CConstaterende datPijnacker-Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4d - Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021-2022 Bijlagen bij de toelichting

Raad Besluitvorming 20 oktober 2022, gemeente Pijnacker-NootdorpBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/202228.777 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het Zuid-Hollandse Deltalandschap wordt gekarakteriseerd door een stedelijk landschap bestaande uit een vooral door het water bepaald netwerk van moderne én historische stedelijke kernen, internationale economische complexen en prachtige open gebieden. Met dergelijke landschapskarakteristieken onderscheid de provincie zich. Hier wil de provincie dan ook op door bouwen. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap en het handelen van de provincie: 1. Ruimte en publiek investeringskapitaal zijn schaars, daarnaast dienen zich in bestaande investeringsprogramma’s nieuwe opgaven aan. Het heeft dan ook de voorkeur om te benutten wat er al is, eventueel door opwaardering, en niet meteen over te gaan tot stedelijke uitbreidingen of nieuwe natuur- en recreatiegebieden. 2. In Zuid-Holland komt een groot aantal krachtige economische clusters en topsectoren voor. Om de concurrentiepositie te vergroten is het innoverend vermogen van mensen en bedrijven van belang. Zo staan er (agglomeratie)voordelen wanneer talent, bedrijven en banen dicht bij elkaar verkeren. De Zuidelijke Randstad en de grote economische complexen in Zuid-Holland

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

14

hebben de potentie om één grote agglomeratie te vormen. Dit biedt vele schaal- en clustervoordelen. De ambitie is dan ook om de agglomeratiekracht van de provincie te vergroten. 3. Een evenwicht in samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde resulteert in ruimtelijke kwaliteit. Door in te spelen op aanwezige kwaliteiten in de omgeving en specifieke kwaliteiten toe te voegen die te maken hebben met de hedendaagse samenleving wordt met ruimtelijke ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. 4. De provincie Zuid-Holland wil maatschappelijke en economische kansen benutten om te transformeren naar een energie- en waterefficiënte samenleving. De ruimtelijke impact van een ontwikkeling is van belang om te bepalen dat een ontwikkeling past in de omgeving. De volgende uitgangspunten worden hiervoor gehanteerd: 1. De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling passend is. 2. Een ontwikkeling die aansluit bij de aard en schaal van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op de gebiedskwaliteiten. 3. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, hoe groter de ruimtelijke impact en eerder ze provinciale ambities raken. 4. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonder of kwetsbaar is.

Het provinciale ruimtelijke beleid is er op gericht om richting en ruimte te geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in de ‘kwaliteitskaarten’, behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. Deze kaarten vormen een handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit.

3.2.2. Kwaliteitskaarten

Om de gebiedskwaliteiten van de provincie inzichtelijk te maken zijn in samenwerking met decentrale overheden en andere partijen in de regio gebiedsprofielen opgesteld. Een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied is namelijk van gezamenlijk belang. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. Ze hebben dan ook de status van een handreiking, nadrukkelijk niet van een toetsingskader. De gebiedsprofielen zijn vervat in een viertal kwaliteitskaarten met bijbehorende richtpunten: 1. Laag van de ondergrond: bevat de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. 2. Laag van cultuur- en natuurlandschappen: er worden drie deltalandschappen onderscheiden, het rivierdeltalandschap, het kustlandschap en het veenlandschap. 3. Laag van de stedelijke occupatie: gericht op het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. 4. Laag van de beleving: bij nieuwe ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor behoud of versterking van de belevingswaarde van de betreffende plek.

Voor de locatie aan de Oudeweg 62 te Nootdorp zijn de kaartlagen ‘Laag van de ondergrond’, ‘Laag van cultuur- en natuurlandschappen’, ‘Laag van de stedelijke occupatie’ en ‘Laag van de beleving’ van belang, zie respectievelijk Afbeelding 7, Afbeelding 8, Afbeelding 9 en Afbeelding 10. Op basis van deze kwaliteitskaarten worden de gebiedskwaliteiten van toepassing op de locatie besproken inclusief bijbehorende richtpunten.

