Bijlage 4d - Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021-2022 Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Er is vanuit gegaan dat 10 voertuigen per dag van en naar de locatie zullen komen ten behoeve van de ‘Natuurpoort’. In werkelijkheid zal dit aandeel een stuk lager liggen, omdat de bezoekers voor de ‘Natuurpoort’ voornamelijk in het weekend zullen komen. De bezoekers van de dagopvang/zorgboerderij zullen niet zorgen voor extra verkeersbewegingen, omdat deze te voet zullen komen vanaf de dagbestedingsruimte welke op loopafstand gelegen is. De manege is gelegen aan de Oudeweg en aan de Braslaan. Aan de zuidwestzijde van de bedrijfslocatie zal een directe ontsluiting naar de Braslaan komen. Deze ontsluiting wordt de hoofdingang voor gemotoriseerd verkeer. Langzaam verkeer zal via de ingang aan de Oudeweg het
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
33
terrein op komen. Het groot verkeer zal enkel in een lus om de 66 boxen heenrijden en niet verder het terrein oprijden om gevaarlijke situaties te voorkomen. De gemeente wil in de toekomst mogelijk een rotonde realiseren in de bocht van de Braslaan. Dit betekent dat de directe ontsluiting aan de Braslaan zal moeten komen te vervallen. Vanaf de rotonde zal dan echter ook een nieuwe afslag in zuidoostelijke richting worden aangelegd. Deze afslag zal aan de overzijde van de sloot grenzend aan het plangebied komen te liggen. Vanaf deze afslag zal dan een directe ontsluiting van het plangebied over de sloot worden gecreëerd. Op deze manier is dus al rekening gehouden met een eventuele rotonde in de bocht van de Braslaan. Zo worden de plannen van de gemeente niet belemmerd en worden extra hoge kosten vermeden. De ontsluitingsroute via de Braslaan is van dermate omvang dat een verhoging van verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding van de manege geen problemen zal geven omtrent het aspect verkeer.
4.10.2. Parkeren
Tevens is het van belang dat er voldoende parkeervoorzieningen voor auto’s (met trailers) zijn voor ruiters van de manege en voor bezoekers. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een eigen parkeernota vastgesteld waarin parkeernormen zijn opgenomen. Dit betreft de ‘Nota Parkeernormen’, aldus vastgesteld d.d. 21 juni 2021. In deze nota zijn voor verschillende functies parkeernormen vastgelegd om de parkeerbehoefte van een voorziening te kunnen bepalen. Voor de diverse (beoogde) functies binnen het plangebied gelden de volgende parkeernormen: - Bedrijfswoning (uitgegaan van woning duur): 2,0 parkeerplaats per woning; - Manege: 0,5 parkeerplaats per box; - Kleinschalige horecagelegenheid: 7,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Binnen het plangebied is één bedrijfswoning aanwezig. Dit betekent dat er ten behoeve van privé gebruik minimaal 2,0 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. De medewerkers en overige erfbetreders zoals adviseurs, dierenarts en vertegenwoordigers kunnen ook van deze parkeerplaatsen gebruik maken. In de beoogde situatie zijn er op de manege 160 paardenboxen aanwezig. Dit houdt in dat er minimaal 80 parkeerplaatsen gerealiseerd zullen moeten worden. Daarnaast zullen circa 7 parkeerplaatsen voor de horecagelegenheid gerealiseerd worden. Evenwijdig aan de Braslaan zal binnen het plangebied worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Er is tevens voldoende ruimte om trailers mee te nemen. Hiermee is verzekerd dat er geen onevenredige parkeerbelasting op de omgeving ontstaat. Op wedstrijddagen is redelijkerwijs meer parkeergelegenheden benodigd. Echter is al eerder aangegeven dat voor dergelijke incidentiele evenementen mag worden afgeweken van de ‘dagelijkse’ parkeereisen. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. Volledigheidshalve is in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd dat voor elk hoofdgebouw, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid op basis van de ‘Nota parkeernormen’ van de gemeente PijnackerNootdorp. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.11. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm).
In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
34
(PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft. Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer.
Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met de beoogde ontwikkeling wordt de uitbreiding van een bestaande manege mogelijk gemaakt. Voor deze functies dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zoals in voorgaande paragraaf is toegelicht zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de manege aan de Oudeweg 62 te Nootdorp als gevolg van de uitbreiding toenemen.
Op basis van de CROW is vastgesteld dat de uitbreiding resulteert in een toename op het een weekdaggemiddelde van 198 extra verkeersbewegingen per dag, daar er in de beoogde situatie 66 paardenboxen aan het plangebied worden toegevoegd. Daarnaast zullen de verkeersbewegingen van en naar de bedrijfslocatie toenemen als gevolg van de horecagelegenheid, welke tevens in gebruik zal worden genomen ten behoeve van passanten of bezoekers van de ‘Natuurpoort’. Vanuit een worst-case benadering is middels de NIBM-tool het effect van een toename van 400 verkeersbewegingen van en naar de inrichting per dag berekend. Hierbij is ook nog gerekend met een percentage vrachtverkeer van 30%, voor auto’s die met trailer naar de inrichting komen. Uit de berekening blijkt dat het initiatief in dat geval nog steeds NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zie Afbeelding 16. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
35
Afbeelding 16: Berekening NIBM-tool
4.12. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.12.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.
De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
36
groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.12.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. De Risicokaart Nederland is echter niet meer inzichtelijk voor gebruikers, waardoor de gemeente eventueel aanvullende informatie omtrent externe veiligheid kan aanleveren. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploiteren van een manege) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Er zijn geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen.
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruyven en ligt op meer dan 2,5 kilometer van het plangebied. Uit de toelichting van bestemmingsplan ‘Nootdorp Zuid’ blijkt dat de A4 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter. Uit de cRNVGS (per medio 2014 regeling Basisnet) blijkt dat voor de toekomst een veiligheidszone van 23 meter vanaf het hart van de weg geldt. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. De A12 heeft een PR 10-6 contour van 0 meter. Uit de cRNVGS blijkt dat voor de toekomst een veiligheidszone van 0 meter vanaf het hart van de weg geldt. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. De A13 heeft een PR 10-6 contour van 0 meter. Uit de cRNVGS blijkt dat voor de toekomst een veiligheidszone van 17 meter vanaf het hart van de weg geldt. De A13 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied valt ruim buiten de genoemde contouren. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In de vigerende bestemmingsplannen die in de omgeving van toepassing zijn (‘Noordorp-Zuid’, ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’ en ‘Balij-Bieslandse Bos 2021’) zijn geen dubbelbestemming omtrent leidingen opgenomen.
