B-nota-bodembeheer-omgevingsdienst-IJmond
Tekst van het document
Bij de standaard saneringsaanpak door middel van het verwijderen van de verontreiniging geldt als standaard werkwijze om de grond te ontgraven totdat de stof, die boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of de lokale waarde in het omgevingsplan was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau dat gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklassen ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’ waarin de bodem op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld. De saneringsdoelstelling is daarmee gekoppeld aan de functie van de bodem. Geaccepteerde saneringsvarianten zijn beschreven in www.bodemrichtlijn.nl. Daarnaast is in bijlage 1 van VKB- protocol 6002 (Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met in-situ methoden) een niet-limitatieve opsomming van in situ technieken opgenomen. De lijst met technieken is indicatief en bedoeld ter ondersteuning van de milieukundige begeleiding. De gemeente heeft de bevoegdheid om voor zijn beheergebied afwijkende waarden vast te stellen. Daarbij is het huidige provinciale bodemsaneringsbeleid (vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet) dat de kwaliteit van een leeflaag altijd tenminste van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter moet zijn. Gehalten boven de interventiewaarden voor een leeflaag worden niet geaccepteerd.
Wanneer sprake is van vluchtige verbindingen worden maatregelen genomen om te voorkomen dat er blootstelling kan plaatsvinden door uitdamping vanuit die verontreiniging naar een gebouw op een bodemgevoelige locatie. Aandachtspunten bij mobiele verontreinigingen die de grondwaterkwaliteit beïnvloeden Bij mobiele verontreiniging is de saneringsdoelstelling in eerste instantie gericht op het voorkomen van directe blootstelling aan de mens. Daarnaast kan het van belang zijn om indirecte blootstelling te voorkomen, die kan plaatsvinden door verspreiding van grondwater-verontreiniging vanuit naleverende bronnen in de vaste bodem waardoor gemeentelijke of provinciale kwaliteitsdoelstellingen voor het grondwater niet worden behaald. Een (oude) verhardingslaag kan zo’n bron van mobiele verontreiniging zijn. Met name bij grondwaterverontreiniging met een
Blad 71 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
bronzone in de vaste bodem en een pluim in het grondwater zijn zowel de gemeente als de provincie in beeld. Er zal hierover dus ook afstemming tussen decentrale overheden moeten plaatsvinden. Voor de gewenste kwaliteit van het grondwater bij een bepaalde functie geeft de Risicotoolbox Grondwater (RIVM, in prep.) de gehalten van stoffen. Voor de verspreiding van grondwaterverontreiniging kan zowel de gemeente (bij gebiedsontwikkeling) als de provincie eisen stellen. De provincie wil voorkomen dat zich onaanvaardbare verspreidingsrisico’s voordoen waardoor de grondwaterkwaliteitsdoelen uit het Regionaal Waterprogramma niet worden gehaald en kwetsbare objecten zoals drinkwaterwinningen en natuurgebieden worden bedreigd. Mocht zich zo’n situatie mogelijk voordoen dan zal in overleg door provincie met gemeente worden bepaald welke maatregelen moeten worden genomen. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan locaties aanwijzen waarbij de saneringsaanpak alleen via verwijdering kan plaatsvinden om zo de verspreiding van mobiele verontreinigingen naar het grondwater te voorkomen. Beleidsregels en beleidsregels voor maatwerkvoorschriften voor saneringsaanpak Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, geldt het volgende: Beleidsregel voor maatwerkvoorschriften leeflaag: De gemeente beoordeelt een verzoek om maatwerkvoorschrift voor sanering voor een ten opzichte van de in art.
4.1241 Bal aangegeven standaarddikte of kwaliteit van de leeflaag als volgt: De kwaliteit van een leeflaag moet altijd voldoen aan de kwaliteitsklasse zoals is aangegeven op de gebiedsspecifieke toepassingskaart. Dit betekent dat tevens moet worden voldaan aan eventuele lokale maximale waarden zoals beschreven in deze Nota; Voor het toestaan van een verzoek om af te mogen wijken van de standaarddikte van de leeflaag moeten bijzondere omstandigheden worden aangetoond, zoals bijvoorbeeld een hoge grondwaterstand; Bij overig begroeid terrein (parken, openbare groenstroken, groen op bedrijfsterreinen of wegbermen) mag de dikte minimaal 0,5 m zijn, afhankelijk van de bewortelingsdiepte. Beleidsregel voor leeflaag: De gemeente verleent medewerking aan de procedure voor het aanleggen van een leeflaag voor het afdekken van een verontreiniging indien is voldaan aan de volgende voorwaarde: In relatie tot art. 4.1242 Bal moet de leeflaag kunnen worden onderscheiden van de onderliggende bodem als sprake is van verschillende kwaliteit. Dat kan door visueel onderscheid of het aanbrengen van een signaallaag. In de regel wordt als signaallaag een geodoek of Tensar geogrid gebruikt. Een andere methode waarmee effectief wordt gewaarschuwd voor de verontreiniging onder de leeflaag is ook mogelijk, na afstemming met de gemeente.
Beleidsregel voor verwijdering verontreiniging: De gemeente verleent medewerking aan de procedure voor het verwijderen van een verontreiniging als standaard saneringsaanpak indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: Indien sprake is van een door de gemeente vastgestelde lokale maximale waarde voor de bodemkwaliteit op die locatie, verwijdering tot die waarde plaatsvindt (in afwijking van art. 4.1240 en 4.1242 Bal); Voor een stof die van nature in verhoogd gehalte in de bodem aanwezig is, vindt verwijdering van de verontreiniging plaats tot het niveau van het van nature aanwezige gehalte van die stof in de bodem op die locatie (achtergrondconcentratie).
