B-nota-bodembeheer-omgevingsdienst-IJmond
Tekst van het document
De gemeente/OD IJmond zal de toepasser vragen om de uitwerking van de voorgenomen toepassing vast te leggen in een plan van aanpak dat aan ter goedkeuring wordt voorgelegd. Daarbij zal er afstemming tussen toepasser en de OD IJmond en tussen OD IJmond en gemeente – en afhankelijk van de toepassingslocatie: het waterschap - plaatsvinden. Dat zal dan met name gaan om toestemming van de eigenaar en eventueel de toekomstige eigenaar voor de toepassing, vastlegging van het eigenaarschap in de beheerfase, nadere uitwerking van de zorgplicht-aspecten, borging van de drooglegging (zetting). Het plan van aanpak met een advies van de OD IJmond zal worden voorgelegd aan de gemeente. De gemeente heeft daarbij altijd de mogelijkheid om een toepassing te weigeren als aantoonbaar niet aan zorgplicht wordt voldaan; De toepassing voldoet aan de zorgplicht. Bij de keuring van de TGG wordt de onderzoeksopzet en het uitgebreidere stoffenpakket gehanteerd uit de ‘Onderzoeksrichtlijn thermisch gereinigde grond in het kader van de zorgplicht’ die is opgesteld door de DCMR milieudienst Rijnmond13. Het verplicht bepalen van de maximale emissie zoals vermeld in de Kamerbrief11 maakt onderdeel uit van deze richtlijn.
13
Onderzoeksrichtlijn thermisch gereinigde grond TGG in het kader van zorgplicht, DCMR Milieudienst Rijnmond, geen kenmerk, geen datum
Blad 47 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 48 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
8
Aanpak van de Japanse duizendknoop en knolcyperus Invasieve exoten zijn zowel planten als dieren, die vanuit het buitenland naar Nederland zijn gekomen door menselijk handelen. Door afwezigheid van natuurlijke vijanden, kunnen ze razendsnel groeien en verspreiden. In Nederland geldt vanaf 1 januari 2022 een nationaal verkoopverbod voor Japanse duizendknoop. Doel van de maatregel is het beperken van nieuwe introducties en verspreiding in het milieu als gevolg van handel. Het handelsverbod op de Japanse duizendknoop geldt ook voor het transport van grond waarin zich duizendknoopresten bevinden. De knolcyperus is nog niet opgenomen op de zogenaamde Unie-lijst (EU-exotenverordening 1143/2014). Gevolg is dat er geen landelijk beleid is opgesteld voor het bezit, handel, kweek, transport en import van de knolcyperus. Japanse duizendknoop Door de zeer krachtige groei van met name de wortels van de Japanse duizendknoop treedt schade op in zowel natuurgebieden (verdrukking inheemse flora) en het stedelijk gebied (schade aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen). De plant is namelijk zeer sterk in vegetatieve vermeerdering: losgekomen plantdelen zoals de stengels en de wortels lopen eenvoudig uit wanneer deze in contact komen met grond en vormen een nieuwe plant.
Er zijn meerdere soorten Aziatische duizendknopen, welke in dit document aangeduid worden als Japanse duizendknoop. Zoals hierboven vermeld is er nog geen Europees handelsverbod voor de Japanse duizendknoop. Vooruitlopend op een mogelijk Europees handelsverbod geldt in Nederland vanaf 1 januari 2022 een nationaal verkoopverbod voor de Japanse duizendknoop14. Doel van de maatregel is het beperken van nieuwe introducties en verspreiding in het milieu als gevolg van handel. Het verbod heeft betrekking op drie soorten; Japanse duizendknoop (Fallopia japonica inclusief Fallopia japonica var. compacta), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis) en bastaardduizendknoop (Fallopia x bohemica). Het handelsverbod op Japanse duizendknoop geldt ook voor besmette grond. Het thema aanpak en beheer van de Japanse duizendknoop wordt binnen de deelnemende gemeenten vormgegeven door het hanteren van het Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen (Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos & Geofoxx milieuexpertise, 2019). In de volgende alinea’s zijn de belangrijkste aspecten van dit protocol opgenomen en wordt aangegeven wat de verplichtingen zijn voor de initiatiefnemer/aannemer. De bodemafdeling van de gemeente draagt zorg over het volgen van voorgenoemd protocol.
Instructies werkzaamheden bij Japanse duizendknoop Verspreiding van de Japanse duizendknoop kan voorkomen worden door maatregelen te nemen tijdens (onderhouds-)werkzaamheden op en nabij groeilocaties. Door het herkennen van de Japanse duizendknoop kan een groot deel van de verspreiding voorkomen worden. Indien nieuwe groeiplaatsen worden ontdekt bij werkzaamheden dient dit gemeld te worden bij de gemeente. Bij uitvoering van maaiwerkzaamheden of bij andere (grond)werkzaamheden op groeizones, dienen de uitvoerenden de duizendknoop te kunnen herkennen in het veld, bijvoorbeeld door 14
Staatsblad 2021, 381 | Overheid.nl: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-381.html
Blad 49 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
middel van paaltjes. Bij het aantreffen van nieuwe groeilocaties of tijdens (onderhouds-) werkzaamheden kunnen groeiplaatsen in het veld ook tijdelijk gemarkeerd worden door middel van piketpaaltjes, afzetlint of bouwhekken. In dat geval wordt de groeizone achteraf (wederom) met gele paaltjes door de gemeente gemarkeerd. Bij het maaien van groeizones dient het maaisel zeer zorgvuldig te worden verzameld, afgedekt en afgevoerd naar een Erkende Verwerker Invasieve Exoten (zie het register op www.bvor.nl/invasieve-exoten). Na afloop van (maai)werkzaamheden op een groeizone, dient al het materieel (machines, gereedschappen, kleding, etc.) zorgvuldig op locatie schoongeborsteld te worden. Gebruik voor het maaien van duizendknoop bij voorkeur een maai-zuigcombinatie. Een maaibalk met directe afvang, een bosmaaier met zaagblad en handmatig maaien met een zeis zijn ook toegestaan. Klepelen is ongeschikt en niet toegestaan omdat hierbij versnippering optreedt. Grond waarin de Japanse duizendknoop aanwezig is en grond binnen een bufferzone van 2 meter rondom de groeizone, wordt in principe niet verplaatst om zo verspreiding te voorkomen.
