CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

20240329-bijlage-beantwoording-f-j-f-schaaij-conceptvisie-oostflank-groen-smp-oostflank-let-op-informatief-concept-ter-beoordeling-en-bespreking

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente PurmerendBij agendapunt: Gebiedsvisie de Oostflank37.908 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Soortmanagementplan Oostflank Purmerend

In opdracht van de gemeente Purmerend en BPD Ontwikkeling B.V.

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

In opdracht van: Naam: Contactpersoon: Postadres: Postcode + plaats:

BPD Ontwikkeling B.V. en de gemeente Purmerend C. Kuijpers IJsbaanpad 1 1076 CV Amsterdam

Datum: Opgesteld door: Gecontroleerd door: Status: Versie: Geldigheidsduur:

29 maart 2024 Gerben Kalkman Tamara Raven Concept 1 10 jaar

Smit Groenadvies BV Adres: Telefoonnummer: E-Mail: Website:

Harmenkaag 11 1741 LA Schagen 0224 75 12 75 natuur@smitgroenadvies.nl smitgroenadvies.nl

Disclaimer * Natuur is onvoorspelbaar. Het is mogelijk dat ondanks de zorgvuldige voorbereiding en onderzoek toch beschermde soorten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden. In dat geval heeft de uitvoerder een zorgplicht en is verantwoordelijk voor de verdere gang van zaken. In de wet is namelijk vastgelegd dat de wettelijke zorgplicht voor de aanwezige natuur gedurende het gehele plan-, uitvoerings- en beheertraject de verantwoordelijkheid is van de opdrachtgever.

Bij twijfel of er beschermde soorten en/of vaste rust-, verblijf- en voortplantingsplaatsen voorkomen in het plangebied moet altijd nader onderzoek worden uitgevoerd.

2 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Inhoud INHOUD 3 Leeswijzer

5

1.

GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFING (GGO) - PURMEREND 1.1 De omgevingsvisie en omgevingsplan 1.2 Rol van Smit Groenadvies – Soortmanagementplan 1.3 Doelstellingen SMP 1.4 Toepassingsbereik SMP

6 7 7 8 8

2.

WAARNEMINGEN 2.1 Omgeving van het plangebied 2.2 Binnen het plangebied

12 12 14

3.

LITERATUURONDERZOEK EN VERWACHT GEBIEDSGEBRUIK Samenvattend

22 46

4.

METHODIEK 4.1 Voorbereidende veldinventarisaties 4.2 Inventarisatie vleermuizen 4.3 Inventarisatie broedvogels 4.4 Inventarisatie grondgebonden zoogdieren 4.5 Inventarisatie muizen 4.6 Inventarisatie amfibieën 4.7 Inventarisatie vissen 4.8 Inventarisatie dagvlinders en libellen 4.9 Inventarisatie vaatplanten 4.10 Analyse

48 48 50 51 53 55 57 58 59 60 61

5.

RESULTATEN INVENTARISATIE 5.1 Biotopen 5.2 Vleermuizen 5.3 Broedvogels 5.4 Grondgebonden zoogdieren 5.5 Muizen en ratten 5.6 Amfibieën 5.7 Vissen en weekdieren 5.8 Dagvlinders en libellen 5.9 Vaatplanten 5.10 Extra aangeleverde gegevens Samenvattend

62 62 64 65 66 69 71 72 72 73 73 77

6.

GEPLANDE ONTWIKKELINGSWERKZAAMHEDEN 6.1 Tijdelijke fasen: Terrein bouwrijp maken 6.2 Watergangen dempen en aanleggen 6.3 Huizen bouwen

85 85 85 85

7.

EFFECT BEOORDELING: OMGEVING 7.1 Natura 2000-gebieden 7.2 NNN-gebieden 7.2 Overige natuur Samenvattend

85 86 91 92 93

8.

EFFECT BEOORDELING: BEVONDEN SOORTEN 7.1 Ecologische effecten 7.2 Soorten evaluatie

94 94 94 3 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

9.

Samenvatttend

132

LANGETERMIJNVISIE 8.1 Ambitie 7.6 V- Benadering 7.7 Ecologische uitgangspunten 4 Groen en natuur verbindingen realiseren 7.8 Natuur inclusieve inrichting 9.2 Kansen binnen nieuw ontwerp 9.3 Evaluatie – Biotopen & Soortbescherming / instandhouding 9.2 Effecten van de ontwikkeling Evaluatie – Aandachtspunten, knelpunten en/of extra mogelijkheden

135 135 135 137 138 139 141 147 154 154

10. MONITORINGSPLAN 16. Ecologisch werkplan 17. Evaluatie

155 156 157

11. BEGRIPPENLIJST

158

12. BIBLIOGRAFIE

160

13. BIJLAGEN Bijlage I: Beknopte samenvatting omgevingswet, onderdeel Flora & fauna Bijlage III: Beschrijven biotopen Bijlage IV: Locaties batloggers Bijlage V: Locaties Wildcamera’s Bijlage VI: Locaties eDNA samples Bijlage VII: Locaties vissen scheppen Bijlage VIII: Locaties transecten dagvlinders en libellen Bijlage IX: Resultaten vleermuizen - Vliegroutes en foerageergebieden Bijlage X: Resultaten broedvogels Bijlage XI: Resultaten grondgebonden zoogdieren Bijlage XII: Resultaten muizen en ratten Bijlage XIII: Resultaten amfibieën Bijlage XIV: Resultaten vissen Bijlage XV: Resultaten dagvlinders en libellen Bijlage XVI: Resultaten vaatplanten

166 166 182 185 186 187 188 190 191 193 215 217 218 220 222 224

4 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Leeswijzer Dit document biedt een gedetailleerd overzicht van de geplande ontwikkelingswerkzaamheden en de bijbehorende effectbeoordelingen in het kader van de Gebiedsgerichte Ontheffing (GGO) te Purmerend. Hieronder volgt een overzicht van de hoofdstukken en hun inhoud: 1. Gebiedsgerichte Ontheffing (GGO) - Purmerend In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en het omgevingsplan, alsmede de rol van Smit Groenadvies met betrekking tot het Soortmanagementplan (SMP). Hierbij worden de doelstellingen en het toepassingsbereik van het SMP besproken. 2. Gebiedsgebruik Deze sectie behandelt het gebruik van het gebied, zowel in de directe omgeving als binnen het plangebied zelf. 3. Methodiek Hier wordt de methodiek uiteengezet die gehanteerd wordt voor de voorbereidende veldinventarisaties, inclusief de inventarisatie van verschillende diersoorten en biotopen, gevolgd door een analyse. 4. Resultaten Inventarisatie Dit hoofdstuk presenteert de resultaten van de inventarisatie, gesegmenteerd naar verschillende diersoorten en biotopen. 5. Geplande Ontwikkelingswerkzaamheden In dit gedeelte worden de geplande werkzaamheden beschreven, waaronder terreinbouwrijp maken, dempen en aanleggen van watergangen, en de bouw van huizen. 6.

Effectbeoordeling: Omgeving De effecten van de ontwikkelingswerkzaamheden op diverse natuurlijke gebieden worden hier geëvalueerd, waaronder Natura 2000- en NNN-gebieden, evenals andere natuurlijke omgevingen. 7. Effectbeoordeling: Bevonden Soorten Dit hoofdstuk richt zich op de ecologische effecten en de evaluatie van verschillende diersoorten als reactie op de voorgenomen ontwikkelingen. 8. Langetermijnvisie De langetermijnambitie en ecologische uitgangspunten voor het project worden hier besproken, inclusief het streven naar natuurinclusieve inrichting en groen- en natuurverbindingen. 9. Monitoringsplan Tot slot wordt het monitoringsplan gepresenteerd, inclusief het ecologisch werkplan en de evaluatie van de voortgang en effecten van de ontwikkelingswerkzaamheden.

Dit document wordt afgesloten met een begrippenlijst voor verduidelijking van gebruikte terminologieën.