Blad 72 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Afwijken van volledige verwijdering De gemeente verleent medewerking aan het verzoek tot maatwerkvoorschrift of initieert zelf een maatwerkvoorschrift waarin is opgenomen dat mag worden afgeweken van volledige verwijdering. Dit is mogelijk in het geval van een complexe verontreinigingssituatie waarbij een verplichte verwijdering van de verontreiniging is aangegeven, maar waarbij de beoogde saneringsdoelstelling niet wordt gehaald of alleen tegen kosten haalbaar is. De gemeente beoordeelt het verzoek om maatwerkvoorschrift voor het afwijken van de volledige verwijdering onder de volgende voorwaarden: Er sprake is van een van de volgende situaties: o De verontreiniging blijkt in de praktijk omvangrijker te zijn dan vooraf was voorzien. o Er wordt tijdens de sanering een nieuwe verontreiniging ontdekt. o De ontgraving is gestopt op de vooraf beoogde diepte met de verwachting dat de nog aanwezige restverontreiniging door middel van een in-situ-aanpak nog verwijderd wordt. In de praktijk blijkt de effectiviteit van die in-situ-aanpak echter tegen te vallen. o Door aanwezige ondergrondse infrastructuur, bebouwing of wegverharding is het erg kostbaar om alle verontreiniging weg te halen. De gevolgen van de aanwezigheid van dergelijke obstakels voor het behalen van de saneringsdoelstelling zijn vooraf niet goed onderkend.
o Het effect van (natuurlijke) reinigingsprocessen blijkt in de praktijk minder gunstig te zijn dan vooraf was berekend. De initiatiefnemer kan aantonen dat, ook al is de saneringsaanpak niet geheel uitgevoerd zoals vooraf voorgenomen, er geen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van de mens meer aanwezig zijn in de nieuwe situatie. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 73 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
19
Meldingsplicht bij toepassen van staalslakken en grondstabilisatie Onderbouwing Staalslakken zijn een bijproduct van de productie van staal. Als gevolg van het productieproces bevatten staalslakken vrije kalk. Als staalslakken in contact komen met water, zoals hemel-, grond- en/of oppervlaktewater, dan lost de kalk op in het water. Als gevolg hiervan zal de zuurgraad (pH) van het water sterk omhoog gaan en wordt het water basisch (loog). Dit zal een negatief effect hebben op planten en dieren. Het toepassen van staalslakken en grondstabilisatie kan hierdoor mogelijkerwijs leiden tot bodemverontreiniging in grond en grondwater. Staalslakken en grondstabilisatie vallen onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit en mogen als bouwstof worden gebruikt. Voorafgaand aan de toepassing hoeft geen goedkeuring of toestemming gegeven te worden door het bevoegd gezag Bbk. Er is geen meldplicht voor de toepassing van deze bouwstoffen waardoor een landelijke registratie van staalslakken en grondstabilisatie ontbreekt. Voor de toepassing van staalslakken en grondstabilisatie moet wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. Zo moeten er bijvoorbeeld maatregelen getroffen worden om te voorkomen dat staalslakken in contact komen met water. Situatie onder de Omgevingswet Het toepassen van bouwstoffen is op dit moment geregeld in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.
Deze regelingen blijven bestaan, maar een belangrijk deel van de materiële regels gaat over naar onder meer het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet is er geen meldplicht opgenomen voor het toepassen van bouwstoffen (waaronder staalslakken en grondstabilisatie). Echter mogen er door gemeenten wel (strengere) maatwerkregels worden gesteld over de toepassing van bouwstoffen. Hierdoor kunnen gemeenten beperkingen of algehele verboden invoeren op het toepassen van bouwstoffen. Gezien de huidige landelijke discussie over de mogelijke risico’s die het toepassen van staalslakken en grondstabilisatie hebben op de bodem- en/of grondwaterkwaliteit, achten de deelnemende gemeenten het wenselijk om hierover aanvullend beleid op te nemen. De deelnemende gemeenten willen verontreiniging door staalslakken en grondstabilisatie zoveel als mogelijk beperken en kiezen er daarom voor om bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in het omgevingsplan een meldplicht met een termijn van vier weken op te nemen (middels een maatwerkregel) voor de toepassing van de bouwstoffen staalslakken en grondstabilisatie. Deze regel is pas van kracht op het moment dat deze is overgenomen in het omgevingsplan van de gemeente en is opgenomen in het DSO.
Voorstel maatwerkregel meldplicht staalslakken en grondstabilisatie Om de toepassing van staalslakken en grondstabilisatie te registreren wordt voorgesteld om het volgende in het omgevingsplan als maatwerkregel op te nemen: De initiatiefnemer meldt uiterlijk 4 weken voor de start van de toepassing dat er binnen het beheergebied van de gemeente staalslakken en/of grondstabilisatie wordt toegepast. De melding bevat: o Begrenzing van de toepassingslocatie; o Verwachte startdatum van de toepassing; o Het volume materiaal dat wordt toegepast; o Dwarsprofiel van de eindsituatie.
Blad 74 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Voorwaarde: Deze regel geldt pas op het moment dat deze is overgenomen in het definitief omgevingsplan van de gemeente en is opgenomen in het DSO. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 75 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Deel 3: Toelichting en uitleg
Blad 76 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
20
Wettelijk kader
20.1
Huidige generieke kader
20.1.1
Wet bodembescherming Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet. Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, ongedaan te maken. Gedeputeerde Staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25 m3 grond/100 m3 grondwater niet-ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag.
Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag. De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.
20.1.2
Besluit bodemkwaliteit In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft. Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achtergrondkwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet
Blad 77 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking treden van de Omgevingswet. Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging. In figuur 10 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven.
