CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

B Bijlage 2a toelichting regels verbeelding

Gemeenteraad 17 februari 2022, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostdijk 20, Zuidoostbeemster19.113 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Oostdijk 20, Zuidoostbeemster

Gemeente Purmerend

Planstatus:

vastgesteld

Identificatiecode:

NL.IMRO.0439.BPOOSTDIJK20-va01

Datum:

10 januari 2022

Kenmerk Plannen-makers:

PM20052

Opdrachtgever:

Architectenbureau Ruben Wennekers

Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht www.plannen-makers.nl BTW id: NL002150639B90 KvK nummer: 59112751

Pagina 2 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Inhoudsopgave 1

Inleiding .......................................................................................................................................... 4 Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................ 4 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4

2

Het plan ........................................................................................................................................... 5 Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5 Beschrijving plan...................................................................................................................... 6

3

Beleidsmatige onderbouwing ...................................................................................................... 8 Rijksbeleid ............................................................................................................................... 8 Provinciaal ............................................................................................................................... 9 Regionaal beleid .................................................................................................................... 16 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 18

4

Milieutechnische uitvoerbaarheid.............................................................................................. 19 Milieueffectrapportage ........................................................................................................... 19 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 20 Geluidhinder .......................................................................................................................... 20 Ecologie ................................................................................................................................. 21 Bodemkwaliteit....................................................................................................................... 22 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 23 Externe Veiligheid .................................................................................................................. 25 Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................... 27 Waterhuishouding ..................................................................................................................

28 Verkeer en parkeren .............................................................................................................. 31

5

Juridische planbeschrijving ....................................................................................................... 32 Plansystematiek..................................................................................................................... 32 Opzet van de regels .............................................................................................................. 32 De bestemmingen.................................................................................................................. 33

6

Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid ................................................................. 34 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 34 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 34

7

Bijlagen ......................................................................................................................................... 35

Pagina 3 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

1 Inleiding Aanleiding en doelstelling De initiatiefnemer van het plan wenst het woonperceel uit te breiden en op het uitgebreide deel een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. De huidige woning zal gesloopt worden. Het perceel is gelegen aan de Oostdijk 20 van de voormalige gemeente Beemster, sinds 2022 onderdeel van de gemeente Purmerend. De nieuwe woning op de geplande locatie is niet toegestaan op basis van de vigerende bestemming. De bestemming van de grond is agrarisch en er is geen bouwvlak op het perceel. De naastgelegen gronden van de huidige woning hebben wel de bestemming Wonen. Het bouwen van woningen op de locatie is dan ook niet toegestaan. Een nieuw bestemmingsplan is nodig om de beoogde woningbouw op de locatie planologisch en juridisch mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hier in.

Leeswijzer Onderhavig bestemmingsplan bestaat naast deze inleiding uit een beschrijving van het beoogde plan in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord waarom het plan past binnen het beleid van de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid toegelicht. Na de toelichting volgen de regels inclusief de bijlagen en de verbeelding van het bestemmingsplan.

Pagina 4 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

2 Het plan Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Oostdijk, behorende bij de kern Zuidoostbeemster in de voormalige gemeente Beemster. De gemeente Beemster is sinds 2022 onderdeel van de gemeente Purmerend. De voormalige gemeente is tegen Purmerend aan gelegen, met het Markermeer aan de westzijde en Zaandam aan de zuidoostzijde.

Figuur 1. Uitsnede luchtfoto, de Zuidoostbeemster rood omlijnd met de blauwe marker ter plaatse van het plangebied l. (Bron: Google Earth) Het plangebied wordt omringd door agrarische gronden en een stukje dijk (Oostdijk) die langs de Beemsterringvaart loopt.

Figuur 2. Uitsnede luchtfoto met rode globale plangrens (Bron: Google Maps)

Pagina 5 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Figuur 3: Foto huidige situatie plangebied, gezien vanaf de Oostdijk

Beschrijving plan Het plan bestaat uit de sloop van de bestaande woning en de bouw van een nieuwe woning op het aangrenzende perceel. Het plan van Architectenbureau Ruben Wennekers is als principeverzoek ingediend bij de voormalige gemeente Beemster, Zie bijlage 1. De gemeente heeft ingestemd met het principe verzoek. Het plan is zo opgesteld dat de erfindeling het ’Ruimtelijk Kwaliteitskader Beemster Erven' volgt. Het voorerf is onbebouwd en wordt voorzien van streekeigen sierbeplanting, hagen en leibomen, Het erfpad, met zichtlijn van voor tot achter over het erf wordt begeleid met laanbeplanting. Er komen solitaire bomen aan weerszijde bij de toegangsbrug De nieuwe woning wordt een stolpboerderij die refereert aan de boerderij typen die historisch veel voorkomen in Noord-Holland. De stolpboerderij komt op 15 meter van de erfgrens aan de voorzijde te liggen. Aan de voorzijde komt een boomgaard. Aan de achterzijde is ter plaatse van het gele kader ruimte voor het aanleggen van een moestuin. De schuur wordt aan de achterzijde van de woning geplaatst en zal voldoen aan de vergunningsvrij regelgeving. Tevens wordt het parkeren ook achter de woningen, uit het zicht vanaf de openbare weg, opgelost. De bouwvlak van de huidige woning wordt verplaats omdat de plek ongeschikt is om te bouwen, de volgende redenen zijn hiervoor aanwezig: 1.