5 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Deel 1: Inleiding en doel SMP 1. Gebiedsgerichte ontheffing (GGO) - Purmerend BPD Gebiedsontwikkeling, samenwerkend met de gemeente Purmerend en Staatsbosbeheer, heeft plannen om aan de oostkant van Purmerend nieuwe woningen te bouwen. De woning realisatie is beoogd op twee gebieden; Het golfbaan terrein & Purmer Zuid Zuid. Deze plannen komen voort uit het tekort aan woningen in de Metropoolregio Amsterdam, waartoe Purmerend en omgeving behoren. De genoemde partijen bezitten gezamenlijk het betreffende gebied en hebben een gezamenlijke doel om een bijdrage te leveren aan het oplossen van het huidige woningtekort in Purmerend en de bredere regio. Staatsbosbeheer zal haar expertise op het gebied van natuur en recreatie inzetten. De ultieme doelstelling is om betaalbare, milieuvriendelijke woningen te creëren, gekoppeld aan een groene, gezonde omgeving en een aantrekkelijke buitenruimte met een verder ontwikkeld Purmerbos.

Om deze doelstelling te bereiken, is het noodzakelijk om een vergunning aan te vragen voor onder andere flora- en fauna-activiteiten. Gezien de omvang van het terrein dat zal worden ontwikkeld, is een gebiedsgerichte ontheffing (GGO) het meest passend.

6 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

1.1 De omgevingsvisie en omgevingsplan De voorgestelde omgevingsvisie biedt kansen voor natuur, omdat ten eerste de visie op natuur beschreven kan worden. Verder kan in de visie benoemd worden dat er een programma opgesteld wordt voor specifieke natuurdoelen. In plaats van passieve natuurbescherming kun je kiezen voor actief bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden. Verder kan de koppeling worden gelegd met andere onderwerpen, zoals klimaatadaptatie, gezondheid, beleving, verstening en klimaat. Kortom: er kan een integrale visie worden opgesteld. Locaties aanwijzen voor de realisatie kan in een omgevingsplan. Dit rapport kan hierbij behulpzaam zijn. Programma Bij het opstellen van een programma kan een positieve benadering van natuur gekozen worden. Er kan bijvoorbeeld worden ingezet op vergroening van alle woonwijken en daarmee betere, natuurinclusieve leefomgevingen voor beschermde soorten. Als een programma is goedgekeurd door gedeputeerde staten (GS) dan kan dit tevens dienen als een ‘plaatsvervangende omgevingsvergunning’ of ‘generieke ontheffing’. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van een soortmanagementplan (SMP) binnen een programma. Dit kan (vele) losse aanvragen van particulieren voor een ‘flora en fauna activiteit’ voorkomen, omdat soortbescherming op gebiedsniveau is geregeld en wordt gemonitord.

Bewoners ervaren zo geen ‘last’ meer van de moeilijkheden die nu ontstaan vanuit de soortbescherming.

1.2 Rol van Smit Groenadvies – Soortmanagementplan Als onderdeel van de vereisten voor een Gebiedsgerichte Ontheffing (GGO) wordt de opstelling van een Soortmanagementplan (SMP) geëist. Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige flora en fauna, aangezien talrijke planten- en diersoorten beschermd zijn onder de Omgevingswet. Een soortmanagementplan dient deze bescherming zo goed mogelijk te bewaarborgen, en gaat in om verschillende aspecten. Het is een plan waarbij de flora en fauna op gebiedsniveau wordt geïnventariseerd. Hierbij wordt de bescherming niet op bepaalde plekken toegepast, maar op de gehele populatie binnen het plangebied. Geen behoud van het individu, maar de soortgroep. Zo kunnen maatregelen genomen worden ten gunste van de populatie en wordt de gunstige staat van instandhouding behouden en mogelijk versterkt. Voor de opstelling van een SMP is gedegen kennis nodig omtrent de aanwezigheid en de mate van bescherming van flora en fauna in het plangebied. BPD heeft daarom Smit Groenadvies ingeschakeld om de beschermde en bijzondere flora en fauna in kaart te brengen in het plangebied..

7 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

1.3 Doelstellingen SMP Het huidige op te stellen SMP heeft het doel om de volgende zaken aan te stippen: • • • •

Nulmeting: Het in kaart brengen van de huidige natuurwaardes. Mitigeren: Negatieve effecten t.a.v. de ruimtelijke ontwikkelingen op te sporen en te beperken. Compenseren: Binnen de toekomstige inrichting van het gebied het behoud en een versterking van de natuur te waarborgen Monitoren: Hoe ontwikkeld de natuur, de biodiversiteit zich, conform verwachting is bijsturing benodigd in beheer en/of inrichting.

1.4 Toepassingsbereik SMP 1.4.1 Plangebied Het plangebied ligt aan de oostkant van Purmerend en loopt vanaf het industrieterrein de Baanstee Noord tot aan de Vurige staart. Het gebied heeft een oppervlakte van ongeveer zes km 2. Aan de westkant ligt de stad Purmerend en naast het plangebied zijn vooral woonwijken te vinden. De rest van de omgeving bestaat vooral uit percelen met weilanden. Het gebied is in drie delen te verdelen; golfbaan Burggolf, Purmerbos en Purmer-Zuid (Figuur 2). Deze gebieden worden tijdens de inventarisatie aangehouden en gebruikt als deelgebieden. Zoals eerder genoemd, zijn de grenzen van het plangebied niet helemaal leidend. Bij dit SMP wordt ook naar de samenhang met de omgeving gekeken. De focus ligt voornamelijk op functionele leefgebieden en als deze (deels) buiten het plangebied liggen, worden ze meegenomen. Het plangebied wordt in de bureaustudie (Hoofdstuk 3) uitgebreider besproken.

Fi guu r 1 | De verdeling van het plang ebied in d e d rie deelgebieden.

1.4.2 Actoren Bij de ontwikkeling van de Oostflank zijn BPD Ontwikkeling B.V., Gemeente Purmerend en Staatsbosbeheer de direct betrokken partijen. Het SMP wordt aangevraagd door …. Bij afgifte van de ontheffing wordt …. 8 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

hiermee ook direct de ontheffingshouder. Voor direct gebruik van de ontheffing wordt aan … en … machtiging verleend welke vastgelegd is in een overeenkomst. Op deze manier worden alle drie de hoofdzakelijk betrokken partijen aan dezelfde verantwoordelijkheden en voorwaarden gebonden. Gebruik van het SMP door derden loopt altijd via een van de drie hoofdverantwoordelijke partijen. Middels een overeenkomst wordt vastgelegd dat deze uitvoerende partij zich conformeert aan de maatregelen uit het SMP. Dit kan bijvoorbeeld al een eis zijn vanuit het bestek. Staat dit niet in het werkbestek, dient dit aanvullend vastgelegd te worden. Portefeuillehouder: Ontheffingshouder dient een portefeuillehouder aan te wijzen die alle zaken omtrent het SMP bijhoudt en regelt. De portefeuillehouder is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het SMP. De voornaamste taak van de portefeuillehouder is het bijhouden en registreren van de werkzaamheden die in voorbereiding en in uitvoer zijn en bewaakt daarmee de kwaliteit van de uitvoering van het SMP. Daarnaast wordt ook geregistreerd of de te nemen maatregelen voor mitigatie en compensatie getroffen zijn voor dat specifieke onderdeel van het plan. Om het concreet te maken worden alle te nemen maatregelen voor de realisatie van de Oostflank vastgelegd wanneer de planvorming definitief is.

Dit betreffen maatregelen voor de voorbereiding, realisatie van woningen en inrichting van natuur. Alle maatregelen worden geregistreerd bij de portefeuillehouder in het bijbehorende projectdossier. Bij aanvang van de werkzaamheden worden deze aangemeld bij de portefeuillehouder zodat deze geregistreerd kunnen worden en een controle gedaan wordt op alle benodigde vereisten, hetzij een werkplan en eventueel te nemen maatregelen voor mitigatie en compensatie. Bij goedkeuring van de portefeuillehouder kunnen de voorgenomen werkzaamheden doorgang vinden. Werkzaamheden welke aangemeld worden die niet van tevoren bekend zijn in het projectdossier worden eerst ter beoordeling aan de ontheffingshouder en … en … voorgelegd. Afhankelijk van de impact van de ingreep op flora en fauna kan goedkeuring gegeven worden vanuit de ontheffingshouder. De impact van de ingreep wordt bepaald doormiddel van expert judgement vanuit senior ecologen bij de betrokken partijen. Indien de ingreep te ingrijpend is wordt dit voorgelegd aan de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord om het SMP uit te breiden voor die specifieke ingreep. 1.4.3 Periode en geldigheid Het SMP is aangevraagd voor een periode van 10 jaar en is hiermee geldig tot dd.mm.jjjj. Tussentijds worden ontwikkelingen in het gebied jaarlijks gemonitord en wordt de kwaliteit van uitvoer geborgd door de portefeuillehouder.

