CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5a - Toelichting OBP Ypenburg-Nieuwe Veen 2020

Raad Besluitvorming 22 april 2021, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Ypenburg Nieuwe Veen19.452 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwerpbestemmingsplan Ypenburg – Nieuwe Veen 2020 Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Ontwerpbestemmingsplan Ypenburg – Nieuwe Veen 2020 Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Toelichting Bijlagen Regels Bijlagen Verbeelding Schaal 1:1000 Datum: 10 augustus 2020 Projectgegevens: TOE02-0254340-03C REG02-0254340-03C TEK02-0254340-03C Identificatienummer: NL.IMRO.1926.bp000200122-3001

Datum vrijgave

Opsteller(s)

Projectleider

10-08-2020

TP, KW

C. Stolzenbach

Vestiging Oosterhout Beneluxweg 125 4904 SJ Oosterhout T: +31 (0)162 48 75 00 www.croonenburo5.com

Vrijgave

Vestiging Maastricht Wim Duisenbergplantsoen 21 6221 SE Maastricht T: +31 (0)43 325 32 23 info@croonenburo5.com

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

Aanleiding en doel Plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Aanpak Leeswijzer

1 1 2 3 3 3

2

Planbeschrijving

5

2.1 2.2

Historie Ruimtelijk en functionele structuur

5 5

3

Beleidskader

9

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

9 9 12 13 13

4

(Milieu)planologische aspecten

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Kabels en leidingen Water Ecologie Duurzaamheid Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling

17 19 19 21 23 30 31 36 37 38 41 41

5

Juridische planopzet

43

5.1 5.2 5.3

Algemene opzet Verbeelding Regels

43 43 43

6

Haalbaarheid

49

6.1 6.2

Financieel Maatschappelijk

49 49

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Bijlage Bijlage 1: Bijlage 2:

Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties voorontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen’ Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen’

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) was het verplicht om bestemmingsplannen en beheersverordeningen binnen tien jaar te actualiseren. Op 18 april 2018 is de verplichting om bestemmingsplannen en beheersverordeningen binnen tien jaar te actualiseren vervallen. Reden hiervoor is de invoering van de Omgevingswet die in 2021 wordt verwacht. Het geldend bestemmingsplan voor onderhavige locatie is het bestemmingsplan ‘Nootdorp-Noord’ en is vastgesteld op 23 september 2010 door de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp. Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie van een deel van het bestemmingsplan ‘Nootdorp-Noord’. Ondanks de afschaffing van de ‘actualiseringsplicht’ heeft de gemeente voorliggende actualisatie voortgezet. Hiervoor is gekozen door een actualisatie van het beleid. Daarnaast komt het nu geldende planregime niet overeen met wat destijds is vergund. De gemeente heeft de keuze gemaakt het bestemmingsplan ‘Nootdorp-Noord’ in drie deelgebieden te actualiseren. Het betreft de gebieden Ypenburg – Craeyenburch, Ypenburg – centraal en Ypenburg – Nieuwe Veen. Voor elk deelgebied wordt een bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan betreft de actualisatie van het gebied Ypenburg – Nieuwe Veen. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

1.2

Plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft het gebied Ypenburg – Nieuwe Veen. Het plangebied bevindt zich in het noorden van Nootdorp, tegen de A12 aan. Het plangebied bestaat uit twee delen die op één punt verbonden wordt. Het westelijk gebied wordt begrensd door de Sportparkweg, Pr. Alexialaan, de woningen langs de Veenweg, de Bartholomeuslaan en de Laan van Nootdorp. Het oostelijke gebied wordt begrensd door de rijksweg A12, het Oosteinde, de Populierenlaan en het water in het verlengde van de Magnoliadreef. Het bedrijventerrein Oostambacht, welke ook binnen deze zone valt, behoord niet tot het plangebied. Voor dit bedrijventerrein is op 28 september 2017 het bestemmingsplan ‘Oostambacht’ vastgesteld door de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp.

Begrenzing plangebied (Globespotter, 2017)

CroonenBuro5

1

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

1.3

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Nootdorp-Noord’ dat op 23 september 2010 is vastgesteld.

Uitsnede van het bestemmingsplan 'Nootdorp-Noord' ter hoogte van het plangebied (ruimtelijkeplannen.nl)

Na de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Nootdorp-Noord’ hebben een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden die hebben geleid tot een wijziging van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn ook situaties die niet overeenkwamen met de feitelijke situatie hersteld. Tevens hebben nieuwe inzichten, jurisprudentie en nieuw beleid geleid tot andere aanpassingen op het plan. De wijzigingen zijn door middel van een enkele bestemmingsplannen aangebracht. Het gaat om de onderstaande plannen en ontwikkelingen. Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie van een deel van het bestemmingsplan ‘Nootdorp-Noord’ en neemt tevens de geldende regelingen van de onderstaande plannen ongewijzigd over. 

Bestemmingsplan ‘Verzamelplan Nootdorp’ Op 24 november 2011 is het bestemmingsplan ‘Verzamelplan Nootdorp’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan heeft geleid tot de volgende wijzigingen:  het mogelijk maken van één woning ter plaatse van de Sportparkweg 10;  het wijzigen van de bouwhoogte van 11 naar 16 meter ter plaatse van het kantoor tussen de Hofweg en de rijksweg A12;  het mogelijk maken van acht benodigde parkeerplaatsen ter plaatse van een groenstrook langs de Gildeweg.

Bestemmingsplan ‘1e partiele herziening Nootdorp-Noord’ Op 26 maart 2015 is het bestemmingsplan ’1e partiële herziening Nootdorp-Noord’ vastgesteld. De partiële herziening heeft geleid tot de volgende aanpassingen:  aanpassen van het bouwvlak van de woning Veenweg 45 ten behoeve van een nieuwe woning;  het toevoegen van een specifieke bouwaanduiding ter plaatse de woonbuurt Gooland die regelt dat overal binnen de bestemming aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gerealiseerd mogen worden.

CroonenBuro5

2

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Bestemmingsplan ‘Verzamelplan 2015/2016’ Op 28 april 2016 is het bestemmingsplan ‘Verzamelplan 2015/2016’ vastgesteld. Binnen dit bestemmingsplan zijn de volgende ontwikkelingen mogelijk gemaakt:  uitbreiding van het Van der Valk hotel ter plaatse van Gildeweg 1;  verruiming van het bouwvlak en de functieaanduiding wonen binnen de bestemming ‘Gemengd – 2’ ter plaatse van de Veenweg 34.

