Raadsbrief Delft en onderzoek Companen
Tekst van het document
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
2035
2040
Aantal huishoudens
20.000
60
Vraag naar LG-plekken
Bron: Bevolkingsprognose Delft, gegevens zorggebruik DSW, bewerking Companen.
Vanwege de scheve leeftijdsopbouw binnen het LG-cliëntenbestand (voornamelijk ouderen), voorzien we voor deze doelgroep een fors stijgende vraag. Deze stijging houdt grotendeels gelijke tred met de vergrijzingsgolf. Uit onze ervaringen elders in het land zien wij kansen voor het bieden van zorg met verblijf in combinatie met de ouderenzorg. In het vervolg nemen wij daarom de huisvestingsopgave voor beide doelgroepen in gezamenlijkheid mee.
3.4 Verdiepende analyses De behoefte aan geclusterd wonen met of zonder lichte zorg kan onderverdeeld worden in ‘traditionele’ concepten (zoals serviceflats) en ‘moderne’ concepten (zoals hofjes), maar ook naar koop- of huurwoningen. De keuzes die mensen hierin maken is onder meer afhankelijk van hun inkomen, woonwensen (zie 3.1) en leefstijl. Daarnaast heeft de regulier wonende oudere behoefte aan een geschikte woning, het liefst in de huidige woonomgeving. Een
19
beter begrip van deze kenmerken helpt om het (nieuwe) aanbod aan wonen met zorg passender te maken.
Inkomensontwikkeling ouderen Er komt een meer vermogende groep ouderen aan. Onderstaande tabel toont de raming van de verdeling van 65+-huishoudens over verschillende inkomensgroepen in de gemeente. Huishoudens met een ‘laag inkomen’ behoren tot de doelgroep van corporaties (tot € 38.035); alle huishoudens met een inkomen boven de € 38.035 rekenen wij hier tot de ‘hoge inkomens’. De tabel laat zien dat in 2040 63% van de 65+-huishoudens in de gemeente op basis van het inkomen in de doelgroep voor sociale huurwoningen valt. Lang niet al deze mensen wonen ook in een sociale huurwoning of zouden dit willen; een deel van deze mensen valt in deze inkomenscategorie door een terugval in inkomen na hun pensioen – maar als zij in een afgeloste koopwoning wonen, is er geen reden om te verhuizen naar een sociale huurwoning. Op basis van de huidige gegevens schatten wij dat een kleine 40% van de 65+-huishoudens ook daadwerkelijk een beroep doet op een sociale huurwoning. De aantallen in de tabel geven een indicatie voor de vraag naar sociale huurwoningen onder ouderen. Tabel 3.4: Prognose 65+huishoudens naar inkomen (2019 - 2040; afgerond op tientallen)
Prognose % 65+ met laag inkomen Prognose % 65+ met hoog inkomen Prognose % 65+ met laag inkomen en behoefte sociale huurwoning Huishoudens met laag inkomen Huishoudens met hoog inkomen Huishoudens met laag inkomen en behoefte sociale huurwoning Totaal aantal 65+-huishoudens
2019 62,6% 37,4% 39,6%
2025 61,9% 38,1% 38,0%
2030 61,3% 38,7% 36,7%
2035 60,6% 39,4% 35,4%
2040 60,0% 40,0% 34,2%
7.240 4.320 4.580
8.440 5.200 5.190
9.490 6.000 5.690
10.230 6.640 5.980
10.600 7.050 6.030
11.570
13.640
15.490
16.870
17.650
Bron: Bevolkingsprognose Delft, Lokale Monitor Wonen, prognosemodellen Companen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Van dit aantal huishoudens dat op enig moment in aanmerking zou kunnen komen voor een sociale huurwoning, heeft ook een deel behoefte aan een geclusterde woning met (intensieve) zorg. Onderstaande tabel toont de verdeling van de vraag van ouderen met een lager inkomen over de verschillende woonvormen die in dit onderzoek worden onderscheiden. Hierbij is de aanname gedaan dat de zorgzwaarte van ouderen met een lager inkomen niet wezenlijk verschilt van die van ouderen met een hoger inkomen. Daarnaast is er aangenomen dat mensen met een laag inkomen en behoefte aan een sociale huurwoning overwegend vaker een beroep doen op een geclusterde woonvorm, vanwege de kwetsbare positie. Tabel 3.5: Trendscenario woonvormen voor 65+-huishoudens in de sociale huur (2019 - 2040)
Regulier wonen Geclusterd wonen (zonder zorg) Geclusterd wonen (zorg nabij) Geclusterd wonen (24-uurszorg) Woonzorg PG (24-uurszorg)
2019 2.600 780 640 200 360
2025 2.910 970 750 190 370
2030 3.130 1.130 840 200 390
2035 3.160 1.240 920 220 450
2040 3.070 1.300 980 230 460
Bron: Bevolkingsprognose Delft, Lokale Monitor Wonen, prognosemodellen Companen.
Voor de reguliere woningen – zowel de sociale huurwoningen als de woningen voor mensen met een hoger inkomen – geldt dat dit niet allemaal woningen hoeven te zijn die specifiek zijn gebouwd en gelabeld voor senioren. Maar om ervoor te zorgen dat deze mensen langdurig kunnen blijven wonen in deze woning is het wel prettig als de woning tenminste goed toegankelijk is voor senioren (dus ‘geschikt’ is).
Leefstijlen ouderen De behoefte aan geclusterd wonen met of zonder lichte zorg kan onderverdeeld worden in ‘traditionele’ concepten (zoals serviceflats) en ‘moderne’ concepten (zoals hofjes). De keuze die mensen hierin maken is onder meer afhankelijk van hun inkomen, woonwensen en leefstijl. In deze 20
paragraaf zoeken wij aansluiting bij eerder onderzoek (CMS, 2015) naar de leefstijlen onder ouderen binnen Delft. Hierin zijn zeven dominante leefstijlen in kaart gebracht, uitgesplitst naar leeftijdsgroepen (toelichting in bijlage 7): 1. Intellectuele cultuurliefhebbers 2. Behoudende weldoeners 3. Creatieve milieuliefhebbers 4. Sociale gelovigen 5. Actieve vijftigplussers 6. Traditionele dorpelingen 7. Passieve minima
Met de opkomst van steeds meer zelfbewuste ouderen die hechten aan zelfregie zien wij een verschuiving in leefstijlen en een licht toenemende diversiteit. De groep Sociale Gelovigen neemt vlot af, ten faveure van de groepen Traditionele Dorpelingen en Actieve Vijftigplussers. Deze twee groepen bestaan veelal uit ouderen met een lager inkomen. De Actieve Vijftigplussers zijn niet of nauwelijks verhuisgeneigd. Traditionele Dorpelingen willen soms verhuizen, maar verruilen dan een koopwoning voor een huurwoning. De Creatieve Milieuliefhebbers en de Intellectuele Cultuurliefhebbers beschikkingen over een hoger inkomen. Zij zullen eerder geneigd zijn om zélf met een (koop) woonzorginitiatief te komen. Figuur 3.9: Spinnenweb van de leefstijlenverdeling onder Delftse ouderen in 2015, 2020 en 2030
Wij hebben de cijfers en verhoudingen uit dit onderzoek toegepast op de huidige bevolkingsprognose om een beeld te krijgen van de leefstijlen van toekomstige ouderen. Wij kunnen echter de werkwijze van dit onderzoek niet herhalen. Voor de ‘instromende’ groep ouderen in 2020 en 2030, houden wij daarom de leefstijlverdeling aan van de ‘jonge’ groep 65-70-jarigen uit het onderzoek van 2015. Daarmee komen wij tot een volgend totaalplaatje.