Figuur 10: Positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid
Relatie met saneringsbeleid In figuur 10 is aangegeven dat het Bbk niet van toepassing is op het saneren van bodemverontreinigingen. Dit is immers geregeld in de Wet bodembescherming. Echter, wanneer wordt gekozen voor functiegericht saneren, heeft het saneringsbeleid wél een koppeling met het Bbk. De in de bodemkwaliteitskaart bepaalde toepassingskaart bepaalt namelijk de concentratie tot waar minimaal dient te worden gesaneerd (de terugsaneerwaarde). Het gaat hierbij om de maximale waarden voor de functieklasse ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Indien door de gemeente lokale maximale waarden zijn vastgesteld, gelden deze als terugsaneerwaarde. Het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming zal derhalve voor de terugsaneerwaarden, maar ook voor de milieuhygiënische kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond, in eerste instantie uitgaan van de maximale waarden voor de functieklasse ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’.
Blad 78 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
20.2
Generieke kader Omgevingswet
20.2.1
Intrekken Wet bodembescherming Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. Voor sommige locaties is sprake van overgangsrecht, waarbij de Wet bodembescherming nog wel van toepassing blijft. Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet en heeft 3 pijlers: 1. Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting. 2. Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan. 3. Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen. Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van de bodemkwaliteit. Zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen (BUS). Pijler 1: Preventie Na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet en de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 Bal voor milieubelastende activiteiten.
Deze zorgplichtbepalingen zijn van toepassing op situaties waarbij bodemverontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan. Artikel 13 Wet bodembescherming blijft van toepassing op situaties die tussen 1 januari 1987 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt. Gemeentelijke overheden mogen in het gemeentelijk omgevingsplan zorgplichten opnemen. Pijler 2: Toedeling van functies De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Eventuele andere regels over het meenemen van de bodemkwaliteit in afwegingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden door de gemeente opgesteld en vastgelegd in het omgevingsplan. Pijler 3: Beheer van historische verontreinigingen Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen er nog locaties ontdekt worden waar historische bodemverontreiniging aanwezig is en waar de veroorzaker vaak niet meer bekend is.
Bestaande regelingen uit de Wet bodembescherming zullen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer gelden. In de Omgevingswet is een bepaling over "toevalsvondsten" (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) opgenomen. De toevalsvondst-regeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Voortaan dient de gemeente in de omgevingsvisie en in het omgevingsplan of het omgevingsprogramma aan te geven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. De wijze waarop met historische verontreinigingen wordt omgegaan, is bepaald voor een groot deel bepaald in het Bal. De gemeente kan hierover ook regels opnemen in het omgevingsplan.
Blad 79 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb) Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er sprake van overgangsrecht van de Wbb (hoofdstuk 3 van Aanvullingswet bodem Omgevingswet) voor wanneer er bijvoorbeeld een locatie eerder onder de Wbb is beschikt als ernstig en spoedeisend of voor locaties waar vóór de inwerkingtreding nog een (deel)saneringsplan of BUS melding is ingediend. De Wbb blijft gelden totdat het besluit tot instemming met een evaluatieverslag of een nazorgplan onherroepelijk is geworden. Ook blijft de Wbb gelden voor de maatregelen of beperkingen, die in het evaluatieverslag of in het nazorgplan staan. De locatie valt dan (gedeeltelijk) onder het bevoegd gezag van de Wbb. In sommige situaties kunnen provincies hun bevoegdheid mandateren aan gemeenten. Voor locaties waarop het overgangsrecht niet van toepassing is, gelden onder de Ow de regels uit het Bal te weten milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120) en het saneren van de bodem (paragraaf 4.121), eventueel aangevuld met maatwerkregels en/of regels die gaan over grondwaterkwaliteit uit de omgevingsverordening van de provincie.
Bevoegde gezagen Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is volgens artikel 2.3 van het Bal de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie). Voor de gemeente zijn dit voor een deel nieuwe taken aangezien onder de huidige regelgeving graven en saneren valt onder de Wet bodembescherming waarvoor de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag zijn.
20.2.2
Besluit bodemkwaliteit (Bbk) onder de Omgevingswet Wanneer de Omgevingswet ingaat, komen een aantal onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit (van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) in het Bal. Dit zijn regels voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie (plaatsgebonden regels) die zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. In de paragrafen 3.2.25 en 3.2.26 van het Bal zijn deze activiteiten omschreven en gedefinieerd en in paragraaf 4.123 (toepassen bouwstoffen) en 4.124 (toepassen van grond of baggerspecie) staan de betreffende regels en eisen. De andere bepalingen uit het Bbkt van vóór de Omgevingswet, de zogenaamde niet- plaatsgebonden regels, blijven – in een sterk uitgeklede versie - in het Bbk onder de Omgevingswet. Het gaat om regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie). Ook blijven de regels voor de kwaliteitsborging (voorheen kwalibo-regels genoemd) in het Bbk onder de Omgevingswet.
Blad 80 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
21
Generieke toepassingseisen
21.1
Het generieke toepassingskader Wet bodembescherming Bij het op landbodem toepassen van grond en baggerspecie is het uitgangspunt dat de bodem zijn functie duurzaam kan blijven vervullen. Vandaar ook dat in het Besluit bodemkwaliteit de milieuhygiënische kwaliteit, van zowel een toe te passen partij grond (of baggerspecie) als van de ontvangende bodem, is gekoppeld aan de gebruiksfuncties van de bodem. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de functies c.q. klassen ‘Landbouw/natuur’ of ‘Overig’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Generieke toepassingskaders Het Bbk bevat landelijk geldende generieke regels voor het toepassen van grond en baggerspecie: Generieke bodemtoepassing; Grootschalige bodemtoepassing; Tijdelijke opslag; Verspreiden van baggerspecie op de kant. De generieke toetsingskaders gaan er van uit dat zowel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem als de gebruiksfunctie die de bodem vervult, moeten worden beschermd. Dit betekent dat bij het toepassen van een partij grond of baggerspecie de strengste klasse bepalend is. Zo mag bijvoorbeeld op een locatie met de gebruiksfunctie ‘Wonen’, waar de kwaliteit van de bodem in de klasse ‘Industrie’ valt, alleen grond of baggerspecie worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’.
