20240329-bijlage-beantwoording-f-j-f-schaaij-conceptvisie-oostflank-groen-smp-oostflank-let-op-informatief-concept-ter-beoordeling-en-bespreking
Tekst van het document
Dit wijst op succesvolle voortplanting binnen deze twee gebieden. Het zuidelijke gebied biedt voor de helft essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen (rechts) en deels voor vossen en huiskatten (links). In het linkerdeel is een mogelijk hol van een vos waargenomen (Figuur 21). Bij dit hol is heeft een wildcamera gestaan. Hier is in het begin een vos waargenomen, daarna niet meer. Mogelijk heeft de camera de vos verstoord, deze camera is bij de eerste controleronde gelijk verwijderd. De meeste egels zijn in het midden van het zuidelijke deel waargenomen. Hierdoor wordt dit als essentieel leefgebied van deze soorten weergeven.
67 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 20 | Essenti ële del en va n het p langeb ied voor versch ill ende grondgebond en zoogdieren.
Fi guu r 21 | Camerabeeld van 3 wezel indi vidu en.
68 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 22 | Vossenhol wa arg enomen in het zui dwes telij ke d eel van het pla ngebi ed.
5.5 Muizen en ratten Van de muizen zijn vijf soorten waargenomen (Tabel 15). Daarnaast zijn ook bruine ratten binnen het plangebied waargenomen. In bijlage XII zijn kaarten weergeven van de locaties waar de soorten zijn waargenomen. Deze waarnemingen zijn voornamelijk op basis van de inventarisatie naar grondgebonden zoogdieren met wildcamera’s en uit de eDNA samples. In enkele gevallen zijn ook individuen op zicht waargenomen. T abel 12 | Waargenomen muiz en en ratten bi nnen het pl ang ebied.
Soort
2022
2023
Bosmuis
X
X
Dwergmuis
X
X
Noordse woelmuis
X
Woelmuis sp.
X
Waterspitsmuis
X X
Bosspitsmuis
X
Spitsmuis sp.
X
X
Bruine rat
X
X
In het zuidelijke deel van het gebied zijn in 2022 meerdere dode bosspitsmuizen waargenomen (Figuur 22). Daarnaast is een rennende waterspitsmuis waargenomen die een wandelpad overstak. Met de eDNA samples is één locatie positief getest op de Noordse woelmuis. Op de wildcamera’s zijn op een aantal locaties woelmuizen waargenomen. Van deze woelmuizen was het niet mogelijk om vast te stellen of uit te sluiten dat dit Noordse woelmuizen waren.
69 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 23 | Eén van de dode b osspitsmuizen di e i n h et p lang ebied zijn waarg enomen.
In figuur 23 wordt een overzicht weergeven van de delen van het plangebied welke als essentieel leefgebied dienen voor woelmuizen en de waterspitsmuis. De andere soorten zijn meer verspreid door het gebied waargenomen. Hierdoor kunnen hier geen specifieke delen aangewezen worden welke essentieel zijn voor de soorten. Voor deze soorten geldt dat het hele gebied essentieel leefgebied is. De waterspitsmuis is slechts op één plek waargenomen. Deze locatie wordt daardoor als essentieel leefgebied weergeven. De woelmuizen zijn voornamelijk in het Purmerbos en in het zuidelijke deel waargenomen. In het zuidwestelijke deel is een eDNA sample positief getest op de Noordse woelmuis. Bij dit deel ligt een stuk moeras, dit biedt een geschikt biotoop voor de Noordse woelmuis.
Fi guu r 24 | Essent iël e l eefgebi eden voor woelmu izen bin nen het pl angeb ied.
70 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
5.6 Amfibieën Van de amfibieën zijn vijf verschillende soorten waargenomen (Tabel 16). Verder zijn ook veel kikkers waargenomen welke niet op soort gebracht konden worden en een juveniele salamander die niet op soort gebracht kon worden. In bijlage XIII worden de kaarten weergeven van de locaties van de waargenomen soorten. T abel 13 | Waarg enomen am fi biesoorten binnen het pla ngebi ed.
Soort Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Groene kikker sp. Juveniele salamander sp. Meerkikker Rugstreeppad
2022
2023
X
X
X X X
X X
X X X
X X
In het plangebied zijn meerdere delen als essentieel leefgebied vastgesteld voor de meerkikker (Figuur 24). Op verschillende plekken zijn groepen met individuen waargenomen tijdens de inventarisaties. In het zuidelijke deel zijn ook belangrijke plekken voor de gewone pad waargenomen. Dit zijn vooral watergangen langs de randen van het gebied. De rugstreeppad is drie plekken in het zuidelijk deel waargenomen. Deze locaties zijn essentiële leefgebieden voor de soort. De salamander is op één plek waargenomen. Deze locatie wordt ook als essentieel leefgebied beschouwd. De rest van de soorten zijn over het gehele plangebied verdeeld, hierdoor kunnen geen specifieke delen worden aangewezen worden als essentieel leefgebied voor deze soorten. Voor deze soorten wordt het hele plangebied als essentieel leefgebied beschouwd.
Fi guu r 25 | Locati es van ess ent iële leefg ebied en voor vers chill ende amfibi esoorten.
71 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
5.7 Vissen en weekdieren Acht verschillende soorten vissen zijn geïdentificeerd (Tabel 17). De grote modderkruiper wordt als een zwaar beschermde soort beschouwd, en het vetje staat op de rode lijst. Daarnaast zijn er ook mossels gevonden in de watergangen. T abel 14 | Waarg enomen vis soorten binn en h et plang ebied.
Soort
2022
2023
Blankvoorn
X
X
Driedoornige stekelbaars
X
X
Grote modderkruiper
X
X
Karper onbekend
X
X
Kleine modderkruiper
X
X
Marmergrondel
X
X
Mossel (weekdier)
X
X
Tiendoornige stekelbaars
X
X
Vetje
X
X
5.8 Dagvlinders en libellen Er zijn in totaal 17 soorten dagvlinders en 16 soorten libellen geïdentificeerd (Tabel 18). Geen van deze soorten valt onder zware bescherming. Zie Bijlage XV voor de geografische verspreiding van de waarnemingen. T abel 15 | Waarg enomen dag vlinder - en li belsoort en binn en het pl angeb ied.
Dagvlinders Soort
Libellen
Argusvlinder
2022 X
2023 XX
Atalanta
X
Bont zandoogje Boomblauwtje
Soort
2022
2023
Blauwe glazenmaker
X
X
Bloedrode heidelibel
X
X
X
Bruine winterjuffer
X
X
X
Bruinrode heidelibel
X
X
Bruin blauwtje
X
Gewone oeverlibel
X
X
Bruin zandoogje
X
X
Glassnijder
X
Grote keizerlibel
Citroenvlinder
X
X
X
X
Dagpauwoog
X
X
Houtpantserjuffer
X
X
Distelvlinder
X
X
Juffer sp.
X
X
Kleine roodoogjuffer
X
Gamma uil Gehakkelde aurelia
X
X
Lantaarntje
X
X
Groot koolwitje
X
X
Paardenbijter
X
X
Icarus blauw
X
Steenrode heidelibel
X
X
Klein geaderd witje
Vroege glazenmaker
X
Vuurrode heidelibel
X
Watersnuffel
X
X
X
Klein koolwitje
X
X
Kleine vos
X
Kleine vuurvlinder
X
Kolibrievlinder
X
Landkaartje
X
Parelmoervlinder sp.
X
X
X X
72 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Rietvink
X
Zwartsprietdikkopje
X
5.9 Vaatplanten In Tabel 19 worden de waargenomen vaatplant soorten weergeven. Er zijn vijf soorten waargenomen, waarvan de rietorchis zowel in 2022 als in 2023. Zie Bijlage XVI voor de geografische verspreiding van de waarnemingen. T abel 16 | Waarg enomen p lant ensoorten bin nen het pla ngebi ed.
Soort Brede wespenorchis Geschubde mannetjesvaren Reuzen berenklauw Reuzenbalsemien Rietorchis
2022
2023
X X X X X
X X X X X
5.10 Extra aangeleverde gegevens Tijdens de soortonderzoek zijn ook diverse onderzoeksgegevens door Staatsbosbeheer aangeleverd. Deze onderzoeksgegevens worden in dit rapport ook meegenomen. Van deze onderzoeksgegevens worden enkel de soorten meegenomen die tijdens de soortenonderzoeken niet zijn waargenomen (Tabel 20). Deze soorten worden per soortgroep behandeld. Daarnaast worden alleen waarnemingen vanaf 2018 meegenomen zodat er met relatief recente waarnemingen gewerkt wordt. T abel 17 | Ext ra aang eleverde soorten die zijn wa arg enomen binn en het plang ebied.