De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie
Gezien het voorgaande zijn er geen bezwaren voor het beoogd initiatief met betrekking tot externe veiligheid.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
37
4.13. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.14. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. Het laatste onderzoek dateert van 16 juni 2017 en is ingegaan op de effecten van de intensieve veehouderij op de omgeving.
Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. Wanneer er meerdere diercategorieën op een bedrijf worden gehouden, is er ook sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor paardenhouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Vooralsnog wordt er bij paardenhouderijen getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Daarnaast betreft de ontwikkeling een uitbreiding van paarden en worden er geen andere soorten dieren op het bedrijf gehouden. De nieuw te realiseren paardenverblijven worden op een zo groot mogelijk afstand naar de woningen in de omgeving gerealiseerd. Overige veehouderijen zijn niet in de nabije omgeving van het plangebied gelegen, waardoor er voor de beoogde bedrijfswoning geen negatieve gezondheidseffecten zullen zijn vanuit landbouwhuisdieren.
Bovendien blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing dat wordt voldaan aan de verschillende wetgeving voor diverse milieuaspecten. Er kan worden geconcludeerd dat de volksgezondheid in de omgeving van de manege daarmee afdoende wordt beschermd.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
38
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: Sport; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie; - Dubbelbestemming: Waterstaat – Waterkering; - Functieaanduiding: bedrijfswoning; - Functieaanduiding: manege; - Bouwvlak. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. De enkelbestemming en het bouwvlak zijn vergroot op de verbeelding van 14.550 m² naar 52.771 m². 5.2. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van de vigerende bestemmingsplannen. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.
Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap. De oppervlakte van bedrijfsgebouwen is gewijzigd van ten hoogste 3.416 m² naar ten hoogste 7.800 m2. Dit is noodzakelijk om het nieuwe bedrijfsgebouw (circa 4.290 m²), de nieuwe paardenboxen (circa 1.580 m²) en het te behouden bedrijfsgebouw van 1.860 m² planologisch toe te staan.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
39
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Oudeweg 62 te Nootdorp betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Planologische afweging Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de voorgenomen ontwikkeling aan de Oudeweg 62 te Nootdorp. De ontwikkeling bestaat uit het uitbreiden van het bestaande Hippisch Centrum Nootdorp. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Het plan loopt mee met de vaststellingsprocedure van het Veegplan van de gemeente. Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.
Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem, geur, ammoniak en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieuhygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door het geheel landschappelijk in te passen. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief een verantwoord initiatief betreft. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de planlocatie aan de Oudeweg 62 te Nootdorp doorgang vinden.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
40
7. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Beeldkwaliteitsparagraaf Bijlage 3: Watersleutel Hoogheemraadschap Delfland Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Archeologisch onderzoek Bijlage 6: Bodemonderzoek
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
41
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp Van Dun Ontwerp en Planologie is een handelsnaam van Van Dun Advies BV
42
Houtsingel (plantafstand 1,5 m driehoeksverband) plantmateriaal 80-100: Grove den (Pinus sylvestris) Ruwe Berk (Betula pendula) Hollandse Linde (Tilia vulgaris) Krent 80-100 (Amelanchier lamarckii) Rode kornoelje (Cornus sanguinea) Hazelaar (Corylus avellana)
m² 1500
st / m² 0,45
aantal 675
l
ge
n tsi
ou
h de
an
B
ta es
Aan te planten vrijgroeiende struweelhaag m¹ st / m¹ aantal plantmateriaal 80-100, plantafstand 2 m in rij: 135 0,5 68 Hazelaar, Krent, Veldesdoorn, Rode/Gele kornoelje, Sleedoorn of vergelijkbaar inheems Solitaire bomen Plantmateriaal 12-14: Grove den, Ruwe Berk, Hollandse Linde of vergelijkbaar inheems
)
m do
en
eig e t en
me
stuks 7
Natuurlijke weide Grasland (circa 5000 m²) Landschapsbomen: Grove den, Ruwe Berk, Hollandse circa 30 Linde of vergelijkbaar inheems Poel (circa 200 m²)
e
ng
si ut
e nd
e l (g
ho
et m l ide poe e e w n en k j i e l ur m tu sbo a n n chap e g s leg land e n t d, Aa aslan gr
taa
s
Be
el
u
ng tsi
o nh
ag
a elh
we
de
u str
n eie
ten n la
A Opgesteld door: Datum: Schaal: Project:
p te n Aa n me o eb air
t
oli
ns e t lan
o jgr i r v
p te n a
T.M.C van Hooijdonk 22-02-2021 1 : 1500 17085-011
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
|
OUDEWEG 62 NOOTDORP
n Aa
te
nte a l p
P
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Maart 2021
MEI 2020
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP
BEELD VAN DE LOCATIE De manege is gelegen aan de zuidoostkant van Nootdorp. Het is gelegen tussen glastuinbouw en het Bieslandse bos met de Dobbeplas. Op dit moment bestaat de manege uit een binnenrijbak (20 x 40 meter), een kantine en 104 stallen. Daarnaast zijn op de locatie een overdekte uitloop/kleine rijbak, 3 buitenrijbanen, een overdekte stapmolen, longeercirkel, crossweide en een opslagruimte aanwezig. De opgaande beplanting langs de Braslaan bestaat uit struiken, riet in de watergang en een bomenrij. Naast de bestaande binnenrijbak is een houtsingel te vinden. Verder bestaat de locatie uit een open gebied, met een grote watergang in het oosten en zuiden ervan (zie afbeelding 1). Gezien de grote vraag aan rijlessen, de overvolle bezetting van de huidige voorzieningen, de veranderende eisen van klanten en de hogere eisen vanuit de maatschappij (dierenwelzijn) is initiatiefnemer voornemens om het Hippisch Centrum Nootdorp uit te breiden. In de beoogde situatie wordt een nieuw bedrijfsgebouw (circa 33 x 130 meter) gerealiseerd met daarbinnen twee pistes waarvan op één piste (20 x 60 meter) eventueel wedstrijden gehouden kunnen worden, paardenboxen (60 stallen), kantine en opslagruimte.
Daarnaast wil initiatiefnemer een tweede overdekte stapmolen (doorsnede 15/20 meter), longeercirkel (doorsnede 15/20m), buitenrijbaan, parkeer (overloop)terrein aanleggen en buitenstallen met overkapping, direct aan de eigen paddocks gelegen voor een vrije uitloop.
