Raadsbrief Delft en onderzoek Companen
Tekst van het document
9
Indicaties voor Wlz-zorg worden afgegeven door het CIZ. Het is op dit moment niet in te schatten of binnen de Wlz dezelfde toegangscriteria zullen gelden als de gemeente nu hanteert voor Beschermd Wonen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
BW
BW/BZW +
BW/BZW +
Begeleid
aantal
intramuraal
tussenvorm
tussenvorm
Zelfstandig
geclusterd
gespikkeld
Wonen
39
7
plekken
Tabel 5.2: Scenario’s vraag naar plekken voor zorg met verblijf, BW (2019 - 2040))
Doorrekening exclusief wachtlijst Scenario 'lokaal wonen’
Totaal
255
209
Bron: Aanbodinventarisatie Companen.
In aanvulling op de verwachte daling in de kwantitatieve vraag zien wij daarmee de volgende verschuivingen in de kwalitatieve vraag: • Om in te spelen op de veranderde woonwensen en woonvormen voor BW, strekt het tot de aanbeveling om binnen het geclusterd aanbod een deel van het intramurale aanbod te transformeren naar geclusterd begeleid wonen. Deze woonvormen sluiten beter aan bij de zelfstandige woonwens van een deel van het cliëntenbestand. Vanwege de toenemende
10
Commissie Dannenberg (VNG, 2015). Van beschermd wonen naar een beschermd thuis. Hierin wordt gesteld dat 33% tot 67% van het aantal plekken Beschermd Wonen met ambulante begeleiding thuis kan worden geboden in plaats van in een intramuraal verblijf.
43
•
zorgzwaarte onder BW-cliënten zal een groot deel echter aangewezen blijven op een intramurale verblijfsvorm. Om in te spelen op de conclusies uit het rapport Dannenberg, strekt het tot de aanbeveling meer gespikkelde (tussen)woonvormen te realiseren of beschermd thuis te realiseren. Enerzijds kunnen deze woonvormen voorzien in de behoefte van BW-cliënten die overbruggingszorg thuis ontvangen in afwachting van een passende woonvorm. Anderzijds is een deel van de huidige cliënten gebaat bij een gespikkelde, meer zelfstandige woonsituatie.
Vraag naar klinische GGZ Mensen met een psychiatrische achtergrond die behoefte hebben aan zorg met verblijf en daarnaast ook behoefte hebben aan behandeling, kunnen dit krijgen met een GGZ-B indicatie vanuit de Wlz. Sinds 2015 is het aantal plekken binnen de klinische GGZ verder afgebouwd van circa 55 tot 60 plekken naar circa 35 plekken (1 januari 2019). Dat is in lijn met de landelijke afspraken om het aantal bedden in de ‘klinische GGZ’ terug te brengen. De grote (landelijke) afbouw van de klinische GGZ geeft aan dat de grote extramuraliseringsslag inmiddels voorbij is; wie in staat werd geacht tot zelfstandig wonen, heeft over het algemeen in de afgelopen jaren de kliniek al wel verlaten. De achtergebleven populatie heeft een dusdanig zware problematiek dat de uitstroom in de komende jaren zeer beperkt zal zijn. Wij verwachten dat de afbouw van de klinische GGZ voltooid is en voorzien daarom geen aanvullende doorstroming van de klinische GGZ naar het Beschermd Wonen. De problematiek van mensen die instromen in het Beschermd Wonen is, mede door de afbouw van de klinische GGZ, wel zwaarder geworden. Cliënten keren vaker terug in het Beschermd Wonen nadat zij zijn uitgestroomd.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Figuur 5.3: Vraagprognose klinische GGZ, afgezet tegen bevolkingsgroei (2019 - 2040)
45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
140.000 40 35
120.000 100.000 80.000
103.595
108.370
111.255
113.645
115.840
60.000 40.000 20.000 0
2019
2025
2030
Aantal inwoners
2035
2040
Doorrekening
Bron: Indicaties DSW, bevolkingsprognose en bewerking Companen.
Op basis van de demografische ontwikkelingen in de gemeente Delft hebben we een doorrekening van de vraag naar GGZ-B opgesteld. De algehele bevolkingsgroei in Delft zorgt voor een gestaag stijgende vraag. Over een periode van 20 jaar verwachten wij een toename van 5 plekken.
Vraag naar Maatschappelijke Opvang Voor de Maatschappelijke Opvang en vrouwenopvang is bekend wat de huidige vraag is: mensen die worden opgevangen in deze verblijfsvormen doorlopen daarvoor eerst een intakegesprek bij de gemeente. Het kan echter zijn dat er meer mensen vraag behoevend zijn; in de nachtopvang kan men in de wintermaanden bij vriestemperaturen zonder gesprek bij de opvang terecht. • Op basis van onze inventarisatie onder aanbieders zijn er op dit moment 93 plekken voor MO/VO in de gemeente Delft. Dit is exclusief de 66 plekken in de nachtopvang (waarbij geldt: aanbod is vraag). De
44
onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende soorten opvang. In bijlage 3 lichten wij deze woonvormen nader toe. Tabel 5.4: Aanbod Maatschappelijke Opvang naar woonvorm
Aanbieder Perspektief
Siriz Totaal Totaal
Type opvang Nachtopvang Short stay Sociaal pension Gezinsopvang Gespikkelde gezinsopvang Vrouwenopvang Begeleid wonen jonge moeders Exclusief nachtopvang Inclusief nachtopvang
Aantal plekken 66 35 24 17 2 11 4 93 159
Wachtlijst Geen Circa 20 tot 40 8 Geen Geen Geen 0
* Eenmalige verleningen zijn mogelijk. De intentie blijft om door te stromen. Bron: Vragenlijsten, belrondes met Perspektief en gemeente Delft.
Naast bovengenoemde plekken biedt Perspektief ook zes overloopplekken voor crisisopvang in de kazerne bij Terneuzen aan. De plekken voor de nachtopvang zijn onbegrensd; bij aanvullende vraag worden er extra bedden verschaft. Toegang tot de MO Om een goed beeld van de actuele vraagdruk te krijgen moeten we naast het huidige aantal plekken (vraag die wordt voorzien) een beeld krijgen van de wachtlijsten (vraag die niet wordt voorzien). De gemeente geeft aan geen wachtlijst te hebben voor toegang tot MO. Bij toestemming van de gemeente krijgt de persoon verblijf in de nachtopvang. Vanuit deze opvang kunnen mensen vervolgens doorstromen naar een tijdelijke woonvorm waarin mensen met begeleiding gericht kunnen werken aan re-integratie op de reguliere woningmarkt. Voor deze woonvormen bestaat wél een (interne) wachtlijst;
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
wachtenden moeten deze wachttijd overbruggen in de nachtopvang, dat daarmee dient als een voorportaal tot doorstroming. Doorstromen vanuit de nachtopvang Doorgaans verblijven 40 tot 50 mensen in de nachtopvang, een woonvorm die bedoeld is als crisisopvang. In deze opvang kunnen we vijf groepen zorgvragers onderscheiden met elk een eigen doorstroomrichting: 1. Lichte zorgvragers. Deze groep wil graag doorstromen naar de short stay. Na de short stay woont 95% van deze groep weer zelfstandig. 2. Zware zorgvragers. Deze groep kan doorstromen naar BW. 3. Middelzware zorgvragers. Deze groep valt tussen ‘wal en schip’; de begeleidingsvraag is intensiever en langdurig. Deze groep gaat naar sociaal pension. 4. Vaste gebruikers. Een kleine groep die de nachtopvang als een ‘way of life’ gebruikt. 5. Vroegtijdige verlaters. De laatste groep zijn de wachtenden op doorstroming die tussentijds uitstromen richting zelfstandig wonen. Wachtlijsten • De omvang van de wachtlijst voor de short stay schommelt, mede door seizoensinvloeden, van circa 20 tot 40 mensen. Op basis van het aantal plekken en de gemiddelde verblijfsduur schatten wij dat er jaarlijks 25 tot 30 plekken vrijkomen. De wachttijd is daarmee lang. • De omvang van de wachtlijst voor het sociaal pension bedraagt momenteel 8 mensen, waarvan circa 5 ‘zuivere’ inschrijvingen voor het sociaal pension (er is overlap met de short stay).
