20240329-bijlage-beantwoording-f-j-f-schaaij-conceptvisie-oostflank-groen-smp-oostflank-let-op-informatief-concept-ter-beoordeling-en-bespreking
Tekst van het document
Het voortplantingsseizoen gaat van start in april en loopt door tot oktober. Vrouwtjes hebben een draagtijd van 21 dagen en krijgen drie tot vier worpen. Per worp worden drie tot zeven jongen geboren. De noordse woelmuis wordt niet ouder dan 18 maanden. Landelijke trend
Functie plangebied Mitigatie plan
Bijzonderheid:
8.3.7
Door het verdwijnen van drassig gras- en rietland en sterke concurrentie van andere muizensoorten, is de noordse woelmuis populatie in grote aantallen achteruit gegaan. De soort is in Nederland sterk versnipperd en is verspreid over vijf gebieden: Texel, Laagveengebieden in Noord-Holland (boven het Noordzeekanaal), Zuid-Hollandse en Zeeuwse delta, Friese merengebied, Hollandse en Utrechtse laagveengebied. Noordse woelmuizen kunnen gevoelig zijn voor veranderingen in hun leefgebied. Lokale omstandigheden kunnen de trend beïnvloeden, en aandacht voor behoud blijft belangrijk. Het plangebied biedt voldoende dekking en voedselbronnen voor Noordse woelmuizen. Realisatie van behoud en verbreding van het leefgebied bij voorkeur direct na aanvang van voorgenomen ontwikkelingen. Aantasting van leefgebied moet buiten de paringstijd plaatsvinden • De soort staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ • De soort is zwaarbeschermd onder de habitat richtlijn • De landelijk staat van instandhouding van de noordse woelmuis is ongunstig.
Waterspitsmuis
De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is een donker muisje en de grootste spitsmuis van Europa. De soort leeft solitair. Hij jaagt zowel overdag als ’s nachts en zowel op land als in het water. Ze nemen rustpauzes van een uur waarna ze tussen enkele minuten en twee uur actief op pad zijn. De waterspitsmuisjes hebben een speciale vacht. Bij het duiken wordt lucht tussen de haren opgeslagen. Hierdoor is hun vacht waterdicht. Het voedsel bestaat voornamelijk uit insecten, kreeftachtigen, waterslakken, larven, wormen en soms ook kleine vissen en amfibieën. Waterspitsmuizen hebben een stofje in hun speeksel waarmee ze prooien kunnen verlammen. Hierdoor zijn prooien makkelijker te doden. Het habitat van de waterspitsmuis is lang schoon, niet voedselrijk water. Dit kan snelstromend of stilstaand water zijn. De waterspitsmuis bevindt zich op de grond altijd tussen vegetatie en is altijd binnen een straal van 500 meter van water vandaan. Het leefgebied grenst evenwijdig aan het waterstuk en in veengebieden met veel kleine slootjes bedraagt het territorium tussen de 250 bij 0,75 meter. Verder moet een goed ontwikkelde watervegetatie aanwezig zijn en begroeide oevers met voldoende schuilplaatsen. De begroeide oevers met schuilplaatsen heeft deze soort nodig om zijn prooien in op te eten. De soort komt vooral in waterrijke gebieden voor, zoals sloten, moerassen, beek- en rivierdalen,
40 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
kwelgebieden, binnenduinranden, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis zet zijn nest in beschutte- of verborgen plekken en maakt dit van wortels, gras, bast en mos. De soort kan ook gebruik maken van eerder gebruikte holen van andere soorten muizen en ratten. Tussen april en september vindt het voortplantingsseizoen plaats van de soort. Na 20 tot 24 dagen worden de jongen geboren en hierna worden ze gezoogd voor 40 dagen. Het vrouwtje heeft gemiddeld twee tot drie worpen per jaar. De waterspitsmuis wordt in het wild maximaal 19 maanden oud. Landelijke trend
Functie plangebied
Mitigatie plan
Bijzonderheid:
De verspreiding in Nederland is erg versnipperd. De soort komt het meest voor in de provincies Friesland en Overijssel. In Zuid- en Oost-Nederland komt de soort voornamelijk langs de beek- en rivierdalen voor van de zand- en lössgebieden. In lage delen van Nederland komt de soort voornamelijk voor bij kwelgebieden. De waterspitsmuis komt alleen voor op Texel en niet op de andere Waddeneilanden alleen. Waterspitsmuizen kunnen gevoelig zijn voor veranderingen in hun leefgebied. Lokale omstandigheden kunnen de trend beïnvloeden, en aandacht voor behoud blijft belangrijk Het plangebied bied geschikte waterlichamen en oevervegetatie voor waterspitsmuizen. Het behoud van variatie in vegetatie en minimale verstoring zijn cruciaal. Minimaliseren van verstoring door natuurlijke elementen te behouden. Realisatie van behoud en verbreding van het leefgebied bij voorkeur direct na aanvang van voorgenomen ontwikkelingen. Aantasting van leefgebied moet buiten het voortplantingsseizoen plaatsvinden. • • •
Staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ De soort is zwaar beschermd De landelijk staat van instandhouding is ongunstig.
3.4 Amfibieën en reptielen Bij de inventarisatie naar de amfibie- en reptielsoorten zijn twee soorten waargenomen. In deze paragraaf worden de beiden soorten behandeld. Eerst wordt de amfibiesoort besproken: rugstreeppad. Vervolgens wordt de reptielsoort besproken: ringslang. 8.4.1 Rugstreeppad De rugstreeppad (Bufo calamita) is alleen tijdens de schemering en ’s nachts actief. Overdag rusten ze in holtes langs water. De rugstreeppad eet vliegen en andere insecten zoals mieren en spinnen. De larven van de pad voeden zich met organisch materiaal en algen. Rugstreeppadden geven de voorkeur aan vochtige habitats zoals duinvalleien, poelen en andere waterrijke gebieden. Belangrijke kenmerken van het habitat zijn de aanwezigheid van geschikte voortplantingswateren en overgangszones tussen water en land. De rugstreeppad bevindt zich vooral in gebieden met een hoge dynamiek. Deze dynamiek kan natuurlijk zijn of door de mens veroorzaakt. Zo verblijven ze op braakliggende bouwterreinen, in groeven van zand- of kleiuitgravingen en in uiterwaarden. Als habitat is een terrein met lage vegetatie en weinig schaduw geliefd. De soort heeft een voorkeur voor losse zanderige bodems met ondiep (tijdelijk) water. Ondiepe zoet- en brakwater plassen, zoals regenplassen, slootjes en vennen bieden goed voorplantingswater voor de soort, doordat deze snel op kunnen warmen.
Het is wel een vereiste dat het water niet zuurder is dan pH 5. De soort kruipt half april uit zijn overwinteringsplaats in de bodem en gaat dan naar de voortplantingswateren toe. Het paringsseizoen is sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Meestal wordt de start van het seizoen ingeluid door een tijd van warm en vochtig weer. De rugstreeppadden kunnen meerdere keren eitjes leggen in het water. Dit kan voorkomen als een tweede periode van vochtig en warm weer plaatsvindt. De eisnoer bezit tussen de 2000 en 4000 eitjes. Landelijke trend
De rugstreeppad is verspreid over heel Nederland. De grootste dichtheid wordt in de natuurlijke wateren van de duinen, uitwaarden (rivierengebied) en polders gevonden. De soort heeft veel last van versnippering en hierdoor zijn ze op lokaal niveau algemeen
41 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Functie plangebied
Effect werkzaamheden
Bijzonderheid:
aanwezig. Landelijk gezien laat de rugstreeppad een wisselende trend zien, afhankelijk van de beschikbaarheid en kwaliteit van geschikte habitats. Aandacht voor behoud blijft belangrijk gezien de gevoeligheid voor habitatveranderingen. Historische gegevens geven aan dat de referentiedichtheid van rugstreeppadden in vergelijkbare gebieden X per vierkante meter bedraagt. Momenteel wordt geschat dat de populatiedichtheid van rugstreeppadden in het betreffende gebied Y per vierkante meter is. Populatiedichtheid kan afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van geschikte voortplantingswateren Het plangebied fungeert als voortplantingsgebied voor rugstreeppadden, met geschikte waterlichamen voor de ontwikkeling van kikkervisjes. De aanwezigheid van de rugstreeppad in het plangebied duidt op een ecologisch gezonde omgeving met voldoende biodiversiteit. Een kleine ingreep kan echter ook een groot aantal exemplaren treffen, bijvoorbeeld wanneer een grotere populatie vernietigd wordt; in dat geval kan het effect op de gunstige staat van instandhouding groot zijn. • •
Staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘gevoelig’ De soort is zwaar beschermd
8.4.2 Ringslang De ringslang (Natrix natrix) is een niet-giftige slang die voornamelijk in waterrijke habitats te vinden is. Ringslangen geven de voorkeur aan gebieden met overvloedig water, zoals moerassen, vijvers, sloten, meren, en langzaam stromende beekjes. Deze omgevingen bieden niet alleen voedselbronnen, zoals vissen en amfibieën, maar ook geschikte plaatsen voor voortplanting en rust. Overgangszones tussen water en land zijn cruciaal voor ringslangen. Deze zones bieden de mogelijkheid om te zonnen, te rusten en gemakkelijk tussen hun land- en waterhabitats te bewegen. Ringslangen gedijen goed in gebieden met veel zonlicht. Zonnige oevers langs waterlichamen bieden warme plekken waar ze zich kunnen opwarmen. Dit is essentieel is voor hun lichaamsfuncties, met name voor de spijsvertering. De slang zoekt naar gebieden met voldoende vegetatie langs de waterkant. Rietkragen, graslanden en overhangende vegetatie bieden niet alleen dekking voor de slang maar ook geschikte plekken voor het leggen van eieren. Ze hebben rustige wateren met ondiepe zones en rijke vegetatie nodig voor het leggen van eieren. De eieren kunnen warm blijven en de jonge slangen krijgen dan een goede kans om te overleven. De ringslang is te vinden in gebieden met weinig verstedelijking waar minimale verstoring plaatsvindt door menselijke activiteit.
