gerespecteerd, ook bij verdere aanpassing van deze bedrijfsgebouwen voor haar agrarische doeleinden; g. bestaande (historisch ontstane) bebouwing in een niet bij het 'Beemster erf' passende situatie, mogen geen belemmering zijn bij bedrijfsontwikkelingen, waarbij zo nodig bestaande lijnen van bebouwing mogen worden voortgezet;
h. bestaande (historisch ontstane) slootpatronen mogen geen beletselvormen bij het zoeken naar compenserend water ten gevolge van bedrijfsontwikkeling en dito verharding. 3.2.2 Bouwregels voor bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen De volgende gebouwen mogen worden gebouwd: a. bedrijfsgebouwen, met inachtneming van de volgende regels: 1. er mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; 2. indien de afstand van bedrijfsgebouwen tot de gevellijn niet meer dan 18m bedraagt, gelden de volgende regels: • de goothoogte mag niet meer dan 3m bedragen; • de bouwhoogte mag niet meer dan 10m bedragen; • de bouwhoogte is niet hoger dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning; • de gebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling niet minder dan 30° en niet meer dan 60° mag bedragen; 3. indien de afstand van bedrijfsgebouwen tot de gevellijn meer dan 18m bedraagt, gelden de volgende regels; • de goothoogte mag niet meer dan 5,5m bedragen; • de bouwhoogte mag niet meer dan 12m bedragen; • gebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling niet minder dan 15° en niet meer dan 30° mag bedragen; 4. indien een bouwwerk zowel binnen als buiten de afstand van 18m van de aangegeven gevellijn, als bedoeld onder 2 en 3 is gelegen, gelden de regels als genoemd onder 2. 5.
teeltondersteunende kassen mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: • teeltondersteunende kassen zijn alleen toegelaten bij vollegrondstuinbouwbedrijven; • op een agrarisch bouwvlak is maximaal 2.000m² aan teeltondersteunende kassen toegestaan; • de goothoogte en bouwhoogte van teeltondersteunende kassen mag niet meer dan respectievelijk 4 en 6m bedragen; b. per bouwvlak één bedrijfswoning, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ en ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ met inachtneming van de volgende regels: 1. de bedrijfswoning mag uitsluitend vooraan binnen het bouwvlak worden gebouwd; 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5m; 3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12m;
4. de bedrijfswoning moet zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling van niet minder dan 30° en niet meer dan 60° mag bedragen; 5. de inhoud van een bedrijfswoning, niet zijnde een stolp, inclusief aan- en uitbouwen mag niet groter zijn dan 750m³; 6. de bedrijfswoning mag in afwijking van het gestelde onder b2, b4 en b5 als een stolpwoning worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: • de oppervlakte mag niet minder dan 225m² (15 x 15 m) en niet meer dan 400m² (20 x 20 m) bedragen; • de goothoogte mag niet meer dan 3,5m bedragen; • de dakhelling van de piramidekap mag niet minder dan 45º en niet meer dan 52º bedragen; 7. de afstand van een vrijstaande of aan één zijde aangebouwde bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 9m; 8. als de bestaande afstand minder dan 9m bedraagt, dan geldt deze mindere afstand als minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens; 9. de bedrijfswoning mag niet eerder worden gebouwd, dan nadat of tegelijkertijd de bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke inhoud van niet minder dan 1.500m³ zijn of worden gerealiseerd; 10.in afwijking van het gestelde onder b1 tot en met b9 geldt voor het adres Oosthuizerweg 78 in Noordbeemster dat de tweede bedrijfswoning uitsluitend binnen de bestaande gebouwen mag worden gerealiseerd.
3.2.3 Pronkgevels Uitsluitend bij een stolpwoning en ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' is een verbijzondering van de voorgevel in de vorm van een pronkgevel toegestaan met inachtneming van de volgende regels: a. de goothoogte mag niet meer dan tweemaal de bestaande goothoogte van de stolpwoning bedragen; b. de breedte mag niet meer dan 1/3 van de voorgevel van de stolpwoning bedragen; c. de bouwdiepte vanaf de voorgevel mag niet meer dan 0,5m bedragen; d. het aantal bouwlagen mag niet meer dan 2 bedragen; e. het midden van de pronkgevel mag uitsluitend op het midden van de voorgevel van het hoofdgebouw liggen; f. de dakhelling van de kap van de pronkgevel mag niet meer bedragen dan die van het hoofdgebouw. 3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldende de volgende regels:
a. de bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd met uitzondering van landhekken als bedoeld onder f; b. de bouwhoogte van een voedersilo mag niet meer dan 15m bedragen en de bouwhoogte van een mestsilo mag niet meer dan 6m inclusief afdekking bedragen; c. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen in het achtererfgebied mag maximaal 2m bedragen; d. de bouwhoogte van antennes en vlaggenmasten mag niet meer dan 6m bedragen; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, waaronder overkappingen, mag niet meer dan 5m bedragen; f. buiten het bouwvlak mogen uitsluitend landhekken met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5m worden gebouwd; g. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'pad' is een toegangspoort toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: 1. de toegangspoort mag alleen in het voorerfgebied gebouwd worden; 2. de bouwhoogte van de poort mag niet meer dan 4m bedragen. 3.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: a. lid 3.2.1 sub b, indien de woning ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ door een calamiteit teniet is gegaan en/of handhaving van het in dat lid bepaalde, niet in redelijkheid kan worden gevergd van de eigenaar en/of gebruiker van de woning; b. lid 3.2.2 sub 1 onder 1, voor het bouwen buiten het bouwvlak mits: • de oppervlakte van de denkbeeldige rechthoek waarvan het bestaande bouwvlak deel uitmaakt, niet meer dan 2ha bedraagt; • er geen m.e.r.-plichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt; en tevens is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. voor de concrete situatie moet zijn aangetoond dat er binnen het bestaande bouwvlak onvoldoende ruimte is; 2. er moet sprake zijn van een grondgebonden agrarisch bedrijf óf van een niet-grondgebonden (intensief) veehouderijbedrijf dat moet uitbreiden in verband met wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of dierenwelzijn en/of -gezondheid;
