CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

B Bijlage 2a toelichting regels verbeelding

Gemeenteraad 17 februari 2022, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostdijk 20, Zuidoostbeemster19.113 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare Pagina 25 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Planspecifiek Om te beoordelen of er risico’s Externe Veiligheidsrisico’s zijn, is de risicokaart van de provincie geraadpleegd. De risicokaart toont dat er geen Bevi-inrichtingen, transportroutes gevaarlijke stoffen en buisleidingen aanwezig zijn nabij het plangebied. Het plan ligt niet binnen plaatsgebonden risicocontouren van risicobronnen.

Figuur 10. Uitsnede risicokaart. Plangebied nabij pijl

Pagina 26 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Gezien bovenstaande conclusies zijn van uit het aspect Externe veiligheid geen aanvullende randvoorwaarden van toepassing op het plan. Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

Archeologie en cultuurhistorie Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Monumentenwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed grotendeels bij de gemeente. Sinds 1 september 2007 kent Nederland de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Als instrument om een goed onderbouwde belangenafweging te kunnen maken heeft de voormalige gemeente Beemster een archeologische beleidskaart laten ontwikkelen. Op de archeologische beleidskaart staan archeologische waarden- en verwachtingszones aangegeven waaraan beleidsregels zijn gekoppeld die in de bestemmingsplannen kunnen worden opgenomen. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Planspecifiek Het plangebied heeft in het bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Daarmee houdt het plan rekening in de uitvoering met: a. b.

behoud van de aanwezige archeologische waarden; de overige bestemmingen die daaraan zijn toegewezen op basis van de verbeelding.

Om een inschatting te maken van de eventuele in de ondergrond aanwezige archeologische resten en een advies aan de bevoegde overheid te formuleren welke archeologische vervolgstappen dan gewenst zijn, is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 6) met de conclusies en advies: In september 2020 heeft Hollandia archeologen een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het plangebied aan de Oostdijk 20 in de Zuidoostbeemster, gemeente Beemster. De opdrachtgever is voornemens om de huidige bebouwing te slopen en een nieuwbouw in de vorm van boerderij met tuin en parkeerplaats te realiseren. Het bouwwerk bevindt zich in een gebied met dubbelbestemming archeologie, waardoor een rapportage van archeologisch (voor)onderzoek bij de vergunningaanvraag bijgevoegd dient te worden.

Pagina 27 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Het doel van het onderhavig document is om in een vroeg stadium van het planproces een inschatting te maken van de eventuele in de ondergrond aanwezige archeologische resten en een advies aan de bevoegde overheid te formuleren welke archeologische vervolgstappen dan gewenst zijn. Op basis van de geraadpleegde historische en archeologische gegevens blijkt aangrenzend aan het plangebied een 17de eeuwse buitenplaats heeft gestaan (BEEM 55A). Ook heeft er op het perceel in de 19de eeuw een mogelijke stolpboederij gestaan ten zuiden van de huidige bebouwing. Op de kadastrale minuut van 1811-1835 staat deze bebouwing ook aangeven. Op het achterterrein is nog een bijgebouw te zien. Deze bebouwing is in de vorige eeuw afgebroken. Het is daarom mogelijk dat resten van de 18de-19de eeuwse bebouwing onder het maaiveld kan worden aangetroffen. Daarnaast bestaat er een kans bestaat op het aantreffen van erfstructuren zoals perceelsloten, afvalkuilen en aantreffen van afgedankt huisraad. Onderzoek hiervan kan meer inzicht geven in het gebruik van het terrein en de toenmaligebewoners daarvan. Er wordt dan ook een archeologisch vervolgonderzoek wenselijk geacht.

