Bijlage 5a - Toelichting OBP Ypenburg-Nieuwe Veen 2020
Tekst van het document
Enerzijds is dan ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het bedrijf voldoende zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend.
CroonenBuro5
21
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
4.4.2
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Omgevingstype In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Voor woningen in een ‘gemengd gebied’ mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In de volgende tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstanden weergegeven. milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.4.3
richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het plangebied bestaat uit diverse functies. Naast de nadrukkelijke woonfuncties langs het bebouwingslint Veenweg, de hoven en de woonbuurten bevinden zich enkele andere grotere functies. Binnen het plangebied bevinden zich een voetbalvereniging met een sporthal, een kerk inclusief begraafplaats en een hotel. Daarnaast bevindt zich buiten het plangebied het bedrijventerrein Oostambacht. Op dit bedrijventerrein geldt voor enkele bedrijven een maximale milieucategorie van 3.2. Deze bedrijven bevinden zich in de richting van de A12. De rest van de bedrijven hebben een milieucategorie 3.1 of lager. Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie waarin de bestaande situatie wordt vastgelegd. Het realiseren van nieuwe woningen naast bestaande bedrijven en het realiseren van nieuwe bedrijven naast bestaande woningen en andere hindergevoelige functies is niet mogelijk.
4.4.4
Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan waarin de feitelijke situatie wordt vastgelegd. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen planologisch mogelijk gemaakt. Er worden geen hinderlijke bedrijfsactiviteiten of gevoelige objecten planologisch toegevoegd binnen het plangebied. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’.
CroonenBuro5
22
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Inleiding
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
In dit hoofdstuk EV wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij het bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico’s die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.
4.5.2
Normstelling en beleid Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico’s bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour).
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (Juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico’s geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4).
De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen
CroonenBuro5
23
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.
Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen, zoals in onderhavig geval een school. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na in werkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt. Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking.
Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid).
Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Dit besluit moet individuele en groepen burgers een basisbeschermingsniveau garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een inrichting. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi. Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–5 per jaar, met de kans op
CroonenBuro5
24
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–9 per jaar. Verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit is van toepassing op de vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro.
Basisnet Voorheen werd het beoordelingskader gevormd door de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Dit is veranderd met het van kracht worden van het Basisnet, op 1 april 2015. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in PijnackerNootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Gevaarlijke stoffen vervoeren is risicovol en zorgt dus voor beperkingen aan de ruimtelijke ordeningskant. Er zijn namelijk regels om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden.
Aan dit beschermingsniveau wordt voldaan als het risico vanuit het vervoer niet hoger ligt dan wat maatschappelijk acceptabel is. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden. Vanuit de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt, Stb. 2013, nr. 4675) ontstaan. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Voor vervoersassen wordt een risicoplafond vastgesteld. Het risico dat wordt veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen zal in de toekomst niet meer ongelimiteerd zijn. Ook zijn PR 10 -6 contouren vastgelegd in de vorm van een gestandaardiseerde risicocontour, een veiligheidszone genoemd. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr. 8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr.
4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Het PAG is een
CroonenBuro5
25
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
extra verantwoording bij het bouwen van kwetsbare objecten binnen dit gebied en wordt uitgevoerd naar analogie van de verantwoording van het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde; rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10– 8 per jaar; Verantwoording groepsrisico? Het Bevt schrijft voor dat voor alle ruimtelijke plannen binnen de invloedssfeer van een transportroute aandacht moet worden geschonken aan: 1. Mogelijkheden tot voorbereiding van het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2. Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten.
Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is dient ook aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten: 3. Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 4. Hoogte van het groepsrisico; 5. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (zowel bronmaatregelen als ruimtelijke maatregelen); 6. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (alternatieve locaties) met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1984 wordt er getoetst aan circulaire Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen (1984) en vanaf 1991 ook aan de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie. Sinds 1 januari 2011 zijn beide circulaires vervangen door het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de buisleidingexploitant en de gemeenten. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Milieukwaliteitseisen & maatregelen en hoofdstuk 9 Stoffen & producten) en de Wet ruimtelijke ordening (hoofdstuk 3 Bestemmings- en inpassingsplannen, hoofdstuk 4 Algemene regels & specifieke aanwijzingen). De normstellingen zijn in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen
CroonenBuro5
26
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
(Bevi). Vanaf juli 2014 is het Bevb (oa) ook van toepassing op de CO2-leiding die door de gemeente Pijnacker-Nootdorp loopt. Plaatsgebonden risico het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij buisleidingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–8 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico? De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten. Een volledige verantwoording van het groepsrisico omvat: 1. de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied; van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico (mede) veroorzaakt of veroorzaken; 2.
het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico; 3. indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat risico mede veroorzaakt; 4. andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voordelen en nadelen daarvan; 5. de mogelijkheden en voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst; 6. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 7. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.