Functionele en nuttige toepassing Het toepassen van grond en baggerspecie als bodem is alleen toegestaan indien sprake is van een functionele en nuttige toepassing zoals bedoeld in respectievelijk artikel 5 en artikel 35 van het Bbk. Hiermee wordt bedoeld dat het om een toepassing moet gaan in een hoedanigheid en hoeveelheid die nodig is voor het functioneren van de betreffende toepassing. In artikel 35 van het Besluit worden voorbeelden genoemd van wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. Aangezien een deel van deze toepassingen betrekking heeft op het toepassen in oppervlaktewater, zijn hieronder alleen de nuttige toepassingen weergegeven die zich binnen de regio (op landbodem) kunnen voordoen: a. Toepassing in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen. b. Toepassing in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid. c. Toepassing voor het afdekken van een saneringslocatie of als bovenafdichting voor een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier door contact met het onderliggende materiaal. d.
Toepassing in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van een oppervlaktewaterlichaam met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart. e. Toepassing in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen bedoeld in a tot en met d.
Blad 81 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
f. g. h. i.
21.2
Verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang aangrenzende percelen. Verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, uitgezonderd uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met het oog op de duurzame invulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment. Tijdelijke opslag van grond en (gerijpte) baggerspecie, bestemd voor de toepassingen bedoeld in onderdeel a tot en met e, gedurende maximaal drie jaar op landbodems of gedurende maximaal 10 jaar in een oppervlaktewaterlichaam. Tijdelijke opslag van gerijpte baggerspecie, bestemd voor toepassingen bedoeld in a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.
Generieke toepassingskader onder de Omgevingswet Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was het generieke toepassingskader beschreven in hoofdstuk 4 van het Besluit bodemkwaliteit. Met de ingang van de Omgevingswet gelden voor het toepassen van grond of baggerspecie algemene rijksregels en is het generieke toepassingskader niet meer beschreven in het Bbk maar in het Bal, paragraaf 3.2.26 en 4.124. Functionele toepassing onder de Omgevingswet Met inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het toepassen van grond of baggerspecie, net als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, alleen toegestaan in een functionele toepassing.
Deze functionele toepassingen staan in het tweede en derde lid van artikel 4.1269 van het Bal en hieronder uitgeschreven: Wegen of spoorwegen, met daarbij ook bijbehorende geluidswallen, en bouwwerken en dijken; Ophogingen op of in de landbodem voor het realiseren van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen of recreatieterreinen; Ophogingen op of in de landbodem voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van een terrein of het bevorderen van de landbouwkundige waarde, natuurwaarde of recreatieve waarde van een terrein; Afdeklagen op saneringslocaties, bovenafdichtingen op stortplaatsen en afdeklagen op grootschalige toepassingen of op toepassingen in een diepe plas; Herinrichtingen van winplaatsen of voormalige winplaatsen voor delfstoffen op de landbodem voor het maken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden, tuinen, recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden; Voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen (met uitzondering van diepe plassen) voor het: o Voorkomen of beperken van overstromingen of wateroverlast (klimaatadaptief maken); o Het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde daarvan; o Het bevorderen van de doorvaart van de scheepvaart; o Het herstellen of verbeteren van de ligging, vorm, afmeting en constructie van een waterstaatswerk.
Suppleties van baggerspecie langs de kustlijn voor het herstellen of verbeteren van de kustverdediging; Opvullingen van oppervlaktewaterlichamen (met uitzondering van diepe plassen), tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen; Opvullingen van diepe plassen voor het bevorderen van: o De natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas;
Blad 82 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
o
o
Het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen; Het stabiliseren van wanden.
Grond of baggerspecie wordt, voor zover de grond of baggerspecie een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Niet alleen de aanleg van een functionele toepassing, maar ook de instandhouding, het herstel, de verandering en de uitbreiding daarvan valt onder het toepassen van grond en baggerspecie.
21.3
Gebiedsspecifiek toepassingskader Wet bodembescherming Naast de generieke toepassingskaders biedt het Besluit bodemkwaliteit lokale bodembeheerders, de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te formuleren. Met gebiedsspecifiek beleid kan binnen een bepaald gebied extra ruimte worden gecreëerd voor de afzet van vrijkomende grond- en baggerstromen. De regiogemeenten hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. In deel 1 van deze Nota is het gebiedsspecifieke beleid nader uitgewerkt.
21.4
Gebiedsspecifiek toepassingskader Omgevingswet Onder de Omgevingswet blijft de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid voor de toepassing van grond en baggerspecie in de vorm van lokale maximale waarden bestaan en dit wordt maatwerk genoemd. Dit kan door middel van maatwerkregels in het definitieve omgevingsplan (artikel 4.1273). De specifieke voorwaarden en beperkingen voor het stellen van maatwerkregels en voorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie moet voldoen, zijn beschreven in paragraaf 4.124 van het Bal. De mogelijkheden tot maatwerk zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
Figuur 11: Mogelijkheden tot maatwerk onder de Omgevingswet
In paragraaf 4.124 van het Bal staat dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 4.1272 eerste en tweede lid, alleen wordt toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. Een andere voorwaarde is dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigde stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen is toegestaan indien: De toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof verontreinigd is;
Blad 83 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
21.5
De grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof verontreinigd was.