Indien deze grond toch verplaatst moet worden, dan is dit uitsluitend mogelijk onder de volgende voorwaarden: Grond ter plaatse van de groeizone van de Japanse duizendknoop én binnen 2 meter rondom de groeizone wordt zorgvuldig verplaatst naar een apart ingericht depot; Het depot wordt van het maaiveld gescheiden door middel van geotextiel; Het depot wordt aan het eind van de dag overdekt met geotextiel om verwaaiing te voorkomen. Het verwerken van de grond is niet toegestaan bij harde wind (Beaufort 7 of hoger); Het depot wordt duidelijk gemarkeerd; Betrokken machines worden bij verlaten van de groeizone/depot op de groeizone of boven het depot schoongeborsteld. Verspreiding van plantenresten moet worden voorkomen. De gemeente ziet toe op het verbod op handel en transport van de Japanse duizendknoop en partijen grond of baggerspecie die zijn besmet met Japanse duizendknoop. Behandelmethodes Bij de aanpak van de Japanse duizendknoop worden verschillende methoden en technieken gebruikt. In de afgelopen jaren zijn meerdere methodes ontwikkeld en meer of minder effectief gebleken. De ervaring tot nu toe leert dat methoden combineren beter lijkt te werken dan methodes separaat uitvoeren. En het gaat er met name om dat het wortelpakket verzwakt wordt. De aanpak van de duizendknoop is maatwerk, elke locatie is verschillend.
Belangrijk bij de keuze voor de bestrijdingsmaatregelen is het moment in het jaar, omdat bepaalde technieken afhankelijk zijn van de groeifase van de plant. Om deze reden wordt overleg met een gebiedsbeheerder en ecoloog sterk aanbevolen. Daarnaast is monitoring en nazorg een essentieel onderdeel van elke effectieve behandeling.
Blad 50 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Effectieve behandelmethodes kunnen zijn: Maaien en direct en zorgvuldig afvoeren. Maaien om uit te roeien is alleen effectief bij zeer hoge toepassingsfrequentie (minimaal 1x/maand). Bij een maaifrequentie van 1x/maand gedurende het hele groeiseizoen kan het 3 tot 5 jaar of langer duren voordat de populatie uitgeput is. Afgraven bij beginnende jonge haarden is een effectieve strategie. Afgraven, zeven en daarna handmatig bijhouden is een werkbare methode. Hoe diep er afgegraven wordt, is maatwerk per locatie. Houdt ook rekening met het afgraven van een buffer van ca. 2 meter rondom de groeilocatie. Na afgraven moeten maandelijks opkomende stekjes handmatig worden verwijderd en afgevoerd. Chemische bestrijding wordt bij voorkeur niet ingezet, tenzij er geen andere keuze is (i.v.m. volksgezondheid, stabiliteit infrastructuur) Behandelmethodes die niet hierboven zijn genoemd, kunnen uiteraard ook effectief zijn. Zoals genoemd is de aanpak van elke groeilocatie maatwerk. Andere aantoonbaar effectieve behandelmethodes kunnen in overleg met de gemeente ook ingezet worden. Knolcyperus Knolcyperus is een onkruid dat zich snel vermeerdert. Het groeit snel, heeft een groot aanpassingsvermogen aan wisselende omstandigheden, is zeer competitief ten opzichte van andere planten voor licht, water en nutriënten en is weinig gevoelig voor bestrijdingsmiddelen.
Knolcyperus veroorzaakt zowel kwantitatieve als kwalitatieve verliezen voor de landbouw. De opbrengst voor de landbouw vermindert door onderdrukking door knolcyperus, maar ook doordat het chemische stoffen afscheidt die het kiemen en de groei van het gewas afremmen. Verder brengt de knolcyperus ook insecten, schimmels, nematoden en plantenvirussen met zich mee. Knolcyperus overwintert als knol (verdikt deel wortelstok) in de grond, die zeker tien jaar levenskrachtig blijft. Een enkele plant kan zich in een seizoen naar alle zijden 1-2 meter ver uitbreiden. De verspreidingsrisico’s zijn vooral via plant/pootgoed en grond (via machines/werktuigen). De knolcyperus is (nog) niet opgenomen op de zogenaamde Unie-lijst. Dat betekent dat er geen wettelijke plicht is deze soort te bestrijden. Echter zijn er voor de knolcyperus wel beheersmaatregelen voor agrarische gebieden. Voor percelen die met knolcyperus zijn besmet, geldt een teeltverbod15. Instructies werkzaamheden bij knolcyperus De voorschriften in verband met knolcyperus zijn opgenomen in de Plantenziektenwet16. De Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK) legt percelen die besmet zijn met knolcyperus een teeltverbod op. De gebruikers van de percelen zijn verplicht om maatregelen te treffen en mogen geen akkerbouwgewassen en tuinbouwgewassen meer telen. Ook de teelt van maïs en graszoden is dan verboden.
Daarnaast moet de gebruiker van het perceel maatregelen nemen om de knolcyperus te vernietigen en verspreiding tegen te gaan. Vaak betekent dit ook het onder toezicht vernietigen van een deel van het gewas en de oogst als die niet voor honderd procent kan worden schoongemaakt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) geeft in Bestrijding van knolcyperus (juni 2016)17 verschillende adviezen hoe de gebruiker knolcyperus kan bestrijden, bijvoorbeeld door stelstelmatige uitputting. Belangrijk is dat machines en werktuigen die
15 Staatscourant 2021, 9651 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-9651.html 16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0002075/2019-01-01 17 https://www.nvwa.nl/binaries/nvwa/documenten/plant/plantziekte-en-plaag/plantziekte/knolcyperus/bestrijding-van-knolcyperus/Bestrijding+van+knolcyperus.pdf
Blad 51 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
gebruikt worden op een besmet terrein achteraf goed worden schoongemaakt (hogedrukspuit, bezem/borstel). Een eigenaar of gebruiker van een besmet perceel is verplicht om anderen die dat perceel bewerken vóór de uitvoering van de werkzaamheden te informeren over de besmetting. Besmettingen die nog niet gemeld zijn, kunnen worden gemeld bij de NAK. Een perceel waarop knolcyperus is aangetroffen, wordt jaarlijks gecontroleerd door de NAK. Als in drie opéénvolgende jaren geen knolcyperus is aangetroffen, dan worden de maatregelen (o.a. teeltverbod) opgeheven. Het perceel wordt in de twee jaar daarna nog wel geïnspecteerd. Af- en aanvoer van grond Om besmetting van grond met knolcyperus zoveel als mogelijk te voorkomen staan de deelnemende gemeenten niet toe dat grond met knolcyperus wordt vermengd met andere grond. Bij grondverzet dient door de initiatiefnemer te worden nagegaan of de partij besmet is met knolcyperus. Hiertoe kan contact op worden genomen met de NAK. Indien de partij besmet is met knolcyperus mag de grond met knolcyperus niet vermengd worden, behalve als het op dezelfde locatie wordt toegepast als de groeizone.