Jaarlijks komen er circa 15 plekken vrij; de wachttijd is hiermee korter. • Voor vrouwenopvang wordt in principe geen wachtlijst gehanteerd omdat er landelijk samengewerkt wordt tussen de verschillende organisaties. Bij onveiligheid en plaatsgebrek moet/kan er elders in het land geplaatst
45
worden. Voor de gezinsopvang zijn alternatieve locaties voor crisissituaties beschikbaar. Prognose & trends Het maken van een prognose voor deze voorzieningen is lastig aangezien er naast demografie veel andere factoren van invloed zijn op de vraag; de toekomstige vraag naar MO-voorzieningen is onder meer afhankelijk van economische ontwikkelingen, beleidswijzigingen in de Wmo, Zvw en Wlz, ontwikkelingen in het aantal echtscheidingen, etc. Ook veranderingen in het aanbod kunnen van invloed zijn op de vraag: betere voorzieningen leiden wellicht ook tot meer vraag, betere ambulante begeleiding juist tot minder vraag naar MO-plekken. Ook de uitstroommogelijkheden zijn van invloed: als er meer mogelijkheden zijn voor uitstroom kan de verblijfsduur worden verkort en zijn dus minder plekken nodig voor hetzelfde aantal cliënten. De landelijke brancheorganisatie Federatie Opvang heeft om die reden ook geen prognose van de verwachte toekomstige vraag naar MO-voorzieningen. • Landelijk is een stijgende trend waarneembaar in het aantal mensen dat een beroep doet op de maatschappelijke opvang. Deze stijging is sterker dan de bevolkingsgroei in deze periode; ook relatief zijn er dus steeds meer cliënten die een beroep doen op de opvang. De Federatie Opvang verwacht dat de stijgende trend van de afgelopen jaren zal doorzetten, onder meer door de ambulantisering in de GGZ.
Landelijk is het aantal jongeren (18 tot 23 jaar) in de opvang de afgelopen jaren afgenomen, maar daarentegen zijn er wel steeds meer kinderen in de opvang. Er zijn ook signalen over een stijgend aantal dakloze gezinnen. • Voor de gemeente Delft hebben wij echter geen dergelijke signalen ontvangen. Navraag bij de gemeente leert dat de vraag naar MO stabiel is en dat blijkt, buiten schommelingen om, ook de tendens van de registratiegegevens ten aanzien van de instroom.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Tabel 5.5: Instroomgegevens Maatschappelijke Opvang (2015 - 2019)
Instroom
2015
2016
2017
2018
Aantal meldingen Meldingen van aantal unieke gezinnen Toestemming < 23 jaar > 23 jaar Geen toestemming
1.519
1.659
1.554
1.666
Prognose 2019 1.203
26
54
67
60
55
139 21 97 274
130 8 88 341
160 20 113 251
130 * * 278
122 * * 246
*Cijfers voor de leeftijdsverdeling in 2018 en verder zijn incompleet. Bron: Registratiegegevens MO gemeente Delft.
In de trendgegevens over het totaal aantal mensen in de regio Delft dat in de afgelopen jaren gebruik maakte van de maatschappelijke opvang, zien we dat het aantal toewijzingen stabiel blijft. De gemeente verwacht op basis van trendgegevens sinds 2005 dat de vraag naar MO zal afnemen op korte termijn. Zoals gezegd is een groot deel van de ontwikkelingen die de vraag op de lange termijn bepalen, lastig te voorspellen en/of te kwantificeren. Van de bevolkingsontwikkeling is echter wél een prognose beschikbaar. Als we alle andere factoren constant houden en alleen rekenen met de verwachte groei van de bevolking in de regio, dan verwachten wij dat het aantal benodige plekken op de lange termijn wél zal groeien van circa 90 in 2019 tot circa 105 in 2040. Het aantal cliënten zal op lange termijn blijven schommelen tussen de 130 en 170 cliënten. Daarentegen: als het lukt alternatieven te ontwikkelen voor de maatschappelijke opvang (voorkomen huisuitzetting, beter aanbod ambulante begeleiding, etc.) dan kan wellicht met een lager aantal plekken worden volstaan.
46
Kwalitatieve vraagontwikkeling Zorgprofessionals signaleren een toenemende vraag aan de short stay opvang binnen MO. Vanuit deze woonvorm stroomt 95% uit naar zelfstandig wonen. Dat is een erg hoog slagingspercentage. De behoefte aan deze opvang zien wij terug in de hoge wachtlijst en wachttijd voor deze opvang. Anderzijds zien we dat de gemiddelde verblijfsduur in de nachtopvang sterk afhankelijk is van de doorstroming (voornamelijk naar short stay). Op basis van deze twee constateringen concluderen wij dat er een prop zit in de doorstroming binnen de MO. Het aantal plekken in de short stay kan met 20 plekken worden uitgebreid en zal dan nog steeds een volledige bezetting draaien. Dit kan gepaard gaan met een afbouw van de nachtopvang. Een beter functionerende ‘ladder’ in MO zorgt voor een betere doorstroming richting zelfstandig wonen en een kortere verblijfsduur. Het aantal MO-cliënten met een langdurig verblijf is immers zeer beperkt.
5.3 Uitstroom uit BW & MO Beschermd Wonen is in principe bedoeld als tijdelijke vorm van wonen met zorg; na verloop van tijd zullen de meeste cliënten weer zelfstandig(er) gaan wonen met meer of minder intensieve begeleiding. Hoeveel mensen naar verwachting op jaarbasis zullen uitstromen en dus op zoek moeten naar alternatieve woonruimte is van veel factoren afhankelijk. Daarnaast kan ‘uitstroom’ vanuit BW in de praktijk verschillende dingen betekenen: •
•
Tabel 5.6: Verwachte jaarlijkse uitstroom in de twee vraagscenario’s BW (2019 - 2040)
2019
2025
2030
2035
2040
Doorrekening
70
70
70
70
70
Scenario 'lokaal wonen'
70
55
45
45
45
Bron: Vragenlijsten BW, indicaties BW Delft, bevolkingsprognose en bewerking Companen.
De uitstroom bedroeg in 2017 69 mensen en de uitstroom in 2018 liep op naar 74 mensen. De zorgaanbieders geven daarnaast aan dat er 11 mensen zijn die momenteel klaar zijn om uit te stromen, maar waarvoor nog geen woning is gevonden. Via een vragenlijst zijn de zorgaanbieders bevraagd over hun verwachtingen ten aanzien van de uitstroom van het huidige cliëntenbestand. • Op basis van de verwachtingen komen wij tot een lagere verwachte uitstroom (circa 50 mensen). Dit kan betekenen dat de uitstroom gevoelsmatig lager ligt dan in de praktijk het geval is, of dat de huidige cliënten langer zullen verblijven in BW. • Op basis van deze informatie schatten wij de jaarlijkse uitstroom in op circa 70 mensen, met de verwachting dat dit op termijn zal dalen. De huidige uitstroom blijft door extramuralisering en ambulantisering van de zorg nog hoog, maar zal na verloop van tijd met de regionale spreiding van het aanbod, ambulantisering van de zorg en de zwaardere zorgvraag binnen BW gaan afnemen.
Een cliënt verhuist vanuit een BW-instelling naar een zelfstandige woning of een appartement in een geclusterde woonvorm. In beide gevallen gaat de cliënt zelf huur betalen en wordt er ondersteuning geboden in de vorm van ambulante begeleiding. Een cliënt verhuist niet, maar de woonplek wordt ‘omgeklapt’: de BWindicatie vervalt en wordt vervangen door een indicatie voor ambulante begeleiding. De cliënt gaat voortaan zelf huur betalen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
47
Figuur 5.4: Uitstroom naar richting, gemeente en verwachte duur (op basis van 2017 - 2018)
•
5% Uitgestroomd naar zelfstandig wonen 45%
Uitgestroomd naar begeleid wonen Uitgestroomd naar overig
50%
Uitstroom binnen 1 jaar
•
25%
25%
Stroomt niet uit binnen 5 jaar
50%
5% 25%
Uitgestroomd naar andere gemeente in BW-regio Uitgestroomd naar overige gemeente
Bron: vragenlijsten zorgaanbieders, bewerking Companen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Uitstroom uit Maatschappelijke Opvang Wij beschikken niet over een complete set gegevens over de uitstroom in de verschillende MO-voorzieningen op jaarbasis. Een aanzienlijk deel van de doelgroep verdwijnt namelijk van de radar na een verblijf in MO. Er zijn wel beperkte gegevens beschikbaar van zorgaanbieder Perspektief. Op basis van die gegevens hebben wij een inschatting gemaakt van de jaarlijkse uitstroom. Omdat een lange verblijfsduur van enkele cliënten de gemiddelde verblijfsduur in een bepaald jaar enorm kunnen beïnvloeden, is een (ruwe) schatting gemaakt die is gebaseerd op 2017 en 2018 waarover gegevens zijn aangeleverd.