Passieve Minima
Tabel 3.6: Leefstijlen van de ouderen in Delft (2015 - 2030)
Leefstijlen Sociale gelovigen Actieve vijftigplussers Intellectuele cultuurliefhebbers Behoudende weldoeners Creatieve milieuliefhebbers Traditionele dorpelingen Passieve minima Overige
2015 28,3% 19,5% 18,4% 11,7% 11,5% 5,4% 3,7% 1,5%
Overige
2020 13,6% 21,2% 20,8% 11,2% 9,3% 17,4% 4,1% 2,5%
2030 8,0% 26,5% 20,2% 8,3% 11,4% 18,7% 3,9% 3,0%
Sociale Gelovigen 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%
Traditionele Dorpelingen
Actieve Vijftigplussers
Intellectuele Cultuurliefhebbers
Behoudende Weldoeners Creatieve Milieuliefhebbers 2015
2020
2030
Bron: CMS (2015), bevolkingsprognose Delft, bewerking Companen. Bron: CMS (2015), bevolkingsprognose Delft, bewerking Companen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
21
Wij verwachten dat deze ontwikkelingen leiden tot een grotere vraag naar variëteit aan geclusterde woonvormen voor ouderen (eventueel gecombineerd met andere leeftijdsgroepen). De vraag naar traditionele verzorgingshuisconcepten zal tegelijkertijd afnemen. De verwachting is dat moderne concepten vooral zullen aanspreken bij hoger opgeleiden/hogere inkomens (Intellectuele Cultuurliefhebbers, Creatieve Milieuliefhebbers), terwijl lager opgeleiden (Traditionele Dorpelingen) vaker zullen kiezen voor een traditioneel concept. Een deel van de lager opgeleide ouderen zal echter ook geïnteresseerd zijn in een hofjeswoning. Voor deze groep ligt een opgave voor de corporaties.
geringe beperkingen bij het lopen, die eventueel een wandelstok of kruk(ken) gebruiken. De woningen voldoen aan tenminste één van deze kenmerken: • woning is aangemerkt als seniorenwoning of nultredenwoning; • appartementen/(galerij)flats (als deze over een lift beschikken); • (semi)bungalows, woonboerderijen. ‘Geschikt te maken’ zijn woningen die met overzichtelijke investeringen wél geschikt te maken zijn, bijvoorbeeld door het plaatsen van een traplift. Een toelichting op de werkwijze is terug te vinden in bijlage 2. Figuur 3.10: Gemeente Delft. Aanbod ‘geschikte’ woningen volgens ‘doorzonscan’ (2019)
Geschikte woningen voor ouderen Het huidige rijksbeleid is erop gericht dat ouderen en mensen met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen in hun eigen vertrouwde omgeving. Hierdoor wordt het steeds belangrijker dat de woning waarin men woont ook daadwerkelijk geschikt is om te bewonen voor mensen met een fysieke beperking. Daarnaast groeit ook de behoefte aan reguliere (niet-geclusterde) woningen die geschikt zijn om op hogere leeftijd te blijven wonen, zowel in de koop- als huursector. Op dit moment woont een aanzienlijk deel van de ouderen (8.750 65+-huishoudens) in Delft in een reguliere, nietgeclusterde woning. In 2030 zijn dit er volgens onze prognose circa 12.500, en weer tien jaar later circa 12.000 tot 13.000 huishoudens. Bovenstaande ontwikkelingen stellen eisen aan de woningvoorraad in termen van geschiktheid voor senioren. In onze analyse van de geschiktheid van de woningvoorraad zijn wij uitgegaan van de volgende meetgraad voor ‘geschiktheid’: alle primaire voorzieningen (slaapkamer, woonkamer, toilet, badkamer en keuken) liggen gelijkvloers of zijn zonder traplopen bereikbaar. De woning is geschikt voor bewoners met
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Bron: WOZ-registratie gemeente Delft, bewerkt door Companen (2019).
We hebben de geschiktheid geanalyseerd van in totaal circa 49.000 woningen, die opgenomen zijn als zelfstandige woningen binnen het aangeleverde WOZbestand. Volgens deze analyse is op dit moment een groot deel van de totale woningvoorraad in Delft al ‘geschikt’ (44%; ruim 21.300 woningen) en nog eens 13% van de woningen ‘geschikt te maken’ (ruim 6.100 woningen). De totale vraag naar woningen onder senioren zal in 2030 en 2040 respectievelijk circa 15.500 en circa 17.650 woningen bedragen. Dat betekent dat er in principe 22
genoeg geschikte woningen in de gemeente zijn om ook aan de vraag op zowel de middellange als lange termijn te voldoen. Belangrijk hierbij is uiteraard wel dat al deze woningen dan ook beschikbaar moeten zijn voor/bewoond worden door senioren. Dit is ook afhankelijk van de woonwensen en woonsituatie. Figuur 3.11: Gemeente Delft. Geschiktheid woningvoorraad naar eigendom
Sociale huur
62%
Overige huur Koop
46%
21%
3% 3%
28%
0% 20% 40% Geschikt voor ouderen Geschikt te maken
36% 51%
51% 60% 80% 100% Niet geschikt voor ouderen
Figuur 3.12: Gemeente Delft. Geschiktheid sociale woningvoorraad naar wijk
Wippolder Vrijenban Voorhof Voordijkshoorn Tanthof-West Tanthof-Oost Schieweg Hof van Delft Buitenhof Binnenstad 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Geschikte woning Potentieel geschikt Niet geschikt Bron: WOZ-registratie gemeente Delft, bewerkt door Companen (2019).
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
De uitsplitsing van de woningvoorraad naar eigendom laat zien: • Sociale huurwoningen zijn het vaakst geschikt voor ouderen (62% en 14.200 woningen). In de sociale huursector liggen weinig kansen om de geschiktheid te vergroten; slechts 3% (ongeveer 250) van de woningen is geschikt te maken. 8.200 woningen zijn niet geschikt voor ouderen. Dit hangt veelal samen met de beperkte omvang van deze woningen. • In de wijken Vrijenban (25%), Hof van Delft (32%) en Tanthof-Oost (39%) is de sociale woningvoorraad relatief weinig geschikt. Deze wijken zijn aandachtspunten voor de corporaties: hoe weegt de geschikte voorraad (straks) tegenover het aantal oudere huurders in deze wijken? • Ook in de particuliere huurvoorraad liggen er weinig kansen om de woningen geschikt te maken. 46% (ongeveer 3.200) van de woningen zijn geschikt, 51% (ongeveer 3.600 woningen) is niet geschikt. • De grootste opgave ligt in de koopsector. Hier is 28% (ruim 5.200 woningen) met een kleine ingreep geschikt te krijgen. Daarentegen is slechts 21% van de koopwoningen geschikt voor ouderen. Op de kaart (2019) zien we de spreiding van geschikte woningen over de Delftse wijken, aangevuld met het huidige aandeel 65+-ers. • De geschiktheid ligt het hoogst in de wijken Voorhof (73%), Buitenhof (63%), Schieweg (57%) en Wippolder (56%).
Dit komt doordat in de eerste drie wijken relatief veel appartementen staan en in Wippolder relatief veel seniorenwoningen staan. • Het laagst ligt de geschiktheid in de wijken Tanthof-West (20%), Hof van Delft (21%), Tanthof-Oost (25%) en Vrijenban (25%). Dit komt omdat dit wijken zijn met relatief weinig appartementen met lift (Hof van Delft, Tanthof-West en Tanthof-Oost) of relatief weinig seniorenwoningen (Hof van Delft en Vrijenban). Ook zijn er in deze wijken veel woningen voor 1965 gebouwd (Hof van Delft) of is er een hoog aandeel appartementen zonder lift (Vrijenban).
23
•
•
De grootste kansen voor woningaanpassingen liggen in de wijken met relatief veel geschikt te maken woningen. Dit zijn de wijken Tanthof-West (37%), Voordijkshoorn (32%), Schieweg (23%) en Tanthof-Oost (21%). Dit zijn wijken met relatief veel grote eengezinswoningen na 1998 of relatief grote woningen gebouwd na 1965. In de meeste wijken ligt het aanbod geschikte woningen een stuk hoger dan het aandeel 65+-ers. Het aanbod geschikte woningen is in deze wijken dan ook voldoende. Alleen in Tanthof-West (20% geschikt tegenover 24% 65+) en Tanthof-Oost (25% geschikt tegenover 30% 65+) staat het aanbod geschikt wonen op gespannen voet met het aandeel 65+-ers.