Advies Door de middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische sporen van de 18/19 de eeuwse oude bebouwing wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen (conform KNA 4.1 protocol 4003, IVO-O) op locatie uit te voeren. Uiteindelijk is het aan de gemeente Beemster om te bepalen of vervolgonderzoek nodig is. Het plangebied Oostdijk 20 is op de archeologische beleidskaart van Beemster gelegen in het ‘overig gebied’ (swr-4). De trefkans op archeologische vondsten in het ‘overig gebied’ is gering, de archeologische verwachting is laag. In 2008 heeft het gemeentebestuur dan ook besloten om het beschermingsregime voor het ‘overig gebied’ te laten vervallen. Dit is echter niet overgenomen in het bestemmingsplan buitengebied. Zoals hiervoor beschreven is op basis van de regels in het bestemmingsplan een archeologisch bureauonderzoek laten opstellen. Door Hollandia archeologen wordt geadviseerd om archeologisch vervolgonderzoek uit te gaan voeren in de vorm van een booronderzoek. Het advies, om archeologisch vervolgonderzoek uit te gaan voeren, wordt niet door de gemeente overgenomen omdat de archeologische verwachting in het plangebied laag is, het betreft hier geen voormalige buitenplaats uit de 17e eeuw. De trefkans op archeologische vondsten uit die tijd is gering.

Wanneer tijdens de bouwwerkzaamheden toch archeologische vondsten worden gedaan moeten deze worden gemeld bij de gemeente. Een voorschrift daartoe zal in de te verlenen omgevingsvergunning worden opgenomen. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. 4.9.1 Nationaal waterbeleid Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte Pagina 28 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water.

Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.9.2 Regionaal waterbeleid Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het beleid van Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is vastgelegd in het Waterprogramma 2016-2021. In dit plan zijn beleid en wetgeving van hogere overheden en van HHNK zelf nader uitgewerkt. Hoofddoel van het plan is om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing.

Planspecifiek Deze waterparagraaf is voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Noorderkwartier. In de mail van 294-2021 heeft zij gereageerd op het plan. Naar aanleiding van de mail zin enkele verduidelijkingen in de onderstaande waterparagraaf doorgevoerd. Bestaand watersysteem Uit de interactieve legger van het waterschap blijkt dat het gebied is omringd door een secundaire waterloop met een beschermingszone oppervlaktewateren.

Pagina 29 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Figuur 11. Uitsnede Legger waterschap.

In de toelichting van de Legger Waterschap wordt het volgende gezegd over beschermingszones: De beschermingszone is een aan een waterstaatswerk grenzende zone. De voorschriften uit de keur (vanaf 1 januari 2021: waterschapsverordening) zijn er van toepassing ter bescherming van het waterstaatswerk. De zone dient bij wateren met name voor het veiligstellen van de mogelijkheid om onderhoud uit te voeren. Naast onderhoudspaden zijn de maaiboot-te-water-laatplaatsen ook onderdeel van de beschermingszone. Waar de ligging van de beschermingszones voorheen enkel beschreven waren, staan ze vanaf 2020 ook op de kaart van de legger. Hieruit blijkt dat het van belang is dat de beschermingszone voldoende open blijft om hier onderhoud te kunnen plegen. In de situatieschets van figuur 4 is te zien dat in het plan hier rekening mee wordt gehouden. De windsingel aan de Zuidoostzijde wordt buiten deze zone aangelegd. Hieronder de verdeling van het onderhoud van de watergangen.

Figuur 12. Uitsnede Legger Waterschap Onderhoudsplicht watergangen

De nieuwe dam in dit plan wordt geplaats over de secundaire watergang die wordt onderhouden door de dijkeigenaar. Voor de dam zal een watervergunning aangevraagd worden. De onderhoudbaarheid van de watergang blijft behouden. De bestaande dam wordt verwijderd. Verhard oppervlak In de bestaande situatie is het oppervlak grotendeels onverhard. - Bestaande woning met schuur ca: 100 m2 - Bestaande Erfpad ca. 100 m2 Pagina 30 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

In de nieuwe situatie komen hier de volgende verhardingen bij: • Erfpad: 200 m2 • Schuur (vergunningsvrij: 60 m2) • Nieuw woning: 232,5 m2 De bestaande woning en verharding zal verwijderd worden. In totaal komt er in het plangebied circa 492,5 m2 – 200 m2 = 292,5 m2 aan verharding bij. Het gehele plangebied bedraagt circa 7500m2. Hiermee blijft de toename aan verharding onder 800m2. Watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk.