De natuurlijke gedrag en cycli worden hierdoor minder verstoord. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
De landelijke trend van de ringslang wordt regelmatig gemonitord. Op basis van recente gegevens kan worden geconcludeerd dat de populatie over het algemeen stabiel is, hoewel lokale variaties en bedreigingen voortdurend worden geëvalueerd. De soort komt voornamelijk voor in Noord-Holland, Utrecht, Overijssel, Gelderland, Drenthe en Friesland. Het plangebied vervult een cruciale rol als habitat voor de ringslang. Het biedt de noodzakelijke elementen zoals waterrijke omgevingen, geschikte vegetatie, en overgangszones tussen water en land die essentieel zijn voor de voortplanting, rust en voeding van de ringslang. • Staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ • De soort is zwaar beschermd • De landelijk staat van instandhouding is ongunstig.
3.5 Vissen Bij de inventarisatie naar de vissoorten zijn drie soorten waargenomen. De gevonden soorten worden in deze paragraaf behandeld. Eerst wordt de bittervoorn behandeld. Vervolgens worden de modderkruipers behandelt: grote modderkruiper en kleine modderkruiper. 42 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
8.5.1 Bittervoorn De bittervoorn (Rhodeus amarus) is een klein visje die tot de karperachtige behoort. De vis heeft zilveren flanken met en blauwgroene lengtestreep in de richting van de staartwortel. Ze leven vaak in kleine scholen in stilstaand of langzaam stromend water, zoals vijvers, meren, rivieren en beken. In de winter kunnen ze in grote scholen voorkomen op beschutte plaatsen. Bittervoorns geven de voorkeur aan wateren met gematigde dieptes, helder water en rijke oevervegetatie. De oevervegetatie dient als voedselbron, schuil- en voortplantingsplaats. De gematigde dieptes zorgen voor een mogelijkheid om zowel in de oppervlaktes als op de bodem naar voedsel te zoeken, wat bijdraagt aan een veelzijdige voedingspatroon. De bittervoorn eet plantaardig- en klein dierlijk voedsel. De paaitijd loopt van april tot september, waarbij meerdere keren per jaar gepaaid wordt. De bittervoorn vertoont soms seizoensgebonden migratiegedrag. De vis trekt dan naar ondiepere wateren. Het mannetje krijgt een paarse gloed en wordt rood op de borst. Het vrouwtje ontwikkeld een legbuis, waarmee ze de eitjes kan plaatsen. Bittervoorns gaan een symbiose aan met grote zwanen- of schildersmossels. De eitjes worden door het vrouwtje in de kieuwholte van een levende mossel geplaatst, waarna het mannetje de eitjes bevrucht.
De eieren komen na vijf tot zeven dagen uit, maar de bittervoorn larven verlaten de mossels pas na twee á drie weken. Dit biedt bescherming en geeft ze de ruimte om de dooierzak te verteren. De mossel profiteert ook van de symbiose met de bittervoorn. Als de bittervoorn langs de oester komt, worden mossellarven geloosd in het water. Deze vestigen zich aan de kieuwholte van de bittervoorn, waarna ze een maand als parasieten leven en zich vervolgens ontwikkelen tot juveniele mossels. Deze zoetwatermossels verspreiden zich ook via de bittervoorn. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
In grote delen van Nederland is de bittervoorn een vrij algemene soort en komt hij voor in de uiterwaardwateren van het rivierengebied, brede vaarten en sloten in poldergebieden, plassen en de benedenloop van riviertjes en beken Het plangebied speelt een cruciale rol als habitat voor de bittervoorn. Het biedt de essentiële elementen, zoals helder water, geschikte watervegetatie en rustige oeverzones, die van vitaal belang zijn voor de voortplanting, voeding en algemene levenscyclus van de bittervoorn. • Staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ • De soort is zwaar beschermd
8.5.2 Grote modderkruiper De grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) is een zoetwatervis en behoort tot de familie van de modderkruipers. De vis is langwerpig en heeft een zijdelings afgeplatte staart. Om zijn bek heen bevinden zich tien bekdraden. De bekdraden helpen met het opsporen van kleine ongewervelde prooien zoals kreeftjes, wormen, muggenlarven en waterpissebedden. In de nacht zoeken ze naar eten en overdag verschuilen ze zich onder de vegetatie. De rug kleurt donkerbruin tot roodbruin en op de rest van zijn lichaam zijn opvolgende strepen van lichtgeel tot oranje die zich weer afwisselen met een donkerbruine tot rode kleur in lengterichting. Over het gehele lichaam zijn zwarte vlekjes zichtbaar. De buik is licht geelbruin en kleurt oranjerood in de paaitijd. De paaitijd loopt van april tot juli en vindt dicht langs de oever in de warmere delen van het water plaats. In deze periode bevinden ze zich in holten en beschutte plekken van overhangende begroeiing. Na acht tot negen dagen komen de eitjes uit en na twee jaar zijn ze geslachtsrijp. De grote modderkruiper heeft voorkeur voor moeras- en verlandingsgebieden. Dit zijn plantenrijke gebieden in ondiepe wateren met een dikke modderlaag. Vaak zijn dit plekken met een lage zuurstofgehalte en door het inslikken van lucht kan deze vis dit overleven.
Hij kan ook enige tijd overleven in drooggevallen wateren door zijn gespecialiseerde huid- en darmademhaling. Daarnaast graaft hij zichzelf ook in de modder, wat samen met een dikke slijmlaag ook bescherming biedt tegen uitdroging. Landelijke trend
De grote modderkruiper was een algemene soort in heel Nederland, maar door de intensivering van de landbouw is het habitatstype van de grote modderkruiper sterk afgenomen in Nederland na 1950. De enorme veranderingen in het watersysteem, zoals
43 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Functie plangebied Bijzonderheid:
het actief verwijderen van waterplanten en een tegennatuurlijk peilbeheer, hebben grote gevolgen gehad voor de laagdynamische overstromingsvlakten. De zogeheten verlandingshabitat krijgt door dit beheer geen kans om te ontstaan. Tegenwoordig is de soort te vinden in de sloten van ingepolderde overstromingsvlakten en is het plaatselijk algemeen in West-Brabant, de laagveengebieden van Noord-Overijssel en in boezemwateren van het rivierengebied. De grootste populatie komt voor in het natuurreservaat Zouweboezem in Ameide. De soort komt ook sporadisch voor in beken van Limburg, Overijssel en Drenthe. In Zeeland komt de vissoort niet voor. Leef- en voortplantingsgebied Staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ De soort is zwaar beschermd De landelijk staat van instandhouding is ongunstig.
