20240329-bijlage-beantwoording-f-j-f-schaaij-conceptvisie-oostflank-groen-smp-oostflank-let-op-informatief-concept-ter-beoordeling-en-bespreking
Tekst van het document
3.2 Vogels Bij de inventarisatie naar de vogelsoorten zijn vele soorten waargenomen. In deze paragraaf worden 15 soorten behandeld. Eerst worden de gebouwbewonende vogels behandeld: huismus, gierzwaluw en boerenzwaluw, dan de roofvogels: buizerd en slechtvalk, volgend de bosvogels: wielewaal en spotvogel, de moerasvogels volgen daarna: roerdomp, snor, slobeend, kleine zilverreiger en smient. Als laatste worden de boerenlands- en weidevogels behandeld: ringmus, grauwe vliegenvanger, tureluur en visdief. 8.2.1
Huismus
Huismussen (Passer domesticus) vallen ook onder categorie 2, het zijn dus honkvaste soorten die elk broedseizoen op dezelfde plek terugkomen. Huismussen zijn koloniebroeders die zich in altijd dicht bij de mens bevinden. Ze zijn net als de gierzwaluw rotsbewoners. Ze broeden in bebouwing en zijn voor voedsel afhankelijk van wat de mens aanbiedt. Naast het voedsel uit voedselsilo en broodkruimels eten volwassen huismussen voornamelijk insecten en zaden van grassen en onkruid. Huismussen verplaatsen zich nooit ver van hun broedplek. Alle benodigdheden moeten dan ook in de buurt van de broedplek liggen, anders is het habitat niet geschikt voor de soort. De huismus bevindt zich in heel Nederland. Gebieden zoals de Veluwe en de meeste Waddeneilanden (behalve Texel) met weinig bebouwing worden minder bezet door de soort. Daarnaast vermijdt de soort ook bossen. Het ideale landschap voor de soort is kleinschalig cultuurlandschap met verspreide bebouwing.
Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
8.2.2
De huismus wordt gezien als een ‘uiterst talrijke broedvogel’ in Nederland, welke jaarrond aanwezig. In de negentiger jaren kende soort een afname van meer dan de helft van de broedparen in Nederland. Sindsdien zijn de aantallen op een laag niveau gestabiliseerd. De laatste jaren neemt de soort weer lichtelijk toe. Het aantal broedparen wordt in de periode van 2018 t/m 2022 geschat op 600.000 tot 1.000.000 Het plangebied is voornamelijk als foerageergebied vastgesteld voor de huismus. Tijdens de inventarisaties zijn eveneens broedterritoria vastgesteld. De bevinden zich bij de woningen in de naastgelegen wijk. De woningen binnen het plangebied zijn ook geschikt als broedplaatsen voor deze soort. Hierdoor is de verwachting dat de soort ook binnen het plangebied broedt. Bij de categorieën van de jaarrond beschermde nesten is de huismus categorie 2 De staat van instandhouding van de huismus staat op zeer ongunstig
Gierzwaluw
25 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
De gierzwaluw (Apus apus) is een koloniebroeder en maakt elk broedseizoen gebruikt van dezelfde plek voor het broeden. Ze zijn hierdoor afhankelijk van de bebouwing en het biotoop. Ze hebben specifieke eisen aan de nestplaats en deze zijn vaak gelimiteerd. De gierzwaluw is een gestroomlijnde behendige vogel met sikkelvormige vleugels. Ze hebben krachtige pootjes waarmee ze aan ruwe muren kunnen hangen. De gierzwaluw is een semi-koloniebroeder. Dit betekent dat de kolonievormig afhankelijk is van het aanbod van nestgelegenheid. Bij een groot aanbod van nestgelegenheid kan kolonievormig plaats vinden. De soort is van april t/m oktober in Nederland aanwezig en de winter brengen ze in de tropen door. In april komen de eerste dieren ons land binnen. Dit zijn over het algemeen jonge mannetjes die hier al eerder hebben gebroed. De soort is erg honkvast en keert altijd naar dezelfde locatie terug. De gierzwaluw eet vliegende insecten die ze tijdens het vliegen uit de lucht pakken. Per dag eten ze zo’n 10.000 insecten. Gierzwaluwen waren oorspronkelijk rotsbewoners en zijn nu in huizen en gebouwen te vinden. Ze nestelen hier in de donkere holtes van spleten in de muur, ventilatieschachten en onder dakpannen. Landelijke trend
De gierzwaluw is in heel Nederland te vinden. Ze komen vooral in woonwijken voor, hier hebben ze een voorkeur voor gebouwen van meer dan 50 jaar oud. In kleine dorpen en lintdorpen is de soort schaars aanwezig. Van alle Waddeneilanden komt de soort eigenlijk alleen op Texel in grote mate voor. De gierzwaluw is een soort die lastig te inventariseren is. Uit de bestaande gegevens is het niet mogelijk om een duidelijke trend te herleiden.
Functie plangebied
Het plangebied is voornamelijk als foerageergebied vastgesteld voor de gierzwaluw. Tijdens de inventarisaties is één broedterritorium vastgesteld, deze bevindt zich aan de rand van de woonwijk gelegen langs het plangebied. Dit foerageergebied is niet essentieel gevonden. Deze soort is niet afhankelijk van foerageergebieden. Gierzwaluwen leggen regelmatig grote afstanden af voor foerageergebieden als in hun directe omgeving geen geschikte foerageergebieden aanwezig zijn. • Hier valt de soort onder de Vogelrichtlijn. Bij de categorieën van de jaarrond beschermde nesten is de gierzwaluw categorie 2. • De staat van instandhouding van de gierzwaluw staat op gunstig.
Bijzonderheid:
8.2.3
Boerenzwaluw
De boerenzwaluw (Hirundo rustica) heeft een blauw met zwart gekleurde bovenkant. De rode voorkant van de kop maakt hem duidelijk te onderscheiden van andere vogelsoorten. De boerenzwaluw die in Nederland broedt, overwinterd in West- en centraal Afrika. Tussen eind maart en begin juni trekt de boerenzwaluw terug naar Nederland toe. Het broedseizoen loopt van mei tot augustus. De soort broedt in los kolonieverband en kan meerdere legsels hebben als de voedsel- en weersomstandigheden gunstig zijn. Een tweede legsel kan eventueel voorkomen tussen juni en juli en een derde legsel kan eventueel in augustus voorkomen. De soort legt ongeveer drie a zes eieren per legsel. De eieren komen na 12 tot 16 dagen broeden uit en de jongen verblijven gemiddeld 20 tot 24 dagen in het nest. Als het weer tegenvalt verblijven de jongen langer in het nest. De nesten worden van klei en leem gemaakt en worden meestal geplaatst op richels en randen in open schuren. Soms worden de nesten ook geplaatst onder bruggen, brede dakoverstekken, aan sluizen, of incidenteel op andere beschutte plaatsen. De boerenzwaluw vangt vanuit de vlucht vliegende insecten. Het dieet bestaat voornamelijk uit muggen. Deze komen vaak in zwermen voor boven stilstaande wateren en hier vliegt de boerenzwaluw dan ook veelal langs om te eten.
In september en oktober vertrekt de vogel weer in grote groepen uit Nederland richting Afrika. De trek vindt overdag plaats. De boerenzwaluw broedt in open schuren en onder brede dakoverstekken, onder bruggen en incidenteel ook op andere beschutte plaatsen. Het voedsel wordt gezocht in de lucht: het bestaat uit enorme hoeveelheden kleine vliegende insecten die in volle vlucht verzameld worden. Ook komt de boerenzwaluw
26 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
veel voor in de omgeving van water, waar de zwaluwen rakelings overheen scheren om insecten te verzamelen. Landelijke trend
De boerenzwaluw wordt gezien als een ‘zeer talrijke broedvogel’ in Nederland, welke wordt gezien als doortrekker in grote aantallen. In de laatste jaren van de twintigste eeuw is de soort afgenomen. Dit was mogelijk een gevolg van de modernisering van de landbouw. Hierdoor had de soort minder voedsel- en nestgelegenheden. Sinds de eeuwwisseling is de soort stabiel tot licht herstellend. De laatste jaren neemt de soort weer lichtelijk toe. Het aantal broedparen wordt in de periode van 2018 t/m 2022 geschat op 250.000 tot 340.000.