De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen: I. de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding; II. de omvang van het groepsrisico; III. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; IV. de mogelijkheden van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen.
CroonenBuro5
27
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Vuurwerk Ingevolge het in 2002 in werking getreden Vuurwerkbesluit (bij besluit van 15 maart 2012 gewijzigd, wijzigingen per 1 jul1 2012 in werking getreden) dient ook via het spoor van de ruimtelijke ordening expliciet aandacht te worden besteed aan de veiligheidsafstanden die gelden voor vuurwerkopslag. Aan situaties waarin niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, wordt in het kader van dit bestemmingsplan niet expliciet aandacht besteed. De hiervoor geldende veiligheidsafstand is dusdanig klein (8 m), dat hieraan in de meeste gevallen kan worden voldaan door de opslagplaats en de deuropening op een juiste wijze op het perceel te projecteren. In het bestemmingsplan worden daarom geen afstandseisen opgenomen. Nadere regulering kan via het milieuspoor (vergunning of melding) plaatsvinden. Vanzelfsprekend is handel in en opslag van consumentenvuurwerk uitsluitend toegestaan, wanneer dit past binnen de bestemming die aan de betreffende gronden is gegeven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is niet van toepassing op vuurwerkopslagplaatsen.
4.5.3
Onderzoek Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied Binnen/nabij de plangebieden in het bestemmingsplan zijn geen risicovolle bedrijven met een risicocontour die buiten de inrichting valt.
Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruijven en ligt op ruime afstand het relevante plangebied. Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen De Rijkswegen A4 en A13 hebben een invloedsgebied van 4000 meter door de transport van toxische vloeistoffen en toxische gassen over deze wegen. Het gehele plangebied ligt binnen deze invloedsgebieden. Voorliggend bestemmingsplan vormt een actualisatie waarin de feitelijke situatie wordt vastgelegd. Er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Hiermee heeft het bestemmingsplan geen invloed op het groepsrisico. Uit de risicokaart blijkt dat de A4 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter. Uit de regeling Basisnet blijkt dat de A4 voor de toekomst een PR risicoplafond heeft van 23 meter vanaf het hart van de weg. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter aan weerszijden van het wegvlak. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter. Uit de regeling Basisnet blijkt dat voor de toekomst de A12 een PR risicoplafond van 0 meter vanaf het hart van de weg geldt. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied.
Uit de risicokaart blijkt dat de A13 een PR 106 contour heeft van 0 meter. Uit de regeling Basisnet blijkt dat voor de toekomst de A13 een PR risicoplafond heeft van 17 meter vanaf het hart van de weg. De A13 heeft een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter aan weerszijden van het wegvlak. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren. Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen Het transport van alle gevaarlijke stoffen rust op een belangrijk basisprincipe: diegene die met een voertuig via de weg gevaarlijke stoffen vervoert is, op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), verplicht als zodanig de bebouwde kommen van gemeenten te vermijden. Als het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden en lossen of omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar
CroonenBuro5
28
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
is, mag de chauffeur van dit basisprincipe afwijken. Op deze manier wordt het transport van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom geminimaliseerd en is ook voor de N473 en de N472, die door de bebouwde kom van Pijnacker lopen, een basisveiligheid gegarandeerd. Op een klein stuk van de N470 na zijn, op grondgebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, de provinciale wegen niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Op de N470 kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van propaantanks zijn. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen conform het geldende beleid geanalyseerd moeten worden. HART vervangt eerdere rekenprotocollen t.a.v. externe veiligheidsberekeningen voor transport zoals het Paarse boek en het rekenprotocol spoor. In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Er wordt gekeken naar de aantallen transporten van bepaalde stofcategorieën. Sinds het in werking treden van de gewijzigde Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, per 31 juli 2012 (Stcrt. 14687, 2012), is het gebruik van deze handleiding verplicht. Voor de N470 binnen de gemeente zijn geen tellingen beschikbaar.