Afbeelding 2: De bestaande bebouwing, houtsingel en paardenweides
Afbeelding 3: Zicht vanaf de Braslaan met Bieslandse bos op de achtergrond
Afbeelding 1:Vogelvluchtfoto van de bestaande situatie Afbeelding 4: Bestaande bebouwing met het Bieslandse bos op de achtergrond
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP
BEELDKWALITEIT In de volgende paragrafen wordt de gewenste inrichting van het plangebied omschreven op basis van verschillende elementen. Aan de hand van de uitgangspunten die in de volgende paragrafen zijn opgesteld, wordt de gewenste uitstraling van het plangebied en bebouwing bepaald. Stedenbouwkundige inpassing Voor de stedenbouwkundige inpassing zijn de verschillende contouren (milieucirkels) van de (toekomstige) infrastructuur, woningen, bedrijven en molenbiotoop in de buurt van grote invloed voor de stedenbouwkundige inpassing (zie afbeelding 5).
Afbeelding 5: Contouren
De functies kantine, opslag, stallen en een binnenpiste worden verenigd in één gebouw. Het hoofdgebouw zal centraal op de locatie worden gesitueerd, bij de bestaande bebouwing, maar met zicht op de bestaande buitenpistes en met behoud van doorzichten naar het achterliggende landschap. De bezoekers van de kantine en bijbehorend terras kunnen dan uitkijken op de bestaande buitenrijbanen. De overkapping met de 66 boxen wordt haaks aan de andere gebouwen voorgesteld. Aan deze zijde van de Braslaan blijft het zicht naar het Bieslandse bos gehandhaafd. De Braslaan is iets hoger gelegen en tussen de opgaande beplanting zal het bos nog steeds zichtbaar zijn. Open ruimtes zoals de springtuin en de paddocks zullen voornamelijk langs de Braslaan gesitueerd worden zodat enkele doorzichten tussen de opgaande beplanting gehandhaafd kunnen blijven.
Afbeelding 6: Stedenbouwkundige inpassing
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP
Landschappelijke inpassing De manege zelf krijgt een landelijk, groen karakter waarbij de openheid van het plangebied tot uiting komt middels enkele doorzichten. De manege wordt langs de Brasbaan reeds begrenst door een bestaande houtsingel. Deze opgaande beplanting zorgt voor een verzachting in de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen van de manege. Doordat deze beplanting geen ‘groene muur’ is, zijn zichtlijnen naar het achtergelegen Bieslandse bos mogelijk. Op de voorgrond zijn dan tussen de opgaande beplanting de paarden in de paddocks te zien. Aan de zuidoostzijde van het plangebied wordt een nieuw aan te planten houtsingel beoogd zodat de beleving van de inrichting vanaf het bos wordt verzacht. Het nieuwe gebouw met de binnenpiste zal niet geheel uit het zicht verdwijnen maar krijgt op deze maneir wel een groene aanblik. Ook is door deze houtsingel enkele doorzichten mogelijk. Het beoogde parkeerterrein is een reeds lager gelegen terrein, vergeleken met de Braslaan.
Naast dit niveauverschil zal de bestaande houtsingel de voertuigen zoveel mogelijk aan het zicht worden onttrekken. De springtuin wordt aan twee zijden voorzien van een vrijgroeiende lage struweelhaag. Ook worden solitaire bomen voorzien bij de longeercirkel en stapmolen om het geheel een groenere uitstraling te geven. Ten slotte is in het oosten een grasland beoogd met verschillende landschapsbomen en een poel.
Houtsingel (plantafstand 1,5 m driehoeksverband) plantmateriaal 80-100: Grove den (Pinus sylvestris) Ruwe Berk (Betula pendula) Hollandse Linde (Tilia vulgaris) Krent 80-100 (Amelanchier lamarckii) Rode kornoelje (Cornus sanguinea) Hazelaar (Corylus avellana)
m² 1500
Aan te planten vrijgroeiende struweelhaag
st / m² 0,45
aantal 675
m¹ st / m¹ aantal plantmateriaal 80-100, plantafstand 2 m in rij: 135 0,5 68 Hazelaar, Krent, Veldesdoorn, Rode/Gele kornoelje, Sleedoorn of vergelijkbaar inheems Solitaire bomen Plantmateriaal 12-14: Grove den, Ruwe Berk, Hollandse Linde of vergelijkbaar inheems
Afbeelding 7: Landschappelijke inpassing
stuks 7
Natuurlijke weide Grasland (circa 5000 m²) Landschapsbomen: Grove den, Ruwe Berk, Hollandse circa 30 Linde of vergelijkbaar inheems Poel (circa 200 m²)
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP
Architectuur In het plan worden twee nieuwe gebouwen gerealiseerd: Overdekte buitenstallen (66 boxen) en een hoofdgebouw met ontvangst en twee binnenpistes waarvan één hiervan wedstrijdafmetingen heeft. Uitstraling: • Passend in een landelijke, groene omgeving; • Hoogwaardige uitstraling (visitekaartje voor het bedrijf én de omgeving). Vorm: • Een eenduidige hoofdvorm, het hoofdgebouw is met de nokrichting evenwijdig aan de Braslaan gesitueerd; • Het hoofdvolume is voorzien van een duidelijke geleding, om de lengte iets te ‘breken’. Dit bijvoorbeeld door middel van aankapping(en) haaks op het volume (zie afbeelding 8). Materiaal en kleurgebruik: • Toepassing van natuurlijke materialen zoals hout, baksteen etc; • Kleuren met donkere tinten, aarde tinten, terra etc. De dakbedekking bestaat ook uit een donkere kleur.
