B-nota-bodembeheer-omgevingsdienst-IJmond
Tekst van het document
21.13
Tijdelijke uitname Wet bodembescherming Artikel 36 lid 3 van het Besluit bodemkwaliteit regelt de tijdelijke uitname van grond of baggerspecie. In dit artikel staat dat het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht.
Blad 93 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Op of nabij dezelfde plaats is in het Besluit niet gedefinieerd als afstand. Aangezien lokale omstandigheden van invloed zijn, beoordeelt de gemeente per geval of sprake is van 'op of nabij'. In het geval van tijdelijke uitname hoeft de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende (water)bodem of van de terug te plaatsen grond of baggerspecie niet te worden aangetoond. Het is echter mogelijk dat er, op basis van andere wet- en regelgeving, toch een onderzoeksverplichting geldt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de CROW publicatie 132 'Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water'. Wanneer uit deze onderzoeken blijkt dat sprake is van een verontreiniging, mag de grond of baggerspecie niet zomaar worden teruggeplaatst. Dit in verband met de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming. Deze zorgplicht, in relatie tot tijdelijke uitname, betekent feitelijk dat wanneer men aanwijzingen heeft (bijvoorbeeld op basis van bekende onderzoeksgegevens of zintuiglijke waarnemingen) dat met het terugplaatsen van tijdelijk uitgenomen grond of baggerspecie de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem, het grondwater of het oppervlaktewater zou kunnen verslechteren, er maatregelen dienen te worden getroffen om dit te voorkomen.
Naast het niet hoeven aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit, hoeft het tijdelijk uitnemen, eventueel op de locatie opslaan en terugplaatsen van grond of baggerspecie ook niet te worden gemeld in het kader van het Besluit bodemkwaliteit.
21.14
Tijdelijke uitname onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt het tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie niet onder de milieubelastende activiteit ‘toepassen van grond of baggerspecie’ (artikel 3.2.26 van het Bal), maar onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde (artikel 3.2.21 van het Bal). Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal; Het terugplaatsen vindt plaats op of nabij het ontgravingsprofiel. De aanduiding ‘op of nabij’ geeft aan dat er enige speelruimte is, waarbij de afbakening van geval tot geval kan verschillen; Het terugplaatsen vindt plaats onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen onder dezelfde omstandigheden, als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd).
Blad 94 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
22
Bewijsmiddelen
22.1
Algemeen De kwaliteit van grond en baggerspecie moet worden aangetoond met een milieuhygiënische verklaring. Het Besluit bodemkwaliteit kent voor grond en baggerspecie de volgende typen milieuhygiënische verklaringen: Partijkeuring; Erkende kwaliteitsverklaring; Fabrikant-eigenverklaring; (Water)bodemonderzoek; (Water)bodemkwaliteitskaart. De eerste 3 typen milieuhygiënische verklaringen kunnen ook voor bouwstoffen worden gebruikt.
22.2
Gebruik van de bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart mag als bewijsmiddel voor het aantonen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van een partij vrijkomende grond worden gebruikt als aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan: a. Er is een historisch vooronderzoek (overeenkomstig de NEN 5725) uitgevoerd waarmee wordt onderbouwd dat er geen aanwijzingen zijn (zoals activiteiten welke tot bodemverontreiniging geleid kunnen hebben) waardoor de daadwerkelijk bodemkwaliteit afwijkt van de bodemkwaliteit op de bodemkwaliteitskaart; b. Er zijn geen overige bewijsmiddelen beschikbaar waarmee de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de partij vrijkomende grond is bepaald (zoals een partijkeuring of bodemonderzoek). Volgen er verdachtmakingen uit het vooronderzoek, dan kan de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond. In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals verderop beschreven in dit hoofdstuk. Uitgesloten gebieden op de bodemkwaliteitskaart Uitgesloten gebieden zijn op de bodemkwaliteitskaart niet ingekleurd. Voor deze gebieden geldt dat de bodemkwaliteitskaart niet kan dienen als bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit.
De kwaliteit van een partij grond dient in dat geval op een andere wijze te worden aangetoond. Een aantal locaties/gebieden binnen het beheergebied is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaarten van de regio: De bodem onder oppervlaktewater; Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging; Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart); Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaartTerrein Tata Steel (voormalige Corus terrein); Locaties waarvan wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit heterogeen is (zoals voormalige stortlocaties, dan wel het bodemgebruik een belemmering vormt voor vrij grondverzet (verdachte locaties).
Blad 95 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Dit zijn locaties waar (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden (of plaatsvinden) waarvan bekend is, of het vermoeden bestaat, dat de bodemkwaliteit op de betreffende locatie c.q. perceel afwijkt van die van de omgeving. Deze locaties zijn, voor zover bekend, buiten beschouwing gelaten bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart. Het overzicht van uitgesloten locaties is dynamisch en hiervoor wordt verwezen naar de Omgevingsdienst. Derhalve is voorafgaand aan eventueel grondverzet altijd historisch onderzoek noodzakelijk. Voor de uitgesloten gebieden mag geen gebruik worden gemaakt van onderliggende bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem.
22.2.1
Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Een bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen voor locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaarten van het vastgestelde beheergebied. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook paragraaf 21.1). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt:
De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ mag overal worden toegepast. In bepaalde gevallen kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt omdat de kwaliteit van de daar toe te passen grond moet zijn aangetoond met een partijkeuring, zie hiervoor de toepassingseisen in deel 1 van deze Nota; De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag zonder aanvullend bewijsmateriaal worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is. Ook hier gelden enkele uitzonderingen voor locaties met gevoelig bodemgebruik, zie deel 1 van deze Nota; De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’ mag zonder aanvullend bewijsmateriaal worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is. Ook hier gelden enkele uitzonderingen, zie deel 1 van deze Nota. Zo zijn in de regio Zuid-Kennemerland-IJmond extra locaties aangewezen waar partijen met de kwaliteitsklasse ‘industrie’ mogen worden toegepast. Daarnaast is voor de bodemkwaliteitszones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1.
Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ vastgelegd dat grond vanuit deze bodemkwaliteitszones voorafgaand aan de beoogde toepassing altijd moet worden gekeurd (zie hoofdstuk 6). Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker.
Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend. Als uit de keuring/ bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten.
Blad 96 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Grond afkomstig van buiten het beheergebied als beschreven in de inleiding (paragraaf I.) moet voldoen aan de generieke toepassingseisen. Uitzondering hierop zijn de gebieden met vastgestelde lokale maximale waarden. Indien strenger, geldt het gebiedsspecifieke beleid in plaats van het generieke beleid (zie hoofdstuk 1 van deze Nota voor de LMW).
22.2.2
Formulier ‘Vragenformulier NEN 5725’ Teneinde uit te sluiten dat de locatie van herkomst als 'verdacht' ten aanzien van bodemverontreiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan grondverzet altijd een historisch onderzoek overeenkomstig de NEN5725 te worden uitgevoerd. Om de procedure te vergemakkelijken werken de deelnemende gemeenten met het ‘Vragenformulier NEN 5725’. Dit formulier kan zowel worden ingevuld door een bodemadviesbureau, als door bijvoorbeeld een initiatiefnemer, eigenaar of de gemeente. Het formulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en wordt als bijlage bij de melding ‘Besluit bodemkwaliteit’ ingediend. In bijlage 3 is het formulier opgenomen. Het formulier is zodanig ingericht dat deze voldoet aan alle eisen aan vooronderzoek die zijn gesteld in de NEN 5725.
22.3
Overige erkende bewijsmiddelen Wanneer er geen gebruik mag worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, dient de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond (of baggerspecie) en/of van de ontvangende bodem op een andere wijze te worden aangetoond: 1. Partijkeuring; 2. Erkende kwaliteitsverklaring; 3. Fabrikant-eigen-verklaring; 4. (Water)bodemonderzoek (waaronder in-situ partijkeuring). In de navolgende paragrafen volgt per bewijsmiddel een korte toelichting.
22.3.1
Partijkeuring Een partijkeuring betreft een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit, en daarmee de toepassingsmogelijkheden, van een partij grond of (gerijpte) baggerspecie die al dan niet is ontgraven. Eisen Aan een partijkeuring worden de volgende eisen gesteld (zoals onder andere ook blijkt uit artikel 4.3.3 van de Regeling bodemkwaliteit): Een partij kan worden gekeurd in depot of in-situ; De partij grond (of baggerspecie) dient door een erkende monsternemer te worden bemonsterd conform SIKB BRL 1000: VKB-protocol 100121; De voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform het accreditatieprogramma AP04 door een hiervoor erkend laboratorium. Wanneer de grond of baggerspecie afkomstig is van een verdachte locatie dan dient de partij, naast de parameters van het standaard analysepakket, tevens op de desbetreffende kritische parameters te worden onderzocht. Beoordelingsrichtlijn, met bijbehorend protocol, voor de monsterneming van partijen grond en baggerspecie (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer) 21
Blad 97 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
22.3.2
Erkende kwaliteitsverklaring Een erkende kwaliteitsverklaring bestaat uit twee delen: Het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificerende instelling (zoals bijvoorbeeld KIWA, Intron of BMC). Op dit productcertificaat staan de (civieltechnische) eigenschappen van de grond of baggerspecie vermeld, alsmede de milieuhygiënische classificatie (klasse ‘Landbouw/natuur’ (AW2000), klasse 'Wonen' of klasse 'Industrie'); Het tweede deel betreft een attest, afgegeven door een erkende producent. De eisen die aan een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in de Regeling bodemkwaliteit. Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen wordt gepubliceerd op de website van Bodem+.
22.3.3
Fabrikant-eigen-verklaring Dit is een milieuhygiënische verklaring die door een producent zelf kan worden afgegeven. In tegenstelling tot een erkende kwaliteitsverklaring, vindt bij een fabrikant eigenverklaring geen periodieke externe controle door een certificerende instelling plaats en is er ook geen erkenning noodzakelijk. De verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant. Echter, voordat een producent een fabrikant-eigen-verklaring mag afgeven, moet hij door middel van een streng toelatingsonderzoek aantonen dat zijn product aan de gestelde milieuhygiënische eisen voldoet. De eisen die aan een fabrikant-eigen-verklaring voor een partij grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in de Regeling bodemkwaliteit. Een overzicht van afgegeven fabrikanteigen-verklaringen wordt gepubliceerd op de website van Bodem+.
22.3.4
(Water)bodemonderzoek Bodemonderzoeken die voldoen aan bepaalde onderzoeksstrategieën van de NEN 5740 en NEN 5720 zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Voor toe te passen grond zijn alleen de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit: Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van een schone bodem; Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties; Onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet-schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof. Deze onderzoeksstrategieën van de NEN 5740 gaan uit van een monsternemingsintensiteit die in eenzelfde orde van grootte ligt als bij de partijkeuring en de erkende kwaliteitsverklaringen. Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van toe te passen of te verspreiden baggerspecie en voor de kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater zijn de onderzoeksstrategieën uit de NEN 5720 toegestaan. Indien grond van buiten het beheergebied wordt aangevoerd is het generieke beleid van toepassing (d.w.z. uitvoering van dubbele toets op ontvangende bodem en functieklasse). De kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden aangetoond met de onderstaande middelen: 1.
Bodemkwaliteitskaart (kwaliteit van de ontvangende bodem);
Blad 98 van 112