Soort Grauwe vliegenvanger Ringslang Veldbies Rood oorzwammetje Kroontjesknotszwam Olijfschijfzwam Wijnrode boleet
Jaar van waarnemen 2019 2023 2019 2022 2022 2022 2022
73 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
5.10.1 Broedvogels In 2019 is door het ecologisch onderzoeksbureau Van der Goes en Groot een broedvogelinventarisatie uitgevoerd in het Purmerbos. Bij deze inventarisatie zijn vier territoria waargenomen van de grauwe vliegenvanger. Deze soort is tijdens de soortenonderzoeken niet waargenomen. Hierdoor wordt de locatie van deze soort meegenomen in dit SMP. In figuur 28 worden de locaties van de territoria weergeven.
Fi guu r 26 | Verspreidin gska art van de territo ria van d e g rauwe vlieg en vanger. Overgenomen van het invent aris atierapport va n Va n der Goes en Groot.
5.10.2 Reptielen Tijdens de onderzoeken is geen onderzoek gedaan naar reptielen. Deze soortgroep werd van te voren niet verwacht binnen het gebied. Echter werd op 9 oktober 2023 door Piet Brouwer (hobbyist), doorgegeven door Ab van Dorp (Boswachter Ecologie van Staatsbosbeheer), een ringslang waargenomen binnen het plangebied (Figuur 29). Voor zover bekend is dit de eerste waarneming van een ringslang in het Purmerbos. In figuur 30 is de locatie van de waarneming weergeven. Het gebied rond deze waarneming wordt beschouwd als het essentiële leefgebied voor deze soort.
74 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 27 | Foto van de ringsl ang. Genomen door Pi et Brou wer.
Fi guu r 28 | Locatie van d e ring slang waarneming met ess enti eel leefgeb ied.
5.10.3 Vaatplanten In 2019 is een grote veldbies waargenomen binnen het gebied. Deze is waargenomen door Koos Ballintijn van Staatsbosbeheer. In figuur 31 wordt de kaart weergeven welke door Staatsbosbeheer is aangeleverd.
75 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 29 | Waa rneming van d e g rote veldb ies in het Purmerbos. Dit is in d eelg ebi ed 2 van het plang ebied. Aangel everd door Ab va n Dorp van St aatbosbeh eer.
5.10.4 Paddenstoelen Binnen het plangebied zijn vier soorten paddenstoelen waargenomen. Dit zijn het rood oorzwammetje, kroontjesknotszwam, wijnrode boleet en de olijfschijfzwam. Deze zijn waargenomen door Piet Brouwer (hobbyist). Hiervan is het rood oorzwammetje een zeer zeldzame soort en de rest van de soorten zijn meer algemeen. In figuur 32 worden de locaties van de soorten weergeven. Geen van deze paddenstoelen zijn beschermd of staan op de rode lijst.
Fi guu r 30 | Locati es van de wa argenomen padd enstoelen.
76 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Samenvattend Op basis van de onderzoeksinspanningen binnen het plangebied is gestreefd om de diversiteit binnen het plangebied zo omvattend mogelijk te bevangen. De resultaten zijn gebaseerd op inventarisaties verdeeld over het hele plangebied en/of gecentreerd op plaatsen waar soortgericht onderzoek enkel van toepassing leek. Inventarisaties zijn afgestemd om de verwachte gebiedsfunctie van het gebied. Zo zijn: • •
•
• • • •
Vleermuis- inventarisaties uitgevoerd in heel plangebied om vliegroutes en foerageergebieden te inventariseren Broedvogels- inventarisaties uitgevoerd in het plangebied om broedplaatsen en leefgebieden vast te stellen. Alsmede is aan de rand van het plangebied ook, in het stedelijk gebied, geïnventariseerd om tevens de mogelijke gebruiksfunctie van gebouw bewonende vogel soorten te indiceren. Grondgebonden zoogdieren (Marterachtige & muizen) – inventarisaties uitgevoerd in hele plangebied. Gezien de trefkans om deze soorten te bevestigen middels soortgericht onderzoek, zijn deze onderzoeken gefocust binnen enkel geschikt bevonden biotopen. Amfibie – inventarisaties uitgevoerd in het hele plangebied, gefocust rondom de watergangen. Om actief leefgebied en de eventuele voortplanting van deze soorten te bevestigen. Vissen – inventarisaties uitgevoerd in de watergangen in het hele gebied om de actief leefgebied te bevestigen. Dagvlinders – inventarisaties uitgevoerd het hele gebied om de actief leefgebied te bevestigen. Vaatplant – inventarisaties uitgevoerd het hele gebied om de aanwezigheid en standplaatsen van beschermde soorten te bevestigen.
De inventarisaties hebben een diversiteit aan geïnventariseerde soorten aangetoond, die zich over verschillende delen van het plangebied hebben verspreid. Om een beter overzicht te krijgen van waar welke soorten zich hebben gevestigd en hoe de bescherming zich verhoudt tot deze bevindingen, zijn de resultaten hieronder samengevat per beschermingsstatus. Bovendien wordt kort ingegaan op de geografische verspreiding van de bevindingen. Op deze manier verkrijgt men een duidelijker beeld van de (zwaar) beschermde en/of bijzondere soorten die zich binnen het te ontwikkelen plangebied hebben gevestigd. ➢ Bevonden soorten – Habitatrichtlijnbescherming Er zijn 15 soorten geïdentificeerd als zijnde beschermd onder de Habitatrichtlijn, waaronder zes verschillende vleermuissoorten, één amfibiesoort, twee muissoorten, twee kleine marterachtigen, één reptiel, een dagvlinder, en een vissoort (zie Tabel 21 & 22). Conform de Habitatrichtlijn dient er voor deze soorten een hoge prioriteit te worden gesteld aan het beschermen, behouden en indien mogelijk verbeteren van hun natuurlijke habitat Wat betreft de bevindingen omtrent de aangetroffen vleermuissoorten blijkt dat er geen specifieke vaste verblijfplaatsen zijn gevonden, maar dat hun voornaamste gebruik van het gebied ligt in foerageren en het bieden van vliegroutes. Hierbij wordt zowel het Purmerbos als het golfbaanterrein gebruikt.
Sommige van deze vliegroutes zijn als essentieel beschouwd vanwege hun rol in het handhaven van connectiviteit tussen belangrijke foerageer- en/of verblijfplaatsen. Deze routes bevinden zich voornamelijk langs de grenzen van de plangebieden en/of dwars door het Purmerbos. De grootste zorg dient gegeven te worden aan vleermuissoorten welke (1) benadeeld worden door middel van een vernietiging van essentiële foerageergebieden en/of vliegroutes, en (2) soorten welke een bijzondere bescherming vereisen. In dit geval is dit met name van toepassing op (1) de Meervleermuis, die vanwege zijn specifieke geografische verspreiding (Noordwest Nederland) van extra belang is, (2) de Laatvlieger, en (3) de vliegroute voor Dwergvleermuizen die over het golfterrein loopt. Wat betreft de bevindingen betreffende de overige streng beschermde soorten, zijn er actieve leefgebieden
77 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
gevonden voor de (1) rugstreeppad, (2) de Noordse woelmuis & Waterspitsmuis, (3) Wezel & Hermelijn, (4) Ringslang en (5) de Grote modderkruiper. De gewone modderkruiper en Noordse muis zijn enkel gevonden in een zuidelijk deel van het Purmerbos, welke binnen 200 meter van het Purmer Zuid Zuid-gebied liggen. Overige soorten lijk een bredere verspreiding binnen het plangebied te hebben. Er is ook een onbekende soort parelmoervlinder aangetroffen, waarvan de beschermingsstatus onzeker is, maar mogelijk zwaar beschermd is. De exacte manier waarop deze soorten het plangebied gebruiken, is niet bevestigd omdat de bevindingen gebaseerd zijn op slechts enkele waarnemingen/vangsten en/of eDNA-monsters. Desondanks zijn er verschillende gebieden geïdentificeerd als geschikt leefgebied, en suggereren de verspreidingspatronen dat er actieve leefgebieden zijn binnen het plangebied. De leefgebieden van de eerder genoemde soorten bevinden zich hoofdzakelijk in het Purmerbos, met uitzondering van de strook bosgebied grenzend aan het golfterrein genaamd "de Middentocht", waar ook kleine marterachtigen hun leefgebied kunnen vinden. De grootste zorg dient gegeven te worden aan soorten met leefgebieden grenzend aan en/of binnen het golfbaanterrein en het Purmer Zuid Zuid zijn gevestigd. In dit geval geldt dit voornamelijk voor de Noordse woelmuis en Grote modderkruiper.
