Rapport Onderzoek jeugdhulp - delen I en II
Tekst van het document
21
https://www.nji.nl/nl/Databank/Cijfers-over-Jeugd-en-Opvoeding/Cijfers-per-voorziening/Jeugdhulp-met-verblijf
45
Bevinding De toename van de kosten voor de productgroep Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) met 23% (12,3% van de totale kostentoename) over de periode 2015 tot en met 2019 wordt voor 108,5% veroorzaakt door de toename van de kosten voor de inkoop van: 1. Pleegzorg (54,9% van de totale kostentoename voor de productcategorie) 2. Jeugdzorgplus (27,9% van de totale kostentoename voor de productcategorie) 3. Behandelgroep zwaar (25,7% van de totale kostentoename voor de productcategorie) Achterliggende oorzaken voor de toename van de kosten voor deze producten zijn met name: 1. Een toename met 71,3% van de gemiddelde kosten per uur voor de pleegzorg; 2. Een toename met 39,5% van het aantal jeugdigen dat zorg ontvangen binnen de producten JeugdzorgPlus en Behandelgroep zwaar; 3. Voor het product Behandelgroep zwaar heeft de stijging van de gemiddelde kosten per uur met 16,7% een aandeel in de kostenstijging.
Toelichting In de hiernavolgende figuur en tabel is de kostenontwikkeling over de periode 2015-2019 opgenomen voor de drie producten die vallen onder de categorie Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) en die in absolute zin het meest bijdragen aan de stijging van de kosten. 22
22
Het totaal in de kolom ‘Aandeel kostenstijging categorie` komt boven de 100% uit. Dit komt omdat er ook producten zijn die een negatief aandeel in de totale kostenstijging hebben: bij deze producten zijn de kosten in 2019 ten opzichte van 2015 juist gedaald.
46
Totale kosten per product in de productcategorie 43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling) Product
Kosten 2015
Kosten 2019
Verschil 2015 - 2019 €6,1 mln.
Procentueel verschil 2015 - 2019 71%
Aandeel kostenstijging categorie 54,90%
43A09 Pleegzorg
€8,6 mln.
€14,7 mln.
43A12 JeugdzorgPlus: inspanningsgericht
€8,8 mln.
€11,9 mln.
€3,1 mln.
35,10%
27,90%
43C04 VF7 Behandelgroep zwaar
€4,6 mln.
€7,5 mln.
€2,9 mln.
61,90%
25,70%
Totaal deze producten
€22,1 mln.
€34,2 mln.
€12,1 mln.
54,70%
108,50%
Totaal categorie 43
€49 mln.
€60 mln.
€11 mln.
23.0%
100%
Totale kosten per product binnen de productcategorie Jeugdhulp met verblijf en enkele statistieken. Binnen de zorgcategorie Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) stijgen met name de kosten voor de producten Pleegzorg, Jeugdzorgplus: Inspanningsgericht (vanaf nu JeugdzorgPlus) en Behandelgroep zwaar sterk: •
•
De kosten voor de Pleegzorg stijgen van € 8,6 mln. in 2015 met 71% naar € 14,7 mln. in 2019 en de stijging draagt voor 54,9% bij aan de totale stijging van de kosten voor de categorie Jeugdhulp met verblijf; De kosten voor Jeugdzorgplus stijgen van € 8,8 mln. in 2015 met 35,1% naar € 11,9 mln. in 2019 en de stijging draagt voor 27,9% bij aan de totale stijging van de kosten voor de categorie Jeugdhulp met verblijf; 47
•
De kosten voor het product Behandelgroep zwaar stijgen van € 4,6 mln. in 2015 met 61,9% naar € 7,5 mln. in 2019 en de stijging draagt voor 25,7% bij aan de totale stijging van de kosten voor de categorie Jeugdhulp met verblijf.
De totale kosten voor deze drie producten stijgen van € 22,1 mln. in 2015 naar € 34,2 mln. in 2019. Dit is een stijging van 54,7% en deze stijging draagt voor 108,5% bij aan de stijging van de kosten voor de categorie. Dat dit aandeel is groter dan 100% is te verklaren doordat andere producten in kosten zijn gedaald. In bijlage 1 ‘Bijlage 1: Aanvullende gemeentelijke analyses’ bij 4.1.4 Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) is te lezen dat er op gemeentelijk niveau een aantal verschillen zijn. In de hierna volgende onderdelen is voor de drie zorgproducten Pleegzorg, Jeugdzorgplus en Behandelgroep zwaar de verandering van de drie kengetallen toegelicht. Ontwikkeling van het aantal unieke jeugdigen
Aantal unieke jeugdigen per product in de productcategorie 43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling) Product
43A09 Pleegzorg 43A12 JeugdzorgPlus: inspanningsgericht 43C04 VF7 Behandelgroep zwaar
Aantal unieke jeugdigen 2015
Aantal unieke jeugdigen 2019
Verschil 2015 2019
1409 157
1376 221
-33 64
−2,3% 40,8%
114
159
45
39,5%
48
Procentueel verschil 2015 2019
Aantal unieke jeugdigen per product in de productcategorie 43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling) en enkele statistieken. Voor de drie geselecteerde producten binnen de zorgcategorie Jeugdhulp met verblijf zitten de meeste jeugdigen in de pleegzorg. Over de periode 2015 – 2019 daalde het aantal unieke jeugdigen in de pleegzorg met gemiddeld 0,4% per jaar van 1.409 in 2015 naar 1.376 in 2019. Dit is een totale daling van 2,3%. In 2017 en 2019 was er sprake van een lichte stijging van rond de 2% van het aantal unieke jeugdigen in de pleegzorg, in 2016 en 2018 was sprake van een lichte daling van rond de 3%. Binnen het product Jeugdzorgplus stijgt het aantal unieke jeugdigen per jaar met gemiddeld 7% van 157 in 2015 tot 221 in 2019. In 2018 was de stijging met 18,8% het hoogst. In 2019 bleef het aantal unieke jeugdigen gelijk aan 2018. Over de periode 2015 – 2019 is de totale stijging 40,8%. Het aantal unieke jeugdigen voor het product Behandelgroep zwaar stijgt gemiddeld met 6,8% per jaar van 114 jeugdigen in 2015 naar 159 jeugdigen in 2019. In 2016 was de stijging van het aantal unieke jeugdigen met 40,3% het hoogst. In 2019 was sprake van de grootste daling, het aantal unieke jeugdigen daalde toen met een kleine 4%. Over de gehele periode 2015 – 2016 is het aantal unieke jeugdigen gestegen met 39,5%.
In bijlage 1 ‘Bijlage 1: Aanvullende gemeentelijke analyses’ bij 4.1.4 Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) is te lezen dat de afzonderlijke gemeenten eenzelfde ontwikkeling kennen. Ontwikkeling van het gemiddelde aantal uur zorg per jeugdige
Gemiddeld aantal uur zorg per jeugdige in de productcategorie 43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling) 49
Product
43A09 Pleegzorg 43A12 JeugdzorgPlus: inspanningsgericht 43C04 VF7 Behandelgroep zwaar
Uur zorg 2015
Uur zorg 2019
Verschil 2015 2019
Procentueel verschil 2015 2019
6351 4120
6490 3971
139.0 -149.3
2,2% −3,6%
4737
4711
-26.7
−0,6%
Gemiddeld aantal uur zorg per jeugdige in de productcategorie 43 Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) en enkele statistieken.
De totale stijging of daling in het gemiddelde aantal uren zorg per jeugdige van de drie producten over de periode 2015 tot en met 2019 is in deze productgroep vrij klein. Voor het product Pleegzorg is deze toename gemiddeld een kleine 0,5% per jaar, wat resulteert in een totale toename van 2,2%. Daarbij was er in de jaren 2016 en 2018 sprake van een stijging van 12,8% en 3,6%, in de jaren 2016 en 2019 was er sprake van een daling van 6,8% en 6,3%. Voor het product Jeugdzorgplus is de afname in het gemiddelde aantal uren zorg per jeugdige gemiddeld 0,7% per jaar. Voor dit product was er in 2016 een daling van 16,3% ten opzichte van 2015, een stijging in van 12,3% in 2016, in 2017 wederom een daling met 6,9% en in 2019 een stijging met 5,6 %. Dit resulteert in een totale afname van 3,6%. Het product Behandelgroep zwaar kent in de jaren 2016 en 2017 twee jaren daling in het gemiddelde aantal uren zorg per jeugdige met 5,2% en 0,5%, gevolgd door twee jaar stijging van 4,5% en 0,8%. Hierdoor is het gemiddelde aantal uren geboden zorg per jeugdige over de periode 2015 – 2019 nagenoeg gelijk gebleven. In bijlage 1 ‘Bijlage 1: Aanvullende gemeentelijke analyses’ bij 4.1.4 Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) is te lezen dat er op gemeentelijk niveau weinig verschil is met de algemene ontwikkeling.