8.5.3 Kleine modderkruiper De kleine modderkruiper (Cobitis taenia) is een zoetwatervis en behoort tot de familie van de modderkruipers. De vis is langwerpig en geel tot lichtgrijs van kleur en heeft een zijdelings afgeplatte staart. Op het lichaam is een regelmatig patroon van donkere vlekken zichtbaar. Om zijn bek heen bevinden zich zes korte bekdraden en onder het oog heeft de vis een kleine uitklapbare stekel. De ideale habitat voor de soort ligt in stilstaand tot langzaam stromend water met een rijke plantenbegroeiing. Het water dient ondiep te zijn en de bodem zandig of bedekt met een sliblaag. Dit resulteert zich in gebieden als sloten, vaarten, kanalen en meren. Net zoals de grote modderkruiper, kan de kleine modderkruiper ook goed overleven in zuurstofarme situaties. Dit mechanisme werkt hetzelfde bij beiden soorten. In de nacht hapt de vis door het bodemsubstraat en filtreert hij de eetbare deeltjes, zoals zoöplankton, kleine macrofauna, algen en dood organisch materiaal. Overdag verschuilen ze zich tussen de planten of zijn ze ingegraven in de bodem en steekt alleen de kop uit. De paaitijd van de kleine modderkruiper loopt van april tot juli. De eitjes worden bij voorkeur gelegd bij dichte vegetatie en als dit niet aanwezig is worden ze neergelegd tussen stenen, takken of boomwortels.
In tegenstelling tot de grote modderkruiper wordt de kleine modderkruiper vaak vergezeld door relatief hoge aantallen van andere vissoorten, zoals bittervoorn. Landelijke trend Functie plangebied Bijzonderheid:
Negatief Leef- en voortplantingsgebied • • •
Staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ De soort is zwaar beschermd De landelijk staat van instandhouding is ongunstig.
3.6 Dagvlinders en libellen Bij de inventarisatie naar de dagvlinder- en libelsoorten zijn twee soorten waargenomen. In deze paragraaf worden beiden soorten behandeld. Eerst wordt de vlindersoort behandelt: bruin blauwtjes. Vervolgens wordt de libelsoort behandelt: groene glazenmaker. * 8.6.1 Bruin blauwtje Het bruin blauwtje (Aricia agestis) is een vlindersoort die aan de bovenkant bruin van kleur is. Aan de rand van de vleugels zit een opvallende witte lijn. Naast de witte lijn zijn oranje stippen aanwezig. De onderkant van de vleugels zijn bij mannetjes lichtbruin met een blauwe bestuiving. De vrouwtjes zijn aan de onderkant van de vleugels lichtbruin, maar hebben geen blauwe bestuiving. De soort begint zijn levenscyclus als eitje en groeit uit tot een rups. De gebeurt in de periode tussen begin juni en half juli of tussen de periode half augustus tot en met eind april. In het tweede geval zal de rups overwinteren in een strooisellaag als
44 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
halfvolgroeide rups. Het voedsel van de jonge rups bestaat uit de onderzijde van het bladweefsel. De wat oudere rupsen eten het volledige blad en soms ook de bloemen. De rupsen verpoppen in de strooisellaag vlakbij de waardplant en in Nederland is dit de ooievaarsbek. De vlinder heeft twee verschillende momenten waarop de vliegtijd start, dit is tussen begin mei en eind juni en de tweede periode is tussen begin juli tot begin oktober. Overdag zoekt het bruin blauwtje naar de nectar van kruiden, waaronder ook de boerenwormkruid en gewoon duizendblad, echter is de jacobskruiskruid de favoriet van het bruin blauwtje. In de avond hangt de vlinder in groepjes ondersteboven in de vegetatie. Na het paren zijn de eitjes ongeveer binnen twee dagen rijp en gaan de vrouwtjes de eitjes afzetten. De vrouwtjes vliegen laag boven de vegetatie op zoek naar plekken met zonnige laagte, beschutte of kale open grond waar planten groeien die over dikke, vlezige bladeren beschikken. Het eitje wordt geplaatst aan de onderzijde van het blad. De habitatsvoorkeuren van het bruin blauwtje zijn droge, zandige, kalkgraslanden en kruidenrijke, schrale graslanden, die afwisselend begroeid en open zijn. Dit vertaald zich in de duinen, wegbermen, op dijken, rivierduintjes en weilanden. Landelijke trend
Functie plangebied Bijzonderheid:
Het bruin blauwtje is een vlindersoort die in schaarse aantallen verspreid is over heel Nederland. De vlinder komt voornamelijk voor in de duinen, echter zijn hier de aantallen flink gedaald ten opzichte van dertig jaar geleden. In Noord-Holland komen ze het minste voor. Volgens de Vlinderstichting zijn de aantallen flink afgenomen tussen 1995 en 2012. De soort neemt sindsdien in aantallen toe. Leef- en voortplantingsgebied (waardplanten) •
Staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘gevoelig’
8.6.2 Groene glazenmaker De groene glazenmaker (Aeshna viridis) is een libelsoort. De vrouwelijke groene glazenmaker is geheel groen met zwarte lijnen die een mozaïektekening maken. De mannelijke groene glazenmaker heeft een groene voorkant en zwarte lijnen bij de mozaïektekening op het achterlijf, waarbij de ogen en vlekken blauw ingekleurd zijn. Zowel het mannetje als vrouwtje hebben gele getinte vleugels. De waardplant van een groene glazenmaker is de krabbenscheer. De soort begint zijn levenscyclus als eitje in de waardplant. Als het eitje heeft overwinterd, groeit het uit tot een larf. De larf van een groene glazenmaker overwinterd ook één jaar (soms twee). In de periode tussen eind juni en eind augustus komen de volgroeide libellen uit de larvehuid. Dit proces wordt ook wel uitsluipen genoemd. De meeste zullen op de eerste helft van augustus uitsluipen op de waardplant. De libelsoort legt zijn eitjes in krabbenscheerplanten op plekken die net onderwater staan. De groene glazenmaker komt in Nederland alleen voor op plekken waar krabbenscheervelden zijn waargenomen. Krabbenscheervelden komen vooral in plassen en meren van laagveenmoerassen, in sloten in het weideveengebied en in dode rivierarmen voor. Gebieden zoals poldersloten zijn ideaal voor de groene glazenmaker. Landelijke trend
Functie plangebied Bijzonderheid:
De groene glazenmaker is een libelsoort die vrij zeldzaam is. De verspreiding van de soort zit verbonden aan de waardplant, de krabbenscheer. De krabbenscheer en de groene glazenmaker komen voor in de laagveengebieden in Noordwest-Overijssel, Friesland en Drenthe, het Vechtplassengebied en het veenweidegebied in Zuid-Holland en Utrecht. Verder komt de soort verspreid voor in de weidegebieden van Groningen en Friesland. Vroeger ook in Noord-Brabant en Limburg. De Vlinderstichting weergeeft dat de soort vanaf 2003 sterk aan het afnemen is. Leef- en voortplantingsgebied (waardplanten) •
Staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘gevoelig’
45 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Samenvattend De aanwezigheid van soorten is bepaald aan de hand van bestaande gegevens, de aanwezige biotopen en eigen kennis en ervaring. De soortenlijst die uit deze bureaustudie is ontstaan is ook niet 100% leidend. Er wordt niet uitgesloten dat soorten die niet in deze bureaustudie genoemd zijn, voor kunnen komen in het plangebied. De beschermde flora en fauna van het plangebied is erg divers. Er kunnen veel verschillende vogelsoorten in het gebied verwacht worden. Streng beschermde soorten zoals steenuil, gierzwaluw en huismus, maar ook heel veel minder beschermde soorten. In het gebied worden vijf vleermuissoorten verwacht, dat zijn de gewone en ruige-dwergvleermuizen, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis. Van de grondgebonden zoogdieren wordt verwacht dat alle marterachtigen (behalve de das en de otter) in het plangebied voorkomen. Van de muizen worden de Noordse woelmuis en waterspitsmuis in het gebied verwacht. Daarnaast wordt de rugstreeppad in het gebied verwacht. Er worden geen beschermde reptielen verwacht. Wel wordt gelet op de ringslang. Van de vissen worden verschillende soorten verwacht, waarvan een paar beschermde (bittervoorn, grote modderkruiper en kleine modderkruiper). Van de insecten en de flora worden verder ook geen beschermde soorten verwacht. Van de flora worden wel zeldzame soorten in het plangebied verwacht en geïnventariseerd.
46 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Deel 3: Nulmeting- Veld inventarisaties Opvolgend op de bureaustudie dient de nulmeting een populatie inschatting te leveren betreffende de soorten binnen het gebied. Dit is bereikt via de uitwerking van een gebiedsdekkend onderzoek. Alhier zijn, na afstemming met de omgevingsdienst Noord-Holland noord, veld inventarisaties uitgevoerd in de jaren 2022-2023. Het biedt een betrouwbaar en volledig overzicht van het gebiedsgebruik door soorten middels: • •
Waarnemingen Bepaling van behorende essentiële leefgebieden, en/of foerageer- of migreernetwerken;
47 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
4. Methodiek In dit hoofdstuk worden de werkwijze en methoden behandeld die gebruikt zijn bij de quickscans en inventarisaties van de soortgroepen. De eerste twee jaar (2022 en 2023) van het SMP is de zogeheten 0meting. Dit bestaat uit quickscans en inventarisaties die per soortgroep worden uitgevoerd in het plangebied. Aan de hand van de resultaten van de inventarisaties worden monitoringsplannen opgesteld om de aankomende jaren de flora en fauna te kunnen blijven inventariseren.