Binnen 2 tot 5 jaar
Uitgestroomd naar gemeente Delft
Als aan alle essentiële voorwaarden voor het bevorderen van de uitstroom wordt voldaan, kan volgens de aanbieders circa 25% van alle cliënten uitstromen binnen één jaar. De helft van de cliënten kan tussen de twee en vijf jaar uitstromen. Circa 25% van de cliëntenpopulatie is langdurig aangewezen op BW en zal in de toekomst waarschijnlijk toegang krijgen tot de Wlz. De uitstroomrichting is evenwichtig verdeeld over begeleid zelfstandig wonen en zelfstandig wonen. Dit betekent dat circa 35 mensen uitstromen naar zelfstandig wonen en circa 35 mensen uitstromen naar begeleid zelfstandig wonen. De meeste mensen stromen daarbij uit in de gemeente Delft (circa 50 mensen op jaarbasis).
70%
Op basis van het bovenstaande komen wij tot een inschatting van de jaarlijkse uitstroom vanuit de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang van 70 mensen (bij een gelijkblijvend aantal plekken). Het gaat hierbij zowel om uitstroom naar een zelfstandige woning als uitstroom naar een vorm van begeleid wonen (zonder MO-beschikking). Het aantal uitstromers van de nachtopvang zijn hierin niet meegenomen.
48
Uit de ervaring die we met voorgaande onderzoeken hebben opgedaan halen we de
Tabel 5.7: Uitstroom uit Maatschappelijke Opvang naar type opvang (2017 - 2018)
Type opvang
Plekken
Nachtopvang Short stay
66 35
Sociaal pension
24
Gezinsopvang Vrouwenopvang
19 11
Begeleid wonen jonge moeders Totaal
4
Verwachte verblijfsduur Onbekend Maximaal 1,5 jaar 100% stroomt uit tussen 0 en 2 jaar
Uitstroom in 2017
93
Verwachte uitstroom Onbekend Circa 25
14
Circa 15
volgende randvoorwaarden voor de uitstroom vanuit GGZ en MO. •
Voldoende goedkope woonruimte voor uitstromers. Het gaat hierbij om eenvoudige woonvormen variërend van zelfstandige geclusterde woonvormen, containerwoningen tot zelfstandige studio’s. Daarnaast kan er gebruik gemaakt worden van ‘omklapconstructies’ om de overstap naar zelfstandig wonen kleiner te maken; dit zijn constructies voor woningen waarbij het huurcontract in eerste instantie op naam van de zorgaanbieder staat, maar cliënten na enige tijd het
21 Maximaal 1 jaar Maximaal 1 jaar
Uitstroom in 2018 Onbekend Circa 25*
12 10
Circa 15 Circa 10
Circa 5*
Circa 5
66
Circa 70
* Schatting op basis van gesprekken met aanbieders
contract overnemen. •
Goede informatievoorziening aan zorgaanbieders over mogelijkheden om aan een woning te komen via een contingentenregeling, urgentieregeling, etc.; alleen dan kunnen zij hun cliënten goed begeleiden bij het vinden van een woning.
•
Werk/dagbesteding (om terugval te voorkomen).
•
Intensieve ambulante ondersteuning die 24/7 beschikbaar is (eventueel via beeldbellen, telefonische bereikbaarheid en vanuit samenwerking met andere
Bron: Vragenlijsten MO, bewerking Companen.
zorgpartijen vanuit zorgsteunpunt); bij voorkeur is er een doorgaande lijn in
Woonvormen voor uitstromers Niet alleen de uitstroomverwachting (hoeveel mensen stromen er uit en na hoeveel tijd) verschilt per type opvang en doelgroep, maar ook de randvoorwaarden om die uitstroom te realiseren (zoals woningtype en begeleiding). Perspektief geeft aan dat gezinnen vanuit de gezinsopvang naar een zelfstandige woonvorm (eengezinswoning van de corporaties) verhuizen. Na de vrouwenopvang gaan vrouwen richting begeleid wonen, evenals 95% van de bewoners van het Sociaal pension. Vanuit de short stay is de uitstroomrichting meer verdeeld. Jongeren hebben over het algemeen behoefte aan een kamer, al dan niet in een geclusterde woonvorm. Voor tienermoeders is meestal een speciaal aanbod nodig (begeleid wonen). Vanuit de dag- en nachtopvang stroomt een deel van de cliënten in het Beschermd Wonen.
begeleiding na uitstroom. •
Een ‘zachte landing in de buurt’ betekent ook dat er integrale afspraken moeten worden gemaakt met bijvoorbeeld de betrokken woningcorporatie, het wijkteam, de buren en politie; dit geeft omwonenden de zekerheid dat er goed omgegaan wordt met eventuele overlast en draagt daarmee bij aan draagvlak en tolerantie in de buurt.
•
De gemeente kan afspraken maken met corporaties (via prestatieafspraken) over het beschikbaar stellen van woningen en directe bemiddeling. Zorginstellingen kunnen cliënten attenderen op tijdig inschrijven, hetgeen het aantal directe toewijzingen kan beperken.
•
Het valt voor uitstromers uit BW niet mee om contact te leggen in de buurt. Hier is een rol weggelegd voor wijkcoaches (eenzaamheid voorkomen, netwerk opbouwen). Het contact met lotgenoten kan bevorderend werken voor de sociale integratie.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
49
5.4 Huisvestingsopgave Huisvestingsopgave Beschermd wonen Volgens de aanbodinventarisatie zijn er circa 255 BW-plekken in de gemeente Delft waarvan er momenteel enkele plekken leegstaan. Dit aanbod komt 20 plekken tekort voor de circa 275 mensen die nu een BW-indicatie hebben. In de praktijk zien wij echter geen grote druk op het huidige woningaanbod. Wij zien namelijk enkele redenen waardoor vraag en aanbod nader bij elkaar worden gebracht: • Een deel van de BW-cliënten (circa 5 tot 10) ontvangt Beschermd Wonen naar eigen wens aan huis. • Een deel van de BW-cliënten ontvangt via een PGB zorg en kan daarbij zorg ontvangen van kleinschalige aanbieders of ouderinitiatieven die wij niet in beeld hebben gebracht aan de aanbodkant. • Op basis van onze informatie schatten wij de huidige wachtlijst voor BW op 20 tot 25 mensen. Deze mensen ontvangt momenteel overbruggingszorg thuis in afwachting van toelating tot een BWwoonvorm. Bij een beter passend woningaanbod (bijvoorbeeld tussenvormen en uitstroom) voor de doelgroep kan de doorstroming worden bevorderd.
Richting de toekomst houden wij daarom rekening met een dalende vraag naar BW in Delft door een mogelijke herverdeling van de BW-vraag naar rato van het aantal inwoners. De onderstaande grafiek en tabel toont de vraagaanbodbalans voor BW in de twee verschillende scenario’s. Afhankelijk van de regionale herverdeling van plekken naar rato van het aantal inwoners (scenario lokaal wonen) kan er een overschot aan plekken ontstaan. •
Aan het begin van deze paragraaf stellen wij vast dat het tekort aan BW voornamelijk een kunstmatig tekort is. Wij raden aan dat de gemeente rekening houdt met een overschot van 70 woningen in de komende 20 jaar voor mensen met een behoefte aan geestelijke gezondheidszorg (Beschermd Wonen) door een verdere decentralisatie van het Beschermd Wonen in 2021-2031. De mate waarin dit overschot zal ontstaan is sterk afhankelijk van de ontwikkelingen in het werkveld. De dalende vraag biedt kansen om vrijkomend vastgoed in te zetten voor instromers op de wachtlijst of andere doelgroepen (VG, jeugd).
Figuur 5.5: Saldo vraag naar en aanbod van BW-plekken in verschillende scenario’s
-20 -20 -30
Tabel 5.8: Vraag naar en aanbod van plekken BW (afgerond op 5-tallen)
Doorrekening Scenario lokaal wonen
VraagAanbod 2019 -20
VraagAanbod 2025 -30
VraagAanbod 2030 -30
VraagAanbod 2035 -30
VraagAanbod 2040 -30
-20
20
60
70
70
Bron: Woonzorgweter Companen.
Sinds enkele jaren wordt er binnen de regio Delfland gesproken over meer spreiding van BW-locaties vanuit de centrumgemeente naar regiogemeenten.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
2019 2025
20
-30 -30 -30 -40
-20
2030
60
0 Doorrekening
20
70
2035
70
2040 40
60
80
Scenario 'lokaal wonen'
Bron: Woonzorgweter Companen.