Het huidige bouwvlak is te klein voor de hedendaagse normen; 2. Het huidige bouwvlak staat teveel aan de zijkant van de kavel. De eigenaren willen centraler op de kavel wonen; 3. De eigenaren willen graag de Beemster Werelderfgoed Visie herstellen en dat kan/mag niet op het huidige bouwvlak.

Pagina 6 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Het gehele erf wordt afgebakend met een windsingel. Op de navolgende pagina enkele afbeeldingen van het plan voor Oostdijk 20.

Figuur 4. Situatieschets plan Oostdijk 20. (Bron: architect Ruben Wennekers)

Figuur 5. Bouwtekeningen nieuwe woning (nummer 20 op situatieschets figuur 4). (Bron: architect Ruben Wennekers)

Pagina 7 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

3 Beleidsmatige onderbouwing Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI), vastgesteld op 11 september 2020, is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) Afwentelen wordt voorkomen. Planspecifiek De ontwikkeling bevindt zich in Zuidoostbeemster tegen de rand van Purmerend. De hierboven genoemde ambitie uit de NOVI om de omgevingskwaliteit te versterken wordt in voorliggend plan concreet gemaakt. De locatie wordt getransformeerd naar een woningbestemming met behoud en uitbreiding van natuurlijke waarden. De woning op het aangrenzende perceel wordt gesloopt. De beeldkwaliteit van de planlocatie wordt met een duidelijke kwalitatiever referentie naar het gebied door het realiseren van een stolpboerderij versterkt. Verder heeft het plan beperkt raakvlak met het Rijksbeleid, maar sluit desalniettemin aan op het beleid in de NOVI.

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Een woningbouwontwikkeling valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als deze groter is dan 12 woningen.

De Ladder stelt dat voldaan wordt aan de Ladder als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de behoefte aan grondgebonden woningen. In de metropoolregio Amsterdam (MRA), waar de Zuidoostbeemster onderdeel vanuit maakt, blijft de woningbehoefte hoog. Dit wordt ook geconcludeerd in het onderzoek ‘Wonen in de Metropoolregio Amsterdam 2019 in perspectief’. Een paar conclusies uit dit onderzoek luiden:

Pagina 8 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

•

•

Het woningtekort in de MRA is groot, met name in sociale- en middenhuur en koopsector tot €409.000. Dit tekort is opgelopen ten opzichte van 2017. De mogelijkheden voor huishoudens met een laag- of middeninkomen op de woningmarkt zijn daarmee kleiner geworden. Er zijn veel huishoudens in de MRA die behoefte hebben aan een ruimere woning (vooral gezinnen) en daar ook geld voor beschikbaar hebben. In Amsterdam, en in mindere mate ook in de andere delen van de MRA, wordt die moeilijk gevonden en inmiddels verliest de MRA als geheel gezinnen aan de rest van Nederland.

Voorliggend plan draagt bij aan het realiseren van een ruime gezingswoning, daarmee draagt het plan bij aan het tegemoetkomen van deze doelgroep binnen de MRA.

Provinciaal 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid De Omgevingsvisie NH2050 – “Balans tussen economische groei en leefbaarheid” is de opvolger van de Structuurvisie 2040 uit 2010. De Omgevingsvisie is op 19-11-2018 door Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie is een van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. De Omgevingswet integreert een groot deel van de wetgeving op het gebied van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De huidige wettelijk verplichte provinciale plannen (Structuurvisie, het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan, het Milieubeleidsplan en de Watervisie) komen te vervallen en gaan op in één integrale omgevingsvisie voor de fysieke leefomgeving met onderliggende programma’s. In de Omgevingsvisie legt de provincie vast welke provinciale belangen een rol spelen bij de ruimtelijke ordening. De visie dient als leidraad voor de manier waarop de ruimte zich de komende dertig jaar zou moeten ontwikkelen. De Omgevingsvisie NH2050 is in co-creatie tot stand gekomen met continue inbreng van een groot aantal partijen, professionals en inwoners. Sturingsfilosofie De provincie hanteert het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. De opgave bepaalt het schaalniveau, de samenstelling van samenwerkende partijen en de tijdspanne.