Bestemmingsplan ‘Verzamelplan 2016/2017’ Op 30 maart 2017 is het bestemmingsplan ‘Verzamelplan 2016/2017’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt het kunstwerk tussen de Magnolia en de Zonnehof mogelijk.

1.4

Bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’ bestaat uit drie delen:  een toelichting, waarin de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt, nader worden gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en hoe met (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden;  regels, waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen;  een verbeelding, waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.5

Aanpak Voorafgaand aan het opstellen van voorliggend bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden, waarbij de bestaande functies en bebouwing in beeld zijn gebracht. Daarnaast zijn de (bouw)mogelijkheden uit de geldende bestemmingsplannen geïnventariseerd. De gebieden zijn door middel van dossieronderzoek in kaart gebracht. Vervolgens is dit in het veld gecontroleerd. Het dossieronderzoek en de veldinventarisatie zijn verwerkt in een inventarisatiekaart. Uit de veldinventarisatie is gebleken dat bij een groot aantal woningen onder andere de vergunde bouw en goothoogtes van de woningen niet overeenkomen met de hoogtes zoals die zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Daarbij zijn de goot- en bouwhoogtes afgerond naar boven op hele meters, tenzij dit zou leiden tot het kunnen realiseren van een extra bouwlaag. Voor de regeling is gebruik gemaakt van de standaardregels voor het stedelijk gebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De standaardregels hebben tot doel de bestemmingsplannen voor de verschillende kernen en deelgebieden binnen de gemeente zoveel mogelijk uniform te maken, zodat in vergelijkbare gevallen sprake is van gelijke (bouw)mogelijkheden. De standaardregels hebben samen met de inventarisatiekaart als leidraad gediend bij het opstellen van dit bestemmingsplan.

1.6

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie van het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de betreffende milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Hierna wordt in hoofdstuk 5 aandacht besteed aan juridische aspecten. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de haalbaarheid beschreven.

CroonenBuro5

3

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

CroonenBuro5

4

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

2

Planbeschrijving

2.1

Historie

2.1.1

Algemeen

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

De kern Nootdorp is één van de drie kernen binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Naast Nootdorp vormen Pijnacker en Delfgauw de twee andere kernen binnen de gemeente. Nootdorp bestaat uit een historische kern, gevormd door lintbebouwing langs de Dorpsstraat. Vanuit deze kern zijn vanuit de jaren 50 van de vorige eeuw diverse nieuwbouwwijken ontwikkeld welke aan de ruimtelijke opbouw, het gebruik en de architectuur goed te herkennen zijn.  De groei van Nootdorp heeft plaatsgevonden langs en tussen de oude linten. De groei is fragmentarisch verlopen aan alle zijden van het huidige centrum. Dit is duidelijk herkenbaar aan de concentrische opbouw.  De ontginningsstructuur is in een klein deel van de kern nog zichtbaar, met name tussen het oude en nieuwe centrum; de historische structuur van een aantal oude linten is vaak nog herkenbaar, zeer beeldbepalend en alom aanwezig. Dit geldt ook voor de nieuwe delen van Nootdorp.  De oude polderstructuren zijn herkenbaar in de bestaande waterstructuur, met name de waterlopen aan de linten zijn zeer kenmerkend.  Mede identiteitsbepalend zijn de schaal, de variatie aan woonmilieus met overwegend grondgebonden woningen, het centrumgebied, en enkele markante gebouwen.

2.1.2

Ypenburg De locatie Ypenburg is gelegen op de overgangszone van het strandwallenlandschap naar het veenlandschap. De strandwallen vormden een geschikte hoge en droge vestigingsplaats voor de mens. De woonkernen Rijswijk, Voorburg en Leidschendam zijn hier ontstaan. Achter deze hoger gelegen strandwallen is het betrekkelijk jonge veenland gelegen. Voorheen een landschap dat bestond uit agrarisch polderlandschap. De bebouwingslinten liggen langs smalle dijkjes evenwijdig aan de strandwallen of juist loodrecht daarop. Waar de linten elkaar ontmoeten zijn verdichtingen ontstaan die uitgegroeid zijn tot een dorpskern. Nootdorp is gelegen op een plaats waar linten uit verschillende richtingen bij elkaar komen. De veengronden waren ongeschikt voor landbouw of veeteelt. Vanaf de 11e eeuw werden de natte veengronden ontgonnen. Door de ontginningen klonk de veengrond echter langzaam in. Hierdoor verslechterde de watervoorziening. In de 15e eeuw is er begonnen met de aanleg van nieuwe kanalen en vaarten. In de 16e eeuw werd er begonnen met het afgraven van de veengronden voor de turf. Hierdoor ontstonden er enorme plassen, die in de 18e en 19e eeuw droog zijn gemalen. Na de Tweede Wereldoorlog steeg de behoefte aan woningen, door de snelle bevolkingstoename, de verbeterde vervoerverbindingen en snel groeiende economie. Nootdorp breidde hierdoor in korte tijd gestaag uit.

De komst van de snelwegen bracht andere ontwikkelingen met zich mee. Ontwikkelingen die zich geheel op de snelweg oriënteren (met name bedrijfslocaties). Maar ook gebieden/terreinen die geïsoleerd en opgesloten zijn door de snelwegen. Zoals het vliegveld en golfbanen. Hierdoor is een contrastrijke lappendeken ontstaan van verschillende functies en gebieden/terreinen langs de snelwegen.