Figuur 13. Beleidsregels 'Compensatie verhardingstoename' en 'Alternatieve vormen van waterberging’

Hemelwater en vuilwater afvoer Het hemelwater wordt naar de nabijgelegen watergang afgevoerd. Het vuilwater zal aangesloten worden op een nieuwe septic tank. Materialen Bij het de nieuwbouw van de woningen zullen zo min mogelijk uitloogbare materialen worden toegepast. Kunststof en EPDM zijn daarin de oplossingen voor zink en lood. Waterkeringen Geconstateerd is dat de woning binnen het profiel van vrije ruimte wordt geplaatst en vervolgens is beoordeeld door het Hoogheemraadschap Noorderkwartier (HHNK of de bouw van de woning een negatief effect heeft op een mogelijke toekomstige dijkversterking. De te slopen woning is ook binnen het profiel van vrije ruimte gelegen, maar bij nieuwe ontwikkelingen wordt er opnieuw een toetsing uitgevoerd. Recentelijk is de Oostdijk versterkt en bij deze versterkingsmaatregelen is gekozen voor een binnenwaartse versterking. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden is aan de binnenkant van het talud grond aangebracht, maar de aanwezige dijksloot is niet verlegd. Dit betekent dat er in de huidige situatie voldoende ruimte aanwezig was om de versterking uit te voeren. Om een versterking in de toekomst te waarborgen dient de nieuwe woning op een afstand van minimaal 5 meter vanaf de dijksloot te worden geplaatst.

Op deze wijze kunnen bij een eventuele toekomstige dijkversterking werkzaamheden aan de dijksloot plaatsvinden en het onderhoud van de waterloop is gewaarborgd. De aangeleverde tekening laat zien dat de woning op voldoende afstand van de waterloop wordt geplaatst. HHNK is akkoord met de bouw van de woning op de aangegeven locatie. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.

Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Er is meer dan voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te lossen. Het plan betreft vervangende nieuwbouw. Er zal dus geen extra verkeersdruk op de Oostdijk komen als gevolg van het plan.

Pagina 31 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

5 Juridische planbeschrijving Plansystematiek Dit bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van woningen. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het aangrenzende bestemmingsplan ‘Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021’ en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.

Opzet van de regels Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).

De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels; • overige regels.

Pagina 32 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.

De bestemmingen In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 5 Tuin. In het bestemmingsplan zijn de voortuinen bestemt als Tuin. Deze bestemming heeft als doel om de beoogde kwalitatieve uitstraling te behouden door de voortuinen groen te houden en vrij van bebouwing. De regels voor Tuin zijn overeenkomstig de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘‘Buitengebied 2012’ Artikel 6 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen-' zijn bestemd om de nieuw beoogde woningen planologisch mogelijk te maken. De regels voor Wonen zijn gebaseerd op de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021’. De planregels zijn echter aangepast om de bouwmogelijkheden van het plan en de beoogde uitstraling van het plan mogelijk te maken.

Pagina 33 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

6 Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Daarnaast is een planschaderisico overeenkomst ondertekend tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 (Verslag inspraak en artikel 3.1.1 Bro overleg) Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de provincie. De beoordeling van de provincie heeft tot enkele verduidelijkingen en nadere motivatie in de toelichting geleid. 6.2.2 (Verslag zienswijzen) Het plan zal is tevens gedurende ontwerpfase in het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb van 19 november tot en met 30 december 2021 ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen op het plan ingediend’.