Toepassen op landbodem Wet bodembescherming Indien geen gebiedsspecifiek beleid van toepassing is gelden de generieke regels uit het Besluit bodemkwaliteit. Dit generieke toepassingskader wordt beschreven in de artikelen 54 t/m 61 van het Bbk. Tevens is er landelijk beleid voor grootschalige toepassingen (toepassen van minimaal 5000 m3) en voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. De procedure voor het melden is uitgewerkt in deel 3 van deze Nota, hoofdstuk 21. De uitgangspunten van het generieke toepassingskader zijn: De milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet geschikt zijn voor het gebruik van de ontvangende landbodem (de zogenoemde bodemfunctieklasse) én Door het toepassen van de partij grond of baggerspecie mag de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Voor zowel een toe te passen partij grond of baggerspecie als voor de ontvangende bodem wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen: ‘‘Landbouw/natuur (AchtergrondwaardeAW2000)’18, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Deze klassen zijn weergegeven in figuur 12 en beschreven in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit.
Figuur 12: Overzicht kwaliteitsklassen landbodem
Voor wat betreft het gebruik van de bodem heeft de gemeente een bodemfunctiekaart opgesteld. Op deze functiekaart is het huidige (en toekomstige) gebruik van de bodem aangegeven. Toepassen volgens het generieke kader betekent dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet worden getoetst aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. In figuur 13 is de generieke bodemtoepassing grafisch weergegeven.
Figuur 13: Generieke bodemtoepassing
Dit zijn landelijk geldende achtergrondwaarden (AW2000) die de bovengrens aangeven voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. 18
Blad 84 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
De kwaliteit van de ontvangende bodem en de functie die deze bodem vervult vallen niet altijd in dezelfde klasse. Omdat voor beide sprake moet zijn van stand-still, wordt de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie bepaald door de strengste van de twee klassen. In tabel 12 is van de diverse combinaties van kwaliteits- en functieklassen aangegeven wat dit betekent voor de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij. Tabel 12: Systematiek generiek toepassingskader Bodemfunctieklasse Actuele bodemkwaliteit (op kaart) Landbouw/natuur AW2000 Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Industrie Wonen AW2000 Wonen Wonen Wonen Industrie Industrie AW2000 Industrie Wonen Industrie Industrie
Welke kwaliteit toepassen? AW2000 AW2000 AW2000 AW2000 Wonen Wonen AW2000 Wonen Industrie
Uitgesloten gebieden Van een aantal gebieden binnen de deelnemende gemeenten is de kwaliteitsklasse van de ontvangende landbodem niet bekend (uitgesloten gebieden). Dit betekent dat voor iedere partij grond of baggerspecie die ter plaatse van deze locaties (generiek) wordt toegepast, de toepassingskaart niet als uitgangspunt voor de vereiste kwaliteitsklasse kan worden gehanteerd. Voor deze uitgesloten gebieden dient men zelf, aan de hand van tabel 12, de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie te bepalen. Hiervoor dient allereerst de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem te worden vastgesteld. Vervolgens dient van de bodemfunctiekaart van de betreffende locatie de functieklasse te worden afgelezen. Voor die gevallen dat ook geen functieklasse bekend is, dient in overleg te worden getreden met de gemeente. Voor partijen grond of baggerspecie van de klasse AW2000 (= schone grond), is de bovengenoemde dubbele toetsing niet noodzakelijk, vanwege het feit dat deze kwaliteitsklasse vrij toepasbaar is. Lokaal onderzoek Een lokaal bodemonderzoek en een partijkeuring geven meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit, van respectievelijk de ontvangende bodem en een partij toe te passen grond, dan de bodemkwaliteitskaart.
Dit betekent dat wanneer op de locatie van herkomst en/of de locatie van toepassing een partijkeuring of een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd dat voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit, er geen gebruik mag worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart of toepassingskaart) als bewijsmiddel. In dat geval moet worden uitgegaan van de (eventueel afwijkende) kwaliteitsklasse van het lokaal uitgevoerde onderzoek en dient de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie zo nodig te worden afgeleid uit tabel 12. Omgaan met bodemvreemd materiaal In het Besluit bodemkwaliteit is, in de definitie van grond en baggerspecie, een bovengrens van 20% (gewichtsprocent) gesteld aan het percentage bodemvreemd materiaal. Voor het toepassen van grond en baggerspecie met bodemvreemd materiaal is voor enkele van de deelnemende gemeenten op dit thema lokaal beleid opgesteld, zie deel 1 van deze Nota, hoofdstuk 2.
Blad 85 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
21.6
Toepassen op landbodem Omgevingswet Het generieke beleid van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor toepassen van grond en baggerspecie is uitgangspunt in artikel 4.1272 Bal in samenhang met artikel 25d Bbk. De kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie op de landbodem moet voldoen aan 2 eisen, namelijk aan: De kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem ter plaatse van toepassing én De bodemfunctieklasse ter plaatse van de toepassing. De toe te passen grond moet bij een toepassing op de landbodem voldoen aan de strengste van bovenstaande twee eisen (dubbele toets). De indeling in kwaliteitsklassen blijft in principe gelijk aan het stelsel van het besluit Bodemkwaliteit. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent de volgende vijf kwaliteitsklassen (zie ook figuur 14): Landbouw/natuur; Wonen; Industrie; Matig verontreinigd; Sterk verontreinigd.