In de tweede kaart (2040) is het aandeel 65+-ers in 2040 afgezet tegen de geschiktheid van de huidige woningvoorraad. • In 2040 zal het aandeel 65+-ers in de wijken Vrijenban, Hof van Delft, Tanthof-West en Tanthof-Oost het aanbod geschikte woningen overtreffen. Dit zijn ook de wijken met momenteel relatief de minste geschikte woningen. De opgave is om de potentieel geschikte woningen deels met een kleine ingreep geschikt te maken. De opgave zal per wijk verschillen. Zo zullen er in Tanthof-Oost en Tanthof-West relatief de meeste woningen geschikt gemaakt moeten worden om in de vraag te voldoen. In Vrijenban en Hof van Delft zal de opgave kleiner zijn. • In de rest van de gemeente Delft zal het aanbod geschikt wonen gelijk of minder zijn dan de vraag in 2040.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
24
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
25
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
26
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
27
3.5 De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod Een vergelijking van de vraagprognose met het huidige geclusterde 24-uurszorg aanbod van zorgaanbieders voor ouderen laat zien dat dit aanbod op dit moment al onvoldoende is om aan de vraag te voldoen; in de komende jaren zal dit tekort gaan toenemen. Wanneer we ook de geclusterde corporatiewoningen meetellen bij het ‘geclusterde aanbod’, dan volstaat het huidige aanbod op dit moment getalsmatig wel - het is echter de vraag of al deze woningen geschikt zijn voor mensen met een (oplopende) zorgvraag. Tussen nu en 2025 zal er - ook wanneer we deze woningen meetellen - een tekort optreden in geclusterde woonplekken voor ouderen. Figuur 3.12: Balans tussen vraag naar en aanbod aan geclusterd wonen voor ouderen
-165 -185 -205 -415 -275 -115 -645 -435 -195 -535 -3.000
-2.500
-245
-2.000
-915
-1.145 -1.500
-1.000
2019
800
2025
440
2030
90
2035
-270
2040
-570 -500
0
500
1.000
Geclusterd wonen (zonder zorg)
Geclusterd wonen (zorg nabij)
Geclusterd wonen (24-uurszorg)
Woonzorg PG
Bron: Aanbodinventarisatie corporaties en zorgaanbieders, prognosemodel Companen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Tabel 3.7: Vraag en aanbod aan geclusterde woonvormen voor ouderen, op basis van de bandbreedte
Geclusterd wonen (zonder zorg) Geclusterd wonen (zorg nabij) Geclusterd wonen (24-uurszorg) Woonzorg PG (24uurszorg) Totaal
VraagAanbod 2019 800
VraagAanbod 2025 440
VraagAanbod 2030 90
VraagAanbod 2035 -270
VraagAanbod 2040 -570
-185
-415
-645
-915
-1.145
-75
-75
-115
-195
-245
-165
-205
-275
-435
-535
375
-255
-945
-1.815
-2.495
Bron: Aanbodinventarisatie corporaties en zorgaanbieders, prognosemodel Companen.
De onderstaande grafiek toont de vraag-aanbodbalans voor geclusterde woonvormen voor ouderen, op basis van de trendvariant. We constateren daarbij het volgende: • De intramurale capaciteit voor mensen met een psychogeriatrische (PG) zorgvraag is momenteel in onbalans met een tekort van 165 plekken. Dit tekort zal eerst licht stijgen tot 205 plekken in 2025 en daarna fors stijgen tot 535 plekken in 2040. • Voor mensen die afhankelijk zijn van 24-uurszorg bij somatische klachten (intramurale capaciteit somatische zorgvraag) bestaat er nu al een tekort van 75 woningen. Dit tekort blijft eerst stabiel op 75 woningen in 2025 en stijgt daarna tot 245 woningen in 2040. • Voor mensen die geen intramurale indicatie (zorg met verblijf) ontvangen maar wel behoefte hebben aan geclusterd wonen met zorg nabij bestaat er momenteel een tekort van 185 woningen. Op basis van signalen uit de klantenpanels, vermoeden wij dat deze woningen momenteel bewoond worden door zware zorgvragers die niet terecht kunnen in de verpleeghuizen. Veel van de bestaande complexen zijn daarmee nog te
28
weinig ingericht zijn op mensen met een toenemende zorgvraag. Geleidelijk ontstaat er een tekort (met een versnelling tussen 2030 en 2035) van 1.145 woningen in 2040. • Voor mensen die behoefte hebben aan geclusterd wonen zonder zorg bestaat er momenteel een fors overschot van 800 woningen. Geleidelijk slaat dit overschot om naar een tekort van 270 woningen in 2035 en 570 woningen in 2040. In Delft zijn daarmee veel geclusterde wooncomplexen aanwezig, die ook niet leeg zullen staan. Deze woonvormen voorzien kwantitatief in de vraag. De woonwensen en zorgbehoefte van bewoners is echter dermate veranderd in de laatste jaren, zoals blijkt uit de werksessie, klantenpanels en het leefstijlenonderzoek, dat veel van de bestaande complexen niet ingericht zijn op deze groep mensen. Zij zoeken beschutting en comfort in de wooncomplexen en mogelijkheden tot ontmoeting met mede- en buurtbewoners. Deze wooncomplexen moeten daarnaast geschikt zijn voor een toenemende zorgvraag. Daarnaast kan het zijn dat een deel van deze woningen (onbewust) door de regulier wonende oudere worden bezet. In de komende jaren ontstaat er door de groeiende vraag een toenemende spanning op het geclusterd wonen, en na 2025 zelfs een groeiend tekort.
Dit moet opgevuld worden met nieuw aanbod dat aansluit bij de kwalitatieve vraag – wat betekent dat gewerkt moet worden aan vernieuwende concepten van geclusterd wonen. Het advies is om daar nu al mee te beginnen in de vorm van kleinschalige experimenten per wijk en zo te ondervinden welke woonvormen toekomstwaarde hebben. Uitsplitsing opgave geclusterd wonen in sociale huursector De bovenstaande balansen betreffen de totale behoefte aan woonvormen: koop, sociale huur en particuliere huur. In de onderstaande tabel zetten wij de vraag-aanbodbalans voor sociale huurwoningen apart uiteen, gebaseerd op de inkomensontwikkeling van de primaire doelgroep (paragraaf 3.3). Gezien veel 503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
van het huidige aanbod aan geclusterd wonen corporatiebezit beslaat, is deze balans doorgaans positiever. Voor het geclusterd wonen zonder zorg ligt geen kwantitatieve opgave binnen het niet-DAEB bezit; deze opgave ligt voornamelijk in het particuliere bezit of DAEB-bezit. De opgave ligt hier in het vinden van de kwalitatieve match tussen vraag en aanbod. In 2025 ontstaat er wel een kwantitatief tekort aan geclusterd wonen met zorg nabij. De opgave voor 24-uurszorg laten wij hier buiten beschouwing. Toegang tot deze woonvorm is niet inkomensafhankelijk. Tabel 3.7: Vraag-aanbodbalans voor geclusterde woonvormen in de sociale huur voor ouderen
Geclusterd wonen (zonder zorg) Geclusterd wonen (zorg nabij)
VraagAanbod 2019 1.140
VraagAanbod 2025 950
VraagAanbod 2030 790
VraagAanbod 2035 680
VraagAanbod 2040 620
80
-30
-120
-200
-260
Bron: Aanbodinventarisatie corporaties en zorgaanbieders, prognosemodel Companen.
De bovenstaande cijfers zijn indicatief. Het aanpakken van de totale tekorten (uit de vorige paragraaf) blijft immers een gedeelde verantwoordelijkheid van onder andere ontwikkelaars, corporaties, zorgaanbieders en gemeente. In nieuwbouw kunnen ontwikkelaars goede partners zijn. Zij voorzien het aanbod van meer diversiteit in eigendom of prijsklasse, passend bij de nieuwe generatie ouderen. Daarnaast geeft nieuwbouw door ontwikkelende partijen corporaties meer ruimte. Zij kunnen (ook) aan de slag gaan met het transformeren van bestaand bezit richting kwalitatief gewenste woonvormen.
Huisvestingsopgave zorg met verblijf LG Een vergelijking van de vraagprognose met het huidige woonzorgaanbod voor lichamelijk beperkten laat zien dat er op dit moment een tekort van circa 35 woningen is aan specifieke woonvormen voor deze doelgroep. In de werksessie
29
met zorgpartijen hebben wij geen signalen opgevangen van een dergelijk tekort. Enerzijds kan het zijn dat een groot deel van deze groep mensen in een aangepaste woning woont zonder intensieve verzorging en daarmee buiten het zicht van dit onderzoek valt. Anderzijds kunnen mensen met een LG-indicatie ook woonachtig zijn in plekken die hoofdzakelijk bestemd zijn voor andere doelgroepen. Wij gaan er daarom van uit dat vraag en aanbod op dit moment met elkaar in evenwicht zijn. • De vraag naar woonvoorzieningen voor mensen met een lichamelijke beperking zal in de komende jaren toenemen met circa 15 woningen. Het lijkt daarom wel nodig om voor deze doelgroep aanbod toe te voegen aan de voorraad, hetgeen bij voorkeur in samenhang met de huisvestingsopgave voor ouderen kan worden opgepakt.