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

15

Afbeelding 7: Uitsnede kwaliteitskaart ‘Laag van de ondergrond’

Conform de kwaliteitskaart ‘Laag van de ondergrond’ is het plangebied gelegen in ‘Bijzonder reliëf – oude stroomgordels en geulafzettingen’. Binnen het relatief platte Zuid-Holland is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Dit betreffen strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Tevens worden waar mogelijk de archeologische waarden van de structuur meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Nader omschrijven na archeologisch onderzoek

Afbeelding 8: Uitsnede kwaliteitskaart ‘Laag van cultuur- en natuurlandschappen’

Op de kwaliteitskaart ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ is het plangebied gelegen in ‘Droogmakerij (veen)’. Kenmerkend binnen deze droogmakerij zijn het verkavelingspatroon en de lengtesloten. De lengtesloten blijven in de beoogde situatie behouden. Daarna is het behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden van belang. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders. De beoogde bebouwing wordt gesitueerd binnen de bestaande stedelijke structuur en binnen bestaand glastuinbouwgebied.

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

16

Afbeelding 9: Uitsnede kwaliteitskaart ‘Laag van de stedelijke occupatie’

Op de kwaliteitskaart ‘Laag van de stedelijke occupatie’ is het plangebied gelegen in ‘Glastuinbouwgebied’ en voor een klein deel in ‘Stads- en dorpsrand’. De provincie wenst nieuwe glastuinbouwgebieden zoveel mogelijk binnen of in aansluiting op bestaande glastuinbouwgebieden te concentreren. Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dienen bij te dragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dienen ook bij te dragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Er wordt met de beoogde ontwikkeling bijgedragen aan een passende overgangskwaliteit door de beoogde ontwikkeling te combineren met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. In paragraaf 3.3.2 van deze onderbouwing wordt uiteengezet dat conform recentelijk gemeentelijk beleid ter plaatse van het plangebied geen ontwikkeling van glastuinbouw meer gewenst is, omdat de locatie niet meer als toekomstbestendig voor glastuinbouw wordt gezien. De manege is dus passend als overgangsfunctie tussen het stedelijk gebied en de recreatie-/natuurgebieden.

Afbeelding 10: Uitsnede kwaliteitskaart ‘Laag van de beleving’

Een klein deel ten noordoosten van het plangebied is conform de kwaliteitskaart ’Laag van de beleving’ gelegen binnen ‘Recreatiegebied’. Recreatieterreinen liggen veelal op de overgang van de stedelijke dynamiek naar het luwe buiten. Ontwikkelingen vergroten de diversiteit in ruimtelijke inrichting en programma tussen de verschillende recreatie- en groengebieden. Recreatieve routes dragen bij aan een betere verbinding van de buitenstedelijke groengebieden onderling en met de stedelijke groen- en waterstructuur. Deze beoogde ontwikkeling draagt daaraan bij. Vanuit de manege wordt vaak in de richting van het natuurgebied gegaan om recreatief te rijden. Het uitbreiden van de manege heeft tot gevolg dat de recreatieve functie van het naastgelegen gebied versterkt zal worden, omdat meer ruiters gebruik zullen maken van het recreatiegebied. Daarnaast is aan de manege Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

17

gevraagd om als erkend Natuurpoort te gaan dienen. Natuurpoorten zijn startpunten voor een prachtige fiets-, wandel- of ruitertocht in de natuur. Er zal derhalve worden bijgedragen aan een betere verbinding van recreatieve routes tussen de stedelijke structuur en de natuurgebieden. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie, de toekomstvisie en het werkboek Oostlan en het bestemmingsplan. De structuurvisie is het strategisch beleidsdocument voor de ruimtelijke ontwikkelingen in een gemeente en de structuurvisie wordt vertaald in het bestemmingsplan. De toekomstvisie laat zien hoe de gemeente het voor ogen heeft om te ontwikkelen tot 2040. In het bestemmingsplan is geregeld welke bestemmingen reeds geregeld zijn binnen de bedrijfslocatie.