Tabel 18 | Bevindingen omtrent soorten welke beschermd zijn onder de Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 Bal). Soortgroep
Soort
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis
Bevindingen: •
Ruige dwergvleermuis
• • • •
Laatvlieger
• • •
Rosse vleermuis
• • •
Meervleermuis
• • •
Watervleermuis
• • •
Amfibieën
Rugstreeppad
• • •
140 waarnemingen van gewone dwergvleermuis verspreid over het hele gebied binnen de Middentocht en binnen het Purmerbos 34 waarnemingen van ruige dwergvleermuis 9 foerageergebieden; waarvan 3 binnen het golfbaanterrein en 6 binnen het Purmerbos 10 essentiële vliegroutes, voornamelijk langs grenzen van Purmerbos en golfbaanterrein. 4 normale vliegroutes binnen zowel het Purmerbos als het golfbaanterrein Geen vaste verblijfplaatsen 34 waarnemingen van laatvlieger binnen het golfbaanterrein en het Purmerbos 2 waarnemingen van rosse vleermuis in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 1 foerageergebied binnen het golfbaanterrein 3 essentiële vliegroutes, voornamelijk langs grenzen van Purmerbos en golfbaanterrein 6 normale vliegroutes binnen zowel het Purmerbos als het golfbaanterrein Geen vaste verblijfplaatsen 10 waarnemingen van meervleermuis binnen het golfbaanterrein en Purmerbos 9 waarnemingen van watervleermuis voornamelijk binnen het golfbaanterrein, en binnen het Purmerbos 5 foerageergebieden; waarvan voornamelijk binnen het golfbaanterrein 2 essentiële vliegroutes boven watergangen lopend door het Purmerbos en ten zuiden van het Purmerbos 2 normale vliegroutes boven watergangen binnen Purmerbos Geen vaste verblijfplaatsen 7 waarnemingen binnen het Purmerbos 4 leefgebieden binnen het Purmerbos
78 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Muizen
Noordse woelmuis
• •
1 Waarneming binnen het zuidelijk gedeelte van het Purmerbos 1 leefgebied binnen het Purmerbos
Tabel 19 | Bevindingen omtrent soorten welke beschermd zijn onder de Habitatrichtlijn (Artikel 11.54 Bal).
Soortgroep
Soort
Bevindingen:
Grondgebonden zoogdieren
Wezel
• • •
1 Waarneming in de Middentocht (grezend aan het golfbaanterrein) 4 waarnemingen binnen het Purmerbos De Middentocht en delen van het Purmerbos zijn geschikt bevonden als biotoop 4 waarnemingen binnen het Pumerbos
Hermelijn
•
Wezel / Hermelijn (onzeker)
•
Muizen
Waterspitsmuis
• •
Reptielen
Ringslang
•
17 waarnemingen binnen zowel het Pumerbos als het golfbaanterrein 4 waarnemingen binnen het Purmerbos Een klein gebied binnen het zuidelijk deel van het Purmerbos is als essentieel leefgebied bevonden 1 waarneming binnen het Purmerbos
Dagvlinder
Parelmoervlinder sp.
•
2 waarnemingen in de Middentocht
Vissen
Grote modderkuiper
•
1 gevangen individu in een watergang binnen het Zuidelijke gedeelte van het Purmerbos
➢ Bevonden soorten - Vogelrichtlijnbescherming Een aanzienlijke diversiteit aan vogelsoorten is vastgesteld, die allen vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn. In totaal zijn er 2396 bevestigde territoria bevonden (Tabel 23) .Deze territoria bevinden zich voornamelijk binnen het plangebied, met de uitzondering van enkele bevindingen die in het aangrenzende stedelijke gebied (o.a. huismus, gierzwaluw, spreeuw) zijn gedaan. Veel van de territoria zijn zowel binnen het Purmerbos als op het golfterrein aangetroffen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat beide gebieden een gebruiksfunctie bieden voor een reeds aan vogelsoorten; specifieke voorkomens zijn hieronder nader uiteengezet. Conform de vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten beschermd, waarbij verstoring en habitatvernietiging dienen te worden voorkomen, en tegelijkertijd het herstel van habitat wordt bevorderd. Tabel 20 | Bevindingen omtrent bevestigde territoria in het plangebied.
Jaar Weidevogels Watervogels Struweelvogels Roofvogels Rietvogels Bosvogels Bosrandvogels
2023 97 territoria 182 territoria 1207 territoria 7 territoria 91 territoria 724 territoria 88 territoria
Vogels met jaarrond beschermde nesten: Sommige vogelsoorten genieten van een bijzonder strenge bescherming, namelijk vogels met jaarrond beschermde nesten (Artikel 11.37 Bal). Uit de bevindingen blijkt dat er 29 vogelsoorten zijn geïdentificeerd die onder deze categorie vallen (Tabel 24). De meerderheid van deze vogelsoorten wordt waargenomen in zowel het Purmerbos als op het golfterrein, waardoor de functie 79 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
van deze gebieden als leefgebied voor deze streng beschermde vogelsoorten niet kan worden uitgesloten. Weliswaar dient gerealiseerd te worden dat -
Niet elke gebruiksfunctie als essentieel en/of onvervangbaar beschouwd niet te worden. Veel soorten beschermd met ‘categorie 5- bescherming’ waarvoor geldt dat deze over het algemeen de flexibiliteit waarborgen om zich ergens anders te kunnen vestigen.
De grootse zorg dient te geven worden aan soorten waarbij het merendeel van hun territoria zich bevindt binnen het golfterrein en/of de Middentocht én die onder een strengere beschermingscategorie vallen (<5); in dit geval geldt dit voor de ransuil welke zich heeft gevestigd in de Middentocht. Tabel 21 | Bevindingen omtrent vogelsoorten welke beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn, hier enkel met jaarrond beschermde nesten. (Artikel 11.37 Bal).