50
Ontwikkeling van de gemiddelde kosten per uur per jeugdige
Gemiddelde kosten per uur zorg per product in de productcategorie 43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling) Product
43A09 Pleegzorg 43A12 JeugdzorgPlus: inspanningsgericht 43C04 VF7 Behandelgroep zwaar
Kostprijs 2015
Kostprijs 2019
Verschil 2015 2019
Procentueel verschil 2015 2019
€0,96 €13,64
€1,65 €13,59
€0,69 −€0,05
71,3% −0,4%
€8,57
€10,01
€1,43
16,7%
Gemiddeld kosten per uur zorg per product in de productcategorie 43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling) en enkele statistieken. De kosten voor de geboden zorg omgerekend naar uur zorg zijn voor het product Pleegzorg relatief laag. Alleen in 2018 was er sprake van een forse stijging van de kostprijs per uur van €0,96 in 2017 met 73,1% naar € 1,73 in 2018. In de overige jaren was er nagenoeg geen verandering in de kostprijs. De gemiddelde kosten per uur geleverde Pleegzorg stegen van € 0,96 in 2015 naar € 1,65 in 2019. Voor het product Jeugdzorgplus is de kostprijs per uur in 2019 nagenoeg gelijk aan die van 2015: een daling van 0,4%. In 2018 steeg de kostprijs per uur met 3,6% ten opzichte van het voorgaande jaar het sterkst. Alleen in 2019 was sprake van een daling met 5,6%. Voor het product Behandelgroep zwaar steeg de kostprijs per uur gemiddeld 3,1% per jaar. In 2016 steeg de kostprijs per uur met 11,3% het sterkst. In 2019 daalden de kostprijs per uur met 3,5%. De totale toename voor dit product is 16,7%.
51
In bijlage 1 ‘Bijlage 1: Aanvullende gemeentelijke analyses’ bij 4.1.4 Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) is te lezen dat er op gemeentelijk niveau grote verschillen zijn. Samenvatting welke ontwikkeling het meest bijdraagt aan de kostenontwikkeling In onderstaande grafiek zijn de percentages opgenomen waarmee de drie kengetallen voor de drie producten tussen 2015 en 2019 zijn veranderd:
Procentuele verandering kengetallen gehele H10 in de productcategorie 43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling) Product
Kosten 2015
Kosten 2019
Verschil 2015 - 2019 €6,1 mln.
Procentueel verschil 2015 - 2019 71%
Aandeel kostenstijging categorie 54,90%
43A09 Pleegzorg
€8,6 mln.
€14,7 mln.
43A12 JeugdzorgPlus: inspanningsgericht 43C04 VF7 Behandelgroep zwaar
€8,8 mln.
€11,9 mln.
€3,1 mln.
35,10%
27,90%
€4,6 mln.
€7,5 mln.
€2,9 mln.
61,90%
25,70%
Totaal deze producten
€22,1 mln.
€34,2 mln.
€12,1 mln.
54,70%
108,50%
Totaal categorie 43
€49 mln.
€60 mln.
€11 mln.
23.0%
100%
Totale kosten per product binnen de productcategorie Jeugdhulp met verblijf en enkele statistieken. Voor het product Pleegzorg valt op dat met name de gemiddelde kosten per uur verklaart waarom de kosten voor pleegzorg zijn toegenomen. Hoewel het absolute verschil in kostprijs niet groot is, heeft het door het hoge aantal uren zorg een groot effect op de totale kosten. Bij de producten 52
JeugdzorgPlus en Behandelgroep zwaar wordt de stijging vooral veroorzaakt door een toename van het aantal jeugdigen die deze vorm van zorg ontvangen. Verder is opvallend dat het gemiddelde aantal uren zorg bij alle producten nagenoeg gelijk is gebleven. Door het geringe aantal jeugdigen dat in verschillende gemeenten zorg ontvangt leent deze productcategorie zich beperkt voor een analyse op gemeentelijk niveau. Voor het product Pleegzorg kennen de afzonderlijke gemeenten dezelfde ontwikkeling als op het niveau van de gehele H10, waarbij een verandering in de gemiddelde kostprijs per uur de belangrijkste verklarende factor is voor de kostenstijging. Voor het product Jeugdzorg Plus kende gemeente Delft in tegenstelling tot de overige 3 gemeenten een kostendaling. In de gemeenten Den Haag en Zoetermeer is de kostenstijging voor het product Behandelgroep zwaar vooral te verklaren door een stijging van het aantal unieke jeugdigen.
Procentuele verandering kengetallen gehele H10 in de productcategorie 43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling) gesplitst naar gemeente In bijlage 1 ‘Bijlage 1: Aanvullende gemeentelijke analyses’ wordt verder op de verschillen tussen gemeenten ingegaan.
2.4 Belangrijkste oorzaken op een rij De stijging van de kosten van de jeugdzorg (in al zijn vormen) heeft verschillende oorzaken. Deze zijn in paragraaf 2.3 systematisch geanalyseerd met behulp van kengetallen. Deze paragraaf zet de belangrijkste bevindingen op een rij.
53
Deze bevindingen gelden voor de H10 als geheel. Waar sprake is van een sterk afwijkend beeld in een of meer gemeenten, wordt dat in deze paragraaf aangegeven. In de bijlage is een vollediger overzicht van de ontwikkeling van het beroep op, en de kosten van verschillende vormen van jeugdzorg in de afzonderlijke gemeenten te vinden. Daarbij past de kanttekening dat sommige vormen van jeugdzorg in bepaalde gemeenten om privacy-redenen (vanwege het kleine aantal individuele gevallen) maar beperkt geanalyseerd kunnen worden. Onderstaand overzicht bevat de figuren met kengetallen van de analyses van de verschillende productgroepen samen.
Procentuele verandering kengetallen gehele H10 in alle productcategorieën Bij de meeste producten is een toename van het aantal jeugdigen dat zorg ontvangt het kengetal dat het meest bijdraagt aan de totale kostenstijging. Dit is bij 6 van de 10 producten het geval. Bij de producten Specialistische jeugdhulp en Basis Jeugd GGZ levert het gemiddelde uur zorg de belangrijkste bijdrage aan de kostenstijging. Bij de producten Specialistische GGZ en Pleegzorg was dat de gemiddelde uur zorg. De kostentoename bij de productcategorie Jeugd-GGZ draagt met 38,4% fors bij aan de totale kostentoename voor de ingekochte jeugdhulp. Doordat het aandeel van het product Basis Jeugd-GGZ toeneemt ten opzichte van het product Specialistische GGZ, wordt de kostenstijging nog wat gematigd. De gemiddelde kosten per uur zorgt niet voor beduidende verschillen tussen de gemeente. De tarieven zijn inmiddels verregaand geharmoniseerd. 54
2.5 Mogelijke verklaringen: verschuiving tussen producten In de voorgaande paragrafen is op basis van een cijfermatige analyse van de producten met de grootste kostenstijgingen bepaald wat de belangrijkste oorzaak is: een stijging van het aantal unieke jeugdigen, een stijging van het aantal uren per jeugdige of een stijging van de kosten per uur. Op basis van deze analyses is een vervolganalyse uitgevoerd die mogelijk een nadere verklaring kan geven over de stijging van de kosten: nemen de kosten voor de jeugdzorg toe doordat er sprake is van een verschuiving van het inzetten van goedkopere vormen van jeugdzorg naar duurdere vormen van jeugdzorg?
2.5.1 Algemeen Zoals in de paragraaf 2.3.1 ‘Kengetallen H10’ is aangegeven stijgt op het niveau van de gehele H10 het aantal unieke jeugdigen met jeugdzorg met 24% en neemt de gemiddelde hoeveelheid zorg (aantal uren) per jeugdige met 9% af. Voor de 10 producten uit dit hoofdstuk, die verantwoordelijk zijn voor rond de 60% van de totale kosten voor de jeugdzorg, is sprake van een daling met 1% van de gemiddelde hoeveelheid zorg per jeugdige. Dit komt omdat relatief gezien meer jeugdzorg wordt verstrekt voor zorgproducten waarvoor de gemiddelde hoeveelheid uren zorg per jeugdige laag is. Zoals in onderstaande tabel is aangegeven blijft voor de drie zorgproducten uit de zorgcategorie ‘Jeugdhulp met verblijf’ de gemiddelde hoeveelheid uren zorg per jeugdige vrijwel gelijk met 6.033 uur in 2015 en 6.012 uur in 2019. Voor de andere zeven zorgproducten stijgt de gemiddelde hoeveelheid uren zorg per jeugdige met 70% van 37 uur in 2015 naar 63 uur in 2019. De gemiddelde hoeveelheid zorg per jeugdige daalt desondanks 1% wanneer de tien producten worden samengenomen. Dit komt omdat het aantal jeugdigen waarvoor jeugdhulp met verblijf wordt aangeboden (+5%) minder sterk toeneemt dan het aantal jeugdigen waarvoor jeugdhulp zonder verblijf wordt aangeboden (+13%). Hierdoor neemt relatief gezien de hoeveelheid zorg met een lange zorgduur af en de hoeveelheid zorg met een korte zorgduur toe.
De daling van de gemiddelde hoeveelheid zorg per jeugdige wordt dus niet veroorzaakt doordat binnen de zorgproducten structureel minder zorg wordt geboden.