Functie plangebied
Het plangebied is voornamelijk als foerageergebied vastgesteld voor de gierzwaluw. Tijdens de inventarisaties is één broedterritorium vastgesteld, deze bevindt zich aan de rand van de woonwijk gelegen langs het plangebied. Dit foerageergebied is niet essentieel gevonden. Deze soort is niet afhankelijk van foerageergebieden. Gierzwaluwen leggen regelmatig grote afstanden af voor foerageergebieden als in hun directe omgeving geen geschikte foerageergebieden aanwezig zijn. • De staat van instandhouding van de boerenzwaluw staat op zeer ongunstig • Bij de categorieën van de jaarrond beschermde nesten is de boerenzwaluw categorie 5
Bijzonderheid:
8.2.4
Buizerd
De buizerd (Buteo buteo) is een roofvogel die erg gevarieerd is qua kleuren en tekeningen. Zijn kleur kan verschillen van donkerbruin tot wit. Een buizerd die licht van kleur is lijkt sterk op een ruigpootbuizerd. Het meest duidelijke verschil is te zien bij de staart. De buizerd heeft een gebandeerde staart en de ruigpootbuizerd heeft een volledig witte staart met donkere eindband. In Nederland bevinden zich buizerds die hier als standvogel voorkomen en buizerds die hier alleen overwinteren. De Noorse en Zweedse buizerd komen in het najaar Nederland aan en in maart en april gaan ze terug naar hun land van herkomst. De broedtijd in Nederland vindt plaats tussen april en mei. Het nest van de buizerd wordt ook wel een horst genoemd. Deze wordt meestal hoog in een boom geplaatst, maar het kan voorkomen dat de buizerd zijn horst wat lager in de struiken legt en soms zelfs op de grond neerzet. De buizerd verwisseld ieder jaar van nest en kan eerder gebruikte nesten of nesten van andere vogels renoveren en hergebruiken. Het nest is groot en bestaat uit takken. De buizerd legt meestal twee a vier eieren in het nest en heeft één legsel per jaar. De eieren hebben een wittige kleur met bruine vlekken. Na 33 tot 38 dagen broeden komen de eieren uit. Als de jongen 50 tot 60 dagen oud zijn, vliegen de jongen uit. De jongen worden nog wel zes a acht weken gevoerd na het uitvliegen.
De buizerd komt voor op plekken waar combinatie is van open land, genoeg voedsel en geschikte nestgelegenheid. Biotopen waar zij in voorkomen zijn moerasbossen, bossen afgewisseld met heide en boerenland, duinen met bosjes en steden met bosjes. Ze komen ook in lage aantallen voor in het midden van het bos. De buizerd is een opportunist, dus zijn dieet varieert enorm. Hij jaagt vanuit een zitplaats laag boven de grond en is voornamelijk opzoek naar kleine zoogdieren. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
8.2.5
De buizerd wordt gezien als een ‘vrij talrijke broedvogel’ in Nederland, welke jaarrond aanwezig is. Sinds de zeventiger jaren neemt de soort sterk toe. Door het verminderde gebruik van gifstoffen in de landbouw is deze soort er weer helemaal bovenop gekomen. Het aantal broedparen wordt in de periode van 2018 t/m 2020 geschat op 11.500 tot 20.000 Binnen het plangebied zijn verschillende nestlocaties waargenomen. Binnen het gebied broedt de soort. De weilanden naast het plangebied en de open stukken bij de golfbaan en tussen het Purmerbos wordt gebruikt als jacht-/foerageergebied. • •
De staat van instandhouding van de buizerd staat op gunstig Bij de categorieën van de jaarrond beschermde nesten is de buizerd categorie 4.
Slechtvalk
27 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
De slechtvalk (Falco peregrinus) komt in Nederland voor als standvogel, maar een deel van de trekvogels vanuit het noorden van Europa kunnen hier ook voorkomen. Hij is een solitaire en territoriale roofvogel. De vogel komt buiten broedperiode voornamelijk voor in open landschappen, zoals op het boerenland en uitwaarden op kwelders. De slechtvalk is vaak te zien op paaltjes en in hoge masten. Hij jaagt voornamelijk op vogels die van middelgroot formaat zijn en die open velden bewonen. In de steden jaagt hij het liefst op duiven. De slechtvalk jaagt meestal niet in de buurt van zijn nest. Zijn nest bouwt hij niet zelf. In Nederland broedt de slechtvalk op richels, in oude nesten van roofvogels of kraaien, kantoorgebouwen, torens en op het boerenland in hoogspanningsmasten. Op de Waddeneilanden kan zijn nest op de grond zijn. De broedperiode van de slechtvalk vindt plaats tussen februari en april. Hij heeft één legsel per jaar met twee a vier eieren. De broedduur zit tussen de 29 a 32 dagen en de jongen zijn vliegvlug na 35 a 42 dagen. Desondanks ze kunnen vliegen, worden de jongen nog twee maanden gevoerd. Landelijke trend
De slechtvalk werd in het verleden veel vervolgd en gevangen voor de valkenjacht, waardoor een dalende trend ontstond. In de jaren ’60 en ’70 was de populatie van slechtvalken in grote delen van Europa bijna uitgeroeid door het gebruik van pesticiden. Door beschermingsmaatregelen zoals, verbod op pesticiden, ophangen van nestkasten en uitzetting van de slechtvalk nam de populatie weer toe. In de afgelopen keren winters, is opnieuw een dalende trend te zien. Dit komt waarschijnlijk door een hoog pathogene vogelgriep, wat sterfte veroorzaakt bij de slechtvalk. De soort komt in heel Nederland voor en staat niet op de Nederlandse Rode lijst. De soort wordt beschermd door de Vogelrichtlijn. De referentie dichtheid is één a twee broedparen per 100 vierkante kilometer. De populatie dichtheid varieert en is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikte broedplaatsen en voedsel
Functie plangebied
Belangrijk jachtgebied. De slechtvalk broedt op richels en in oude kraaiennesten. Richels of andere hoge plekken zijn niet echt aanwezig in het plangebied, oude kraaiennesten kunnen wel aanwezig zijn.
Bijzonderheid:
• •
8.2.6
De staat van instandhouding van de in Nederland broedende slechtvalk staat op gunstig De slechtvalk staat op de Nederlandse Rode lijst als 'niet beschermd’ en wordt naast de Vogelrichtlijn niet extra beschermd. Het beleid is gericht op behoud van natuurlijke rotsachtige broedplaatsen en bescherming tegen verstoring.