Figuur 14: Kwaliteitsklassen landbodem en grond in het stelsel Omgevingswet
De maximale waarden voor de kwaliteitsklassen zijn te vinden in tabel 1 van Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Het maximumpercentage bodemvreemd materiaal blijft net als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet 20% voor steenachtig materiaal en hout. Materiaal, zoals plastics of piepschuim, mag alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie voorkomen. Het gaat alleen om bodemvreemde materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig is. Maatwerk is onder voorwaarden mogelijk (artikel 4.1273 Bal). Maatwerk is mogelijk voor: Grootschalig toepassen (artikel 4.1274 Bal); Toepassen in een diepe plas (artikel 4.1276 Bal); Verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1278 Bal); Toepassen van tarragrond (artikel 4.1280 Bal); Grootschalig toepassen (artikel 4.1275 Bal); Toepassen in diepe plas (artikel 4.1277 Bal); Verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1279 Bal). Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was er al gebiedsspecifiek beleid mogelijk voor de vier eerstgenoemde maatwerkmogelijkheden, maar met de invoering van de Omgevingswet
Blad 86 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
zijn er nu ook maatregelen mogelijk voor grootschalig toepassen, toepassen in diepe plas en verspreiden van baggerspecie.
21.7
Verspreiden baggerspecie Wet bodembescherming Voor het verspreiden van vrijkomende baggerspecie bestaan de volgende mogelijkheden: Verspreiden in het oppervlaktewater (zoet of zoet oppervlaktewater) of over het aangrenzende perceel; Tijdelijke opslag van baggerspecie in weilanddepots (valt onder verspreiden). Baggerspecie die vanwege de kwaliteit niet kan worden verspreid, moet worden toegepast op een andere locatie, gereinigd of gestort. Het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen is vastgelegd in artikel 35, lid f van het Besluit bodemkwaliteit: “Verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen”. Voor de relevantie, oftewel het nut, van het op de kant zetten van baggerspecie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het op hoogte brengen van landbouwpercelen of het herstellen of verbeteren van bestaande kades die vanuit hun functie een bepaalde hoogteligging moeten hebben. Zodra het gaat om de aanleg van nieuwe kades, dan dient een ander toetsingskader te worden gehanteerd (generieke toepassing, grootschalige toepassing of eventueel het gebiedsspecifieke beleid). Naast het aantonen van de nuttigheid, is het tevens van belang dat het gaat om het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt uit de bestaande aangrenzende watergang.
Het op de kant verspreiden van baggerspecie is een activiteit waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel geldt de ontvangstplicht; De baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid; Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem; De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. Bij het onderhoud aan watergangen wordt baggerspecie verspreid op aangrenzende percelen. Op grond van de op basis van de Keur van waterschappen hebben eigenaren van aangrenzende percelen een wettelijke ontvangstplicht. De ontvangstplicht geldt ook voor grondwaterbeschermingsgebieden, Natura 2000 en andere kwetsbare gebieden, echter dragen de waterschappen er zorg voor deze gebieden waar mogelijk te ontzien. In de normstelling voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen is rekening gehouden met de landbouwfunctie die deze percelen vaak hebben. De bovengrens voor de kwaliteit van baggerspecie die mag worden verspreid is gebaseerd op de zogenaamde msPAF toets (msPAF = meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen)19.
https://www.bodemrichtlijn.nl/Bibliotheek/bodemsaneringstechnieken/h-behandelen-en-bestemmen-va9446/h1-algemene-aspecten-van-behandelen-en-bestemmen-van-baggerspecie/behandelen-en-bestemmen-van-baggerspecie-wettelijk-kader-voor-bes9467 19
Blad 87 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Verspreiding van de bagger op de kant moet voldoen aan de msPAF-toetsing zoals beschreven in het Besluit bodemkwaliteit. In figuur 15 is de normstelling voor verspreiding over aangrenzende percelen schematisch weergegeven.
Figuur 15: Normstelling verspreiden baggerspecie
Binnen het Besluit bodemkwaliteit bestaat de mogelijkheid voor tijdelijke opslag van baggerspecie in weilanddepots, waarvoor geen vergunning op grond van de Wet milieubeheer en Wet verontreiniging oppervlaktewateren nodig is. Een weilanddepot is een vorm van tijdelijke opslag. Bij dit type opslag is een voorziening aangebracht die voorkomt dat de opgebrachte baggerspecie wegvloeit van het perceel waar het is opgebracht. Voor de kwaliteitseisen bij het verspreiden van baggerspecie inclusief weilanddepots is het generieke beleid van toepassing Besluit- en Regeling bodemkwaliteit én het landelijke Handelingskader PFAS van toepassing. Voor het verspreiden van baggerspecie in grondwaterbeschermings- en Natura 2000 gebieden wordt teven aangesloten bij de generieke normen en voorwaarden Bbk, Rbk én het landelijke Handelingskader PFAS en provinciale omgevingsverordening. Voor weilanddepots gelden dezelfde normen als voor verspreiding over aangrenzende percelen. Boven op de bovengenoemde normenkaders kunnen aanvullende normen gesteld zijn door de provincie (in bijvoorbeeld de omgevingsverordening). Opgemerkt wordt dat het beschreven toetsingskader niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten (tot 250 meter aan weerszijden van de riooloverstort).
Deze baggerspecie wordt als puntbron aangemerkt en dit valt buiten de reikwijdte van het Besluit.
21.8
Verspreiden baggerspecie Omgevingswet In artikel 4.1278 van het Bal staan de specifieke kwaliteitseisen vermeld voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem. Praktisch zullen enkele zaken met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen: Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de msPAF toetsing uit het Besluit bodemkwaliteit zoals in de voorgaande paragraaf is beschreven, van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de msPAF toetsing aangescherpt worden. Deze staan in tabel 3b van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021; Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is verspreiding van baggerspecie over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie vandaan komt, aangewezen als een functionele toepassing. Dit omdat de toepassing tot doel heeft om de bodemgesteldheid te herstellen of verbeteren op basis van artikel 4.1269, derde lid van het Bal; Met de ingang van de Omgevingswet valt een weilanddepot ook onder het verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel met een maximale afstand van 10 kilometer.