Pagina 34 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

7 Bijlagen 1. Voorlopig ontwerp, Oostdijk 20 Zuidoostbeemster, Ruben Wennekers Architecten, 11 december 2020 2. Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Oostdijk te Zuidoostbeemster, Weel geluidadvies, Referentie: PLA.21.02, 5 maart 2021 3. Verkennend Flora en Fauna onderzoek in het kader van de natuurbeschermingswet t.b.v. ruimtelijke ontwikkeling, Struunhoeve, 28-6-2021 4. Aeriusberekening Oostdijk 20, S2r9Prwxxmwp, 19 februari 2021 5. Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Landview bodemonderzoek, 2020436, 1 oktober 2020 6. Archeologisch bureauonderzoek aan de Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster (NH), Hollandia, 1572-3151, september 2020

Pagina 35 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Regels bestemmingsplan “Oostdijk 20, Zuidoostbeemster” Planstatus: vastgesteld Plan identificatie: NL.IMRO.0439.BPOOSTDIJK20-va01

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ....................................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................. 10 2 Bestemmingsregels.................................................................................................................. 11 Artikel 3 Tuin ..................................................................................................................................... 11 Artikel 4 Wonen................................................................................................................................. 12 Artikel 5 Waarde - Cultuurhistorie .................................................................................................... 16 Artikel 6 Waterstaat - Waterkering ................................................................................................... 17 3 Algemene regels ......................................................................................................................

19 Artikel 7 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................. 19 Artikel 8 Algemene bouwregels ........................................................................................................ 19 Artikel 9 Algemene gebruiksregels .................................................................................................... 19 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 20 Artikel 11 Algemene procedureregels............................................................................................... 22 Artikel 12 Overige regels ................................................................................................................... 23 4 Overgangs- en slotregels .......................................................................................................... 24 Artikel 13 Overgangsrecht ................................................................................................................. 24 Artikel 14 Slotregel ............................................................................................................................ 24

2

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan Oostdijk 20, Zuidoostbeemster met identificatienummer NL.IMRO.0439.BPOOSTDIJK20-va01 van de Gemeente Purmerend 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 de verbeelding: de verbeelding bestaande uit het blad met het nummer NL.IMRO.0439.BPOOSTDIJK20va01; 1.4 aanbouw: een gebouw met een primaire woonfunctie dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aan-huis-verbonden bedrijf: een bedrijf dat in, aan of bij een woning wordt uitgeoefend door een (mede)bewoner van de op het bouwperceel gesitueerde woning, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat is gericht op het verlenen van diensten; de bedrijfsuitoefening dient een ruimtelijke uitwerking en uitstraling te hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.8 aan-huis-verbonden beroep: een beroep

dat in, aan of bij een woning wordt uitgeoefend door een (mede)bewoner van de op het bouwperceel gesitueerde woning, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat is gericht op het verlenen van diensten; de beroepsuitoefening dient een ruimtelijke uitwerking en uitstraling te hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.9 achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw; 3

1.10 agrarisch bedrijf: een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder niet begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen; 1.12 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.13 bebouwingspercentage: het in de regels of op de kaart aangegeven percentage van een bouwvlak, of indien geen bebouwingsgrenzen zijn aangegeven het percentage van het bestemmingsvlak, dat ten hoogste bebouwd mag worden met gebouwen; 1.14 bed and breakfast: een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie zonder eigen kookvoorziening die zich met name richt op de trekkende toeristen, die voor één of enkele nachten een onderkomen zoeken; de indeling en invulling van de kamers is sterk afhankelijk van de bestaande bebouwing; 1.15 beperkt kwetsbaar object: een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 1.16 bestaand: a. bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; b. bij gebruik: bestaand ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan; 1.17 bestaande situatie (stikstofdepositie): 1.

de activiteit die is toegestaan ten tijde van het vaststellen van dit bestemmingsplan op grond van: a. een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, lid 2 van de Wet Natuurbescherming, of b. een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.2aa onderdeel a van het Besluit omgevingsrecht is aangehaakt, of 2. indien een vergunning als bedoeld onder 1a ontbreekt: het feitelijke en planologisch legale gebruik ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan; 1.18 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.19 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

4

1.20 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door zijn vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.21 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.22 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.23 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.24 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.25 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten; 1.26 bouwwerk: elke constructie van enige omvang, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.27 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.28 dienstverlening: het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; 1.29 erker: een uitbouw aan een woning, die zich bevindt

aan de voor- of zijgevel of beide, en ondergeschikt is aan de woning; 1.30 escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