Wielewaal
De wielewaal (Oriolus oriolus) is geel en zwart gekleurd vogeltje met een rode snavel. De soort overwinterd in Oost-Afrika en verschijnt tussen eind april en begin mei terug in Nederland. In mei begint het broedseizoen. De vogels hebben één legsel met daarin drie a vijf eieren. Jonge vogels en vrouwtjes zijn minder vel van kleur dan volwassen mannetjes. De jongen van het voorgaande jaar helpen de ouders bij het broeden en voeden van de jongen. Het nest van de wielewaal bevindt zich hoog in een boom in vochtige structuurrijke loofbossen. In de loofbossen zijn twee boomsoorten dominant. In dit soort loofbossen kunnen bladminnende insecten in grote aantallen voorkomen. Deze insecten soorten behoren tot het dieet van de wielewaal. De voornaamste insecten die worden gegeten zijn nachtvlinders en rupsen, maar de vogel eet ook bessen en ander fruit. In Nederland zit het nest meestal in grootbladige populieren. De wielewaal heeft een voorkeur voor plekken waar water in de buurt is. Periodieke overstromingen zorgen voor variatie in structuur leeftijdssamenstelling van het bos en dit is ideaal voor de wielewaal. De vogels vertrekken tussen juli en augustus weer terug naar hun overwinteringsgebied. Landelijke trend
De wielewaal vliegt al tientallen jaren heen en weer naar Nederland. De vogel is in deze periode meer dan gehalveerd in aantallen en dit is te danken aan verdroging van bossen, te weinig voedsel in agrarisch landschap, ontbossing en jacht. De bossen op droge zandgronden zijn nauwelijks meer bewoond door de wielewaal. Tegenwoordig verlaten ze 28 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
8.2.7
de eiken-berkenbossen en gemengde bossen voor de populierbossen in de Flevopolder en bij het Lauwersmeer. Het is belangrijk voor de wielewaal om te arriveren tijdens te rupsenpiek, echter is de kans dat de vogel steeds vaker te laat aankomt vanwege de lange trektocht. De afgelopen 10 jaar is een kleine toename in aantallen waargenomen, maar over het algemeen heeft de soort een dalende trend. De referentie dichtheid is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt loofbos. De populatie dichtheid is variabel en afhankelijk van broedgelegenheid en voedselaanbod. Belangrijk broedhabitat. Wielewalen geven de voorkeur aan loofbossen en parken met verspreide bomen waar ze hun nesten kunnen bouwen. Ze hebben ook open plekken nodig voor foerageren. • • •
De staat van instandhouding van de wielewaal staat op zeer ongunstig De soort staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ De verstoringsgevoeligheid van deze soort is groot
Spotvogel
De spotvogel (Hippolais icterina) is een vogel die in tropisch Afrika leeft en alleen naar Nederland toekomt om te broeden. De zomergast komt begin mei aan in Nederland en het broedseizoen start meteen. De spotvogel broedt vanaf begin mei tot juli. Nesten worden gebouwd van takjes en korstmossen. De binnenkant is bedekt met wol en bloemen. De vogel heeft één legsel per jaar met daarin vier a zes eieren. Na 12 tot 14 dagen broeden komen de eieren uit en 13 a 15 dagen later zijn ze vliegvlug. De jongen worden nog doorgevoerd voor twee a drie weken. De spotvogel geeft de voorkeur aan klei- en veengronden. Ze leven in diverse leefgebieden, waaronder loofbossen, struwelen, open landschappen met verspreide bomen en tuinen met dichte begroeiing. Belangrijke kenmerken van het habitat zijn de aanwezigheid van geschikte nestplaatsen, zoals dichte struiken en bomen. De soort zit veelal bij houtwallen, singels en boerenerven. De spotvogel eet voornamelijk insecten en in de zomer kunnen ze bessen toevoegen aan hun dieet. De jongen krijgen rupsen gevoerd. Eind juli beginnen de eerste spotvogels aan hun terugreis en de laatste zullen eind augustus uit Nederland vertrekken. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
8.2.8
De soort komt in geheel Nederland voor. Over het algemeen is de spotvogel afnemend in aantallen. De oorzaak van de afnemende aantallen is niet duidelijk. De mogelijk redenen kunnen zijn; het bosveroudering en veranderend bosbeheer, voedseltekort vanwege het gebruik van insecticiden in de landbouw en mogelijke problemen door klimaatveranderingen in de gebieden waar de soort overwinterd. De referentie dichtheid is afhankelijk van beschikbaarheid van geschikt broedhabitat. De populatie dichtheid is variabel en gerelateerd aan bosranden en struikgewas. Belangrijk broedhabitat. Spotvogels verkiezen gebieden met dichte struikgewassen en bosranden, waar ze hun nesten kunnen bouwen en insecten kunnen vangen. • •
De staat van instandhouding van de wielewaal staat op zeer ongunstig De soort staat op de Nederlandse rode lijst als ‘gevoelig’
Roerdomp
De roerdomp (Botaurus stellaris) is zowel een stand- als trekvogel. Als de winters streng zijn trekken de Nederlandse broedvogels deels naar Zuid-Frankrijk toe. Nederland kan in de winter ook bezoek krijgen van vogels die hier niet broeden. Deze vogels zijn afkomstig uit Noord- en Oost-Europa. Het broedseizoen in Nederland vindt plaats tussen april en juni. In Nederland hebben ze één legsel met vier a vijf eieren. Het vrouwtje broedt de eieren en verzorgd de jongen meestal alleen. Na 25 tot 26 dagen komt het eerste ei uit. De oudere jongen concurreren de jongste vaak weg. Na 15 tot 20 dagen verlaten de jongen het nest en na 50 tot 55 dagen zijn ze vliegvlug. De roerdomp is territoriaal en jaagt ook andere soorten vogels weg. De 29 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
roerdomp broedt in rietland met rietstengels van voorgaande jaren (overjarig rietland). Hij zoekt zijn voedsel in de moerassige plantengroei langs de oevers van open water, van rietland tot zegge-, dotter- of watermuntvegetaties. De roerdomp houdt zich met de poten met lange tenen vast aan riet en kan zo behendig door dichte plantengroei sluipen op zoek naar prooien. De vogel eet voornamelijk vissen, kikkers, grote insecten en ’s winters eten de standvogels ook muizen. Hij foerageert graag in ondiep water in brede waterrietvelden en in randen van waterrietzones aan de waterzijde, in kleinschalig oppervlaktewater waar riet het water ingroeit, en aan de landzijde in vochtig dan wel ruig, bij voorkeur beschut grasland. De soort heeft minimaal 0.5-1 km aan geschikte randzones nodig per territorium. Roerdomp broedt ook in riet dat in dieper water staat, met een waterdiepte tot 0,5 m. De snor broedt zowel in nat rietland met moerasvaren als in rietlanden met een zeggevegetatie. Porseleinhoen broedt vooral in natte zeggevegetaties, of in zeggerijke, kletsnat schraalland. Roerdomp is tenslotte vooral te vinden in rietlanden die vrijwel geheel uit de soort riet bestaan (mono-riet). Zowel roerdomp als porseleinhoen broedt bij voorkeur in rietlanden waar weinig struweel en bos aanwezig is (oppervlak <2%). Landelijk trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
Eeuwen geleden leefden duizenden roerdomp broedparen. In de jaren ’70 waren nog 500 a 700 broedparen over. Begin jaren ’90 zakte de paren af tot 150 a 180 broedparen. De roerdomp nam hierna in aantallen toe tot 2002. De standvogels lijden grote verliezen in strenge winters., waardoor de soort over het algemeen weer wat afnemend is. De vogel krijgt de afgelopen jaren meer aandacht en hierdoor neemt de kwaliteit van de leefgebieden van de roerdompen toe, waardoor de aantallen ook toenemen. De Oostvaardersplassen, Noordwest-Overijssel, Friesland en Noord-Holland zijn de belangrijkste broedplaatsen van de roerdomp. In onder andere Zuid-Holland en Groningen worden nieuwe rietmoerassen ontwikkeld, waardoor meer leefruimte ontstaat voor de roerdomp. De referentie dichtheid is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt habitat. De populatie dichtheid is variabel en gerelateerd aan de beschikbaarheid van moerassige gebieden Biedt potentieel geschikt leefgebied. Roerdompen geven de voorkeur aan uitgestrekte moerasgebieden met dicht riet en ondiepe wateren. Het gebied moet voldoende rustig zijn om verstoring te minimaliseren. •
• •
8.2.9
De staat van instandhouding van de in Nederland broedende roerdomp staat op gunstig. De staat van instandhouding van de niet in Nederland broedende roerdomp staat ook op gunstig De roerdomp staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ De roerdomp is samen met andere moerassoorten (paling, noordse woelmuis en het baardmannetje) opgenomen in het Actieplan Bedreigde Vogels van de Vogelbescherming
Snor
De snor (Locustella luscinioides) is een vogel die lange afstanden aflegt. De vogels die in Nederland broeden overwinteren in Senegal, Mali, Ghana en Tsjaad. Vanaf februari begint de trektocht terug naar Nederland en de broedplaatsen worden bezet vanaf begin april tot in mei. De snor komt voor in dichte, brede en natte rietlanden waar riet- en zeggenvegetaties zijn, of moerasvaren voorkomen. Hij eet voornamelijk insecten die tussen de vegetatie en vlak boven het water voorkomen. De snor broed van half mei tot begin juli en heeft meestal twee legsels met drie tot zes eieren. Na 12 tot 14 dagen broeden komen de eieren uit en de jongen verblijven 11 tot 15 dagen in het nest. Het nest wordt gebouwd in oud, staand riet. Het nest zit verborgen op zompige grond in vegetatie naast het water of is vlak boven het water geplaatst. Het is belangrijk voor het nest dat een ondergroei van ruigtekruiden of geknikte, oude rietstengels aanwezig is. Vanaf augustus tot begin september begint de snor aan zijn trektocht terug naar Afrika. De trek vindt ’s nachts plaats. *
30 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
De snor is sinds 1975 in aantallen afgenomen in Nederland. De droogte in de Sahel, het onnatuurlijke waterbeheer in Nederland, de verdroging en verruiging van oevervegetatie en het omzetten van rietlanden naar akkerland zijn allemaal factoren waar de snor last van heeft. De soort komt voornamelijk voor bij de Oostvaardersplassen en in enkele laagveenmoerassen. De belangrijkste broedgebieden van de snor zijn Friesland, Flevoland, Noord-Overijssel en de Biesbosch. De soort broedt nauwelijks in het noorden en zelden langs de kust. Hij komt in schaarse aantallen voor in het hoger gelegen Nederland. De snor is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt leefgebied. De referentie dichtheid is afhankelijk van geschikte rietvegetatie en de populatie dichtheid is gerelateerd aan beschikbaarheid van rietmoerassen Belangrijk broedhabitat. Snorren zijn te vinden in rietmoerassen met dicht en hoog riet. Ze vereisen deze dichte begroeiing voor broedplaatsen en bescherming. Het plangebied kan dienen als potentieel broedgebied en foerageerlocatie voor de snor, op voorwaarde dat geschikte habitatkenmerken aanwezig zijn. Biotoop omvat dichte rietvegetatie met rustige wateren voor voedselvergaring. Het plangebied moet voorzien in geschikte broedgebieden met dekking en rustige wateren voor voedselvergaring.