In deze periode vinden momenten van evaluatie plaats om het SMP eventueel aan te passen als dat nodig is. Na de monitoringsrondes verschijnt ieder jaar een verslag met de resultaten. 1.4.4 Scope van ruimtelijke ingrepen Dit Soortmanagementplan is enkel van toepassing op een beperkt aantal ruimtelijke ingrepen en voor de soorten die opgenomen zijn in het SMP. Dit betreffen alleen ruimtelijke ingrepen ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe woningen voor het project Oostflank. Dit betreffen werkzaamheden welke nodig zijn in alle fases van realisatie. In de voorbereidingsfase kan gedacht worden aan werkzaamheden als het kappen van bomen, dempen van watergangen en bouwrijp maken van terreinen. In de realisatiefase betreffen dit maatregelen voor de bouw van woningen zoals het plaatsen van funderingen, opbouwen van woningen en aanleggen van de daar bijbehorende infra- en groenstructuur. Gedurende de doorlooptijd

9 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

van het project dient veel nieuwe natuur gecompenseerd en ingericht te worden. Alle maatregelen ten behoeve van de inrichting van deze natuur vallen ook onder het Soortmanagementplan. Ingrepen buiten de scope van het SMP worden eerst voorgelegd aan de ontheffing- en portefeuillehouder van het SMP. Ingrepen welke voorafgaand aan de het opstellen van het SMP in het kader van bestendig beheer en onderhoud vallen buiten dit SMP. Deze werkzaamheden worden gezien als regulier beheer wat past binnen het bestaande beheer van de golfbaan, gemeentepercelen, Purmerbos wat vastgelegd is in de daarbij behorende beheerplannen. 1.4.5 Bevoegd gezag Het bevoegd gezag wat verantwoordelijk is voor het beoordelen en afgeven van het SMP is de provincie Noord-Holland die de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord gemandateerd heeft om de vergunning af te geven. Het bevoegd gezag heeft tijdens de doorlooptijd van het SMP twee rollen, één: tijdens de planvorming als toetser van het voorgeschreven plan op de wetgeving, twee: tijdens de uitvoering van het SMP als handhavende partij. 1.4.6 Betrokkenheid tijdens de uitvoer Tijdens de uitvoer van de werkzaamheden welke onder het SMP vallen vindt regelmatig afstemming en evaluatie plaats tussen de ontheffingshouder en het bevoegd gezag. Dit zijn voornamelijk de op voorhand vastgestelde momenten voor de tussentijdse monitoring en evaluatie van het SMP.

Wat betreft de handhaving is in eerste instantie het de verantwoordelijkheid van de portefeuillehouder om aan de voorkant te signaleren als werkzaamheden niet conform het SMP uitgevoerd worden. Wanneer een van de initiatiefnemers niet tot een oplossing komen met de ontheffingshouder wordt het bevoegd gezag ingeschakeld voor de handhaving en verder te nemen maatregelen. Bij werkzaamheden die afwijken van de werkzaamheden waar het SMP voor geldt kan het bevoegd gezag ook betrokken worden. Maatregelen die te ingrijpend zijn voor soorten, waar het expert judgement team van de hoofdverantwoordelijke partijen niet tot een oplossing voor kunnen komen, worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Afhankelijk van deze toetsing wordt de scope van het SMP aangepast of wordt de eis opgelegd om een apart maatwerkplan op te stellen voor de desbetreffende afwijking.

10 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Deel 2: Nulmeting- Bureaustudie Een SMP start altijd met een nulmeting van natuurwaarden voor het gebied waarvoor de gebiedsontheffing wordt aangevraagd. De nulmeting van de natuurwaarden binnen het gehele grondgebied van een woonkern vormt daarmee de basis van het SMP. Middels een voorbereiden bureauonderzoek moet voor alle beschermde dier- en plantensoorten een volledig en betrouwbaar beeld geven van • •

De aanwezigheid/ het voorkomen in de omgeving De potentie voor de functie van het plangebied;

11 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

2. Waarnemingen Dit SMP onderzoekt het plangebied ten oosten van Purmerend, waarvoor een grens is vastgesteld. Omdat de natuur zich niet aan deze grenzen houdt, is het noodzakelijk om inzicht te krijgen in de bekende flora en fauna die zich zowel binnen als in de buurt van het plangebied bevinden. Dit is bereikt door te kijken naar bekende waarnemingen en/of onderzoeken binnen én rond het plangebied.

2.1 Omgeving van het plangebied De Gemeente Purmerend heeft in 2021 al een SMP op laten stellen. Dat SMP is opgesteld voor de gebouwbewonende soorten in de gemeente Purmerend. Het plangebied van het SMP wordt in figuur 6 weergeven. Het plangebied bestaat uit de gemeente Purmerend en de gemeente Beemster, omdat deze in 2022 samengevoegd zijn tot de nieuwe gemeente Purmerend. In 2021 zijn inventarisaties uitgevoerd en van de resultaten is een inschatting gemaakt van de staat van instandhouding van de soorten.

Fi guu r 2 | Plan gebi ed va n het SM P voor g ebouwb ewonende soort en va n 2021 t/m 2031. Overgenomen van Va n der Hout, Mein esz en de Herd er (2021).

Het SMP gemeente Purmerend heeft zich gefocust op de volgende soorten en soortgroepen: • Huismus • Vleermuizen • Gierzwaluw • Muizen • Roofvogels • Marterachtigen • Uilen • Rugstreeppad • Overige vogels met jaarrond beschermde • Flora nesten Omdat de focus bij dit SMP op gebouwbewonende soorten ligt (huismus, gierzwaluw en vleermuizen) is voor de overige soorten geen uitspraak gedaan over de staat van instandhouding. De staat van instandhouding is alleen voor de gebouwbewonende soorten in tabel 4 overzichtelijk weergeven. 12 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend T abel 1 | Overzicht van d e s ta at van inst andhoudi ng van in Purmeren d voo rkomende gebouwbewon ende soort en. Resultat en van het SM P g ebou wbewon ende soorten i n g emeente Purm erend.

Soort Huismus Gierzwaluw Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Watervleermuis

Staat van instandhouding Onzeker tot matig ongunstig Onzeker Licht gunstig tot gunstig Licht gunstig Onbekend Onbekend Onbekend

In het plangebied zijn van de huismus gemiddeld 47 broedparen per km2 waargenomen, wat gelijk is aan de gemiddelde dichtheid die tussen 2011 en 2020 is gemeten. De trend van de soorten in de omgeving heeft lichte schommelingen, maar is wel redelijk stabiel. De staat van instandhouding is voor deze soort op onzeker tot matig ongunstig gezet in het gebied. Van de gierzwaluw is een gemiddelde dichtheid van 48 nesten en 96 broedende individuen per km 2 in het plangebied gevonden. Deze dichtheid is vergeleken met dichtheden die de afgelopen jaren (2011-2020) zijn bepaald en komt hoger uit. Dit is op landelijk niveau. De trend van deze soort (2007-2019) op regionaal niveau heeft lichte schommelingen en een zwakke afname. Als laatste is de staat van instandhouding voor de populatie binnen het plangebied bepaald aan de hand van de resultaten en is deze op onzeker gezet. Van de roofvogels is alleen een nest van een buizerd en een nest van een torenvalk aangetroffen. Van de uilen zijn drie nestlocaties waargenomen van de kerkuil. Daarnaast zijn drie mogelijke nestlocatie voor de ransuil aangetroffen. Tijdens de inventarisaties zijn roepende jongen van de ransuil op gehoor waargenomen. Van de overige vogels zijn de spreeuw, huiszwaluw en blauwe reiger waargenomen. Van de spreeuw zijn veertien nesten waargenomen, van de huiszwaluw één nest en van de blauwe reiger drie nesten.

