CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

20240329-bijlage-beantwoording-f-j-f-schaaij-conceptvisie-oostflank-groen-smp-oostflank-let-op-informatief-concept-ter-beoordeling-en-bespreking

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente PurmerendBij agendapunt: Gebiedsvisie de Oostflank37.908 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

96 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

o

Als deze groenstructuren insectvriendelijk beheerd worden, heeft dit ook een positieve bijdrage op de foerageergebieden.

Laatvlieger Functie plangebied

Mitigatie plan

Bijzonderheid:

Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt worden. Duidelijk is dat het plangebied als foerageer- en vliegroute gebruikt wordt. Tijdens de werkzaamheden dient gefaseerd gewerkt te worden om de negatieve effecten op deze soort te verkleinen. • Indien er noodzaak is tot het verwijderen van verblijven dan: o Verblijfplaatsen ongeschikt maken onder begeleiding van een ecologisch deskundige; o Indien mogelijk het verwijderen zoveel mogelijk uitvoeren buiten de kwetsbare periodes van de soort (mei-september en november-maart); o Altijd 50% van het aantal verblijven ontzien, totdat nieuwe verblijven gerealiseerd zijn. • Behoud primaire en secundaire vliegroutes. o Primaire en secundaire vliegroutes mogen niet verstoord worden; o Indien primaire en secundaire vliegroutes niet behouden kunnen worden dient in overleg met een ecologische deskundige besloten te worden waar, hoe en wanneer de nieuwe route aangelegd wordt; o Nieuwe routes zijn van gelijke of betere kwaliteit. • Bij afnamen van leefgebied 1:1 compenseren. o Tijdens de realisatie van de compensatie, altijd 50% van het leefgebied ontzien; o Wanneer het nieuwe leefgebied gerealiseerd is, kunnen de werkzaamheden in de rest van het leefgebied uitgevoerd worden. De laatvlieger staat als kwetsbaar op de Rode lijst.

Van deze soort is de staat van instandhouding matig ongunstig

Kansen De voorgenomen ontwikkeling zal voor de laatvlieger veel nieuwe biotopen en verblijfplaatsen kunnen bieden. Door de afwisseling van bebouwing, groenstructuren en waterlopen wordt het gebied divers en kan hierdoor meerdere functies bieden voor deze soort. Bij de nieuwe ontwikkelingen worden de volgende zaken geadviseerd: • Verblijfplaatsen: Het creëren van verblijfplaatsen kan voor de laatvlieger op één manier. Door natuurinclusief bouwen, waardoor de woningen zelf geschikt worden voor de vleermuizen. Voor de laatvlieger is het onbekend dat deze gebruik maakt van vleermuiskasten. Hierdoor kunnen deze niet ingezet worden om extra verblijfplaatsen te creëren. o Door de woningen natuurinclusief te bouwen kunnen verblijfplaatsen gecreëerd worden voor de soort. Het beste is om hierbij een open spouw aan te kunnen bieden, waartoe de soort toegang heeft via het dak of (verbrede) open stootvoegen. Verder kunnen ruimtes onder het dak en onder boeidelen ook geschikte verblijfplaatsen bieden. • Verlichting: Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Door het plan voor de straatverlichting aan te passen kan deze belemmering verminderd worden. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van vleermuisvriendelijke verlichting, delen van de woonwijk minder verlichten (bijvoorbeeld parken en waterlopen) • Groenstructuren: Het aanleggen van groenstructuren kan de soort bevorderen.

Vooral de aanleg van lijnvormige groenstructuren heeft een positieve bijdrage voor de aanwezige vlieg- en migratieroutes in en bij het plangebied.

97 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

o

Als deze groenstructuren insectvriendelijk beheerd worden, heeft dit ook een positieve bijdrage op de foerageergebieden.