Soort
Nest bescherming
Steenuil
Cat 1
Gierzwaluw
Cat 2
Bevindingen: • 1 Waarneming binnen Purmerbos • 1 territoria in het stedelijk gebied aan de rand van het
Huismus
Cat 2 (+ Rode lijst)
• • •
Kerkuil
Cat 3 (+ Rode lijst)
• •
Havik
Cat 4
• •
Buizerd
Cat 4
• • •
Ransuil
Cat 4 (+ Rode lijst)
• • •
Sperwer
Cat 4
•
• Boomvalk
Cat 4 (+ Rode lijst)
•
Boomkruiper
Cat 5
Blauwe reiger Ekster
Cat 5 Cat 5
• • • • •
Groene specht
Cat 5
• • •
Grote bonte specht
Cat 5
IJsvogel
Cat 5
Koolmees
Cat 5
• • • • •
Purmerbos 2 Waarnemingen binnen het Purmerbos 1 Waarneming binnen het Golfbaanterrein 92 territoria in het stedelijk gebied aan de rand van het Purmerbos en het golfbaanterrein 5 Waarnemingen binnen het Purmerbos 2 Waarnemingen in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos (Rond boerderijen) 1 waarneming binnen golfbaanterrein 1 waarneming binnen het Purmerbos 1 territoria binnen de Middentocht 4 territoria binnen het Purmerbos 26 waarnemingen verspreid over het gehele plangebied 3 territoria binnen noordelijke gedeelte van de Middentocht 1 territorium binnen het zuidelijke gedeelde van het Purmerbos 1 waarneming binnen het golfbaanterrein 1 territorium binnen het zuidelijk gedeelte van het Purmerbos; onder Purmer Zuid Zuid gebied 2 waarnemingen binnen het zuidelijk gedeelte van het Purmerbos 1 waarneming binnen het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 43 waarnemingen binnen het golfbaanterrein en Purmerbos 47 territoria binnen het golfbaanterrein en Purmerbos 24 waarnemingen binnen het golfbaanterrein en Purmerbos 74 waarnemingen binnen voornamelijk het golfbaan terrein, en het Purmerbos 18 territoria binnen het golfbaan terrein, Purmerbos en het verdeeld in het stedelijk gebied aangrenzend aan het plangebied 3 territoria binnen de Middentocht 1 territorium binnen het Purmerbos 10 waarnemingen binnen het golfbaan terrein 5 waarnemingen binnen het Purmerbos 101 waarnemingen
verspreid over het gehele plangebied 23 territoria binnen de Middentocht en het Purmerbos 1 waarneming binnen het golfbaanterrein (boven water) 152 waarneming verspreid over het gehele plangebied
80 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
• Pimpelmees
Cat 5
•
Spreeuw
Cat 5
• • •
Zwarte kraai
Cat 5
• •
Boerenzwaluw
Cat 5 (+ Rode lijst)
Boomklever
Cat 5
Bosuil Brilduiker Gekraagde roodstaart
Cat 5 Cat 5 Cat 5
Glanskop Huiszwaluw Torenvalk Zwarte roodstaart
Cat 5 Cat 5 (+ Rode lijst) Cat 5 Cat 5
• • • • • • • • • • • •
104 territoria verspreid over het gehele plangebied 59 waarnemingen verspreid over het gehele plangebied 95 territoria verspreid over het gehele plangebied 9 waarnemingen binnen het golfbaanterrein en Purmerbos 9 territoria enkel binnen stedelijk gebied aangrenzend aan het plangebied 91 waarneming verspreid over het gehele plangebied 19 territoria verspreid over het gehele plangebied 18 waarnemingen binnen Purmerbos 2 territoria binnen plangebied 4 waarnemingen binnen Purmerbos 2 territoria binnen Purmerbos 2 territoria binnen het golfbaanterrein 1 Waarneming binnen het Purmer Zuid Zuid gebied 2 territoria aan de randen van het plangebied 12 waarnemingen in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 1 territorium binnen het golfbaanterrein 4 waarnemingen binnen het Purmerbos 3 waarnemingen binnen zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 1 territorium binnen stedelijk gebied aangrenzend aan het plangebied 3 waarnemingen binnen het golfbaanterrein
•
➢ Bevonden soorten – Rode lijst soorten Naast de bevonden zwaar beschermde soorten zijn er ook een aantal soorten bevonden welke op de rode lijst staan. Hiervoor geldt op het moment geen universeel duidelijk beleid; het is aan de provincie te bepalen welke soorten een zwaardere bescherming dienen te krijgen. Voor de meeste van deze soorten zijn de bevindingen geconcentreerd in het Purmerbos. Enkele soorten lijken desalniettemin ook het golfbaanterrein en/of Purmer Zuid Zuid gebied te gebruiken; dit geldt voor de huismus, koekoek, ransuil, tureluur, wielewaal en het bruin blauwtje. Tabel 22 | Bevindingen omtrent soorten geklasseerd op de rode lijst. Soort (Broed)Vogels
Bevindingen:
Graspieper
• •
Koekoek
• •
Grote zilverreiger Matkop
• •
3 territoria binnen het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 1 waarneming binnen het stedelijk gebied ten noorden van het plangebied 18 waarnemingen binnen Purmerbos 2 territoria binnen plangebied 1 waarneming binnen het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 4 waarnemingen binnen het Purmerbos 92 territoria in het stedelijk gebied aan de rand van het Purmerbos en het golfbaanterrein 5 Waarnemingen binnen het Purmerbos 2 Waarnemingen in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos (Rond boerderijen) 10 territoria verspreid over het gehele plangebied 8 waarnemingen binnen het golfbaanterrein, Purmerbos en aan de rand van het Purmer Zuid Zuid gebied 9 waarnemingen binnen het Purmerbos 1 waarneming binnen het Purmerbos
Boerenzwaluw
• • •
Patrijs
•
1 waarneming binnen het Purmerbos
Boomvalk Huiszwaluw Huismus
• •
Kerkuil
• •
81 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Ransuil
Ringmus
• • • •
Roerdomp
•
3 territoria binnen noordelijke gedeelte van de Middentocht 1 territorium binnen het zuidelijke gedeelde van het Purmerbos 1 waarneming binnen het golfbaanterrein 2 territoria in het stedelijk gebied aangrenzend aan het plangebied 1 waarneming in het zuidelijk gedeelte van het Purmerbos
Snor
Tureluur
• • • • •
6 territoria in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 16 waarnemingen in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 1 territorium binnen het Purmerbos 3 waarnemingen in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 1 waarneming binnen het golfbaanterrein
Visdief
•
43 territoria binnen het stedelijk gebied aangrenzend aan het plangebied 1 territorium binnen het golfbaanterrein 71 waarnemingen voornamelijk binnen het golfbaanterrein (boven het water), en binnen het Purmerbos 1 territorum in de Middentocht 3 territoria binnen het Purmerbos 6 waarnemingen in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 2 waarnemingen binnen golfbaanterrein en Purmerbos 1 Waarneming in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 1 Waarneming in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 1 Waarneming in het zuidelijke gedeelte van het Purmerbos 212 gevangen individuen binnen het Purmerbos
Spotvogel
• • Wielewaal
Dagvlinders Libellen
Vissen
Bruin blauwtje Bruine winterjuffer Glassnijder Vroege glazenmaker Vetje
• • • • • • • •
➢ Bevonden soorten – Algemene zorgplicht Daarnaast zijn er ook andere beschermde soorten aangetroffen, die niet onder de zware beschermingscategorie vallen. Voor deze soorten geldt een algemene zorgplicht, waarbij altijd acties moeten worden ondernomen om bewuste vernietiging van habitat of het doden van individuen te vermijden. De verspreiding van deze soorten is over het algemeen breder over het plangebied. Het golfbaanterrein en/of het Purmer Zuid Zuid-gebied worden over het algemeen het minst gebruikt, met uitzondering van algemene vogels en dagvlinders. De belangrijkste gebieden voor gebruik, en dus de natuurwaarde, bevinden zich binnen (1) de Middentocht, (2) het extensief beheerde grasland op het golfbaanterrein, en (3) binnen het Purmerbos. Het is belangrijk om te realiseren dat niet alle "niet-zwaar beschermde aanwezige soorten" hier worden genoemd, aangezien niet alle soorten zijn geïnventariseerd vanwege de focus op zwaar beschermde soorten. Bescherming van deze soorten kan het beste worden gebaseerd op de biotopen/habitattypen.
Soortgroep
Soort
(Broed)vogels
Zie tabel resultaten
•
Verspreid over het hele plangebied
Grondgebonden zoogdieren
Vos
• •
1 bevonden vossenhol binnen het purmerbos De Middentocht is als geschikt biotoop bevonden
Haas
• •
Egel
•
Bosmuis
• •
Dwergmuis
•
Meerdere (+20) waarnemingen bevonden Het golfbaanterrein is als geschikt biotoop bevonden De Middentocht en delen van het Purmerbos zijn geschikt bevonden als biotoop 6 waarnemingen in de Middentocht Meerdere (+20) waarnemingen binnen het Purmerbos 4 waarnemingen binnen het Purmerbos
Muizen
Bevindingen:
82 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Amfbieen
Bosspitsmuis
•
4 waarnemingen binnen het Purmerbos
Bruine rat
• • •
2 waarnemingen in de Middentocht 13 waarnemingen binnen het Purmerbos Meerdere waarnemingen (+20) bevonden binnen zowel het golfbaanterrein als het Purmerbos
•
Op verschillende locaties groepen met individuen waargenomen Verschillende gebieden, zowel binnen het golfbaanterrein als het Purmerbos zijn als essentieel leefgebied bevonden.
Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Meerkikker
•
Dagvlinders
Atalanta Bont zandoogje Bruin blauwtje Bruin zandoogje Dagpauwoog Distelvlinder Gamma uil
•
Waarneming(en) binnen het extensieve grasland op het golfbaanterrein, en binnen het Purmerbos
•
Waarneming(en) binnen Purmerbos
•
Waarneming(en) binnen het extensieve grasland op het golfbaanterrein, en binnen het Purmerbos
•
Waarneming(en) binnen Purmerbos
Gehakkelde aurelia Groot koolwitje Klein geaderd witje Klein koolwitje Kleine vos Kleine vuurvlinder Landkaartje Argusvlinder Citroenvlinder Icarus blauw Boomblauwtje Kolibrievlinder Rietvink Zwartsprietdikkopje Libel
Bruinrode heidelibel Blauwe glazenmaker Bloedrode heidelibel Bruine winterjuffer Gewone oeverlibel Glassnijder Grote keizerlibel Houtpantserjuffer Juffer sp. Kleine roodoogjuffer Lantaarntje Paardenbijter Steenrode heidelibel Vroege glazenmaker Vuurrode heidelibel Watersnuffel
83 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Deel 4: Mitigatie- Verwachte negatieve effecten De voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen zullen onvermijdelijk negatieve ecologische gevolgen hebben. In dit gedeelte onderzoeken we waar deze ongunstige effecten kunnen optreden en formuleren we maatregelen om hier op een verantwoorde manier mee om te gaan.
84 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
6. Geplande ontwikkelingswerkzaamheden 6.1 Tijdelijke fasen: Terrein bouwrijp maken Als er op een stuk grond gebouwd gaat worden, moet deze grond eerst bouwrijp gemaakt worden. Hierbij wordt de grond bewerkt tot het gereed is om op te bouwen. Als een terrein bouwrijp is heeft het geen verhardingen, zoals bomen, wortels, struiken en andere obstakels die de bouw in de weg kunnen zitten. Als eerste wordt de grond onderzocht op vervuiling. Als de grond vervuild is, wordt deze gesaneerd. Bij het saneren worden de vervuilende stoffen zoveel mogelijk uit de bodem verwijderd. Daarna kan het bouwrijp maken beginnen. In het gebied wordt eerst begroeiing verwijderd die de nieuwe ontwikkeling in de weg staat. Het gaat hier om bomen, struiken en kruidachtige planten. Naast begroeiing verdwijnen er oppervlaktes met grassen, zoals de gazons op de golfbaan, de weilanden en het overige openbaar groen. Delen van het Purmerbos zullen ook verwijderd worden, boscompensatie wordt toegepast. Verder wordt de grond vlak gemaakt. Op een vlakke grond kan beter gebouwd worden dan op een grond met oneffenheden. Bij het egaliseren van de grond wordt voornamelijk zand over de bodem verdeeld en vlak gemaakt, maar ook delen afgegraven. Het ophogen met zand heeft invloed op de bodem de grondwaterstand, deze komt dieper onder het maaiveld te liggen.
6.2 Watergangen dempen en aanleggen In het plangebied worden watergangen gedempt en gegraven. Het dempen van de sloten zorgt ervoor dat minder water in het gebied beschikbaar is. Hierdoor kan de grond verdrogen, wat invloed heeft op het bodemleven en de nog aanwezige flora. Bij het dempen van de watergangen worden deze afgesloten zodat er geen water meer in kan komen en het overige water wordt weggepompt. De watergang wordt daarna opgevuld en gelijk gemaakt met het maaiveld. Daarnaast worden watergangen aangelegd in het plangebied. Over de lengte van het plangebied wordt een watergang gegraven (Figuur …). Bij het aanleggen van de watergang wordt de grond afgegraven waarna deze zich vult met gebiedseigen water.
6.3 Huizen bouwen In het plangebied worden tussen de 4000 tot 6000 woningen gebouwd. Met bouwmachines worden de woningen in verschillende fases opgebouwd. Het aanbrengen van de fundering heeft vooral invloed op de bodem. Ook de zware bouwmachines oefenen druk uit op de bodem. Hierdoor komt de bomen al snel dicht te zitten, waardoor er minder zuurstof en water de bodem in kan en wat slecht is voor de bodemkwaliteit. De werkzaamheden rond de huizenbouw hebben een negatief effect op de flora en fauna in het plangebied en omliggend gebied, als gevolg van verstoringen zoals geluidsoverlast, trillingen van grote machines, vervuiling. Daarnaast heeft het ook nadelige effecten zoals het vernielen of verkleinen van huidig leefgebied.
7. Effect beoordeling: Omgeving Naar aanleiding van zowel de (tijdelijke) ontwikkelingswerkzaamheden als de permanente visie voor het gebied, is het noodzakelijk om de potentiële effecten op de omliggende omgeving te analyseren. Op basis 85 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
van deze analyse kunnen vervolgstappen worden aanbevolen om deze effecten te voorkomen of tot een minimum te beperken.
7.1 Natura 2000-gebieden Rond het plangebied liggen vier Natura 2000-gebieden (Figuur 3); (a) Polder Zeevang, (b) Markermeer & IJmeer, (c) Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en (d) Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder. De Polder Zeevang ligt het dichtst bij het plangebied, namelijk op 1,15 kilometer. Daarnaast ligt Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske op slecht 1,8 kilometer van het plangebied. Vanwege deze afstand is een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden als gevolg van verstoring door geluid, licht en andere verstoringsfactoren niet uit te sluiten.
Fi guu r 31 | Afsta nd van d e Natura 2000 -gebieden tot het plangebi ed. (a = Polder Zeevang, b = Ma rkermeer & IJmeer, c = Ilp erveld, Va rkensland, Oostzanervel d & Twis ke, d = Wormer - en Jisp erveld & Kalverpol der).
7.1.1 Polder Zeevang De Polder Zeevang is een Natura 2000-gebied dat tussen Purmerend, Oosthuizen en Edam ligt. Het gebied bestaat uit een open veenweidegebied met veel open water. Het Natura 2000-gebied heeft geen beschermde habitattypen, maar wel enkele doelsoorten. De doelsoorten bestaan alleen uit vogels en zijn de volgende soorten: •
kleine zwaan
•
kolgans 86 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
• • • •
grauwe gans brandgans smient goudplevier
• • •
kievit grutto wulp
Het N2000-gebied dient hoofdzakelijk als foerageergebied voor deze soorten, met uitzondering van de grutto, kievit en smient ook welke het gebied tevens gebruiken als slaap- en rustplaats. Het behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied is essentieel voor elke soort. Verstoringsgevoeligheid De gevoeligheid voor verstoringsfactoren varieert per soort (zie Tabel 1), en zal hieronder per factor nader worden toegelicht. Hierbij wordt een link gelegd met de verwachte verstorende factoren resulterend van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied.
Verstoring door mechanische effecten
Optische verstoring
Verstoring door trillingen
Verstoring door licht
Verstoring door geluid
Verdroging
Verontreinig
Vermesting door N-depositie uit de lucht
Functie
Versnippering
Doelsoorten Brandgans Goudplevier Grauwe gans Grutto Kievit Kleine zwaan Kolgans Smient Wulp
Oppervlakteverlies
T abel 23 | Overz icht van de effecten van de verstorin gsfa ct oren op de doelsoo rten uit d e Effect enindi cator van Natura 2000 (gro en=niet gevo elig, o ranje=gevoeli g, rood=zeer g evoelig, g rijs=onbekend ). Daarna ast is de fun ctie van h et g ebied ook weergeven (L=leefgeb ie d, BP=b roedplaat s , SR=slaap - en rust plaats, F=foerageerg ebied ). Bron; Natura 2000 (z.d.-a).