2.2

Ruimtelijk en functionele structuur Nootdorp De kern Nootdorp ligt tegen de stedelijke rand van Delft, Ypenburg en Leidschenveen. Nootdorp is met Ypenburg vooral op Den Haag gericht en ligt strategisch aan de A13-A4-A12. Deze stedelijke

CroonenBuro5

5

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

invloed is ook ruimtelijk zichtbaar in het dorp. De ontwikkeling van Nootdorp is rondom het centrum tot stand gekomen en is daardoor zeer gevarieerd. Het is een veld van relatief kleine en onafhankelijke buurtjes met een eigen karakter waar de linten niet ver weg zijn en nog steeds ervaarbaar zijn als cultuurhistorische elementen. Op deze variatie moet worden voortgebouwd. De voorzieningen zijn verspreid over het dorp en van een hoog niveau. Er lopen geen uitbreidingsprojecten buiten de contouren van Nootdorp, die daarmee een permanent karakter krijgen. De kern grenst in het noorden aan de A12 en het stedelijk gebied van Delft, Ypenburg en Leidschenveen, in het zuiden aan een groengebied maar gescheiden daarvan door de randweg, in het oosten aan het groengebied en in het westen aan het glastuinbouwgebied.

Linten Nootdorp wordt doorkruist door een groot aantal oude linten die vaak nog herkenbaar zijn. Meerdere oude “kernen” zijn te herkennen. Daarnaast is de “Landingslaan” in Ypenburg een duidelijk herkenbaar relict uit het verleden. Sommige linten zoals Kortelandseweg – Veenweg (welke door het plangebied loopt) en Molenweg zijn heel duidelijk herkenbaar in het huidige weefsel, waarbij ook nog her en der oude bebouwing het beeld bepaalt. Hoogtepunt is daarin wellicht de kerk aan de Veenweg. Andere voorbeelden zijn de Dwarskade en het meest noordoostelijke stukje Brasserskade. Andere linten zijn nog wel herkenbaar maar niet aan de bebouwing. Voorbeeld hiervan is de Kruisweg in het oosten van Nootdorp. In Nootdorp is de historische structuur zeer beeldbepalend en alom aanwezig, zelfs in de nieuwere delen.

Kwaliteiten Nootdorp In de structuurvisie zijn de volgende kwaliteiten van Nootdorp weergegeven die tevens van belang zijn voor het plangebied:  de vorming vanuit de ontginning is herkenbaar in de linten en de oudere delen van Nootdorp;  het dorpse karakter wordt teruggevonden in de aanwezige linten;− de cultuurhistorische karakteristieken zijn zichtbaar en voelbaar in de linten;  het karakter van de buurten verschilt sterk, soms zijn het letterlijk eilanden. Hierdoor vindt een ieder in Nootdorp wat naar zijn wens;  open ruimtes tussen de linten laten de geschiedenis zien;  door de variatie aan buurtjes beschikt Nootdorp ook over een rijke variatie aan woonmilieus.

2.2.1

Ypenburg – Nieuwe Veen Het plangebied van ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’ bestaat uit twee delen. Het westelijke deel betreft een deel van de wijk De Venen. In De Venen komen Nootdorp en Ypenburg bij elkaar. De karakteristiek van Ypenburg wordt hier gekoppeld aan het diverse en gemengde karakter van het Lint van de Veenweg/Kortelandseweg (hierna: het Lint). Een zorgvuldige aansluiting en verweving van bestaande bebouwing met nieuwe bebouwing vormden destijds het uitgangspunt. Het oostelijke deel betreft de wijk Nieuwe Veen. De wijk Nieuwe Veen bestaat uit een wooncluster omringd door water en een bedrijventerrein tussen het wooncluster en de A12.

De Venen De verschillende woonbuurten van De Venen liggen als besloten hoven aan weerszijden van het Lint. Kleine woonbuurtjes zijn gelegen in de ruimtes die tussen de hoven en het oude lint zijn ontstaan. De hoven kennen alle een eigen identiteit en karakteristiek. De hoven zijn veelal naar binnen gericht, behalve aan de zijden van de Sportparkweg en Startbaan. Hier sieren voorgevels het straatbeeld. De achterkanten (tuinmuren) van de hoven zijn mee ontworpen met de woningen. De bebouwing bestaat voor het merendeel uit twee tot drie bouwlagen al dan niet met kap. Kapvormen variëren van flauwe zadeldaken tot steile en platte daken. De hoven zijn verschillend ingedeeld, enkele zijn gesitueerd rondom groene binnenruimten waardoor er een zekere ruimtelijkheid ontstaat. Andere hoven zijn aan de binnenzijden voorzien van een extra bouwblok. De buitenruimten van deze hoven bestaan uit een straatniveau zonder dat er duidelijk onderscheid wordt gemaakt

CroonenBuro5

6

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

in functies. Hierdoor ontstaat er een soort woonerf waar kinderen vrij kunnen spelen. Het parkeren wordt veelal collectief gedaan. Zij het in parkeerkoffers op strategische plaatsen in de hoven of als gebouwde parkeervoorzieningen. Echter, is dit niet altijd toereikend en is er direct voor de woningen ruimte om te parkeren. Deze ruimtes worden subtiel aangegeven in de bestrating. De hoven worden ontsloten via de Startbaan of de Dokter Bakkerenlaan/Sportparkweg, dus niet via het Lint. Hierdoor wordt overbelasting van autoverkeer op het Lint voorkomen, maar zorgt er tevens voor dat de beleving van verweving van Nootdorp met Ypenburg minder is.

Eén van de hofjes (Globespotter, 2018)

De kleine woonbuurtjes tussen het Lint en De Hoven worden via het Lint ontsloten, maar hebben daarentegen weinig relatie met De Hoven. De bebouwing bestaat uit ruime vrijstaande of tweeonder-een-kapwoningen op relatief kleine percelen. De straatprofielen zijn smal en bieden geen extra ruimte om te parkeren; dit gebeurt dan ook op eigen erf. De smalle straatprofielen in combinatie met de grote woningen maakt dat de woonbuurtjes een benauwend karakter hebben.

Nieuwe Veen Dit deelgebied is gelegen aan de noordoostzijde van Nootdorp en wordt begrensd door de rijksweg A12, het Oosteinde en de Populierenlaan en in het noorden door het water in het verlengde van de Magnoliadreef. Haaks op het Oosteinde loopt een groenzone met een watergang die het woongebied scheidt van het bedrijventerrein Nieuwe Veen. De ruimtelijke relatie tussen beide gebieden wordt gevormd door de op de centrale groenzone georiënteerde bebouwingsfronten van het woongebied en het bedrijventerrein en door de continuïteit van wegen en beplantingsstructuur dwars op de centrale groenzone. De stedenbouwkundige opzet bestaat uit woonclusters in het groen. De bebouwing bestaat uit rijwoningen in bouwblokken met op de koppen appartementen. De bouwhoogte varieert van twee bouwlagen al dan niet met kap voor de rijwoningen tot drie bouwlagen met plat dak voor de appartementen op de kop van de rijen. De kapvormen van de rijwoningen variëren van zadeldaken, lessenaarsdaken tot halfronde daken. Aan de noordwestzijde staat een hotel dat de overgang tussen het woongebied en het bedrijventerrein markeert. De ontsluiting van de wijk geschiedt door een ontsluitingsroute langs de groenzone die op verschillende plaatsen in verbinding staat met een interne route door de bouwblokken heen.