De provincie is terughoudend met het opstellen van regels. Hoofdambitie De hoofdambitie zoals die geformuleerd is in de Omgevingsvisie NH2050 is tot een balans te komen tussen economische groei en leefbaarheid. Een economisch vitale provincie draagt bij aan het welzijn, en een leefbare provincie draagt bij aan economische vitaliteit. Dit evenwicht staat ten dienste van duurzame ontwikkeling: toekomstige generaties moeten ook profiteren van de keuzes die gemaakt worden. De provincie zet met deze visie een richting uit om houvast te bieden naar de toekomst. Die richting bestaat uit het benoemen van een aantal bewegingen naar de toekomst, ontwikkelprincipes en waar nodig randvoorwaarden en regels. Ambities • Een gezonde en veilige leefomgeving in de hele provincie Hiermee wordt een woon-werkomgeving bedoeld waar mensen zo min mogelijk worden blootgesteld aan ongezonde stoffen en veiligheidsrisico’s en die een gezonde levensstijl ondersteunt. • Natuur en biodiversiteit: natuurinclusief ontwikkelen Om de biodiversiteit in Noord-Holland op peil te houden zullen toekomstige ontwikkelingen (verstedelijking, landbouw, klimaatmaatregelen) zoveel mogelijk natuurinclusief moeten zijn. Daarmee leveren ze een bijdrage aan behoud en vergroting van de biodiversiteit. Hierbij gaat het niet alleen om de kwantiteit (hectares) maar ook om de kwaliteit (soortenrijkdom, toegankelijkheid).

Pagina 9 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

•

•

•

•

•

•

•

Duurzame en vernieuwende economie Economische ontwikkelingen dienen qua aard, omvang en vorm aan te sluiten bij de regio of plek. Een duurzame economie houdt rekening met en bouwt voort op de kenmerken en karakteristieken van de locatie. De activiteiten zijn bij voorkeur vernieuwend, circulair en schoon en dragen bij aan een gezonde en duurzame leefomgeving. Toekomstbestendige landbouw in Noord-Holland Er is in de land- en tuinbouw een omslag gaande naar een adaptieve kringlooplandbouw, die meer rekening houdt met behoud en versterking van biodiversiteit en bodem- en waterkwaliteit. Om de regionale kwaliteiten te versterken en innovatie te stimuleren, bieden we ruimte voor experimenten. Indien nodig wordt ruimte geboden aan schaalvergroting. Klimaatadaptatie Essentieel is dat wij zowel het landelijk als het stedelijk gebied beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Dat vergt aanpassingen in zowel de ruimtelijke inrichting als het watersysteem. We zorgen ervoor dat we voldoende zijn voorbereid op wateroverlast, hittestress, verdroging, verzilting en de gevolgen van een overstroming. Nieuwe ontwikkelingen moeten klimaatbestendig en waterrobuust zijn. Energietransitie De provincie stuurt op een energietransitie met een maximale opwekking van duurzame energie voor de volledige energievraag in Noord-Holland in 2050.

Om dit doel van een klimaatneutraal Noord-Holland in 2050 te bereiken, is een optimale mix nodig van energiebesparing en allerlei vormen van duurzame energie. Op weg naar 2050 houden we daarom oog voor alle nieuwe technologieën – ook buiten de energiesector – die daaraan een bijdrage kunnen leveren. Ontwikkeling van stad en land De locatiekeuze voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen staat onder invloed van de effecten van klimaatverandering, van bereikbaarheid, behoud van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en van de energie-infrastructuur. De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Nabijheid van functies is een belangrijk duurzaamheidsprincipe. Daarbij wordt in het ontwerp rekening gehouden met voldoende afvoermogelijkheden van (regen)water, voldoende groen in en om de stad, en optimale verkeersontsluiting met multimodale knooppunten. Uitgangspunt is – en daarop zal het verkeers- en vervoersnetwerk worden geoptimaliseerd – dat men zich effectief, veilig en efficiënt kan verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. Daarbij heeft men zo veel mogelijk keuzevrijheid in het bepalen van zijn of haar vervoerswijze.

Metropoolregio Amsterdam: dynamiek in balans houden Door de grote economische dynamiek zijn woon- en werklocaties vooral nodig in het zuidelijk deel van Noord-Holland, de Metropoolregio Amsterdam, met Amsterdam als zwaartepunt. Het is nodig om hierin te investeren juist ook uit oogpunt van benutting van de agglomeratiekracht. De grote economische dynamiek betekent dat de druk op het metropolitane landschap groot is, terwijl dat bijzonder belangrijk is voor het vestigingsklimaat. Zorgvuldigheid is dus geboden. Noord-Holland Noord: ontwikkeling unieke kracht en kwaliteit Het noordelijk deel van Noord-Holland beschikt over bijzondere eigen kenmerken en kwaliteiten, zoals (meer) rust, ruimte, groen, natuur en (gezonde) lucht. Om deze kwaliteiten te waarborgen is dynamiek en ontwikkeling in Noord-Holland Noord nodig. Verstedelijking nabij knooppunten van openbaar vervoer en in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen komt daarvoor het meest in aanmerking.

Pagina 10 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Planspecifiek In de digitale versie van de Omgevingsvisie zijn diverse kaarten opgenomen gebaseerd op ‘bewegingen voor ontwikkelingen’: dynamisch schiereiland, metropool in ontwikkeling, sterke kernen & sterke regio’s, nieuwe energie en natuurlijk & vitaal landelijke omgeving. Door in de interactieve kaart op het plangebied te klikken wordt aangegeven wat het relevante beleid is uit de Omgevingsvisie NH2050 voor het plangebied. Leefomgevingskwaliteit Algemeen wordt gesteld dat overal wordt voldaan aan de wettelijk basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plan en dier. Dit betekent voor het plangebied: 1. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristieken en het draagvermogen van het landschap. 2. Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief. 3. Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo veel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie- en data-knooppunten. 4. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. Voorliggend plan bevindt zich in het buitengebied en sluit aan op de bestaande infrastructuur. De woning worden energiezuinig gebouwd volgens de meest recente Bouwbesluit. Beweging 1: Dynamisch schiereiland Het plangebied ligt niet nabij kust- of dijkgebied.