F F F SR SR & F F F SR & F F
Gebiedsgebonden verstoringsfactoren: Gebiedsgebonden verstoringsfactoren zijn verstoringsfactoren die alleen optreden als werkzaamheden binnen het N2000-gebied worden uitgevoerd. Als de werkzaamheden buiten het N2000-gebied worden uitgevoerd kunnen negatieve effecten op deze verstoringsfactoren al snel uitgesloten worden. De volgende verstoringsfactoren worden beschouwd als gebiedsgebonden verstoringsfactoren: • • • • •
Oppervlakteverlies Versnippering Verontreiniging Verdroging Verstoring door mechanische effecten
87 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
De voorgenomen werkzaamheden vinden plaats binnen het plangebied en op minimaal 1,15 km van het N2000-gebied. Hierdoor zijn negatieve effect op basis van deze verstoringsfactoren uit te sluiten. Vermesting door N-depositie uit de lucht Uit de effectenindicator van Natura 2000 is gebleken dat de meeste doelsoorten niet gevoelig zijn voor vermesting (Tabel 1). De grutto is zeer gevoelig en de kievit is gevoelig voor deze verstoringsfactor. Zoals hierboven vermeld dient de kwaliteit van het leefgebied gelijk te blijven. Stikstof heeft een nadelig effect op de leefgebieden van deze soorten. De stikstofuitstoot in de huidige situatie van het plangebied is niet erg groot. Er staat weinig bebouwing in het gebied en er is weinig verkeer aanwezig. Bij de werkzaamheden worden verschillende machines gebruikt die voor stikstofuitstoot zorgen. In het plangebied worden veel woningen gebouwd. Hierdoor komt meer verkeer in het gebied. Dit zorgt ook voor veel stikstofuitstoot. Door middel van een Aeriusberekening kan per fase in dit project de stikstofuitstoot berekend worden. Als de stikstofuitstoot in de nieuwe situatie hoger is dan de uitstoot van de huidige situatie, kan dit de natuurgebieden rond het plangebied verstoren.
Verstoring door geluid, licht en trillingen De werkzaamheden die gaan plaatsvinden binnen het plangebied brengen verstoring met zich mee in de vorm van geluid, trillingen en licht. Alle bovengenoemde vogelsoorten zijn gevoelig voor verstoring door licht, daarnaast zijn de grutto en wulp ook gevoelig voor verstoring door geluid (Tabel 1). Voor de versterkingsfactor trilling is geen van de doelsoorten gevoelig. Om te bepalen of de werkzaamheden ook daadwerkelijk een negatief effect hebben op de soorten is gekeken naar de minimale verstoringsafstand van de gevoeligste soorten. De kleine zwaan en de grutto (in groepen) zijn de gevoeligste vogels en hebben een minimale verstoringsafstand van één kilometer. Het plangebied ligt op 1,15 kilometer van het Natura 2000-gebied en zal hierdoor geen negatief effect hebben als gevolg van verstoring door licht en geluid op de doelsoorten binnen het Natura 2000-gebied. Optische verstoring De beschrijving van optische verstoring is als volgt: “optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem.” (Natura 2000, z.d.). In het plangebied worden woningen gebouwd waardoor het landschapsbeeld gaat afwijken van het huidige landschapsbeeld. Hierdoor ontstaat optische verstoring.
Geen van de doelsoorten is gevoelig voor deze verstoringsfactor (Tabel 1) en het plangebied ligt op 1,15 km afstand van het N2000-gebied. Hierdoor kunnen negatieve effecten op basis van deze verstoringsfactor uitgesloten worden.
7.1.2
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske
Het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is een verzameling van veenvelden die samen een groot laagveencomplex vormen. Het gebied heeft een langdurige invloed van brakwater, die de laatste jaren steeds meer afneemt. Het Natura 2000-gebied heeft doelsoorten en beschermde
88 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
habitattypen. Zie bijlage II voor de tabellen van de doelsoorten en beschermde habitattypen. Voor het gebied zijn de volgende doelsoorten geformuleerd: • Vissen: bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad • Zoogdieren: noordse woelmuis, meervleermuis • Vogels: roerdomp, bruine kiekendief, kemphaan, watersnip, visdief, snor, rietzanger, grauwe gans, smient, krakeend, slobeend, meerkoet, grutto De vissen en zoogdieren van de doelsoorten vallen onder de habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt dat de populatie en de omvang van het leefgebied niet mag afnemen. Daarnaast mag de kwaliteit van het leefgebied niet verminderen. Door de habitatrichtlijnsoorten wordt het gebied als essentieel leefgebied gebruikt, terwijl het voor de vogels meerdere functies kan hebben; broedenplaats, foerageerplaats en slaap- en rustplaats (Tabel 2). Voor de meeste vogelsoorten mag de omvang en de kwaliteit van het leefgebied niet omlaag gaan. Voor de kemphaan en de watersnip moet de omvang en de kwaliteit van het leefgebied juist meer omhoog gaan. Veder heeft het gebied ook enkele beschermde habitattypen. Dat zijn de volgende: • Kranswierwateren • Vochtige heiden • Ruigten en zomen • Overgangs- en trilvenen • Hoogveenbossen
Voor de habitattypen Ruigten en Zomen en Hoogveenbossen is bepaald dat het oppervlakte gelijk moet blijven en dus niet naar beneden gebracht mag worden. Voor de andere drie habitattypen geldt dat het oppervlakte nog niet op het doelniveau zit en dus vergroot moet worden. De kwaliteit van alle habitattypen zit op het doelniveau en mag niet verslechten. Verstoringsgevoeligheid De gevoeligheid voor verstoringsfactoren varieert per soort (zie Tabel 2), en zal hieronder per factor nader worden toegelicht. Hierbij wordt een link gelegd met de verwachte verstorende factoren resulterend van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied.
X X X
X X X
Verstoring door mechanische effecten
Verstoring door trillingen
X X X
Optische verstoring
Verstoring door licht
Verdroging
Verontreinig
Verstoring door geluid
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Vermesting door N-depositie uit de lucht
Functie
Versnippering
Doelsoorten en habitattypen Kranswierwateren Vochtige heiden Ruigten en zomen
Oppervlakteverlies
T abel 24 | Overzicht van de effecten van de verstori ngsfactoren op d e doelsoort en en hab itatstypen uit d e Effect enind icato r van Natu ra 2000 (B=broedvog el, groen=n iet g evoel ig, o ranje=g evoel ig, rood=zeer g evoelig, grijs=onbek end, X=ni et va n to epassing ). Daarn aast i s de fun ctie van het g ebied ook weergeven b ij d e doelsoorten (L=leefgeb ied, B P=broedpla ats , SR=slaa p - en rustplaa ts, F=foerageerg ebied ). In formatie Natura 2000 (z.d.-a) .
89 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Overgangs- en trilvenen Hoogveenbossen Bittervoorn Kleine modderkruiper Meervleermuis Noordse woelmuis Rivierdonderpad Bruine kiekendief (B) Grauwe gans Grutto Kemphaan (B) Krakeend Meerkoet Rietzanger (B) Roerdomp (B) Slobeend Smient Snor (B) Visdief (B) Watersnip (B)
n.v.t. n.v.t. L L L L L BP F SR BP F F BP BP F SR, F BP BP BP
X X
X X
X X
X X X X
X X
Gebiedsgebonden verstoringsfactoren Gebiedsgebonden verstoringsfactoren zijn verstoringsfactoren die alleen optreden als werkzaamheden binnen het N2000-gebied worden uitgevoerd. Als de werkzaamheden buiten het N2000-gebied worden uitgevoerd kunnen negatieve effecten op deze verstoringsfactoren al snel uitgesloten worden. De volgende verstoringsfactoren worden beschouwd als gebiedsgebonden verstoringsfactoren: • • • • •
Oppervlakteverlies Versnippering Verontreiniging Verdroging Verstoring door mechanische effecten
De voorgenomen werkzaamheden vinden plaats binnen het plangebied en op minimaal 1,8 km van het N2000-gebied. Hierdoor zijn negatieve effect op basis van deze verstoringsfactoren uit te sluiten. Vermesting door N-depositie uit de lucht Van de beschermde habitattypen zijn de kranswierwateren, vochtige heiden en overgangs- en trilvenen zeer gevoelig en de ruigten en zomen en hoogveenbossen gevoelig voor vermesting. Zoals hierboven vermeld dient de kwaliteit van het leefgebied gelijk te blijven. De stikstofuitstoot in de huidige situatie van het plangebied is niet erg groot. Er staat weinig bebouwing in het gebied en er is weinig verkeer aanwezig. Bij de werkzaamheden worden verschillende machines gebruikt die voor stikstofuitstoot zorgen. In het plangebied worden veel woningen gebouwd. Hierdoor komt meer verkeer in het gebied. Dit zorgt ook voor veel stikstofuitstoot. Door middel van een AERIUS-berekening kan per fase in dit project de stikstofuitstoot berekend worden. Als de stikstofuitstoot in de nieuwe situatie hoger is dan de uitstoot van de huidige situatie, kan dit de natuurgebieden rond het plangebied verstoren. Van de doelsoorten zijn de bittervoorn en de kleine modderkruiper gevoelig voor vermesting. Verder zijn enkele vogelsoorten (bruine kiekendief, grutto, kemphaan, roerdomp, visdief en watersnip) zeer gevoelig voor deze verstoringsfactor.