Beheersmaatregelen moeten verstoring van broedende snorren minimaliseren, vooral tijdens het broedseizoen. • De soort staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘kwetsbaar’ De staat van instandhouding van de snor staat op matig ongunstig •
8.2.10 Slobeend De slobeend (Spatula clypeata) heeft een brede platte snavel in de vorm van een lepel. Dit is een duidelijk herkenningspunt om de soort te onderscheiden van de wilde eend. De Nederlandse slobeend populatie bestaat deels uit standvogels, maar voornamelijk uit trekvogels. De trekvogels komen vanuit Zuid-Europa en Afrika onder andere naar Nederland toe om te broeden. De trekvogel komt ons land binnen in maart. De slobeend geeft voorkeur aan ondiepe zoetwatergebieden, zoals plassen, vennen en moerassen, met rijke vegetatie aan de oever. Belangrijke kenmerken van het habitat zijn de aanwezigheid van ondiep water met voldoende voedselaanbod en beschutting. Het dieet van de slobeend bestaat uit plantaardig voedsel, dierlijk plankton, insectenlarven, zaden, kreeftachtigen en dergelijke. De gespecialiseerde snavel helpt bij het filteren van het water. Het broedseizoen begint in april en duurt tot juni. Bijna alle slobeenden zijn plaatstrouw en proberen op dezelfde plaats als voorgaande jaren te broeden. Het nest bouwen ze op een perceel naast het water in een beschutte plek. Vrouwtjes broeden in losse groepen of met een aantal andere paren en de mannetjes waken in de nabij gelegen wateren. De paren hebben één legsel, maar kunnen een tweede beginnen als de eerste verloren gaat. De standvogels bezoeken in de winter brak water lagunes langs kust en getijdengebieden.
De trekvogels vliegen in september en oktober weg om te overwinteren in warmere landen in Zuid-Europa en Afrika. Het verenkleed vernieuwd zich in het najaar. Dit wordt ook wel ruiing genoemd.* Landelijke trend
Sinds het begin van de jaren ’60 is de slobeend als broedvogel met 25% tot 50% verminderd. Ze zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt leefgebied. Door verdroging van duingebieden en hoge gronden komt de soort sinds 1990 steeds minder op deze plekken voor. De verdroging is deels een gevolg van het verlagen van het waterpeil en het steeds intensiever gebruiken van agrarisch grasland. De soort komt het meest voor in polders in West-Nederland. In de maanden maart tot april en augustus tot november zijn de aantallen het hoogst, vanwege het broedseizoen en de ruiing. Tijdens het broedseizoen zijn de hoogste aantallen te vinden in veenweidegebieden. De ruiende slobeend zit in de nazomer in grote aantallen bij de Oostvaardersplassen en delen van het Deltagebied. De referentie dichtheid is afhankelijk van beschikbaarheid van geschikt waterhabitat. De populatie dichtheid is variabel en afhankelijk van voedselaanbod en waterkwaliteit.
31 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
Belangrijk foerageergebied. Slobeenden gedijen goed in zoetwatermeren, vijvers en drassige gebieden met voldoende watervegetatie voor nestbouw en beschutting. • •
De slobeend staat op de Rode Lijst als ‘kwetsbaar’. De staat van instandhouding van de in Nederland broedende slobeend staat op zeer ongunstig. De staat van instandhouding van de niet in Nederland broedende slobeend staat op gunstig.
8.2.11 Kleine zilverreiger De kleine zilverreiger (Egretta garzetta) is goed te onderscheiden van de andere reigers door zijn zwarte snavel en gele poten. De soort trekt vanuit Afrika naar Nederland toe om te broeden. Ze komen tussen maart en april aan in Nederland en het broedseizoen vindt plaats tussen mei en juni. De kleine zilverreiger geeft de voorkeur aan moerassen, plassen, rietvelden en andere natte gebieden met ondiep water. Belangrijk is de aanwezigheid van ongestoorde zoetwaterlichamen met voldoende voedselaanbod, zoals vis en ongewervelde dieren. De kleine zilverreiger heeft voorkeur om te broeden bij zachthoutooibossen langs ondiep zoetwater. Het nest is van takken gemaakt en in struiken, bomen, riet of op de grond gebouwd. De kleine zilverreiger broedt in kolonies. Als ze met kleine aantallen zijn, sluiten ze aan bij kolonies van andere reigersoorten, lepelaars of grote meeuwen. Broedparen hebben één legsel waar drie a vijf eieren inzitten. Beide ouders broeden en na een broedtijd van 21 tot 25 dagen komen de eieren uit. De jongen verlaten na 30 dagen het nest en als ze 40 tot 45 dagen oud zijn, zijn ze vliegvlug. Als ze uit het nest zijn, blijven ze nog wel bedelen om voedsel bij hun ouders. In zachte winters verblijven de Nederlandse broedvogels meestal in eigen land en met strengere vorst overwinteren ze in nabije landen.
De andere groepen en kolonies kleine zilverreigers trekken weg in de winter naar Afrika. De trektocht vindt overdag plaats. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
In 1979 had een kleine zilverreiger-paar een incidenteel broedgeval in Nederland. Sinds 1994 komt de soort iedere jaar weer terug om te broeden en de soort nam tot 2009 toe in ons land. Na 2009 nam het aantal af, echter lijkt de soort zich nu te stabiliseren. De soort kan niet goed tegen strenge winters en dit is terug te zien. Tijdens koudere winterperiodes is een dalende trend zichtbaar voor de kleine zilverreiger die in Nederland overwinterd. In Nederland broedt de kleine zilverreiger het meest in het Deltagebied, gevolgd door het Waddengebied. De soort komt ook voor in de Oostvaardersplassen. Verder is de soort vrijwel niet te vinden in het diepe binnenland. De soort is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt leefgebied. De referentie dichtheid is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt waterhabitat. De populatie dichtheid is variabel en afhankelijk van voedselaanbod. Kleine zilverreigers geven de voorkeur aan zoetwaterhabitats zoals meren, vijvers en moerassen met ondiep water, waar ze kunnen foerageren op vis en andere kleine waterorganismen. Het plangebied kan dienen als potentieel foerageergebied voor de kleine zilverreiger, op voorwaarde dat geschikte wetlands en waterlichamen aanwezig zijn. Biotoop omvat ondiepe wateren met voldoende visrijkdom en rietvelden.