Op basis van (naar 2018 opgehoogde) transportgegevens van aanvoerende provinciale wegen uit Delft, Lansingerland en Zoetermeer is een (naar 2018 opgehoogde) schatting gemaakt. Er wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico wat betekent dat de provinciale wegen in Pijnacker-Nootdorp geen 10-6 contour hebben. De aantallen GF3 transporten worden niet gehaald wat wil zeggen dat er op dit moment geen berekening (en een eventuele verantwoording) van het groepsrisico aan de orde is. Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water Het spoor (NS Den Haag – Gouda; Randstadrail Den Haag – Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats. Buisleidingen binnen/nabij het plangebied Aardgas Binnen of nabij het plangebied zijn geen hogedruk aardgasleidingen aanwezig. Binnen het plangebied, loopt ten noorden van het plangebied, echter wel een aardgasleiding (NEN 3650) met een uitwendige diameter van 324,00 mm en maximale werkdruk van 40,00 bar. In het handboek buisleidingen in bestemmingsplannen (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2016) is op te maken dat voor een dergelijke buisleiding een 1% legaliteitsgrens van 140 meter.
De 1% letaliteitsgrens is de uiterste grens waarbinnen beïnvloeding van het groepsrisico mogelijk is. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het bestemmingsplan geeft geen gevolgen van het groepsrisico. Voor de aardgasleiding geldt een zakelijke rechtstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn. Deze belemmeringenstrook wordt op de verbeelding aangeduid met de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’. Aan de noordzijde van het plangebied ligt tegen het plangebied aan een aardgasleiding (NEN 3650) met een uitwendige diameter van 316,00 mm en maximale werkdruk van 40,00 bar. De 1% letaliteitsgrens bedraagt voor deze aardgasleiding 140 meter en de 100% letaliteitsgrens bedraagt 70 meter. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het bestemmingsplan geeft geen gevolgen van het groepsrisico. De zakelijke rechtstrook van 4 meter valt niet binnen het plangebied.
CroonenBuro5
29
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Brandbare vloeistoffen Er loopt een brandstofleiding van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De PR 10-6 contour ligt op de leiding. Omdat er maximaal ‘minder dan 1 slachtoffers’ kunnen vallen is er dus, conform art. 1 van het Bevb, formeel geen sprake van een groepsrisico voor de K2-leiding. De leiding ligt bovendien op ruime afstand van de relevante plangebieden en vormt daarom geen belemmering. CO2 Er loopt een CO2-leiding door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico’s en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico’s en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 2408-2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO2 leiding (Tebodin, documentnummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. De rapportage van Arcadis “QRA Vervoersknoop Bleizo (01-02-2016, kenmerk D04011.000122) stelt “De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico.” De buisleiding ligt ook op ruime afstand van de relevante plangebieden en is dus geen belemmering in het kader van externe veiligheid.
4.5.4
Conclusie plangebied Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.6
Kabels en leidingen
4.6.1
Algemeen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. 1. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; 2. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; 3. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; 4. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; 5. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.
4.6.2
Conclusie plangebied Door het plangebied loopt een aardgasleiding. Deze aardgasleiding wordt met een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn beschermd middels de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’.
CroonenBuro5
30
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
4.7
Water
4.7.1
Algemeen
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.
4.7.2
Regelgeving en beleid Europese Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven; ook de ecologische ambities worden op dit niveau geregeld.
Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is in 2016 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater’’ − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement’’ − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten.
Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruim-
CroonenBuro5
31
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
telijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.
Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Delfland 2016-2021 In 2016 is het waterbeheerplan van het Hoogheemraadschap van Delfland vastgesteld. Hierin zijn de doelen van 2016 tot 2021 vastgesteld. De volgende thema’s/doelstellingen zijn benoemd: 1. zelfvoorzienend; 2. klimaatbestendige stad; 3. door dijken beschermd tegen overstromingen; 4. schoon water voor planten, dieren en mensen; 5. beheer en onderhoud; 6. zuivering en hergebruik; 7. vaarwegen en recreatie. In dit volgebouwde stukje Nederland, waar meer dan één miljoen mensen wonen en een belangrijk deel van het Nederlandse bruto nationaal product wordt verdiend is Delfland het waterschap dat ervoor zorgt dat het gebied is beschermd tegen de zee en overstromingen. Ook zorgt men voor voldoende en schoon water in de sloten en plassen en het zuiveren van afvalwater. Het versterken van de dijken, het maken van ruimte voor water, onderhoud aan sloten kunnen we alleen met uw hulp. Delfland nodigt inwoners en bedrijven uit hun steentje bij te dragen.