Beleidsregel Knolcyperus De gemeente verleent uitsluitend medewerking aan de melding van grondverzet van partijen die zijn besmet met knolcyperus onder een van de volgende situaties: De partij wordt toegepast op dezelfde locatie als de groeizone waar de grond reeds besmet is met knolcyperus; OF De partij wordt afgevoerd naar een erkend verwerker. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid. Voor gemeente Purmerend is dit gewijzigd beleid.
Blad 52 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
9
Geldigheidsduur bodemonderzoek Onderbouwing In de Wet bodembescherming, de Omgevingswet óf een van de bijbehorende besluiten, zijn geen specifieke termijnen opgenomen voor de geldigheidsduur van een onderzoek dat wordt ingediend ten behoeve van de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen. Desalniettemin wordt vaak als uitgangspunt genomen dat een onderzoek niet ouder mag zijn dan 5 jaar. Gemeenten kunnen kiezen of ze nadere regels willen stellen in het omgevingsplan. De deelnemende gemeenten hanteren als uitgangspunt voor de ouderdom van bodemonderzoeken de onderstaande tabel. Tabel 10: Termijnen ouderdom bodemonderzoek (Bron: ‘Bodem+’ en ‘onderzoek naar de feiten en meningen m.b.t. de geldigheidsduur van water, bodemonderzoek, MWH Stantec, december 2016’) Lokale situatie Buitengebied Bebouwde kom Bedrijventerrein Landbouw/natuur (AW2000) 5 jaar 5 jaar 3 jaar Diffuus verontreinigd (grond en/of grondwater) 5 jaar 5 jaar 3 jaar Lokale bodemverontreiniging (immobiel) 5 jaar 5 jaar 2 jaar Verontreiniging met vluchtige verbindingen (>I) 2 jaar 2 jaar 2 jaar Lokale grondwaterverontreiniging 2 jaar 2 jaar 2 jaar Te verlengen door middel van een NEN 5725-onderzoek en te actualiseren door middel van onderzoek van de bovengrond conform NEN 5740. Zie uitleg in de tekst. Verlenging of actualisatie is maatwerk. Zie uitleg in de tekst.
Mogelijkheden tot verlenging/actualisatie Voor de situaties in tabel 10 aangegeven met groen, geldt het volgende: Het onderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar en kan maximaal 2 jaar worden verlengd indien aangetoond kan worden dat op de locatie geen bodem bedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Verlenging is mogelijk door middel van een NEN 5725-onderzoek. Als de initiatiefnemer beschikt over een bodemonderzoek van meer dan 5 jaar maar maximaal 10 jaar oud, mag worden volstaan met een actualiserend bodemonderzoek van alleen de bovengrond (aantal boringen en analyses conform NEN 5740). Voorwaarde is wel dat de inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd. Dit moet blijken uit een NEN 5725-onderzoek. Indien bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden na de uitvoering van het bodemonderzoek, dient het bodemonderzoek geactualiseerd te worden. De opzet van het actualiserend bodemonderzoek is afhankelijk van de aard en omvang van de bodembedreigende activiteiten en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. Voor verontreinigingen met vluchtige verbindingen, voor grondwaterverontreinigingen en voor verontreinigingen ter plaatse van bedrijventerreinen (blauw in tabel 10) geldt het volgende: voor deze locaties is maatwerk noodzakelijk.
Indien de termijn zoals aangegeven in tabel 10 is overschreden, wordt in overleg met de Omgevingsdienst IJmond besloten op welke manier het onderzoek verlengd of geactualiseerd kan worden. Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten Met betrekking tot de geldigheidsduur accepteert de gemeente de volgende bodemonderzoeksrapporten: Het onderzoek is maximaal 5 jaar oud in het geval van locaties in het buitengebied en de bebouwde kom, waarbij de bodemkwaliteit Landbouw/natuur (AW2000) is, de locatie is diffuus verontreinigd of er is sprake van een immobiele bodemverontreiniging. o Onder deze omstandigheden accepteert de gemeente dat het onderzoek met twee jaar wordt verlengd, indien uit een NEN 5725-onderzoek blijkt dat de
Blad 53 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd. o Indien het onderzoeksrapport meer dan 5 jaar maar maximaal 10 jaar oud is accepteert de gemeente dat het onderzoek wordt geactualiseerd met een NEN 5725-onderzoek waaruit blijkt dat de inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd én een bodemonderzoek van de bovengrond (strategie conform NEN 5740). In het geval van verontreinigingen met vluchtige verbindingen, niet diffuse grondwaterverontreinigingen en voor verontreinigingen ter plaatse van bedrijventerreinen accepteert de gemeente het onderzoeksrapport indien deze maximaal 2 jaar oud is (dit is maximaal 3 jaar in het geval van bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur (AW2000) en in het geval van een diffuse verontreiniging ter plaatse van een bedrijventerrein, zie tabel 10).
In alle overige (niet genoemde) situaties wordt er voor eventuele verlenging of actualisatie afgestemd met het bevoegd gezag of de daartoe aangewezen instantie (OD IJmond). Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit gewijzigd beleid.
Blad 54 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
10
Toepassen van grond vanuit de zones ‘Oud Volendam en Purmer’, Wonen B en Oud Edam’ en ‘Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ Onderbouwing De grond vanuit de bodemkwaliteitszones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ (zie de bodemkwaliteitskaart van regio Waterland) hebben een slechtere bodemkwaliteit dan de andere bodemkwaliteitszones in de regio. In de grond komen relatief vaak sterk verhoogde gehalten met koper, lood, zink en PAK voor die onderdeel vormen van de diffuse bodemkwaliteit. Om te voorkomen dat diffuus verontreinigde grond elders zonder meer wordt toegepast, stellen de deelnemende gemeenten strenger beleid vast voor grond die vanuit deze bodemkwaliteitszones elders in het bodembeheergebied wordt toegepast. Grond vanuit de genoemde bodemkwaliteitszones moet voorafgaand aan de beoogde toepassing altijd worden gekeurd door middel van een partijkeuring. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Beleidsregel voor de gemeenten in regio Waterland De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, kan medewerking verlenen met de voorgenomen toepassing van een partij grond die afkomstig is van de bodemkwaliteitszones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O2.
Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ onder voorwaarde dat de aangeboden partij is onderzocht conform AP04 (BRL SIKB protocol 1001). Toepassing is mogelijk op basis van de keuringsresultaten. De bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 wordt voor grond afkomstig uit de genoemde zones niet geaccepteerd als bewijsmiddel. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland is dit bestaand beleid. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Purmerend, Uitgeest, Velsen en Zandvoort.
Blad 55 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
11
Toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen Zoals in de bodemkwaliteitskaarten is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan de onderzijde van het onderste dieptetraject (tot 2,0 m -mv. voor regio Waterland, 2,5 m -mv. voor regio Zuid-Kennemerland-IJmond) geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze diepere bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag beneden de onderzijde van het diepste dieptetraject niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 0,5 meter tot en met 2 dan wel 2,5 meter diepte), wordt dit niet milieuvriendelijk geacht. De deelnemende gemeenten verruimen voor niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag beneden het onderste dieptetraject. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 dan wel 2,5 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag.
Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, accepteert bij het ontvangen van de melding voor het toepassen van grond die is vrijgekomen uit de bodemlaag dieper dan de onderzijde van het onderste dieptetraject in de bodemkwaliteitskaart, dat de kwaliteit van deze grond op dezelfde wijze is bepaald als de bovenliggende bodemlaag (dat wil zeggen het onderste dieptetraject). De bodemkwaliteitskaart wordt derhalve beschouwd als erkend bewijsmiddel in combinatie met een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 voor diepere bodemlagen. In de volgende situaties kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt voor het bepalen van de kwaliteit van diepere bodemlagen: De vrijkomende grond is afkomstig van een verdachte bodemlocatie; De vrijkomende grond is zintuigelijk verontreinigd. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland is dit bestaand beleid. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort.
Blad 56 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
12
Melden en onderzoeken kleine partijen grond Kwaliteit van kleine partijen Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. Kleine partijen Binnen het beheergebied worden kleine partijen grond of gerijpte baggerspecie gedefinieerd als: partij met een maximale omvang van 50 m3 Voor kleine partijen die afkomstig zijn uit op de bodemkwaliteitskaart gezoneerd gebied, bestaan in principe geen problemen: voor deze partijen kan namelijk zeer waarschijnlijk gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) voor het aantonen van de milieuhygienische kwaliteit. Is de partij daarentegen afkomstig uit één van de, van de bodemkwaliteitskaart, uitgesloten of uit de bodemkwaliteitszones B1/O1 en B2 of de toepassing vindt plaats op een locatie met gevoelig bodemgebruik, dan moet de milieuhygiënische kwaliteit van de grond worden vastgesteld met een partijkeuring. Melden van kleine partijen In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone gerijpte baggerspecie met een maximale omvang van 50m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht.
De deelnemende gemeenten achten het echter niet redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden. De deelnemende gemeenten verruimen daarom de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 11 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. De grondstromenmatrix is opgenomen in de bijlage. Tabel 11: Regels voor keuring en melding van kleine partijen grond Grondstroom Hoeveelheid Keuring?
Melden?
Beperking bij de toepassing?
Grond van kwaliteitsklasse AW2000/ Landbouw-Natuur ≤50 m3 >50 m3 Nee Ja
Volgens grondstromenmatrix vrij grondverzet
≤50 m3 >50 m3 Nee, ten- Nee, tenzij een zij een bepaald bodembepaald gebruik* bodemgebruik* Nee, wel Ja, zie H.23 Nee, wel Ja, zie H.23 toestemtoestemming eiming eigenaar genaar Voldoen aan toepassingseisen en er mag geen spraken zijn van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie
Volgens grondstromenmatrix geen vrij grondverzet** ≤25 m3 Nee, tenzij een bepaald bodemgebruik*
>25 m3 Ja
Ja, zie H.23
Afhankelijk van keuringsresultaten en voldoen aan toepassingseisen * Als een partij afkomstig is uit de bodemkwaliteitszones B1/O1 en B2 of de toepassing vindt plaats op een locatie met gevoelig bodemgebruik, dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeuring waaruit blijkt dat deze voldoet aan de gestelde toepassingseis. ** Grondstromenmatrix is opgenomen in bijlage 7
Blad 57 van 112
Binnen de zone en voldoen aan toepassings-eisen
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Opbulken tot 25 m3 Een partijkeuring voor kleine partijen is vaak een kostbare aangelegenheid. Daarom wordt aanbevolen om kleine partijen grond af te voeren naar erkende verwerkingslocaties. Met ingang van 1 juli 2008 mag het samenvoegen (opbulken) van partijen grond en/of baggerspecie uitsluitend worden uitgevoerd door daarvoor erkende bedrijven. In artikel 4.3.2 van de Regeling bodemkwaliteit is vastgelegd dat het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie alleen is toegestaan indien deze in dezelfde bodemkwaliteitsklasse zijn ingedeeld en zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig de BRL 9335 (grond) of BRL 7500 (baggerspecie) door een instelling die daarvoor is erkend. Voor kleine organisaties zoals hoveniers en bij de inname van grond bij milieustraten zijn de onderstaande alternatieven beschreven. 1. Niet samenvoegen van partijen, maar separaat opslaan van de partijen. Voorwaarde hiervoor is dat voldoende ruimte op het terrein aanwezig is. Indien van de partij reeds een vanuit het Bbk erkend bewijsmiddel beschikbaar is (partijkeuring, bodemkwaliteitskaart), blijft deze bij de partij horen en kan gebruikt worden bij latere toepassing onder het Bbk. Is nog geen bewijsmiddel beschikbaar van de partij, dan kan de partij (al dan niet op basis van indicatieve onderzoeksgegevens) worden afgevoerd naar een BRL 9335 erkend bedrijf. 2.
Samenvoegen van hele kleine partijen tot 25m³ is toegestaan zonder erkenning. Het gevolg van deze samenvoeging is wel dat de bewijsmiddelen van de afzonderlijke partijen komen te vervallen. Deze partijen dienen te worden afgevoerd naar een instelling die deze onder erkenning verder kan opbulken en inkeuren. Toepassen van grond of baggerspecie onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet is het vereist dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie is aangetoond met een bewijsmiddel (milieuverklaring bodemkwaliteit). De enige uitzondering hierop is wanneer een natuurlijk persoon (particulier) maximaal 25 m3 toepast of wanneer een bedrijf voor het telen van gewassen eigen vrijgekomen landbouwgrond elders op eigen landbouwgrond toepast. Voor het melden van een toepassing onder de Omgevingswet geldt een meldplicht van 1 week. In het geval het gaat om meerdere toepassingen, is een meldingstermijn van 4 weken van toepassing. Voor de volgende gevallen geldt er geen meldingsplicht: Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3; Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden; Maximaal 50 m3 grond kwaliteit ‘Landbouw/natuur’.
Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn; Maximaal 50 m3 baggerspecie kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar: Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone); Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal; Als een activiteit vergunningplichtig is volgens hoofdstuk 3 van het Bal, dan geldt er geen meldplicht. De gegevens die een melding moet bevatten, maken in dat geval onderdeel uit van de vergunningaanvraag; Al eerder gemeld: als er al eerder een melding is gedaan voor dezelfde toepassing, hoeft een initiatiefnemer niet opnieuw te melden. Wel moet de initiatiefnemer gegevens en bescheiden per partij aanleveren volgens artikel 4.1267 Bal.
Blad 58 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Minimaal één week voor aanvang van de activiteit dient de initiatiefnemer het bevoegd gezag te voorzien van gegevens en bescheiden. De gegevens en bescheiden hoeven niet aangeleverd te worden in de volgende gevallen: Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3; Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden; Grond met kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn; Baggerspecie met kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone); Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn. Op de website https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toepassen-grond-baggerspecie/toepassingsbereik-melding-gegevens/ zijn stroomdiagrammen opgenomen die de meldplicht en informatieplicht verduidelijken. Opbulken van kleine partijen grond onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet mag samenvoegen van partijen grond of baggerspecie alleen als de partijen dezelfde kwaliteitsklasse hebben. Ook gelden andere voorwaarden, waaronder een erkenningsplicht voor de organisatie. Alleen tot 25 m3 mag zonder erkenning worden samengevoegd.
Bij het samenvoegen van partijen ontstaat een nieuwe partij grond of baggerspecie. Regels voor het samenvoegen van partijen grond staan in artikel 4.1255 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie tot een partij die groter is dan 25 m3, is alleen toegestaan als deze partijen: Zijn ingedeeld in dezelfde kwaliteitsklasse Zijn gekeurd en samengevoegd op grond van BRL 9335 of BRL 7500 door een onderneming met een erkenning Op deze regels zijn de volgende uitzonderingen: Kleine partijen: het samenvoegen van kleine partijen tot 25 m3 is toegestaan zonder verplichte kwaliteitsbepaling of erkenningsplicht. Hierdoor kunnen gemeentewerven, hoveniers of andere organisaties kleine hoeveelheden grond zonder erkenning innemen en deze aanbieden aan een organisatie die wel is erkend. Samenvoegen van partijen met onbekende kwaliteit. Samenvoegen van partijen waarvan de kwaliteit niet is vastgesteld (onbekende kwaliteitsklasse) mag alleen tot maximaal 100 ton en volgens BRL 9335 of BRL 7500 door een erkende organisatie. Schone grond of baggerspecie onder erkende kwaliteitsverklaring BRL 9313 of BRL 9321.
Het is toegestaan om partijen van kwaliteitsklasse landbouw of natuur (grond) of nietverontreinigd (baggerspecie) met een erkende kwaliteitsverklaring volgens BRL 9313 of BRL 9321 samen te voegen zonder daarvoor erkend te zijn. Het gaat hierbij om: o Zand uit dynamische wingebieden (primaire winning uit zee) o Industriezand o (gebroken) industriegrind (industriële winning). Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten Omdat de algemene regels voor de omgang met kleine partijen grond grotendeels overeenkomt met het gewenste gebiedsspecifieke beleid onder het stelsel van de Wbb, worden er geen
Blad 59 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
wijzigingen aangebracht aan de algemene regels na inwerkingtreding van de Omgevingswet. De onderstaande beleidsregel is daarmee uitsluitend van toepassing onder het stelsel van de Wet bodembescherming. Oftewel: met de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaan de deelnemende gemeenten gebruik maken van het generieke beleid.
Voor partijen met een omvang ≤50 m3 hoeft de gemeente geen melding te ontvangen van de voorgenomen toepassing. Voor partijen met een omvang >50 m3, toetst de gemeente onder bepaalde omstandigheden niet of, bij het ontvangen van de melding van toepassen van grond, een keuring is gevoegd bij de melding. De gemeente toetst dit niet in het geval er vrij grondverzet mogelijk is conform de grondstromenmatrix (zie bijlage 7). o Uitzondering: indien een partij afkomstig is uit de bodemkwaliteitszones B1/O1 en B2 of de toepassing vindt plaats op een locatie met gevoelig bodemgebruik, dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeuring waaruit blijkt dat deze voldoet aan de gestelde toepassingseis.
Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland is dit bestaand beleid. Het is gewijzigd beleid voor de gemeente Purmerend. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort.
Blad 60 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
13
Nulsituatieonderzoek In het Activiteitenbesluit (artikel 2.11) is beschreven dat een bedrijf met bodemverontreinigende activiteiten een nulsituatie-onderzoek uitvoeren voorafgaande aan de aanvang van de activiteit. Als het betreffende bedrijf haar activiteiten staakt, moet een eindsituatie-onderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van het eindsituatieonderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatieonderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de plaatsgevonden bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid. Het komt wel eens voor dat de nulsituatie niet is vastgelegd. Volgens het Activiteitenbesluit moeten in die situatie de resultaten van het eindsituatie-onderzoek voldoen aan de maximale waarden van de klasse Achtergrondwaarde (AW2000). De gemeenten in de regio Waterland staan het echter toe dat bij het niet aanwezig zijn van een nulsituatie-onderzoek de bodemkwaliteitskaart mag worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het eindsituatie-onderzoek. Hierbij geldt dat de gebiedseigen bodemkwaliteit wordt bepaald aan de hand van de 80 percentielwaarde van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. Het gebruik van de P80 is in het verleden vaak gebruikt als bepaling voor gebiedseigen bodemkwaliteit. De percentielbladen en zone-indeling is te vinden in het rapport van de bodemkwaliteitskaart.