Afbeelding 8: Voorbeeld architectuur. Manege Heijligers te Asten
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022
Bijlage 3
Archeologisch onderzooek locatie A
71
Delftse Archeologische Notitie 271
Veenweg 10, Nootdorp, gemeente PijnackerNootdorp Een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Iris de Fuijk & Bas Penning
Delftse Archeologische Notitie 271
Veenweg 10, Nootdorp, gemeente PijnackerNootdorp Een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Iris de Fuijk & Bas Penning
Opdrachtgever: Gemeente Pijnacker-Nootdorp Contactpersoon: R. Broekhuijzen Bevoegde overheid: Gemeente Pijnacker-Nootdorp Contactpersoon: L. Bekkers Beheer documentatie: Provincie Zuid-Holland Type onderzoek: Bureau- en verkennend booronderzoek Periode van uitvoer: Juni/juli 2021 Aanleiding: Nieuwbouw Locatie: Veenweg 10 Coördinaten: 86478/451478 Zaakidentiteitsnr. Archis: 5092157100 Projectcode: PN067 Projectleider: I. de Fuijk (MA) Projectmedewerker: B. Penning (MA) & drs. J.P. Baks Status: Definitieve versie 5 augustus 2021 Goedkeuring adviseur bevoegde overheid: 5 augustus 2021 Autorisatie:
drs. J.P. Bakx ISSN: 1879-9590 © 2021 Archeologie Delft Postbus 78 2600 ME Delft 015-2197198 archeologie@delft.nl www.archeologie-delft.nl
Samenvatting Er zijn plannen om op het perceel Veenweg 10 in Nootdorp (gemeente PijnackerNootdorp) een deel van de huidige bebouwing te slopen en om een nieuwe woning te bouwen. Om op voorhand duidelijk te hebben of op deze locaties archeologische waarden aanwezig zijn die met toekomstige werkzaamheden in het geding kunnen komen, heeft Archeologie Delft heeft van de gemeente Pijnacker-Nootdorp de opdracht gekregen om een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uit te voeren. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er een lage verwachting geldt voor archeologische vindplaatsen vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Er geldt een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen. Vanaf de Late Middeleeuwen lag het plangebied ter hoogte van een veenkade waar vanuit veenontginningen plaatsvond en waarlangs bewoningslinten zijn ontstaan. Om de archeologische verwachting te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het booronderzoek is gebleken dat er binnen het plangebied deels gedeeltelijk een intacte bodem aanwezig is, maar dat de top van het niveau waarop zich sporen kunnen bevinden verstoord is. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.
Daarom wordt geadviseerd geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren binnen het plangebied. De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij het bevoegd gezag, de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
Inhoudsopgave
2
Samenvatting
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Beleid gemeente Pijnacker-Nootdorp ten aanzien van archeologie 1.4 Bestemmingsplan
7
2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden en richtlijnen 2.2 Historisch grondgebruik en bekende verstoringen 2.3 Geologie 2.4 Milieukundig booronderzoek 2.5 Archeologisch onderzoek rondom het plangebied
14
3 Gespecificeerde archeologische verwachting en advies 3.1 Gespecificeerde archeologische verwachting 3.2 Advies voor vervolgonderzoek
16
4 Veldwerk 4.1 Richtlijnen 4.2 Onderzoeksmethoden 4.3 Resultaten veldwerk 4.4 Beantwoording van de onderzoeksvragen
19
5 Conclusie en aanbevelingen na booronderzoek 5.1 Conclusie 5.2 Aanbevelingen na booronderzoek
20 21
Bibliografie Overzicht van afbeeldingen en bijlagen
23
Bijlage 1: boorbeschrijvingen
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Er zijn plannen om op het perceel Veenweg 10 in Nootdorp (gemeente PijnackerNootdorp) een deel van de huidige bebouwing te slopen en om een nieuwe woning te bouwen. Om op voorhand duidelijk te hebben of op deze locaties archeologische waarden aanwezig zijn die met toekomstige werkzaamheden in het geding kunnen komen, heeft Archeologie Delft heeft van de gemeente Pijnacker-Nootdorp de opdracht gekregen om een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uit te voeren. Het bureauonderzoek heeft als doel een archeologische verwachting op te stellen om inzicht te krijgen in de mogelijk aanwezige archeologische waarden in de plangebieden. Het verkennend booronderzoek heeft als doel om deze gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en eventueel aan te vullen en om inzicht te krijgen in de bodemopbouw van de plangebieden. Het verkennend booronderzoek draagt bij tot het selecteren van zones die kansrijk zijn voor het aantreffen van archeologische resten en tot het uitsluiten van zones waarin geen archeologische resten worden verwacht. Daarnaast kan het verkennend booronderzoek bijdragen aan het verkrijgen van informatie over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.
Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van eventuele archeologische vindplaatsen.
1.2 Plangebied en voorgenomen ontwikkeling
86600
86450
Esri Nederland, beeldmateriaal.nl 86600
Afbeelding 1: het plangebied geprojecteerd op een luchtfoto.
0
451400
451550
×
86450
451400
451550
Het plangebied bestaat uit het perceel ter hoogte van de Veenweg 10 in Nootdorp (gemeente Pijnacker-Nootdorp) (afbeelding 1). Op het perceel staat een monumentaal pand en een schuur. Het plangebied bestaat verder deels uit bestrating en deels uit
25
50
100
Meters
Plangebied
4
gras/tuin. De centrumcoördinaat is 86478/451478 en de oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 1.365 m2. De maaiveldhoogtes variëren tussen 1,651,70 m -NAP aan de noordwestzijde en 2,70-3,15 m -NAP aan de zuidoostzijde.1
1.3 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkelingen bestaan uit een verbouwing van het monumentale pand, het slopen van de bestaande schuur en het bouwen van een nieuw pand (afbeelding 2). De plannen bevinden zich nog in de conceptfase. Bij de verbouwing van het monumentale pand zullen een aantal ondergrondse werkzaamheden plaatsvinden (afbeelding 2): zowel de bestaande vloer als de kelder worden gesloopt. De bestaande fundering van het pand zal hierbij worden behouden. De kelder heeft een omvang van 7,38 m2. De precieze omvang en diepte van de vloer en de diepte van de kelder is niet bekend. Daarom is ook nog niet bekend wat de omvang van de sloop zal zijn. Daarnaast zal het monumentale pand aan de binnenzijde verstevigd worden aan de binnenzijde door middel van palen. Het palenplan is ook nog niet bekend. Naast de sloop wordt er een uitbouw gebouwd aan een zijde van het monumentale pand met een omvang van 18,65 m2. Het is nog niet bekend wat hierbij de ondergrondse verstoring zal zijn. De schuur heeft een omvang van 92 m2 en wordt zowel bovengronds als ondergronds gesloopt (afbeelding 2). Het is niet bekend hoe en tot hoe diep de schuur is gefundeerd. Het nieuwe pand betreft een woning met een kelder van in totaal 96 m2 (afbeelding 2). De kelder wordt naar verwachting circa 35 m2. De funderingen van het nieuwe pand komen op 0,90 m -peil te liggen.