Huisvestingsopgave geschikt wonen In de komende jaren zal er een overschot blijven aan geschikte woningen voor ouderen: in 2040 zijn er immers 3.650 65+-huishoudens (ca. 17.650) minder dan het huidige aantal geschikte woningen (circa 21.300) in de gemeente. Dit hoeft echter niet te betekenen dat elke oudere geschikt kan en zal wonen. De lage verhuisbereidheid van senioren maakt dat een deel van de toekomstige senioren nu en straks in een woning woont die (nog) niet geschikt is. In deze vraag kan worden voorzien door nieuwbouw van geschikte woningen en doorstroming te stimuleren, maar belangrijker zijn woningaanpassingen van woningen die potentieel geschikt zijn: • De grootste opgave ligt daarbij in de koopsector. Wij verwachten dat circa 5.600 ouderen in een geschikte koopwoning zullen wonen in 2040. Dat is meer dan de huidige circa 3.900 geschikte koopwoningen, en zorgt voor een tekort van 1.700 woningen. Ruim 5.000 woningen zijn met woningaanpassingen geschikt te krijgen. • De sociale huursector heeft met ruim 14.200 woningen genoeg geschikte woningen in bezit. Wij verwachten dat slechts 6.000 ouderen een beroep
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
•
op een geschikte sociale huurwoning zullen doen in 2040. In het kader van geschiktheid ligt er daarmee geen grote transformatie- of nieuwbouwopgave weggelegd voor de corporaties. Het kan wel zijn dat woningen een lichte aanpassing vereisen, zoals het verwijderen van drempels. In de wijken Tanthof-West (20% geschikt tegenover 24% 65+) en TanthofOost (25% geschikt tegenover 30% 65+) ligt het huidige aanbod geschikte woningen lager dan het aandeel 65+-ers in 2040. In beide wijken liggen wel relatief veel kansen om woningen geschikt te maken (37% en 21% potentieel geschikt in respectievelijk Tanthof-West en Tanthof-Oost). In Tanthof ligt dus een transformatieopgave. De wijken Hof van Delft en Vrijenban vormen een aandachtspunt, zowel voor het particuliere als sociale bezit.
3.6 Beleidsopgaven ouderen Gezamenlijk tussenvormen concretiseren Het wonen in geclusterde ‘tussenvormen’ biedt diverse voordelen. De zorg kan efficiënter geleverd worden. In deze woningen kunnen ouderen een zwaardere zorgvraag beter opvangen. En het veiligheids- of gemeenschapsgevoel onder bewoners is hoger. Een goed aanbod aan tussenvormen is daarmee een voorinvestering om te voorkomen dat onnodig intensieve zorg wordt gebruikt. Om tot uitvoering van de doelstelling omtrent tussenvormen te komen is een samenspel van actoren benodigd; een hecht netwerk. Wij adviseren om duidelijke normen op te stellen voor de nieuwe (geclusterde) tussenvormen, waarin alle signalen vanuit de verschillende partijen goed verwerkt zijn. Nu voldoen lang niet alle geclusterde woonconcepten aan de behoefte van de bewoners, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezige faciliteiten (ontmoetingsruimte, buitenruimte, comfort, horeca), de gemeenschapszin, omvang en het soort medebewoners. Vervolgens kan deze norm complexgewijs uitgedragen worden.
30
Leefstijlen als opstap naar variatie in het aanbod
Strategieën voor bestaand vastgoed
Ook binnen de geschikte, geclusterde en 24-uurs geclusterde woonvormen is het wenselijk om variatie in verschijningsvorm aan te bieden. De nieuwe generatie ouderen vraagt immers om een meer divers woningaanbod, dat aansluit op een breder palet aan leefstijlen onder deze generatie. Wij adviseren om de diverse leefstijlen te gebruiken als inspiratie voor variatie in het woningaanbod. Deze variatie kan onder andere gezocht worden in woningtype, medebewoners, gemeenschappelijke ruimten, interactie met de buurt, activiteiten etc. Deze variatie kan zowel binnen als tussen locaties worden aangebracht. De gemeente Delft en de woningcorporaties kunnen vanuit een overstijgende blik goed toezicht houden op de gewenste variatie. Eventueel kan er een toewijzende rol worden genomen (door middel van urgentieregelingen en labels of verordeningen voor doelgroepen). Wij geven de volgende kaders mee: • In grotere complexen kan de eigenaar het complex opsplitsen om aan te sluiten op verschillende leefstijlen. • In complexen van 50 woningen of minder is het lastig om divers aanbod te realiseren binnen de locatie én het complex te exploiteren. • Kleinschalige woonvormen (bijvoorbeeld voor mensen met dementie) voorzien in de woonwensen van een kleinere klantengroep en dragen daarmee juist bij aan de gewenste differentiatie (tussen locaties).
• Dementerenden met een migratieachtergrond vallen in een zeker stadium terug op de moedertaal. In een etnisch diverse omgeving zorgt dit voor een taalbarrière tussen cliënt en personeel. Daarbij kan het een oplossing zijn om voor deze ‘leefstijl’ aparte woonvormen of afdelingen te creëren, of om personeel aan te nemen dat onderlegt is in andere talen. Daarbij geldt wel de kanttekening dat etnische minderheden het wonen met zorg vaker in de eigen familiekring regelen. De behoefte moet goed worden gemonitord.
In traditionele verzorgingshuizen kunnen de (vele) gemeenschappelijke ruimten niet worden gefinancierd. De huur betaalt daarmee niet goed voor de rest van het vastgoed en dat maakt het voor zorgaanbieders lastig om ouder vastgoed staande te houden. Dit vraagstuk vraagt om complexgerichte strategieën waarbij de opties omtrent het scheiden wonen en zorg, transformeren, renoveren en doelgroepenwisselingen worden afgewogen. In sommige gevallen is sloop-nieuwbouw duurzamer en lonender dan oude panden omhoog houden of ingrijpend te renoveren. Aan overbodige gemeenschappelijke ruimten kan eventueel ook invulling gegeven worden ruimten door andere functies (bijvoorbeeld dagbesteding, buurtactiviteiten en thuiszorg) in bestaande complexen te integreren.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Veranderprocessen in de woonzorgorganisatie Transformatie van vastgoed gaat gepaard met veranderprocessen in de woonzorgorganisatie. Wij constateren dat het op ‘nieuwe’ grond makkelijker is om vernieuwend aanbod te realiseren. Op bestaande plekken moet bij transformatie de zorgorganisatie immers ook fors omschakelen, en dit blijkt vaak een lastig proces. De corporaties en zorgaanbieders in Delft wensen op het gebied van ouderenhuisvesting daarom samenwerking gericht op innovatie en ketenintegratie. Veranderingen in het vastgoed gaan dan vaker goed samen met veranderingen in de zorgverlening. In het verlengde hiervan vraagt nieuw of vernieuwd vastgoed soms om gerichte toewijzing aan ouderen (en wellicht leefstijlen). In samenwerking met de gemeente kan gekeken worden naar de ruimte om hier van het woonruimteverdeelsysteem af te wijken. Daarnaast is het hierin van belang om eenduidig aan de slag te gaan met de manier van toewijzen, die door allen partijen wordt gedragen.
31
Centrale marktplaats voor technologie Het is onze aanbeveling om één partij of één ‘marktplaats’ te realiseren voor alle technologische snufjes, domotica of IOT (‘internet of things’). Daarmee valt technologie straks makkelijker in te passen en heeft de consument een beter overzicht. Een groot aandachtspunt daarbij is het (gebrek aan) WIFI-aanbod in bestaand vastgoed en de diensten die via dit netwerk verlopen. De leveringszekerheid van technologie is daarmee nu nog een risico, maar er liggen ook veel kansen.
Toenemende financiële druk Wij horen van de zorgaanbieders dat zij een toenemende financiële druk ervaren in het verlenen van de zorg aan huis, door de toenemende spreiding en intensiteit van de zorgvraag van extramurale ouderen. De beschikbare financiële middelen lopen in verhouding terug. Zorg aan huis in geclusterde woonvormen is hierin efficiënter en werkt verlichtend op deze druk.