Het plangebied moet voldoen aan de eisen voor geschikte foerageer- en broedhabitat voor kleine zilverreigers. Beheersmaatregelen moeten verstoring van foeragerende vogels minimaliseren. • •
De soort staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘gevoelig’. De staat van instandhouding van de in Nederland broedende kleine zilverreiger staat op gunstig.
8.2.12 Smient De smient (Mareca penelope) is een eenden soort die van Scandinavië en Siberië naar Nederland toekomt
32 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
om hier te overwinteren. Ze overwinteren in ondiepe zoete en zoute wateren, zoals estuaria, meren en plassen. De smient komt in oktober en november aan in Nederland en vertrekt weer tussen februari en april. Een klein gedeelte van de smientparen blijven wel in Nederland, maar zekere broedgevallen zijn zeldzaam. De broedgevallen in Nederland zijn bijna allemaal voorgekomen in waterrijke poldergebieden in het noorden en westen van het land, waaronder het rivierengebied. Smienten broeden normaliter in toendragebieden en broekbossen in het noordpoolgebied. Ze broeden van mei tot en met juni en hebben meestal één legsel, waar zeven tot acht eieren inkomen. Als het misgaat kan een tweede legsel komen. De broedtijd bedraagt 23 tot 25 dagen en 45 dagen kunnen de jongen vliegen. Belangrijk is de aanwezigheid van ongestoorde broedgebieden en voldoende voedselaanbod tijdens de overwintering. Het dieet van de eend bestaat volledig uit plantaardig voedsel, behalve tijdens het broedseizoen. Alleen het vrouwtje voegt muggen toe aan haar dieet om fit te blijven. Landelijke trend
Functie plangebied
Mitigatie plan
Bijzonderheid:
De aantallen namen tot 1990 toe en zakte na 2000 weer af. De oorzaak hiervan is voornamelijk het afgenomen broedsucces in noordelijke gebieden. Afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt leefgebied. De referentie dichtheid is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt waterhabitat. De populatie dichtheid is variabel en afhankelijk van voedselaanbod. Belangrijk leefgebied. Smienten verblijven in zoetwatermeren, vijvers en moerassen tijdens het broedseizoen. In de winter zijn ze te vinden in kustgebieden en estuaria. Werkzaamheden moeten rekening houden met mogelijke verstoring van foeragerende smienten in de winterperiode. • De nieuwe (tijdelijke) verblijfplaatsen dienen bij voorkeur direct bij de aanvang van de werkzaamheden beschikbaar te zijn. Indien dit niet mogelijk is, niet later dan 12 maanden na aanvang van de werkzaamheden. • Bij het aantasten van de huidige verblijfplaatsen dient dit buiten de kwetsbare periode van de soort uitgevoerd te worden (april-september).
• •
De smient staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘gevoelig’. De staat van instandhouding van de in Nederland broedende smient staat op gunstig. De staat van instandhouding van de niet in Nederland broedende smient staat op matig ongunstig.
8.2.13 Ringmus De ringmus (Passer montanus) lijkt veel op de huismus maar is te onderscheiden door zijn roodbruine kop en zwartige wangvlekken. Hij is over het algemeen een standvogel in Nederland, maar na de broedtijd trekt een klein deel weg. In de winter komen andere populaties vanuit Noord- en Oost-Europa naar Nederland toe om hier te overwinteren. Vanaf maart tot april trekken deze populaties terug naar hun land van herkomst. Eind april begint het broedseizoen in Nederland. Ringmussen zijn holenbroeders en nestelen vaak in gebouwen (bijvoorbeeld onder dakpannen) en natuurlijke holtes van bomen en struiken. Soms nestelen ze in opgehangen nestkasten voor koolmezen en af en toe ook naast de nesten van ooievaars en buizerds. De ringmus prefereert een omgeving met veel struikgewas, weilanden en oude bomen. Plekken waar ringmussen voorkomen zijn kleinschalige cultuurlandschappen met bouwland, erven en in dorpen. Ze broeden af en toe in kolonies en hebben twee (soms drie) legsels van twee a zeven eieren. Na 11 tot 14 dagen broeden komen de eieren uit. Na 15 a 20 dagen verlaten de jongen het nest. Ze eten vooral graan, onkruidzaad en insecten. Landelijke trend
Over het algemeen heeft de soort een dalende trend. De ringmus is gehalveerd in aantallen sinds 1990. Het vervangen van graanteelt door maiscultuur, het weghalen van heggen en houtwallen en grootschalig gebruik van bestrijdingsmiddelen hebben gezorgd voor een steeds minder geschikte platteland voor veel diersoorten, zoals de ringmus. Het voedselaanbod en nestgelegenheid wordt steeds minder. De referentie dichtheid is
33 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
afhankelijk van beschikbaarheid van geschikte leefgebieden. De populatie dichtheid is variabel en gerelateerd aan landbouwpraktijken Belangrijk broed- en foerageergebied. Ringmussen gedijen goed in agrarische gebieden met voldoende dekking, zoals heggen en bomenrijen. Ze maken hun nesten vaak in menselijke structuren. Het plangebied kan een potentiële broedplaats en foerageergebied bieden voor ringmussen. Biotoop omvat gebouwen, bomen en struiken in de nabijheid van menselijke bewoning. Het plangebied moet geschikte nestplaatsen en voedselbronnen bieden voor ringmussen. Beheersmaatregelen moeten de beschikbaarheid van geschikte nest- en foerageergebieden waarborgen. • •
De smient staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘gevoelig’. De staat van instandhouding van de in Nederland broedende ringmus staat op zeer ongunstig. De staat van instandhouding van de niet in Nederland broedende ringmus staat op zeer ongunstig.
8.2.14 Grauwe vliegenvanger De grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) is dof grijs van kleur en is territoriaal. De soort is bij uitstek een lange afstandstrekker. Hij overwinterd in westelijk- en zuidelijk Afrika en begint in februari aan de terugtocht naar Nederland toe. Soms vindt de trektocht van de grauwe vliegenvanger overdag plaats in het voorjaar. Eind april komen de eerste terug in Nederland aan. Vanaf eind april tot aan juli zingt het mannetje. De broedtijd start half mei en loopt af en toe door tot half augustus. Grauwe vliegenvangers prefereren bosrijke gebieden en open landschappen met verspreide bomen en struiken. Voorbeelden hiervan zijn boerenerven, open loofbossen, bosranden met struwelen en parkachtige gebieden. De nesten worden in klimop tegen de stam, tegen schuttingen of gebouwen en in scheuren en grote holen van bomen gebouwd. Geregeld kan hij ook in halfopen nestkasten broeden. De grauwe vliegenvanger heeft meestal één nest en soms twee nesten in het broedseizoen, waar vier a vijf eieren inliggen. Na 13 dagen broeden komen de eieren uit. Na 12 a 17 dagen zijn de jongen vliegvlug, waarna ze nog 12 a 32 dagen gevoerd worden. Eventueel kunnen ouderparen hierna nog een nest beginnen. Grauwe vliegenvangers zoeken vanaf een uitkijkpost naar hun prooien, vangen deze en vliegen vervolgens weer terug naar hun uitkijkpost.