3.3.1. Structuurvisie

Gemeente Pijnacker-Nootdorp schets in de structuurvisie Ruimte maken en Ruimte laten, vastgesteld d.d. 24-01-2014, het ruimtelijk beeld voor 2040. Pijnacker-Nootdorp streeft naar een unieke landstedelijke identiteit in de randstedelijke netwerksamenleving. Waarbij de nabijheid van voorzieningen, werk en vervoer worden gecombineerd met een rustige, ruime, groene en dorpse woonomgeving. Daarbij streeft Pijnacker-Nootdorp naar één groen recreatief buitengebied als een regionaal geheel. Het lint van de Oudeweg zorgt voor een zachte overgang van landelijk gebied naar stedelijk gebied. Het uitbreiden van Hippisch centrum Nootdorp versterkt de recreatieve waarde van de omliggende natuurgebieden. Deze natuurgebieden zoals de Delfste Hout en de Dobbelplas zijn een buffer voor de randstad. De uitbreiding zorgt er ook voor dat het plangebied een nette uitstraling krijgt en dat het een goede overloop geeft van het stedelijk gebied naar het landelijk gebied. De sportgelegenheid is in de nabijheid van de woonomgeving. Daarnaast draagt de landschappelijke inpassing bij aan de groene woonomgeving. De manege zorgt bovendien voor de nodige werkgelegenheid in de omgeving. Zo worden paardrijlessen gegeven, zal een ondergeschikte horecagelegenheid worden geëxploiteerd en is het bedrijf een professioneel opleidingsbedrijf voor BBL en BOL leerlingen voor maatschappelijke stages.

Verder wordt er gewerkt met WIA herintreders, medewerkers vanuit de reclassering (200 taakstraffen per jaar) en asielzoekers.

3.3.2. Toekomstvisie en werkboek Oostland

De gemeente laat doorschemeren hoe ze in 2040 in de metropoolregio Rotterdam-Den Haag willen staan in de Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp 2040 (26-06-2012). De gemeente heeft alle kenmerken van wat een “landstedelijk woonmilieu” wordt genoemd: in Pijnacker-Nootdorp wordt de nabijheid van voorzieningen, werk en vervoer gecombineerd met een rustige, ruime, groene, en dorpse woonomgeving waardoor woonconsumenten en ondernemers zich hier graag vestigden of willen vestigen. De centrale ruimtelijke opgave schuift van kwantiteit naar kwaliteit en van groei naar beheer. Binnen de ruimtelijke kaders komen de komende decennia ruimtelijke kwaliteitsverbeteringen tot stand die passen bij de eigenheid van en visie op Pijnacker-Nootdorp. Kwaliteitsverbeteringen in de vorm van modernisering en herstructurering van glastuinbouwgebieden en bedrijvenparken, kleinschalige woningbouw en realisatie van recreatieve functies in het buitengebied. Het beoogde plan draagt bij aan de herstructurering van het glastuinbouwgebied in Nootdorp en is derhalve passend binnen de toekomstvisie. In februari 2020 is het ‘Werkboek Oostland’ door de gemeente Pijnacker-Noordorp vastgesteld.

Dit document legt de basis voor het ontwikkelen van een strategie die de ruimtelijk-economische structuur van het glastuinbouwcluster in Oostland versterkt, in lijn met de toekomstmogelijkheden van het glastuinbouwcluster. Het Werkboek Oostland is een gezamenlijk product van de projectgroep

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

18

Oostland, waarin de gemeenten Pijnacker-Nootdorp, Lansingerland, Zuidplas en Waddinxveen en Provincie Zuid-Holland hebben samengewerkt. Het plangebied is conform het werkboek gelegen binnen het deelgebied glas ‘Nootdorp Dwarskade’, zie Afbeelding 11. In het werkboek is voor de Dwarskade opgenomen dat dit gebied mag transformeren naar een andere functie. Duurzame glastuinbouw wordt ter plaatse niet langer als toekomstbestendig gezien en functieverandering biedt derhalve kansen voor de ‘Dwarskade’. Het uitbreiden van de manege ter plaatse van de enkelbestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ is derhalve passend binnen het gemeentelijk beleid, omdat glastuinbouw conform het werkboek niet meer als toekomstbestendig gezien wordt.