De hoogte van het peil is nog niet bekend. De dieptes waarop de vloeren en de kelder en de vloeren zijn ook nog niet bekend.
1.3 Beleid gemeente Pijnacker-Nootdorp ten aanzien van archeologie
www.ahn.maps.arcgis.com, geraadpleegd op 29-6-2021. 1
2
In 2010 heeft de gemeente Pijnacker-Nootdorp de archeologische beleidskaart met toelichting vastgesteld.2 Door middel van het vaststellen van de kaart maakt de
Kerkhof 2010.
86450
86480
86510
Afbeelding 2: het plangebied voorgenomen ontwikkelingen.
en
0
451460
451460
451490
86480
451490
×
86450
5
10
Plangebied
20
Esri Nederland, beeldmateriaal.nl 86510
Meters
Nieuwbouw
Sloop
Verbouwing
5
×
86600
451400
451550
86450
451400
451550
Afbeelding 3: de plangebieden geprojecteerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
Het Kadaster 86600
86450
0
25
50
100
Meters
Plangebied Hoog, maximale verstoring:100 m² & 0,30 m -MV Middelhoog, maximale verstoring:200 m² & 0,30 m -MV
gemeente gebruik van de wettelijke mogelijkheid om onderbouwd af te wijken van de vrijstellingsnorm voor bodemingrepen van 100 m2. De beleidskaart is in een groot aantal bestemmingsplannen opgenomen en zal ook in nieuwe bestemmingsplannen worden opgenomen. Om de omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden goed, maar ook zinvol te laten verlopen, wordt in de gemeente Pijnacker-Nootdorp alleen archeologisch (voor)onderzoek vereist wanneer de aard van de bodemingrepen dusdanig is dat er daadwerkelijk schade aan het bodemarchief kan optreden. De verschillende beleidszones vereisen dan ook elk een eigen benadering voor wat betreft de vrijstelling van archeologisch onderzoek voor bodemverstoringen tot een bepaalde diepte en omvang. Volgens de beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (afbeelding 3). De vrijstellingsgrens die gehanteerd wordt voor deze zone is maximaal 100 m2 met een ontgravingsdiepte van maximaal 50 cm onder maaiveld.
1.4 Bestemmingsplan
Gemeente Pijnacker-Nootdorp (vastgesteld 19-12-2019), NL.IMRO.1926.bp0001801214001. Geraadpleegd via www. ruimtelijkeplannen.nl op 29-6-2021. 3
In het plangebied is het bestemmingsplan ‘Ypenburg-Centraal’ van toepassing.3 Op de plankaart van dit bestemmingsplan is sprake van een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Dit houdt in dat er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden wanneer een ontwikkeling een oppervlakte heeft groter dan 100 m2 en de bodem dieper wordt geroerd dan 30 cm onder peil. Met peil wordt hierbij volgens het bestemmingsplan bedoeld: het punt waar vanuit de hoogte van bouwwerken (of onderdelen) wordt gemeten: a. De hoogte van de kruin van de weg: in geval van een gebouw waarvan de hoofdtoegang direct aan die weg grenst en de onderzijde van de hoofdtoegang op maximaal 0,25 m boven of onder de hoogte van de kruin is gelegen; b. In andere gevallen de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw.
6
2 Bureauonderzoek
2.1 Methoden en richtlijnen Het doel van dit bureauonderzoek is het verzamelen van alle bekende gegevens met betrekking tot de verstoringen, geologie, historische-geografie en archeologie in de omgeving van de plangebieden. Aan de hand van deze gegevens kan een archeologische verwachting worden opgesteld. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van de informatie uit het Archeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN), de geologische kaart Westland-Delfland4 en overige bronnen. Het bureauonderzoek is uitgevoerd volgens de eisen zoals deze zijn opgesteld in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; http://www.sikb.nl).
2.2 Historisch grondgebruik en bekende verstoringen
www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/ RP-P-OB-4525, geraadpleegd op 5-72020.
86450
86600
86450
86600
451400
451400
451550
451700
×
86300
86300
Afbeelding 4: het plangebied geprojecteerd op de kaart van Kruikius uit 1712.
0
451700
Vos et al. 2017.
5
451550
4
Het bestuderen van het historisch grondgebruik van de plangebieden kan informatie verschaffen over eventuele archeologische vindplaatsen. Uit de bestudering van oud kaartmateriaal kan blijken of de plangebieden in het verleden bebouwd zijn en of er bijvoorbeeld (water)wegen in de plangebieden aanwezig zijn geweest. Ook kunnen ontgravingen en ophogingen door middel van oude kaarten soms in beeld worden gebracht. De oudste kaart waar het plangebied volledig op staat afgebeeld dateert uit 1612 en is de kaart van Delfland gemaakt door Floris Balthasarsz. van Berckenrode.5 Daarop is te zien dat het plangebied ten noorden van het dorp Nootdorp is gelegen dat is ontstaan langs ontginningswegen zoals de Molenweg. Het plangebied ligt aan de ontginningsweg De Nieuwer Veense Weg, die later de Veenweg wordt genoemd.
50
100
200
Meters
Plangebied
7
86600
86450
86600
451700
86450
451400
451400
451550
451700
×
86300
451550
Afbeelding 5: Het plangebied geprojecteerd op de Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Nootdorp, Zuid-Holland, sectie C, blad 01 (MIN08140C01). Bron: https:// beeldbank.cultureelerfgoed.nl/.
86300
0
50
100
200
Meters
Plangebied
×
451400
451400
451600
86600
451600
86400
Esri Nederland, AHN 86600
86400
Afbeelding 6: plangebied geprojecteerd op de AHN.
0
45
90
180
Meters
Plangebied
8
Het land tussen de Veenweg en het dorp waarbinnen ook het plangebied ligt, betreft het ontgonnen veengebied De Nieuwe Veen. Een eeuw later is op de meer gedetailleerde kaart van Kruikius te zien dat het veengebied in de polder West Negentigmorgen lag en bestond uit vele smalle ontginningsstroken met daartussen sloten (afbeelding 4).6 De sloten hebben een noordwest-zuidoost oriëntatie en één loopt door het plangebied heen. Het plangebied zelf was in deze periode onbebouwd. Aan het einde van de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw bestond de omgeving van Nootdorp dankzij de veenontginngingen voornamelijk uit water.7 Het Kadastrale Minuutplan van Nootdorp uit 1811-1832 toont aan dat het plangebied in een waterrijk gebied lag op een van de kleine, overgebleven stroken land (afbeelding 5). Het zuidwesten lag ter hoogte van water. Op de kaarten is te zien dat het plangebied zelf onbebouwd was en uit weiland bestond.8 In 1845 werd de polder rondom Nootdorp drooggemalen.9 Tot de jaren twintig van de vorige eeuw bleef de situatie hetzelfde in het plangebied.