De regels voor het (gebiedsspecifiek)toepassen van grond en bagger uit deze Nota blijven onverwijld van kracht. Nulsituatieonderzoek onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het Activiteitenbesluit ingetrokken. De algemene regels met betrekking tot activiteiten zoals opgenomen in het Bal zijn vanaf dat moment van kracht. Met de ingang van de Omgevingswet wijzigt de verplichting tot het vastleggen van de nulsituatie voorafgaande aan de aanvang van een bodembedreigende activiteiten. Deze wordt niet meer verplicht gesteld m.u.v. IPPC-installaties (RIE art.22, Or artikel 7.27). Dit is beschreven in artikel 7.27 van de Omgevingsregeling. In het geval de nulsituatie niet is vastgelegd voorafgaande aan de activiteit, dienen na het beëindigen van de activiteit, de gemeten concentraties uit het eind-situatieonderzoek te worden getoetst aan de gebiedskwaliteit zoals opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Wanneer hogere waarden gemeten zijn, is formeel sprake van een verontreiniging welke is ontstaan naar aanleiding van de activiteit. Deze verontreiniging dient gesaneerd te worden tot minimaal de ontgravingskwaliteit zoals aangegeven in de bodemkwaliteitskaart. Deze sanering is tevens verplicht in het geval er (slechts) een lichte verontreiniging is ontstaan. Een initiatiefnemer behoudt de mogelijkheid om een nulsituatieonderzoek uitvoeren.
Indien wordt gekozen voor een vrijwillig nulsituatieonderzoek, wordt degene die de activiteit verricht uitsluitend verantwoordelijk beschouwd voor de eventuele toegevoegde verontreiniging. De deelnemende gemeenten vinden het onwenselijk dat, in het geval geen nulsituatieonderzoek is uitgevoerd, er gesaneerd dient te worden tot de diffuse bodemkwaliteit van het gebied. Om deze situatie te voorkomen, eist de gemeente dat, tevens na het inwerkingtreden van de Omgevingswet, voorafgaande aan de verrichting van de bodembedreigende activiteit, een nulsituatieonderzoek wordt uitgevoerd conform de normen uit de NEN5740. Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij het ontvangen van een bodemonderzoeksrapport voorafgaande aan de start van een bodembedreigende activiteit of met het
Blad 61 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
onderzoek de nulsituatie kan worden vastgelegd. Het onderzoek wordt als nulsituatieonderzoek beschouwd en legt de nulsituatie vast indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Het nulsituatieonderzoek is verricht conform de daartoe geldende normen uit de NEN5740; 2. Het nulsituatieonderzoek richt zich minimaal op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden dan wel zullen plaatsvinden; 3. Uiterlijk binnen drie maanden na oprichting van de inrichting, een rapport met de resultaten van het nulsituatieonderzoek ter goedkeuring toegestuurd wordt aan het bevoegd gezag; 4. Het onderzoek wordt uitgevoerd onderscheidenlijk opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. De gemeente geeft toestemming om bij het ontbreken van een nulsituatieonderzoek, na afronding van een bodembedreigende activiteit, de bodemkwaliteit af te leiden van de bodemkwaliteitskaart. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de 80 percentielwaarde (P80) van de ontgravingskwaliteit waarin de locatie is gelegen (zie statistiekbladen in de bodemkwaliteitskaart).
Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit gewijzigd beleid.
Blad 62 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
14
Vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij aanvraag omgevingsvergunning De gemeenten in regio Waterland bieden de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (bouw en bestemmingswijziging) in aangewezen gebieden onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN5740) achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op betreffende locatie. De voorwaarden hiervoor zijn: De locatie is niet gelegen in een door de provincie aangewezen beschermingsgebied (zie bijlage 8). Het ‘Vragenformulier NEN 5725’ (zie paragraaf 22.2.2 en bijlage 3) is volledig ingevuld en daaruit blijkt dat sprake is van een niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging. Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Een terreininspectie maakt onderdeel uit van het verificatieonderzoek. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst IJmond of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt.
Het volledig ingevulde ‘Vragenformulier NEN 5725’ moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de gemeente waarin de locatie is gelegen en waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, worden ingediend. De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, beoordeelt het vragenformulier en of gebruik kan worden gemaakt van de vrijstellingsregeling. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze Nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een verdachte ophooglaag, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten, of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Situatie onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het verplicht om als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit naast de bodemkwaliteitskaart, altijd een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 aan te leveren, zoals beschreven in de Regeling bodemkwaliteit paragraaf 4.3. Gemeenten hebben niet de mogelijkheid om van deze eis af te wijken. Het vragenformulier is zodanig opgesteld dat deze overeenkomstig is met de NEN 5725 en kan derhalve in gebruik blijven.
Beleidsregel voor de gemeenten in regio Waterland De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, verleent medewerking aan de aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw en bestemmingswijziging) in aangewezen gebieden waarbij de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit wordt gebruikt, onder de volgende voorwaarden: De locatie is niet gelegen in een door de provincie aangewezen beschermingsgebied (zie bijlage 8 voor de beschermingsgebieden van regio Waterland); Het ‘Vragenformulier NEN 5725’ (zie bijlage 3) is volledig ingevuld en daaruit blijkt dat sprake is van een niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging. o Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen
Blad 63 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Een terreininspectie maakt onderdeel uit van het verificatieonderzoek. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst IJmond of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid.
Blad 64 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
15
Natuurlijk verhoogd arseen Inleiding In delen van Noord-Holland komt arseen van nature in verhoogde concentraties voor in een diepe bodemlaag, het basisveen. Van daaruit kan het terecht komen in het grondwater en zich verspreiden naar ondiepere bodemlagen. Het belangrijkste gebied waar verhoogde arseenconcentraties in de bodem of het grondwater voorkomen is een ongeveer vijf kilometer brede strook tussen Hoofddorp en Ankeveen. Maar ook in andere delen van Noord-Holland kan lokaal sprake zijn van verhoogde arseenconcentraties. Hierbij worden soms de waarden van de signaleringsparameters voor grondwaterkwaliteit uit bijlage V van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) overschreden. Geen onderzoek en sanering van natuurlijk verhoogd arseen in grondwater Het regionaal waterprogramma van de provincie biedt het kader voor eventuele maatregelen die genomen moeten worden wanneer sprake is van verhoogde arseengehalten. Ten aanzien van arseen dat van nature in de bodem voorkomt geldt dat er onder de Omgevingswet geen sprake is van noodzaak voor maatregelen ter verbetering van de grondwaterkwaliteit wanneer de signaleringsparameter wordt overschreden.