Van deze soorten is de staat van instandhouding niet bepaald. Van de gewone dwergvleermuis zijn geen precieze aantallen beschikbaar. Vergeleken met gemiddelde dichtheden van de omgeving is de dichtheid van foeragerende individuen laag in het plangebied, de dichtheid van paarterritoria is normaal en de dichtheid van individuen in een kraamverblijfplaats is hoog. De trend van de gewone dwergvleermuis is niet bekend in deze omgeving. De waargenomen populatie binnen het plangebied is een levensvatbare populatie en er zijn geen aanwijzingen van een afname in het verspreidingsgebied van deze soort. De staat van instandhouding is licht gunstig tot gunstig voor deze populatie. Dit komt vooral omdat de plaatselijke populatie gunstig is, het huidige habitat licht gunstig is en het toekomstige habitat neutraal tot licht gunstig is. De ruige dwergvleermuis heeft een gemiddelde dichtheid van 23,5 foeragerende individuen en 46,5 baltsende individuen per km2 binnen het plangebied. Deze dichtheden zijn ongeveer gelijk met de gemiddelde dichtheden van de afgelopen jaren in deze omgeving. Van de omgeving zijn niet genoeg gegevens bekend om een trend van af te lezen. De waargenomen populatie is een levensvatbare populatie en ook van deze populatie zijn geen aanwijzingen van afname. De staat van instandhouding van deze populatie is licht gunstig.

De plaatselijke populatie is gunstig en het habitat nu en in de toekomst is licht ongunstig. Van de laatvlieger is een gemiddelde dichtheid van 11,35 foeragerende individuen per km 2 in het plangebied waargenomen. Deze dichtheid ligt lager dan de gemiddelde dichtheid van de afgelopen jaren. In het plangebied zijn geen baltsende individuen en verblijfplaatsen waargenomen. Hierdoor wordt vermoed dat geen kraamkolonies zich in het plangebied bevinden. Van de laatvlieger is in deze omgeving te weinig 13 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

informatie beschikbaar om een trendlijn te vormen. Van de populatie binnen het gebied is ook te weinig bekend om een uitspraak te kunnen doen over de staat van instandhouding. Tijdens de monitoring van deze soort wordt meer informatie verzameld, waardoor er in de toekomst wel wat over de staat van instandhouding gezegd kan worden. Verder zijn de rosse vleermuis, meervleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis waargenomen. Verspreid over het plangebied zijn acht waarnemingen gedaan van foeragerende rosse vleermuizen, echter zijn er geen vaste verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes vastgesteld in het plangebied. Van de meervleermuis zijn 87 individuen waargenomen. In het plangebied zijn vier kraamverblijfplaatsen waargenomen van de gewone dwergvleermuis. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes vastgesteld binnen het plangebied. In het plangebied zijn dertien foeragerende watervleermuizen waargenomen. Essentiële foerageergebieden zijn vastgesteld. In het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes en vaste verblijfplaatsen waargenomen voor de watervleermuis. Van de gewone grootoorvleermuis zijn alleen vier foeragerende individuen waargenomen, geen essentiële foerageergebied/vliegroutes en vaste verblijfplaatsen.

Tijdens de inventarisatie zijn verschillende soorten muizen waargenomen, waarvan één beschermde soort; de waterspitsmuis (slechts één individu). Van de marterachtigen zijn de steenmarter (1x), boommarter (1x) en wezel (5x) waargenomen. De rugstreeppad is niet binnen het plangebied waargenomen, enkel buiten het plangebied. Buiten het plangebied werden negen roepende individuen waargenomen. Bij de inventarisatie naar flora zijn dertien soorten waargenomen. Hiervan is één soort beschermd onder het derde beschermingsregime andere soorten, de tengere veldmuur. Verder staan tien van de dertien soorten op de rode lijst (inclusief de tengere veldmuur). Dat zijn de volgende soorten: • Kamgras, • Moeraswespenorchis, • Bevertjes, • Rode ogentroost, • Geelhartje, • Ruige leeuwentand, • Gewone vleugeltjesbloem, • Stijve ogentroost, • Hondskruid, • Tengere veldmuur De resultaten van het SMP gebouwbewonende soorten zijn van belang voor het dit nieuwe SMP omdat deze populaties waarschijnlijk ook gebruik zullen maken van het plangebied aan de oostkant van Purmerend. De vleermuizen gebruiken het gebied als foerageergebied of voor vliegroutes, de huismus en gierzwaluw worden meer bij de bebouwing in het gebied verwacht en van de marters die zijn waargenomen wordt ook verwacht dat deze de golfbaan, het Purmerbos en het cultuurlandschap bij de boerderijen als leefgebieden zullen gebruiken.

2.2 Binnen het plangebied Er is gekeken naar de mogelijk aanwezige flora en fauna in het plangebied. Per soortgroep worden de waarnemingen van aanwezige soorten van de afgelopen 5 jaar (2018-2023) behandeld. Aan de hand van Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), vogelinventarisatie gegevens vogelwerkgroep IVN, flora onderzoeksgegevens van Naturalis (NAT) en waarneming.nl zijn de beschermde soorten per deelgebied in kaart gebracht. In tabel 5 zijn alle beschermde soorten per soortgroep weergeven. Bij de reptielen en insecten komen geen beschermde soorten voor in het gebied volgens NDFF en waarneming.nl. Tijdens de veldbezoeken wordt wel op deze soortgroepen gelet. Voor de insecten worden de vlinder en libellen in het gebied geïnventariseerd. In het plangebied is ook geen beschermde flora aanwezig. Er zijn wel bijzondere/zeldzame soorten aanwezig. Deze worden geïnventariseerd tijdens veldbezoeken. T abel 2 | Overzicht van de beschermde soorten die in het p langebi ed voor kunn en komen , aan de hand van de burea ustudi e. 14 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Soortgroep

Soorten

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis & watervleermuis Categorie 1: steenuil Categorie 2: gierzwaluw & huismus Categorie 3: grote gele kwikstaart, ooievaar & slechtvalk Categorie 4: boomvalk, buizerd, havik, ransuil & sperwer Categorie 5: blauwe reiger, boerenzwaluw, boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, ijsvogel, koolmees, pimpelmees, spreeuw, tapuit, torenvalk & zwarte kraai Aalscholver, appelvink, baardman, bergeend, blauwborst, bosrietzanger, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, dodaars, fazant, fitis, gaai, gele kwikstaart, grasmus, graspieper, grauwe gans, groenling, grote Canadese gans, grote zilverreiger, grutto, heggenmus, holenduif, houtduif, kievit, kleine karekiet, knobbelzwaan, koekoek, koperwiek, krakeend, kuifeend, merel, nachtegaal, porseleinhoen, putter, rietgors, rietzanger, roodborst, roodborsttapuit, scholekster, slobeend, snor, spotvogel, sprinkhaanzanger, staartmees, tjiftjaf, tuinfluiter, vink, vuurgoudhaan, waterral, wielewaal, wilde eend, winterkoning, wintertaling, zanglijster & zwartkop Boommarter, bunzing, hermelijn, Noordse woelmuis, steenmarter, waterspitsmuis & wezel Vrijgesteld in Noord-Holland: bosmuis, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, mol (alleen zorgplicht), ree, veldmuis & vos Rugstreeppad Vrijgesteld in Noord-Holland:

bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander & meerkikker Geen Bittervoorn, grote modderkruiper & kleine modderkruiper Zorgplicht: baars, blankvoorn, rietvoorn, snoek & tiendoornige stekelbaars Geen Daslook, dryopteris hirtipes, geschubde mannetjesvaren, gevlekt longkruid, glansschildvaren, paarse morgenster, ruig klokje, smalle ijzervaren, stijve x zachte naaldvaren & zachte naaldvaren Amerikaanse rivierkreeft, Aziatische duizendknoopsoorten, nijlgans, reuzenberenklauw & roodwangschildpad