De voorwaarden van dynamisch schiereiland zijn daarom niet van invloed op voorgenomen planontwikkeling. Beweging 2: Metropool in ontwikkeling Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de metropool Amsterdam. Dit betekent voor het plangebied: 8. Wonen en werken worden zoveel mogelijk binnenstedelijk gerealiseerd en geconcentreerd. 9. Om de groei van het verkeer in goede banen te leiden moet worden geïnvesteerd in alle verkeersnetwerken, het regionaal OV en fietsnetwerk en auto, waarbij de grotere behoefte aan ruimte voor regionaal verkeer boven interregionaal en doorgaand verkeer wordt gefaciliteerd. 10. Versterken van het landschap als onderdeel van het metropolitaan systeem. 8-10: Voorliggende plan ligt niet in bestand stedelijk gebied. Het gaat hier echter om vervangende nieuwbouw. Er wordt geen bebouwing in het buitengebied toegevoegd. Beweging 3: Sterke kernen, sterke regio’s Het plangebied ligt niet rondom Hilversum of in het noordelijke deel van Noord-Holland waarop deze beweging van toepassing is. De voorwaarden van Sterke kernen – sterke regio’s zijn daarom niet van invloed op voorgenomen planontwikkeling. Beweging 4: Nieuwe energie Voor heel Noord-Holland is de ambitie dat: 14.

De regionale optimale energiemix voor opwekking van hernieuwbare energie in de ondergrond, op de bovengrond en in de bebouwde omgeving past bij de regionale landschappelijke en gebiedskwaliteiten en de economische kansen. 15. Vraag en aanbod van hernieuwbare energie wordt zodanig gebundeld dat sprake is van efficiënte benutting van bestaande en nieuwe energie-infrastructuur en van restwarmte. In voorliggend plan worden de woningen energiezuinig gebouwd. De volgende maatregelen worden doorgevoerd: De woning zal voldoen aan de BENG eisen, bijna energie neutraal gebouw: - hoge isolatie waarden Pagina 11 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

-

hr++ beglazing warmtepomp (gasloos) duurzaam ventilatiesysteem zonnepanelen

Beweging 5: Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving Voor heel Noord-Holland gelden de ambities: 18. De agrifoodsector wordt gefaciliteerd bij de duurzame en economische ontwikkeling. 19. Natuurlijke processen zijn richtinggevend voor inrichting en beheer van nieuwe en bestaande natuurgebieden. 20. Om een robuust ecosysteem te realiseren worden verbindingen tussen natuurgebieden verbeterd en functies slim gepositioneerd. Voorgenomen planontwikkeling vindt plaats in een buitengebied omringd door agrarische gronden. Een deel van de agrarische naast het huidige perceel wordt mee ontwikkeld met het nieuwe plan. Daarin krijgt dit stuk agrarische grond natuurvriendelijke waarde. Daarmee worden een deel van de ambities van de provincie op het vlak van de landelijke omgeving ingevuld. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Op donderdag 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening.. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker geworden om te zien welke regels waar gelden.

De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. We zoeken naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Planspecifiek De Provinciale Omgevingsverordening is middels een kaartviewer in te zien waardoor zichtbaar wordt welk beleid (welke artikelen) van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn de relevante aanduidingen landelijk gebied (art 6.4), peilbesluit (art 6.84), bodemsanering (art 4.44) en beschermingszone regionale waterkering (art. 6.77). Dat aan de beleidsuitgangspunten voor kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied voldaan wordt is toegelicht in de voorgaande paragraaf. Daarnaast betreffen het algemeen geldende regels die in het volgende hoofdstuk over milieutechnische uitvoerbaarheid nader verantwoord worden. De planlocatie is tevens gelegen in gebied dat aangeduid is met ‘Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde’. Het gaat hier om een aanduiding vanwege de ligging in de Beemster en de Stelling van Amsterdam. Voor deze gebieden zijn kernkwaliteiten benoemd.

Een nieuwe ontwikkeling mag geen aantasting van de kernkwaliteiten inhouden (art. 6.49).

Pagina 12 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Figuur 4.Uitsnede provinciale omgevingsverordening NH2020

De kernkwaliteiten van de Beemster zijn: 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit: – het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; – de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); – het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; – bebouwing langs de wegen; – de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; – de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; – de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen; – de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; 2. Grote openheid; 3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster.

Het plan betreft vervangende nieuwbouw van een woning. De nieuwbouw wordt een stolpboerderij dat refereert aan het historische karakter van het gebied en dat ook als specifieke kernkwaliteit benoemd wordt. Het plan sluit derhalve aan op het culturele werelderfgoed en vormt geen aantasting van de nu aanwezige kernwaarden. Het plangebied is eveneens gelegen in de Stelling van Amsterdam. 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: – een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; – sluizen en voor- en achterkanalen;

Pagina 13 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

– de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; – inundatiegebieden; – voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); – de landschappelijke inpassing en slechte zichtbaarheid van de voormalige militaire objecten; 2. Relatief grote openheid; 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam.