4.1 Voorbereidende veldinventarisaties Voor dit SMP zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Als eerste is een quickscan in het plangebied uitgevoerd, om samen met de bureaustudie te bepalen welke beschermde soorten in het gebied voor kunnen komen. Hier is het soortgericht onderzoek op aangepast. Daarnaast is een inventarisatie gemaakt van de aanwezige biotopen binnen het plangebied. In deze paragraaf worden de ecologische quickscan en het soortgericht onderzoek verder toegelicht.
4.1.1
Ecologische quickscan
Voor het hele gebied is een quickscan uitgevoerd. Van de golfbaan Burggolf is in 2021 al een quickscan uitgevoerd. Deze is gebruikt bij dit SMP. Bij de quickscan is gekeken naar de potentie van het gebied. Er is een veldbezoek uitgevoerd waarbij een inschatting is gemaakt hoe het gebied gebruikt wordt door verschillende soorten. Alle aanwezige soorten op dat moment zijn meegenomen bij de quickscan. De quickscan en de bureaustudie zijn de basis voor de beslissing welke aanvullende onderzoeken uitgevoerd zijn.
4.1.2
Inventarisatie biotopen
Voor het hele plangebied zijn de aanwezige biotopen geïnventariseerd. Hiervoor zijn vooraf biotopen bepaald (Bijlage III). Veel van de beschreven biotopen zijn overgenomen of gebaseerd op de natuurtypen en landschapselementen uit de Index Natuur en Landschap van BIJ12. Tijdens veldbezoeken zijn de biotopen geïnventariseerd. Hierbij zijn de locaties van de biotopen vastgesteld. Aan de biotopen is een score toegekend op basis van verschillende kenmerken (Tabel 6) . Hierdoor kan de kwaliteit van de biotopen bepaald worden. Dit is gedaan met behulp van Survey123 van AcrGis. Dit is een programma die tijdens het veldwerk is gebruikt om de verschillende biotopen een score te geven. Deze gegevens zijn verzameld en in een Gis-kaart in ArcGis weergeven. Uiteindelijke is hier een natuurkwaliteitskaart van gemaakt. In deze kaart zijn de biotopen weergeven met hun kwaliteitsscore. Met de resultaten uit het soortgerichte onderzoek samen, ontstaat een beeld van de soorten die in biotopen met bepaalde kwaliteitsscores voorkomen. T abel 3 | Overzicht van de bio topen di e voor de biodivers itei tsbeoordel ing g ebruikt word en , met toek ennin g va n de s cores.
Biotoop
Toekenning van scores
Bosplantsoen
dood hout op grond +1, exoten -1, houtrillen +1, per inheemse boomsoort +1, insectenhotel +1, kruidlaag +1, moslaag +1, nesten/holtes/holen aanwezig +1, staande dode bomen +1, strooisellaag +1, struiklaag +1, waardplanten +1, zaailing +0/opslag +1/volwassen +1 helder +1/troebel -1, oevervegetatie +1, watervegetatie +1, vergraafbare grond +1, hoge plantdichtheid -1, exoten -1, plas dras zone +1, lage oeverrand +1, kroos -1, gemaaide oeverrand -1, niet gemaaide oeverrand +1 watervegetatie +1, vergraafbare grond +1, exoten -1, tijdelijk water +1, hoge plantdichtheid -1 hoge plant dichtheid -1, watervegetatie +1, rietvegetatie +1, lage oeverrand +1, exoten -1, stromend +1/stilstaand +1, kroos -1, helder +1/troebel -1 exoten -1, droog +1/vochtig +1, insectenhotel +1/goed onderhouden +2, solitaire boom +1, solitaire heester +1, heggen +1, heesters +1, waardplanten +1, ruigte soorten +1
Poel
Greppel Sloot Intensief beheerd grasland
48 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Extensief beheerd grasland Moerasland Bebouwing
exoten -1, bloemrijk +1/bloemarm -1, kruidenrijk +1/kruidenarm -1, ruigte soorten +1, solitaire boom +1, solitaire heester +1, heesters +1, heggen +1, waardplanten +1, insectenhotel +1/goed onderhouden +2, droog +1/vochtig +1 jong riet +1, overjarig riet +2, poeltjes aanwezig +1, gemaaid +1/niet gemaaid -1, watervegetatie +1, kruidenrijk +1, exoten -1, oeverzones +1, waardplanten +1, hoge zegen/ hoge biezen +1 nest gelegenheid huismus +1, nest gelegenheid vleermuis +1, nestgelegenheid gierzwaluw +1, nestgelegenheid overige zwaluwsoorten +1, nestgelegenheid uilen +1, nestgelegenheid overige gebouwbewonende vogels +1, nestgelegenheid gebouwbewonende zoogdieren +1 zand +1, houtsnippers +1, schelpen +1, klei- en modder +1 score: +0
Onverharde paden Half verharde paden Verharde paden gesloten verharding -1, open verharding +0 Elk biotoop controleren op onderhoud, goed onderhouden +1 anders +0. Geldt voor alle biotopen. (voorbeeld goed onderhouden, een sloot word wel eens gebaggerd, in greppels en het in moeras wordt verlanding tegen gegaan etc.)
4.1.3
Soortgericht onderzoek
Het plangebied heeft drie deelgebieden; Burggolf, Purmerbos en Purmer-Zuid (Figuur 7). Bij de meeste onderzoeken is gebruik gemaakt van deze deelgebieden, alleen bij de broedvogelinventarisaties en het onderzoek met de wildcamera’s wordt van de drie deelgebieden afgeweken. Voor het soortgericht onderzoek wordt bij dit SMP geen gebruik gemaakt van de gebruikelijke aanvullende onderzoeken, gezien de grootte van het gebied en de arbeidsintensiteit die daarbij komt kijken. Er wordt wel nog steeds per soortgroep doelgericht onderzoek gedaan. Maar in plaats van naar individuen te kijken, wordt er gekeken naar de locaties waar de soorten worden waargenomen. De maatregelen die bij dit SMP komen kijken, zijn dan ook op populatieniveau en niet op individuniveau.
Fi guu r 3 | De dri e deel gebi eden worden bij de meest e on derzoeken aang ehouden .
49 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
4.2 Inventarisatie vleermuizen De vleermuizen worden op verschillende manieren geïnventariseerd. Met batdetectors (fysiek) en batloggers.
4.2.1
Batdetectors
In de deelgebieden zijn twee rondes met batdetectors en thermische camera gelopen. Een ronde duurt drie uur. De eerste ronde is tijdens de zomer- en kraamperiode (15 mei t/m 15 juli) uitgevoerd. Dit is een avondronde en deze vond plaats van zonsondergang tot drie uur daarna. De tweede ronde is tijdens de paarperiode (15 augustus t/m 15 juli) uitgevoerd. Deze ronde is een nachtronde en vond plaats tussen een uur na zonsondergang en een uur voor zonsopgang. Bij deze rondes zijn tien personen over een deelgebied verdeeld en de aanwezige vleermuizen met batdetectors geïnventariseerd. Thermische camera’s zijn ook ingezet tijdens deze rondes. Van de vleermuizen is genoteerd welke soort het is en welk gedrag ze vertonen (langs of overvliegen, foerageren, eventueel in-/uitvlieger bij bomen/bebouwing). Daarnaast zijn ook standaard gegevens zoals datum, tijd en weersomstandigheden genoteerd.
4.2.2
Batloggers
De batloggers zijn in het plangebied opgehangen langs potentiële vliegroutes. Het gaat hier vooral om bomenlanen en andere lijnvormige structuren in het landschap. Daarnaast zijn batloggers naast waterlopen geplaatst voor de meervleermuis en de watervleermuis. De batloggers zijn aan bomen gehangen op een hoogte van ongeveer drie meter. De batloggers hebben in twee periodes in de deelgebieden gehangen, van 1 maart t/m 30 april en van 1 augustus t/m 30 september (tussendoor zijn de batloggers gewisseld van deelgebied). De batloggers zijn per periode twee keer drie nachten opgehangen in een deelgebied (Tabel 7). In elk deelgebied zijn vijf batloggers opgehangen (Bijlage IV). De batloggers zijn door 2 personen opgehangen en opgehaald. Voor dit onderzoek is het plangebied in vier deelgebieden verdeeld (Figuur 8). T abel 4 | Overzi cht va n d e verdeling va n d e d eelg ebied en tij dens de uitvo erin g van het bat loggerond erzoek.