Vogels jaarrond beschermd

Vogels niet jaarrond beschermd

Grondgebonden zoogdieren

Amfibieën

Reptielen Vissen Insecten Flora (bijzondere/zeldzame soorten)

Exoten (niet beschermd)

3.1 Vleermuizen In het plangebied zijn de afgelopen jaren waarnemingen ingevoerd van een aantal vleermuissoorten. Naast het plangebied ligt een woonwijk en in deze woonwijk zijn meerdere invliegers waargenomen. Verder zijn vliegroutes door het plangebied waargenomen. 3.1.1 Gewone dwergvleermuis Van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) zijn waarnemingen bekend van invliegers in de woonwijk naast het plangebied. Daarnaast is de gewone dwergvleermuis meerdere keren foeragerend en op route waargenomen. Het gebied kent veel lijnvormige structuren, die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Hierdoor wordt verwacht dat het plangebied als foerageer- en vliegroute gebruik wordt. 3.1.2

Ruige dwergvleermuis

15 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

De ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) is net als de gewone dwergvleermuis de afgelopen jaren foeragerend waargenomen in het plangebied. Van deze soort zijn alleen geen waarnemingen bekend van invliegers in de woonwijk naast het plangebied. De ruige dwergvleermuis leeft meer in bomen, dan de gewone dwergvleermuis, waardoor de verblijfplaatsen eerder in holen van de bomen in het plangebied verwacht worden. Daarnaast gebruikt de ruige dwergvleermuis het gebied waarschijnlijk ook als foerageer- en vliegroute, vanwege de lijnvormige structuren in het landschap. 3.1.3

Laatvlieger

De laatvlieger (Eptesicus serotinus) is t/m 2019 meerdere keren roepend, foeragerend en op route waargenomen. De verblijfplaats bevindt zich waarschijnlijk in de woonwijken naast het plangebied. Door middel van de bosranden en het open grasland, wordt verwacht dat de soort het gebied voor foerageer- en vliegroutes gebruikt. 3.1.4

Watervleermuis en meervleermuis

De watervleermuis (Myotis daubentonii) en meervleermuis (Myotis dasycneme) zijn beiden in 2017 een paar keer foeragerend waargenomen binnen het plangebied. Het gebied bevat veel sloten en water. Zeker de golfbaan heeft veel aaneengesloten water. Deze watergangen kunnen de soorten als foerageer- en vliegroutes gebruiken.

3.2 Vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn soorten met verschillende bescherming waargenomen. Voor de bescherming van vogels zijn categorieën bepaald, die lopen van 1 t/m 5 (1=hoogste bescherming). De soorten worden hieronder op volgorde van de bescherming besproken. De soorten uit categorie 1 en 2 worden uitgebreider besproken dan de soorten uit andere categorieën. 3.2.1

Categorie 1 - Steenuil

In het plangebied zijn waarnemingen bekend van de steenuil (Athene noctua). De steenuil is in 2018 een paar keer waargenomen binnen de grenzen van het plangebied. In datzelfde jaar is ook een territorium vastgesteld van deze soort. In het plangebied staat enkele bebouwing, dit zijn boerenbedrijven. Deze zijn belangrijk voor de soort. De schuren en het open veld rondom de bedrijven biedt een geschikt habitat voor de soort. 3.2.2

Categorie 2 – Gierzwaluw & Huismus

Er zijn veel waarnemingen van gierzwaluw (Apus apus) bekend binnen het plangebied. Hierbij zijn ook verschillende gedragingen waargenomen; gieren (roepen), foerageren en nest-indicerend gedrag. De gierzwaluw kan verblijven in de bebouwing in het plangebied hebben, of in de woonwijken naast het plangebied. Ze komen dan vooral voor het foerageren naar het gebied. Van de huismus (Passer domesticus) zijn meerdere waarnemingen bekend van baltsende en foeragerende individuen binnen het plangebied. Daarnaast zijn waarnemingen bekend van in of uitvliegende huismussen in de woonwijk naast het gebied. Deze soort heeft mogelijk zijn verblijfsplaats in huizen binnen de woonwijk en gebruikt het plangebied als foerageergebied. 3.2.3

Categorie 3 – Overige soorten

In het gebied zijn ook waarnemingen bekend van enkele categorie 3 soorten. Dit zijn de ooievaar (Ciconia ciconia), slechtvalk (Falco peregrinus) en grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea).

16 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

De ooievaar is zes keer ter plaatse en foeragerend waargenomen in 2021 en in 2017 overvliegend (NDFF). Binnen het plangebied zijn voldoende hoge bomen aanwezig die zouden kunnen dienen als broedplaats, er zijn binnen het plangebied ook weilanden waar de ooievaar kan foerageren. De slechtvalk is in 2020 twee keer overvliegend waargenomen (NDFF). De weilanden in het plangebied kunnen als foerageergebied functioneren voor de soort. De slechtvalk broedt op richels en in oude kraaiennesten. Richels of andere hoge plekken zijn niet echt aanwezig in het plangebied, oude kraaiennesten kunnen wel aanwezig zijn. Hierdoor is deze soort niet uit te sluiten van het plangebied. De grote gele kwikstaart is sinds 2018 elk jaar een keer waargenomen binnen het plangebied. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert bij beken of rivieren, deze zijn niet aanwezig in het plangebied, hierdoor is het niet aannemelijk dat deze soort broedt in het gebied. 3.2.4

Categorie 4 – Overige soorten

In het plangebied zijn waarnemingen van vijf soorten uit categorie 4 vastgesteld. Deze soorten zijn allemaal roofvogels. Het gaat hierbij om de boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), havik (Accipiter gentilis), ransuil (Asio otus) en sperwer (Accipiter nisus). In het plangebied is voldoende afwisseling van open delen en gesloten delen voor deze soorten om te jagen. Het bos in het gebied biedt daarnaast nestgelegenheid voor alle soorten. Het aangrenzende moeras is een geschikt biotoop voor de havik. 3.2.5

Categorie 5- Overige soorten

Uit de bureaustudie is gekomen dat zestien soorten uit categorie 5 in het plangebied zijn waargenomen. Voor deze soorten geldt dat ze wel vaak terugkeren naar dezelfde broedplaats of in de buurt daarvan, maar flexibel genoeg zijn om een nieuwe plaats te vinden als de oude plek is verwijderd. De volgende soorten zijn in plangebied waargenomen: blauwe reiger (Ardea cinerea), boerenzwaluw (Hirundo rustica), boomkruiper (Certhia brachydactyla), bosuil (Strix aluco), ekster (Pica pica), gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus), grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata), groene specht (Picus viridis), grote bonte specht (Dendrocopos major), ijsvogel (Alcedo atthis), koolmees (Parus major), pimpelmees (Cyanistes caeruleus), spreeuw (Sturnus vulgaris), tapuit (Oenanthe oenanthe), torenvalk (Falco tinnunculus) en zwarte kraai (Corvus corone). Het bos in het plangebied biedt voor vele soorten en goed habitat. Met name de bomen en struikvegetatie zijn goede voor soorten zoals boomkruiper, bosuil, grauwe vliegenvanger, de spechten, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. De open delen van het landschap zijn weer goed als foerageergebieden voor soorten als de blauwe reiger, ekster, spreeuw, torenvalk. De gekraagde roodstaart bevindt zich vooral aan de randen van het bos en open vlakte. Houtwallen zijn voor deze soort erg interessant.

De boerenzwaluw bevindt zich vooral bij de bebouwing in het plangebied, bij de oudere schuren. Er is ook veel water in het gebied aanwezig, wat weer voordelig is voor de ijsvogel. En als laatste is het moerasdeel voor de tapuit weer erg interessant.

3.3 Vogels zonder jaarrond beschermde nesten In het plangebied en rond het gebied zijn veel waarnemingen bekend van vogels zonder jaarrond beschermde nesten. Voor veel van deze soorten is geschikt biotoop aanwezig in het gebied. Het bos is een geschikt biotoop voor de bosvogels. Hoge bomen en dicht struikgewas biedt bescherming tegen eventuele roofdieren. Het open land naast het bos biedt ook goede foerageerplekken voor soorten. De soorten die hier onder andere verwachten worden zijn appelvink, fitis, gaai, groenling, houtduif, merel, putter, roodborst, tjiftjaf, vink, winterkoning, zanglijster en zwartkop.