Vanaf dan kwam er bebouwing binnen en rondom het plangebied en worden ten zuiden van het plangebied kassen aangelegd.10 Op de kaart van de AHN is te zien dat weg ter hoogte van de veenkade, waaraan het plangebied ligt, hoger ligt dan het plangebied (afbeelding 6) Binnen het plangebied liggen riolering en diverse kabels en leidingen. Met de aanleg hiervan zal de bodem en eventuele archeologische resten mogelijk verstoord zijn. De milieukundige condities en het grondwaterpeil binnen de het plangebied zijn onderzocht door middel van een milieukundig boor- en sleuvenonderzoek. Hieruit is gebleken dat er sprake is van lichte verontreiniging in de bodem en een asbestweg van 80 m3.11 De huidige stand van het waterpeil bevindt zicht op 4,60 m –NAP.12
2.3 Geologie
Kruikius & Kruikius 1712; kaartblad 14. 6
7
Janssen & Lammers 2004, 74.
Percelen 601 en 602 op Kadastrale kaart 1811-1832: oorspronkelijke aanwijzende tafel Nootdorp, Zuid-Holland, sectie C, blad 021 (OAT08140C021). 8
9
Kerkhof 2010, 39.
www.topotijdreis.nl, geraadpleegd op 5-7-2020. 10
11
Bloom 2019.
http://hhdelfland.maps.arcgis. com/apps/webappviewer/index.html? id=0278b4d958fd4cceba74bb8d1db ce308, geraadpleegd op 30-6-2021. 12
Vos et al. 2017, tabel 11. Deze eenheid , onderdeel van het Laagpakket van Walcheren en Wormer, vervangt lagen Calais II t/m IV en ligt doorgaans tussen 3,50 m en 10 m -NAP. 13
14
Vos et al. 2017.
Kerkhof 2009, 25, afbeelding 5, 26, 50. 15
In het verleden bestond er vaak een nauwe relatie tussen de locatie van nederzettingen en de bodemgesteldheid. Deze relatie werd vaak sterker naarmate de natuur meer beperkingen voor het permanent vestigen van de mens oplegde. Zo was in West-Nederland de aanwezigheid van een droge ondergrond één van de belangrijkste vestigingsfactoren in een gebied dat regelmatig door binnendringend zeewater werd bedreigd. De archeologische verwachting van de plangebieden wordt dan ook in hoge mate bepaald door de geologische ondergrond. Volgens de geologische kaart van het Westland en Delfland ligt binnen het plangebied Hollandveen met daaronder het Laagcomplex van Delfland. De top van de zandafzettingen van het Laagcomplex van Delfland of de Laag van Rijswijk liggen ondieper dan 5 m -NAP (afbeelding 7).13 De afzettingen van het Laagcomplex van Delfland zijn vanaf ongeveer 4500 voor Chr. afgezet in een periode waarin het plangebied onder sterke invloed van de zee was.14 Het landschap rondom de plangebieden bestond uit een dynamisch waddengebied dat doorsneden werd door getijdengeulen. Tijdens de overstromingen werden dikke lagen zandige en kleiige sedimenten afgezet. Als de zee zich (tijdelijk) weer terugtrok en daarmee ook de afwatering stagneerde, trad vernatting en veengroei op in het waddengebied.
In deze periode waren de hoger gelegen geulafzettingen, getijvlakten en duinen aan de kust geschikt voor bewoning. Vanaf 4000 voor Chr. bouwde de kustlijn zich geleidelijk uit in westelijke richting, waardoor reeksen strandwallen ontstonden, die van oost naar west jonger werden. Door opstuiving van zand ontstonden op deze strandwallen duintjes. De lage strandwallen behoren tot de Laag van Rijswijk, de opgewaaide duintjes tot de Laag van Ypenburg. Deze duintjes kunnen ten noorden van Nootdorp in of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn.15 Rond 3200 voor Chr. hadden zich permanente strandwallen aan de kust gevormd. De invloed van de zee nam af en ook de afwatering. Als gevolg trad er in het achterland vernatting op en begon het Hollandveen te groeien. Het plangebied lag in de daaropvolgende eeuwen in een veengebied. Vanaf het begin van de 3e eeuw na Chr. nam de vernatting en veengroei wederom toe en daarmee werd het minder gunstig om te wonen binnen de plangebieden. Deze vernatting heeft onder andere te maken met een verslechtering van de ontwatering. Daarbij speelde de verplaatsing van het zeegat zuidwaarts richting de
9
×
86600
451400
451400
451550
86450
451550
Afbeelding 7: geologische ondergrond van de plangebieden (Vos et al. 2017).
86450
0
30
60
86600
120
Het Kadaster
Meters
Plangebied Hollandveen, op Laagcomplex van Delfland/Laagpakket van Wormer en waar de top van de zandafzettingen van het Laagcomplex van Delfland en / of de Laag van Rijswijk ondieper liggen dan 5 m -NAP Laagcomplex van Delfland aan maaiveld en waar de top van de zandafzettingen van het Laagcomplex van Delfland of de Laag van Rijswijk ondieper liggen dan 5 m -NAP
huidige Maasmond een grote rol.16 Deze situatie veranderde in Pijnacker-Nootdorp vanaf de Late Middeleeuwen (circa 1050-1550 na Chr.) toen de veengebieden ontgonnen werden en er droogmalingen plaatsvonden. Huizen werden gebouwd op opgeworpen hogere gronden (terpen) nabij watervoerende geulen. Het veen dat aan het oppervlak lag werd op grote schaal afgegraven en verdween grotendeels. In deze periode greep de mens steeds meer in het landschap in, waardoor men minder afhankelijk werd van geologisch aantrekkelijke woonlocaties. De bewoning werd meer gebonden aan de nieuw ontstane bewoningslinten en ontginningsassen op de veenkades in de ontginningsgebieden. Het bevindt zich ter hoogte van de veenkade waarop de Veenweg is gelegen.
2.4 Milieukundig booronderzoek
16
Vos et al. 2017, 39.
17
Bloom 2019.