Maart
April
Week 10
Week 11
Week 12
Week 13
Week 14
Week 15
Week 16
Week 17
D1
D2
D3
D4
D1
D2
D3
D4
Augustus
September
Week 31
Week 32
Week 33
Week 34
Week 35
Week 36
Week 37
Week 38
D1
D2
D3
D4
D1
D2
D3
D4
50 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 4 | De verd eling van h et plang ebied in vier d eelg ebieden.
4.2.3
Analyse
De opnames die zijn gemaakt van de vleermuizen zijn geanalyseerd in Bat Explorer. Aan de hand van de fysieke inventarisatie is de functie van het gebied in kaart gebracht met betrekking tot vliegroutes en foerageerplekken. De batloggers hebben ook bijgedragen aan het in kaart brengen van aanwezige vlieg- en migratieroutes en geven een beeld van de verschillende soorten.
4.3 Inventarisatie broedvogels Bij de inventarisatie van broedvogels is de BMP-A telling van Sovon aangehouden (voor een uitgebreide beschrijving van de methode zie de handleiding ‘Broedvogelmonitoring (BMP)’ van Sovon). Bij deze telling is op alle vogelsoorten gelet die in het gebied voor kunnen komen. De inventarisatie van de broedvogels is in acht deelgebieden uitgevoerd (Figuur 9).
51 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 5 | Het pla ngebi ed is in acht deelg ebied en verdeeld voor de bro edvogelinventa risati e.
4.3.1
Veldbezoeken
Van eind februari t/m juni zijn in totaal tien bezoeken uitgevoerd: zes bezoeken rond zonsopgang, twee nachtbezoeken, één bezoek laat in de ochtend en één bezoek in de avond. Tussen elk bezoek zat minimaal tien dagen. Voor de veldbezoeken zijn de volgende tijdstippen aangehouden: • Ochtendbezoek (Z): 1,5-1 uur voor zonsopgang tot uiterlijk 12:00; • Nachtbezoek (N): 1,5 uur na zonsondergang tot uiterlijk 1,5 uur voor zonsopgang; • Late ochtend bezoek (O): 1 uur na zonsopgang tot 4 uur daarna; • Avond bezoek (A): 1,5 uur voor zonsondergang tot 1,5 uur na zonsondergang. Figuur 10 geeft een overzicht weer van wanneer de rondes het beste uitgevoerd konden worden volgens de handleiding van Sovon. Deze verdeling is zoveel mogelijk aangehouden tijdens de onderzoeken.
Fi guu r 6 | Overz icht va n wan neer welk e b ezoek en h et best e plaa ts k unnen vinden (N = nacht, O = lat e ochtend, Z = rond zonsopga n g, A = a vond). Overgenomen van d e BMP handl eiding van Sovon (2023).
52 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
4.3.2
Broedcodes
De waarnemer loopt door het gebied langs alle verschillende biotopen en noteert alle vogels die visueel en op gehoor worden waargenomen. Van de waargenomen soorten is de locatie en het gedrag genoteerd. Van soorten die op gehoor zijn waargenomen is de locatie geschat. Het gedrag van de vogels is beoordeeld aan de hand van broedcodes (Tabel 8). De broedcodes 4 en 8 zijn tijdens het veldbezoek niet gebruikt, omdat deze niet toepasbaar zijn in het veld. Broedcode 4 kan pas na de veldbezoeken bepaald worden. Broedcode 8 kan helemaal niet gebruikt worden, aangezien bij dit SMP life trapping niet wordt toegepast. T abel 5 | Broed codes uit de ha ndleidi ng van de BMP tel ling van SOVON.
(Code 0): Niet-territorium indicerende waarnemingen Code 10: Afleidingsgedrag buiten geschikt broedbiotoop Code 1: Volwassen individu in mogelijk broedbiotoop Code 11: Pas gebruikt nest of eierschalen Code 2: Zingend of baltsend individu in geschikt Code 12: Pas uitgevlogen nestblijvers, of uitgelopen broedbiotoop donsjongen van nestvlieders Code 3: Paar in geschikt broedbiotoop Code 13: Gebruikt nest met onbekende inhoud Code 5: Baltsend paar in broedbiotoop Code 14: Transport voedsel of ontlasting Code 6: Bezoek van een vogel aan een waarschijnlijke Code 15: Nest met eieren nestplaats Code 7: Alarmeren/angstkreten of ander gedrag dat wijst Code 16: Nest met jongen op aanwezigheid van nest of jongen Code 9: Transport van nestmateriaal/nestbouw/uithakken of graven nestholte Codes 4 (territoriumgedrag op dezelfde plaats, vastgesteld minstens 10 dagen uit elkaar) en 8 (vogel met broedvlekken, alleen vast te stellen in de hand) worden in het veld niet gebruikt.
4.3.3
Autoclustering
Tijdens het veldbezoek zijn alle waargenomen vogelsoorten ingevoerd in de Avimap van Sovon. In deze app is de locatie van het individu aangegeven, welke soort het is en wat de bijbehorende broedvogelcode is. Aan het einde van het telseizoen is door middel van de autoclusteringfunctie van Sovon de territoria van de verschillende vogelsoorten binnen het plangebied bepaald. Deze territoria zijn te koppelen aan de biotopen van het gebied. Aan de hand van de broedcodes kunnen broedgevallen in het gebied vastgesteld worden. Met de broedcodes kunnen de belangrijke biotopen in het gebied vastgesteld worden. De broedcodes zijn in zes categorieën verdeeld die wat kunnen zeggen over de natuurwaarde van het biotoop waarin de waarnemingen zich bevinden: • Zeker geen broedgeval: broedcode 0 • Volwassen individu in broedbiotoop: broedcode 1 • Paren in (geschikt) broedbiotoop: broedcode 3 • Territorium-indicerend: broedcode 2, (4), 5, 6 • Nest-indicerend: broedcode 7, 9, 10, 11, 12, 14 • Nestvondsten: broedcode 13, 15, 16 Met deze categorieën zijn de biotopen ingedeeld en hiermee is een beeld verkregen welke een hoge of een lage natuurwaarde hebben voor broedvogels.
4.4 Inventarisatie grondgebonden zoogdieren De grondgebonden zoogdieren zijn geïnventariseerd met behulp van wildcamera's, struikrovers en mostela’s. Bij deze inventarisatie zijn alle grondgebonden zoogdieren meegenomen in de resultaten, dit zijn
53 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
voornamelijk de marterachtigen, vossen, egels en muizen. Voor dit onderzoek is het plangebied ook in vier deelgebieden verdeeld (Figuur 8).
4.4.1 Materiaal en opstelling In elk deelgebied zijn tussen de tien en veertien wildcamera’s geplaatst (Bijlage V). Hiervan zijn drie tot vier camera’s in struikrovers geplaatst en twee camera’s in mostela’s. Om de aanwezige zoogdieren te lokken naar de camera’s is gebruik gemaakt van sardines. De wildcamera’s zijn in geschikt biotoop geplaatst. Per soort is bepaald welke methode gebruikt wordt en welk biotoop het meest geschikt is. Dit wordt weergeven in tabel 9. T abel 6 | De juiste opstelling en biotoop versch illen erg per martersoo rt. Dez e wo rden hi eronder weerg even.
Soort/Opstelling Boommarter Bunzing Hermelijn en wezel Steenmarter
Losse wildcamera
Struikrover
Mostela
Plaatsing
X
-
-
Plaatsen in open stukjes in beboste gedeeltes
X
X
-
Bij begroeide oevers, struweelstroken en kleine bosjes
-
X
X
Begroeiing langs open stukken, omgevallen bomen, bosranden en struweelranden
X
-
-
Plaatsen langs begroeiing/beschutting bij bebouwing
De losse wildcamera’s zijn aan bomen bevestigd (Figuur 11). Deze zijn vastgemaakt met een band en een slot. De sardines zijn voor de camera over de grond verspreidt. De struikrovers zijn ook aan bomen bevestigd, alleen komen deze op de grond te liggen. De struikrover bevat een wildcamera en een plankje waarin een blikje sardines geplaatst kan worden. Door gaten in het blik te prikken komt de geur vrij en werkt dit ook als lokmiddel. Bij de struikrover is de afstand tussen het blikje en de wildcamera minder dan een meter. Dit zorgt voor een onscherp beeld. Door het gebruik van een lens wordt het beeld weer scherp. De lens is een glas uit een leesbril en heeft de sterkte +2. Deze lens is bij alle struikrovers gebruikt. De mostela wordt ook wel de marterbox genoemd. Het is een box met aan één kant een half open buis en aan de andere kant een wildcamera. Het individu gaat door de buis, de mostela binnen en wordt hier vastgelegd door de wildcamera. In de mostela ligt lokmiddel in om de dieren naar binnen te lokken. De afstand van de buis tot de wildcamera in de mostela is net zoals bij de struikrovers minder dan één meter. Hier is ook gebruik gemaakt van een lens. De mostela’s zijn ook aan een boom bevestigd met een slot.