3. er moet sprake zijn van een goede landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing die uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden; 4. bij de inpassing van nieuwe bouwwerken moet rekening worden gehouden met de belangen van de omgevingsaspecten en moeten de volgende kernkwaliteiten worden behouden of versterkt: • •
de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster, zoals die in bijlage 2 zijn aangegeven; de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in bijlage 3 zijn aangegeven;
5. er moet worden voldaan aan de regels van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Eventuele verhardingstoename die leidt tot versnelde afvoer van hemelwater, moet worden gecompenseerd in overeenstemming met de regels van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier; 6. de omgevingsvergunning is voorbereid door middel van een keukentafeloverleg; c. lid 3.2.2 sub a onder 2, voor het bouwen in overeenstemming met het gestelde in 3.2.2 sub a onder 3; d. lid 3.2.2 sub a onder 3, voor het bouwen tot een goothoogte van maximaal 7 m, mits met deze afwijking de kernkwaliteiten van UNESCOwerelderfgoed Droogmakerij de Beemster en/of de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in bijlage 2 en 3 bij deze regels zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt; e. lid 3.2.2 sub a onder 4, voor het bouwen van een bouwwerk dat zowel binnen als buiten de afstand van 18m van de aangegeven gevellijn is geprojecteerd, in overeenstemming met de bouwmaten die zijn gesteld in 3.2.2 sub a onder 2 voor het deel van het gebouw dat binnen de afstand van 18 m van de aangegeven gevellijn is geprojecteerd en in overeenstemming met de bouwmaten die zijn gesteld in 3.2.2 sub a onder 3 voor die delen van het bouwwerk die buiten de afstand van 18m van de aangegeven gevellijn is geprojecteerd, mits: 1.
met deze afwijking de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster en/of de kernkwaliteiten van UNESCOwerelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in bijlage 2 en 3 bij deze regels zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt; 2. er sprake is van een goede landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing;
3. de omgevingsvergunning is voorbereid door middel van een keukentafeloverleg. f. lid 3.2.2 sub a onder 5, ten behoeve van de bouw van teeltondersteunende kassen bij niet vollegrondstuinbouwbedrijven met inachtneming van de volgende regels: 1. per agrarisch bedrijf mag maximaal één kas worden gebouwd; 2. de oppervlakte van de kas mag niet meer dan 100m² bedragen; 3. de kas dient noodzakelijk te zijn voor de uitoefening van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf; 4. de goothoogte en bouwhoogte van een kas mag niet meer bedragen dan respectievelijk 4m en 6m; g. lid 3.2.2 sub b onder 7 en 8, wat betreft het bouwen tot op de zijdelingse perceelsgrens; h. lid 3.2.2 sub a onder 3 en 4 of b onder 4 voor het plat afdekken of voor een kap niet haaks op de weg, mits met deze afwijking de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster, zoals die in de bijlage 2 zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt; i. lid 3.2.4 sub d en toestaan dat vlaggenmasten worden gebouwd tot een hoogte van ten hoogste 1 m onder de nokhoogte van het hoofdgebouw tot een maximum van 12m. 3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het opslaan of opgeslagen hebben, in enigerlei vorm, van stoffen en materialen van welke soort dan ook, anders dan ter plaatse noodzakelijk voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf; b. het opslaan of opgeslagen hebben, in enigerlei vorm, van stoffen en materialen voor statische opslag, voor zover deze opslag meer ruimte inneemt dan 1.000m², alsmede het aanwezig of opgeslagen hebben van één of meer aan hun gebruik onttrokken, gerede dan wel onklare machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, dan wel onderdelen daarvan; c. het gebruik voor verblijfsrecreatie, met uitzondering van het kampeerterrein ter plaatse van de aanduiding kampeerterrein’; d. gebruik als manege; e. het bedrijfsmatig ten behoeve van derden vervaardigen of herstellen van goederen, uitgezonderd het verwerken van producten afkomstig van het betrokken agrarisch bedrijf; f. het bedrijfsmatig verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen bestemd en gereed voor onmiddellijk gebruik of verbruik, uitgezonderd de
verkoop of het ten verkoop aanbieden van producten afkomstig van het betrokken agrarisch bedrijf tot een oppervlakte van maximaal 50m²; g. het gebruik van gronden ten behoeve van bosbouw; h. het aanleggen of aanwezig hebben van een paardenbak; i. het aanleggen of aanwezig hebben van een paddock buiten het bouwvlak; j. het houden van vee op een verdieping. 3.4.2 Ondergeschikte nevenactiviteiten Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ is de uitoefening van ondergeschikte nevenactiviteiten in de vorm van een aan huis verbonden beroep of bedrijfsactiviteiten toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de ondergeschikte nevenactiviteiten mogen alleen plaatsvinden in de bestaande gebouwen; b. de gezamenlijke vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 50% van het bruto vloeroppervlak van de bestaande gebouwen; c. ondergeschikte nevenactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan als ze zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bijlage 1 bij deze regels of daarmee wat betreft de milieuhinder vergelijkbare activiteiten. Daarbij zijn in ieder geval de volgende functie (ook) toelaatbaar: 1. veeartsenpraktijk; 2. hoefsmederij; 3. ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, etc); 4. agrarisch natuur- en landschapsbeheer; 5. hoveniersactiviteiten; 6. kinderboerderij; 7.