2015 3 producten jeugdhulp met verblijf 7 producten jeugdhulp zonder verblijf Totaal 2019 3 producten jeugdhulp met verblijf 7 producten jeugdhulp zonder verblijf Totaal Toe-/afname 2019 t.o.v. 2015 3 producten jeugdhulp met verblijf 7 producten jeugdhulp zonder verblijf Totaal
Unieke Uren zorg per jeugdigen jeugdige 1.680 6.033 22.232 37 23.912 458 Unieke Uren zorg per jeugdigen jeugdige 1.756 6.012 25.029 63 26.785 453 Unieke Uren zorg per jeugdigen jeugdige +5% 0% +13% +70% +12% -1%
Relatieve verschuiving tussen zorgproducten met en zonder verblijf
55
Totaal aantal uren zorg 10.135.505 820.701 10.956.205 Totaal aantal uren zorg 10.556.784 1.576.573 12.133.357 Totaal aantal uren zorg 4% +92% +11%
Om na te gaan of de kosten voor de jeugdzorg toenemen doordat er sprake is van een verschuiving van het inzetten van goedkopere vormen van jeugdzorg naar duurdere vormen van jeugdzorg, zijn de tarieven per uur die voor alle zorgproducten in rekening worden gebracht in categorieën ingedeeld. 25.000.000
20.000.000 2015
15.000.000
2016 2017
10.000.000
2018 2019
5.000.000
0
Kosten jeugdzorg opgesplitst naar de berekende tarieven per uur 80%
70% 60% 50%
2015
40%
2016 2017
30%
2018 20%
2019
10%
0%
Kosten jeugdzorg opgesplitst naar de berekende tarieven per uur weergegeven in procenten Voor de relatief lage tarieven neemt het gebruik af en voor de relatief hoge tarieven is een toename van het gebruik te constateren. Een lage kostprijs per uur wil echter niet zeggen dat er sprake is van een lichtere vorm van zorg. De laagste categorie bestaat alleen uit het product ‘Pleegzorg bijzondere kosten’ en in de tweede categorie zit onder andere de producten ‘Pleegzorg’ en ‘Voogdij’. In onderstaande figuren is daarom gekeken of er een verschuiving is van kosten wanneer naar de gemiddelde kosten per kind wordt gekeken.
56
30.000
25.000 20.000 2015 15.000
2016 2017
10.000
2018
5.000
2019
0
Aantal jeugdigen met jeugdzorg opgesplitst naar de categorieën van kosten die in het totaal per jeugdige in dat jaar gemaakt zijn. 90% 80% 70% 60% 2015
50%
2016
40%
2017
30%
2018
20%
2019
10% 0%
Percentage jeugdigen met jeugdzorg opgesplitst naar de categorieën van kosten die in het totaal per jeugdige in dat jaar gemaakt zijn. Hat aantal jeugdigen waarvoor de kosten minder dan € 3.200 per jaar bedragen is van 5.051 in 2015 met bijna 135% gestegen naar 11.856 in 2019. Het aantal jeugdigen waarvoor de kosten meer dan € 3.200 per jaar bedragen is van 26.679 in 2015 met 19% gestegen naar 31.720 in 2019. Het aandeel jeugdigen met zorg tot € 3.200 per jaar is van 16% gestegen naar 27%. Het aandeel jeugdigen met zorg vanaf € 3.200 per jaar is gedaald van 84% nar 73%. Samengevat is zowel voor jeugdzorg met minder kosten per jeugdige als voor jeugdzorg met meer kosten per jeugdige sprake van een stijging. De stijging voor jeugdzorg met minder kosten per jeugdige is echter groter dan de stijging voor de jeugdzorg met meer kosten per jeugdige. Hierdoor neemt ten opzichte van het totaal aantal jeugdigen het aantal jeugdigen waarvoor de kosten per 57
jeugdige minder dan € 3.200 bedragen toe en het aantal jeugdigen waarvoor de kosten per jeugdige méér dan € 3.200 bedragen af.
2.5.2 Dagbehandeling en dagbesteding Binnen de zorgcategorie ‘41 Dagbehandeling’ is onderzocht of er een verschuiving plaatsvindt tussen de goedkopere en duurdere producten. In onderstaande figuur is de voor de periode 2015-2019 opgenomen hoeveel jeugdigen van vijf producten binnen deze zorgcategorie gebruik maken. 450 400 350 300
2015
250
2016
200
2017
150
2018
100
2019
50 0
Dagbesteding licht (€ 13,35/u)
Dagbesteding middel (€ 16,27/u)
Dagbehandeling Dagbesteding VF1 product (€ zwaar (€ 23,56/u) Dagbehandeling 22,16/u) (€ 25,90/u)
Aantal unieke jeugdigen voor 5 producten dagbehandeling en dagbesteding.23 Over het algemeen valt op dat voor de eerste vier producten sprake is van een toename van het aantal jeugdigen. Alleen voor de laatste en duurste categorie is sprake van een afname. De stijging voor ‘Dagbehandeling product’ is het hoogst. Van een structurele verschuiving naar het gebruik van duurdere producten lijkt geen sprake te zijn. Wanneer per jaar wordt gekeken valt echter wel op dat in 2018 voor ‘Dagbesteding licht’ een dip zit, terwijl bij ‘Dagbesteding middel’ juist een piek zit. De stijging van het product ‘Dagbesteding zwaar’ lijkt het omgekeerde patroon te volgen van het duurdere product ‘VF1 Dagbehandeling’ die daalt. In onderstaande figuur is de hoeveelheid zorg opgenomen die per jeugdige voor de voorgaande producten per jaar in uur is geboden.
23
Het bedrag per uur in de labels is het gemiddelde over 2015 tot en met 2019 van de gemiddelde kosten per uur per jeugdige voor dat product.
58
1.000 900
800 700 600
2015
500
2016
400
2017
300
2018
200
2019
100 0 Dagbesteding licht (€ 13,35/u)
Dagbesteding middel (€ 16,27/u)
Dagbehandeling Dagbesteding VF1 product (€ zwaar (€ 23,56/u) Dagbehandeling 22,16/u) (€ 25,90/u)
Gemiddelde aantal uren zorg dat per product en per jeugdige is aangeboden. Over het algemeen worden in de loop der jaren meer uren zorg per jeugdige geboden. In 2016, 2017 en 2018 was dit voor de ‘Dagbesteding licht’ echter relatief weinig, en voor ‘Dagbesteding middel’ relatief veel met een forse piek in 2017. Voor ‘Dagbesteding zwaar’ en ‘VF1 Dagbehandeling’ neemt de geleverde zorg per jeugdige flink toe. Voor ‘VF1 dagbehandeling’ is in 2015 en 2016 de hoeveelheid zorg per kind fors lager dan in latere jaren. Echter, het aantal unieke jeugdigen waarvoor deze zorg werd aangeboden was toen nog flink hoger (zie figuur 43). In onderstaande figuur zijn de totale kosten per product opgenomen. 9.000.000 8.000.000 7.000.000 6.000.000
2015
5.000.000
2016
4.000.000
2017
3.000.000
2018
2.000.000
2019
1.000.000 0 Dagbesteding Dagbesteding Dagbehandeling Dagbesteding VF1 licht (€ 13,35/u) middel (€ product (€ zwaar (€ Dagbehandeling 16,27/u) 22,16/u) 23,56/u) (€ 25,90/u)
Totale kosten per product Dagbehandeling en dagbesteding. Samenvattend valt voor de vijf producten op dat de kosten voor ‘Dagbesteding licht’ in 2019 relatief hoog zijn (meer jeugdigen en meer zorg per jeugdige) en die voor ‘Dagbesteding middel’ in 2019 relatief laag zijn (minder jeugdigen en minder zorg per jeugdige). De grote kostenstijgingen zitten echter bij de duurdere producten ‘Dagbehandeling product’ en ‘Dagbesteding zwaar’ waarvoor voor meer jeugdigen meer zorg wordt geboden. Bij ‘VF1 Dagbehandeling’ krijgen weliswaar minder 59
jeugdigen zorg, maar neemt de hoeveel zorg per jeugdige toe, waardoor de kosten vanaf 2016 toch stijgen.
2.5.3 GGZ Onderzocht is of op individueel niveau van het ene op het andere jaar veel verschuivingen plaatsvinden in de producten die voor jeugdigen worden aangeboden. Voor de GGZ valt hierbij op dat in 2018 relatief veel verschuivingen hebben plaatsgevonden (zie ook onderdeel ‘Overige verschuivingen’ hierna in deze paragraaf). In onderstaande tabel zijn de kosten van de GGZ-producten voor opeenvolgende jaren weergegeven. De kosten voor de GGZ zijn van € 45,4 mln. in 2015 met € 18,3 mln. gestegen naar € 63,8 mln. in 2019. Product 54001 Basis Jeugd-GGZ 54002 Specialistische GGZ 54003 Hoog-Specialistische Jeugd-GGZ Totaal
2015 2016 2017 2018 2019 Toename Toename% € 2.136.082 € 3.047.456 € 3.931.454 € 4.547.980 € 5.906.563 € 3.770.480 277% € 43.293.955 € 43.065.338 € 41.181.700 € 41.281.056 € 49.981.776 € 6.687.821 115% € 7.942.275 € 7.882.935 € 7.882.935 € 45.430.038 € 46.112.794 € 45.113.154 € 53.771.310 € 63.771.274 € 18.341.237 140%
Kosten per jaar voor de GGZ-producten Opvallend hierbij is dat het vanaf 2018 aanbieden van hoog-specialistische Jeugd-GGZ niet geleid heeft tot een daling bij de andere GGZ-producten.