Toenemend beroep op woningaanpassingen Van de ouderen met een (lichte) zorgvraag die kunnen en willen blijven wonen in een reguliere woning, zal in de toekomst een groeiend deel wonen in een koopwoning. De belangrijkste opgave voor deze groep is om ervoor te zorgen dat hun woningen tijdig geschikt gemaakt worden, zodat zij hier zelfstandig kunnen blijven wonen. In dat kader is het relevant om te vermelden dat de regeling van woningaanpassingen in het kader van de Wmo is veranderd; de eigen bijdrage voor particulieren is aanzienlijk lager geworden. Dit zal waarschijnlijk zorgen voor een toename van de aanvragen voor woningaanpassingen (met hogere kosten voor de gemeente als gevolg).
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
32
4. Verstandelijk beperkten (VG) In dit hoofdstuk beschrijven wij eerst de woonwensen van mensen met een VGindicatie en geven we een beeld van de bestaande woonvormen voor deze groep. Vervolgens analyseren we de ontwikkeling van de vraag naar plekken voor zorg met verblijf voor de VG-groep, en zetten we deze vraagontwikkeling af tegen het bestaande aanbod. Aan de hand van deze analyse wordt de balans tussen het aanbod en de vraag aan woonplekken naar de toekomst toe in beeld gebracht. De balans tussen vraag en aanbod dient als uitgangspunt voor de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de beleids- en huisvestingsopgaven. Soms wonen mensen met een verstandelijke beperking in een reguliere woning. Vaak woont deze doelgroep, met name wanneer de zorg- of ondersteuningsvraag zwaarder is, in een zorginstelling. In dit onderzoek richten wij ons primair op de groep die gebruik maakt van Wlz-zorg. Dit houdt in dat we het hebben over mensen die ‘levenslang en levensbreed’ ondersteuning nodig hebben, thuis of in een zorginstelling. Deze mensen staan onder permanent toezicht of ontvangen 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Omdat we ingaan op de groep mensen die levenslang behoefte heeft aan zorg met verblijf, spreken we niet over een groep die uitstroomt. In de afgelopen jaren is de toegang tot de Wlz voor mensen met een verstandelijke beperking iets beperkter geworden.
Nieuwe cliënten met een lichte zorgvraag (Wlz-indicaties VG 1 tot en met 3) kunnen tegenwoordig geen beroep meer doen op een woonplek in een instelling. In plaats daarvan krijgen zij ondersteuning vanuit de Wmo. Bestaande cliënten met een lichte zorgvraag die in een instelling wonen, mogen hier wel blijven.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
4.1 Woonwensen en woonvormen Tijdens een klantenpanel in mei 2019 zijn de woonwensen van de doelgroep VG besproken met cliënten die woonachtig zijn in de gemeente. Tezamen hebben wij een beeld opgesteld van de gewenste woning, woonomgeving en de benodigde zorg en ondersteuning.
Wensbeelden VG In het klantenpanel is er gesproken met een groep van circa 10 personen met een verstandelijke beperking. De woonvormen van de deelnemers lopen uiteen van groepswonen en thuis wonen tot studio’s en appartementen in geclusterde of gespikkelde vorm. Op basis van de gesprekken en onze ervaringen elders in het land herleiden wij de volgende kwalitatieve wensbeelden van verstandelijk beperkten voor het wonen met zorg. Woning • Het leeuwendeel van de doelgroep is tevreden met waar hij of zij woont. Ten aanzien van de woning (eigen voorzieningen, oppervlak, buitenruimte) formuleren de cliënten weinig concrete woonwensen. In hun beleving gaat het vaak om de woonvorm die als prettig of niet prettig wordt ervaren. Hierin kan naar gelang worden geschoven in meer of minder zelfstandigheid en het type woonomgeving (rustig of prikkelend). Hierin streeft een deel van de VG wel naar zelfstandigheid met ambulante begeleiding. Dit blijkt ook uit de wachtlijst (60 mensen) voor de nieuwe trainingslocatie ‘De Groene Haven’ die begeleid zelfstandig wonen biedt ter doorstroming. • Een deel van de cliënten geeft wel aan dat zij graag meer met leeftijdsgenoten willen samenwonen, waarmee zij beter kunnen communiceren.
33
•
In het woningaanbod moet ook aandacht zijn voor de draaicirkels van rolstoelen binnen de woningen en de ruimtes voor het stallen van fietsen en andere vervoersmiddelen.
Woonomgeving • Ook voor de doelgroep VG geldt dat zij nabijheid wensen tot voorzieningen. In het bijzonder gaat het daarbij om de supermarkt, huisarts en het OV. Goede OV-bereikbaarheid kan leiden tot een lager beroep op de regiotaxi. • In het type buurt zoekt een deel van de cliënten vooral rust en ruimte, waar een ander deel juist behoefte heeft aan reuring. • De doelgroep zoekt in het contact met de buren naar af en toe een praatje, maar behoeft niet veel contact met de buren. Ze willen wel allemaal buren hebben, zodat ze zich niet geïsoleerd voelen in de wijk. Zorg en ondersteuning • De begeleiding aan cliënten kan in individuele gevallen wel verbeterd worden. Zo is er soms sprake van miscommunicatie, duurt het te lang voordat een begeleider terugbelt of weet de begeleider niet goed in te schatten wat een persoon wel of niet kan. • De cliënten zijn te spreken over de begeleiding die zij ontvangen, die in contactmomenten wordt afgestemd op de zorgsituatie. Daarbij is het wenselijk dat begeleiders ook per cliënt kijken wat ze wel en wat ze niet kunnen. Een groepsbenadering werkt hierin niet. Een deel van de doelgroep krijgt ambulante begeleiding en/of persoonlijke begeleiding, maar ook zijn er situaties waarbij de persoon in een zelfstandige woning woont waar de begeleiders langskomen voor een vragenuurtje.
• Met betrekking tot de groep die intensieve begeleiding nodig heeft, is het belangrijk dat de persoonlijke en ambulante begeleiders dicht in de buurt zijn. Snelle en adequate zorgverlening is een belangrijk aspect in de
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
•
•
woonervaring. Uiteindelijk is het een totaalbeeld, waarbij de zorgverlening een cruciale rol speelt in het wel of niet prettig voelen van de persoon. Het gebruik van technologie in de dienstverlening werkt wisselend voor de doelgroep. De één ervaart het als een handig communicatiemiddel, de ander mist de emotionele band bij het communiceren via een scherm. De begeleiders zelf geven aan dat zij momenteel te weinig steunpunten in de wijk voorhanden hebben.
Woonvormen in Delft In dit rapport maken wij onderscheid tussen de woonvormen ‘geclusterd’ en ‘gespikkeld’ die bedoeld zijn voor de doelgroep mensen met een verstandelijke beperking. Onder de woonvorm ‘geclusterd’ valt een uiteenlopend palet aan woonvormen: van instellingszorg in groepswoningen tot geclusterde appartementen, hofjeswoningen of zorgboerderijen. Onder ‘gespikkeld’ wonen vallen zelfstandige appartementen of woningen in de nabijheid van een geclusterde woonvorm. Zie voor een uitgebreide omschrijving van de woonvormen bijlage 3. • Een belangrijke notie is dat de doelgroep VG bijzonder heterogeen is: een deel is ook lichamelijk gehandicapt en heeft dus een woning nodig die rolstoelgeschikt is, bij het andere deel is dit niet het geval. De variatie in de VG-doelgroep betekent dat zorgvastgoed flexibel gebouwd moet worden; het liefst is een woning geschikt te maken voor een veranderende zorgzwaarte. Ook de VG-doelgroep wordt ouder; dit stelt eisen aan het woonzorgvastgoed. • Zorgaanbieders clusteren verstandelijk beperkten vaak op basis van leeftijd, zorgzwaarte en het al dan niet voorkomen van een combinatie met psychiatrische klachten om een zekere mate van homogeniteit te bereiken. Uiteindelijk wordt een dergelijk cluster vanzelf weer heterogeen door individuele ontwikkelingen in de zorgvraag.
34
•
De illustraties hieronder geven een indruk van de variëteit aan woonvormen die vallen onder de noemer ‘geclusterd wonen’.
zal ontwikkelen. De onderstaande tabel toont de verwachte vraag naar VGplekken volgens de basisprognose: een beleidsvrije, demografische doorrekening op basis van de huidige vraag.
Figuur 4.1: Voorbeelden geclusterd wonen voor verstandelijk beperkten Tabel 4.1: Gemeente Delft. Prognose woonvormen (2019 - 2040), basisvariant
Prognose Geclusterd wonen Gespikkeld wonen
2019 390 345 45
2025 410 360 50
2030 420 370 50
2035 430 375 55
2040 440 380 60
Bron: Bevolkingsprognose Delft, Indicatiegegevens DSW, bewerking Companen.