Aan deze twee doorgaande wegen zijn tussen de bebouwing parkeerkoffers gelegen die onder de hoekgebouwen doorlopen. De interne ontsluiting wikkelt het verkeer af via het Oosteinde en aan de noordzijde via een parallelweg langs de Hofweg.

CroonenBuro5

7

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Langs de westzijde van het Oosteinde is een rij met geschakelde woningen tegen de achterkanten van de woningen aan het Oosteinde gesitueerd. De open plaatsen in het Lint zijn opgevuld met enkele vrijstaande woningen.

Rijwoningen met aan de koppen appartementen in Nieuwe Veen (Globespotter, 2018)

Het bedrijventerrein vestigt grotere bedrijven, aan de zijde van de groenzone is een overgangszone gelegen met daaraan kleinere bedrijven voornamelijk een combinatie van wonen en werken. De bebouwing is groot maar getrapt waardoor deze niet grof in het straatbeeld aanwezig is. De bedrijven zijn naar buiten georiënteerd wat vanzelfsprekend lijkt in verband met de ligging aan de A12.

2.2.2

Vertaling naar bestemmingsplan Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie van een deel van het bestemmingsplan NootdorpNoord’. De feitelijke situatie is door middel van een inventarisatie vastgelegd. Deze inventarisatie vormt de basis voor dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’ betreft een actualisatie waarin de feitelijke situatie wordt vastgelegd. Met het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’ worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied zijn onbenutte bouwmogelijkheden die planologisch al wel zijn vastgelegd. De planologische mogelijkheden zijn in dit bestemmingsplan overgenomen. De bestemmingsplannen en veegplannen die na de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Nootdorp-Noord’ zijn vastgesteld (zoals benoemd in paragraaf 1.3) worden ongewijzigd overgenomen.

Wijzigingsbevoegdheden In de geldende bestemmingsplannen bevinden zich enkele wijzigingsgebieden met wijzigingsbevoegdheden. De wijzigingsbevoegdheid ter plaatse van de Sportparkweg 10 wordt niet overgenomen. De situatie wordt echter wel in overeenstemming worden gebracht met de feitelijke situatie. De wijzigingsbevoegdheid ter plaatse van Oosteinde 1 wordt overgenomen. Ter plaatse van Oosteinde 1 is een bevoegdheid opgenomen om ter plaatse van de bestaande kas één extra woning te realiseren. De wijzigingsbevoegdheid voor het verleggen van dijk, ter plaatse van het Gooland, wordt niet overgenomen. De dijk is reeds verlegd.

CroonenBuro5

8

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

3

Beleidskader

3.1

Inleiding

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door een aantal landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid beknopt samengevat.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, is de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het rijksbeleid zoals opgenomen in de SVIR richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Sturing op verstedelijking, waaronder afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, heeft het Rijk grotendeels losgelaten. Er is enkel nog sprake van een 'ladder voor duurzame verstedelijking', die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.

Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. In de realisatieparagraaf van de SVIR zijn per nationaal belang de instrumenten uitgewerkt die hiervoor worden ingezet. Eén van deze instrumenten is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De belangrijkste nationale belangen die relevant zijn voor dit bestemmingsplan zijn als volgt geformuleerd:  Efficiënt gebruik van de ondergrond. In de ondergrond moet onder andere rekening gehouden worden met archeologie, ondergrondse rijksinfrastructuur (tunnels en buisleidingen) en de bescherming van de grondwaterkwaliteit en – kwantiteit.  Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. Het rijk en de waterschappen beschermen en verbeteren de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere nationale belangen.  Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten geven identiteit aan een gebied.

Bovendien zijn culturele voorzieningen en cultureel erfgoed van groeiend belang voor de concurrentiekracht van Nederland. Het rijk blijft verantwoordelijk voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed,

CroonenBuro5

9

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap laat het rijk over aan de provincies.  Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van floraen faunasoorten. Om flora- en faunasoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven en zich te ontwikkelen zijn vanuit ruimtelijk oogpunt twee zaken essentieel: het behoud van leefgebieden en de mogelijkheden om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden. Dit bestemmingsplan houdt rekening met bovengenoemde vier nationale belangen. De aansluiting met de uitgangspunten uit de nationale structuurvisie wordt gecreëerd door het opnemen van (beschermende) dubbelbestemmingen voor archeologie en in het gebied voorkomende buisleidingen. Daarnaast wordt in paragraaf 4.10.2 ingegaan op de cultuurhistorische waarde van het plangebied. In dit bestemmingsplan worden milieukwaliteiten vastgelegd en verschillende milieueffecten afgewogen. Ondanks dat het bestemmingsplan in hoofdzaak conserverend van aard is wordt uitgebreid ingegaan op de aspecten water, bodem, natuur, lucht en externe veiligheid.

3.2.2

Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ (verder: ‘de ladder’) als motiveringseis opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is het bereiken van een goede ruimtelijke ordening via optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, waaronder een herziening van het bestemmingsplan. Sinds 1 juli 2017 is de ‘nieuwe’ ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. De traditionele opeenvolgende treden van ‘de ladder’ zijn hierbij komen te vervallen. De belangrijkste wijzigingen van de voorgaande regeling betreffen:  Voor de behoefte zijn de begrippen 'actuele' en 'regionale' geschrapt;  de nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt;  voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht;  er is een nieuw artikellid toegevoegd voor de Laddertoets bij uitwerkings- en wijzigingsplannen. De Laddertoets kan dan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan;  de huidige definities worden niet gewijzigd.