Afbeelding 11: Kansenkaart deelgebieden gemeente Pijnacker-Nootdorp, plangebied geel omcirkeld

3.3.3. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze onderbouwing beschreven zijn voor de planlocatie de bestemmingsplannen ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’ en ‘Verzamelplan 2012’ geldend. In de bestemmingsplannen is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Binnen de bestemmingsplannen worden geen binnenplanse en/of wijzigingsbevoegdheden geboden om het ruimtebeslag van Hippisch Centrum Nootdorp uit te breiden. Derhalve is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Voor deze planlocatie wordt de procedure doorlopen die hoort bij het veegplan van de gemeente Pijnacker-Nootdorp.

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

19

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen mogelijk significante effecten zal hebben op de Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren zijn de grenswaarden opgenomen in categorie C14 en D14. Paarden zijn niet opgenomen in categorie C14. In categorie D14 is opgenomen dat een bedrijf m.e.r.-beoordelingsplichtig is indien uitgebreid wordt met meer dan 100 paarden. In de beoogde situatie wordt het aantal paardenboxen uitgebreid van 94 naar 160 paardenboxen. Hiermee blijft de uitbreiding onder de D14 grenswaarde voor de m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter ook een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Onder de C- en D-drempelwaarde is voor dit initiatief derhalve een vormvrije MER-beoordeling nodig. Artikel 7.17, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer geeft aan op basis van welke informatie het bevoegd gezag, in dit geval het college van Burgemeester en Wethouders, een besluit moet nemen op een MER-beoordeling. Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst. Deze ruimtelijke onderbouwing kan dan ook worden beschouwd als vormvrije MER-beoordelingsnotitie. In overeenstemming met artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een MER-beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Het college kan derhalve op basis van deze ruimtelijke onderbouwing een besluit nemen op de vormvrije MER-beoordeling.

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

20

4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie(verwijst naar een andere website) en een Omgevingsverordening(verwijst naar een andere website). Klimaatverandering, toenemende verzilting, inklinking en het veranderend ruimtegebruik (ook in de ondergrond) vergen aanpassingen van en keuzes in het bodem- en watersysteem, die in veel gevallen invloed hebben op de ruimtelijke ordening. Deze keuzes hebben het achterliggende doel dat Zuid-Holland beschermd blijft en dat het mogelijk blijft om water in zijn vele hoedanigheden beter te benutten.

De kwaliteit en functionaliteit van water dienen optimaal te zijn en vragen permanent om verbetering en bescherming. Bij aanpassingen aan het watersysteem gelden twee uitgangspunten: ze zijn klimaatbestendig en de natuurlijke processen krijgen, waar dat kan, meer ruimte of worden beter benut. Waterschap Het plangebied ligt in het gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Op 19 november 2015 heeft Delfland het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) vastgesteld. In het WBP wordt de strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het WBP is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021 en is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. De werkzaamheden en projecten voor de komende planperiode zijn terug gebracht tot vier speerpunten: - In stand houden: De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. - Investeren: Natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeter en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken.

- Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, de samenwerking in waterbeheer is pluriform van karakter. - Flexibel en duidelijk: Een flexibel waterschap die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Er worden duidelijke kaders neergezet maar dogma's zijn er niet. In de leggers geeft het waterschap voor elk waterstaatswerk aan waaraan deze moet voldoen, wie welk soort onderhoud doet en waar welke regels gelden, zodat alles op orde blijft. Deze regels staan in de Keur Delfland, de bijbehorende Algemene Regels en de beleidsregels. Ook geeft het waterschap

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

21

aan waar de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte ligt. De leggerkaart is de digitale verbeelding van de legger. Afbeelding 12 weergeeft een uitsnede van de leggerkaart van het waterschap Hoogheemraadschap van Delfland. Binnen het plangebied zijn een aantal secundaire wateren gelegen. Deze water zijn in onderhoud bij de aanliggende eigenaren. Enkele delen van de secundaire wateren zullen worden verhard. Voor het aanleggen van straatmeubilair/bruggen over het water zal een vergunning op grond van artikel 3.1 van de Keur Delfland worden aangevraagd of zal een melding worden gedaan. De erfverharding zal de aan- en afvoer van oppervlaktelichamen niet belemmeren en er zullen geen materialen worden gebruikt die het water kunnen verontreinigen. Tevens is het plangebied voor een klein deel gelegen binnen een beschermingszone. In het vigerende bestemmingsplan is tevens de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. De regels ter bescherming van deze waterzone zijn opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Tevens zijn geen voorzieningen en zijn geen gebouwen voorzien binnen deze beschermingszone.