Blad 88 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Maatwerk verspreiden baggerspecie Wanneer baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor verspreiden, is het mogelijk om het via een maatwerkregel of -voorschrift toch nog te mogen verspreiden. De voorwaarden voor maatwerk staan in 4.1279 van het Bal. Soepelere eisen mogen alleen als de toe te passen baggerspecie komt uit hetzelfde bodembeheergebied (aangewezen door gemeente of waterschap in het omgevingsplan of waterschapverordening) als waar ze weer worden toegepast. De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheid tot lokale maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie. Dit is beschreven in hoofdstuk 1 in deel 1 van deze Nota. Voor het verspreiden van sterk verontreinigde baggerspecie gelden de volgende regels: De baggerspecie is afkomstig uit het bodembeheergebied waar de bagger ook weer in wordt toegepast; De toe te passen baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd; De baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.
21.9
Grootschalige bodemtoepassing Wet bodembescherming Binnen het Besluit is een verbijzondering opgenomen: het toetsingskader voor het toepassen van grond in grootschalige toepassingen. Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem. Wel moet de toe te passen grond voldoen aan de emissiewaarden (opgenomen in bijlage B van de Regeling) om te voorkomen dat ontoelaatbare uitloging naar de onderliggende bodem en het grondwater plaatsvindt. De toetsing aan de emissiewaarden is een eenvoudige toetsing op basis van het rekenkundige gemiddelde van de gemeten stoffen in de toe te passen grond. De emissietoetsingswaarden komen overeen met de t-waarden uit het voormalige Bouwstoffenbesluit. Grootschalige toepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Met de voornoemde eisen voor toepassingshoogten moet pragmatisch worden omgegaan. Taluds lopen bijvoorbeeld niet verticaal maar schuin af waardoor ze formeel gezien niet aan de eisen voor de toepassingshoogten voldoen. Voor (spoor)wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. Een grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van tenminste 0,5 meter dikte. Hiervan zijn grootschalige toepassingen in bermen van (spoor)wegen uitgezonderd.
De leeflaag moet geschikt zijn voor de functie en passen bij de daadwerkelijke bodemkwaliteit van de omliggende bodem, of voldoen aan de bestuurlijk vastgestelde lokale maximale waarden (zie deel 1 van deze Nota). Van het toetsingskader voor grootschalige toepassingen kunnen gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders, als bevoegde gezagen van het Besluit, gebruik maken. Het is niet verplicht om van dit toetsingskader gebruik te maken. In het Besluit (artikel 63) zijn toepassingen benoemd die als grootschalige toepassingen gedefinieerd mogen worden: Toepassingen van grond en gerijpte baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen. Toepassingen van grond en gerijpte baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving. Toepassingen van grond en gerijpte baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op
Blad 89 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart. Toepassing van grond en gerijpte baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen.
N.B. Het ophogen van een industrie/bedrijventerrein of een woonwijk wordt niet als een grootschalige toepassing beschouwd. De initiatiefnemer van de grootschalige toepassing neemt in de planfase contact op met de gemeente waar de grootschalige toepassing wordt gerealiseerd. Per situatie beslist de gemeente of gebruik wordt gemaakt van het verbijzonderde toetsingskader voor grootschalige toepassingen.
21.10
Grootschalige toepassing Omgevingswet De voorwaarden voor grootschalige toepassing en de kwaliteitseisen zijn onder de Omgevingswet vergelijkbaar met het kader voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar biedt nu ook mogelijkheden voor maatwerk. Het generieke beleid van voor de Omgevingswet voor grootschalige toepassing is het uitgangspunt in artikel 4.1274 Bal in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit. In hoeverre maatwerk mogelijk is ten aanzien van het grootschalig toepassen is beschreven in artikel 4.1275 van het Bal. De figuur op de volgende pagina geeft een overzicht van de grootschalige bodemtoepassing.
Blad 90 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Maatwerkmogelijkheden grootschalig toepassen Als grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor grootschalig toepassen, is toepassing alleen nog mogelijk via een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift. De voorwaarden voor maatwerk staan in artikel 4.1275 van het Bal. Alleen wanneer de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied als waar die weer toegepast gaat worden, zijn soepelere eisen mogelijk. Het bodembeheergebied wordt aangewezen door de gemeente of het waterschap in het omgevingsplan of de waterschapverordening. Op deze manier zal de bodemkwaliteit in het aangewezen beheergebied niet verslechteren (stand-still). Voor het grootschalig toepassen van sterk verontreinigde grond of baggerspecie gelden minimaal de volgende regels voor de grond of baggerspecie: De partij is afkomstig uit het beheergebied waar deze ook weer wordt toegepast; De verontreiniging is ontstaan door diffuse verontreiniging; Toepassen vindt plaats op een locatie waar de bodem reeds diffuus is verontreinigd met dezelfde stof.
Figuur 16: Eisen aan grootschalige bodemtoepassing
Bestaande grootschalige toepassingen Voor het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een eerder gerealiseerde grootschalige toepassing gelden de afwijkende kwaliteitseisen uit artikel 4.1274 van het Bal. Hiervan is sprake bij: Toepassen in een oppervlaktewaterlichaam na 1 januari 2008; Toepassen op of in de landbodem na 1 juli 2008.
21.11
Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie Wet bodembescherming Voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie buiten inrichtingen gelden vanaf 1 juli 2008 de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Onder de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie wordt volgens het Besluit verstaan: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing."