De vermesting heeft betrekking tot de habitatten van de doelsoorten. Een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie is niet uit te sluiten.
90 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Verstoringsfactoren geluid, licht en trillingen De werkzaamheden die gaan plaatsvinden binnen het plangebied brengen verstoring met zich mee in de vorm van geluid, trillingen en licht. De gevoeligheid op de verstoringsfactoren verschilt per soort en zijn weergeven in tabel 2. De bittervoorn en de kleine modderkruiper zijn zeer gevoelig voor verstoring door geluid en trillingen. De meervleermuis is zeer gevoelig voor verstoring door licht. De meervleermuis heeft een actieradius van 20 kilometer en kan het plangebied bereiken. Uit het SMP van gebouwbewonende soorten is gebleken dat de meervleermuis vier kraamkolonies in Purmerend heeft en daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes vastgesteld (zie paragraaf 2.4). Er zijn geen directe waterverbindingen van het Natura 2000-gebied naar het plangebied. Echter hebben de vissoorten wel de mogelijkheid om naar het plangebied te komen. Negatieve effecten van de werkzaamheden op de meervleermuis en de vissoorten zijn niet uit te sluiten en hier zullen maatregelen voor getroffen moeten worden als deze soorten ook in het gebied worden aangetroffen. Voor de Noordse woelmuis is geen mogelijkheid om zich naar het gebied te verplaatsen. Tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied zitten enkele grote wegen die de toegang verhinderen.
Op deze specifieke populatie is dus geen negatief effect te verwachten als gevolg van de werkzaamheden. Het gebied biedt wel geschikt biotoop voor de soort, dus de aanwezigheid van de soort is niet compleet uit te sluiten. De werkzaamheden kunnen dus wel een negatief effect hebben op de locatie populatie binnen het plangebied (als die gevonden wordt). De vogels van het Natura 2000-gebied zijn voornamelijk gevoelig voor verontreiniging en verstoring door licht. Voor de vogels in het Natura 2000-gebied wordt gekeken naar de verstoringsafstand van de gevoeligste vogels. Voor ongeveer de helft van de vogelsoorten is 500 meter de minimale verstoringsafstand. Het plangebied ligt meer dan 500 meter van het Natura 2000-gebied, hierdoor is verstoring door geluid, licht of trillingen op de vogelsoorten binnen het Natura 2000-gebied uit te sluiten. Optische verstoring De beschrijving van optische verstoring is als volgt: “optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem.” (Natura 2000, z.d.). In het plangebied worden woningen gebouwd waardoor het landschapsbeeld gaat afwijken van het huidige landschapsbeeld. Hierdoor ontstaat optische verstoring. Alle habitattypen zijn gevoelig voor deze verstoring.
Van de doelsoorten zijn de roerdomp en de visdief zeer gevoelig voor deze verstoringsfactor en de rivierdonderpad is gevoelig. De rest van de doelsoorten zijn niet gevoelig voor optische verstoring. Het plangebied ligt op 1,8 km afstand. Hierdoor kunnen negatieve effecten op basis van deze verstoringsfactor uitgesloten worden.
7.2 NNN-gebieden Binnen en omliggend van het plangebied zijn verschillende Natuurnetwerk Nederland (NNN) te vinden (Figuur 4). Dit netwerk is in Nederland aangelegd om natuurgebieden en agrarische gebieden beter met elkaar te verbinden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het behoud en de ontwikkeling van de NNNgebieden. Het directe plangebied bevat een NNN-gebied bekend als het Purmerbos. Overige NNN-gebieden liggen ongeveer op en/of buiten een straal van ongeveer 2.5 kilometer van het plangebied. Gezien deze afstand zijn enkel gevolgen te verwachten op het NNN-gebied ‘Het Purmerbos’. Het voornaamste deel van dit NNN-gebied bestaat uit bos. Binnen de huidige gebiedsvisie blijft dit bosgebied behouden, en hier en daar zelfs aangevuld met bosgebied. Bovendien wordt er met de ontwikkeling gestreefd naar een verbeterde connectiviteit naar overige gebieden. Op deze manier is er geen sprake van versnippering en/of oppervlakte verlies van de nabij gelegen NNN-gebieden. Niettemin, is op basis van de
91 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
aard en omvang de werkzaamheden wel degelijk een verstoring op basis van (1) N-depositie en (2) geluid, trilling en/of licht te verwachten. Tevens kan op basis van de resulterende drukte in de omgeving het gebied permanent meer verstoring in de vorm van recreatie en/of geluid ervaren.
Fi guu r 32 | NNN -gebieden in en rond h et plan gebi ed. Da arna ast zijn weid evog elgeb ieden ro nd het pl angeb ied weerg even.
7.2 Overige natuur Naast NNN-gebieden, liggen ook weidevogelgebieden (Figuur 4) en ganzenfoerageergebieden (Figuur 5) rondom het plangebied. Wat betreft weidevogelgebieden worden deze provinciaal beschermd van ruimtelijk verordeningen en zijn van belang bij bescherming van leefgebieden van weidevogels. Wat betreft ganzenfoerageergebieden is er geen wettelijke status aan gekoppeld; deze worden middels een gesubsidieerd beheerpakket beheerd door de grondeigenaar. Deze gebieden zijn van belang voor overwinterende en broedende ganzen. Vanwege de afstand tot deze gebieden is geen verstoring te verwachten op basis van geluid, licht en andere verstoringsfactoren.
92 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 33 | Ganzenfoerageerg ebied en g eleg en rond het pla n gebied.
Samenvattend Na analyse van de effecten op de gevoeligheid van soorten voor verwachte verstoringsfactoren in (beschermde) gebieden, blijkt dat de verwachte verstoring beperkt blijft tot slechts enkele factoren. Samenvattend zijn de volgende bevindingen gedaan: •
•
•
•
N2000-gebieden ‘Polder Zeevang’ en ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’ worden potentieel negatieve beïnvloed middels een verhoogde N-depositie resulterend uit de ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied. Een Aerius-berekening dient te worden gebruikt om de effecten van stikstofdepositie op deze natuurgebieden te beoordelen. Afhankelijk van deze berekening kunnen vervolgstappen worden bepaald. Het NNN-gebied 'het Purmerbos' bevindt zich dicht het plangebied en valt daarbij binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Hierdoor kan het eventuele verstoringen zoals geluid, trillingen en licht opvangen. Om deze effecten te verminderen, kunnen mitigatiemaatregelen worden opgenomen in één of meerdere ecologische werkprotocollen, die nog verder moeten worden gespecificeerd. Het NNN-gebied 'het Purmerbos' ondervindt in de toekomstige gebiedsvisie een potentiële toename in recreatie en/of omgevingsgeluid. Mitigerende vervolgstappen hiervoor dienen nader te worden bepaald. Omliggende weidevogel gebieden, én verder gelegen ganzenfoerageergebieden liggen gezien de afstand buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Hiervoor zijn mitigerende vervolgstappen niet noodzakelijk.
93 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
8. Effect beoordeling: Bevonden soorten Naar aanleiding van zowel de (tijdelijke) ontwikkelingswerkzaamheden als de permanente visie voor het gebied, is het tevens van belang om de potentiële effecten op aanwezig bevonden soorten te analyseren. Op basis van deze analyse kunnen vervolgstappen worden aanbevolen om deze effecten te mitigeren, voorkomen of zo veel mogelijk tot een minimum te beperken.
7.1
Ecologische effecten
Bij de effect beoordeling van de bevonden soorten is uitgegaan van de een aantal veronderstelde zwaarwegende ecologische effecten. Zo is verondersteld dat de soorten binnen het plangebied middels de volgende zaken kunnen worden beïnvloed: •
•
Tijdelijke en/of permanente wijzigingen het biotoop: De voorgestelde plannen omvatten een algehele herinrichting van het gebied. In eerste instantie verdwijnt bij zaken zoals het bouwrijp maken en het droogleggen van de watergangen bevonden gebruikte biotopen. Op deze wijze ervaren soorten een tijdelijke vermindering van biotoop. Daarnaast zal het plangebied een permanente gebiedsverandering ondergaan, welke tevens gepaard gaat met veranderingen in de aanwezig biotopen. Hoewel er wordt getracht biodiversiteit te promoten en biotopen (waar mogelijk) te verbeteren, zal het gebied grotendeels een verandering ondergaan van een volledig groen gebied (weliswaar intensief beheerd) naar een meer stedelijk biotoop. Verstoring: Het intensiveren van wonen en recreatief gebruik in het gebied zal leiden tot aanzienlijke verstoring in en rondom het plangebied. Zo zullen verstoringsgevoelige soorten (b.v. grond broedende vogels) potentieel moeite krijgen met het vinden van geschikte ontwikkelingskansen. Bovendien zal de bouw van woningen in en langs het plangebied resulteren in een toename van indirecte verstoring door de verhoogde uitstraling van licht en geluid vanuit de woningen en verkeer op de ontsluitingswegen.