Voor de Stelling van Amsterdam geldt hetzelfde als voor de Beemster, het plan sluit aan op de landschappelijke inrichting zoals die in het verleden toegepast werd in het gebied. Het plan vormt geen aantasting van de nu aanwezige kernwaarden. Uitslag regionaal overleg Zaanstreek Waterland en provincie Onderhavig plan voorziet in vervangende nieuwbouw. In het kader van de Ladder Duurzame Verstedelijking is bekeken of het plan voorziet in de actuele regionale woonbehoefte. In een ambtelijk overleg met de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland is het onderhavig plan besproken. Er volgen geen opmerkingen op het plan naar aanleiding van het overleg. Het plan is derhalve regionaal afgestemd. Het plan valt onder tevens onder artikel 6.3 van de Omgevingsverordening, en het plan is besproken met de provincie. Er is door de provincie geoordeeld dat de ruimtelijke ingreep zeer gering is en dat hiertegen geen bezwaar bestaat. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 Ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn alleen mogelijk indien de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 van de provincie Noord-Holland wordt toegepast. Het doel en de werking van de Leidraad zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV).

De Leidraad is een instrument dat gemeenten, initiatiefnemers, beheerders en ontwerpers wilt stimuleren en inspireren om tot kwalitatieve en duurzame ruimtelijke ontwerpen te komen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes die voor de 20 gebieden (ensembles) en 10 provinciale structuren worden benoemd. Het plangebied is gelegen in het ensemble Zeevang. Daarnaast maakt de planlocatie onderdeel uit van een stolpenstructuur. In het Noord-Hollandse landschap is de stolpboerderij het meest kenmerkende gebouwtype en een belangrijke identiteitsdrager. Een stolp is een boerderijtype dat wordt gekenmerkt door een hoog piramidevormig dak en, indien behouden gebleven, het kenmerkende streekgebonden erf. Binnen een stolpenstructuur wordt de ruimtelijke structuur gedomineerd door stolpen. De ambities en ontwikkelprincipes bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het Zeevang ensemble zijn: • De ontwikkeling bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; • De ontwikkeling bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid; • De ontwikkeling helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Concreet betekent dit dat de huidige verkavelingsstructuur gerespecteerd dient te worden en evenwijdig aan kavelsloten gebouwd moet worden.

Nieuwe bebouwing dient te worden beperkt tot bebouwde linten met respect voor de doorzichten vanaf de linten naar het landschap. Daarnaast is een ruimtelijke ontwikkeling binnen een stolpenstructuur gebaat bij het bewaren of herstellen van de karakteristiek van een stolp en zo de beleving te versterken. Dit vraagt om een streekgebonden benadering van de relatie tussen openbare ruimte en stolp, het bijplaatsen van (bij)gebouwen, de erfinrichting-en beplanting en ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van de stolp. Pagina 14 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Daarnaast is het plangebied gelegen binnen de schootcirkel van het Fort bij Edam. Rondom het Fort bij Edam, onderdeel van de Stelling van Amsterdam, ligt een ‘verboden kring’ (het schootsveld) met een straal van een kilometer. Het fort is onderdeel van de Stelling van Amsterdam en is door UNESCO benoemd tot ‘Uitzonderlijke en Universele Waarde; (UUW). De UUW status heeft als doel het behouden en beschermen van de objecten binnen de Stelling van Amsterdam. De ruimtelijke kwaliteit van de Stelling is gebaat bij het open houden van schootcirkels door deze passende functies zoals landbouw, natte, laag opgaande natuur of waterbergende functies te geven. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in de sloop en nieuwbouw van een woning in de traditionele agrarische bouwstijl van De Beemster, waarbij de nieuwbouw als stolpboerderij zal worden gerealiseerd. De stolpenstructuur binnen het ensemble Zeevang wordt versterkt, daar waar de huidige woning die gesloopt zal worden geen karakteristieke stolpboerderij betreft. Het voorerf van de nieuw te realiseren woning blijft onbebouwd en wordt gekenmerkt door streekeigen sierbeplanting, hagen en leibomen, kenmerkend voor stolpbebouwing. De beoogde ontwikkeling past binnen het ensemble Zeevang door de evenwijdige situering van de nieuwe woning aan de omliggende kavelsloten.

Tevens is het zicht op het achterliggende lint nog voldoende gewaarborgd en doet de nieuwe woning derhalve geen afbreuk aan de (beleving van) openheid van het landschap. De beoogde ontwikkeling valt ten slotte binnen de schootcirkel van het Fort bij Edam. In de planregels worden voorwaarden gesteld om het open schootlandschap te behouden door middel van het toekennen van de waarde cultuurhistorie. De beoogde ontwikkeling sluit daarom aan op de in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 richtinggevende ruimtelijke kwaliteit. 3.2.3 Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De algemene doelstelling in de woonagenda is: ‘De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen’.