50
Hoe de toekomstige vraag zich zal verdelen over de categorieën groepswonen, geclusterd wonen en gespikkeld wonen is moeilijk te voorspellen; hiervoor is het veld van BW te zeer in beweging. Wel zien wij een duidelijke ontwikkeling in de zorg en ondersteuning aan de BW-cliënten. Meer bewoners zullen de overstap maken naar zelfstandig wonen met oproepbare begeleiding. Hierdoor zal de zorgvraag van de ‘achterblijvers’ naar verhouding ‘zwaarder’ worden.
Huisvestingsopgave GGZ-B In het kader van dit onderzoek is geen aanbodinventarisatie gedaan onder aanbieders van klinische GGZ. Sinds 2015 is het aantal plekken binnen de klinische GGZ verder afgebouwd van circa 55 tot 60 plekken naar circa 35 plekken. Op basis van de forse afbouw van het aantal plekken concluderen wij dat het aanbod minstens gelijk zal zijn aan de vraag, die op haar beurt sterk afhankelijk is van landelijke toewijzingsregels. In algemene zin concluderen wij op basis van de demografische ontwikkelingen in de gemeente Delft dat er in 2040 een huisvestingsopgave ligt van 5 tot 10 plekken om in de stijgende vraag te voorzien.
5.5 Beleidsopgaven Tussenvormen realiseren met flexibele op- en afschaalbare zorg Uit de werksessie horen wij dat een aanzienlijke groep BW-cliënten een andere woning zoekt met een geschiktere woonomgeving. Vanuit een beschermde woonvorm is de stap naar begeleid zelfstandig wonen echter erg groot. Niet iedereen weet deze stap goed te maken. Een wenselijke oplossing is om meer diversiteit in het woningaanbod voor deze doelgroep te realiseren door meer tussenvormen toe te voegen. In deze doorstroomconcepten kan de begeleiding flexibel op- en afgeschaald worden. Daarbij geldt dat: • De organisatie (begeleiding, toezicht, etc.) rondom deze woonvormen stevig moet zijn om draagvlak in de wijk te krijgen en te behouden. • Bestaande locatie bij voorkeur getransformeerd worden naar ‘tussenvormen’. • Studentenwoningen kunnen ook voor de BW-doelgroep ingezet worden als gespikkelde woonvormen.
Inzetten op meer regionale spreiding van (uitstroom) BW Huisvestingsopgave Maatschappelijke Opvang Aanbod en vraag naar MO zijn in de gemeente, bij gebrek aan wachtlijsten, in balans. Echter zien wij dat de doorstroming vanuit de nachtopvang (het ‘voorportaal’ van MO) richting tijdelijke woonvormen stokt, met name wat betreft de short stay. Hierdoor verblijven mensen onnodig lang in de nachtopvang, hetgeen de gemiddelde verblijfsduur ophoogt. Er is momenteel een tekort van circa 20 plekken in de short stay en een overschot van circa 20 plekken in de nachtopvang. Voor de MO als geheel verwachten wij op basis van de demografische ontwikkelingen in de gemeente Delft dat er in 2040 een huisvestingsopgave ligt van circa 10 plekken om in de stijgende vraag te voorzien. De uitstroom zal als gevolg licht gaan toenemen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
In de BW-regio adviseren wij om in te zetten op meer regionale spreiding van BW-plekken en/of de uitstroom vanuit BW. Dit proces staat of valt met een goede samenwerking met de regionale partners. Daarbij ligt een geleidelijke herverdeling voor de vraag voorhanden, mits er genoeg (kleinschalige) locaties of zelfstandige woonruimten beschikbaar zijn in de regio en de gelden ook beschikbaar worden gesteld aan de regiogemeenten. Bij het spreiden van de vraag naar BW over de regio zien vertegenwoordigers van de regiogemeenten het ‘beschermd thuis’ (zelfstandig wonen met 24-uurs begeleiding oproepbaar) als oplossing voor het huisvesten van mensen met psychiatrische problematiek in de regio. Deze oplossing heeft de voorkeur boven het bouwen van nieuwe locaties.
51
Spreiding van de uitstroom over de wijken Bij de uitstroom op de reguliere woningmarkt krijgen BW-cliënten urgentie. Echter komen zij daarmee vaak in dezelfde wijken terecht omdat de goedkope woningvoorraad geconcentreerd is in dezelfde wijken. Daarmee wordt de problematiek ook in deze wijken geconcentreerd, hetgeen het draagvlak voor de uitstroom ondermijnt. In enkele wijken is het draagvlak voor de uitstroom daardoor miniem. Voor Delft ligt er daarom een opgave in het spreiden van woonvormen en de uitstroom over de wijken (zie bijlage 8; WoonZorgwijzer). De beleving van de wijk is hierin een belangrijke graadmeter.
Ouderinitiatieven onder druk
Meer doorstroming binnen de MO
Omschakelen naar een nieuwe ladder BW, MO & Jeugd
In de MO zien wij dat de short stay een steeds nadrukkelijkere en succesvolle rol speelt ten koste van de nachtopvang. In de short stay wordt met begeleiding nadrukkelijk gewerkt aan een herstel op de woningmarkt en dat uit zich in een hoog succespercentage (95% woont zelfstandig na een verblijf). De doorstroming vanuit de nachtopvang stokt nu echter wegens een tekort aan verblijfsplekken in de short stay. Het is onze aanbeveling om op korte termijn circa 20 plekken van de nachtopvang af te bouwen en om te zetten naar 20 plekken voor de short stay. Het is de vraag of dit kan binnen het huidige vastgoed of dat hiervoor alternatief vastgoed moet worden gevonden. Vrijkomende locaties binnen het BW zijn daarbij logische eerste mogelijkheden.
Het werkveld van BW, MO en Jeugd is sterk in ontwikkeling en raakt meer met elkaar verbonden door een toenemende focus op doorstroming. Begeleide woonvormen met flexibel opschaalbare zorg functioneren daarbij als ‘tussenstation’ voor of na het zelfstandig wonen. Als uitstromers uit Jeugdzorg met verblijf kunnen wonen in begeleide woonconcepten (paragraaf 6.5), kan (dure) instroom in BW of MO worden beperkt. De nieuwe aanpak vereist een omschakeling in denkwijze over in-en uitstroom en een intensievere samenwerking tussen (verschillende) zorgpartijen, gemeente en corporaties. Ook de BW-doelgroep wordt steeds ouder en doet daarbij vaker een beroep op ouderenzorg. Ook hier liggen kansen om de zorgvraag tussen zorgaanbieders te combineren.
De ontwikkeling van ouderinitiatieven voor BW staat onder druk. Ouderinitiatieven (met PGB-financiering) kunnen in Delft financieel niet of nauwelijks rondkomen met een PGB-beschikking. Daarnaast maken diverse ontwikkelingen de toekomst van ouderinitiatieven ongewis: • Ouderinitiatieven worden mogelijk ingedeeld onder zorg in natura. • Tijdelijke beschikkingen vormen een risico voor de continuïteit. • De openstelling van de Wlz voor een deel van de BW-cliënten.
Zachte landing in de wijk In de uitstroom is het van belang buurtbewoners te (blijven) betrekken en de buurt ook te wijzen op de goede voorbeelden onder uitstromers. Beeldvorming is een wezenlijk onderdeel van de landing in de wijk, waarbij geldt: wie goed doet, goed ontmoet. De aanwezige partijen (corporaties, zorgaanbieders, gemeente en welzijnsorganisaties) doen er goed aan om te blijven investeren in de wijk; het draagvlak stopt namelijk meteen als hier niet meer in geïnvesteerd wordt. Hierover moeten duidelijke afspraken bestaan.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
52
6. Kwetsbare jongeren De groep ‘kwetsbare jongeren’ die een specifieke vraag heeft op de woningmarkt is een heel diverse groep. Het gaat ten eerste om jongeren die (tussen hun 18e en 23e) uitstromen vanuit een pleeggezin of jeugdzorginstelling. Een deel van hen gaat vervolgens wonen in een zelfstandige woning of kamer, maar er zijn ook jongeren die doorstromen naar beschermd wonen (GGZ) of een vorm van begeleid wonen. Onder de groep ‘kwetsbare jongeren’ vallen echter ook jongeren die niet in een pleeggezin of jeugdzorginstelling zijn opgegroeid, maar ‘gewoon thuis’. Hun verstandelijke vermogens, psychiatrische problematiek en/of gedragsproblematiek maakt echter dat zij niet in staat zijn om direct zelfstandig te gaan wonen. Voor zover deze jongeren instromen in een instelling voor VG-zorg of beschermd wonen zijn ze in de vorige hoofdstukken al meegenomen en beschreven. In dit hoofdstuk nemen we alleen de groep mee die behoefte heeft aan een lichtere vorm van wonen met begeleiding (bekostigd vanuit de Wmo).