Het dieet bestaat met name uit vliegende insecten, maar kevers, spinnen en dergelijke worden ook gegeten. In het najaar kunnen bessen worden toegevoegd aan het dieet. Ongeveer vanaf augustus beginnen de grauwe vliegenvangers aan de trek richting Afrika. De trek vind ’s nachts plaats en uiterlijk half november zijn ze gearriveerd in hun overwinteringsgebied. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
De landelijke trend van de grauwe vliegenvanger daalde sinds 1990 en is sinds de afgelopen 10 jaar weer stabiel. De dichtheid van grauwe vliegenvangers kan variëren afhankelijk van beschikbare broedgebieden en voedselaanbod. Een lokale toename van de populatie is vaak het gevolg van een geschikter en ouder wordende bos. Ze komen voornamelijk voor in bosrijke gebieden zoals de Veluwe, Utrechtse Heuvelrug, Achterhoek, Noordoost-Twente en West-Drenthe. Daarnaast worden ze opvallend vaak in eendenkooien waargenomen. De grauwe vliegenvanger is nergens in bijzonder hoge aantallen waargenomen Het plangebied kan een potentiële broedplaats en foerageergebied bieden voor grauwe vliegenvangers. Het biotoop omvat open landschappen met verspreide bomen en struiken. Het plangebied moet geschikte nestplaatsen en voedselbronnen bieden voor grauwe vliegenvangers en de beheersmaatregelen moeten de beschikbaarheid van geschikte broed- en foerageergebieden waarborgen.
• •
De Grauwe Vliegenvanger is opgenomen in de categorie "Kwetsbaar" De staat van instandhouding van de grauwe vliegenvanger staat op zeer ongunstig.
34 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
8.2.15 Tureluur De tureluur (Tringa totanus) is een inheemse steltloper met lange poten. De poten en snavel zijn rood van kleur en zijn verenkleed is grijsbruin met lichte vlekjes. De achtervleugel is wit met bruine strepen en hiermee is hij te onderscheiden van soorten die op de tureluur lijken. De tureluur is grotendeels een trekvogel, echter verblijft een deel van de broedende tureluurs het gehele jaar door in Nederland. Tureluurs geven tijdens het broedseizoen de voorkeur aan natte graslanden en gebieden in de buurt van ondiep water. Tijdens de broedperiode eet de tureluur voornamelijk insecten, wormen en spinnen. Buiten de broedperiode bevindt de vogel zich voornamelijk in getijdengebieden en bestaat het dieet ook uit kreeftachtigen, mollusken en kleine visjes. De nesten bevinden zich op de grond met pol grassen eromheen die beschutting bieden. De legtijd van de standvogel populatie in Nederland valt tussen april en juni. De tureluur legt gemiddeld vier eieren en broed 23 a 24 dagen. De tureluur is monogaam en zowel het mannetje als vrouwtje broeden. De vogel broed in half-kolonies en desondanks dat ze territoriaal zijn, broeden ze dicht bij elkaar. De jongen van de tureluur zijn nestvlieders en zijn vliegvlug na 23 a 25 dagen. Ze hebben oranje gele poten. De trekvogels vliegen in het najaar terug naar het zuiden om daar te overwinteren. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
Over het algemeen is de landelijke trend afnemend, maar de getelde aantallen schommelen al decennia lang zonder duidelijke trend. Tijdens het broedseizoen bevindt de tureluur zich voornamelijk in het lage gedeelte van Nederland bij de polders en sloten met kruidenrijk grasland. Buiten het broedseizoen bevinden ze zich voornamelijk in het getijdengebied bij de Waddenzee en bij het Deltagebied. De referentie dichtheid is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt broedhabitat. De populatie dichtheid is variabel en gerelateerd aan moerasgebieden. Tureluurs broeden in moerassen en natte weilanden. Ze foerageren langs de kustlijn en in ondiepe wateren. Het plangebied kan een potentiële broed- en foerageerlocatie bieden voor Tureluurs. Biotoop omvat natte graslanden en ondiepe watergebieden. Beheersmaatregelen moeten de beschikbaarheid van geschikte broed- en foerageergebieden waarborgen. • •
De tureluur is geen algemene soort en staat op de Nederlandse Rode lijst als ‘gevoelig’. De staat van instandhouding van de in Nederland broedende tureluur staat op zeer ongunstig. De staat van instandhouding van de niet in Nederland broedende tureluur staat op matig ongunstig.
8.2.16 Visdief Visdieven zijn koloniegewijs broedende vogels van de kust en visrijke wateren in het binnenland. Bij voorkeur broeden ze op eilandjes en andere voor grondpredatoren moeilijk bereikbare plaatsen met een vrijwel kale tot grazige bodem. Visdieven eten graag kleine rondvis, die meestal duikend bemachtigd wordt. Bij gebrek aan rondvis schakelen ze over op kleine platvis, garnalen, kikkervisjes etc. ‘Onze’ visdieven overwinteren langs de West-Afrikaanse kust, van Mauritanië tot NigeriaVisdieven komen hoofdzakelijk voor in kustgebieden, maar ook in het binnenland zijn kolonies te vinden, in waterrijke graslanden en op platte grinddaken. Ook natuurontwikkelingsgebieden langs de grote rivieren voorzien in geschikte broedgelegenheid voor de visdief. Ze zoeken hun voedsel in zoete en zoute milieus: intergetijdenzone, kust, moeras, rivieren, beken en meren. Landelijke trend
De visdief is de meest algemene stern in Nederland. In de jaren ’60 vond veel lozing van landbouwbestrijdingsmiddelen plaats en hierdoor waren van de 40.000 visdief broedparen, maar 5000 broedparen overgebleven. Na een verbod op het lozen van landbouwbestrijdingsmiddelen herstelde de soort en tussen 2020 en 2022 waren naar schattig tussen de 13.000 en 16.750 broedparen in Nederland. De afgelopen jaren is weer een dalende trend te zien. De redenen voor het opnieuw afnemen van de hoeveelheid visdieven zijn gebrek aan voedsel en de afname van beschikbare broedplaatsen. Door overbevissing langs de kust en in het IJsselmeer is een schaarste aan voedsel. Daarnaast maakt de toename van eutrofiering in de binnenwateren het ook lastiger voor de visdief 35 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Functie plangebied
Mitigatie plan Bijzonderheid:
om te zien waar de vissen zwemmen. De afname in broedplaatsen komt door de toename in recreatie, begroeiing en predatie. De visdief is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikt leefgebied. De referentie dichtheid is afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikte broedplaatsen en voedsel en de populatie dichtheid is variabel en gerelateerd aan kustgebieden Visdieven broeden op afgelegen eilandjes en zandbanken in kustgebieden. Ze hebben open water nodig om te duiken en vis te vangen. Het plangebied kan een potentiële broedlocatie bieden voor de visdief, mits geschikte broedplaatsen en voedselbronnen aanwezig zijn. Het plangebied biedt weinig geschikte broedplekken maar wordt desondanks gebruikt als foerageergebied. Werk gefaseerd; behoud zo veel mogelijk visrijk water tot beschikking om op te foerageren • •
De visdief staat op de Nederlandse Rode lijst en heeft de status ‘gevoelig’. De staat van instandhouding van de in Nederland broedende visdief staat op zeer ongunstig. De staat van instandhouding van de niet in Nederland broedende visdief staat op zeer ongunstig.
3.3 Grondgebonden zoogdieren Bij de inventarisatie naar de grondgebonden zoogdiersoorten zijn een aantal soorten waargenomen. In deze paragraaf worden zeven soorten behandeld. Eerst worden de hermelijn en wezel behandeld. Vervolgens komen de egel, haas en vos aanbod. Als laatste worden de muizen behandeld: noordse woelmuis en waterspitsmuis. 8.3.1 Hermelijn De hermelijn (Mustela erminea) behoort tot de kleine marters, samen met de bunzing en de wezel. De hermelijn is te herkennen aan de zwarte punt op de staart en de witte vacht in de winter. De soort kan in alle habitats voorkomen, zolang dekking aanwezig is. De hermelijn heeft voorkeur voor variatie in vegetatie, zoals een mix van struiken, bomen en open plekken in bijvoorbeeld bosranden, moerassen, heidevelden en graslanden. De soort leeft solitair en in territoria van tussen de vier en 50 hectare groot. Hij is zowel ’s nachts als overdag actief. Ze houden tussendoor kleine pauzes om uit te rusten. Het voedsel bestaat uit woelmuizen, ratten, vogels, vogeleieren en konijnen. Hermelijnen kunnen prooien aan die groter zijn dan zijzelf. Ze doden de prooi dan met een krachtige beet in de nek. Hermelijnen verblijven in oude mollenholen of konijnenholen. Om zich te oriënteren en te verplaatsen door het landschap gebruikt de hermelijn lijnvormige structuren die dekking bieden zoals heggen en muurtjes.