Geen gevaar verwacht voor de gezondheid bij natuurlijk verhoogd arseen De provincie Noord-Holland heeft in 2000 onderzoek laten doen door de Vrije Universiteit (VU) en de Veterinaire Inspectie (nu Voedsel en Waren Autoriteit) om de mogelijke risico’s van het natuurlijk verhoogde arseen voor mens en dier in beeld te krijgen. Hierbij is uitgegaan van een worst-case scenario. De conclusie uit dit onderzoek was dat er voor de verschillende functies van de bodem vrijwel geen problemen waren. De arseengehalten in consumptiegewassen (moestuin) vormden volgens RIVM en Veterinaire Inspectie geen direct gevaar voor de volksgezondheid. De algemene conclusie uit het onderzoek was dat beperkingen op het grondgebruik, zoals een verbod op consumptieteelt, niet nodig zijn. Voorkomen eventuele risico’s voor vee bij natuurlijk verhoogd arseen Afgeraden werd om vee te laten grazen waar de grond duidelijk verkleurd is door slibafzetting, omdat grassen op die plaatsen hogere arseenconcentraties kunnen bevatten. Daarnaast werd afgeraden om vee te drenken met slootwater, aangezien zwevend slib in dit water hoge concentraties arseen kan bevatten. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan voor deze twee situaties de bezetting met vee afraden.
Onderzoek of sprake is van natuurlijk verhoogd arseen in de bodem In de afgelopen jaren heeft ODNHN in Hoorn in een aantal bodemonderzoeken specifiek gekeken naar parameters waarmee te achterhalen is of sprake is van natuurlijk verhoogde arseengehalten. Het grondwater is daarbij geanalyseerd op arseen ter bepaling van de mate van verontreiniging. Daarnaast vonden analyses plaats op ijzer (Fe2+), sulfaat, carbonaat, fosfaat en ammonium en is de zuurgraad van het grondwater (veldmeting) bepaald. Deze parameters geven tezamen met de gegevens over de bodemopbouw (aanwezigheid veen/oer- of gley; roestvlekken), de zuurgraad, de grondwaterstanden en de arseenconcentraties een indicatie of verhoogde arseenconcentraties het gevolg zijn van natuurlijke omstandigheden.
Blad 65 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Onderzoek en sanering bij niet-natuurlijk verhoogd arseen Arseen maakt sinds enige tijd geen onderdeel meer uit van het standaard stoffenpakket voor bodemonderzoek. Alleen wanneer uit het historisch onderzoek blijkt dat er een verdenking bestaat voor de aanwezigheid van niet-natuurlijk arseen in de bodem, moet dit worden betrokken bij een bodemonderzoek (§ 5.2.2 Bal). In geval van een sanering van niet-natuurlijk arseen in de vaste bodem zijn de algemene regels voor saneren (§ 4.121 Bal) van toepassing. Wanneer de sanering van bodemverontreiniging plaatsvindt door het verwijderen van de verontreiniging (art. 4.1242 Bal) kan voor niet-natuurlijk arseen als terugsaneerwaarde de natuurlijke achtergrondconcentratie worden aangehouden. Achterwege laten van onderzoek en sanering bij natuurlijk verhoogd arseen Omdat uit het onderzoek door de Vrije Universiteit (VU) en de Veterinaire Inspectie/ Voedsel en Waren Autoriteit is gebleken dat er ten aanzien van de aanwezigheid van natuurlijk verhoogd arseen geen risico’s en/of gebruiksbeperkingen te verwachten zijn, zijn in het kader van de Omgevingswet verder onderzoek hiernaar of sanerende maatregelen niet noodzakelijk.
Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, geldt het volgende: De gemeente staat toe dat wanneer de sanering van bodemverontreiniging plaatsvindt door het verwijderen van de verontreiniging er voor niet-natuurlijke arseen een terugsaneerwaarde kan worden aangehouden van de natuurlijke achtergrondconcentratie. De gemeente staat in het kader van de Omgevingswet toe dat geen onderzoek noodzakelijk is naar natuurlijk verhoogd arseen en geen sanerende maatregelen nodig zijn voor de aanwezigheid van natuurlijk verhoogd arseen. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 66 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
16
Herschikken Inleiding Dit hoofdstuk gaat over herschikken van verontreinigde grond binnen de uitvoering van een ontgraving en een sanering. Hergebruik van sterk verontreinigde grond is onder het Bbk onder de Wet bodembescherming niet zondermeer toegestaan. Wanneer sprake is van een gebiedseigen diffuse verontreiniging, waarbij de gehalten boven de interventiewaarden liggen, maar er geen sprake is van het overschrijden van het saneringscriterium, kan de gemeente het herschikken van deze grond binnen het geval van bodemverontreiniging namelijk toestaan door hiervoor gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het herschikken binnen het saneringsgeval moet daarnaast in een saneringsplan worden beschreven. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet bodembescherming en bij het desbetreffende bevoegde gezag. Herschikken onder de Omgevingswet Met de komst van de Omgevingswet valt het herschikken van grond met een kwaliteitsklasse boven de interventiewaarde bodemkwaliteit onder de activiteit saneren van de bodem (paragraaf 4.121 Bal). Hergebruik van sterk verontreinigde grond is onder de Omgevingswet verder uitsluitend mogelijk voor zover de grond of baggerspecie afkomstig is van een diffuus sterk verontreinigde locatie en deze grond of baggerspecie ook weer wordt toegepast op een diffuus sterk verontreinigde locatie binnen het bodembeheergebied.
Herschikken bij saneren Voor herschikken bij een sanering is een algemene regel opgenomen in art. 4.1241 lid 5 van het Bal dat verontreinigde grond die is vrijgekomen alleen herschikt wordt op het gedeelte van de locatie waar een afdeklaag wordt aangebracht. Bij het herschikken kan een onderscheid worden gemaakt tussen situaties waarbij de verontreinigde bodem onder een afdeklaag komt te liggen en situaties waar geen sprake is van een afdeklaag. In aanvulling op artikel 4.1241, vijfde lid, Bal, geldt bij herschikken onder de afdeklaag dat in de te herschikken grond of baggerspecie geen sprake is van een mobiele verontreiniging. Voor veel situaties zijn de standaard saneringsaanpakken zoals geregeld in het Bal afdoende, maar voor een aantal situaties voldoet deze aanpak mogelijk niet. De gemeente kan voor een saneringsaanpak maatwerkregels in het omgevingsplan opnemen.
Beleidsregel beoordelingskader maatwerkvoorschrift, waarbij aanvullende eisen worden gesteld aan het herschikken bij sanering door afdekken, voor de deelnemende gemeenten Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, geldt het volgende: De gemeente stemt in met het een verzoek om maatwerkvoorschrift voor herschikking die niet plaatsvindt onder een afdeklaag op grond van artikel 4.1241, vijfde lid, Bal, onder de volgende voorwaarden: In de te herschikken grond of baggerspecie is geen sprake van een mobiele verontreiniging. Tot boven de interventiewaarden bodemkwaliteit verontreinigde grond mag binnen de interventiewaardencontour (zowel in horizontale als verticale zin) van de locatie waarop de activiteit saneren wordt verricht, worden herschikt/geconcentreerd. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid in de eindsituatie. Bij herschikken kan ook gelet worden op de kwaliteit van de onderlaag. Hierbij kunnen regels worden gesteld om te voorkomen dat vermenging met een schone onderlaag kan optreden. De gemeente houdt zich voor om ook hier maatwerkvoorschriften voor op te stellen.