4.2 Woonvraag van verstandelijk beperkten Het aantal Wlz-indicaties voor zorg aan verstandelijk beperkten (VG) is over de jaren 2015 tot en met 2019 gestegen (bijlage 4). In 2019 waren er volgens de afgegeven Wlz-indicaties van zorgkantoor DSW 391 mensen met een VGindicatie in Delft. Deze stijging komt mede doordat er omstreeks 2016 en 2017 een fors aantal mensen een herindicering naar de Wlz-zorg heeft gekregen. Aan de hand van deze indicatiegegevens en de bevolkingsprognose van de gemeente Delft hebben wij een inschatting opgesteld van de zorgvraag van verstandelijk beperkten voor de periode tot 2040. In deze basisprognose is inzichtelijk gemaakt hoe de totale zorgvraag van verstandelijk beperkten zich
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
In bovenstaande tabel maken we een kwalitatief onderscheid naar geclusterd en gespikkeld wonen. Daarnaast woont een deel van de doelgroep verstandelijk beperkten niet geclusterd of gespikkeld. Door middel van gesprekken met het Zorgkantoor DSW en Ipse de Bruggen, de grootste zorgaanbieder voor de doelgroep VG in Delft, hebben we gepoogd de grootte van dit deel in beeld te krijgen. Uit deze gesprekken bleek dat er geen eenduidige omvang van deze groep kan worden gegeven. Aan de hand van dit inzicht benaderen we deze groep niet als een aparte groep in de prognoses. De vraagkant hebben we in beeld gebracht. Daar valt nog een aanvullende vraagdruk aan toe te voegen die afkomstig is van de grote wachtlijst voor een woonplek bij een zorgaanbieder. Op deze wachtlijst staan circa 87 mensen. Net als voor de andere doelgroepen die we in deze rapportage behandelen heeft er voor de doelgroep VG ook een werksessie plaatsgevonden. In deze werksessie hebben we met zorgaanbieders besproken welke trends van invloed zullen zijn op de toekomstige vraag naar wonen met zorg. • In Delft is het geval dat een groot deel van de mensen met een VG-indicatie nu thuis woont en gebruikmaakt van dagbesteding bij de zorgaanbieder. De mensen met een VG1 en VG2 indicatie wonen bijvoorbeeld niet meer in woonvormen van zorgaanbieder Ipse de Bruggen.
35
•
Een deel van de groep (licht) verstandelijk beperkten ‘verdwijnt van de radar’. Soms doen zij wel een beroep op dagbesteding, maar is de woonsituatie minder bekend.
Lokaal wonen en extramuralisering
Tabel 4.2: Gemeente Delft. Prognose woonvormen (2019 - 2040), trendvariant
Tijdens de werksessie met de gemeente en zorgaanbieders zijn er verschillende trends besproken die invloed zouden kunnen hebben op de woonvraag van de doelgroep VG. De deelnemers aan de werksessie nemen de trend van het ‘lokaal wonen’ waar. Dit houdt in dat er een toenemende behoefte is om te wonen nabij de thuisomgeving of ouders. Zorgaanbieders zetten daarbij vaker in op zorg zo dicht mogelijk bij de thuisomgeving. Als een gevolg daarvan verwachten wij dat de vraag naar VG-zorg meer evenwichtig verspreid zal worden over de regio en het land. Als scenario nemen wij mee dat de vraag naar VG-plekken in de verschillende gemeenten in de regio meer verdeeld gaat worden naar rato van het aantal inwoners; het gat tussen het regionaal (circa 6,1 VG-cliënten per 1.000 inwoners) en gemeentelijk gemiddeld aantal VGcliënten (circa 3,8 VG-cliënten per 1.000 inwoners) wordt dan voor 52% gedicht. Dit betekent dat er meer plekken nodig zijn in de gemeente Delft en juist minder in de regiogemeenten in het Delfland. Een andere trend die werd herkend is de trend van extramuralisering. Het blijkt dat er veel vraag is naar het scheiden van wonen en zorg, ofwel extramuralisering. Hiervoor zetten we vaker in op het zelfstandig huisvesten van de VG doelgroep en vangen we daarmee de groei in de vraag op.
Als wij uitgaan van een progressieve extramuralisering 5, dan kan het aantal gespikkelde woonvormen oplopen naar 80 tot 90 In 2040. Deze verdeling van de kwalitatieve vraag geldt als een bovengrens. Rekening houdend met de trend van lokaal wonen en extramuralisering verandert de kwantitatieve en 5 Hierbij wonen op termijn alle lichte VG, 40% van de VG3 en 15% van de VG4,
kwalitatieve vraag naar woonplekken voor VG. In de volgende tabel en grafiek staat weergegeven hoe de vraag eruit ziet voor de VG-doelgroep in de jaren 2019 tot en met 2040.
2019 390 345 45
Prognose Geclusterd wonen Gespikkeld wonen
2025 465 400 65
2030 525 440 85
2035 585 480 105
2040 650 520 130
Bron: Bevolkingsprognose Delft, gegevens zorggebruik DSW en bewerking Companen. Figuur 4.2: Gemeente Delft. Prognose woonvormen (2019 – 2040), trendvariant
700 600 500 400 300 200 100 0
65
105
85
130
45 345
2019
400
440
480
520
2025
2030
2035
2040
Geclusterd wonen
Gespikkeld wonen
Bron: Bevolkingsprognose Delft, gegevens zorggebruik DSW en bewerking Companen.
SG(LGV) en VG6
groep gespikkeld. Zie bijlage 6 voor het overzicht.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
36
4.3 De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod Aan alle zorgaanbieders die zich richten op zorg voor verstandelijk beperkten is gevraagd hoeveel zorgplekken zij hebben voor deze doelgroep. In bijlage 1 is het volledige aanbod per aanbieder terug te vinden.
Tabel 4.3: Vraag en aanbod woonvormen voor doelgroep verstandelijk beperkten
Geclusterd wonen Gespikkeld wonen Totaal
VraagAanbod 2019 -40 0 -40
VraagAanbod 2025 -95 -20 -115
VraagAanbod 2030 -135 -40 -175
VraagAanbod 2035 -175 -60 -235
VraagAanbod 2040 -215 -85 -300
Bron: Aanbodinventarisatie zorgaanbieders, prognosemodel Companen.
Een vergelijking van de vraagprognose met het huidige woonzorgaanbod voor de doelgroep verstandelijk beperkten, laat zien dat het aanbod aan geclusterde woonvormen op dit moment onvoldoende is om aan de vraag te voldoen. Hierbij is uitgegaan van de trendvariant van de prognose. In de komende jaren zal het tekort aan geclusterde woonvormen toenemen. De vraag naar en het aanbod aan gespikkeld wonen is op het moment in balans. In de toekomst zal er een tekort ontstaan dat met de jaren oploopt. Figuur 4.3: Vraag en aanbod balans woonvormen doelgroep verstandelijk beperkten
-40 0 2019 -20 -40
-250
2035
-175
-85 -300
2030
-135
-60
-350
2025
-95
2040
-215 -200
Geclusterd wonen
-150
-100
-50
Uit voorgaande grafiek en tabel constateren we het volgende: • Er is op dit moment niet genoeg geclusterd aanbod om in de vraag naar geclusterd aanbod te voorzien. Er bestaat momenteel een onbalans met een tekort van 40 plekken geclusterde plekken. Een verklaring van het tekort dat we aantonen is dat een deel van de verstandelijk beperkten met een Wlz-indicatie niet in een geclusterde of gespikkelde woonvorm woont maar gebruik maakt van een Persoonsgebonden budget, met een PGB in een ouderinitiatief woont of bij de ouders thuis woont. Echter bestaat er ook een deel van de VG-doelgroep die thuis woont maar wel behoefte heeft aan een woonplek bij een zorgaanbieder. Daarnaast zien we een grote wachtlijst voor woonplekken bij zorgaanbieders. Kijkend naar de toekomst zien we dat de bevolkingsgroei zorgt voor een toename in de vraag naar woonplekken. Daarmee zal het tekort van 40 geclusterde woonplekken stijgen tot 215 plekken in 2040. • Op het moment is vraag en aanbod van gespikkeld wonen in balans. In 2025 zal er een tekort zijn aan 20 plekken. Het tekort aan gespikkelde plekken zal gestaag stijgen tot 85 plekken in 2040.