2.5.4 Dyslexie Vanuit de verschillende producten wordt steeds meer verwezen naar diagnostiek en hulp bij dyslexie. In onderstaande tabel zijn de hiermee gemoeide kosten opgenomen. Product 54C02 Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg Diagnostiek 54C03 Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg Behandeling 54C04 dyslexiezorg Totaal
2015
2016
€ €
-
€ €
497 € 497 €
€ €
-
€ €
236.781 € 236.781 €
2017
2018
2019
Toename
-
€ € 565.730 €
886.666 € 3.707.835 € 22.358 €
868.410 € 3.937.210 € €
868.410 3.937.210 -497
565.730 €
4.616.859 €
4.805.619 €
4.805.122
Kosten per jaar voor de Dyslexie-producten Vanaf 2018 is de behandeling van dyslexie als aparte code in de inkoopcontracten opgenomen. Daarvoor werd de behandeling van dyslexie onder specialistische GGZ geboekt. De stijging van specialistische GGZ zonder dyslexie is daardoor groter dan de stijging van het product ‘54002 Specialistische GGZ’ met € 6,7 mln. (+15%), zoals in de vorige paragraaf is weergegeven. De producten ‘54002 Specialistische GGZ’ en ‘54C03 Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg Behandeling’ samen stijgen van € 43,3 mln. in 2015 met € 10,6 mln. (+25%) naar € 53,9 mln. in 2019. Product 54002 Specialistische GGZ 54C03 Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg Behandeling Totaal
2015
2016
2017
2018
2019
€ 43.293.955 € 43.065.338 € 41.181.700 € 41.281.056 € 49.981.776 € € € € € 3.707.835 € 3.937.210 €
Toename 6.687.821 3.937.210
€ 43.293.955 € 43.065.338 € 41.181.700 € 44.988.890 € 53.918.986 € 10.625.031
Totale kosten per jaar voor specialistische GGZ en behandeling dyslexie
2.5.5 Overige verschuivingen Onderzocht is in hoeverre voor jeugdigen van het ene op het andere jaar verschuivingen in de aangeboden zorg hebben plaatsgevonden. Omdat het logisch kan zijn dat een zorgproduct wordt opgevolgd door een ander zorgproduct is in beeld gebracht of in één van de jaren ten opzichte van andere jaren opvallende verschillen bestaan. In onderstaande tabel is opgenomen wanneer jeugdigen in een volgend jaar een ander zorgproduct krijgen aangeboden en wanneer in één van de jaren dit voor meer dan 500 jeugdigen meer het geval is dan gemiddeld in de andere jaren. Het afwijkende jaar is in de tabel geel gemarkeerd. De analyse is alleen uitgevoerd voor jeugdigen die in eerste instantie
60
een zorgproducten uit de vier zorgcategorieën: ’41 Dagbehandeling’, ‘43 Jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling)’, ‘45 Jeugdhulp ambulant’ en ‘54 Jeugd-GGZ’ aangeboden kregen. Bronproduct (categorieën) product_declaratie Aantal_2016 Aantal_2017 Aantal_2018 Aantal_2019 45A49 JH2-C Specialistische groepshulp licht 41C01 Begeleiding groep licht 0 0 810 0 45A49 JH2-C Specialistische groepshulp licht 54003 Hoog-Specialistische Jeugd-GGZ 0 0 539 21 45A53 JH3-A Ambulante therapeutische jeugdhulp 54002 Specialistische GGZ 0 6 15 660 45A7 Specialistische jeugdhulp 41C02 Begeleiding groep zwaar 0 0 547 5 45A7 Specialistische jeugdhulp 45C05 Individuele begeleiding middel 135 483 1673 757 45A7 Specialistische jeugdhulp 48A03 Voogdij 21 41 766 37 45A7 Specialistische jeugdhulp 54002 Specialistische GGZ 668 620 2125 939 45A7 Specialistische jeugdhulp 54003 Hoog-Specialistische Jeugd-GGZ 0 0 1252 226 45C03 Behandeling Paramedisch 45C05 Individuele begeleiding middel 0 0 1090 0 45C05 Individuele begeleiding middel 45A7 Specialistische jeugdhulp 1255 68 1192 244 45C05 Individuele begeleiding middel 45C09 Individuele begeleiding zwaar 0 0 730 153 45C05 Individuele begeleiding middel 54003 Hoog-Specialistische Jeugd-GGZ 0 0 1024 68 45C07 Behandeling IOG 45A65 Behandeling individueel 11 31 783 0 54001 Basis Jeugd-GGZ 54003 Hoog-Specialistische Jeugd-GGZ 0 0 835 260 54002 Specialistische GGZ
45A53 JH3-A Ambulante therapeutische jeugdhulp 1 14 1005 271 54002 Specialistische GGZ 45A7 Specialistische jeugdhulp 781 2011 2650 1246 54002 Specialistische GGZ 45C05 Individuele begeleiding middel 265 582 1878 825 54002 Specialistische GGZ 45C09 Individuele begeleiding zwaar 0 0 769 375 54002 Specialistische GGZ 54003 Hoog-Specialistische Jeugd-GGZ 0 0 6096 367 54002 Specialistische GGZ 54C03 Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg Behandeling 0 0 8887 246 54C02 Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg Diagnostiek 54C03 Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg Behandeling 0 0 0 1177 54C04 dyslexiezorg 54C03 Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg Behandeling 0 0 1244 0 H458 Logeren met begeleiding midweek middel 44C03 Kortdurend verblijf zwaar 0 11 674 0
Zorgproducten waarvoor jeugdigen in een volgend jaar een ander zorgproduct krijgen aangeboden en waarvoor in één van de jaren dit voor meer dan 500 jeugdigen het geval is dan gemiddeld in de andere jaren. Vooral in 2018 vinden er opvallend veel wijzigingen plaats ten opzichte van de andere jaren. In 2018 is de harmonisatie van de producten en tarieven doorgevoerd. Vanaf dat moment betalen de H10gemeenten voor eenzelfde product dezelfde kosten per uur zorg. Zoals in paragraaf 2.2.2 is aangegeven zijn de totale kosten voor de jeugdzorg in 2018 sterker toegenomen dan in andere jaren.
2.6 Verwijzers (CBS-data) In de bestanden die de rekenkamer(commissie)s van het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden hebben ontvangen is geen informatie opgenomen over de verwijzers. Deze informatie leveren de H10gemeenten wel aan het CBS. Hiervoor worden door de gemeenten verschillende datasets aan elkaar gekoppeld. Door de hierbij betrokken ambtenaren is echter aangegeven dat de betrouwbaarheid van deze data beperkt is. Om toch een indruk te geven hebben de rekenkamer(commissie)s op basis van de openbare CBS-data in kaart gebracht hoe de verwijzingen naar de ingekochte jeugdzorgtrajecten zich ontwikkelen. Bevinding Onder voorbehoud van de kwaliteit van de data die door de H10-gemeenten aan het CBS worden geleverd vindt de toename van het aantal jeugdzorgtrajecten vooral plaats bij de gemeentelijke toegang tot de jeugdzorg. Toelichting In onderstaande tabel zijn de in de CBS-data te onderscheiden verwijzers opgenomen. Verwijzers voor de jeugdhulptrajecten Gemeentelijke toegang Huisarts
Omschrijving De jeugdige is door de gemeente of een gemeentelijke organisatie aangemeld bij een jeugdhulpaanbieder. De jeugdige is door de huisarts aangemeld bij een jeugdhulpaanbieder. 61
Jeugdarts
De jeugdige is door de jeugdarts aangemeld bij een jeugdhulpaanbieder.
Gecertificeerde instelling
Gecertificeerde instellingen zijn organisaties die, conform de Jeugdwet, maatregelen van jeugdbescherming en jeugdreclassering uitvoeren. Deze instellingen moeten in het bezit zijn van een certificaat. Daarvoor moeten zij aan een aantal eisen voldoen gericht op het borgen van de kwaliteit van de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Medisch specialist Rechter, Officier van Justitie, ... Geen verwijzer of onbekende verwijzer
In de praktijk gaat het hier om de voormalige Bureaus Jeugdzorg en een aantal landelijk werkende gespecialiseerde instellingen (zoals de William Schrikker Groep en het Leger des Heils). De jeugdige is door een medisch specialist aangemeld bij een jeugdhulpaanbieder. Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting Alle vrij toegankelijke jeugdhulp. De scheidslijn tussen vrij toegankelijke jeugdhulp en niet vrij toegankelijke jeugdhulp bepaalt de gemeente en kan daarom in elke gemeente anders zijn. Alle niet vrij toegankelijke hulp waarbij onbekend is wie de verwijzer is. Bijvoorbeeld hulp die gestart is voor 1-1-2015.