Blad 67 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Voor de gemeenten, Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 68 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
17
Verhardingslagen in onderzoek bij bodemgevoelig gebouw Onderbouwing Er zijn vele typen verharding te onderscheiden, meestal onderverdeeld in open- en gesloten verharding. Een gesloten verharding is bijvoorbeeld een asfaltlaag. Deze kan wel de oorzaak van een bodemverontreiniging zijn (en als zodanig de bron), maar maakt geen onderdeel uit van de bodem of grond. Bij de open verhardingslagen is de mate van bijmenging bepalend. Wanneer er sprake is van verontreiniging op of in de verharding die zich kan verspreiden naar onderliggende bodem, geldt de zorgplicht van de Omgevingswet. Voor nieuwe verhardingslagen gelden de algemene regels in het Bal. Bij aanbrengen en verwijderen van dit materiaal zijn de regels van het Bal voor bouwstoffen van toepassing. Bij in het verleden aangebrachte verhardingslagen is niet altijd voldaan aan de eis van terugneembaarheid en heeft daadwerkelijke verwijdering niet altijd plaatsgevonden. Ook zijn er onder de Wet bodembescherming zijn geen regels opgenomen die de (humane) risico’s onderzoeken van een verhardingslaag. Aangezien een verhardingslaag vaak niet onder het begrip bodem valt, hoeft er volgens de wet geen bodemonderzoek gedaan te worden. Bij de fundering onder een verharding is door vermenging met de bodem geen eenduidige scheiding meer waarneembaar. Ook kunnen puinlagen voorkomen in de diepere ondergrond.
Uitgangspunt is dat bodemvreemd materiaal zoals puin en slakken niet als bodem worden gezien in de zin van de Omgevingswet als meer dan 50 gewichtsprocent van het materiaal uit bodemvreemd materiaal bestaat (toelichting art. 4.1230 van het Bal in het Aanvullingsbesluit bodem). Dergelijke lagen worden gezien als puin of afval. Voor de toepassing van het regime van bodemregels van het Bal is het van belang te bepalen of de bodem waarop of waarin activiteiten plaatsvinden bodem is of ander materiaal. Indien er bijmenging heeft plaatsgevonden kan er sprake zijn van bodem/grond, een afvalstof (bijv. een niet meer als zodanig functionerende en/of van de bodem eenduidig te onderscheiden verhardingslaag) of een verhardingslaag (toegepaste bouwstof). Wanneer bij de milieubelastende activiteit graven een verhardingslaag wordt aangetroffen moet worden nagegaan in hoeverre deze herbruikbaar is of afgevoerd moet worden naar een erkende verwerker. Bij bouwen van bodemgevoelige gebouwen is het van belang om via onderzoek na te gaan of verhardingslagen voor humane risico’s kunnen zorgen. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
De term gebouw is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw. Beleidsregels bij onderzoek verhardingslagen in het kader van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw Nadat de Omgevingswet inwerking is getreden, geldt het volgende:
Blad 69 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
De gemeente verleent medewerking aan de aanvraag voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw waarbij sprake is van een verhardingslaag ter plaatste van de onderzoekslocatie als het aan te leveren bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal voldoet aan alle volgende eisen: A. Indien bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal noodzakelijk is, vindt het bodemonderzoek plaats vanaf de onderkant van de verhardingslaag; B. Voor zover sprake is van een open verhardingslaag, wordt in het bodemonderzoek de eerste 0,5 meter onder de open verhardingslaag aangemerkt als bovengrond als bedoeld in een NEN 5740 bodemonderzoek en wordt deze als zodanig onderzocht op verontreiniging. De verhardingslaag wordt onderzocht op kritische parameters voor de verhardingslaag, conform de daartoe gestelde normen (NEN 5740, NEN 5897); C. Voor zover sprake is van bodemverontreiniging in de bovengrond of het grondwater, wordt onderzocht of de verhardingslaag als bron van verontreiniging moet worden aangemerkt; D. Indien het verhardingsmateriaal als bron van verontreiniging kan worden aangemerkt, bevat het bodemonderzoek informatie over de gevolgen voor de onderliggende bodem zodat kan worden beoordeeld of er onaanvaardbare gevolgen (humane en/of verspreidingsrisico’s) zijn; E. Van onaanvaardbare gevolgen als bedoeld onder D.
is sprake indien sprake is van een al dan niet blijvend sterke uitloging van het verhardingsmateriaal op grond van een uitloogproef. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Verhardingslaag: een laag die fysiek duidelijk is te onderscheiden van de onderliggende bodem, zonder dit fysieke onderscheid is sprake van puinhoudende bodem; Gesloten verhardingslaag: een verhardingslaag die bestaat uit materiaal met een dichte en vaste structuur en die als een werk is aangelegd op de bodem en daar geen onderdeel van uit maakt; Open verhardingslaag: een verhardingslaag zonder vaste structuur, die bestaat uit meer dan 50% volume bodemvreemd (steenachtig) materiaal en op de bodem is aangebracht om de draagkracht en berijdbaarheid van de bodem te vergroten. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 70 van 112
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
18
Maatwerk voor de saneringsaanpak De regelgeving voor bodem wijzigt met de overgang van de Wet bodembescherming naar de Omgevingswet en de bevoegd gezag-taak voor het omgaan met sterk verontreinigde bodem gaat van provincie naar gemeente. De in het verleden door de provincie gehanteerde toepassing van de Wet bodembescherming (Wbb) is dus niet meer aan de orde voor nieuwe locatie. De gemeenten maken onder de Omgevingswet hun eigen beleidsmatige keuzes binnen de kaders die de Omgevingswet stelt. Inleiding Wanneer een sanering van de bodem wordt uitgevoerd gelden de regels van § 4.121 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarbij zijn er twee standaard saneringsaanpakken: het afdekken of het verwijderen van verontreiniging. Bij beide aanpakken wordt verdere blootstelling van de mens aan de verontreiniging tegen gegaan. Voor het afdekken zijn er twee opties voor de standaard-aanpak: een duurzaam aaneengesloten verharding of het aanbrengen van een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 m. en een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 Bal. De gemeente kan in bijzondere situaties afwijkende voorschriften hanteren voor de leeflaag.