Het dier kan goed zwemmen en jaagt ook in het water. De hermelijn gebruikt oude nesten van andere dieren of maakt een nest in ruimtes tussen rotsen of in holle bomen. De binnenkant van het nest wordt bekleed met vacht van knaagdieren. Het voortplantingsseizoen valt in mei en juni. Na bevruchting van de eicel, treedt de cel in slaaptoestand en na acht tot tien maanden begint de actieve draagtijd. De actieve draagtijd start dan ongeveer tussen april en mei en duurt 10 weken. Vrouwtjes zijn na enkele weken geslachtsrijp. Mannetjes zijn geslachtsrijp na hun eerste winter. De hermelijn kan 10 jaar oud worden, maar nomaliter worden ze niet ouder dan twee jaar. Landelijke trend
De hermelijn bevindt zich in heel Nederland. In Gelderland en Noord-Brabant is de soort niet waargenomen. Van de Waddeneilanden zit de soort alleen op Texel. Sinds de komst van de vos in de jaren ’70 is een dalende trend weergeven van de hermelijnpopulatie in de kuststrook. De afname van geschikt leefgebied door verschraling van het landschap en het grootschaliger wordende landschap heeft ook een negatief effect op de hermelijn. Daarnaast is de hermelijn slachtoffer van verkeersongelukken, muizen- en rattengif, parasieten en de muskusrattenklem. De hermelijn werd regelmatig gevangen in muskusrattenklemmen, maar door aangepaste vangmiddelen zijn de klemmen gerichter geworden en wordt de hermelijn steeds minder vaak gevangen. Door de dalende trend
36 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
van de woelrattenpopulatie, is ook een dalende trend te zien bij de hermelijn. Landelijk gezien lijkt de populatie van hermelijnen te fluctueren. Het plangebied fungeert jaarrond als leef- en jachtgebied voor hermelijnen, met voldoende voedsel, dekking door dichte struikvegetatie en nestmogelijkheden. De bosrand en struikvegetatie rondom het open gebied bevat lijnvormige structuren welk de hermelijn kan gebruiken om te navigeren in het gebied. • • •
De hermelijn is onder de Habitatrichtlijn in Nederland een zwaar beschermde soort De hermelijn staat op de Nederlandse rode lijst vermeld als “gevoelig”.. De landelijke staat van instandhouding van hermelijn is op dit moment ongunstig,
8.3.2 Wezel De wezel (Mustela nivalis) is het kleinste roofdier van Europa. Hij wordt veel verward met de hermelijn. Echter heeft de wezel geen zwarte staartpunt en wordt hij ook niet wit in de winter. De wezel heeft een voorkeur voor een droog en open cultuurlandschap, maar leven ook in bossen, duinen, wei- en akkerland. De wezel komt in drogere gebieden voor dan de hermelijn. Goede schuilmogelijkheden zijn bijvoorbeeld heggen en houstapels. Schuilplaatsen en voldoende voedsel zijn een vereiste voor de soort. Als de woelmuizen ontbreken, ontbreekt de wezel ook al snel. Wezels jagen namelijk bijna alleen op woelmuizen. Als het gebied niet beschikt over voldoende woelmuizen, dan jaagt de wezel ook op andere muizensoorten, ratten, mollen, vogeltjes, eieren, slakken en kikkers. De wezel kan zelf ook een prooi zijn, voornamelijk voor uilen, bunzingen en vossen. Wezels zijn dagactief met momenten van rust. Het dier leeft in territoria van tussen de één tot 25 hectare groot. Hij leeft voornamelijk solitair, behalve tijdens de paringstijd. Deze periode valt voor de wezel tussen februari en april. Na ongeveer 35 tot 40 dagen worden vijf tot zeven jongen geboren rond mei. Als de omstandigheden gunstig zijn en de woelmuizen in hoge aantallen voorkomen, heeft de wezel nog een tweede worp. De jongen zijn na twee tot drie maanden zelfstandig en na een jaar zijn ze geslachtsrijp.
Het nest van de wezel bestaat uit bladeren of gras in een spleet of hol. De wezel leeft meestal één jaar, maar kan ook vijf tot zes jaar worden. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
De wezel komt in heel Nederland voor, behalve bij de Waddeneilanden. De wezel is slachtoffer van verkeersongelukken, intensivering van de landbouw, parasieten, muizenen rattengif en soms van muizenvallen. Het eten van vergiftigde muizen en ratten is dodelijk voor zowel de wezel als de hermelijn. Het gebrek aan schuilmogelijkheden is ook een bedreiging voor de wezel. Desondanks al deze bedreigingen lijkt de landelijk trend van de populatie van wezels stabiel te blijven. Het plangebied fungeert als jachtgebied voor wezels, met voldoende dekking en prooidieren. Het gebied heeft ook voldoende open delen en beschutting wat voor de soort belangrijk is. Hierdoor wordt de wezel in het plangebied verwacht. • • •
De wezel is onder de Habitatrichtlijn in Nederland een zwaar beschermde soort De wezel staat op de Nederlandse rode lijst vermeld als “gevoelig”.. De landelijke staat van instandhouding van wezel is op dit moment ongunstig.
8.3.3 Egel De egel (Erinaceus europaeus) heeft een rond lichaam en een spitse neus. Het dier heeft stekels op zijn rug en op de bovenzijde van zijn kop. Op de overige plekken is de egel bedekt met lange stugge haren. Als de egel zich bedreigd voelt kan hij zich oprollen tot een bal door middel van zijn kringspier, waardoor alle stekels overeind staan. Egels zijn actief in de nacht en gaan dan opzoek naar eten. Het dieet van de egel bestaat voornamelijk uit insecten, maar soms eet hij ook muizen, kikkers, padden, eieren en bessen. Overdag zijn ze 37 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
aan het slapen in een nest gemaakt van bladeren en mos. De nesten bevinden zich vaak onder bramenstruiken, takkenbossen, composthopen, konijnenholen of andere moeilijk begaanbare plekken. Egels bewonen diverse leefgebieden, waaronder tuinen, parken, bossen en graslanden met voldoende dekking en voedselbronnen. Belangrijke kenmerken van het habitat zijn de aanwezigheid van beschutting, zoals dichte vegetatie, houtstapels en composthopen. Het behoud van variatie in vegetatie, met een mix van struiken, bomen en open plekken, draagt bij aan een geschikt habitat voor de egel. De paartijd vindt plaats tussen mei en augustus en het vrouwtje heeft een draagtijd van ongeveer vijf weken. Gemiddeld worden vijf jongen geboren. Na drie weken gaan de jongen met de moeder mee op pad en na zes weken zijn ze zelfstandig. De jongen overwinteren met elkaar in hetzelfde nest waarin ze geboren zijn en de moeder maakt een nieuw winterverblijf. Tussen november en december begint de egel met zijn winterslaap en dit loopt door tot april of mei. Landelijke trend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
De egel is een soort die in heel Nederland voorkomt. De afgelopen 10 jaar is de egel gehalveerd in aantallen, doordat ze minder ruimte hebben om in te leven, vergiftigd worden, uitgehongerd zijn of overreden worden. Het aanrijden van egels is de grootste bedreiging van de soort. Het plangebied biedt jaarrond mogelijkheden voor egels met voldoende dekking en voedselbronnen. Het biotoop moet diverse vegetatie bevatten, inclusief geschikte schuilplaatsen voor nesten en foerageergebieden voor insecten. • •
De egel staat op de Nederlandse Rode lijst voor beschermde diersoorten met de status ‘bedreigd’. De egel is in Noord-Holland een van bescherming vrijgestelde soort. De
8.3.4 Haas De haas (Lepus europaeus) behoort tot de haasachtigen. Ze hebben een grijs- of geelbruine vacht en een witte buik. De haas kan worden verward met de konijn, echter heeft de haas grotere oren met een zwarte punt, langere poten en zijn ze forser dan konijnen. Daarnaast is de dichte laag van dunne wolharen bij hazen wit en bij de konijn altijd grijs. Hazen zijn voornamelijk ’s nachts actief en rusten overdag uit. In de zomer kunnen ze ook overdag en in de schemering actief zijn. Het dier rust uit in een ondiepe uitholling in de vegetatie of in de grond. Deze ligplaatsen worden ook wel legers genoemd. In de zomer eten hazen kruiden en producten van de akkerbouw, zoals aardappelen, mais, klaver en graan. In de winter eten ze grassen. Hazen bewonen verschillende leefgebieden, waaronder open graslanden, akkers en weilanden met voldoende dekking en voedselbronnen. Belangrijke kenmerken van het habitat zijn open plekken voor voedselvoorziening en geschikte dekking om zich te verschuilen. De haas leeft het grootste gedeelte van zijn leven solitair, maar in de winter- en paringstijd komt het dier in kleine groepjes voor. In de rammeltijd, oftewel de bronsttijd, vechten de mannetjes tegen elkaar om een vrouwtje, maar het vrouwtje vecht ook tegen het mannetje om hem van haar af te houden. De rammeltijd ongeveer plaats vanaf januari tot september.