17 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Er zijn ook veel oevervogels waargenomen in het plangebied. Deze vogels bevinden zich (zoals de naam al zegt) vooral langs de oever. Dit kan in de rietpluimen of in het water zijn. Het plangebied bevat veel oevers met begroeiing zoals riet, wat voor deze soorten geschikt is. Voorbeelden van vogels die hier verwacht worden zijn bergeend, blauwborst, dodaars, kleine karekiet, kuifeend, rietgors, rietzanger, sprinkhaanzanger en wilde eend. De open delen in het plangebied zijn ook geschikt voor vogels. De open gebieden zijn te verdelen in weilanden en moeras. Op het weiland zijn vooral vogels te vinden zoals bruine kiekendief, ganzensoorten, grote zilverreiger, grutto, kievit en wintertaling. In het moerasgedeelte heeft het gebied ook nog enige struikgewas, daardoor komen hier weer andere soorten voor zoals grasmus, koekoek, porseleinhoen, roodborsttapuit en waterral.

3.4 Grondgebonden zoogdieren Van de grondgebonden zoogdieren worden alle marterachtigen (behalve das en otter) in het plangebied verwacht. De meesten zijn afgelopen jaren ook waargenomen, behalve de bunzing en de boommarter. Verder zijn veel waarnemingen bekend van verschillende muizensoorten in de laatste jaren. De meeste hiervan zijn vrijgesteld van ontheffing in Noord-Holland. Daarnaast zijn ook soorten zoals ree, vos, egel en mol te verwachten. Deze soorten zijn ook vrijgesteld van ontheffing in Noord-Holland. De belangrijkste soorten worden hieronder beschreven. 3.4.1

Boommarter

Van de boommarter (Martes martes) zijn geen waarnemingen bekend binnen het plangebied van de afgelopen jaren volgens NDFF, maar er is geschikt habitat in het gebied aanwezig. Hierdoor wordt de boommarter niet van het plangebied uitgesloten. 3.4.2

Bunzing

In het plangebied zijn de afgelopen jaren geen waarnemingen bekend van de bunzing (Mustela putorius). Het gebied bevat wel geschikt habitat voor de soort. Vandaar dat deze soort ook niet uit te sluiten is van het plangebied. 3.4.3

Hermelijn

De hermelijn (Mustela erminea) is één keer waargenomen binnen het plangebied in 2020. Door de dichte struikvegetatie is er voldoende dekking aanwezig. De bosrand en struikvegetatie rondom het open gebied bevat lijnvormige structuren welk de hermelijn kan gebruiken om te navigeren in het gebied. 3.4.4

Steenmarter

In 2021 is mogelijk een steenmarter (Martes foina) door één van de ecologen van Smit Groenadvies waargenomen op de golfbaan van het plangebied. Er is geschikt biotoop aanwezig en de soort wordt vooral aan de rand van het gebied en bij het industrieterrein verwacht. Steenmarters bevinden zich voornamelijk in de buurt van bebouwing. Gezien de verspreiding van de soort in Nederland is de kans klein dat deze soort in het plangebied zal voorkomen. Echter wordt de soort niet uitgesloten. 3.4.5

Wezel

De wezel (Mustela nivalis) is tussen 2020 en 2021 acht keer waargenomen binnen het plangebied. Het gebied heeft ook voldoende open delen en beschutting wat voor de soort belangrijk is. Hierdoor wordt de wezel niet uitgesloten van het plangebied. 3.4.6

Noordse woelmuis

18 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Uit een braakbalonderzoek in 2017 zijn 27 individuen waargenomen, daarnaast is de Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus) in 2018 t/m 2021 waargenomen. Het plangebied heeft veel variatie in vegetatie en begroeide oevers. Hierdoor is deze soort hier niet uit te sluiten. 3.4.7

Waterspitsmuis

Van de waterspitsmis (Neomys fodiens) zijn geen waarnemingen bekend binnen het plangebied. Het plangebied heeft echter wel geschikt biotoop voor de soort. De soort wordt daarom niet uitgesloten en meegenomen in de inventarisatie. 3.4.8

Overige muizen

Naast de Noordse woelmuis en waterspitsmuis zijn de afgelopen jaren ook andere muizensoorten waargenomen. Deze soorten hebben allemaal een vrijstelling van ontheffing in Noord-Holland, dus er wordt geen uitgebreid onderzoek gedaan naar deze soorten (zoals bij de Noordse woelmuis). Het gaat om vier soorten, de bosmuis (Apodemus sylvaticus), de dwergmuis (Micromys minutus), de huisspitsmuis (Crocidura russula) en de veldmuis (Microtus arvalis). Deze soorten zijn allemaal tussen 2017 en 2020 in het plangebied waargenomen. 3.4.9

Overige zoogdieren

Naast de marters en muizen zijn van meer zoogdieren binnen het plangebied waarnemingen bekend. Deze soorten hebben net zoals de overige muizen ook allemaal een vrijstelling voor ontheffing in Noord-Holland. De aanwezigheid van deze soorten wordt wel meegenomen in het onderzoek met wildcamera’s. Het gaat hierbij om de egel (Erinaceus europaeus), haas (Lepus europaeus), ree (Capreolus capreolus) en de vos (Vulpes vulpes). De mol (Talpa europaea) is ook in het plangebied waargenomen. Deze heeft geen vrijstelling. De mol valt enkel onder de zorgplicht.

3.5 Amfibieën Bij de bureaustudie zijn verschillende amfibieën eruit gekomen. Ze hebben bijna allemaal een vrijstelling voor ontheffing, behalve de rugstreeppad. De focus ligt dus meer op de rugstreeppad dan op de andere amfibieën tijdens de veldbezoeken. Daarnaast zijn veel groene kikkers in het plangebied waargenomen, echter is hier niet bepaald of het om de poelkikker gaat (die geen vrijstelling heeft) of om de meerkikker of bastaardkikker (die beiden wel een vrijstelling hebben). Ondanks dat in het plangebied geen waarnemingen zijn van de poelkikker, wordt wel op deze soort gelet tijdens de veldbezoeken. In het plangebied komt geschikt biotoop voor de kamsalamander voor. Echter komt de soort alleen in het oosten van Nederland voor. Hierdoor wordt de soort niet in het gebied verwacht. 3.5.1

Rugstreeppad

De rugstreeppad (Bufo calamita) is in 2018 drie keer en in 2021 een keer roepend waargenomen binnen het plangebied. De wateren in het gebied bieden geschikt biotoop voor de soort, zeker op de golfbaan. 3.5.2

Overige amfibieën

De amfibieën met vrijstelling zijn voornamelijk kikkers. Zo zijn de bastaardkikker (Pelophylax klepton esculentus) en de meerkikker (Pelophylax ridibundus) veel waargenomen in de afgelopen jaren. De bruine kikker (Rana temporaria) is in 2021 ook een paar keer waargenomen. Voor de kikkers is voldoende biotoop aanwezig in het plangebied, hierdoor worden ze hier ook verwacht. De gewone pad (Bufo bufo) is in 2019 en 2021 veel in het gebied waargenomen. Voor deze soort is ook voldoende biotoop aanwezig. Als laatste is de kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) in het gebied waargenomen. Voor deze soort geldt ook dat geschikt biotoop aanwezig is en dat hij dus verwacht wordt in het gebied.

19 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

3.6 Reptielen In de afgelopen jaren zijn geen beschermde reptielsoorten in het plangebied waargenomen. Desondanks wordt tijdens de veldbezoeken wel rekening gehouden met reptielen. Er wordt geen gericht onderzoek naar reptielen uitgevoerd. De reptielen die tijdens andere onderzoeken worden waargenomen worden wel meegenomen in de resultaten. Het gaat dan vooral om de ringslang (Natrix helvetica). De waterpartijen op de golfbaan en het moerasgedeelte zijn geschikt habitat voor deze soort zijn.