5

1.31 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.32 gevellijn: de achtergevel en de verlengde lijn van de (bedrijfs)woning dan wel het gebouw waarvan de (bedrijfs) woning deel uitmaakt; 1.33 hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is, zoals de bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning of woning; 1.34 huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voer(t)(en) of wil(len) voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan (kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen); 1.35 huiskavel: de gronden behorende bij een agrarisch bedrijf voor zover deze gronden direct grenzen aan het agrarisch bouwvlak waarop de bedrijfswoning zich bevindt en daarmee direct in verbinding staan; 1.36 keukentafeloverleg: methode van overleg via één of meerdere gesprekken op locatie met als doel om met de initiatiefnemer(s) van een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het bestemmingsplan, overeenstemming te bereiken over de landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing van bebouwing en/of het

gebruik; 1.37 kopergravuresloot: een waterloop met cultuurhistorische waarde; 1.38 kwetsbaar object: een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden; 1.39 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes en apparatuur voor telecommunicatie;

6

1.40 omgevingsaspecten: de omgevingsaspecten omvatten in ieder geval natuurwaarden, erfgoedwaarden, bodemkwaliteit, waterkwantiteit en -kwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheidsbelangen, bedrijfshinder en andere hinderaspecten, verkeersbelangen en parkeren. 1.41 omgevingsvergunning: een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving; 1.42 omgevingsvergunning voor het bouwen: omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk; 1.43 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; 1.44 omgevingsvergunning voor het afwijken: omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking; 1.45 onderkomen: voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voertuigen, vaartuigen, arken, toercaravans, voor zover deze niet als bouwwerk zijn aan te merken, alsook tenten; 1.46 overkapping: een bouwwerk dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste een wand; 1.47 paardenbak: een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; 1.48

paddock: een ruimte waar één of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen en al dan niet (deels) overkapt; 1.49 permanente bewoning: het gebruik van een (bedrijfs-)woning als vaste woonplaats; 1.50 prostitué/prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

7

1.51 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.52 raamprostitutie: een seksinrichting waarbij de prostitué/prostituee vanachter de ramen door handeling, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie beweegt, uitnodigt dan wel aanlokt; 1.53 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke gebouw dan wel onderkomen waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.54 sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; 1.55 statische opslag: binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven en geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke; 1.56 stolpwoning: van oorsprong voor agrarisch doel (inclusief wonen) opgericht gebouw op een vierkante plattegrond, bestaande uit één bouwlaag

met pyramidaal dak, dat rust op een constructie van poeren en dwarsbalken; 1.57 straatmeubilair: de op of bij de weg behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals verkeerstekens, wegbebakening, bewegwijzering, verlichting, halteaanduiding, parkeerregulerende constructies, brandkranen, informatie- en reclameconstructies, rijwielstandaards, afvalcontainers, zitbanken, plantenbakken, communicatievoorzieningen, gedenktekens, telefooncellen en abri's; 1.58 straatprostitutie: op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats, door handeling, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken; 1.59 thuiswerk: degene die thuis prostitutie bedrijft en voldoet aan de volgende voorwaarden:

8

• • • • •

het werk vindt uitsluitend plaats in de eigen woning, waar hij of zij ook volgens het bevolkingsregister staat ingeschreven; werving van klanten gebeurt uitsluitend langs informele weg, adverteren mag slechts incidenteel; aan de buitenkant van het perceel mag niet blijken dat er prostitutie wordt bedreven; er mag door anderen of andere bewoners van de woning geen prostitutie worden bedreven; er mag geen sprake zijn van overlast of aantasting van het woon- of leefklimaat;

1.60 uitbouw: een gebouw met een primaire woonfunctie dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.61 vaste woonplaats: het gebruiken van woonruimte als hoofdverblijf zoals bedoeld in de Wet basisregistratie personen dan wel diens rechtsopvolger. Als criterium voor de vaststelling of iemand een woonruimte als hoofdverblijf in gebruik heeft, geldt dat hij of zij op het betreffende adres staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, terwijl tevens uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat het betreffende adres als zijn of haar hoofdverblijf fungeert; 1.62 voorerfgebied: erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.63 vrij beroep: een beroep in verband met iemands individuele, persoonlijke kwaliteiten, die in het algemeen op artistiek, academisch of HBO-niveau liggen; 1.64 webwinkel: het bedrijfsmatig via internet te koop aanbieden, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit of het vanuit een bedrijf verkopen van goederen via internet, waarbij de goederen elders worden bezorgd en er geen sprake is van een voor publiek toegankelijke