Afbeelding 12: Uitsnede Legger Waterschap Hoogheemraadschap van Delfland

Handreiking watertoets

Het Hoogheemraadschap heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld. Deze is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke wet- en regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. In paragraaf 4.2.3 is de inhoudelijke toetsing van de waterhuishoudkundige situatie in de beoogde situatie opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

22

Gemeente De gemeenteraad heeft 30 maart 2017 het Waterklimaatplan en de bijbehorende maatregelenkaart vastgesteld. Het Waterklimaatplan is gemaakt samen met het Hoogheemraadschap van Delfland. Met het plan willen ze de gevolgen van klimaatverandering aanpakken: wateroverlast door hevige regenbuien en watertekort door langdurige droogte. In het Waterklimaatplan staan zo’n 50 maatregelen die de gemeente en het hoogheemraadschap de komende jaren nemen of voorbereiden. Het waterklimaatplan heeft geen directe invloed op de locaties. Wel worden de aanbevelingen per locatie meegenomen. In paragraaf 4.2.3 is de inhoudelijke toetsing van de waterhuishoudkundige situatie in de beoogde situatie opgenomen.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Om te zorgen voor een goede afstemming van water en ruimtelijke ordening is gekeken naar hoe in de beoogde situatie met water dient te worden omgegaan. Er is getoetst aan verschillende wateraspecten:

Veiligheid en waterkeringen

Zoals reeds benoemd zullen de regels omtrent de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ worden opgenomen in het bestemmingsplan. Tevens zijn geen voorzieningen en zijn geen gebouwen voorzien binnen deze beschermingszone.

Waterkwantiteit

In het bestemmingsplan is opgenomen dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed mogen hebben op de waterhuishoudkundige situatie. Dit betekent dat een toename van het verhard oppervlak, binnen het gebied moet worden gecompenseerd. Hierbij heeft de gemeente haar voorkeur uitgesproken in het Waterklimaatplan 2017-2020 om het water eerst vast te houden, dan te bergen en dan af te voeren. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van toename van het verhard oppervlak van ten hoogste 3.416 m² naar ten hoogste 7.800 m2. Er zal echter een poel als retentievoorziening worden aangelegd om het water vast te houden binnen het plangebied. Initiatiefnemer zal verantwoordelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de waterpoel.

Afvalwater en riolering

Het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard blijft in de beoogde situatie geloosd op het gemeentelijk riool. Hiervoor zal de vereiste rioolheffing worden betaald. De afvoer van hemelwater zal afgekoppeld worden van het afvalwaterstelsel.

Onderhoud en bagger

In het onderhoud van de watergangen rond het plangebied wijzigt niets ten opzichte van de bestaande situatie.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

De waterkwaliteit mag niet verslechteren. Den Haag en Delfland hebben een bestuurlijke overeenkomst gesloten om de waterkwaliteit van de aanwezige wateren te verbeteren, bijvoorbeeld

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

23

door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers of vispaaiplaatsen. Tevens mag er geen gebruik gemaakt worden van uitlogende materialen zoals zink en koper. Dergelijke materialen worden in dit geval niet gebruikt. Daarnaast wordt een natuurvriendelijke poel aangelegd om de ecologie in de beoogde situatie te verbeteren, zie Bijlage 1. Er vinden geen aanpassingen plaats met relevantie voor de watersysteemkwaliteit en met impact op ecologie.

Bodem- en grondwater

In de ontwikkeling zijn geen grote kelders of andere ondergrondse constructies gepland. De kelders die gerealiseerd kunnen gaan worden zijn gering in grote en zijn daarnaast niet doorlopend. De verwachting is dat deze constructies geen significante nadelige invloeden oplevert voor de grondwaterstand.