3.7 Vissen Uit de bureaustudie is gebleken dat in het plangebied en in de directe omgeving enkele beschermde vissoorten zijn waargenomen. Het gaat hierbij om de bittervoorn en kleine modderkruiper. De grote modderkruiper is niet waargenomen, waar kan door geschikt biotoop wel verwacht worden in het plangebied. 3.7.1 Bittervoorn De bittervoorn (Rhodeus amarus) is de afgelopen jaren in het plangebied waargenomen. De waterlopen in het gebied zijn geschikt biotoop voor deze soort. De soort is aanwezig. 3.7.2 Grote modderkruiper De grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) is aangetroffen binnen het plangebied. Er is geschikt biotoop voor de soort aanwezig. De grote modderkruiper komt voor in ondiepe water met een modderlaag en waterplantengroei. 3.7.3 Kleine modderkruiper De kleine modderkruiper (Cobitis taenia) is een aantal keer waargenomen binnen het plangebied. Voor deze soort is geschikt biotoop aanwezig, de soort is aanwezig.. 3.7.4 Overige vissen Daarnaast zijn niet-beschermde soorten in het gebied waargenomen. Voor deze soorten geldt enkel de zorgplicht. Dit zijn de baars (Perca fluviatilis), blankvoorn (Rutilus rutilus), rietvoorn (Scardinius erythrophthalmus), snoek (Esox lucius) en de tiendoornige stekelbaars (Pungitius pungitius).

3.8 Insecten Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde insectensoorten in het gebied. In het gebied is wel een waarneming bekend van een rode lijst-soort, het bruin blauwtje (Aricia agestis). Daarnaast zijn er waarnemingen bekend van enkele soorten die vallen onder de Natura 2000 en Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL), wat de kwaliteit van het gebied aangeeft. Deze soorten omvatten de Argusvlinder (Lasiommata megera), Bruin zandoogje (Maniola jurtina), Hooibeestje (Coenonympha pamphilus), Kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) en Zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola). Verder zijn waarnemingen bekend van een aantal algemene soorten in het plangebied: • Atalanta (Vanessa atalanta) • Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens) • Bont zandoogje (Pararge aegeria) • Steenrode heidelibel (Sympetrum • Oranjetipje (Anthocharis cardamines) vulgatum) • Argusvlinder (Lasiommata megera) • Platbuik (Libellula depressa). • Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album) • Grote keizerlibel (Anax imperator) • Paardenbijter (Aeshna mixta) • Viervlek (Libellula quadrimaculata) Tijdens de veldbezoeken zijn de algemene en rode lijst soorten geïnventariseerd.

3.9 Vaatplanten In het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten. Wel zijn zeldzame soorten in het gebied waargenomen. Deze soorten worden geïnventariseerd tijdens de veldbezoeken. Voor 20 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

de Burggolf gaat het om de paarse morgenster (Tragopogon porrifolius). In het Purmerbos zijn meerdere zeldzame planten waargenomen: • Daslook (Allium ursinum) • Dryopteris hirtipes (geen Nederlandse naam bekend) • Gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis) • Glansschildvaren (Polystichum polyblepharum) • Paarse morgenster (Tragopogon porrifolius) • Ruig klokje (Campanula trachelium) • Stijve x zachte naaldvaren (Polystichum x bicknellii (P. setiferum x aculeatum)) • Zachte naaldvaren (Polystichum setiferum) Purmer-Zuid heeft twee waarnemingen van zeldzame planten; geschubde mannetjesvaren (Dryopteris affinis agg.) en smalle ijzervaren (Cyrtomium fortunei). Daarnaast komen ook een aantal planten in het plangebied voor die op de Rode lijst staan: • Korenbloem (Centarea cyanus) • Kamgras (Cynosurus cristatus) • Bolderik (Agrostemma githago) • Blauw walstro (Sherardia arvensis) • Kruidvlier (Sambucus ebulus) • Gladde ereprijs (Veronica polita) • Kleine ratelaar (Rhinanthus minor) • Brede waterpest (Elodea canadensis)

21 | 225

3. Literatuuronderzoek en verwacht gebiedsgebruik In dit hoofdstuk worden de waargenomen soorten besproken. Dit zijn enkel de soorten die zwaar beschermd zijn, op de rode lijst staan of waar het plangebied een grote ecologische bijdrage vervult. Deze soorten worden per soortgroep behandeld.

3.1 Vleermuizen Bij de vleermuizen worden alle waargenomen vleermuizen beschreven. Eerst worden de gebouwbewonende vleermuis behandeld (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). Daarna worden de boombewonende vleermuizen behandeld (rosse vleermuis en watervleermuis). Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) is de meest algemene vleermuis in Nederland. De soort is ook een van de kleinste vleermuizen in Nederland. De soort bevindt zich vooral in stedelijk gebied, hier maken ze gebruik van de bebouwing om hun verschillende verblijfplaatsen te vestigen. De levenscyclus van de dwergvleermuis kent verschillende perioden. De winterperiode, waarin de soort in winterslaap gaat. Daarna is de paarperiode, hier zoeken mannetjes de vrouwtjes op om te paren. En als laatste is een periode waarin de jongen worden gezoogd. Voor elke periode hebben vleermuizen een andere verblijfplaats, want in elke periode hebben ze een ander soort verblijf nodig. Gewone dwergvleermuizen hebben hierdoor een enorm netwerk van verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze soort foerageert vaak boven tuinen of grasveldjes, langs bomenrijen en langs vegetatie. Ze vliegen niet hoog, vaak tussen twee en vijf meter boven de grond. Het voedsel bestaat uit muggen en andere vliegen die tijdens de vlucht worden gevangen.

Voor de vliegroutes van vleermuizen zijn lijnvormige structuren in het belangrijk, deze gebruiken ze om zich te oriënteren in het gebied. De gewone dwergvleermuis is de algemeenste vleermuis in Nederland en is daarom ook in heel Nederland te vinden. De verspreiding van de soort ligt wel het meeste in en rondom steden. Landelijke trend

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving zijn de landelijke trends van de vleermuissoorten de laatste jaren aan het stabiliseren. Hierbij is gekeken naar alle vleermuissoorten in Nederland. Van de aparte soorten zijn geen gegevens bekend van afzonderlijke trends. Toets op SMP Purmerend die goedgekeurd is

Functie plangebied

Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt worden. Het plangebied dient als foerageer- en vliegroute gebruik wordt, er zijn geen verblijfplaatsen als kraam, paar, winter- of zomerverblijven aangetroffen De gewone dwergvleermuis staat niet op de Rode lijst (thans niet bedreigd). Van deze soort is de staat van instandhouding echter onbekend, lokaal kan deze immers wel/niet gegarandeerd worden.

Bijzonderheid:

Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) lijkt veel op de gewone dwergvleermuis. Op uiterlijk zijn ze redelijk te onderscheiden maar op geluid van de sonar nog beter. De ruige dwergvleermuis bevindt zich niet het hele jaar in Nederland. In zomer zijn het vooral mannetjes die in Nederland voorkomen, de vrouwtjes zitten dan nog in landen zoals Duitsland en Polen. Hier worden de jongen geboren en halverwege augustus komen de vrouwtjes met de opgegroeide jongen naar Nederland. De vrouwtjes trekken door Nederland op zoek naar mannetjes om weer te paren. Tijdens deze trektochten maken ze gebruik van lijnvormige structuren in het landschap. In tegenstelling tot de gewone dwergvleermuis is deze soort niet enkel aan bebouwing gebonden. Deze vleermuizen verblijven ook in boomholten, achter boomschors of in stapels brandhout. Ze kunnen hier als enkele individuen zitten of in kleine groepjes. Ruige dwergvleermuizen eten alleen maar vliegende insecten en dansmuggen maken hier het grootste deel van uit. De soort komt verspreid in heel

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Nederland voor, maar de kern ligt wel echt in het noordwesten. Hierbij wordt de soort ook meer in het duingebied en langs rivieren waargenomen dan verder in het binnenland. Landelijke trend

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving zijn de landelijke trends van de vleermuissoorten de laatste jaren aan het stabiliseren. Hier is gekeken naar alle vleermuissoorten in Nederland. Van de aparte soorten zijn geen gegevens bekend van afzonderlijke trends.