Waterklimaatplan Pijnacker-Nootdorp en Hoogheemraadschap van Delfland Het watersysteem van de Polder van Nootdorp, waar het plangebied deel van uitmaakt, is lange tijd niet op orde geweest. Uit het Waterklimaatplan, zoals op 30 maart 2017, door de gemeenteraad is vastgesteld blijkt dat dat afvoercapaciteit van de Polder van Nootdorp sterkt is verbeterd door het verbreden van watergangen en het vergroten van duikers, daarnaast is meer oppervlaktewater gegraven.
4.7.3
Watertoets Algemeen Om te voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een negatief effect hebben op het watersysteem moet bij het opstellen van een bestemmingsplan een watertoets plaatsvinden. De watertoets is een proces waarbij vanaf het begin van de planvorming de verschillende wateraspecten worden beoordeeld op de gevolgen voor het watersysteem. Het doel van de watertoets is een betere en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) en ruimtelijke plannen. Wanneer knelpunten worden gesignaleerd, moeten alternatieve en/of compenserende maatregelen worden genomen in zowel de planontwikkeling als bij de uitvoering. Bij elk ruimtelijk plan gaat Delfland na of bestaande waterknelpunten kunnen worden opgelost en of er kansen zijn voor het realiseren van een veerkrachtiger, robuuster en veiliger watersysteem. In de waterparagraaf geeft de gemeente aan hoe invulling wordt gegeven aan het waterbeleid. Naast de effecten en maatregelen voor het watersysteem wordt ook het doorlopen proces en de gemaakte afspraken beschreven. Bovendien worden de resultaten van de watertoets vastgelegd in de waterparagraaf.
Rol van water Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet de rol van water mede bepalend zijn, zodat er bijvoorbeeld voldoende ruimte is voor waterberging. Daarnaast kunnen nieuwe ontwikkelingen mogelijkheden bieden om knelpunten op te lossen of specifieke wensen te realiseren.
CroonenBuro5
32
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Bodem en grondwater Het plangebied ligt in het veengebied. Op de geomorfologische kaart is te zien dat het Lint Veenweg op een veenrest-dijk ligt. De gronden rondom het Lint zijn gelegen op een vrij vlakke getijafzetting. Deze vlakte is ontstaan door veenafgravingen. De afgravingen hebben niet plaatsgevonden ter hoogte van het Lint, omdat het Lint behouden moest blijven voor wonen en verkeer. Door het afgravingen van de gronden rondom het Lint is het Lint op een dijk komen te liggen. Ter hoogte van het Lint ligt het maaiveld op circa 1,3 meter onder NAP. De rest van het plangebied ligt op circa 3,4 meter onder NAP (Actueel Hoogtebestand Nederland).
Geomorfologische kaart (PDOK-viewer)
Ten zuidoosten van het Lint is sprake van grondwatertrap IV. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) meer dan 0,40 meter beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) varieert tussen 0,80 en 1,20 meter beneden maaiveld. Ten noordenwesten van het Lint is sprake van grondwatertrap II met een GHG minder dan 0,40 meter beneden maaiveld en een GLG tussen 0,50 en 0,80 meter beneden maaiveld.
Klimaatverandering en maatregelen De komende jaren wordt een klimaatsverandering voorzien, waarbij buien intensiever worden en daarnaast meer droge perioden optreden. Tijdens intensieve buien moet in korte tijd veel water worden afgevoerd vanuit de polders in de gemeente via het boezemstelsel naar de zee. Bij intensieve buien neemt de afvoerpiek toe. Doordat in de gemeente meer verhard oppervlak wordt aangelegd, zal het neerslagwater sneller in de sloten terecht komen dan in een gebied met veel weilanden. Hierdoor neemt de afvoerpiek nog meer toe. Als het watersysteem de afvoerpiek niet meer kan verwerken, treedt wateroverlast op. Zonder aanvullende maatregelen zal in de komende jaren de kans op wateroverlast daarom steeds meer toenemen. Binnen het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Hierdoor is het niet mogelijk een bijdrage te leveren aan een duurzaam watersysteem. Als in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd.