De haas heeft een draagtijd van zes weken en heeft gedurende deze periode vier nesten. Gemiddeld baart de haas in totaal 11 jongen per jaar, waarvan gemiddeld twee tot vier jongen het uiteindelijk overleven. De jongen worden de eerste maand gezoogd door de moeder, ook wel de moer genoemd. Landelijke trend
De haas is vanwege intensivering en schaalvergroting van de landbouw massaal gestorven in de jaren ’70. Sindsdien heeft de hazenpopulatie zich niet meer kunnen herstellen. De hazen stierven onder andere door landbouwmachines. Uitstekende stangen waar kettingen aan vastzitten, ook wel wildrenners genoemd, waarschuwen de hazen waardoor ze op tijd weg kunnen. Andere bedreigingen voor de soorten zijn ziekten, het verkeer en de jacht. Het grootste gevaar voor de jongen is geïntensiveerde grond- en gewasbewerking en verlies aan perceelranden door vergroting van percelen. De soort is over het algemeen stabiel. De referentie dichtheid is afhankelijk van de beschikbaarheid
38 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
Functie plangebied
Bijzonderheid:
van geschikt habitat. De populatie dichtheid is variabel en gerelateerd aan landbouwpraktijken Hazen gedijen in open agrarische gebieden met voldoende dekking, zoals graslanden en akkers. Ze maken hun leger in onopvallende grasbedden. Het plangebied biedt jaarrond mogelijkheden voor hazen met voldoende voedselbronnen en dekking. Het biotoop moet open gebieden bevatten met geschikte vegetatie voor voedselvoorziening, zoals open graslanden. Het behoud van open plekken en het minimaliseren van verstoring zijn essentieel. • • •
De haas heeft als status ‘gevoelig’ op de Rode lijst De haas is in Noord-Holland een van bescherming vrijgestelde soort. De landelijke staat van instandhouding van wezel is op dit moment zeer ongunstig.
8.3.5 Vos De vos (Vulpes vulpes) behoort tot de familie der hondachtigen. Het heeft een oranje met bruine vacht en aan de voorkant bij de buik is het dier wit van kleur. Het dier heeft puntige oren en een lange snuit. De wintervacht is dikker en grijzer dan de zomervacht. De vos is een schemer- en nachtdier en leeft in familiegroepen bij elkaar. Vossen zijn omnivoren en eten alles wat gemakkelijk beschikbaar is in hun omgeving. De opportunisten eten voornamelijk knaagdieren, fruit, insecten, vogels en kadavers. Het mannetje wordt ook een rekel genoemd en het vrouwtje een moer. Rekels slapen bovengronds op een beschutte plek. Moeren gebruiken meestal tijdens de winter en het voorjaar ondergrondse holen om in te slapen, schuilen, rusten, of om jongen in groot te brengen. Het gehele holennetwerk wordt een vosseburcht genoemd. Vossen paren in de winter en de draagtijd ligt gemiddeld tussen de 51 en 53 dagen. De vosjes worden tussen eind maart en begin april geboren in een worpgrootte van vier a vijf. De eerste paar weken verblijven de welpjes vaak in een vosseburcht en brengt de vader voedsel of haalt de moeder verstopte prooien op. Na vier weken krijgen de jonge vosjes vast voedsel en vanaf half juni verblijven ze bovengronds. Eind september gaan de jongen opzoek naar hun eigen territorium.
Als het geboortegebied genoeg eten te bieden heeft, kunnen moeren in het zelfde gebied blijven wonen. Vossen bewonen verschillende leefgebieden, waaronder bossen, graslanden, stedelijke gebieden en landbouwgronden. Belangrijke kenmerken van het habitat zijn voldoende dekking, voedselbronnen en een gevarieerd landschap. Landelijke trend
Functie plangebied
Mitigatie plan
Bijzonderheid:
Voor de Tweede Wereldoorlog was een zeer dalende trend zichtbaar van de vos vanwege het intensief ontbossen en bestrijden van het dier. Het bestrijden van roofdieren verminderde tijdens en net na de oorlog. In 1954 werden klemmen en gif voor de vosbestrijding verboden wegens de komst van de Jachtwet. De Jachtwet en de verandering in het landschap hadden een positief effect op de vos. De vos begon zich vanaf de jaren zeventig te verspreiden vanuit de hogere gronden in de oostelijke en zuidelijke provincies naar het westen en het noorden van Nederland. In het begin van de 21ste eeuw had de vos zich opnieuw in geheel Nederland gevestigd. Het plangebied biedt jaarrond mogelijkheden voor vossen met voldoende voedselbronnen en dekking. Het plangebied moet geschikte jachtgebieden bieden, zoals open graslanden. Het biotoop moet variatie bevatten, zoals bossen, open plekken en stedelijke gebieden. Het behoud van variatie in het landschap en minimale verstoring zijn van belang. Werkzaamheden moeten rekening houden met mogelijke verstoring, vooral tijdens de paringstijd. Het vermijden van grootschalige verstoring van leefgebied is essentieel. •
De landelijk staat van instandhouding van de vos is gunstig.
39 | 225
Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend
8.3.6 Noordse woelmuis De Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus) is een speciale soort voor Nederland. Het is namelijk een endemische soort. De ondersoort van de Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola) komt alleen in Nederland voor. De Noordse woelmuis leeft solitair met territoria die elkaar overlappen. Noordse woelmuizen maken gangenstelsels onder de grond. Dit bestaat vaak uit een nest en (meerdere) voorraadkamers. In droge gronden zijn deze gangen goed te maken voor de soort, maar in natte gronden wordt het nest in de vegetatie gemaakt. Ze eten groene plantendelen van bijvoorbeeld riet, biezen en grassen. Maar ze eten daarnaast ook wortels en zaden. Deze soort kan in verschillende biotopen voorkomen. Noordse woelmuizen geven de voorkeur aan vochtige graslanden, rietvelden en moerassen. Belangrijke kenmerken van het habitat zijn de aanwezigheid van dichte vegetatie en een vochtige ondergrond. Het belangrijkste is dat voldoende voedsel en dekking aanwezig is. Variatie in vegetatie is ook erg belangrijk zoals verschillende soorten kruiden en overgangszones tussen land en water (met riet). De soort kan goed zwemmen en bevind zich ook vaak in het water. Het leefgebied van een mannetje bestaat gemiddeld uit 2000 vierkante meter en dat van een vrouwtje bestaat uit ongeveer 500 vierkante meter. Het territoria van één mannetje overlapt met die van meerdere vrouwtjes.