De uitgezette lijn in de jurisprudentie blijft hiermee in stand. Deze wijziging heeft als doel de regeling te vereenvoudigen, waarbij de effectiviteit van het instrument behouden moet blijven. Een onderzoek naar de behoefte heeft slechts tot doel na te gaan of een ruimtelijke ontwikkeling c.q. de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Concreet betekent dit dat met betrekking tot de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of economische gevolgen van die vestiging ruimtelijke effecten (bijv. leegstand) relevant zijn. Artikel 3.1.6. lid 2 van het Bro luidt als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

CroonenBuro5

10

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Concreet houdt dit in: eerst bepalen of een nieuwe ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, vervolgens kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, en daarna analyseren of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt.

Relevantie plangebied Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie van bestaande bestemmingsplannen en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Uitbreidingen of nieuwe stedelijke ontwikkelingen, die voorheen nog niet planologisch mogelijk waren, zijn op gronden van dit bestemmingsplan niet mogelijk. Wel zijn er nog onbenutte planologische bouwmogelijkheden die al wel planologisch zijn vastgelegd. Een onderbouwing volgens de ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde.

3.2.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft het Rijk in algemene regels aan waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In samenhang met het beleid dat is aangegeven in de SVIR, zijn deze regels vooral gericht op het veilig stellen van de nationale belangen waarvoor, gelet op de belangen, beperkingen gelden voor de ruimtelijke besluitvorming op lokaal niveau.

Relevantie plangebied In dit bestemmingsplan spelen geen nationale belangen een rol die zijn opgenomen in het Barro. De regels uit het Barro zijn dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

3.2.4

Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Op 10 december 2015 is het nieuwe Nationaal Waterplan vastgesteld. Het waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streven we naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. In het Nationaal Waterplan staan vijf ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;  Nederlanders leven waterbewust.

Relevantie plangebied Voor dit bestemmingsplan is een waterparagraaf opgenomen in paragraaf 4.7. Hierin is opgenomen welke waterhuishoudkundige thema's relevant zijn voor het plangebied en op welke manier daarmee wordt om gegaan.

CroonenBuro5

11

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Visie ruimte en mobiliteit Zuid-Holland (2014) De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld door Provinciale Staten op 9 juli 2014, (geconsolideerd in werking per 12 januari 2017) geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:  ruimte bieden aan ontwikkelingen;  aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit;  allianties aangaan met maatschappelijke partners;  minder toetsen op regels en meer sturen op doelen. Uitgangspunt hierin zijn vier zogenaamde rode draden: 1. het beter benutten en opwaarderen van bestaande netwerken en bebouwde gebieden; 2. het vergroten van de agglomeratiekracht; 3. het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Relevantie plangebied Het aspect die gericht is op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit staat centraal in dit bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan worden de bestaande groen- en waterstructuren ook als zodanig bestemd. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt daarmee veilig gesteld. Dit bestemmingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe ontwikkelingen die de ruimtelijke kwaliteit eventueel kunnen aantasten. De VRM bestaat uit: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte 2014, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. Hierna wordt ingegaan om deze beleidsstukken.

3.3.2

Verordening ruimte De Verordening ruimte 2014 is op 9 juli 2014 door Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland vastgesteld (geconsolideerd in werking per 29 juni 2018). In de Verordening ruimte zijn, op basis van de provinciale belangen zoals benoemd in de structuurvisie, regels opgenomen waaraan gemeentelijke bestemmingsplannen moeten voldoen. Er gelden onder meer regels voor de nieuwbouw van woningen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel, voor agrarische bedrijven en voor de ecologische hoofdstructuur. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet voldoen aan de in de verordening opgenomen voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Zo moet de ruimtelijke ontwikkeling passen binnen de aard en schaal van het gebied en voldoen aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen).

Relevantie plangebied In het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waar de provinciale verordening op van toepassing is.

CroonenBuro5

12

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

3.3.3

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Programma ruimte Het programma ruimte beschrijft de operationele doelen en de realisatiemix om doelen te (doen) bereiken. Ook wordt ingegaan op de rolverdeling en afspraken tussen gemeenten, regio’s en provincie. De realisatiemix uit het programma ruimte bestaat uit juridische, financiële en bestuurlijke instrumenten en nader uit te werken beleid. In de praktijk worden deze vrijwel altijd gecombineerd ingezet.

Relevantie plangebied In het Programma ruimte is geen specifiek beleid voor het plangebied opgenomen.

3.3.4

Programma mobiliteit In het programma mobiliteit staan de ambities en de provinciale belangen. Het programma mobiliteit kent een grotere dynamiek dan de visie. Het kan hierdoor bijvoorbeeld in samenhang met een nieuw collegeprogramma, elke vier jaar worden geactualiseerd. Daarbij wordt verbinding gelegd met de verschillende uitvoeringsprogramma’s, beleidsuitwerkingen en verordeningen zoals deze al bestaan voor mobiliteit.

Relevantie plangebied In het Programma mobiliteit is geen specifiek beleid voor het plangebied opgenomen.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Regionaal Structuurplan Haaglanden in 2020 Op 16 april 2008 heeft het algemeen bestuur van het Stadsgewest Haaglanden het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 (hierna: RSP) vastgesteld. Het RSP is een integraal plan voor:  de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden;  het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie;  lokale plannen, zoals bestemmingsplannen. Het RSP kijkt naar 2020 (met een doorkijk naar 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen.