NB In de CBS-data wordt tussen ‘geen verwijzer’ en ‘verwijzer onbekend’ onderscheid gemaakt. Uit de data blijkt echter dat het onderscheid tussen beide categorieën niet goed mogelijk is. In CBS-data te onderscheiden verwijzers naar jeugdzorg.
In onderstaande figuur is de ontwikkeling van het aantal jeugdhulptrajecten per verwijzer in de regio Haaglanden over de periode 2015 tot en met 2018 opgenomen.
Aantal jeugdzorgtrajecten
16.000 14.000 12.000
Huisarts
10.000
Gemeentelijke toegang
8.000
Jeugdarts
6.000
Gecertificeerde Instelling
4.000
Medisch specialist Rechter, Justitie
2.000
Geen of onbekend
2015
2016
2017
2018
Jaar
Ontwikkeling van het aantal jeugdzorgtrajecten per verwijzer in de regio Haaglanden over de periode 2015 tot en met 2018. In 2016 neemt het aantal verwijzingen door de huisarts sterk toe. Vanaf 2016 blijft het aantal verwijzingen door de huisarts echter redelijk constant. Het aantal verwijzingen via de gemeente of via 62
gemeentelijke organisatie neemt over de gehele periode sterk toe, waarbij de groei wel langzaam afvlakt. De verwijzingen via andere kanalen nemen af of dragen relatief gezien weinig bij aan het totaal. De categorieën ‘Geen of onbekende verwijzer’ is relatief groot en relatief constant. Alleen in 2018 is sprake van een sterkere stijging. In 2018 is tegelijkertijd sprake van een grotere daling van de registratie van verwijzingen door een medisch specialist. In bijlage 4 zijn de CBS-gegevens over de verwijzers per gemeente uitgesplitst.
63
KOSTENONTWIKKELING PGB-INZET & OVERIGE GEMEENTELIJKE KOSTEN 3.1 Inleiding Het tweede deel van dit onderzoek heeft betrekking op de kosten voor de jeugdzorg die buiten regionale inkoop plaats vindt en dus niet via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden worden verstrekt, zoals de kosten die gemaakt worden voor de inzet van wijkteams, vervoerskosten of het Persoons Gebonden Budget (PGB) dat aan een hulpbehoevende jeugdige wordt toegekend. Voor de grootste kostenposten (of indien van toepassing: opvallende kostenposten) wordt bekeken of en hoe die cijfers te duiden zijn aan de hand van volumes, zoals het aantal unieke jeugdigen of het aantal trajecten. Ook worden de kosten in de jeugdzorg die per gemeente worden verstrekt voor de H10-gemeenten met elkaar vergeleken. Dit deel van het onderzoek heeft, evenals het eerste deel, als doel antwoord te geven op de volgende onderzoeksvraag: “Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de toename van de kosten in de jeugdzorg voor de H10 gemeenten?” Om een antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvraag is gebruikgemaakt van onderstaande informatie, die iedere H10 gemeente afzonderlijk heeft aangeleverd: 1.
2.
Informatie over het toegekende PGB, per jeugdige (geanonimiseerd), met daarbij het volgende gespecificeerd (waar mogelijk): een versleutelde BSN, de eerste vier cijfers van de postcode, start- en einddatum, het budget, de besteding, het saldo en een productomschrijving. Dit in de periode van 2015 t/m 2019. Eventuele overige kosten ten laste van de gemeente, die onderdeel uitmaken van de totale kosten voor jeugdzorg, waar mogelijk gespecificeerd naar unieke jeugdigen. Dit in de periode van 2015 t/m 2019. Hieronder vallen: a. Zorg in natura eigen gemeente (dus buiten het servicebureau om) b. Uitvoeringskosten c. Toegangskosten d. Overhead kosten
Bovenstaande kosten én de kosten die worden verstrekt via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden moeten samen optellen tot de totale kosten voor jeugdzorg waarover het college van B&W jaarlijks aan de gemeenteraad rapporteert. In dit deel van de rapportage worden cijfers en ontwikkelingen van verschillende gemeenten naast elkaar gepresenteerd. Ondanks dat de gegevens van de H10-gemeenten op dezelfde wijze zijn aangeleverd en geanalyseerd, wil dit niet zeggen dat cijfers tussen gemeenten 1-op-1 te vergelijken
64
zijn. Zo zijn sommige aangeleverde cijfers benaderingen24 en is de manier waarop bijvoorbeeld jeugdhulp is ingericht – de ene gemeente heeft bijvoorbeeld wél jeugdteams en de andere gemeente niet – van invloed op de kosten. Het kan dus zijn dat een H10-ontwikkeling niet per definitie van toepassing is op afzonderlijke gemeenten. Daarnaast heeft het naast elkaar presenteren van verschillende gemeenten voornamelijk het doel om de ontwikkelingen van de gemeenten in een breder perspectief te kunnen plaatsen.
3.1.1 Algemene bevinding In dit hoofdstuk wordt opgemerkt dat de kostenstijging binnen jeugdzorg niet afkomstig is van de PGB-kosten. De kosten voor het Persoonsgebonden Budget zijn tussen 2015 en 2019 stabiel gebleven. De overige gemeentelijke kosten dragen wel in meer of mindere mate bij aan de kostenstijging. Binnen de overige gemeentelijke kosten zijn de hoogste kostenstijgingen te zien in de directe personeelskosten, GR Veilig Thuis en regionale projectkosten. Deze kostenstijgingen zijn echter zeer gemeente-specifiek. In de volgende paragrafen wordt hier uitgebreider op ingegaan.
3.1.2 Leeswijzer In deze rapportage wordt allereerst inzicht gegeven op welke wijze de totale jeugdzorg-uitgaven zijn verdeeld. Vervolgens worden in paragraaf 3 de kosten van PGB geanalyseerd en in paragraaf 4 de overige gemeentelijke kosten. Er zal vooral worden ingegaan op de ontwikkelingen binnen de gehele H10. In de bijlagen is de informatie voor elke H10-gemeente apart te vinden.
3.2 Verdeling in de jeugdzorguitgaven Bevinding De kosten van jeugdzorg zijn in drie categorieën op te splitsen. 1) Kosten via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (zie onderzoeksdeel 1); 2) kosten voor PGB. Deze kennen een lichte daling en dragen daardoor niet bij aan de algehele kostenstijging van jeugdzorg; 3) overige gemeentelijke kosten. Deze zijn sinds 2015 gestegen. Per gemeente zijn er verschillen in de kosten en de ontwikkelingen daarvan. Voor alle gemeentes geldt dat de kosten én kostenstijging voor de via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden ingekochte jeugdzorg het grootste deel van zowel de totale kosten als de kostenstijging voor jeugdzorg voor hun rekening nemen. Toelichting De kosten die een gemeente maakt voor jeugdzorg worden onderverdeeld in drie categorieën: 1. 2.
Kosten die verstrekt worden via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (ingekochte jeugdzorg) Het toekennen en inzetten van het Persoonsgebonden Budget (per hulpbehoevende jeugdige)
24
De gemeente Delft gaf in het feitelijk wederhoor bijvoorbeeld aan dat de overheadkosten over de jaren 2015 en 2016 benaderingscijfers zijn. Meer in het algemeen geldt dat in 2015, het startjaar van de decentralisatie van de jeugdzorg, nog niet alle gemeentelijke structuren direct waren uitgekristalliseerd.
65
3.
Overige gemeentelijke kosten (zoals de inzet van wijkteams, vervoerskosten en zorg in natura op lokaal niveau)
In onderstaande grafiek en tabel is te zien hoe deze kosten verdeeld zijn. Het grootste gedeelte van de totale kosten is afkomstig van zorg die via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden is ingekocht. Deze kosten zijn in de periode 2015 – 2019 flink gestegen. In onderzoeksdeel I is hier een analyse van gemaakt. In de grafiek is te zien dat door de jaren heen de overige gemeentelijke kosten een duidelijke stijging hebben gemaakt; ten opzichte van 2015 is het in 2019 met 168% toegenomen. In paragraaf 4 wordt verder ingegaan op de overige gemeentelijke kosten. De kosten voor PGB’s zijn tussen 2015 en 2019 gedaald met ruim 13%. In 2015 besloeg PGB 4,91% van de totale kosten, in 2019 is dit slechts 2,16%. Daarmee hebben de kosten voor PGB voor de H10 als geheel niet bijdragen aan de kostenstijging van jeugdzorg.
Ontwikkeling van de kosten voor de jeugdzorg in de Haaglanden, opgesplitst naar kostensoort: ingekochte jeugdzorg via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden, overige gemeentelijke kosten en PGB-kosten
Kostensoort
Bedrag
Procentueel aandeel jaar
€165 mln. €14 mln. €9 mln.
87.43% 7.66% 4.91%
2015 Kosten via servicebureau Overige gemeentelijke kosten PGB-kosten 66
2016 Kosten via servicebureau Overige gemeentelijke kosten PGB-kosten
€176 mln. €22 mln. €6 mln.
86.22% 10.74% 3.04%
€198 mln. €35 mln. €6 mln.