Meervleermuis Functie plangebied

Mitigatie plan

Bijzonderheid:

Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Er zijn 87 individuen van meervleermuizen aangetroffen, dat maakt het gebied bijzonder, gezien de ongunstige staat van instandhouding van de meervleermuis een aandacht soort in dit plan. Tijdens de werkzaamheden dient gefaseerd gewerkt te worden om de negatieve effecten op deze soort te verkleinen. • Indien er noodzaak is tot het verwijderen van verblijven dan: o Verblijfplaatsen ongeschikt maken onder begeleiding van een ecologisch deskundige; o Indien mogelijk het verwijderen zoveel mogelijk uitvoeren buiten de kwetsbare periodes van de soort (mei-september en november-maart); o Altijd 50% van het aantal verblijven ontzien, totdat nieuwe verblijven gerealiseerd zijn. • Behoud primaire en secundaire vliegroutes. o Primaire en secundaire vliegroutes mogen niet verstoord worden; o Indien primaire en secundaire vliegroutes niet behouden kunnen worden dient in overleg met een ecologische deskundige besloten te worden waar, hoe en wanneer de nieuwe route aangelegd wordt; o Nieuwe routes zijn van gelijke of betere kwaliteit. • Bij afnamen van leefgebied 1:1 compenseren.

o Tijdens de realisatie van de compensatie, altijd 50% van het leefgebied ontzien; o Wanneer het nieuwe leefgebied gerealiseerd is, kunnen de werkzaamheden in de rest van het leefgebied uitgevoerd worden. Van deze soort is de staat van instandhouding matig ongunstig.

Kansen De voorgenomen ontwikkeling zal voor de meervleermuis veel nieuwe biotopen en verblijfplaatsen gaan bieden. Door de afwisseling van bebouwing, groenstructuren en waterlopen wordt het gebied divers en kan hierdoor meerdere functies bieden voor deze soort. Bij de nieuwe ontwikkelingen worden de volgende zaken geadviseerd: • Verblijfplaatsen: Het creëren van verblijfplaatsen kan voor de meervleermuis op één manier. Door natuurinclusief bouwen, waardoor de woningen zelf geschikt worden voor de vleermuizen. Voor de meervleermuis is het onbekend dat deze gebruik maakt van vleermuiskasten. Hierdoor kunnen deze niet ingezet worden om extra verblijfplaatsen te creëren. • Door de woningen natuurinclusief te bouwen kunnen verblijfplaatsen gecreëerd worden voor de soort. Meervleermuizen hebben daarom grote verblijfplaatsen nodig met een geschikte temperatuurgradiënt. Mooi streven is dit te realiseren binnen het plan. • Verlichting: Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Door het plan voor de straatverlichting aan te passen kan deze belemmering verminderd worden. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van

98 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

•

vleermuisvriendelijke verlichting, delen van de woonwijk minder verlichten (bijvoorbeeld parken en waterlopen) Groenstructuren: Het aanleggen van groenstructuren kan de soort bevorderen. Vooral de aanleg van lijnvormige groenstructuren heeft een positieve bijdrage voor de aanwezige vlieg- en migratieroutes in en bij het plangebied. o Als deze groenstructuren insectvriendelijk beheerd worden, heeft dit ook een positieve bijdrage op de foerageergebieden.

Rosse vleermuis Functie plangebied

Mitigatie plan

Bijzonderheid:

Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Er zijn 87 individuen van Rosse vleermuizen aangetroffen, dat maakt het gebied bijzonder, gezien de ongunstige staat van instandhouding van de Rosse vleermuis een aandacht soort in dit plan. Tijdens de werkzaamheden dient gefaseerd gewerkt te worden om de negatieve effecten op deze soort te verkleinen. • Indien er noodzaak is tot het verwijderen van verblijven dan: o Verblijfplaatsen ongeschikt maken onder begeleiding van een ecologisch deskundige; o Indien mogelijk het verwijderen zoveel mogelijk uitvoeren buiten de kwetsbare periodes van de soort (mei-september en november-maart); o Altijd 50% van het aantal verblijven ontzien, totdat nieuwe verblijven gerealiseerd zijn. • Behoud primaire en secundaire vliegroutes. o Primaire en secundaire vliegroutes mogen niet verstoord worden; o Indien primaire en secundaire vliegroutes niet behouden kunnen worden dient in overleg met een ecologische deskundige besloten te worden waar, hoe en wanneer de nieuwe route aangelegd wordt; o Nieuwe routes zijn van gelijke of betere kwaliteit. • Bij afnamen van leefgebied 1:1 compenseren.

o Tijdens de realisatie van de compensatie, altijd 50% van het leefgebied ontzien; o Wanneer het nieuwe leefgebied gerealiseerd is, kunnen de werkzaamheden in de rest van het leefgebied uitgevoerd worden. Van de rosse vleermuis zijn onvoldoende gegevens beschikbaar of de soort bedreigd is volgens de Rode lijst. Van deze soort is de staat van instandhouding zeer ongunstig.