Relevantie plangebied Het plangebied wordt in het regionale structuurplan niet aangewezen als een ontwikkel- of herstructureringslocatie. Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie van de geldende bestemmingsplannen. Nieuwe ontwikkelingen worden dan ook niet mogelijk gemaakt.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Toekomstvisie Pijnacker-Nootdorp 2040 Op 26 juni 2012 heeft de gemeenteraad de Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp vastgesteld. In deze visie wordt een eenduidige en consistente koers voor Pijnacker-Nootdorp uitgezet met oog voor de omgeving en de rol van de gemeente. De nieuwe toekomstvisie laat zien wat voor gemeente Pijnacker-Nootdorp wil zijn, waar zij met haar ontwikkeling heen wil en welke rol zij daarbij pakt. Pijnacker-Nootdorp is een herkenbare gemeente in een landelijke omgeving waar de stad nooit ver weg is. Een gemeente die in de regio een uniek woonmilieu wil bieden, met het

CroonenBuro5

13

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

groen buitengebied meerwaarde geeft en met de glastuinbouw de economie versterkt. Een gemeente die in drie woonkernen de basisvoorzieningen voor leefbare kernen garandeert, bewoners en ondernemers uitnodigt en faciliteert om maatschappelijk initiatief te ontplooien en waar nodig de regie oppakt om een vangnet te bieden en/of noodzakelijke ontwikkelingen in gang te zetten. Met deze visie op de toekomst verschuift de centrale ruimtelijke opgave van kwantiteit naar kwaliteit en van groei naar beheer, waarbij de rol van de gemeente in de ruimtelijke ontwikkeling verandert en nog meer varieert. Binnen de ruimtelijke kaders moeten de komende decennia ruimtelijke kwaliteitsverbeteringen tot stand komen die passen bij de eigenheid van en visie op PijnackerNootdorp. Om deze kwaliteitsverbeteringen te bereiken zijn een aantal aandachtpunten geformuleerd voor de programmatische uitwerking. Voor bouwen en wonen gelden de volgende aandachtspunten:  ruimtelijke contouren, doelen en kwaliteiten per gebied planologisch vastleggen;  functievermenging mogelijk maken in flexibele bestemmingsplannen;  uitnodigingsplanologie nader definiëren;  afronden eerder geprogrammeerde uitbreidingslocaties woningbouw;  invullen lokale woonwensen en wooncarrières;  regionaal afstemmen woningbouw en woonruimteverdeling.

Relevantie plangebied De in de toekomstvisie geschetste ontwikkelingslijnen zijn inmiddels uitgewerkt in nieuw beleid op het gebied van economie, ruimte en maatschappelijke ontwikkelingen in de ruimtelijke structuurvisie 2040. Deze ruimtelijke structuurvisie wordt in onderstaande paragraaf beschreven.

3.5.2

Ruimtelijke structuurvisie 2040 De Ruimtelijke Structuurvisie Pijnacker-Nootdorp 2040 ‘Ruimte maken …ruimte laten’ is op 20 februari 2014 door de raad vastgesteld. Deze visie is wat betreft economie vertaald in de Economische visie en op sociaal/maatschappelijk vlak vertaald in de Visie op het Sociaal Domein. De Ruimtelijk structuurvisie vormt het sluitstuk en geeft de ruimtelijke vertaling van de Toekomstvisie 2040, de Economische visie en de Visie op het Sociaal domein. De Ruimtelijke structuurvisie gaat over het hele grondgebied van de gemeente en laat zien welke geplande ontwikkelingen worden afgerond, wat voorgenomen (nieuwe) ontwikkelingen zijn en wat de hoofdzaken zijn van het ruimtelijk beleid. Deze integrale ruimtelijke visie schetst de contouren van de gemeente in 2040 en geeft antwoord op de ruimtelijke vraagstukken. Het zijn de contouren en de kaders van een streefbeeld, waarbij de gemeente de belangrijkste basisvoorzieningen garandeert en de regie neemt over projecten die niet door particulier initiatief tot stand komen. De ruimte die vervolgens ontstaat is vooral voor de eigenaren, beheerders en gebruikers om in te vullen en vorm te geven. Pijnacker-Nootdorp streeft naar drie herkenbare kernen met een hoge woonkwaliteit als aantrekkelijke vestigingsplaats waar de dorps- annex metropoolbewoner een eigen plek en baken voor continuïteit vindt.

Relevantie plangebied Voor de kern Nootdorp en specifiek het plangebied van dit bestemmingsplan wordt ingezet op de volgende punten om te komen tot een herkenbare kern met een hoge woonkwaliteit:  elementen die bijdragen aan de identiteit van de kern als geheel worden behouden, verbeterd en toegevoegd waar verbinding en oriëntatie ontbreekt;  gemengde structuren (langs linten en dorpscentra) worden behouden, uitgebreid en met elkaar verbonden;  woonzorgzones worden behouden en zo mogelijk verruimd;

CroonenBuro5

14

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

 vrijkomende accommodaties en ruimtes gaan functioneren als wijkschuur of brink: van en voor de wijk en maatschappelijke netwerken;  op buurtniveau meer mogelijkheden zijn voor kleinschalige initiatieven voor versterking van het sociaal en economisch netwerk zoals onder andere horeca. Op de onderstaande afbeelding is de uitsnede van de visiekaart ter plaatse van het plangebied opgenomen. Dit bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan waarin de feitelijke situatie wordt gehandhaafd. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet mogelijk gemaakt. Dit bestemmingsplan zorgt ervoor dat elementen die bijdragen aan de identiteit van de kern en de gemengde structuren langs de linten worden behouden.

Uitsnede visiekaart ter hoogte van het plangebied (Ruimtelijke structuurvisie Pijnacker-Nootdorp 2040)

CroonenBuro5

15

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

3.5.3

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Thematische structuurvisie duurzame energie & energieneutraliteit In februari 2016 is de thematische structuurvisie ‘Duurzame energie & energieneutraliteit’ vastgesteld. In deze thematische structuurvisie heeft de gemeente Pijnacker-Nootdorp de doelstelling geformuleerd om vanaf 2050 alleen duurzaam opgewekte energie te gebruiken, waarbij de warmtevraag wordt ingevuld met hernieuwbare energiebronnen en regionale restwarmte. Hierbij wordt binnen de gemeentegrenzen zo veel mogelijk energie bespaard en lokaal duurzaam opgewekt. Er zijn meerdere wegen op de route richting energieneutraliteit in 2050. Om die reden zijn een aantal specifieke tussendoelen per sector geformuleerd. Voor woningbouw is er gekozen voor de volgende strategie:  er is een duurzame mix per woning nodig van energiebesparing, zon, wind, warmte, water & lucht;  met besparing in bestaande woningbouw wordt in eerste instantie op kansrijke doelgroepen en natuurlijke momenten gericht;  er zal waar mogelijk bij collectieve initiatieven worden aangesloten (bijv.

wind, warmte, zonnepark);  nieuwbouw is of anticipeert zoveel als mogelijk op energieneutraliteit op basis van het ‘warmte tenzij principe’; De gemeente zal haar rol invullen door:  in nieuwbouwwijken uitsluitend Ledverlichting toe te passen en te investeren in het opwekken van duurzame energie;  de mogelijkheden van warmtekoude te onderzoek en daar waar mogelijk toe te passen;  woningen EPC-0 (gereed) te (laten) bouwen;  daar waar mogelijk (fysieke) ruimte te bieden aan particulier initiatief;  inwoners gebiedsgericht op natuurlijke momenten te informeren en te stimuleren;  inwoners structureel te informeren over de mogelijkheden om hun woning te verduurzamen en over te stappen op groene stroom;  afspraken te maken met corporaties en ontwikkelaars.