Blad 91 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
In artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit en in deel 3, paragraaf 21.1 van deze Nota is beschreven wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. De voorwaarden die het Besluit stelt aan de verschillende vormen van tijdelijke opslag op landbodem, zijn in tabel 13 opgenomen. Wanneer niet kan worden voldaan aan deze voorwaarden, dan is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing en zal de opslag, wanneer deze langer dan 6 maanden duurt, binnen een inrichting moeten plaatsvinden. Tabel 13: Overzicht tijdelijke opslag grond/baggerspecie op landbodem Vorm van tijdelijke opslag Kortdurende opslag Tijdelijke opslag op landbodem Weilanddepot20: opslag baggerspecie op aangrenzend perceel Opslag bij tijdelijke uitname
Voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit Maximale duur Kwaliteitseisen van de opslag 6 maanden 3 jaar Kwaliteitsklasse partij grond/baggerspecie moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem 3 jaar Alleen baggerspecie die voldoet aan de generieke norm voor het verspreiden op aangrenzende percelen
Meldingsplicht Ja Ja, met duur van de opslag en eindbestemming* Ja, met duur van de opslag en eindbestemming*
Looptijd van de Nee werkzaamheden * Het melden van de eindbestemming moet binnen 6 maanden plaatsvinden. Men heeft dus 6 maanden de tijd om een bestemming te zoeken.
Opgemerkt wordt dat, voorafgaand aan de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, naast een check op de milieuhygiënische eisen die vanuit het Besluit bodemkwaliteit worden gesteld, ook een toets op het bestemmingsplan dient plaats te vinden. Dit teneinde uit te kunnen sluiten dat de tijdelijke opslag overlast (te denken valt aan geluid, geur, stof, etc.) voor de omgeving oplevert. Weilanddepots Voor opslag van baggerspecie in weilanddepots geldt het toetsingskader voor het op de kant verspreiden van baggerspecie. Een Waterwet-vergunning, voor bijvoorbeeld het op oppervlaktewater lozen van proceswater dat vrijkomt bij de baggeropslag, is niet noodzakelijk als de tijdelijke opslag past binnen de voorschriften van het Besluit bodemkwaliteit. Voor wat betreft de lozing dient daarentegen wel, in het kader van de zorgplicht (artikel 7 Besluit bodemkwaliteit), te worden voorkomen dat er nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater optreden.
21.12
Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie onder de Omgevingswet In de situatie vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet stonden er regels voor het opslaan van grond en baggerspecie in zowel het Besluit bodemkwaliteit als het Activiteitenbesluit. Er was namelijk een onderscheid gemaakt tussen tijdelijke opslag buiten inrichtingen en opslag binnen inrichtingen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er maar één set van regels voor het opslaan van grond of baggerspecie en bestaat het onderscheid tussen tijdelijke opslag buiten inrichten en opslag binnen inrichtingen niet meer. Het gaat om grond en om baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie op een perceel, grenzend aan de watergang van waaruit de baggerspecie is vrijgekomen, met als doel de baggerspecie te ontwateren en te laten rijpen alvorens het materiaal op dezelfde locatie of elders toe te passen. 20
Blad 92 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Onder de Omgevingswet is de opslag van grond of baggerspecie aangewezen als een milieubelastende activiteit (3.2.24 Bal). Met ‘opslaan’ wordt altijd een tijdelijke situatie bedoeld, in afwachting van een ander doel. Voor grond geldt een termijn van maximaal drie jaar en voor baggerspecie maximaal tien jaar opslag. Samenhangende handelingen (samenvoegen van partijen, zeven en mechanisch ontwateren) bij het opslaan van grond of bagger vallen onder dezelfde activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit gelden algemene rijksregels. Afwijken hiervan mag alleen via maatwerk. Bijvoorbeeld als de grond of baggerspecie in opslag ligt voor toepassing in een concreet werk, maar de uitvoering van dit werk door overmacht vertraagd is. Opslag bij tijdelijke uitname (opslaan als onderdeel van de activiteit graven) valt niet onder de milieubelastende activiteit opslaan, maar onder de activiteit graven. De opslag vindt plaats gedurende de looptijd van het werk met een uitloop van 8 weken na beëindiging van het graven. Ook het opslaan van baggerspecie op de baggerlocatie (weilanddepot) valt niet onder de milieubelastende activiteit opslaan grond of baggerspecie, maar onder de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie, zie ook deel 3 van deze Nota, hoofdstuk 17 betreffende het verspreiden van baggerspecie.
Versoepeling bodemvoorschrift voor grond van kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ In de algemene rijksregels komen de bodemvoorschriften voor de opslag van grond met kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’ te vervallen. Het doen van een eindonderzoek bodem is in bepaalde gevallen nog wel verplicht. Het eindonderzoek heeft tot doel te controleren of de opslag de onderliggende bodem niet nadelig beïnvloed heeft. Het eindonderzoek gebeurt volgens paragraaf 5.2.1 van Bal. Het eindonderzoek is verplicht in het geval dat de partij grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is of baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht of matig verontreinigd is. Een eindonderzoek is niet nodig in het geval: De activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is, de kwaliteit van de onderliggende bodem is vastgesteld in een milieuverklaring bodemkwaliteit; Door middel voorafgaand aan het opslaan de kwaliteitsklasse van de bodem op de plaats van opslaan is en de grond of baggerspecie volgens artikel 4.1272 op de plaats van opslaan mag worden toegepast. Het bevoegd gezag kan aanvullende voorwaarden stellen aan de opslag van verontreinigde grond in grond in grondwaterbeschermingsgebieden, zoals bijvoorbeeld middels een instructieregel van de provincie.
De meldingseisen zijn versimpeld Onder de Omgevingswet is er één set aan meldingseisen in plaats van de verschillende eisen aan de melding gesteld vanuit het Besluit bodemkwaliteit en het activiteiten besluit van vóór de Omgevingswet. Dit maakt dat de meldingseisen onder de Omgevingswet zijn versimpeld.