(winkel)ruimte of showroom; 1.65 wonen: het huisvesten van één (afzonderlijke) huishouden in een (bedrijfs-)woning, waarbij deze woning uitsluitend mag worden gebruikt voor permanente bewoning; 1.66 woning: een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dient voor de huisvesting van één huishouden. Waar in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de wettelijke regelingen, zoals die luidden op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan.

9

Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk; 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 de breedte en diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van scheidingsmuren; 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.8 het peil: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van een gebouw of,

indien de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de door het bevoegd gezag vastgestelde hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.

10

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

tuinen; ontsluiting aanliggende percelen; water; duikers, bruggen en dammen.

3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen uitsluitend erkers aan aanliggende woningen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd met uitzondering van karakteristieke bouwwerken. 3.2.2 Bijbehorende bouwwerken (erkers) Voor het bouwen van een erker gelden de volgende regels: a. erkers zijn niet toegestaan bij karakteristieke bouwwerken b. de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m; c. de breedte niet meer mag bedragen dan 2/3 van de gevelbreedte van de woning. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. uitsluitend op in het achtererfgebied mag worden gebouwd; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; c. de oppervlakte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 15 m2.

11

Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis; 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen a. Op deze gronden mag uitsluitend ten behoeve van de bestemming worden gebouwd. b. de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de aanwezige sloten mag niet minder dan 3,6 m bedragen; c. de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot de aanwezige kopergravuresloten mag niet minder dan 7,2 m bedragen. 4.2.2 Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. er mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij per bouwvlak maximaal één woning is toegestaan, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; b. de oppervlakte van de stolp mag niet minder dan 225 m2 (15 x 15 m) en niet meer dan 400 m2 (20 x 20 m) bedragen; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,75 m; d. de dakhelling mag niet minder dan 45º en niet meer dan 52 º bedragen; e. de afstand van de stolp tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m; f. de afstand van vrijstaande en aan één zijde aaneengebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens, mag niet minder dan 2,5 m bedragen.

4.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd binnen bestemmingsvlakken, waarbij aanbouwen, uitbouwen en overkappingen niet zijn toegestaan bij karakteristieke bouwwerken; b. de bouwhoogte van aan- of uitbouwen mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning, met een maximum van 4 m, onverminderd het bepaalde wat betreft de maximum inhoud van 750 m3; c. de diepte van aan- of uitbouwen mag niet meer bedragen dan 3 m loodrecht gemeten vanuit de gevel waaraan wordt aangebouwd, onverminderd het bepaalde wat betreft de inhoud van 750 m3; d. aan de zijgevel van de woning gebouwde aan- of uitbouwen mogen tot maximaal 1 m achter het verlengde van de achtergevel van de woning worden gebouwd, onverminderd het bepaalde wat betreft de maximum inhoud van 750 m3; e. de goothoogte en bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m; 12

f.

bijgebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg, waarvan de dakhelling niet minder dan 30º en niet meer dan 60º mag bedragen; g. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50% van het bouwperceel met voor bijgebouwen en overkappingen een maximum van 48 m2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' de oppervlakte niet meer mag bedragen dan de oppervlakte van het aanduidingsgebied; h. de karakteristiek van karakteristieke bouwwerken mag niet worden aangetast. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van een erf- of terreinafscheiding mag 1 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan niet meer dan 2 m en daarvoor niet meer dan 1 m bedragen; b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m. 4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in: a. artikel 4 lid 2.2 sub a voor het splitsen van een bestaande woning met inachtneming van de volgende regels: 1.