6.1 Woonwensen en woonvormen Er bestaat op dit moment een grote variëteit aan woonvormen voor jeugdzorg met verblijf. Ongeveer 70% van de kinderen met een beschikking voor jeugdzorg met verblijf woont in een pleeggezin. De rest woont in een gezinshuis of in een ‘residentiële setting’ zoals een behandelgroep. Er is een maatschappelijke trend zichtbaar van kleinschaliger opvang: minder in ‘instellingen in de bossen’ en meer in een zo normaal mogelijke gezinssetting – lees: een pleeggezin of gezinshuis. Voor de jeugd tot 18 jaar zijn er goede opvangmogelijkheden. Zij kunnen 24-uurszorg ontvangen in het groepswonen met gemeenschappelijke ruimtes. Hier wordt er voor hen gekookt en gezorgd. Na hun 18e jaar willen (en moeten) zij zelfstandig gaan wonen. Hier loopt deze groep echter vaak tegen financiële problemen aan. Jongeren krijgen meestal
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
geen Wajong meer en zijn daardoor aangewezen op studiefinanciering of de bijstand. Met deze inkomsten komt de jeugd moeilijk aan woonruimte; er is nauwelijks goedkope woonruimte beschikbaar en met een geringe inschrijftijd is het lastig aanspraak te maken op sociale huur. Door deze gebrekkige doorstroming belanden veel jongeren (tijdelijk) in het dure beschermd wonen. Een goedkopere oplossing zou zijn om met tijdelijke woonoplossingen (bijvoorbeeld containerwoningen) te voorzien in basale woonruimte voor deze groep.
6.2 De groep kwetsbare jongeren Als vertrekpunt voor de groep jongeren zijn de indicaties jeugdzorg per begin 2019 genomen, uitgesplitst naar pleegzorg versus overige soorten jeugdzorg (zie bijlage 5). In de gemeente Delft hadden 370 jongeren begin 2019 een indicatie voor jeugdzorg-met-verblijf. Hiervan verblijven circa 193 jongeren in de pleegzorg en circa 177 jongeren in de overige jeugdzorg (instellingszorg met behandeling). Op basis van de demografische ontwikkelingen in de gemeente Delft hebben we een doorrekening opgesteld van de vraag naar jeugdzorg-met-verblijf. We zoomen hiervoor in op de jongeren die jonger zijn dan 18 jaar. Zoals uit figuur 6.1 blijkt, zal de groep jongeren in de gemeente Delft in de toekomst groeien. Deze groei zorgt voor een stijgende vraag naar jeugdzorg-met-verblijf-plekken. Over een periode van 20 jaar verwachten wij een toename van 65 plekken.
53
500 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0
25000
435 370
20000 15000
16595
17630
18370
19000
19675
10000 5000
Aantal inwoners
Verblijfsplekken Jeugdzorg
Figuur 6.1: Demografische doorrekening jeugdzorgplekken
0 2019
2025
2030
2035
2040
•
• •
Astitel Aantal jongeren (<18)
Doorrekening
Bron: Bevolkingsprognose Delft, jeugdzorgregistratie Delft, bewerking Companen.
Bovenstaand figuur baseert zich op het aantal jeugdzorgindicaties. Om meer inzicht te krijgen in de groep kwetsbare jongeren hebben we een werksessie gehad met verschillende zorgaanbieders in de gemeente Delft. • Uit de werksessie met de gemeente en zorgaanbieders kwam naar voren dat de vraag naar jeugdzorg-met-verblijf op het moment groter is dan dat de indicatiecijfers aangeven. Momenteel zijn er 12 zwerfjongeren die in de maatschappelijke opvang zitten. Daarnaast zijn er ook ongeregistreerde zwerfjongeren. In de werksessie werd genoemd dat we het hebben over
11
Rijksoverheid, Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren 2019 - 2021. Hierin wordt onder andere het tekort aan passende woonruimte en/of zorg en het plegen van onvoldoende inspanningen op het gebied van voorkomen van dakloosheid benoemd. In het actieprogramma wordt via vijf actielijnen gewerkt aan de uitgangspunten.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
•
circa 25 zwerfjongeren in totaal. In het recent verschenen ‘Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren 2019 – 2021’11 van het Rijk wordt nadrukkelijk gevraagd om doorstromingsgerichte woonwerkconcepten te realiseren voor de dak- en thuisloze jongeren waarbij toezicht wordt gehouden. Er bestaat een aanvullende vraag naar verschillende woonvormen onder gereclasseerden. Ook bestaat er een groep jongeren die nu thuis woont en ambulante begeleiding krijgt maar eigenlijk een specifieke woonwens heeft. Tijdens de werksessie werd duidelijk dat er een grote behoefte is aan kamertrainingshuizen voor de groep kwetsbare jongeren. Vanuit de Jeugdzorg stromen jongeren voornamelijk uit naar een gemeente in de jeugdzorg-regio Haaglanden. Een iets kleiner deel stroomt uit in de gemeente Delft. Daarmee blijkt dat de regio een belangrijke functie heeft in het opvangen van uitstromende jongeren. We richten ons in het vervolg cijfermatig op het vervolgtraject na een verblijf in de jeugdzorg. Pleegjongeren die de volwassen leeftijd bereiken, worden over het algemeen geacht goed in staat te zijn om zelfstandig te wonen. De jongeren die uitstromen uit de overige jeugdzorg zullen vaker een beroep doen op het wonen met begeleiding.
Op basis van de werksessie met aanbieders en ontwikkelingen in het land komen wij tot een aantal trends en ontwikkelingen die relevant zijn voor de toekomstige vraag naar huisvesting voor jongeren die uitstromen uit jeugdzorg met verblijf:
Actielijn 4 gaat over Opvang en wonen, waarbij, in lijn met de Nationale Woonagenda, nadrukkelijk aandacht wordt gevraagd voor het lokaal creëren van een voldoende aantal passende en betaalbare woonruimten.
54
•
•
•
•
•
•
Kinderen en jongeren met een lichte verstandelijke beperking die geen toegang meer hebben tot de Wlz. Een groeiende groep valt na het jeugdzorgtraject tussen wal en schip: zij kunnen niet terecht in BW en ook niet bij de Klinische GGZ (afgebouwd aantal plekken). Deze groep komt soms in de maatschappelijke opvang terecht met veel schulden. Een aangesloten wooncarrière voor jongeren na hun jeugdtraject is van groot belang. Tot aan het regulier wonen met ambulante begeleiding moet er op deze ladder genoeg aanbod aan tussenvormen zijn om doorstroming te bewerkstelligen. De stap van groepswonen in de jeugdzorg naar het zelfstandig wonen of het beschermd wonen is in veel gevallen te groot. Voor de jeugd zijn een kamertrainingscentrum of groepswonen met een gemeenschappelijke ruimte wenselijke woonvormen. Voor sommige jongeren wordt kamertraining ingezet als een alternatief voor een betaalbare woning in de wijk. Jongeren zouden gebaat zijn bij het wonen in een gemengd, sociaal en doorstromingsgericht woon-werkconcept met toezicht. Hier kunnen GGZcliënten, jeugd en jongeren samenwonen tegen een lage huur, bijvoorbeeld in ruil voor een actieve bijdrage aan de gemeenschap.
Per 2020 verandert het woonplaatsbeginsel: op dit moment is het nog zo dat de gemeente waar een jeugdige verblijft verantwoordelijk is voor het bieden van jeugdzorg, maar vanaf 2020 ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente waar een jongere vandaan komt. De kans is groot dat gemeenten erop aan zullen sturen dat jongeren die afkomstig zijn uit hun eigen gemeente, dan ook vaker binnen de gemeentegrenzen worden opgevangen – dan hebben ze immers grip op de uitvoering van de jeugdzorg waar zij voor betalen. Recent is een bestuurlijke afspraak gemaakt tussen het Ministerie van VWS, Jeugdzorg en de VNG dat pleegzorg door kan lopen tot het 21 e jaar. Dit kan leiden tot een (tijdelijke) toename van de vraag naar plekken in een pleeggezin.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
6.3 Uitstroom De meeste jongeren stromen op hun 18e jaar uit vanuit jeugdzorg naar een andere vorm van wonen. Dit deel bestaat uit circa 80% tot 85% van de jongeren in de jeugdzorg van zeventien jaar of ouder. Een kleiner deel van deze groep maakt gebruik van de mogelijkheid van verlengde jeugdzorg en blijft langer in de bestaande setting wonen (pleeggezin of een andere vorm van jeugdzorg). Dit deel bestaat uit circa 15% tot 20%. Figuur 6.2: Uitstroom jongeren gemeente Delft
70 60 50 40 30 20 10 0
45
40
40
45
45
15
15
15
15
20
2019
2025
2030
2035
2040
Regulier wonen (Pleegzorg)
Bijzondere woonvorm (overige jeugdzorg)
Bron: Bevolkingsprognose Delft, jeugdzorgregistratie Delft, bewerking Companen.