82.69% 14.60% 2.71%
€231 mln. €30 mln. €7 mln.
86.11% 11.20% 2.69%
2017 Kosten via servicebureau Overige gemeentelijke kosten PGB-kosten
2018 Kosten via servicebureau Overige gemeentelijke kosten PGB-kosten
2019 Kosten via servicebureau €253 mln. 84.82% Overige gemeentelijke kosten €39 mln. 13.02% PGB-kosten €6 mln. 2.16% Ontwikkeling van de kosten voor de jeugdzorg in Haaglanden, opgesplitst naar kostensoort: ingekochte jeugdzorg via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden, overige gemeentelijke kosten en PGB-kosten
3.2.1 Gemeente-specifieke ontwikkelingen In alle gemeenten zijn de kosten van PGB slechts een klein gedeelte van de totale kosten van jeugdzorg. De ontwikkeling van PGB en overige gemeentelijke kosten wisselt per gemeente. In Den Haag is in 2017 bijvoorbeeld een grote stijging in de gemeentelijke kosten te zien. In het feitelijk wederhoor heeft gemeente Den Haag aangegeven dat hier meerdere ontwikkelingen aan ten grondslag liggen, zoals de kostenontwikkeling bij Veilig Thuis en de vorming van de CJG's (Centrum voor Jeugd en Gezin) per 1 januari 2017. In gemeente Midden-Delfland is in 2018 een sterke stijging van de overige gemeentelijke kosten zichtbaar. Gemeente Westland heeft geen informatie overige gemeentelijke kosten aangeleverd. Daarnaast had deze gemeente over 2019 geen PGB kosten beschikbaar. Onderstaande grafieken laten de verdeling van de jeugdzorg kosten per gemeente zien. In bijlage 1 worden de verdelingen van de absolute kosten en percentages per H10-gemeente in tabellen weergegeven.
67
Ontwikkeling van de kosten voor de jeugdzorg in de Haaglanden, opgesplitst naar gemeente en kostensoort: ingekochte jeugdzorg via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden, overige gemeentelijke kosten en PGB-kosten
3.3 Persoonsgebonden Budget Bevinding Op H10 niveau hebben tussen 2015 en 2019 de kosten en het aantal jeugdigen met PGB eenzelfde dalende trend gevolgd. De gemiddelde PGB-besteding per jeugdige is in 2019 (ten opzichte van 2015) met €1000 afgenomen. Per gemeente zijn de ontwikkelingen verschillend. De ontwikkeling in de kosten voor PGB hebben geen bijdrage geleverd aan de algehele kostenstijging voor jeugdzorg.
Toelichting In dit onderzoek is gekeken naar het aandeel van het Persoonsgebonden Budget (PGB) in de totale kosten van de jeugdzorg, en de ontwikkeling hiervan. Om de ontwikkeling hiervan in beeld te brengen is naast de kosten van PGB’s ook gekeken naar het aantal jeugdigen dat een PGB ontvangt. In onderstaande grafieken is te zien dat, als wordt gekeken naar de H10 als geheel, de ontwikkeling van de PGB-bestedingen en het aantal jeugdigen met een PGB sterk overeenkomen. Alleen het jaar 2016 vormt hierop een uitzondering, omdat in dat jaar de kosten stegen maar het aantal jeugdigen daalde.
68
Ontwikkeling van de totale PGB-bestedingen op H10-niveau.
69
Ontwikkeling van het aantal unieke jeugdigen met een PGB op H10-niveau.
Procentuele ontwikkeling van zowel de totale PGB-bestedingen als het aantal unieke jeugdigen met een PGB op H10-niveau.
Jaar
Kosten
Aantal jeugdigen
2015 €9.284.710 1293 2016 €6.195.989 1195 2017 €6.487.101 1085 2018 €7.210.426 1146 2019 €6.434.437 1037 De totale PGB-bestedingen en het aantal unieke jeugdigen met een PGB op H10-niveau.
3.3.1 Gemeente-specifieke ontwikkelingen Wanneer wordt gekeken naar de kostenontwikkeling en het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van een PGB per gemeente (zie onderstaande grafieken), valt op dat bij meerdere gemeenten zowel de kosten als het aantal jeugdigen hetzelfde patroon volgen; dit geldt onder andere voor Den Haag, Pijnacker-Nootdorp, Voorschoten en Wassenaar. In deze gemeenten is de ontwikkeling van de kosten toe te wijzen aan een evenredige ontwikkeling van het aantal jeugdigen. Dit is echter niet van toepassing op iedere gemeente. In Delft nemen bijvoorbeeld de kosten van PGB af maar neemt het aantal jeugdigen toe. In het feitelijk wederhoor heeft de gemeente aangegeven dat de kosten in 2020 na een stijging in 2019 weer zijn gedaald. In Midden-Delfland zijn de kosten voor PGB in 2019 met 45% toegenomen ten opzichte van het jaar ervoor maar is het aantal jeugdigen juist afgenomen ten 70
opzichte van 2018. In 2017 zijn de kosten voor Midden-Delfland afgenomen, terwijl het aantal jeugdigen juist is toegenomen. Met de beschikbare data kunnen deze ontwikkelingen niet verklaard worden. In bijlage 2 is voor iedere H10-gemeente een grafiek weergegeven met daarin de procentuele ontwikkelingen van de PGB-bestedingen en het aantal jeugdigen met een PGB.
Ontwikkeling van de totale PGB-bestedingen per gemeente.
71
Ontwikkeling van het aantal unieke jeugdigen met een PGB per gemeente.
3.3.2 Gemiddelde PGB-besteding per jeugdige (H10 Totaal) In de periode van 2015 tot en met 2019 zijn de PGB-kosten harder gedaald dan het aantal jeugdigen met een PGB. Dit betekent dat de gemiddelde PGB-besteding per jeugdige is gedaald met ongeveer €1.000 per jeugdige minder besteedt. Dit kan veroorzaakt zijn doordat jeugdigen een lichtere (en dus goedkopere) vorm van jeugdzorg hebben ontvangen, of doordat jeugdigen korter (minder uren/dagen) jeugdzorg hebben ontvangen. Jaar
Bedrag
Aantal jeugdigen
Bedrag per jeugdige
Procentueel verschil
2015
€ 9.284.710
1293
€ 7.181
2016
€ 6.195.989
1195
€ 5.185
−27.79%
2017
€ 6.487.101
1085
€ 5.979
15.31%
2018
€ 7.210.426
1146
€ 6.292
5.23%
2019
€ 6.434.437
1037
€ 6.205
−1.38%
Ontwikkeling van de gemiddelde PGB-besteding per jeugdige en het procentuele verschil ten opzichte van het voorgaande jaar op H10-niveau. Een aantal gemeenten wijkt af van de gemiddelde besteding per jeugdige op H10-niveau. Zo zijn er verschillende gemeenten met een stijging van het gemiddelde bedrag per jeugdige. Dit geldt voor de gemeenten Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Zoetermeer. Bijlage 6 geeft in tabellen de totale kosten, het aantal jeugdigen en de gemiddelde besteding per jeugdige voor elke gemeente weer. 72
3.4 Overige gemeentelijke kosten Bevinding Binnen de kostencategorie Overige gemeentelijke kosten vinden op het niveau van de gehele H10 de grootste kostenstijgingen plaats bij de direct personeelskosten. Door de diversiteit binnen de gemeenten zijn onderling echter grote verschillen zichtbaar. Zo zijn gemeente Den Haag en Zoetermeer grotendeels verantwoordelijk voor de gestegen directe personeelskosten. Toelichting Naast de kosten aan het servicebureau en de PGB’s, vallen onder de totale kosten van jeugdzorg ook de overige gemeentelijke kosten. Deze overige gemeentelijke kosten zijn op te delen in vier onderwerpen: • • • •
Overheadskosten; Toegangskosten; Uitvoeringskosten; Kosten voor Zorg in Natura buiten het servicebureau om.
Ieder onderwerp is opgesplitst in onderdelen met een bijbehorend taakveld. Zie onderstaand tabel voor een overzicht. Onderwerp
Onderdeel
Toelichting
Taakveld
Overhead
Afdelings- en concernoverhead Toegang; niet zijnde het eigen jeugdteam
Alleen van toepassing in 2015 en 2016 Praktijkondersteuning huisartsen (POH)/ Schoolmaatschappelijk werk (SMW)/enz. Eigen contract gemeente Deelnemersbijdrage Personeels- en uitvoeringskosten -
-
Projectkosten
Wijkteams
Huur locaties jeugdteam, tolkdiensten,
Wijkteams
Toegang
Uitvoeringskosten
Vervoerskosten GR Veilig Thuis Jeugdbeschermingstafel Regionale projectkosten Implementatiekosten inkoop jeugdhulp Overig
25
Wijkteams25
Maatwerkdienstverlening 18Geëscaleerde zorg 18Wijkteams Wijkteams
De gemeente Zoetermeer geeft aan niet over wijkteams te beschikken, maar over een wijkzorgnetwerk. Zoetermeer heeft alle overige kosten m.b.t. Jeugd aan het taakveld ‘wijkteams’ gehangen, ook al betreft het geen concreet wijkteam. Het betreft alle personeelskosten (Beleid, JGH en de Jeugdbeschermingstafel), de ingehuurde toegangsmedewerkers zoals praktijkondersteuners huisarts en schoolmaatschappelijk werk en diverse overige kosten.