de uitwendige hoofdvorm van het betrokken gebouw, bepaald door de goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling, gevelindeling en grondoppervlakte blijft zoveel mogelijk gehandhaafd bij karakteristieke hoofdgebouwen; 2. het aantal te splitsen eenheden van een gewoon hoofdgebouw, een woning zijnde, mag niet meer dan 4 bedragen en het aantal te splitsen eenheden van een karakteristiek hoofdgebouw, een woning zijnde, mag niet meer dan 2 bedragen; 3. de inhoud van enige wooneenheid mag niet minder bedragen dan 120 m2; 4. artikel 4 lid 2.3 sub g is van overeenkomstige toepassing;; b. artikel 4 lid 2.2 sub a ten behoeve van het deels bouwen buiten het bouwvlak en/of het vergroten van de woning met inachtneming van de volgende regel: c. de afwijking mag uitsluitend worden toegepast op gronden aansluitend aan het bestaande bouwvlak; d. artikel 4 lid 2.2 sub c voor het plat afdekken of voor een kap niet haaks op de weg mits de openheid van het landschap niet wordt aangetast; e. artikel 4 lid 2.3 sub f voor het plat afdekken of voor een kap niet haaks op de weg, mits met deze afwijking de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster, zoals die in bijlage 1 zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt. f.

artikel 4 lid 2.3 sub g voor een grotere gezamenlijke oppervlakte dan 48 m2 voor percelen die groter zijn dan 5.000 m2, met inachtneming van de volgende regels: 1. de afwijking kan worden verleend tot 5 m2 per 0,1 hectare berekend over de eerste hectare, vermeerderd met 10 m2 per hectare berekend over de volgende hectares; 2. voor de berekening worden delen van 0,1 hectare of delen van een hectare naar boven toe op een geheel afgerond; 3. de afwijking mag uitsluitend worden toegepast ten behoeve van bijgebouwen voor hobbyboeren; 13

4. voor de berekening van de oppervlakte worden gronden met de agrarische bestemming samengeteld met gronden met de bestemming 'Wonen' voor zover deze gronden direct aan elkaar grenzen en de agrarische gronden in eigendom zijn bij de aanvrager; 5. de gezamenlijke oppervlakte van de met toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid op te richten bijgebouwen mag niet meer dan 100 m2 bedragen; g. artikel 4 lid 2.3 sub g voor een grotere gezamenlijke oppervlakte dan 48 m2 ter vervanging of vernieuwing van bestaande legale bijgebouwen, die ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan de in artikel 4 lid 2.3 onder b tot en met g genoemde maten overschrijdt, mits de afwijking niet wordt vergroot. 4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Strijdig gebruik Als strijdig gebruik wordt aangemerkt: a. het aanleggen of aanwezig hebben van een paardenbak, tenzij de gronden zijn aangeduid als 'rijbak'; b. het aanleggen of aanwezig hebben van een paddock, tenzij de gronden zijn aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - paddock'. 4.4.2 Beroep- en of bedrijfsuitoefening aan huis Een woning en de daarbij behorende aan-, uit- en bijgebouwen op gronden als bedoeld artikel 4 lid 2.3 mogen worden gebruikt voor beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis, mits: a.

de gezamenlijke vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van het bruto vloeroppervlakte van de betreffende woning en de bijbehorende aan-, uit- en bijgebouwen; b. het beroeps- en/of bedrijfsuitoefening aan huis betreft van milieucategorie 1 of 2, zoals vermeld in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'; c. het geen detailhandel of horeca betreft; d. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag plaatsvindt van goederen ten behoeve van het aan huisgebonden beroep en bedrijf; e. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt. 4.4.3 Voorwaardelijke verplichting Het is niet toegestaan om de gronden met de bestemming wonen te gebruiken indien de bebouwing van de voormalige woning ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone voorwaardelijke verplichting - 1' niet binnen 6 maanden gesloopt is na vaststelling van het bestemmingsplan.