Functie plangebied

Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Hierdoor wordt verwacht dat het plangebied als foerageer- en vliegroute gebruik wordt. De ruige dwergvleermuis is deels ook een boombewonende soort. Hierdoor wordt verwacht dat de soort ook verblijfplaatsen in de holtes van oudere bomen heeft. Van deze soort is de staat van instandhouding matig ongunstig.

Bijzonderheid:

Laatvlieger De laatvlieger (Eptesicus serotinus) is een van de grootste vleermuis in Nederland. Dit is ook het belangrijkste kenmerk van de soort. Deze soort vliegt een stuk hoger dan de dwergvleermuizen, namelijk op vijf tot tien meter van de grond. De laatvlieger jaagt boven open landschap en maakt hierbij gebruik van opgaande elementen zoals bosranden en heggen. De soort is dus erg afhankelijk van lijnvormige structuren in het landschap. Het dieet van de laatvlieger is gericht op grotere insecten zoals nachtvlinders en kevers. De meeste prooien worden in de lucht gevangen, maar de laatvlieger kan soms ook prooien van bladeren of de grond pakken. Kraamverblijven zijn tot nu toe alleen in bebouwing gevonden. Ze verblijven in de spouwmuur, onder dakpannen of onder het lood van een schoorsteen. Laatvliegers leven in kolonies die gebruik maken van verschillende huizen. Deze huizen liggen vaak niet verder dan enkele honderden meters uit elkaar. Het foerageergebied ligt meestal tussen één en vijf kilometer van de kolonie af. De laatvlieger is in heel Nederland algemeen. Er zijn bijna geen plekken waar de soort helemaal niet voorkomt. Op de Waddeneilanden is de dichtheid minder hoog, maar ook daar komt de soort voor. Landelijke trend

Functie plangebied

Bijzonderheid:

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving zijn de landelijke trends van de vleermuissoorten de laatste jaren aan het stabiliseren. Hier is gekeken naar alle vleermuissoorten in Nederland. Ook laatvlieger laat een afname zien in de periode 20152022 op basis van akoestische waarnemingen. De afname van verblijven en foerageergebieden lijkt hier de oorzaak achter de afname. Het algemene beeld blijft echter een toename van de aantallen vleermuizen over de gehele meetperiode, maar meer afnames de laatste jaren. Elders in Europa nemen de aantallen vleermuizen eveneens toe de laatste decennia (Van der Meij et al., 2014) Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt worden. Duidelijk is dat het plangebied als foerageer- en vliegroute gebruikt wordt. De laatvlieger staat als kwetsbaar op de Rode lijst. Van deze soort is de staat van instandhouding matig ongunstig

Meervleermuis De meervleermuis jaagt boven het wateroppervlak. Deze soort jaagt meer boven grote open wateren en langs oevers van plassen en meren. Ze pakken de insecten van het wateroppervlak met hun relatief grote achterpoten. Boven de oevers vangen ze insecten uit de lucht. De kraamkolonies van meervleermuizen bevinden zich wel meer bebouwing. De kolonies zijn vaak op kerkzolders te vinden, maar ook in spouwmuren of onder dakpannen. De verspreiding van de soort in Nederland ligt vooral in het noordwesten. In de provincies Noord-Holland, Utrecht, Flevoland en het westen van Friesland zijn de hotspots voor de meervleermuis. Op de Waddeneilanden komt de soort bijna niet voor.

23 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Landelijke trend

Functie plangebied

Bijzonderheid:

De meervleermuis dreigt te verdwijnen uit Nederland. Daarom trekt de Stichting Ecologisch Vleermuis Onderzoek Nederland (SEVON) aan de alarmbel. De grootste bedreiging is de huidige na-isolatie van woningen. Het is nog net niet te laat, als er snel maatregelen genomen worden om bestaande verblijfplaatsen van meervleermuizen te behouden Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Er zijn 87 individuen van meervleermuizen aangetroffen, dat maakt het gebied bijzonder, gezien de ongunstige staat van instandhouding van de meervleermuis een aandacht soort in dit plan. De meervleermuis staat, bijzonder genoeg niet op de Rode lijst (thans niet bedreigd). Van deze soort is de staat van instandhouding matig ongunstig.

Rosse vleermuis De rosse vleermuis (Nyctalus noctula) is een van de grootste vleermuissoorten van West-Europa. Jachtplaatsen van de rosse vleermuis bevinden zich doorgaans in open terrein, waar ze met snelle duikvluchten op insecten jagen. Deze vleermuissoort is voornamelijk actief boven water en moerassige gebieden en jaagt soms ook bij straatverlichting. De prooien bestaan voornamelijk uit grote kevers en nachtvlinders, maar ook uit kleine dansmuggen die in zwermen vliegen. De jachtperiodes concentreren zich met name in de avond- en ochtendschemering en beslaan ongeveer een uur, waarna de dieren terugkeren naar hun verblijfplaatsen. In West-Europa is de rosse vleermuis een duidelijke boombewoner. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen als dieren in winterslaap maken gebruik van boomholten als verblijfplaats. Vanwege de tamelijke luidruchtigheid van de rosse vleermuis en het feit dat de geluiden vaak goed hoorbaar zijn zonder speciale apparatuur, zijn de verblijfplaatsen relatief eenvoudig te lokaliseren. De rosse vleermuis heeft een verspreiding over een groot deel van Europa en ontbreekt alleen in het noorden van Zweden, evenals in het grootste deel van Noorwegen en Finland. Kraamkolonies van deze vleermuis zijn voornamelijk bekend in laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. Ons land speelt dan ook een belangrijke rol voor deze soort.

Tussen 1986 en 1993 werd de populatie rosse vleermuizen in Nederland geschat op 6000-8000 dieren. In Noord-Brabant zijn recentelijk aanwijzingen gevonden voor een toename van deze populatie. Landelijke trend

Functie plangebied

Bijzonderheid:

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving zijn de landelijke trends van de vleermuissoorten de laatste jaren aan het stabiliseren. Hier is gekeken naar alle vleermuissoorten in Nederland. Voor de rosse vleermuis wordt opgemerkt dat er in zowel zomer als winter geen informatie bekend is die bruikbaar is om een populatietrend te bepalen. De kraamverblijven veroorzaken in juni veel herrie en kunnen ook overdag opgespoord worden. Deze soort is de meest eenvoudig te inventariseren bossoort, maar toch zijn nog onvoldoende gegeven bekend. Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Er zijn 87 individuen van Rosse vleermuizen aangetroffen, dat maakt het gebied bijzonder, gezien de ongunstige staat van instandhouding van de Rosse vleermuis een aandacht soort in dit plan. Van de rosse vleermuis zijn onvoldoende gegevens beschikbaar of de soort bedreigd is volgens de Rode lijst. Van deze soort is de staat van instandhouding zeer ongunstig.

Watervleermuis De watervleermuis (Myotis daubentonii) foerageert boven kleine, smalle beschutte wateren. Hier vangen ze insecten die net boven of op het wateroppervlak zitten. De verblijven zitten in boomholten, meestal spechtengaten. De verspreiding in Nederland ligt vooral rond de oudere bossen en in het duinengebied.

24 | 225

Soortenmanagementplan Oostflank Purmerend

Landelijke trend

Functie plangebied

Bijzonderheid:

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving zijn de landelijke trends van de vleermuissoorten de laatste jaren aan het stabiliseren. Hier is gekeken naar alle vleermuissoorten in Nederland. Van de aparte soorten zijn geen gegevens bekend van afzonderlijke trends Het gebied kent veel lijnvormige structuren (bomenrijen en watergangen), die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Hierdoor wordt verwacht dat het plangebied als foerageer- en vliegroute gebruik wordt. Voor deze boombewonende soort wordt ook verwacht dat deze verblijfplaatsen heeft in de holtes van de oudere bomen. Van deze soort is de staat van instandhouding gunstig. Hierdoor kan worden uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op de landelijke GSvI van de watervleermuis. Over de regionale staat van instandhouding zijn geen gegevens bekend. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op de regionale staat van instandhouding van de watervleermuis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13988596/1