Dit is vervolgens uitgewerkt in speerpunten, richtinggevende principes en actiepunten: Speerpunten: 1. Een woning voor iedereen: a. Adaptief en vraaggestuurd programmeren. b. Productie op peil: aanjagen woningbouwproductie. c. Kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. 2. Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie. Richtinggevende principes: 1. De vraag is leidend. De regionale programmeringen worden bepaald op basis van gegronde onderbouwing van vraag, aanbod en het kwalitatieve en kwantitatieve verschil daartussen voor nu en in de toekomst. 2. Er zijn snel meer woningen nodig. De provincie zet in op het versnellen van de woningbouwproductie en helpt gemeenten hierbij door voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw.

Pagina 15 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

3.

4.

5. 6. 7. 8.

De woningbouwprogrammering is regionaal en adaptief. De programmering houdt rekening met fasering en haalbaarheid, zodat de in het woonakkoord af te spreken regionale productiedoelstellingen kunnen worden gehaald. De provincie geeft gemeenten ruimte om bij binnenstedelijke plannen nabij een OV-knooppunt en/of in een groeiregio hogere aantallen woningen te realiseren dan de prognose, om het woningtekort versneld in te lopen. De woningmarkt heeft structureel meer flexibiliteit en betaalbare opties voor alle verschillende doelgroepen van woningzoekenden nodig. Betaalbaar en divers woningaanbod voor alle doelgroepen vraagt regionale afstemming en samenwerking. Vanuit het oogpunt van leefbaarheid en gezondheid bewaakt de provincie de goede balans tussen economie, wonen, mobiliteit, natuur en landschap. Woningbouw heeft een grote impact op het landschap, de natuur en de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. In de woonakkoorden maken we afspraken om woningbouw zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, actieve mobiliteit (gericht op fietsen en lopen) stimulerend, circulair en natuur- en landschapsinclusief te ontwikkelen en dit vroegtijdig bij de locatiekeuze en planontwikkeling mee te nemen.

Actiepunten: 1. Maatwerkafspraken in regionale woonakkoorden 2. We bieden kennis, meedenkkracht en hulp 3. Versnellen woningbouwproductie 4. Samenwerking stimuleren 5. Verduurzaming wonen 6. Meer flexibiliteit in de woningmarkt 7. Stimuleren circulair bouwen 8. Leveren van informatie en monitoring Deze speerpunten, principes en actiepunten moeten helpen bij het oplossen van de grote woningbehoefte in de provincie. Wijziging ten opzichte van de voorgaande woonvisie is ook dat regionale afspraken ten aanzien van woningbouw niet meer in Regionaal Actie Programma's (RAP's) worden vastgelegd maar dat tussen gemeenten/regio en de provincie woonakkoorden worden gesloten. Planspecifiek In de woonagenda staat geformuleerd dat ‘vraag’-gestuurd gebouwd moet worden. Door het ‘vraag’gestuurd bouwen wordt gebouwd waar behoeft aan is maar zorgt ook voor doorstroming doordat bijvoorbeeld gezinnen ruimer kunnen gaan wonen waardoor er meer goedkopere (koop)woningen vrijkomen. Voorliggend plan wordt gebouwd vanuit een directe behoefte vanuit initiatiefnemers. Voorts sluit het plan ook aan op het speerpunt door duurzaam en toekomstbestendig te bouwen.

Regionaal beleid 3.3.1 Regionale visie Waterland 2040 Het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Waterland (ISW) is een samenwerkingsverband van zeven Waterlandse gemeenten: Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Purmerend, Waterland, Wormerland en Zeevang. Samen vormen deze gemeenten de regio Waterland. De regio Waterland heeft in 2009 de Regiovisie Waterland 2040 opgesteld. Het motto van de Regiovisie is: Vitaal met Karakter. De Regiovisie Waterland 2040 vormt de basis voor de gemeentelijke plannen. Tevens wordt hij gebruikt voor het inbrengen van de mening van de regio Waterland bij plannen van de Provincie Noord-Holland en die van de Stadsregio Amsterdam.

Pagina 16 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Volgens de visie dient de sociaaleconomische vitaliteit van de kernen te worden bewaakt. Hieraan dient het ruimtelijke beleid zoveel mogelijk bij te dragen, zonder het authentieke karakter van het landschap aan te tasten. Verder is er een plus nodig op het gebied van woningbouw ter bevordering/instandhouding van de vitaliteit van de kernen. Daarbij horen ook de locaties van Waterlands Wonen, die kwantitatief tot 2020 nog niet zijn ingevuld. Deze dienen na 2020 verder te worden ontwikkeld. Planspecifiek Voorliggende planontwikkeling ziet toe op de bouw een ruimere woning ter plaatse van een perceel dat nu als agrarisch gebruikt wordt. Op het aangrenzende woonperceel wordt de huidige woning gesloopt Het plan draagt, zij het bescheiden, bij om de knelpunten op de woningmarkt op te lossen.