14

4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Paardenbak en/of paddock In afwijking van artikel 4 lid 4.1 mogen een paardenbak en/of paddock worden aangelegd onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend eigendomspercelen groter dan 5.000 m2 komen voor deze afwijking in aanmerking; b. per perceel mogen slechts één paardenbak en paddock worden aangelegd op gronden binnen het bestemmingsvlak en buiten het bouwvlak; c. de oppervlakte van een paardenbak mag niet meer bedragen dan 800 m2; d. de paardenbak en/of paddock dienen in het verlengde van de bestaande bebouwing te worden gesitueerd; e. lichtmasten mogen worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 m, mits zij niet leiden tot lichtoverlast; f. de paardenbak mag van een omheining worden voorzien waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 m 4.5.2 Bed and breakfast Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van bepaalde in artikel 4 lid 1 sub a ten behoeve van een bed and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bed and breakfast mag uitsluitend worden gerealiseerd in de bestaande woning en/of de bestaande aan- en uitbouwen en/of bijgebouwen; b. de bed and breakfast verschaft aan niet meer dan 8 personen gelijktijdig nachtverblijf; c. parkeren ten behoeve van de bed and breakfast vindt plaats op eigen terrein; d.

een bed and breakfast in de woning is uitsluitend toegestaan in combinatie met de woonfunctie. e. het gebruik van aan- en uitbouwen en bijgebouwen als bed and breakfast mag niet meer dan 70 m2 bedragen mits wordt voldaan aan artikel 4 lid 2.3.

15

Artikel 5 Waarde - Cultuurhistorie 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. 5.2 Bouwregels Op deze gronden mag ten behoeve van de onderliggende bestemming worden gebouwd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische waarden. 5.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan voor de bouw van bouwwerken bij afwijking van de bouwregels ten dienste van de onderliggende bestemming eisen dat: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport overlegt waaruit blijkt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het terrein dat wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld en met deze waarden actief rekening wordt gehouden; b. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, advies wordt ingewonnen bij een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige; c. er geen onevenredige afbreuk de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster en/of van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in bijlage 1 en 2 zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt.

16

Artikel 6 Waterstaat - Waterkering 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Waterstaat - Waterkering" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. behoud en bescherming van waterkeringen; b. waterstaatsdoeleinden. 6.2 Bouwregels De volgende bouwregels zijn van toepassing: a. op of in deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve waterstaatsdoeleinden; b. voor het bouwen ten behoeve van waterstaatsdoeleinden geldt dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet meer mag bedragen dan 2 m. 6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering. Alvorens te beslissen op en aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de beheerder van de waterkering. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; b. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; c.

het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. 6.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; b. het normale onderhoud betreffen; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (omgevings)vergunning. 6.4.3 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 6 lid 1 omschreven waarden. 17

Voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken. Indien de omgevingsvergunning gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de aanlegvergunning voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, met het verzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies.

18

3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels a. Het is verboden op een terrein of bouwperceel zodanig te bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die ter plaatse niet meer met de regels zou overeenstemmen, of voor zover al daar een afwijking van de regels bestaat, zodanig te bouwen, dat deze afwijking nog zou worden vergroot. b. Voor het bouwen van gebouwen op en onder de onder a genoemde gronden geldt dat een op grond van de hoofdbestemming toelaatbaar geluids- en gevaargevoelig gebouw of een uitbreiding van een geluids- en gevaargevoelig gebouw niet mag worden gebouwd. c. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaald onder b ten behoeve van het bouwen van nieuwe dan wel het uitbreiden van bestaande geluids- en gevaargevoelige gebouwen, mits: 1. de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere waarde; 2. het externe veiligheidsrisico voor gevaargevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de toegestane waarden voor individueel een groepsrisico in de Wet milieubeheer.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels 9.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing binnen het plan, indien dit leidt tot een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar ten opzichte van de bestaande situatie (stikstofdepositie) - als bedoeld in 1.17 - op de maatgevende voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; b. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, sekswinkel,thuiswerk, raamprostitutie en straatprostitutie; c. het gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woning. 9.2 Parkeervoorzieningen a. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken geldt dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het gemiddelde (afronding naar boven) bepaalde in de actuele ASVV. 19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11089894/1