0
Gespikkeld wonen
Bron: Aanbodinventarisatie zorgaanbieders, prognosemodel Companen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
37
4.4 Beleidsopgaven VG Uitbreiden en moderniseren van bestaand vastgoed Uitbreiding van het aanbod zou voornamelijk bestaan uit geclusterde woonvormen en voor een deel uit ‘gespikkeld wonen’. Voor de geclusterde woonvorm valt het aan te raden kleinschalige woonvormen toe te voegen. Deze vormen bieden cliënten een eigen appartement met voorzieningen (sanitair, soms ook een keuken) en daarnaast een ontmoetingsruimte of een gezamenlijke woonkamer. Ontmoetingsruimten die aanwezig zijn in bestaand aanbod en nieuw geclusterd aanbod, kunnen ook worden gebruikt door cliënten die in de nabije omgeving (‘gespikkeld’) wonen. Een dergelijke plek biedt bewoners structuur (dagritme) en mogelijkheden voor ontmoeting en ontspanning. Er kan ook op een laagdrempelige manier begeleiding worden geboden. Ook liggen er kansen die de beweging in BW kan bieden. Door de afbouw van BW-plekken in de gemeente, kan het vrijkomende bestaande vastgoed van BW worden ingezet voor het huisvesten van andere doelgroepen zoals de doelgroep VG.
Diverse zorgvraag vraagt om doorstroming en flexibel bouwen Om goed te voorzien in de diverse zorgvraag en mate van zelfstandigheid van de VG-doelgroep is er uiteenlopend vastgoed nodig. Het uitgangspunt daarbij is dat zowel op- als afstroming mogelijk moet zijn als dat past bij de behoefte van de cliënt. Enerzijds vraagt dit om genoeg variatie in het aanbod: bijv. in woningtype, geschiktheid, zelfstandigheid, locatie en ontmoetingsplekken. Anderzijds kan het flexibel bouwen van zorgvastgoed de nodige mogelijkheden tot variatie geven. Een deel van de doelgroep (VG8) is rolstoelgebonden en heeft dus een aangepaste woning nodig. Voor ouder wordende cliënten verandert de zorgvraag. Bij voorkeur zijn woningen daarom makkelijk aanpasbaar voor een veranderende zorgzwaarte.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Gemengd wonen kán Een deel van de VG-cliënten zou goed kunnen wonen in een gemengd wonenproject waarin ook andere doelgroepen wonen (GGZ, jeugd, ouderen). Een voorbeeld van een succesvolle gemengde woonvorm is de locatie Delfshove van Pieter van Foreest. Naast ouderen wonen hier 19 jongvolwassenen die zorg ontvangen van Ipse de Bruggen. De combinatie van de doelgroepen ouderen en VG blijkt goed te werken. Het opzetten van dergelijke projecten vraagt om meer samenwerking tussen zorgaanbieders. Hierin is een regierol weggelegd voor de gemeente om de samenwerking tussen zorgaanbieders en corporaties te bevorderen.
Randvoorwaarden extramuralisering Er bestaat een grote vraag naar het scheiden van wonen en zorg. In eerste instantie wordt er niet ingezet op een kwantitatieve uitbreiding van het aanbod, maar juist op het vaker zelfstandig huisvesten van de doelgroep. Uit de werksessie hebben we de volgende randvoorwaarden voor extramuralisering opgehaald: • Het stelt eisen aan de zorginfrastructuur en de samenwerking tussen ketenpartners om de zelfstandige huisvesting te realiseren en succesvol te laten zijn. • Naast een goede samenwerking is een geschikte woonomgeving en goede spreiding over de gemeente onmisbaar. Hierdoor kan bijvoorbeeld aanbieder Ipse de Bruggen zich meer toeleggen op de kwalitatieve opgaven in het huidige vastgoed. • Andere randvoorwaarden om zelfstandige huisvesting te realiseren is het bestaan van een stevig sociaal netwerk waaraan ook informele zorg en mantelzorg kan worden ontleend. • Onderzoeken wijzen uit dat komende decennia het aanbod in mantelzorg flink zal gaan dalen. Dit maakt het belangrijk om de sociale veiligheid van
38
•
•
de doelgroep te waarborgen door activiteiten en voorzieningen in de buurt aan te bieden en de doelgroep samen te laten komen. De VG-doelgroep wordt veel ouder en doet daarbij vaker een beroep op de ouderenzorg. Hier liggen kansen om de zorgvraag tussen zorgaanbieders te combineren, mits de partijen deze samenwerking organisch laten groeien. Er wonen nauwelijks VG-cliënten met een migratieachtergrond bij zorgaanbieders; zij doen wel een beroep op de dagbesteding. Ouders houden hun kinderen vaak langer thuis en organiseren een groot deel van de zorg binnen de familiekring. Bij zware gedragsproblematiek kloppen deze families doorgaans aan voor een beschermde woonplek. Voor de oudere VG-cliënt met een migratieachtergrond ligt door deze solidariteit in eigen kring een groter risico op eenzaamheid.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
39
5. Beschermd Wonen & MO Voor mensen met psychiatrische problematiek die behoefte hebben aan een beschermde woonplek bestaan verschillende regelingen in Nederland. Kortdurende behandeling en opname in een psychiatrische instelling wordt bekostigd vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Cliënten met een psychische aandoening die langdurig (meer dan 3 jaar) behandeld worden en verblijven in een GGZ-instelling, krijgen deze zorg en het verblijf vergoed vanuit de Wet Langdurige Zorg (Wlz). Het aantal verblijfsplekken voor deze groep is in de afgelopen jaren afgebouwd; veel van deze mensen hebben inmiddels een plek gevonden binnen de derde regeling: het Beschermd Wonen (BW), dat wordt gefinancierd uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Beschermd Wonen (BW) is een regeling voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen vanwege psychische en/of psychosociale problematiek en waarbij behandeling niet (meer) op de voorgrond staat. Vanuit de regeling wordt zowel de zorg als het verblijf bekostigd. Vanaf 2021 zal een deel van deze doelgroep weer aanspraak maken op zorg met verblijf vanuit de Wlz omdat zij ‘levenslang en levensbreed’ ondersteuning nodig hebben. De woon- en zorgvraag van deze doelgroep zal onder dit nieuwe financieringsregime niet wezenlijk veranderen. Deze transitie nemen we daarom niet mee in de prognoses. De gemeente Delft zal als regiogemeente vanaf 2021 verantwoordelijk worden voor het bieden van BW in de eigen gemeente. In dit onderzoek gaan we in op vraag en aanbod in de gemeente Delft. In dit hoofdstuk beschrijven wij eerst de woonwensen van mensen met een indicatie voor BW en geven we een beeld van de bestaande woonvormen voor deze groep. Vervolgens maken we een analyse van de ontwikkeling van de vraag naar plekken voor zorg met verblijf voor mensen met een indicatie voor 503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
BW en zetten we deze af tegen het bestaande aanbod. Ook gaan we in op de te verwachten jaarlijkse uitstroom vanuit deze voorzieningen naar reguliere woonruimte.
5.1 Woonwensen en woonvormen BW & MO Wensbeelden Voor de doelgroep BW & MO is er een gesprek gevoerd met circa 5 inwoners uit diverse woonvormen: intramuraal verblijf, begeleid wonen en begeleid zelfstandig wonen. Op basis van dit gesprek en onze ervaringen elders in het land herleiden wij de volgende kwalitatieve wensbeelden voor het wonen met zorg. Woning • Een enkele BW-cliënt spreekt een duidelijke behoefte uit aan het groepswonen, mits de slaapkamers ruim genoeg zijn. Zij delen graag voorzieningen met anderen vanwege de sociale interactie die dat meebrengt. Een zelfstandige woonsituatie is voor deze groep (nu) niet geschikt. Het groepswonen vereist wel toezicht om overlast tegen te gaan. • De meeste cliënten geven de voorkeur aan een eigen appartement met een aparte slaapkamer en eigen sanitaire voorzieningen. • Cliënten die momenteel gespikkeld wonen geven aan in een stabiele en goede situatie te wonen. Geluidsoverlast is hierin een aandachtspunt omdat dit de cliënten onrustig kan maken. Woonomgeving • BW-cliënten hebben doorgaans minder binding met buren of buurt. De sociaal aangelegde cliënt zoekt dit wél meer uit zichzelf op. Om sociale interactie te stimuleren is de nabijheid tot voorzieningen belangrijk. Daarbij gaat het voornamelijk om winkels, supermarkt, medicatie en een begeleidingspost. 40
Zorg en ondersteuning • De doelgroep heeft behoefte aan het ondernemen van (veel) activiteiten, zoals uitstapjes en dagbesteding. Hiervoor is niet altijd ruimte in de begeleiding om dit mogelijk te maken. • De begeleiding wordt gesplitst over verschillende taken. Zo kan een cliënt persoonlijke begeleiding ontvangen voor problematiek en begeleiding bij administratieve en/of huishoudelijke zaken. Sommige cliënten zouden dit liever minder verdeeld zien en over de verdeling zelf de regie hebben. • Continuïteit in de persoonlijke begeleiding wordt als zeer prettig ervaren. De cliënten zijn gebaat bij het creëren van een vertrouwensband. De zorgverlening speelt een cruciale rol in het welzijn van de persoon. Snelle en adequate zorgverlening is een belangrijk aspect in de woonervaring. • Een zorgplan helpt bij de ontwikkeling en het zelfstandiger worden door verandering te meten en vast te leggen, mits op het ontwikkelpad niet teveel tijdsdruk gelegd wordt.