CroonenBuro5
33
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Voor een vertraagde afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi’s, groene daken, het afkoppelen van hemelwater en dergelijke.
Peilen en peilstijging In het plangebied van dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen planologisch mogelijk gemaakt die invloed hebben op het peilniveau. Bij toekomstige (kleinschalige) werkzaamheden dient rekening gehouden worden met de lage ligging van het plangebied en de geringe droogleggingen binnen het plangebied. Het plangebied kan namelijk in de loop van de tijd nog flink zakken en door de klimaatverandering is het noodzakelijk genoeg ruimte te creëren tussen het maaiveld en het peil. In het peilgebied zijn enkele potentiële knelpunten voor wateroverlast aanwezig, zie de rode arcering op onderstaand plaatje.
Potentiële knelpunten voor wateroverlast
Veiligheid en waterkeringen Door en aan de randen van het plangebied lopen enkele regionale waterkeringen. Deze waterkeringen zijn vastgelegd in de beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland. Op de bij dit beleid behorende legger zijn begrenzingen aangegeven. De regionale waterkeringen zijn in de onderstaande uitsnede van de legger met oranje weergegeven. Deze waterkeringen inclusief kern- en beschermingszones zijn in dit bestemmingsplan geregeld middels een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Voor de werkzaamheden die worden uitgevoerd en werken die worden aangelegd binnen deze dubbelbestemming is over het algemeen een watervergunning nodig. De definitieve uitwerking moet daarbij voldoen aan de criteria, die het hoogheemraadschap van Delfland stelt, en wordt nader met het Hoogheemraadschap van Delfland afgestemd.
CroonenBuro5
34
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Regionale waterkeringen en watergangen (Legger Hoogheemraadschap Delfland)
Hoofdwatergangen
In het plangebied komen een aantal primaire watergangen voor. Deze watergangen worden in dit bestemmingsplan bestemd met de bestemming ‘Water’.
Waterkwaliteit en ecologie In het gebied worden geen nieuwe ontwikkelingen en potentieel verontreinigende functies voorzien. Ten aanzien van de het waterkwaliteit en afvoer van hemelwater zijn geen bijzonderheden te vermelden.
Afvalwater en riolering De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft sinds 2009 alle panden aangesloten op de riolering. Daarbij is de verbrede zorgplicht ingevoerd en zullen vanaf 1 januari 2009 geen ongezuiverde lozingen, van zowel huishoudelijk afvalwater als bedrijfsafvalwater, op het oppervlaktewater meer plaatsvinden. Dit heeft een positieve uitwerking op de waterkwaliteit.
Beheer en onderhoud Watergangen dienen overeenkomstig de richtlijnen ook bereikbaar te zijn voor beheer en onderhoud. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het onderhoud van de hoofdwatergangen. Hierbij dient rekening worden gehouden met de onderhoudsstroken die voor onderhoud gelden. De overige watergangen worden onderhouden door de aangelande. Het Hoogheemraadschap controleert de staat van onderhoud van de overige watergangen.
4.7.4
Conclusie Dit bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van de feitelijk situatie. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan heeft geen effecten op de waterhuishoudkundige situatie. Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’.
CroonenBuro5
35
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
4.8
Ecologie
4.8.1
Algemeen
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming(Wnb) van kracht geworden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Provincies bepalen voor hun grondgebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is dan alleen nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De wet kent twee sporen, namelijk een gebiedsgericht en een soortgericht spoor.
Gebiedsgericht spoor Natura 2000-gebieden Voor de Natura 2000-gebieden zijn vanuit het Rijk instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor: a. de leefgebieden van vogels; b. de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincie dient voor deze Natura 2000-gebieden een Natuurbeheerplan op te stellen. De provincie Zuid-Holland heeft dit gedaan in het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2017. Dit plan beschrijft het beheer en de ontwikkeling van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in Zuid-Holland. Het Natuurbeheerplan verwoordt het beleid, waarbinnen overheden, maatschappelijke organisaties, beheerders, agrariërs en grondeigenaren werken aan de realisatie van een robuust en dynamisch natuurnetwerk in de provincie. Op basis van dit plan kunnen zij subsidie aanvragen voor de kosten die zij maken voor dit doel. Naast de maatregelen in het beheerplan kunnen provincies: c. eisen stellen aan handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden; d. de toegang tot Natura 2000-gebieden beperken; e. handelingen verichten die nodig zijn met het oog op de instandhoudingsdoelstellingen. Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Het netwerk laat natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: a. bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; b. gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; c. landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; d. grotere wateren: meren, rivieren, de kustlijn van de Noordzee en de Waddenzee; e. alle Natura 2000-gebieden. De verantwoordelijkheid van het natuurnetwerk ligt bij de provincies. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europese Ecologische Netwerk (Peen) vormen.