Fi guu r 7 | Mostela (l inks ) en d e st ruik rover (rech ts). B ron st ruikrover foto: Sil vavir ecologis ch ad vi es .
4.4.2
Methode
De inventarisatie heeft plaatsgevonden van maart t/m november (Tabel 10). In deze periode zijn de wildcamera’s opgehangen, gecontroleerd en verplaatst. De wildcamera’s zijn twee maanden in elk deelgebied aanwezig geweest. De SD-kaarten van de wildcamera’s zijn elke twee weken vervangen en controleert. Dit onderzoek is door één personen uitgevoerd.
54 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend T abel 7 | Overz icht va n d e verdeling va n d e d eelg ebied en tij dens de uitvo erin g van het ca meraonderzoek.
Maand
Maart
Weeknummer Deelgebied
10 D1
11 D1
27 D3
28 D3
Maand
13 D1
14 D1
15 D1
29 D3
30 D3
31 D3
32 D3
Juli
Weeknummer Deelgebied
4.4.3
April
12 D1
16 D1
Mei 17 D1
18 D2
34 D4
35 D4
Augustus 33 D3
19 D2
20 D2
Juni 21 D2
22 D2
23 D2
38 D4
39 D4
40 D4
September 36 D4
37 D4
24 D2
Oktober 41 D4
Analyse
Elke twee weken zijn de SD-kaarten verwisseld en de beelden uitgelezen. De beelden zijn gecontroleerd op aanwezige zoogdiersoorten. Deze soorten zijn genoteerd in een Excel-bestand. Er is alleen gekeken naar de verschillende soorten die per camera zijn waargenomen. Er is niet naar aantal individuen gekeken, dit is met wildcamera’s niet te bepalen. Per camera is een soortlijst ontstaan van de aanwezige soorten.
4.5 Inventarisatie muizen Bij het inventariseren van muizen is alleen gekeken naar de Noordse woelmuis en de waterspitsmuis. Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van eDNA onderzoek in combinatie met de lokbuismethode.
4.5.1
25 D2
Methode
De methode voor de inventarisatie met lokbuizen is gebaseerd op het rapport van Tomlow & Dekker van de Zoogdierenvereniging (2007). De inventarisatie van de Noordse woelmuis en waterspitsmuis is uitgevoerd op basis van eDNA onderzoek van verzamelde uitwerpselen. De inventarisatieperiode heeft plaatsgevonden in het najaar wanneer de populatiedichtheden het grootst zijn, waardoor de kans om de muizen aan te treffen het hoogst is. De geschikte onderzoeksperiode van de noordse woelmuis loopt van augustus t/m september, waarbij september de optimale onderzoeksperiode is. De beste onderzoeksperiode voor de waterspitsmuis loopt van juli t/m oktober. Hierdoor is het onderzoek van augustus t/m oktober uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in drie deelgebieden (Figuur 12). De deelgebieden zijn vastgesteld op basis van geschikt biotoop: oevers met ruige begroeiing. De weilanden vormen geen geschikt habitat voor beide muissoorten. Het Purmerbos en noordelijke gedeelte van de golfbaan zijn niet geschikt doordat het intensief gebruikt land betreft. Om de aanwezigheid van de waterspitsmuis en de noordse woelmuis uit te sluiten is het voldoende om één keer de lokbuizen te plaatsen in de optimale periode. De lokbuizen bestaan uit PVC buizen met een diameter van 38 mm, en zijn ongeveer 25 cm lang. Aan één van de uiteindes van de buizen is een dopgeplaatst.
In de buizen is voer gelegd als lokaas. Het lokvoer bestaat uit pindakaas. In elk deelgebied zijn 40 lokbuizen geplaatst (Bijlage VI). De lokbuizen zijn uitgezet in een rij van vijf buizen met een onderlinge afstand van 10 meter en zijn in het belangrijke biotoop van de respectievelijke soort geplaatst. De lokbuizen zijn zo dicht mogelijk aan de waterlijn geplaatst. Verder zijn ze (wanneer mogelijk) ietsje schuin neergezet, zodat ze bij regen niet vol lopen. Voor het vervoeren van de lokbuizen is een bolderkar gebruikt. Het veldwerk is uitgevoerd met twee personen.
55 | 225
26 D3
Nov 42
43
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 8 | De drie deelgebi eden ( rood omlijnd ) d ie zijn aang ehouden bij het onderzoek na ar muiz en.
4.5.2
Waterspitsmuis
De waterspitsmuis komt voor bij randen van stromende waterlopen zoals beken, sloten of geultjes, of stilstaande wateren zoals poelen, vennen en plasjes. In beide typen wateren wordt naar plekken gezocht met een ruige oeverbegroeiing en goed ontwikkelde watervegetatie. De oevers zijn bij voorkeur niet te steil, maar hebben een ‘natuurlijke’ gloeiing. Let hierbij op dat waterstanden kunnen veranderen en voorkom dat lokbuizen kunnen wegspoelen of vol lopen met water.
4.5.3
Noordse woelmuis
De noordse woelmuis is een soort die kan voorkomen in zeer uiteenlopende habitats. Belangrijk is dat er het gehele jaar door voldoende voedsel en dekking aanwezig is. Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn. Met name ruige vegetaties bestaande uit een combinatie van zegges, kruiden en grassen zijn interessant. In gebieden waar de andere woelmuissoorten ontbreken stelt de noordse woelmuis weinig eisen aan de habitat, zo lang er maar voldoende dekking en voedsel aanwezig is en geen door houtige
56 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
gewassen gedomineerde begroeiingen. Wanneer de andere woelmuissoorten wel aanwezig zijn, is het vooral een bewoner van de meer vochtige tot natte gebieden met veel dynamiek in de waterstand en in beheer (Figuur 13). De noordse woelmuis is namelijk een soort die in verhouding tot andere woelmuissoorten goed aangepast is aan het leven in gebieden met een sterk wisselende waterstand, zoals rietlanden en in drassige, extensief gebruikte hooi- en weilanden.
Fi guu r 9 | Verspreiding van Noordse woelmuis la ngs oeverbiotopen , eventu eel met concurrentie van and ere woelmuissoort en. Overg enomen va n RVO (2014 ).
4.5.4
Analyse
Na twee weken zijn de lokbuizen weer opgehaald. De verzamelde uitwerpselen zijn, nadat ze opgedroogd zijn, opgestuurd voor eDNA analyse naar Sylphium molecular ecology.
4.6 Inventarisatie amfibieën Voor de inventarisatie van de amfibieën worden verschillende methoden gebruikt. De kikkers en padden worden geïnventariseerd aan de hand van kooractiviteit en eiersnoeren. Deze methodes zijn overgenomen uit de Handleiding voor het Monitoren van Amfibieën in Nederland uitgebracht door RAVON (2015). De inventarisatie van de amfibieën duurt van april t/m juni. Voor de rugstreeppad loopt een aparte periode van half juni t/m begin augustus.
4.6.1
Kooractiviteit
Voor de inventarisatie van de amfibieën op basis van de kooractiviteit zijn drie veldbezoeken uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in de drie deelgebieden (Figuur 7). Bij deze veldbezoeken is op kooractiviteit gelet. De kooractiviteit is ’s nachts geïnventariseerd. Een bezoek is gedaan met 5 personen per deelgebied. De volgende voorwaarden golden bij de veldbezoeken: • Temperatuur dient boven de tien graden te zijn; • Voorafgaand zijn dagen met regen ideaal (hoge luchtvochtigheid). Tijdens het veldbezoek is naast watergangen geluisterd naar roepende mannetjes. Op basis van de kooractiviteit kunnen aantallen geschat worden, dit kan gedaan worden door een inschatting te maken van het aantal roepende mannetjes of door oplichtende ogen te tellen als er met een zaklamp op geschenen wordt.
57 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
4.6.2
Eiersnoeren
In het plangebied is gezocht naar eiersnoeren tijdens veldbezoeken. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in de drie deelgebieden (Figuur 7) en uitgevoerd door twee personen. Verschillende soorten kikkers, padden en salamanders hebben eiersnoeren/-klompen die te herkennen zijn. Het gaat hierbij vooral om de gewone pad, rugstreeppad, knoflookpad, boomkikker, heikikker of bruine kikker en kamsalamander. Voor andere soorten zoals de groene kikkers zijn de eieren moeilijk te vinden. Deze worden vaak tussen planten gelegd en de periode waarin de eieren worden gelegd kan vaak afwijken. In figuur 14 worden de verschillende soorten eiersnoeren en -klompen weergeven.