73
Directe personeelskosten
software, onderzoeken etc. Waar mogelijk opsplitsen in Advies & Indicatie, Behandelen en Beleid & Management. -
ZIN buiten Zorg in Natura eigen Servicebureau gemeente Overzicht van de verschillende overige gemeentelijke kosten.
Wijkteams
Maatwerkdienstverlening 18-
In dit onderzoek is de analyse van de overige gemeentelijke kosten als volgt uitgevoerd: 1. 2. 3.
Hoe zijn de overige gemeentelijke kosten verdeeld, kijkend naar de verschillende onderwerpen? Welke onderwerpen springen er tussen uit? Hoe zijn de kosten binnen deze onderwerpen verdeeld, kijkend naar de verschillende onderdelen en het bijbehorende taakveld?
In onderstaande grafiek is te zien dat veruit de meeste gemeentelijke kosten op H10-niveau bestaan uit uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten over de gehele H10 zijn in 2019 verdriedubbeld ten opzichte van 2015, waarbij de kostenstijging vooral in de jaren 2015 en 2016 heeft plaats gevonden en dan specifiek op het gebied van de uitvoeringskosten. In het feitelijk wederhoor is aangegeven dat in de jaren 2015 en 2016 het Regionaal Transitie-arrangement nog van toepassing was, en dat vanaf 2018 er sprake was van Europese aanbestedingen. Ook de vorming van de Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG’s) per 1 januari 2017 heeft tot kostenstijgingen geleid. Gezamenlijk heeft dit geleid tot hogere uitvoeringskosten. Daarnaast valt op dat er alleen in 2015 en 2016 overhead kosten zijn geweest, en vanaf 2017 alleen kosten voor Zorg in Natura buiten het servicebureau om.
74
Kostenverdeling van de overige gemeentelijke kosten op H10-niveau. Kostenverdeling per Onderwerp Onderwerp Overhead
Jaar 2015 2016 2017 2018 2019
Kosten € 3.100.065 € 3.522.265 €0 €0 €0
Toegang
2015 2016 2017 2018 2019
€0 € 364.898 € 360.757,60 € 919.291 € 1.729.988
Uitvoeringskosten
2015 2016 2017 2018 2019
€ 11.259.720,60 € 17.902.068,10 € 29.290.425,20 € 26.666.147,95 € 30.476.124,15
ZIN buiten SB H10
2015 2016 2017 2018
€ 117.148,80 € 82.264,20 € 5.295.618,70 € 2.493.232,60 75
2019 € 6.645.147,15 Kostenverdeling van de overige gemeentelijke kosten op H10-niveau. Binnen het onderwerp uitvoeringskosten is te zien dat de meeste kosten én ook de grootste kostenstijging Directe personeelskosten en de GR Veilig Thuis (Gemeenschappelijke Regeling Veilig Thuis) betreft, zoals in onderstaande grafiek is te zien. De directe personeelskosten zijn ten opzichte van 2015, in 2019 bijna verdubbeld: van rond 6,5 miljoen euro in 2015 naar rond 12,8 miljoen euro in 2019. De kosten voor GR Veilig Thuis hebben een nog hardere stijging doormaakt: in 2015 waren de kosten ongeveer 2 miljoen euro, in 2019 was dit ongeveer 8,4 miljoen euro. Zoals in paragraaf 3.4.2 Gemeenschappelijke Regeling Veilig Thuis echter blijkt is deze kostenstijging administratief te verklaren. Ook de regionale projectkosten zijn de afgelopen jaren flink gestegen. In het feitelijk wederhoor werd aangegeven dat dit onder andere komt door de vanaf 2018 verplichte aanbestedingen voor de inkoop van ingekochte jeugdhulp en de doorwerking van een juridische uitspraak op de inkoop van jeugdhulp.26 Opvallend is dat enkel in 2016 geld is uitgegeven aan innovatieprojecten. Dit bedrag (€ 501.000) is volledig afkomstig van de gemeente Zoetermeer. In de volgende paragrafen wordt afzonderlijk gekeken naar de kosten voor directe personeelskosten, gemeenschappelijke regeling Veilig Thuis en regionale projectkosten.
Kostenverdeling binnen het onderwerp Uitvoeringskosten. Kostenverdeling per Onderdeel Onderdeel
Jaar
Kosten
26
https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-DenHaag/Nieuws/Paginas/Aanbieders-jeugdhulp-in-het-gelijk-gesteld-in-kort-geding-tegen-10-gemeenten.aspx en https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:11096&showbutton=true
76
Directe personeelskosten
2015 2016 2017 2018 2019
€ 6.497.493 € 10.124.168 € 13.024.460 € 11.596.558 € 12.799.912
2015 2016 2017 2018 2019
€ 2.034.030 € 2.163.802 € 7.621.758 € 7.389.779 € 8.422.840
2015
€ 584.206
2016 2017 2018 2019
€ 422.470 € 383.594 € 527.339 € 913.136
Innovatieprojecten
2015 2016 2017 2018 2019
€0 € 501.00028 €0 €0 €0
Jeugdbeschermingstafel
2015 2016 2017 2018 2019
€ 184.428,90 € 371.646,70 € 430.810 € 471.980,10 € 496.772,80
Overig
2015 2016 2017 2018 2019
€ 1.645.715 € 3.594.686,50 € 6.062.327,40 € 3.964.230 € 3.932.970
Regionale projectkosten
2015 2016 2017 2018
€ 109.758 € 431.644 € 1.379.885 € 1.974.434
GR Veilig Thuis
Implementatiekosten inkoop jeugdhulp27
27
Uit het feitelijk wederhoor kwam naar voren dat de implementatiekosten in de eerste jaren niet door alle gemeenten apart zijn bijgehouden. Deze kosten zijn dus gedeeltelijk benaderd. 28
De innovatiekosten in 2016 zijn geheel toe te wijzen aan de gemeente Zoetermeer.
77
2019 Vervoerskosten
2015 2016 2017 2018 2019 Kostenverdeling binnen het onderwerp Uitvoeringskosten.
€ 3.105.306 € 204.090 € 292.631 € 387.591 € 741.828,20 € 805.187
3.4.1 Directe personeelskosten Directe personeelskosten valt onder het taakveld ‘wijkteams’. In onderstaande grafiek is de kostenontwikkeling op H10 niveau te zien. In de volgende paragraaf wordt er gemeente-specifiek gekeken naar de ontwikkelingen van de kosten.
Kostenverdeling van de directe personeelskosten op H10-niveau. Kostenverdeling directe personeelskosten (wijkteams) Jaar 2015 2016 2017 2018 2019
Kosten € 6.497.493 € 10.124.168 € 13.024.460 € 11.596.558 € 12.799.912 Kostenverdeling van de directe personeelskosten op H10-niveau. 78
Gemeente-specifieke ontwikkelingen Met betrekking tot de directe personeelskosten valt op dat met name in de gemeenten Den Haag en Zoetermeer de kosten zijn toegenomen en daarmee grotendeels verantwoordelijk voor de H10-brede kostenontwikkeling. In het feitelijk wederhoor bleek dat de kostenstijging in Den Haag deels te verklaren is door de vorming van het CJG. Voor Zoetermeer bleek een deel van de verklaring te liggen in werkachterstanden die in 2015 waren ontstaan. In de overige gemeenten is de kostenontwikkelingen veel kleiner: in sommige gemeenten is hij in de afgelopen 5 jaar wat gestegen (Delft, Pijnacker-Nootdorp) en in andere gemeenten wat gedaald (Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar). In Leidschendam-Voorburg is over 2015 en 2016 geen informatie over de directe personeelskosten aangeleverd. Deze gemeente kent overigens – evenals de gemeente Zoetermeer – geen wijkteams. In Midden-Delfland en Westland is over alle jaren geen informatie over directe personeelskosten beschikbaar. In Wassenaar zijn de kosten in de loop van de jaren afgenomen. Gemeente Delft heeft in het feitelijk wederhoor aangegeven dat de in vergelijking met andere gemeenten relatief hoge kosten in 2015 en 2016 onder andere verklaard worden door de keuze om schoolmaatschappelijk werk door de lokale teams uit te laten voeren waardoor het in deze rapportage onder directe personeelskosten valt.