Soortgericht spoor Bescherming planten en dieren De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van dier- en plantsoorten en bevat onder andere regels over: a. de bescherming van vogels op grond van de Europese Vogelrichtlijn; b. de bescherming van soorten dieren en planten op grond van de Europese Habitatrichtlijn; c. de bescherming van soorten planten en dieren die niet voorkomen in de Habitatrichtlijn.
CroonenBuro5
36
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de hierboven onder a en b bedoelde soorten (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de betreffende minister). Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming zal kunnen worden verkregen.
4.8.2
Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van de feitelijk situatie. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen planologisch mogelijk gemaakt. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’.
4.9
Duurzaamheid
4.9.1
Algemeen Op 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie (Wet VET) in werking. Met deze wijzigingswet worden de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet gewijzigd. Het gevolg hiervan is dat netbeheerders niet langer wettelijk verplicht zijn om nieuwbouw voor kleinverbruikers (verbruikers met een doorlaatwaarde van ten hoogste 40 m3 per uur) aan te sluiten op het gasnet. Omdat netbeheerders slechts wettelijke taken mogen uitvoeren, komt dit in de praktijk neer op een verbod: netbeheerders mogen nieuwbouw voor kleinverbruikers vanaf 1 juli 2018 niet meer van een gasaansluiting voorzien. Via een wijziging wordt ook het Bouwbesluit 2012 in overeenstemming gebracht met de wijziging van Gaswet. Voor woningen en kleine bedrijven betekent dit dat vanaf 1 juli 2018 moet worden gekozen voor een andere vorm van verwarming dan aardgas.
Omgevingsvergunningaanvragen voor en na 1 juli 2018 Op omgevingsvergunningaanvragen die zijn ingediend vóór 1 juli 2018, blijft het oude recht van de Gaswet en het Bouwbesluit 2012 van toepassing. Dit betekent dat een gebouw waarvoor een bouwaanvraag is gedaan vóór 1 juli 2018, door de netbeheerder nog moet worden aangesloten op het gasnet. Voor aanvragen na 1 juli 2018 wordt uitgegaan van het principe van gasloos bouwen. Hiervan is een uitzondering mogelijk. Artikel 10, zevende lid, onderdeel a van de Gaswet bepaalt namelijk dat de aansluitplicht niet van toepassing is ‘voor het aansluiten van een te bouwen bouwwerk, tenzij een college van burgemeester en wethouders het gebied waarin dit bouwwerk wordt gebouwd, heeft aangewezen als gebied waar aansluiting op het gastransportnet strikt noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang, waaronder begrepen de maatschappelijke kosten en baten. Bij ministeriële regeling worden hiertoe nadere regels gesteld.’
4.9.2
Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe planologische ontwikkelingen. De onbenutte bouwmogelijkheden die al wel planologisch zijn vastgelegd dienen bij realisatie wel te voldoen aan de vereisten uit de Wet VET. Indien voor deze woningen nog geen omgevingsvergunning is aangevraagd is aansluiting op het gasnet niet toegestaan.
CroonenBuro5
37
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
4.10
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Archeologie en cultuurhistorie
4.10.1 Archeologie Algemeen Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. De zorg voor het bodemarchief is door deze wet bij gemeenten komen te liggen. De gemeente is verplicht om bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen of aanpassing(en) van oude plannen, rekening te houden met archeologie.
Onderzoek Voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp is in september 2009 een Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart opgesteld. De Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart geeft op perceelsniveau aan welke archeologisch bekende waarde of welke verwachting van toepassing is. Op basis daarvan kan in een vroeg stadium van ruimtelijke planvorming gekeken worden of en hoe archeologische waarden beschermd kunnen/moeten worden: middels aanpassing van het plan of het behoud van informatie door opgraven. Bij elke voorgenomen activiteit om de bodem te verstoren in een gebied met archeologische waarde of verwachting moet namelijk in een zo vroeg mogelijk stadium worden bepaald of een nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Ter plaatse van het bebouwingslinten Veenweg en Oosteinde geeft de Archeologische waarde- en verwachtingenkaart een hoge archeologische verwachting met een maximale verstoring van 100 m2 en 0,30 m onder maaiveld aan. Deze archeologische verwachtingswaarde komt overeen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor de rest van het plangebied wordt een middelhoge archeologische verwachting met een maximale verstoring van 200 m2 en 0,30 m onder maaiveld. Deze archeologische verwachtingswaarde komt overeen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’.