Pagina 17 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Gemeentelijk beleid De gemeente Beemster is op 1 januari 2022 onderdeel gaan uitmaken van de gemeente Purmerend. Voor de beoordeling van het plan aan het relevante beleid wordt nog gebruik gemaakt van het beleid van de voormalige gemeente Beemster. 3.4.1 Structuurvisie Beemster De Structuurvisie Beemstermaat van de gemeente Beemster (juli 2012) vormt het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en geeft aan waar welke functies wenselijk zijn en waar niet. In deze structuurvisie zijn de ambities genoemd die de gemeente nastreeft. Deze ambities luiden als volgt: • • • • •

Behoud en herstel van het landschapspatroon. Tegengaan van verrommeling. Behouden en versterken van de ruimtelijke structuur en karakteristiek. Recreatie en duurzaamheid versterken. Oplossen mobiliteitsdruk binnen neutraal raster.

Deze ambities zijn in zogenaamde 'gouden regels' omgezet. Deze regels hebben als uitgangspunt dat ontwikkeling mogelijk moet zijn om de dynamiek binnen de gemeente te behouden, maar de kernwaarden behouden moeten blijven. Ontwikkelingen moeten passen binnen de historisch bepaalde hoofdstructuur. Verder is in deze structuurvisie een belangrijke ambitie dat eventuele verdichting in het buitengebied alleen plaatsvindt in dezelfde zones en langs dezelfde wegdelen waar nu bebouwing staat. Wat betreft de functies wonen en werken wordt beschreven dat er op verantwoorde wijze ruimte is geschapen in De Beemster om de woonbehoefte van de inwoners voor langere tijd te kunnen opvangen. Planspecifiek Dit plan geeft invulling aan de structuurvisie Beemster door het behoud van het landschapspatroon, bouwen in aansluiting op de bestaande kernkwaliteiten en het versterken van de duurzaamheid door een toekomstbestendigere woning te bouwen. 3.4.2 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021 Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021’ van de gemeente Beemster, vastgesteld op 26 oktober 2021. Hiernavolgend is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergeven. De uitsnede toont dat het huidig toegestaan gebruik Wonen.

De beoogde woningbouw is echter niet toegestaan op de locatie omdat op dit plandeel geen woonbestemming ligt. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw planologisch kader nodig. Voorliggend plan voorziet in het nieuwe planologische kader.

Figuur 5. Uitsnede vigerend bestemmingsplan met in rood de globale plangrens. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Pagina 18 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.

Milieueffectrapportage Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een milieueffectrapport (MER) moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor mer-plichtige activiteiten, zijn deze getalsmatige grenzen niet meer 'hard', maar hebben ze meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een planmer moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn.

Een planmer is wettelijk verplicht wanneer: • Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)mer noodzakelijk is; • Een bestemmingsplan activiteiten mogelijk maakt die kunnen leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (dan is een passende beoordeling noodzakelijk). Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een projectmer of besluit-mer betreft een besluit op grond waarvan geen nader besluit mer- of (beoordelings-) plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer-(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een mer-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een mer-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (planmer). Ingeval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij.

Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële mer-beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn. Planspecifiek Voorliggend plan betreft geen activiteit zoals benoemt in het Besluit-m.e.r. (Bijlage C en D). Dit betekent dat er geen sprake is van een m.e.r.-plicht en dat geen vormvrije m.e.r. beoordeling noodzakelijk is. Voor onderliggend plan kan voor de milieugevolgen op basis van de in dit hoofdstuk behandelde milieuaspecten geoordeeld worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Bij aanvang van de procedure voor het bestemmingsplan is ook een aanmeldnotitie opgesteld. Het college van B&W heeft besloten, op grond van de aanmeldnotitie, dat er geen negatieve milieueffecten te verwachten zijn voor voorliggend plan..

Pagina 19 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. In de brochure wordt onderscheid gemaakt in verschillende omgevingstypen. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een buitengebied met agrarische gronden eromheen en geen bedrijven in de directe omgeving. Het dichtstbijzijnde bedrijf (Wijnimport J.

Bart) bevindt zich op 0,53km van de plangrens.

Figuur 6. Uitsnede vigerend bestemmingsplan met in rood de globale plangrens en afstanden tot aangrenzende bedrijven. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Gezien de afstand tot de bedrijfsbestemming vormt het aspect Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering voor voorliggend plan.

Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden.

Pagina 20 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Planspecifiek Om te bepalen of ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goede ruimtelijke ordening en voldaan kan worden aan de normen van de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. De conclusies van het onderzoek zijn: ‘De geluidbelasting op voorgevel van een nieuw te realiseren woning aan de Oostdijk bedraagt maximaal Lden= 44 dB. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt niet overschreden. Het plan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Een Hogere waardeprocedure is niet nodig, evenals een controle van het binnenniveau (Bouwbesluit).’ Uit voorgaande conclusie blijkt dat het aspect geluidhinder geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

Ecologie Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.4.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Bepaald moet worden of er geen beschermde soorten worden aangetast door de planontwikkeling. Om dit te bepalen is een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusies van dit onderzoek luiden: ‘Op de locatie is een ruimtelijke ontwikkeling gepland. Tijdens het verkennend onderzoek (Quik-scan) zijn geen beschermde soorten of kansrijke locaties voor deze soorten (in het kader van de Natuurbeschermingswet) aangetroffen. Aanvullend onderzoek voegt niets toe. Het onderzoek is uitgevoerd in mei. Indien in de periode van 1 maart tot 31 juli gebouwd gaat worden dient rekening gehouden te worden met eventuele aanwezigheid van soorten met een tijdelijk permanente habitat (broedvogels).