Op basis van de demografische doorrekening en de aandelen binnen de groep kwetsbare jongeren waarvan wordt verwacht te gaan uitstromen, is de uitstroom voor de komende 20 jaar in beeld gebracht. Ook wordt er hier weer rekening gehouden met een groeiende groep jongeren in de gemeente Delft. Voor de komende jaren zal de uitstroom liggen tussen circa 55 en 65 jongeren per jaar. In 2019 zullen er 15 jongeren vanuit de pleegzorg kunnen uitstromen en circa 40 jongeren vanuit de overige jeugdzorg. Vanaf 2030 zal de uitstroom
55
voor de overige jeugdzorg iets groter zijn. De uitstroom vanuit de pleegzorg zal in 2040 iets stijgen. Het is niet zo dat jongeren die uitstromen allemaal een beroep moeten doen op beschermd wonen. Jongeren die uitstormen uit een pleeggezin worden vaak geacht goed in staat te zijn om zelfstandig te wonen in een reguliere woning. De jongeren uit de overige jeugdzorg zullen vaker een beroep doen op het wonen met begeleiding en behoefte hebben aan een bijzondere woonvorm zoals een kamertraining-woonconcept. Voor deze jongeren is het ook van belang dat woningen betaalbaar zijn, omdat zij minder in staat zijn inkomen te verzamelen. Samenvattend zouden er in de komende jaren 40 tot 45 jongeren kunnen uitstromen maar een woonplek met begeleiding en 15 tot 20 jongeren naar een reguliere woning (zelfstandig wonen).
twee groepen in beeld: 25 zwerfjongeren en 40 tot 45 uitstromende jongeren. Een deel van deze twee groepen zal naar een passende woonvorm als een kamertrainingsconcept willen doorstromen. Tevens zal een deel van gereclasseerde jongeren en thuiswonende jongeren ook een behoefte hebben aan een passende woonvorm. Om in de vraag naar passende woonvormen te voorzien zullen op het moment 30 woonplekken met begeleiding moeten worden gerealiseerd. Dit is de minimale ondergrens aan woonplekken waarmee de groep zwerfjongeren in ieder geval wordt ondervangen. Om naar de toekomst in de vraag naar passende woonvormen te blijven voorzien zullen er in 2040 35 in plaats van 30 woonplekken met begeleiding moeten worden gerealiseerd.
6.5 Beleidsopgaven De jeugdzorginstellingen zijn voor een deel van de jongeren een voorportaal voor de doorstroming naar VG en BW. Voor hen is de problematiek en zorgvraag zo groot dat zij een VG indicatie of BW beschikking krijgen. Een deel van de jongeren komt in de maatschappelijke opvang terecht. Jongeren die een te lichte problematiek en zorgvraag hebben om voor VG of BW in aanmerking te komen vallen ‘tussen wal en schip’. Voor hen is een passende woonvorm nodig waarin ze passende begeleiding kunnen ontvangen. Juist voor deze groep jongeren ligt er een huisvestingsopgave.
6.4 Huisvestingsopgave Vanuit verschillende hoeken bestaat er de vraag naar passende woonvormen met begeleiding voor jongeren. Deze vraag bestaat uit de huisvesting van zwerfjongeren, gereclasseerde jongeren, ambulant begeleide thuiswonende jongeren met een woonwens en jongeren die uitstromen vanuit instellingszorg van de jeugdzorg en tussen ‘wal en schip’ vallen. We hebben de aantallen van
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Hieronder zijn de belangrijkste beleidsopgaven op een rij gezet.
Win-win: Kamertrainingsplekken en gezamenlijke ‘pot’ De indruk bij zorgaanbieders is dat er behoefte is aan kamertrainingsplekken; niet alleen voor uitstromers, maar ook voor jongeren die nog bij hun ouders wonen. Zij geven aan dat - bij gebrek aan dergelijke voorzieningen - sommige jongeren langer bij hun ouders blijven dan goed voor hen (en hun ouders) is. De uitstromende jongeren zijn ook gebaat bij kamertrainingsplekken waar ze goed op weg worden geholpen om uiteindelijk zelfstandig te gaan wonen. Wanneer de jongeren uitstromen beschikken ze vaak over weinig inkomsten tot hun 21e jaar, en kunnen ze zonder verdere financiële ondersteuning nauwelijks zelfstandig gaan wonen. Dit geeft een opdrijvend effect naar de vraag naar beschermd wonen. Wij adviseren het opstellen van een gezamenlijke ‘pot’ voor tijdelijke overbrugging van de huur voor jongeren onder de 23 jaar. Dat zal een flinke kostenbesparing opleveren. De kosten voor
56
huur van de woning en ambulante begeleiding zijn immers veel lager dan de kosten voor beschermd wonen. Inzet op de realisatie van meer kamertrainingsplekken en een gezamenlijke ‘pot’ kan leiden tot lagere kosten binnen Beschermd Wonen en de Maatschappelijke Opvang en betere doorstroming van jongeren vanuit de jeugdzorg naar zelfstandig wonen.
jongeren zijn na hun 18e vrij om hulp te weigeren en er zullen dus jongeren blijven die in de problemen komen. Het feit dat zij na hun 18 e jaar een eigen bijdrage voor hulp moeten betalen, vormt hierbij een extra drempel.
Doorstroming na de Jeugdzorg Het strekt tot aanbeveling om als experiment een gemengd, sociaal en doorstromingsgericht woon-werkconcept te realiseren waarbij toezicht wordt gehouden. In het recent verschenen ‘Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren 2019 - 2021’ van het Rijk wordt hier eveneens nadrukkelijk om gevraagd12. Te denken valt aan woonvormen voor een mix van leeftijdsgroepen of doelgroepen, waar ook niet-zorgvragers wonen. Het verdient aanbeveling om te kijken naar voormalige kantoorpanden, verzorgingshuizen of studentenpanden om dergelijke woonvormen te realiseren. Het is wel belangrijk om hierbij oog te hebben voor de juiste mix: diversiteit is belangrijk om te zorgen voor voldoende ‘dragers’ naast de ‘vragers’, maar een mix van jongeren en ouderen kan met het oog op ervaren overlast ook lastig zijn.
Verruimen verlengde jeugdzorg Een deel van de jongeren met een behoefte aan langdurige woonbegeleiding vanwege hun problematiek komt niet in aanmerking voor beschermd of begeleid wonen en ‘verdwijnt van de radar’. Deze groep jongeren gaat zwerven, komt op latere leeftijd in de psychiatrie terecht of komt in aanmerking met justitie. Verruiming van de mogelijkheden voor verlengde jeugdzorg kan de kans dat jongeren na hun 18e jaar tussen wal en schip belanden verkleinen. Het oprekken van de leeftijdsgrens lost overigens niet alle problemen op;
12
Rijksoverheid, Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren 2019 - 2021. Hierin wordt onder andere het tekort aan passende woonruimte en/of zorg en het plegen van onvoldoende inspanningen op het gebied van voorkomen van dakloosheid benoemd. In het actieprogramma
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
wordt via vijf actielijnen gewerkt aan de uitgangspunten. Actielijn 4 gaat over Opvang en wonen, waarbij, in lijn met de Nationale Woonagenda, nadrukkelijk aandacht wordt gevraagd voor het lokaal creëren van een voldoende aantal passende en betaalbare woonruimten.