Relevantie plangebied Het plangebied betreft een bestaande woonwijk. Binnen het plangebied zijn geen nieuwe ontwikkelingen voor het realiseren van woningen mogelijk. De bestaande woningvoorraad vormt het belangrijkste bestanddeel van de taakstelling tot energieneutraliteit binnen de sector wonen. De gemeente neemt de regie voor de bestaande bouw met een wijkgerichte aanpak voor de energieverbetering van bestaande koopwoningen. De gemeente wilt dit met name doen door:  gebruik van groene stroom te stimuleren;  zoveel als nodig faciliteren van energiebesparingsmaatregelen door inwoners via diverse media.

CroonenBuro5

16

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

4

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

(Milieu)planologische aspecten Als onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.

4.1

Bodem

4.1.1

Algemeen Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en aantasting van de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming, Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. Opgemerkt wordt dat tijdens het opstellen van dit bestemmingsplan de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en hoogstwaarschijnlijk binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De pijlers hierbij zullen gericht zijn op de zorgplicht en het omgevingsplan. Het omgevingsplan heeft betrekking op twee soorten regels: algemene regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht en dergelijke) en regels die: ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ inhouden.

Om het gebruik van de ruimte beneden maaiveld duurzaam en optimaal te benutten zal bij ontwikkelingen of activiteiten in de onder- en/of bovengrond rekening moeten worden gehouden met de ruimtelijk ordening van de ondergrond in relatie tot de bovengrond, en vice versa. Onderzoek en sanerende maateregelen bij toekomstige (her)inrichting of bestemmingswijziging: Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van een locatie en/of bij grondverzet inclusief het verwijderen van grondgebonden objecten, dient een historisch (bodem)onderzoek conform de vastgestelde norm te worden uitgevoerd om mogelijk bodembedreigende activiteiten te achterhalen (huidige norm: NEN-5725). In het kader van het historisch onderzoek zal minimaal een terreininspectie moeten worden uitgevoerd, een gesprek met de (voormalige) eigenaar/beheerder van de locatie moet plaatsvinden, het raadplegen van historische kaarten, luchtfoto’s en landelijk bodemloket, en een bezoek aan het gemeentearchief moet worden gebracht (tenzij geen relevante informatie van de onderzoekslocatie bij de gemeente aanwezig is). Op basis van de beschikbare historische en/of milieuhygiënische (bodemkwaliteits)gegevens wordt bepaald of asbest-, water- en/of bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de geldende vastgestelde onderzoeknormen.

Een locatie wordt als asbestverdacht beschouwd indien nu of in het verleden op de locatie verhardingen, (zintuiglijk) verdachte terreindelen aanwezig zijn of zijn geweest (bijvoorbeeld (puin)dammen, (puin)funderings- of ophooglagen, bodemvreemde materialen, slootdempingen, etc.), en overige asbestgerelateerde of bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden (bijvoorbeeld opstallen met golfplaten, beschoeiingen, etc.). Indien een locatie als asbestverdacht kan worden beschouwd, zal een asbestinventarisatie van de bodem conform de vastgestelde norm moeten worden uitgevoerd (huidige norm: NEN-5707). Indien asbestverdacht bouwen/of sloopafval of (puin)granulaat wordt aangetroffen zal een asbestinventarisatie conform de vastgestelde norm moeten worden uitgevoerd (huidige norm: NEN-5897).

CroonenBuro5

17

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Voorafgaand aan de sloop dient voor aanwezige opstallen een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd conform de vastgestelde norm (huidige norm: SC540), om zorg te dragen dat bij de sloop van opstallen het aanwezige asbesthoudende materiaal, onder daarvoor geldende wet- en regelgeving voorafgaand aan de overige sloopwerkzaamheden, wordt verwijderd (conform de norm: SC530) en naar een erkend eind-verwerker wordt afgevoerd, zodat geen asbesthoudende materialen op en/of in de bodem achterblijven. Binnen het gebied zijn (mogelijk) locaties aanwezig, waarvoor in het kader van het Wet bodembescherming op dit moment bekend is en/of in de toekomst wordt vastgesteld, dat het een (mogelijk) ‘ernstig geval van bodemverontreiniging’ betreft en/of in het verleden is gesaneerd middels een isolatievariant of waar een restverontreiniging is achtergebleven. Voor de aanpak bij (her)inrichting of wijziging in het gebruik van deze locaties dient in het kader van de Wet bodembescherming goedkeuring te zijn verleend door het bevoegd gezag, te weten Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. De gemeente toetst de saneringsvariant van een ‘ernstig geval van bodemverontreiniging’ in het kader van de Woningwet en de saneringsvariant van een ‘niet-ernstige geval van bodemverontreiniging’.

Voor de aanpak van gevallen van asbestverontreiniging die vallen onder het Besluit asbestwegen Wms dient goedkeuring te zijn verleend door het bevoegd gezag, te weten Inspectie Leefomgeving en Transport. Voorafgaand aan het vrijkomen van baggerspecie en/of het dempen van een watergang dient voor het bepalen van de (milieuhygiënische) kwaliteit van baggerspecie een waterbodemonderzoek te worden uitgevoerd conform de vastgestelde norm (huidige norm: NEN-5720), voor zover het Besluit bodemkwaliteit geen vrijstelling kent. Tevens wordt geadviseerd om gelijktijdig monsters te nemen van de ondergrond onder de (aanwezige) baggerspecie, het volume van de aanwezige baggerspecie vast te (laten) stellen en een verwerkingsadvies voor de baggerspecie op te (laten) stellen.