Kostenverdeling van de directe personeelskosten op gemeentelijk niveau. Directe personeelskosten: Taakveld Wijkteams Gemeente Delft
Jaar 2015 2016 2017 2018 2019
Kosten € 1.603.161 € 1.747.648 € 1.720.695 € 2.163.156 € 2.191.156,40 79
Den Haag
2015 2016 2017 2018 2019
€ 390.000 € 1.650.000 € 3.827.000 € 2.393.750 € 3.323.000
Leidschendam-Voorburg
2015 2016 2017 2018 2019
€0 €0 € 1.346.545 € 1.332.809 € 1.705.782
Midden-Delfland
Geen directe personeelskosten in de periode 2015 t/m 2019
Pijnacker-Nootdorp
2015 2016 2017 2018 2019
€ 792.684 € 1.223.853 € 1.327.877 € 1.394.793 € 1.366.867
Rijswijk
2015 2016 2017 2018 2019
€ 791.089 € 1.059.124,90 € 834.372,80 € 907.758,70 € 679.068
Voorschoten
2015 2016 2017 2018 2019
€ 426.185 € 445.252 € 287.311 € 222.640 € 188.287
Wassenaar
2015 2016 2017 2018
€ 398.209 € 398.572 € 269.768 € 196.361
Westland
Geen directe personeelskosten in de periode 2015 t/m 2019
Zoetermeer
2015 € 2.096.165 2016 € 3.599.718 2017 € 3.410.891 2018 € 2.941.962 2019 € 3.149.391 Kostenverdeling van de directe personeelskosten op gemeentelijk niveau van het taakveld Wijkteams. 80
In onderstaande grafieken is de procentuele ontwikkeling van de kostenstijging per gemeente te zien ten opzichte van 2015.29 In de eerste grafiek valt op dat met name gemeente Den Haag in verhouding tot de andere gemeentes een grote procentuele verandering heeft ondergaan. De meeste gemeentes zien jaarlijks een toename in de directe personeelskosten. In Wassenaar en Voorschoten nemen echter de directe personeelskosten vanaf 2016 juist af. In Rijswijk beginnen de directe personeelskosten in 2017 af te nemen en dit loopt door tot 2019. In Zoetermeer tekent zich een inhaalslag in 2016 af, om de in 2015 opgelopen werkachterstanden weg te werken
Procentuele verandering van de directe personeelskosten ten opzicht van 2015.
29
De tweede grafiek betreft dezelfde informatie als de eerste, echter hier is Den Haag buiten beschouwing gelaten. Dit ten bate van de leesbaarheid van de grafiek per gemeente.
81
Procentuele verandering van de directe personeelskosten ten opzicht van 2015, exclusief gemeente Den Haag30
3.4.2 Gemeenschappelijke Regeling Veilig Thuis De Gemeenschappelijke Regeling Veilig Thuis valt onder het taakveld ‘Geëscaleerde zorg 18-’. De deelnemersbijdrage (de feitelijke gemeentelijke kosten) voor de Gemeenschappelijke Regeling Veilig Thuis worden jaarlijks op basis van een verdeelsleutel (op basis van het aantal inwoners per gemeente) bepaald. De stijging van de kosten zijn in die zin voor alle gemeenten gelijk. Logischerwijs neemt gemeente Den Haag – als gemeente met het grootste inwonersaantal - het merendeel van de kosten voor zijn rekening. In onderstaande grafiek en tabel is de kostenontwikkeling op H10 niveau te zien op basis van de door de gemeenten aangeleverde data. Hierin is een opvallende stijging van de kosten te zien sinds 2017.
30
In deze grafiek zijn de lijnen van enkele gemeenten niet zichtbaar om verschillende redenen: Westland heeft geen gemeentelijke kosten; Midden Delfland heeft geen directe personeelskosten; Leidschendam-Voorburg heeft in 2015 en 2016 geen directe personeelskosten.
82
Kostenverdeling van Gemeenschappelijke Regeling Veilig Thuis op H10-niveau. Kostenverdeling GR Veilig Thuis (Geëscaleerde zorg 18-) Jaar 2015 2016 2017 2018 2019
Kosten € 2.034.030 € 2.163.802 € 7.621.758 € 7.389.779 € 8.422.840 Kostenverdeling van GR Veilig Thuis op H10-niveau.
Deze stijging is echter te verklaren door de wijze waarop de cijfers zijn aangeleverd: gemeente Den Haag heeft over de jaren 2015 en 2016 geen kosten opgegeven, omdat de kosten voor de gemeenschappelijke regeling Veilig Thuis destijds onder de kosten van de GGD vielen (eveneens een gemeenschappelijke regeling). De overige gemeenten hebben de kosten voor de jaren 2015 en 2016 wél opgevoerd. In onderstaande tabel zijn de door de deelnemende gemeenten opgevoerde kosten voor de gemeenschappelijke regeling Veilig Thuis te vinden. Gr Veilig Thuis: Taakveld Geëscaleerde zorg 18Gemeente Delft
Jaar 2015 2016 2017
Kosten € 432.866 € 449.509 € 626.169 83
2018 2019
€ 607.000 € 709.000
Den Haag
2015 2016 2017 2018 2019
/ / € 4.550.000 € 4.050.000 € 4.840.000
Leidschendam-Voorburg
2015 2016 2017 2018 2019
€ 266.013 € 321.768 € 470.147 € 519.000 € 556.562
Midden-Delfland
2015 2016 2017 2018 2019
€ 36.004 € 45.919 € 54.228 € 180.000 € 190.000
Pijnacker-Nootdorp
2015 2016 2017 2018 2019
€ 111.984 € 120.518 € 211.857 € 285.000 € 298.000
Rijswijk
2015 2016 2017 2018 2019
€ 221.318,60 € 229.828 € 323.205 € 411.000 € 471.991
Voorschoten
2015 2016 2017 2018 2019
€ 101.201 € 95.547 € 106.151 € 78.948 €0
Wassenaar
2015 2016 2017 2018
€ 47.628 € 48.757 € 68.691 € 150.831
Westland
Geen kosten voor GR Veilig Thuis in de periode 2015 t/m 2019
Zoetermeer
2015
€ 817.015 84
2016 € 851.956 2017 € 1.211.310 2018 € 1.108.000 2019 € 1.160.422 Kostenverdeling van de Gemeenschappelijke Regeling Veilig Thuis op gemeentelijk niveau.
3.4.3 Regionale projectkosten Regionale projectkosten vallen onder het taakveld ‘wijkteams’. In onderstaande grafiek is de kostenontwikkeling op H10 niveau te zien. In de volgende paragraaf wordt er gemeente-specifiek gekeken naar de ontwikkelingen van de kosten.
Kostenverdeling binnen de Regionale projectkosten op H10-niveau. Gemeente-specifieke ontwikkelingen Met betrekking tot de regionale projectkosten valt het op dat deze kosten niet in elke gemeente van elk jaar bekend zijn, zoals in onderstaande grafiek is te zien. Voor de gemeente Westland zijn helemaal geen cijfers aangeleverd met betrekking tot de regionale projectkosten. Voor bijvoorbeeld Rijswijk zijn door de wijze van verantwoorden alleen de kosten 2018 en 2019 opgenomen: daar vallen de regionale projectkosten onder uitvoeringskosten. Enkele gemeentes laten opvallende ontwikkelingen zien: in Den Haag zijn bijvoorbeeld de kosten in 2019 meer dan vertienvoudigd ten opzichte van 2016, hetzelfde geldt voor Pijnacker-Nootdorp. In de overige gemeenten zijn de regionale projectkosten ook toegenomen in de loop van de jaren.
85
Kostenverdeling binnen de regionale projectkosten op gemeentelijk niveau. Regionale projectkosten: Taakveld Wijkteams Gemeente Delft
Jaar 2015 2016 2017 2018 2019
Kosten €0 €0 € 134.167 € 341.033 € 244.000
Den Haag
2015 2016 2017 2018 2019
€0 € 157.652 € 664.769 € 912.670 € 1.737.651
Leidschendam-Voorburg
2015 2016 2017 2018 2019
€ 104.423 € 127.128 € 261.839 € 293.303 € 428.358
Midden-Delfland
2015 2016 2017 2018 2019
€ 4.204 € 6.445 € 15.741 € 25.389 € 64.105
86
Pijnacker-Nootdorp
2015 2016 2017 2018 2019
€0 € 14.074 € 109.006 € 93.643 € 179.662
Rijswijk
2015 2016 2017 2018 2019
€0 €0 €0 € 68.754 € 175.888
Voorschoten
2015 2016 2017 2018 2019
€ 180 € 12.388 € 16.458 € 33.402 € 76.305
Wassenaar
2015 2016 2017 2018 2019
€ 951 € 13.742 € 23.054 € 34.285 € 59.144
Westland
Geen regionale projectkosten in de periode 2015 t/m 2019
Zoetermeer
2015 €0 2016 € 100.235 2017 € 154.851 2018 € 171.995 2019 € 140.193 Kostenverdeling binnen de regionale projectkosten op gemeentelijk niveau.
87
BIJLAGEN 4.1 Bijlage 1: Aanvullende gemeentelijke analyses In deze bijlage worden aanvullende analyses gemeentelijke gepresenteerd. Hierbij is dezelfde structuur aangehouden als onder paragraaf 2.3 Op zoek naar verklaringen: kostenontwikkeling in kengetallen. In een aantal grafieken en tabellen zullen bepaalde producten, gemeenten of jaren ontbreken. In die gevallen is een gemeente, product of jaar uit de data gefilterd, omdat in een of meerdere jaren binnen een gemeente het aantal jeugdigen dat dat product ontving lager dan 10 lag. In die gevallen bestaat er een zogenoemd onthullingsgevaar en zijn de gegevens uit de data gefilterd.