57
7. Uitstroommogelijkheden op de reguliere woningmarkt Voor uitstromers uit Beschermd Wonen, Jeugdzorg en opvangvoorzieningen geldt dat de overgang naar een eigen woning in veel gevallen valt te beschouwen als (opnieuw) een stap naar een zelfstandig leven, met alle bijkomende verantwoordelijkheden en vraagstukken. De kwetsbare uitstromers hebben hierbij vaak behoefte aan ondersteuning en begeleiding. Het passend huisvesten van deze mensen valt of staat met de mogelijkheid om ze op een goede en duurzame manier te ondersteunen in hun dagelijks leven. Deze ondersteuning kan worden geboden vanuit professionals, maar soms ook vanuit het eigen netwerk. Ook speelt de woonomgeving een belangrijke rol. Vooral voor de zorgdoelgroepen moet een zorgvuldige afweging gemaakt worden als het gaat om de woonlocatie. Alles moet erop gericht zijn de kans op terugval te minimaliseren. Denk bijvoorbeeld aan BW-cliënten die baat hebben bij een prikkelarme omgeving of aan jongeren die buiten bereik van verslavingsgevoelige plekken moeten blijven. Een passende woonkwaliteit is afhankelijk van meerdere factoren. Een belangrijke factor is de problematiek waarmee mensen te maken hebben. De problematiek is voor ieder persoon net weer anders en vergt daarom maatwerk per persoon.
In onderstaand figuur wordt inzichtelijk gemaakt in welke wijken de goedkope en betaalbare corporatiewoningen staan. • Het grootste aantal goedkope en betaalbare woningen staan in de wijk Buitenhof. In de wijken Tanthof-West en Vrijenban staan de meeste goedkope woningen (tot € 424). De corporaties hebben bijna geen goedkoop of betaalbaar woningbezit in de wijk Schieweg. • Uitstromers kunnen goed in verschillende wijken van Delft terecht. Vrijenban is een wijk waar uitstromers kans maken om zowel goedkoop als betaalbaar te kunnen wonen. Buitenhof is een aangewezen wijk doordat er in totaal het meeste aanbod staat. In Tanthof-West kan men terecht voor een goedkope woning. Omdat er bijna geen aanbod van de corporaties staat in de wijk Schieweg, is uitstromen naar deze wijk minder kansrijk. Figuur 7.1: Sociale voorraad van corporaties uitgesplitst naar huurprijsklassen
Binnenstad
Buitenhof Hof van Delft Schieweg Tanthof-Oost Tanthof-West Voordijkshoorn Voorhof
7.1 Geschikte corporatiewoningen
Vrijenban Wippolder
Uitstromers vanuit instellingen hebben behoefte aan goedkope woonruimte. In de gemeente Delft zijn er 2.383 goedkope sociale huurwoningen met een huur onder de kwaliteitskortingsgrens (tot € 424) en nog eens 6.278 woningen met een betaalbare huur (€ 424 tot € 607).
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
0
200
400
Streefhuurprijs tot €424
600
800
1000
1200
Streefhuurprijs €424 - €607
Bron: Gegevens van woningcorporaties Woonbron, Vestia en Vidomes.
58
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
59
7.2 Mutaties Om zicht te krijgen op eventuele tekorten volstaat het niet om te kijken naar het aantal aanwezige woningen in een bepaalde prijsklasse; minstens zo belangrijk is het aantal woningen dat op jaarbasis beschikbaar komt voor een nieuwe huurder. Daarmee kunnen we een beeld opstellen van de druk op de huursegmenten. • In 2017 werden er in Delft circa 235 aangeboden met een goedkope huur (tot aan € 424). In de prijsklasse € 424 tot € 607 kwamen in 2017 circa 565 woningen vrij. In 2018 kwamen er circa 345 woningen met een goedkope en 380 woningen met een betaalbare huur vrij13. • In totaal kwamen er minder woningen vrij in 2018. In verhouding kwamen er in dit jaar wel meer goedkope woningen vrij in vergelijking met 2017; de soort woningen die het meest aantrekkelijk zijn voor uitstromers. • De gemeente verwacht dat er in de toekomst meer woningen zullen vrijkomen in het goedkope en betaalbare segment in de sociale huur door een toenemende mutatiegraad. Daartegenover staat het gegeven dat het aantal huishoudens in de toekomst in de gemeente Delft ook zal stijgen door de bevolkingsgroei. Daarmee zal de vraag naar sociale huur ook groter worden en zal een zekere druk op de sociale huur blijven bestaan.
•
•
•
•
De verwachte jaarlijkse uitstroom van jongeren naar begeleid wonen (bijvoorbeeld kamertrainingscentrum of gezinshuis) bestaat uit circa 40 tot 45 personen. Hiervan zal een deel doorstromen naar een VG- of BW-plek. Wij verwachten dat er van deze groep jaarlijks een groep van circa 30 jongeren een beroep wil doen op een goedkope huurwoning in een doorstroomconcept (met toezicht/begeleiding). Jongeren stromen vaker in de regio Haagland uit dan in de gemeente Delft. Van de doelgroep BW wordt verwacht dat er jaarlijks circa 70 personen kunnen uitstromen. Van de 70 personen stroomt 70% (50 personen) uit in de gemeente Delft en stroomt 30% (20 personen) uit in regio Haagland. Vanuit de maatschappelijke opvang kunnen jaarlijks circa 70 huishoudens uitstromen. De verschillende woonbehoeften van subgroepen binnen de MO hebben invloed op waar personen kunnen uitstromen. Uitstromers vanuit de gezinsopvang, vrouwenopvang of opvang voor jonge moeders stomen eerder uit in de regio dan in de gemeente Delft door hun behoefte aan grote(re) woningen. Voor uitstromers uit sociaal pension of short stay speelt de grootte van de woning een kleinere rol waardoor ze meer kans hebben een geschikte woning binnen de gemeente Delft te vinden. Daarmee bestaat de totale groep die jaarlijks uit zou kunnen stromen vanuit Delftse zorginstellingen uit circa 180 tot 185 personen binnen de gemeente of de regio.
7.3 Druk op de sociale huur De jaarlijks vrijkomende goedkope huurvoorraad is een segment waar de nodige druk op staat; de meest kwetsbare inwoners van Delft maken hier namelijk aanspraak op. Deze groep is divers en omvangrijk. Vanuit het wonen met zorg gaat het daarbij voornamelijk om vraag vanuit de volgende doelgroepen:
Theoretisch gezien zou de groep uitstromers goed terecht kunnen in de goedkope sociale huur. In praktijk zijn de uitromers vanuit verschillende woonzorgplekken niet de enige groep voor wie de goedkope en betaalbare sociale huur bereikbaar zou moeten zijn. Zo heeft de groep concurrentie van de andere doelgroepen binnen de sociale huur. Denk hierbij aan huishoudens met lage inkomens, statushouders en spoorzoekers. De druk op het goedkope en betaalbare segment van de sociale huur wordt tevens groter door een
13 Bron: Verhuurgegevens van de corporaties: Woonbron, Vestia en Vidomes (jaren 2017 en 2018).
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
60
sterkere inzet op extramuraliseren en lokaal uitstromen. In de werksessie werd gesuggereerd dat de woningcorporatie DUWO en/of andere studentenhuisvesters wellicht ook wat zou kunnen betekenen voor de uitstromende groep, met name personen die vanuit BW uitstromen. DUWO zou studentenwoningen aan kunnen bieden voor de ggz-doelgroep als gespikkelde woonvorm.