Fi guu r 10 | Verschillende soort en eiersnoeren en -klompen van verschi llend e amfibieso orten. Overg enomen van RAVON (2015 ).
4.7 Inventarisatie vissen De inventarisatie van de vissen is uitgevoerd met behulp van scheppen met een schepnet, daarnaast ook middels eDNA onderzoek. Deze methode is toegepast in de geschikte watergangen voor de soorten.
4.7.1
Methode
Steekproefsgewijs zijn vissen gevangen. Dit is gebeurd in verschillende biotopen met een schepnet (Bijlage VII). Bij het scheppen is gebruik gemaakt van de handleiding beleidsmonitoring voor bittervoorn, kleine en grote modderkruiper en beekprik van het ANLb-team RAVON (2016). Het scheppen heeft plaatsgevonden in en rond geschikte oevervegetatie. Hierbij is het schepnet op enige afstand van de oever in het water gestoken. Het schepnet is daarna met kracht over de bodem naar de oever gehaald. Zie figuur 15 voor een weergave van de methode. Deze inventarisatie is uitgevoerd in de drie deelgebieden (Figuur 7) en met twee personen. Voor de kleine vissen is het belangrijk om de inventarisaties in het zomer-/voortplantingsbiotoop uit te voeren. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden in de periode van april tot oktober (Netwerk Groene Bureaus, 2017; Klinge, Hensens, Brenninkmeijer, & Nagelkerke, 2003)
58 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 11 | Schepmet hode, o vergenomen va n ANLb -team RAVON (2016).
4.8 Inventarisatie dagvlinders en libellen Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde dagvlinder-, libelsoorten binnen het plangebied. De dagvlinders en libellen die tijdens de veldbezoeken in het gebied zijn waargenomen, zijn geïnventariseerd. Hierbij is gelet op geschikt habitat voor de soorten.
4.8.1
Methode
Voor de dagvlinders en libellen zijn transecten gelopen door het gebied. Dit is een route die langs geschikte biotopen is gelopen. Deze methode is overgenomen van de Handleiding landelijke meetnetten vlinders, libellen en nachtvlinders van Van Swaay (2018). Een transect is maximaal één kilometer lang en heeft verschillende secties. Eén sectie is ongeveer 50 meter lang. Per sectie zijn de aanwezige dagvlinder- en libelsoorten genoteerd. Tijdens de inventarisatie is in een rustig looptempo de route van het transect gelopen. Tijdens het lopen zijn de waargenomen dagvlinders en libellen binnen een telkader genoteerd. Het telkader is 2,5 meter aan beide zijkanten, vijf meter vooruit en vijf meter omhoog (Figuur 16). De inventarisatie periode is van april tot en met september. Het onderzoek is uitgevoerd in de drie deelgebieden (Figuur 7). Elk deelgebied is één keer per twee weken geïnventariseerd, dat is in totaal vier keer per deelgebied. Het onderzoek is uitgevoerd door twee personen.
59 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 12 | Het t elkad er tijd en s de i nventarisatie van de da g vlind ers, bi nnen di t kader word en all e waa rgeno men vlind ersoo rten g enoteerd. Afmeti ngen: 2,5 meter aan beide zij kanten , vi jf meter vooruit en vij f met er omhoog. Overgenomen van Van Swaa y et al ( 2018).
4.9 Inventarisatie vaatplanten Bij de inventarisatie van de vaatplanten is alleen op zeldzame planten gelet. Dit zijn rode lijst soorten en soorten die op waarneming.nl als zeldzaam worden aangegeven. Daarnaast zijn ook exoten als de reuzenberenklauw, reuzenbalsemien en Aziatische duizendknoopsoorten meegenomen. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten binnen het plangebied. Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van de verdeling van de drie deelgebieden (Figuur 7).
4.9.1
Methode
De methode voor het inventariseren van de flora is overgenomen van het rapport van Schut en Bijkerk (2003) over de flora inventarisatie van het Purmerbos. Bij dit rapport is gebruik gemaakt van de Tansley methode met een uitbreiding van een aantalscode (Tabel 11). De mate van voorkomen per soort is aangeduid door de Tansleycodering en door het toevoegen van de aantalscode wordt een gedetailleerd beeld gegeven per soort. De periode van de inventarisatie is van begin april t/m september. Deze periode is overgenomen uit het rapport van Schut en Bijkerk (2003). Elk deelgebied wordt door twee personen geïnventariseerd. T abel 8 | Combinatie van d e Ta nsleycodering en aa ntals coderi ng voor d e in vent aris atie van d e flo ra. Overgenomen van Sch ut en Bijk erk ( 2003).
Tansley-code r Rare (zeldzaam) o Occasional (hier en daar voorkomend) f Frequent (regelmatig voorkomend) a Abundant (veelvoudig voorkomend) d Dominant (overheersend) l Local (lokaal, in combinatie met f, a of d)
4.9.2
Aantalscode 1 1-2 exemplaren 2 3-10 exemplaren 3 11-100 exemplaren 4 101-1000 exemplaren 5 > 1000 exemplaren
Soortenlijst
De soortenlijst bestaat uit rode lijst soorten, zeldzame soorten volgens waarneming.nl en drie exoten; reuzenberenklauw, Aziatische duizendknoopsoorten en reuzenbalsemien. 60 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Rode lijst soorten: • Bolderik (Agrostemma githago) • Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus) • Kamgras (Cynosurus cristatus) Extra soorten: • Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) • Aziatische duizendknoopsoorten • Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera) • Daslook (Allium ursinum) • Dryopteris hirtipes (geen Nederlandse naam bekend) • Geschubde mannetjesvaren (Dryopteris affinis agg.)
• • • •
Kleine ratelaar (Rhinanthus minor) Korenbloem (Centaurea cyanus) Zomerklokje (Leucojum aestivum) Kruidvlier (Sambucus ebulus)
• •
Gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis) Glansschildvaren (Polystichum polyblepharum) Paarse morgenster (Tragopogon porrifolius) Ruig klokje (Campanula trachelium) Smalle ijzervaren (Cyrtomium fortunei) Stijve x zachte naaldvaren (Polystichum x bicknellii (P. setiferum x aculeatum)) Zachte naaldvaren (Polystichum setiferum)
• • • • •
4.10 Analyse Tijdens de aanvullende soortonderzoeken zijn de waargenomen soorten ingevoerd in een GIS-kaart. Dit is tijdens de veldonderzoeken gedaan met behulp van de Arc-GIS Survey 123 app. Uit deze GIS-kaart zijn alle kaarten voor het weergeven van de resultaten gemaakt. Link:
https://experience.arcgis.com/experience/b7a503b93a81437a8777b192b2dd3c64
61 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
5. Resultaten inventarisatie In dit hoofdstuk worden de resultaten weergeven van de waargenomen soorten. Per soortgroep worden de resultaten weergeven en besproken. Bij de bespreking van de resultaten worden voor alle soortgroepen de drie deelgebieden apart behandeld. Bij niet alle waargenomen individuen was het mogelijk deze op soort te determineren. Hier is de groep gedetermineerd en staat hier ‘sp.’ (species) achter.
5.1 Biotopen De biotopen binnen het plangebied zijn in kaart gebracht (Figuur 17). Het biotoop ‘Bosplantsoen’ is het meeste aangetroffen binnen het plangebied. Hieronder wordt het terrein verdeeld op basis van de toekomstige gebiedsvisie en wordt voor elk gebied de biotopen in en/of kenmerken van het gebied kort toegelicht.
Fi guu r 13 | Kaart met d e geïn ventari seerde biotopen bi nnen het pl angeb ied.
Het golfbaanterrein bestaat uit voornamelijk intensief beheerd grasland aangevuld met stukken extensief beheerd grasland, waterbiotopen en bosplantsoenen (figuur 14). Deze bosplantsoen zijn hier en daar uitgestrekt, maar voornamelijk geïsoleerd en omringd met intensief beheerd grasland. In het zuidelijke gedeelte van het golfbaan terrein wordt een gebied (figuur 13) in zijn geheel extensief beheerd. Door deze
62 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
beheer wijze is een kruiden- en faunarijk grasland ontstaan (N12.02), welke (ten opzichte van de rest van het golfbaan terrein) een aanzienlijk hogere natuurwaarde heeft.