Pagina 21 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Nieuwe dam/oprit: op en rondom de bouwlocatie zijn geen (veld) broedvogels aangetroffen. Indien er tussen 1 maart en 31 juli gestart gaat worden met bouwen is aanvullend onderzoek nodig. Buiten het broedseizoen zijn er geen belemmeringen om de werkzaamheden uit te voeren. Als voor de werkzaamheden de dam wordt droog gezet, dienen vissen en reptielen te worden overgezet naar blijvend water. Nieuwbouwwoning: op en rondom de bouwlocatie zijn geen (veld) broedvogels aangetroffen. Indien er tussen 1 maart en 31 juli gestart gaat worden met bouwen is aanvullend onderzoek nodig. Buiten het broedseizoen zijn er geen belemmeringen om de werkzaamheden uit te voeren. Te slopen woning: rondom de woning zijn diverse broedvogels aangetroffen. Ook zijn huismussen waargenomen, waarbij de exacte nestel locatie niet gezien is. Zeer aannemelijk is dat dit de te slopen woning betreft, mede door de Holland type 2 dakpannen. De nestelplaats van een huismus is jaarrond beschermt, hiervoor zal door een gespecialiseerd ecoloog een ecologisch werkprotocol worden opgesteld conform de gedragscode ruimtelijke ontwikkeling en inrichting gemeenten. De spouwmuur is via diverse gaten vanaf de binnenzijde van de woning geïnspecteerd. Gezien er nergens sporen van uitwerpselen zijn aangetroffen en (bewoonde) spinnenwebben aanwezig waren, kan met grote zekerheid worden vastgesteld dat dit niet het geval is.

Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat als gevolg van het plan geen nadelige effecten ten aanzien van beschermde soorten zal optreden. 4.4.2 Stikstofdepositie Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd te kunnen worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan. Hierin oordeelt de Raad dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update april 2020). Planspecifiek Daarnaast ligt nabij het plangebied een beschermd Natura2000 gebied.

Om aan te tonen dat het plan geen overschrijding van de stikstofdepositienorm zal opleveren is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 4. De resultaten van het onderzoek zijn: “Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.” Het aspect ecologie vormt gezien bovenstaande conclusies geen beperking voor de beoogde ontwikkeling.

Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of Pagina 22 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Wanneer de functie van een planlocatie wijzigt naar een functie die hogere milieueisen aan de bodem stelt dan het bestaande gebruik zal onderzocht moeten worden of de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor dit plan is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. De resultaten van de onderzoeken zijn: In de bovengrond zijn lichte verhogingen van cadmium, koper, kwik, lood, zink en of som PAK geconstateerd. In de ondergrond zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verhogingen van barium en minerale olie aangetroffen. De hypothese dat in de grond verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet bevestigd. De verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de grond kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van baksteen resten in de grond en de langdurige bewoningsgeschiedenis van het gebied.

In deze situaties worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen aangetroffen. De geconstateerde gehalten voldoen aan de te verwachte kwaliteit in vergelijkbare omstandigheden. Voor het instellen van een vervolgonderzoek wordt daarom geen aanleiding gezien. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen en of barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het kader van verkennend bodemonderzoek wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven. Voor de verhoging van minerale olie is echter geen verklaring voorhanden. Tijdens de visuele inspectie zijn geen asbestverdachte materialen op het maaiveld waargenomen. Tijdens het graven van de gaten, het zeven en de monstername is in de grond eveneens geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het mengmonster van de grond uit de gaten is door het laboratorium een gewogen gehalte van 0,1 mg/kg ds asbest aangetroffen. De verwachting, dat niet meer dan 50 mg (gewogen) asbest / kg ds in en op de grond aanwezig is, wordt in het onderzoek echter bevestigd. Op basis van de nu bekende gegevens mag de grond als ‘asbestvrij’ worden beschouwd. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien.

Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Gezien de bovenstaande conclusies vormt het aspect bodem geen beletsel voor dit plan.

Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof Pagina 23 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

(jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Toetsing van

Grenswaarde

Stof Stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

40 µg / m³ 200 µg / m³

Advieswaarde (WHO) 40 µg / m³

40 µg / m³ 50 µg / m³

20 µg / m³

25 µg / m³

10 µg / m³

Tabel 1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige situatie en toekomstige ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nslmonitoring.nl geraadpleegd.

Pagina 24 Bestemmingsplan Oostdijk 20 te Zuidoostbeemster

Figuur 9: Concentratie stikstof, PM2.5 en PM10 in 2020 en 2030, plangebied nabij pijl (bron: NSL

Monitoringstool) De concentraties blijven op basis van de NSL monitoringstool onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.

Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11089894/1