7.2 Soorten evaluatie In dit hoofdstuk worden de waargenomen soorten besproken. Dit zijn enkel de soorten die zwaar beschermd zijn, op de rode lijst staan of waar het plangebied een grote ecologische bijdrage vervult. Deze soorten worden per soortgroep behandeld. In tabel 21 wordt een overzicht gegeven van de soort(groep)en die besproken worden.
8.1 Vleermuizen Bij de vleermuizen worden alle waargenomen vleermuizen beschreven. Eerst worden de gebouwbewonende vleermuis behandeld (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). Daarna worden de boombewonende vleermuizen behandeld (rosse vleermuis en watervleermuis). Gewone dwergvleermuis Functie plangebied
Mitigatie plan
Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt worden. Het plangebied dient als foerageer- en vliegroute gebruik wordt, er zijn geen verblijfplaatsen als kraam, paar, winter- of zomerverblijven aangetroffen Tijdens de werkzaamheden dient gefaseerd gewerkt te worden om de negatieve effecten op deze soort te verkleinen. •
Indien er noodzaak is tot het verwijderen van verblijven dan:
94 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
o Verblijfplaatsen ongeschikt maken onder begeleiding van een ecologisch deskundige; o Indien mogelijk het verwijderen zoveel mogelijk uitvoeren buiten de kwetsbare periodes van de soort (mei-september en november-maart); o Altijd 50% van het aantal verblijven ontzien, totdat nieuwe verblijven gerealiseerd zijn. • Behoud primaire en secundaire vliegroutes. o Primaire en secundaire vliegroutes mogen niet verstoord worden; o Indien primaire en secundaire vliegroutes niet behouden kunnen worden dient in overleg met een ecologische deskundige besloten te worden waar, hoe en wanneer de nieuwe route aangelegd wordt; o Nieuwe routes zijn van gelijke of betere kwaliteit. • Bij afnamen van leefgebied 1:1 compenseren. o Tijdens de realisatie van de compensatie, altijd 50% van het leefgebied ontzien; o Wanneer het nieuwe leefgebied gerealiseerd is, kunnen de werkzaamheden in de rest van het leefgebied uitgevoerd worden.
Kansen De voorgenomen ontwikkeling zal voor de gewone dwergvleermuis veel nieuwe biotopen en verblijfplaatsen kunnen bieden. Door de afwisseling van bebouwing, groenstructuren en waterlopen wordt het gebied divers en kan hierdoor meerdere functies bieden voor deze soort. Bij de nieuwe ontwikkelingen worden de volgende zaken geadviseerd: • Verblijfplaatsen: Het creëren van verblijfplaatsen kan op twee manieren. Door natuurinclusief bouwen, waardoor de woningen zelf geschikt worden voor de vleermuizen, of door het plaatsen van vleermuiskasten. o Door de woningen natuurinclusief te bouwen kunnen verblijfplaatsen gecreëerd worden voor de soort. Het beste is om hierbij een open spouw aan te kunnen bieden, waartoe de soort toegang heeft via het dak of open stootvoegen. Verder kunnen ruimtes onder het dak en onder boeidelen ook geschikte verblijfplaatsen bieden. o In de omgeving vleermuiskasten plaatsen. Door in de omgeving vleermuiskasten te plaatsen worden extra verblijfplaatsen gecreëerd. Door zowel vleermuiskasten aan woningen te plaatsen, in te bouwen bij woningen en aan bomen te plaatsen worden verblijfplaatsen aangeboden met verschillende klimatologische omstandigheden voor de soort. • Verlichting: Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Door het plan voor de straatverlichting aan te passen kan deze belemmering verminderd worden.
Hierbij kan gebruik gemaakt worden van vleermuisvriendelijke verlichting, delen van de woonwijk minder verlichten (bijvoorbeeld parken en waterlopen) • Groenstructuren: Het aanleggen van groenstructuren kan de soort bevorderen. Vooral de aanleg van lijnvormige groenstructuren heeft een positieve bijdrage voor de aanwezige vlieg- en migratieroutes in en bij het plangebied. o Als deze groenstructuren insectvriendelijk beheerd worden, heeft dit ook een positieve bijdrage op de foerageergebieden.
95 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Ruige dwergvleermuis Functie plangebied
Mitigatie plan
Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Hierdoor wordt verwacht dat het plangebied als foerageer- en vliegroute gebruik wordt. De ruige dwergvleermuis is deels ook een boombewonende soort. Hierdoor wordt verwacht dat de soort ook verblijfplaatsen in de holtes van oudere bomen heeft. Tijdens de werkzaamheden dient gefaseerd gewerkt te worden om de negatieve effecten op deze soort te verkleinen. • Indien er noodzaak is tot het verwijderen van verblijven dan: o Verblijfplaatsen ongeschikt maken onder begeleiding van een ecologisch deskundige; o Indien mogelijk het verwijderen zoveel mogelijk uitvoeren buiten de kwetsbare periodes van de soort (mei-september en november-maart); o Altijd 50% van het aantal verblijven ontzien, totdat nieuwe verblijven gerealiseerd zijn. • Behoud primaire en secundaire vliegroutes. o Primaire en secundaire vliegroutes mogen niet verstoord worden; o Indien primaire en secundaire vliegroutes niet behouden kunnen worden dient in overleg met een ecologische deskundige besloten te worden waar, hoe en wanneer de nieuwe route aangelegd wordt; o Nieuwe routes zijn van gelijke of betere kwaliteit. • Bij afnamen van leefgebied 1:1 compenseren.
o Tijdens de realisatie van de compensatie, altijd 50% van het leefgebied ontzien; o Wanneer het nieuwe leefgebied gerealiseerd is, kunnen de werkzaamheden in de rest van het leefgebied uitgevoerd worden.
Kansen De voorgenomen ontwikkeling zal voor de ruige dwergvleermuis veel nieuwe biotopen en verblijfplaatsen kunnen bieden. Door de afwisseling van bebouwing, groenstructuren en waterlopen wordt het gebied divers en kan hierdoor meerdere functies bieden voor deze soort. Bij de nieuwe ontwikkelingen worden de volgende zaken geadviseerd: •
•
•
Verblijfplaatsen: Het creëren van verblijfplaatsen kan op twee manieren. Door natuurinclusief bouwen, waardoor de woningen zelf geschikt worden voor de vleermuizen, of door het plaatsen van vleermuiskasten. o Door de woningen natuurinclusief te bouwen kunnen verblijfplaatsen gecreëerd worden voor de soort. Het beste is om hierbij een open spouw aan te kunnen bieden, waartoe de soort toegang heeft via het dak of open stootvoegen. Verder kunnen ruimtes onder het dak en onder boeidelen ook geschikte verblijfplaatsen bieden. o In de omgeving vleermuiskasten plaatsen. Door in de omgeving vleermuiskasten te plaatsen worden extra verblijfplaatsen gecreëerd. Door zowel vleermuiskasten aan woningen te plaatsen, in te bouwen bij woningen en aan bomen te plaatsen worden verblijfplaatsen aangeboden met verschillende klimatologische omstandigheden voor de soort. Verlichting: Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Door het plan voor de straatverlichting aan te passen kan deze belemmering verminderd worden. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van vleermuisvriendelijke verlichting, delen van de woonwijk minder verlichten (bijvoorbeeld parken en waterlopen) Groenstructuren: Het aanleggen van groenstructuren kan de soort bevorderen. Vooral de aanleg van lijnvormige groenstructuren heeft een positieve bijdrage voor de aanwezige vlieg- en migratieroutes in en bij het plangebied.