Figuur 5.1: Voorbeelden Beschermd Wonen
Woonvormen Er is een grote variëteit aan woonvormen binnen BW: van groepswoningen waar de cliënten alleen een eigen slaapkamer hebben, tot geclusterde woonvormen waarin cliënten in een eigen appartement wonen en alleen als zij daar behoefte aan hebben gebruik maken van gemeenschappelijke voorzieningen. Er zijn in Delft ook enkele reguliere woningen waar mensen met een BW-indicatie wonen (‘gespikkeld wonen’); over het algemeen zijn deze gelegen in de nabijheid van een BW-voorziening. De illustraties hieronder geven een indruk van de variëteit aan woonvormen die vallen onder de noemer BW.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
5.2 Vraaganalyses Vraag naar Beschermd Wonen (BW) Ten tijde van juli 2019 hebben circa 275 mensen een indicatie voor Beschermd Wonen (BW) in de gemeente Delft (zie bijlage 4). Dit totaalcijfer beslaat alle PGB en ZIN-indicaties voor zowel Beschermd Wonen als begeleid wonen. We stellen vast dat het aantal BW-beschikkingen in recente jaren licht is gedaald. Dit beeld wordt herkend door de zorgaanbieders. Wij vermoeden dat dit het effect is van de ambulantisering van de zorg. De beschikking komt dan te vervallen en de zorg wordt dan betaald vanuit het WMO-begeleidingsbudget.
41
•
Middels een vragenlijst hebben wij bij aanbieders de wachtlijsten voor BW achterhaald. Volgens aanbieders staan er in totaal nog 24 mensen op een wachtlijst voor BW.6 Deze wachtlijst beschouwen wij als een aanvullende (uitgestelde) behoefte en zit reeds in de cijfers verwerkt onder de noemer ‘overbruggingszorg’. Momenteel ontvangen 53 BW-cliënten overbruggingszorg thuis. Deels zijn dit de wachtenden op een intramuraal verblijf (circa 20-25) en deels betreft dit mensen die thuis ambulante zorg ontvangen (circa 30). De onderstaande tabel toont de totale verwachte vraag naar BW volgens de prognose: een beleidsvrije, demografische doorrekening op basis van de huidige vraag.
•
Tabel 5.1: Basisprognose vraag naar BW (2019 - 2040)
Doorrekening (inclusief overbruggingszorg)
2019 275
2025 280
2030 280
2035 285
2040 285
Bron: Indicaties BW Delft, bevolkingsprognose en bewerking Companen.
Net als voor de andere doelgroepen is ook voor de doelgroep BW in het voorjaar van 2019 in een werksessie met aanbieders besproken welke trends van invloed zullen zijn op de toekomstige vraag naar BW-plekken. • Een belangrijke conclusie van deze werksessie is dat - in lijn met landelijke ontwikkelingen - ook in Delft een ontwikkeling wordt voorzien waarbij mensen met een psychische beperking vaker begeleid wonen, in plaats van in een instellingszorg. Dat betekent dat mensen minder snel zullen instromen in BW, maar ook dat een deel van de huidige bewoners in BW een deel versneld uitstroomt. • Er zijn volgens de zorgaanbieders kansen om het aantal plekken met 24uursbegeleiding in Delft te verkleinen, mits de oproepbare begeleiding
6 Het is mogelijk dat hier dubbelingen in zitten aangezien dezelfde persoon bij verschillende
aanbieders op een wachtlijst kan staan. De daadwerkelijke vraag kan daardoor iets lager uitvallen. 7 Berekend op basis van peildatum gegevens van de centrumgemeente (1 januari 2019).
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
(24/7 begeleiding thuis en binnen 30 minuten ter plaatse) goed wordt geregeld en er voldoende woonruimte beschikbaar is voor mensen die nu nog in een besloten instelling verblijven. De zorgaanbieders zien dit ‘beschermd thuis’ als een wenselijke tussenstap die de drempel naar zelfstandigheid verlaagt en goedkoper is dan verblijf in een BW-plek. Een andere ontwikkeling die van invloed kan zijn op de toekomstige vraag vatten we samen onder het ‘lokaal wonen’. Delft vangt, als regiogemeente, op dit moment een relatief groot deel van de regionale vraag naar BW op (circa 2,6 BW-cliënten per 1.000 inwoners7). De centrumgemeentefunctie die Delft nu vervult komt met ingang van 2021 te vervallen. De middelen voor BW, MO en Wmo 2015 begeleiding worden vanaf 2021 aan elke individuele gemeente beschikbaar gesteld. Als scenario nemen wij mee dat de vraag naar BW-plekken in de verschillende gemeenten in de regio meer verdeeld gaat worden naar rato van het aantal inwoners; het gat tussen het regionaal (circa 1,7 BW-cliënten per 1.000 inwoners8) en gemeentelijk gemiddeld aantal BW-cliënten (circa 2,6 BW-cliënten per 1.000 inwoners) wordt daarmee volledig gedicht in aanloopt tot 2031. In dat jaar loopt de zichttermijn voor spreiding van BW-voorzieningen af en zou de decentralisatie moeten zijn voltooid.
Dit betekent dat er minder plekken nodig zijn in de gemeente Delft en juist meer in de regiogemeenten in het Delfland.
Onderstaande tabel en grafiek toont de verwachte vraag in de verschillende scenario’s zoals hierboven toegelicht.
8
Een benadering op basis van regionale statistieken over het aantal cliënten in BW per halfjaar (1e en 2e helft 2018): https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2019/19/clienten-beschermd-wonen2018
42
Figuur 5.2: Scenario’s vraag naar plekken voor zorg met verblijf, BW (2019 - 2040)
administratieve wijziging geen gevolgen te hebben; we hebben het daarom niet meegenomen in de prognose. 9 Dit zal echter wel gevolgen hebben voor het budget voor de Wmo; de invoering zal financiële consequenties hebben voor de gemeente.
300 250 200 150
Kwalitatieve vraag
275 280 280 285 285
275 230
100
Uit de werksessie komt naar voren dat zorgaanbieders, gemeente en corporaties willen inspelen op de toenemende vraag naar gespikkeld wonen. Daarmee worden de conclusies uit het Dannenberg rapport10 omarmd. Momenteel bestaat het aanbod BW in de gemeente Delft echter uit intramurale voorzieningen (circa 80%).
190 185 185
50 0 Doorrekening 2019
2025
Scenario 'lokaal wonen' 2030
2035
Tabel 5.3: Aanbod Beschermd Wonen naar woonvorm
2040
Bron: Indicaties BW Delft, halfjaarcijfers BW-regio, bevolkingsprognose en bewerking Companen.
2019 275 275
2023 280 230
2028 280 190
2033 285 185
2040 285 185
Bron: Indicaties BW Delft, bevolkingsprognose en bewerking Companen.
De aanbieders in de regio wijzen erop dat, ook in een situatie waarin sterk wordt ingezet op doorstroming naar ‘tussenvormen’, een deel van de doelgroep aangewezen zal blijven op BW in een groepswoning. De kans is groot dat deze groep op termijn een beroep zal kunnen doen op de Wlz; zorg en verblijf worden dan niet meer betaald vanuit de Wmo, maar vanuit de Wlz. Voor de totale (getalsmatige) vraag naar beschermde woonplekken hoeft deze