Figuur 15
Figuur 14
Het Purmerbos is een jong polderbos gelegen op een vruchtbare kleigrond (Figuur 17). Het bos heeft een nat karakter waarin verschillende vegetatie zich heeft gevestigd (Figuur 16). Opmerkelijk is het aantal varensoorten binnen dit bosgebied; het is op één na varen-rijkste bos in Nederland. Het gehele gebied bestaat voornamelijk uit de biotopen ‘Bosplantsoen’ en ‘Zoom’. Binnen het bos zijn verschillende watergangen aanwezig. Het gehele bosgebied bestaat uit twee delen welke wordt doorbroken door een (Intensief beheerd) agrarisch grasland. Ten zuiden van het Purmer-Zuid Zuid gebied vindt men tevens stukken met een ‘moerasland’ biotoop en een grote waterpoel.
Figuur 17
Figuur 16
63 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Het Purmer-Zuid Zuid bestaat in zijn geheel uit Intensief beheerd grasland (Figuur 18). Hierbinnen vindt men brede watergangen, en een aangrenzend ‘Zoom’ biotoop.
Figuur 18
5.2 Vleermuizen Binnen het plangebied zijn verschillende vleermuissoorten waargenomen (Tabel 12). In bijlage IX worden de resultaten van de inventarisaties weergeven. Hier is enkel gefocust op de vliegroutes en foerageergebieden. Deze waarnemingen zijn voornamelijk gefocust op de zichtwaarnemingen tijdens de veldbezoeken en de opnames van de batloggers. In figuur 18 worden de belangrijke vliegroutes en foerageergebieden weergeven. T abel 9 | Waargenomen vleermuissoorten binn en het plang ebied.
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Dwergvleermuis sp. Laatvlieger Rosse vleermuis Meervleermuis
Watervleermuis Myotis sp.
2022 X
2023 X
X
X
X X X X X X
X X X X X X
De belangrijke vliegroute zijn voornamelijk boven de brede watergangen waargenomen. Deze vliegroutes werden door meerdere soorten en individuen gebruikt. Verder is in het noordelijke deel een essentieel foerageergebieden waargenomen voor verschillende vleermuissoorten.
64 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
Fi guu r 19 | Essenti ële vlieg rout es en foera geergeb ieden b innen het plan gebi ed.
5.3 Broedvogels Tabel 13 geeft de soorten weer die zijn waargenomen bij de 0-meting. Daarnaast wordt per soort ook het ingeschatte aantal territoria binnen het plangebied weergegeven. De kaarten van deze territoria worden weergeven in bijlage X. Van struweelvogels (koolmees, merel, roodborst, tjiftjaf, winterkoning en zwartkop) zijn de meeste territoria waargenomen. T abel 10 | Overzi cht van d e waargenomen soort en in 2022 en 2023. Daarna ast is het aant al territoria bep aald voor el ke soort.
Soort Aalscholver
2022
2023
Territoria
X
X
1
Koolmees
X
3
Koperwiek
Appelvink
Soort
2022
2023
Territoria
X
X
104
X
0
X
13
Baardman
X
1
Krakeend
X
Bergeend
X
X
4
Krekelzanger
X
Blauwborst
X
X
1
Kuifeend
X
X
5
Blauwe reiger
X
X
0
Lepelaar
X
X
0
Boerenzwaluw
X
X
2
Matkop
X
X
0
Meerkoet
X
X
43
X
X
217
X
0
X
2
X
0
X
8
X
0
Bontbekplevier Boomklever
X
X
2
Merel
Boomkruiper
X
X
47
Muskuseend
X
0
Nachtegaal
X
25
Nachtzwaluw
Bosuil
X
2
Nijlgans
Braamsluiper
X
3
Ooievaar
X
1
Patrijs
X
Boomvalk Bosrietzanger
X
X X
1
0
Brandgans
X
1
Brilduiker
X
0
Pimpelmees
X
X
95
Bruine kiekendief
X
X
1
Putter
X
X
7
Buizerd
X
X
6
Ransuil
X
X
4
Cetti's zanger
X
X
5
Rietgors
X
X
13
65 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend Dodaars
X
0
Rietzanger
Ekster
X
X
18
Ringmus
Fazant
X
X
30
Roerdomp
X
Fitis
X
X
83
Roodborst
X
Fluiter
X
X
1
Roodborsttapuit
Fuut
X
X
6
Scholekster
X
Gaai
X
X
7
Sijs
X
Gekraagde roodstaart
X
X
2
Slobeend
X
0
Gierzwaluw
X
X
1
Smient
X
0
X
1
Snor
X
X
6
Glanskop
X
X
21
X
2 1
X
103
X
0
X
5 1
Goudhaan
X
X
0
Soepeend
X
X
1
Grasmus
X
X
36
Soepgans
X
X
1
Graspieper
X
X
3
Sperwer
X
X
1
Grauwe gans
X
X
13
Spotvogel
X
X
1
Groene specht
X
X
4
Spreeuw
X X
X
9
Groenling
X
X
33
Sprinkhaanzanger
X
X
5
Grote bonte specht
X
X
23
Staartmees
X
X
15
Grote Canadese gans
X
X
3
Stadsduif
X
X
2
Grote zilverreiger
X
X
1
Steenuil
X
Halsbandparkiet
X
X
3
Stormmeeuw
X
X
0
Havik
X
X
0
Tjiftjaf
X
X
253
Heggenmus
X
X
55
Torenvalk
X
X
1
Holenduif
X
X
5
Tuinfluiter
X
X
60
Houtduif
X
X
53
Tureluur
X
X
0
X
1
Turkse tortel
X
X
18
Houtsnip
0
Huismus
X
X
92
Veldleeuwerik
X
Huiszwaluw
X
X
0
Vink
X
X
74
IJsvogel
X
X
1
Visdief
X
X
44
Kauw
X
X
25
Vuurgoudhaan
X
0
Kerkuil
X
X
0
Waterhoen
X
X
12
Kievit
X
X
2
Waterral
X
X
1
Kleine karekiet
X
X
31
Wielewaal
X
X
4
Kleine mantelmeeuw
X
X
0
Wilde eend
X
X
30
Kleine plevier
X
X
0
Winterkoning
X
X
302
X
0
Witte kwikstaart
X
X
0
Kleine zilverreiger
0
Knobbelzwaan
X
X
3
Zanglijster
X
X
90
Koekoek
X
X
10
Zilvermeeuw
X
X
12
Koereiger
X
0
Zwarte kraai
X
X
19
Kokmeeuw
X
X
0
Zwarte roodstaart
X
X
1
X
0
Zwartkop
X
X
164
Kolgans
5.4 Grondgebonden zoogdieren Er zijn zes soorten waargenomen binnen het plangebied tijdens de inventarisatie naar de grondgebonden zoogdieren (Tabel 14). Deze waarnemingen zijn op basis van het onderzoek met de wildcamera’s en op basis
66 | 225
Soortmanagementplan Oostflank Purmerend
van zichtwaarnemingen tijdens veldbezoeken van bijvoorbeeld de broedvogelinventarisaties. Bijlage XI geeft de kaarten weer met de locaties waar de soorten zijn waargenomen. T abel 11 | Waargenomen grondgebond en zoogdiersoort en binnen het pla ngebi ed.
Soort
2022
2023
Wezel Hermelijn
X
X X
Wezel/Hermelijn Vos Huiskat Haas Egel
X X X X X
X X X X X
Van de marterachtigen zijn alleen de wezel en hermelijn waargenomen. Niet elk marterindividu was op soort te determineren, hierdoor is er een aparte categorie ‘Wezel/Hermelijn’ weergeven. Verder zijn ook veel vossen en huiskatten binnen het plangebied waargenomen, op de golfbaan zijn veel hazen waargenomen en hier en daar in het gebied wat egels. Figuur 19 geeft de delen weer waar de verschillende soorten het meeste zijn waargenomen en welke als essentiële leefgebieden worden gerekend voor de soorten. Op de golfbaan zijn veel hazen waargenomen. In de groenstrook rond de golfbaan zijn zowel de kleine marterachtigen, egels, vossen en huiskatten waargenomen. Omdat deze groenstrook verschilt van de rest van de omgeving wordt deze als essentieel leefgebied gezien voor deze soorten. Om het Purmerbos te bereiken dienen deze soorten namelijk een weg over te steken. In het Purmerbos zijn vooral kleine marters, vossen en huiskatten waargenomen. Vooral het noorden en zuiden van het Purmerbos zijn de meeste kleine marters waargenomen. In het noordelijke stuk en het zuidelijke stuk zijn meerdere individuen tegelijkertijd voor de camera waargenomen (Figuur 20). Zowel wezels als hermelijnen zijn solitaire soorten. Hierdoor kan hier vanuit worden gegaan dat dit een moeder met jongen was of jonge individuen op zoek naar een eigen territorium.