Kansen Bij de voorgenomen ontwikkeling zal voor de rosse vleermuis veel verblijfplaatsen verloren gaan. Bij de nieuwe ontwikkelingen worden de volgende zaken geadviseerd: • Verblijfplaatsen: Zoveel mogelijk (oude) bomen behouden met geschikte holtes. • Verlichting: Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Door het plan voor de straatverlichting aan te passen kan deze belemmering verminderd worden. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van vleermuisvriendelijke verlichting, delen van de woonwijk minder verlichten (bijvoorbeeld parken en waterlopen). • Groenstructuren: Het aanleggen van groenstructuren kan de soort bevorderen. Vooral de aanleg van lijnvormige groenstructuren heeft een positieve bijdrage voor de aanwezige vlieg- en migratieroutes in en bij het plangebied. o Als deze groenstructuren insectvriendelijk beheerd worden, heeft dit ook een positieve bijdrage op de foerageergebieden. gezien de ongunstige staat van instandhouding van de Rosse vleermuis een aandacht soort in dit plan. 99 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Watervleermuis Functie plangebied

Mitigatie plan

Bijzonderheid:

Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Hierdoor wordt verwacht dat het plangebied als foerageer- en vliegroute gebruik wordt. Voor deze boombewonende soort wordt ook verwacht dat deze verblijfplaatsen heeft in de holtes van de oudere bomen. Tijdens de werkzaamheden dient gefaseerd gewerkt te worden om de negatieve effecten op deze soort te verkleinen. • Indien er noodzaak is tot het verwijderen van verblijven dan: o Verblijfplaatsen ongeschikt maken onder begeleiding van een ecologisch deskundige; o Indien mogelijk het verwijderen zoveel mogelijk uitvoeren buiten de kwetsbare periodes van de soort (mei-september en november-maart); o Altijd 50% van het aantal verblijven ontzien, totdat nieuwe verblijven gerealiseerd zijn. • Behoud primaire en secundaire vliegroutes. o Primaire en secundaire vliegroutes mogen niet verstoord worden; o Indien primaire en secundaire vliegroutes niet behouden kunnen worden dient in overleg met een ecologische deskundige besloten te worden waar, hoe en wanneer de nieuwe route aangelegd wordt; o Nieuwe routes zijn van gelijke of betere kwaliteit. • Bij afnamen van leefgebied 1:1 compenseren.

o Tijdens de realisatie van de compensatie, altijd 50% van het leefgebied ontzien; o Wanneer het nieuwe leefgebied gerealiseerd is, kunnen de werkzaamheden in de rest van het leefgebied uitgevoerd worden. Van deze soort is de staat van instandhouding gunstig. Hierdoor kan worden uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op de landelijke GSvI van de watervleermuis. Over de regionale staat van instandhouding zijn geen gegevens bekend. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op de regionale staat van instandhouding van de watervleermuis.

Kansen Bij de voorgenomen ontwikkeling zal voor de watervleermuis veel verblijfplaatsen verloren gaan. Bij de nieuwe ontwikkelingen worden de volgende zaken geadviseerd: • Verblijfplaatsen: Zoveel mogelijk (oude) bomen behouden met geschikte holtes. • Verlichting: Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Door het plan voor de straatverlichting aan te passen kan deze belemmering verminderd worden. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van vleermuisvriendelijke verlichting, delen van de woonwijk minder verlichten (bijvoorbeeld parken en waterlopen). • Groenstructuren: Het aanleggen van groenstructuren kan de soort bevorderen. Vooral de aanleg van lijnvormige groenstructuren heeft een positieve bijdrage voor de aanwezige vlieg- en migratieroutes in en bij het plangebied. o Als deze groenstructuren insectvriendelijk beheerd worden, heeft dit ook een positieve bijdrage op de foerageergebieden. 100 | 225

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13988596/1