De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ worden conform de archeologische verwartingswaarde overgenomen in dit bestemmingsplan.
CroonenBuro5
38
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Archeologische waarde- en verwachtingenkaart (Archeologie Delft, 2009)
4.10.2 Cultuurhistorie Algemeen Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de Modernisering van de Monumentenzorg is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte. In het kader van de Momo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Onderzoek De Provincie Zuid-Holland heeft in 2017 haar Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) geactualiseerd. De CHS biedt een integraal overzicht in de vorm van een kaartbeeld op provinciaal niveau van de relevante cultuurhistorische kenmerken en waarden (archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap). In het plangebied bevinden zich geen monumenten en/of andere gebieden en gebouwen met een cultuurhistorische waarde. Binnen de gemeente bevinden zich een aantal objecten die als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Deze objecten zijn opgenomen in de monumentenlijst. Binnen het plangebied een voormalig klooster en bejaardentehuis ter plaatse van de Veenweg 32-34, het woonhuis ter plaatse van de Veenweg 43 en de brug ter plaatse van het perceel Veenweg 71 aangewezen als gemeentelijk monument. Deze drie gemeentelijke monumenten zijn aangeduid met de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. Op de volgende pagina zijn de drie monumenten zichtbaar gemaakt.
CroonenBuro5
39
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
De drie gemeentelijke monumenten. V.b.n.b: het voormalig klooster (Veenweg 32-34), het woonhuis (Veenweg 43) en de brug (Veenweg 71) (Streetsmart, 2018)
CroonenBuro5
40
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
4.10.3 Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie waarin de feitelijk situatie wordt vastgelegd. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Rekening houdend met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ en de drie gemeentelijke monumenten aangeduid met de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ vormt het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’.
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Algemeen De verkeersaantrekkende werking van een functie/gebied is een belangrijk, ruimtelijk relevant criterium. Bij de ontwikkelingen die binnen het bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk zijn gemaakt, geldt dat in principe er geen of nauwelijks sprake is van verkeersaantrekkende werking. Daarnaast dienen ontwikkelingen te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte.
4.11.2 Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie waarin de feitelijk situatie wordt vastgelegd. Het bestemmingsplan voorziet niet in de ontwikkeling van woningen, voorzieningen of andere verkeersaantrekkende functies. De verkeersaantrekking van het gebied en de parkeerbehoefte blijven hiermee gelijk. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’.
4.12
Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.12.1 Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.
Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd.
4.12.2 Activiteit en drempelwaarden In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D11.2) opgenomen. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de
CroonenBuro5
41
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1° een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2° een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3° een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
4.12.3 Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt op basis van de geldende regeling(en) geen nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen mogelijk. Hiermee kan gesteld worden dat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
CroonenBuro5
42
Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’
5
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Juridische planopzet Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen binnen het plangebied. In dit hoofdstuk is een toelichting op de systematiek en de inhoud van de verschillende toegekende bestemmingen van het bestemmingsplan gegeven.
5.1
Algemene opzet Dit bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het plangebied. Het bestemmingsplan is een beheerbestemmingsplan met een conserverend karakter, hierbij worden de geldende rechten gerespecteerd. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding ervan de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullend inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig.
5.2
Verbeelding De analoge verbeelding van de geometrische plaatsbepalingen, kent een schaal van 1:1000 en bestaat uit twee kaartbladen. Voor het tekenen van de verbeelding is een topografische ondergrond gebruikt. Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.
5.3
Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De bij dit plan behorende regels zijn opgenomen in 4 hoofdstukken: — hoofdstuk 1 – Inleidende regels; — hoofdstuk 2 – Bestemmingsregels; — hoofdstuk 3 – Algemene regels; — hoofdstuk 4 – Overgangs- en slotregels. In het kader van de SVBP 2012 dient een vaste volgorde en indeling van het bestemmingsplan aangehouden te worden. Deze is hieronder aangegeven.