7.4 Beleidsopgave uitstroommogelijkheden Let op de spreiding om sociale inclusie te waarborgen De ongelijke verdeling van de goedkope voorraad over de deelgebieden brengt het risico met zich mee dat kwetsbare groepen onevenredig vaak terecht komen in de wijken waar veel sociale huurwoningen aanwezig zijn. In het kader van dit onderzoek is geen enquête gehouden onder (potentiële) uitstromers om in kaart te brengen in welke wijk zij het liefste zouden willen wonen; wij vernemen echter dat men vaak wil terugverhuizen naar een vertrouwde omgeving, waar het gemakkelijker is om een sociaal netwerk te vormen. Dat kan de wijk van herkomst zijn of dichtbij de huidige woonomgeving. In het faciliteren van de uitstroom is het wenselijk hier aandacht voor te hebben.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
61
Bijlage 1: Aanbodoverzicht Aanbod voor ouderen Zorgaanbieder/corporaties Dagelijks Leven Zorg Stichting Zorginstellingen Pieter van Foreest Vidomes Habion Woonbron Vestia Totaal
Totaal aantal plekken
Geclusterd wonen met zorg: PG
22
22
660
322
700 137 1.391 290 3.200
344
Geclusterd wonen met zorg: Somatische zorg
Tijdelijke zorg
Geclusterd aanbod met zorg nabij
Geclusterd aanbod voor senioren zonder zorg
206
4
60
68
154
546 137 1.097 74 1.922
206
294 216 724
4
Aanbod voor verstandelijk beperkten ZorgAanbieder
Totaal aantal plekken
Geclusterd aanbod groepswonen/ instellingszorg
Geclusterd aanbod in een ‘tussenvorm’
Gespikkeld aanbod begeleid wonen
39 313 352
39 199 238
70 70
44 44
Geclusterd aanbod in een ‘tussenvorm’
Gespikkeld aanbod begeleid wonen
Stichting Philadelphia Zorg Ipse de Bruggen Totaal
Aanbod voor lichamelijk beperkten Zorgaanbieder Gemiva-SVG Totaal
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Totaal aantal plekken 21 21
Geclusterd aanbod groepswonen/ instellingszorg 21 21
62
Aanbod aan Maatschappelijke opvang Aanbieder Perspektief
Siriz Totaal Totaal
Type opvang Nachtopvang Short stay Sociaal pension Gezinsopvang Gespikkelde gezinsopvang Vrouwenopvang Begeleid wonen jonge moeders Exclusief nachtopvang Inclusief nachtopvang
Aantal plekken 66 35 24 17 2 11 4 93 159
Aanbod aan Beschermd Wonen
Zorgaanbieder Limor Jados (Stumass) Stichting Zorginstellingen Pieter van Foreest Perspektief GGZ Delfland Totaal
Totaal aantal plekken
BW intramuraal (24/7 toezicht en zorg
BW/BZW + tussenvorm geclusterd (24/7 zorg oproepbaar)
5 38
BW/BZW + tussenvorm gespikkeld (24/7 zorg oproepbaar) 5
Begeleid Zelfstandig Wonen (geplande zorg, maar met mogelijkheid van opschalen)
38
24
24
163 25 255
163 22 209
1 39
2 7
Aanbod aan Jeugdzorg met verblijf Zorgaanbieder Jeugdformaat Totaal
Totaal aantal plekken 23 23
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
Geclusterd aanbod groepswonen/ Instellingszorg 13 13
Geclusterd aanbod in een ‘tussenvorm’ 8 8
Gespikkeld aanbod begeleid wonen 2 2
Plekken in een pleeggezin
63
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
64
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
65
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
66
Bijlage 2: De Doorzonscan De Doorzonsscan is een beproefd meetinstrument waarmee gemeenten en woningcorporaties op een snelle manier kunnen achterhalen welk deel van de woningvoorraad al geschikt is voor mensen met een functiebeperking en welke woningen met een kleine ingreep geschikt te maken zijn. Iedere woning wordt op basis van een aantal kenmerken van de woningen (bouwjaar, oppervlakte en woningtype) ingedeeld in één van de categoriën. Hieronder staan de kenmerken waaraan woningen moeten voldoen om een specifieke kwalificatie te krijgen. Geschikte woning Alle primaire voorzieningen (slaapkamer, woonkamer, toilet, badkamer en keuken) liggen gelijkvloers of zijn zonder traplopen bereikbaar. De woning is geschikt voor bewoners met geringe beperkingen bij het lopen, die als hulpmiddelen eventueel wandelstok of kruk(ken) gebruiken. De woningen voldoen aan tenminste één van de volgende kenmerken: • woning is aangemerkt als seniorenwoning of nultredenwoning; • appartementen/(galerij)flats (als deze over een lift beschikken); • (semi)bungalows, woonboerderijen.
• • •
inhoud14 bij koopwoning is groter dan 350 m3 en gebouwd na 1965; inhoud bij huurwoning is groter dan 300 m3 en gebouwd na 1980; geschakelde woning.
Niet-geschikte woning De overige woningen zijn als niet-geschikt aangemerkt; deze woningen zijn vermoedelijk ook niet (eenvoudig) geschikt te maken. De beoordeling van de woningvoorraad op geschiktheid op basis van wozgegevens is een inschatting. Bezoek aan een woning zelf moet uitwijzen of de inschatting ook juist is. Daarnaast geeft de analyse uitsluitend inzicht in de kenmerken van de woning. Het is denkbaar dat ouderen de woning niet meer geschikt vinden omdat bijvoorbeeld het onderhoud van de woning of de tuin teveel wordt, of dat men dichter bij voorzieningen wil wonen; een woning die volgens de analyse ‘geschikt’ is kan in de beleving van de bewoners dan minder geschikt zijn. Andersom kan het zo zijn dat in een woning die volgens de analyse ‘potentieel geschikt’ is inmiddels al aanpassingen zijn gedaan (zoals de installatie van een traplift, of de drempels verwijderd). Hier kom je echter alleen achter door de woning daadwerkelijk te bezoeken. Daar wordt in deze analyse geen rekening mee gehouden.
Potentieel geschikte woning Potentieel geschikte woningen zijn woningen die met relatief beperkte middelen geschikt te maken zijn. Hierbij is te denken aan het installeren van een traplift, of het verlagen of weghalen van drempels. Deze woningen voldoen aan de volgende criteria: • eengezinswoning, is gebouwd na 1998; 14
Uit landelijk onderzoek is gebleken dat er een relatie is tussen de inhoud en de potentiële geschiktheid van woningen.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
67
Bijlage 3: Afkortingen en begrippen •
• •
•
• • • •
•
•
Ambulantisering (GGZ): afbouwbeleid van intramurale zorg. Een deel van de GGZ-Cliënten die voorheen zorg met verblijf in een instelling kregen, worden voortaan ambulant begeleid in hun eigen woning. AWBZ: Algemene wet bijzondere ziektekosten. Is per 1 januari 2015 opgeheven. Langdurig verblijf is sindsdien opgenomen in de Wlz. BW: Beschermd Wonen (GGZ). Wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding. Beschermd Wonen is binnen de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening. Vóór 1-1-2015 maakte het deel uit van de AWBZ en heette het GGZ-C. Extramuralisering: het streven om buiten de muren van een zorginstelling gelijkwaardige zorg te bieden, bijvoorbeeld in de eigen woning. Anders dan bij ambulantisering gaat het niet zozeer om individuele cliënten vanuit een instelling in de wijk te laten wonen, maar dat nieuwe cliënten minder snel worden opgenomen in een instelling. GGZ: Geestelijke gezondheidszorg. Betreft zowel de klinische zorg (Zvw), langdurige zorg (Wlz) als Beschermd Wonen (Wmo). LVB: Licht verstandelijk beperkt. MPT: Modulair Pakket Thuis. Verstrekkingsvorm Zorg in Natura: een deelverstrekking die kan worden gecombineerd met het PGB. MO: Maatschappelijke opvang. Tijdelijke huisvesting van kwetsbare mensen, waaronder daklozen, jonge moeders of slachtoffers van huiselijk geweld.
PGB: Persoonsgebonden budget: een verstrekkingsvorm in de Wet langdurige zorg en Wmo waarbij de cliënt of diens vertegenwoordiger het budget beheert. Prestatieafspraken: Afspraken tussen gemeenten, woningcorporaties en huurders-vertegenwoordigers zoals bedoeld in de Woningwet.
503.108 | Onderzoek ‘Langer en Weer Thuis’
• • • • • •
Scheiden wonen en zorg: Cliënt betaalt zelf de huur en de kosten voor levensonderhoud (“hotelkosten”). VG: Verstandelijk gehandicapt/beperkt. VPT: Volledig Pakket Thuis. Verstrekkingsvorm Zorg in Natura: een totale verstrekking die thuis kan worden geleverd. Wlz: Wet Langdurige Zorg. Wmo: Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Zvw: Zorgverzekeringswet.
Woonvormen Ouderen • Geclusterde woonvormen: een uiteenlopend palet aan woonvormen, van instellingszorg in groepswoningen tot geclusterde appartementen, hofjeswoningen of zorgboerderijen. • Geclusterd wonen zonder zorg (aanwezig): het aanbod geclusterd wonen zonder zorg kent veel variatie op verschillende vlakken. Variatie in de woonvorm: van hofjes tot flats. Variatie in de omvang van de complexen: van circa 20 tot circa 200 woningen in één complex. Als laatste bestaat er veel variatie in de aanwezigheid van gemeenschappelijke faciliteiten zoals de aanwezigheid van een buitenruimte, recreatieruimte, voorzieningen in de nabijheid, een huismeester of een alarmeringssysteem. Het zijn met name de faciliteiten die een woonplek tot een beschutte woonplek maken. • Geclusterd wonen met zorg nabij: beschutte woonvorm waarbij de bewoner een eigen appartement of studio heeft met voorzieningen, dat zich in de nabijheid van een woonzorgcentrum bevindt. Bewoners kunnen een beroep doen op de medische en sociale voorzieningen van het centrum. De sociale interactie binnen en buiten de cluster staat voorop. De woningen zijn geschikt voor mensen met een lichte of middelzware zorgvraag.