Bij een milieukundig bodemonderzoek in 2019 zijn in totaal 10 sleuven gegraven en 8 boringen gezet tot 1,0-1,50 m -mv (afbeelding 8).17 De top van de bodem bestond uit een of meerdere puinlagen met zand of puinhoudend, soms kleiig zand, met daarin sporen van puin en vaak ook aardewerk, baksteen, glas. Deze laag of lagen waren over het algemeen donker zwartbruin of zwartgrijs van kleur. De lagen waren aanwezig tot 0,40-1,10 m -mv. Enkele sleuven bestonden geheel uit puin of puinhoudende lagen (sleuven 2, 3, 4 en boringen 11, 12). Onder het puin of de puinhoudende lagen lag in enkele boringen donker zwartbruin, matig grof, uiterst humeus en kleiig, zand (sleuven 8, 10 en boringen 13 t/m 17). Deze laag is aangetroffen vanaf 0,40-0,90 m -mv. Het betreft hier vermoedelijk de veenkade. Onder deze laag lag in een aantal sleuven en boringen (sleuf 8 en boringen 15 t/m 17) lichtgrijs of grijsbruin, matig tot sterk zandige en matig siltige klei. In sommige gevallen lag deze kleilaag direct onder het puin (sleuf 1, 5, 6, 7, 9 en boring 18). Deze kleilaag is aangetroffen vanaf 0,50-1,10 m -mv.
10
×
86450
86500
. !
13
2! . . !
. ! 11
10
. !
451500
451500
Afbeelding 8: boorlocaties milieukundig booronderzoek.
12
. !
14
. ! . ! . !
9
8
1
. !
15
. !
! . 16
7
. !
18
. ! . !
17
. !
6
5
0
Esri Nederland, Kadaster; Het Kadaster 86500
451450
451450
3 ! 4 . . !
86450
5
10
Plangebied
20
. !
Meters
Locaties boringen
. !
Locaties inspectiesleuven
Dit betreffen vermoedelijk afzettingen van het Laagcomplex van Delfland. De aanwezigheid van de puin- en zandpakketten met puin is een aanwijzing dat de top van de bodem uit een ophogingspakket bestaat tot 0,40-1,10 m -mv. Hieronder is vermoedelijk de natuurlijke ondergrond aangetroffen, bestaande uit Hollandveen op het Laagcomplex van Delfland. Omdat het milieukundig veldonderzoek geen archeologische boringen betreft, kunnen de resultaten niet exact gerelateerd worden aan de geologische ondergrond van het plangebied.
2.5 Archeologisch onderzoek rondom de plangebieden
De nummers die in deze paragraaf genoemd worden, staan in afbeelding 6. 18
19
Oude Rengerink 1996.
20
Oude Rengerink 1996, kaartbijlage
4. 21
Koot et al. 2008.
Bakx & De Fuijk 2020; Onderzoekmeldingsnummer: 4918794100. 22
Rondom het plangebied zijn wel enkele archeologische onderzoeken en vondstmeldingen en/of vondstlocaties bekend. In deze paragraaf worden nabijgelegen onderzoeken besproken die binnen een buffer liggen van circa 500 m ten opzichte van het plangebied (afbeelding 9).18 Overlappend met het plangebied is een grootschalige veldkartering en karterend booronderzoek op het voormalige militaire vliegveld Ypenburg (1).19 De boringen zelf overlappen niet met het huidige plangebied.20 Uit het booronderzoek is gebleken dat er in het plangebied een onbekende strandwal met daarop duinen aanwezig is. Bij de oppervlaktekartering zijn twee vindplaatsen aangetroffen die te dateren zijn in de Late Middeleeuwen. Tijdens het booronderzoek zijn twee vindplaatsen aangetroffen op twee duinen op een strandwal (de Laag van Rijswijk). Eén vindplaats is gedateerd in het Midden Neolithicum - Late Neolithicum en één vindplaats is gedateerd in het Midden-Neolithicum - Bronstijd. Daarnaast zijn twee vindplaatsen op geulafzettingen van de Gantel Laag aangetroffen. Deze zijn gedateerd in de IJzertijd of Romeinse tijd. Een deel van die vindplaatsen is later verder onderzocht en deels opgegraven, waaronder de nederzetting en het grafveld van de midden-neolithische opgraving Ypenburg-locatie 4.21 Deze opgravingen liggen verder dan de straal van 500 m rondom het plangebied.
Ten oosten van het plangebied heeft in 2020 een bureau- en verkennend booronderzoek plaatsgevonden in het gebied ‘Hart van Nootdorp’ (2).22 Uit het booronderzoek kwam naar voren dat in het grootste deel van de 36 boringen de bodem uit ophogingslagen/verstoorde bovengrond bestond tot 0,45 m -mv/1,45 m -mv diep (3,56 m -NAP/4,89 m -NAP). Hieronder lagen afzettingen
11
×
Afbeelding 9: onderzoeken en vondstlocatie rondom het plangebied binnen een straal van 500 m, geprojecteerd op een luchtfoto.
86000
86600
5 4 3 451500
451500
1
6
451000
451000
2
86000
0
137,5
86600
275
550
Esri Nederland, beeldmateriaal.nl
Meters
Plangebied Bureau- en verkennend booronderzoek Bureauonderzoek Veldkartering en karterend booronderzoek
Peeters & Leuvering 2019; OM: 4717435100. 23
Hanemaaijer 2016; 3986419100 en 3986427100. 24
OM:
van het Laagcomplex van Delfland. In tien boringen is boven de afzettingen van het Laagcomplex van Delfland nog een veenrestant aangetroffen vanaf 3,56 m/3,98 m -NAP. Deze veenlaag is bijna geheel verdwenen dankzij veenontginningen die hebben plaatsgevonden ter hoogte van het plangebied. Daarnaast is uit het booronderzoek gebleken dat er geen aanwijzingen zijn voor archeologische vindplaatsen binnen het plangebied. Verder ten noordoosten van het plangebied is in 2019 voor het sportpark Centrum een bureauonderzoek uitgevoerd in verband met de aanleg van nieuwe drainagesleuven (3).23 Hieruit kwam naar voren dat er een lage tot middelhoge verwachting geldt voor resten uit het Vroeg-Neolithicum, vanwege de mogelijke aanwezigheid van een zandige getijdegeul uit deze periode op geringe diepte onder het maaiveld. Door inklinking van de omgeving vormde deze bedding een hogere plek in een natter wordend landschap en daarmee een geschikte locatie voor bewoning. Er is daarnaast een lage verwachting voor resten uit het MiddenNeolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Dit is gebaseerd op het gegeven dat het veen is afgegraven en dat er geen aanwijzingen zijn voor bewoning uit later tijden.