Actualiteit milieuhygiënische (bodem)kwaliteitsgegevens: Sinds 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden, waaraan alle bij de overheid ter toetsing aangeleverde bodemkwaliteitsgegevens dienen te voldoen. Met de introductie van het Bbk is een nieuw standaard stoffenpakket geïntroduceerd en dienen onderzoeken en waar nodig bodemsanerende maatregelen te worden uitgevoerd door erkende bodemintermediairs (Kwalibo: Kwaliteitsborging in het bodembeheer). Bodemkwaliteitsgegevens die niet voldoen aan het Bbk kunnen niet als actueel worden beschouwd. Ook locatie specifieke omstandigheden kunnen van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Een (bodem)onderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Indien na het onderzoek op of nabij de locatie (bodembedreigende) activiteiten of calamiteiten plaatsvinden en/of in de omgeving (mobiele) verontreinigingen aanwezig zijn, kan de bodemkwaliteit hierdoor zijn of worden beïnvloed. Indien tijdens graafwerkzaamheden herbruikbare grond, baggerspecie en/of bouwstof vrijkomt en hergebruikt of afgevoerd gaat worden, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

In het kader van het Besluit bodemkwaliteit kan het noodzakelijk zijn om aanvullend op het bodemonderzoek een partijkeuring (AP04) uit te laten voeren om van de vrijkomende partij de verwerkings- en/of gebruiksmogelijkheden te kunnen classificeren.’

4.1.2

Onderzoek Voor elke functiewijziging, al dan niet naar een gevoelige functie, dient een onderzoek te worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. De bodem moet geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. Indien tijdens graafwerkzaamheden grond vrijkomt die afgevoerd moet worden en/of buiten de gemeentegrens hergebruikt gaat worden, dient er nog rekening te worden gehouden met het laten

CroonenBuro5

18

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

uitvoeren van een partijkeuring (AP04). Een verwerkingsbedrijf/acceptant en/of bevoegd gezag waar de grond verwerkt/hergebruikt gaat worden, eist voorafgaand aan de verwerking en/of toepassing van de grond als bodem, in de meeste gevallen een partijkeuring. Indien bekend is dat er grond gaat vrijkomen die afgevoerd moet worden dient voorafgaand de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond middels een AP04 vastgesteld te worden.

4.1.3

Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van de feitelijk situatie. Het gebruik van de bodem zal worden gehandhaafd en er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, waarvoor een bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’.

4.2

Geluid

4.2.1

Algemeen In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat indien met het bestemmingsplan de bouw van nieuwe geluidgevoelige functies/bebouwing (zoals woningen) of een nieuwe geluidbron (zoals de aanleg van een nieuwe weg) mogelijk worden gemaakt, het aspect geluidhinder onderzocht moet worden. De verschillende uitvoeringsbesluiten van de Wet geluidhinder zijn geregeld in het Besluit geluidhinder.

4.2.2

Conclusie plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in een actualisatie waarin de feitelijk situatie wordt vastgelegd. Het bestemmingsplan voorziet niet in het ontwikkelen van nieuwbouw van woningen of andere geluidgevoelige objecten. Tevens worden er ook geen nieuwe geluidbronnen mogelijk gemaakt. Daardoor is toetsing aan de gestelde grenswaarden in de Wgh niet aan de orde. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen wanneer sprake is van één of meer van de volgende gevallen:  er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden;  de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk;  het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht;  de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Niet in betekende mate Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt

CroonenBuro5

19

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

Besluit gevoelige bestemmingen In aanvulling op de Wet milieubeheer en het ‘Besluit niet in betekenende mate’ geldt het Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit gevoelige bestemmingen richt zich op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof en stikstofdioxide: met name kinderen en ouderen. Indien een ‘gevoelige bestemming’ (zoals een school, kinderdagverblijf of verzorgingstehuis) wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van een rijksweg (300 meter vanaf de rand van de weg) of een provinciale weg (50 meter vanaf de rand van de weg) is altijd – ook als het initiatief ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt – een toetsing aan de grenswaarden nodig. Als blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden, mogen de ‘gevoelige objecten’ worden gerealiseerd binnen de onderzoekszone.

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is een samenwerkingsprogramma van de Rijksoverheid en lokale overheden. NSL heeft als doel de luchtkwaliteit te bevorderen ten behoeve van de volksgezondheid. Het NSL bevat maatregelen waarmee wordt gewaarborgd dat wordt voldaan aan Europese grenswaarden, waarbij rekening wordt gehouden met de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen waarover binnen de looptijd van het NSL (sinds 2009) een besluit wordt genomen. Om overheden inzicht te geven in de actuele luchtkwaliteit is de NSL-monitoringstool ontwikkeld.

4.3.2

Onderzoek Dit bestemmingsplan is conserverend van aard. Nieuwe ontwikkelingen, waaronder het planologisch toevoegen van woningen, worden niet mogelijk gemaakt. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Hierbij vormen fijnstof en stikstofdioxide de belangrijkste verontreinigende stoffen. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen betreffen de Hofweg, de A12, Veenweg en Laan van Nootdorp. Rekengegevens tonen aan dat ter plaatse van twee rekenpunten aan de Hofweg en de A12 (rood omringd op de volgende afbeelding) de hoogste concentraties stikstofdioxide en fijnstof zijn berekend. Ter plaats van dit rekenpunt zijn de volgende concentraties berekend:  Stikstofdioxide (NO2): 34.2 μg/m3  Fijnstof (PM10): 20.7 μg/m3 Voor stikstofdioxide geldt een jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 en voor fijnstof geldt een jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 en een advieswaarde van 20 μg/m3. De concentraties stikstofdioxide en fijnstof blijven ruimt onder de grenswaarde. Voor fijnstof ligt de hoogst gemeten waarde rondom de advieswaarde.

CroonenBuro5

20

Ontwerpbestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Concentratie stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied (NSL-monitoringstool)

4.3.3

Conclusie plangebied Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Ypenburg – Nieuwe Veen 2020’.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1

Algemeen Om te bepalen welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van milieuhinder kunnen worden toegestaan, kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van milieuzonering is tweeledig: — door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen; — door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG-handreiking ingedeeld in milieucategorieën die variëren van categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve afstand van 1.500 meter). Als aan de indicatieve afstand kan worden voldaan, is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9887046/1