Uit een booronderzoek dat is uitgevoerd om de bodemopbouw in kaart te brengen is gebleken dat binnen het plangebied sprake is van een ophoogpakket van zand met daaronder plaatselijk verstoringen tot 1,1 m -mv van eerder aangebrachte drainagesleuven. De nieuwe drainagesleuven reikten niet dieper dan de bekende gegevens, waardoor vervolgonderzoek niet nodig werd geacht. Ter hoogte van Veenweg 32 is in 2016 ten behoeve van nieuwbouw een bureauen booronderzoek uitgevoerd (4).24 Voor het plangebied gold een middelhoge verwachting voor resten uit het Neolithicum die als gevolg van vervening aan of nabij het oppervlak zouden kunnen liggen. Uit het booronderzoek bleek dat de ondergrond vanaf circa 3,9 m -NAP uit wad-kwelderafzettingen bestond en geen zandige beddingafzettingen (strand- of kreekafzettingen), waarop de bewoning uit het Neolithicum verwacht werd. Op deze afzettingen lag nog een laag restveen. Langs de kade lag op het veenpakket een ophogingspakket van zand van 2,1 m
12
25
Wolzak 2019; OM: 4700821100.
Bakx & Penning 3989910100. 26
2016;
OM:
dik. Bij gebrek aan de strand- of kreekafzettingen is het plangebied vrijgegeven voor verder archeologisch onderzoek. Ook ter hoogte van Veenweg 36 is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (5).25 De verwachting bestond hier uit een lage verwachting voor resten uit het Neolithicum op de verwachte wadafzettingen. Daarnaast bestond er een hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd bij aanwezigheid van een intacte top van de veenrestdijk. De mogelijk voorkomende oude duinafzettingen (Laag van Ypenburg) werden niet binnen 4 m -mv verwacht. Gezien de voorgenomen verstoringsdiepte is een verwachting voor deze afzettingen buiten beschouwing gelaten. De boringen bestonden uit een recentelijk verstoord pakket, op een historisch ophoogpakket. In de helft van de boringen bestond het historische pakket ook uit vergraven veen en dit duidde op aanwezigheid van de flank van een veenrestdijk. Hieronder lag vanaf 1,60 tot 2,35 m -mv (3,4 tot 4,1 m -NAP) Hollandveen op wadafzettingen van het Laagcomplex van Delfland. De wadafzettingen zijn aangetroffen vanaf 2,2-2,60 m -mv (4-4,3 m -NAP). De Laag van Ypenburg is niet aangetroffen binnen circa 5,8 m -NAP. De top van het historisch ophoogpakket is grotendeels vergraven en er zijn geen indicatoren gevonden die duiden op bewoning ter plaatse.
Ten westen van het plangebied heeft een aan de Eeldedreef/Kortelandseweg een bureau- en verkennend booronderzoek plaatsgevonden (6).26 Er bestond een verwachting op resten uit het Neolithicum op de Laag van Rijswijk en uit de Nieuwe tijd op basis van historisch kaartmateriaal. Uit het booronderzoek kwam naar voren dat een deel van het plangebied al ontgraven was en dat er in de rest van het plangebied een antropogene laag aanwezig was, die hoort bij de nog aanwezige historische boerderij. Aanwijzingen voor een vindplaats uit het Neolithicum zijn niet aangetroffen. De bodemopbouw bestond uit Hollandveen vanaf circa 2,5 m -NAP, op sterk siltige klei met enkele zandlagen (Laagcomplex van Delfland) vanaf circa 5,6 m -NAP. De voorgenomen werkzaamheden aan de boerderij leverden geen schade aan archeologische waarden op, zodat geadviseerd is geen vervolgonderzoek uit te voeren.
13
3 Gespecificeerde archeologische verwachting en advies voor vervolgonderzoek 3.1 Archeologische verwachting en advies voor vervolgonderzoek Op basis van de geologische ondergrond, het archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied en kaartmateriaal kunnen verwachtingen voor archeologische resten opgesteld worden. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende eigenschappen van de eventuele vindplaatsen: datering, (minimaal in hoofdperioden, bijvoorbeeld Romeinse tijd en Late Middeleeuwen), complextype (bijvoorbeeld nederzetting, grafveld, erf), diepteligging, locatie, uiterlijke kenmerken, omvang, gaafheid en conservering en verstoringen. Er geldt een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit het (Midden en/of Laat) Neolithicum. De bodem bestaat uit Hollandveen op afzettingen van het Laagcomplex van Delfland of de Laag van Rijswijk waar het zand ondieper ligt dan 5,0 m -NAP. Deze ondergrond kan geschikt zijn geweest voor bewoning uit deze periode van 4500 tot 3500 voor Chr. Dit geldt met name als zich hier lokaal nog kleine duintjes van de Laag van Ypenburg op hebben gevormd. Archeologische vindplaatsen uit deze periode bestaan zowel uit kleinschalige vindplaatsen (bijvoorbeeld kampementen) als middelgrote vindplaatsen met één of enkele boerderij-/huisplaatsen. De kleinschalige vindplaatsen worden gekenmerkt door een geringe materiële neerslag.
Deze bestaat doorgaans uit fragmenten vuursteen, houtskool en natuursteen. Grotere vindplaatsen worden gekenmerkt door een archeologische laag, waarin fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool kunnen worden aangetroffen. Voor de perioden vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting voor archeologische vindplaatsen. Voor de perioden vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen geldt dat het plangebied uit een dik veenpakket van Hollandveen bestond en te nat was voor bewoning. Voor de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting, omdat uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat er vanaf de 17e eeuw geen bewoning in het plangebied aanwezig was. Er geldt een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen. Vanaf de Late Middeleeuwen lag het plangebied ter hoogte van een veenkade waar vanuit veenontginningen plaatsvond en waarlangs bewoningslinten zijn ontstaan. Bij gebrek aan kaarten uit deze periode is het onbekend of hier in de Late Middeleeuwen al sprake was van bewoning op en/of nabij de veenkade. Voor deze periode geldt dan ook nog een middelhoge verwachting voor archeologische resten. Deze zouden kunnen bestaan uit huisplaatsen, (afval)kuilen, bijgebouwen, sporen van landgebruik en vondsten, zoals bot, aardewerk, bouwmateriaal, glas en hout.