Oppervlaktewater

Delfland heeft de Watersleutel ontwikkeld, een rekentool waarbij op basis van een aantal relevante kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem wordt bepaald hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren. Uit de Watersleutel voor het plangebied blijkt dat er 277,2 m³ extra wateroppervlak gerealiseerd moet worden. De Watersleutel is opgenomen in Bijlage 3. Dit wordt behaald door een retentievijver te realiseren in het noordoosten van het plangebied. Deze retentievijver zal een waterbergende functie van minimaal 277,2 m³ hebben. Door de aanleg van de retentievijver wordt er voldaan aan voldoende compenserende maatregelen. De retentievijver is in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Er is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de uitvoer van het landschappelijk inpassingsplan. Het realiseren de retentievoorziening is op deze wijze tevens geborgd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

24

natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Provinciale natuurwaarden Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Zuid-Holland heeft haar visie ten aanzien van het NNN vervat in de Visie Ruimte en Mobiliteit en het Programma ruimte. De provincie richt zich op het behouden, herstellen en op lange termijn vergroten van de biodiversiteit. Dit kan gekoppeld worden aan maatschappelijke doelen zoals een aantrekkelijk en klimaatbestendig woon- en vestigingsklimaat, waterveiligheid en waterkwaliteit, recreatie en het tegengaan van bodemdaling. Deze doelen kunnen bereikt worden door duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van het NNN en andere natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden. De begrenzing van het netwerk en de regels ten aanzien van het netwerk zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Op grond van de verordening geldt dat er formeel geen plannen en/of projecten mogen worden uitgevoerd in provinciaal belangrijke gebieden, die een significant hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. Conform de themakaart ‘NatuurNetwerk Nederland’ van de Omgevingsverordening is binnen het plangebied geen natuurgebied aanwezig, zie Afbeelding 13.

De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities voor de natuurgebieden.

Afbeelding 13: Uitsnede themakaart ‘Natuurnetwerk Nederland’ Omgevingsverordening, plangebied rood omcirkeld

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

25

Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Westduinpark & Wapendal, Meijendel & Berkheide, De Wilck en Solleveld & Kapittelduinen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Westduinpark & Wapendal, dat op een afstand van circa 10,6 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden.

Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’. In deze publicatie heeft het kabinet als doelstelling gesteld om tijdelijke emissies gedurende de realisatiefase van kleinschalige projecten niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om een drempelwaarde voor de realisatiefase van projecten in te stellen.

In het kader van deze doelstelling is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief. Ter plaatse van het plangebied is planologisch reeds glastuinbouw toegestaan. Glastuinbouw gaat gepaard met een aanzienlijke uitstoot van stikstof, door het stoken van gas. Door het wegvallen van deze (mogelijke) emissies en door het wegvallen van de stikstofemissie als gevolg van zware verkeersbewegingen van en naar een glastuinbouwbedrijf zal de toename in het aantal te houden paarden doorgang kunnen vinden. Indien noodzakelijk zal nog een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

26

omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Oudeweg 62 te Nootdorp, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing en de te slopen bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Op … is door … een ecologische quickscan uitgevoerd waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora en fauna aanwezig zijn, zie Bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt … Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden.

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

27

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde uitbreiding moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale omgevingsverordening blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen een molenbiotoop. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop dient in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen te garanderen. Er wordt hieronder getoetst aan de gestelde voorwaarden in artikel 6.25 van de omgevingsverordening:

a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1°voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; 2°voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. Binnen een straal van 100 meter van de worden geen nieuwe gebouwen opgericht. De nieuwe gebouwen die binnen een straal van 400 meter van de molen wordt gerealiseerd zal een vergelijkbare hoogte krijgen als de naastgelegen, reeds bestaande bebouwing. Het nieuwe bedrijfsgebouw zal komen te liggen op een afstand van circa 200 meter van het middelpunt van de molen. De maximale bouwhoogte mag derhalve niet meer bedragen dan circa 6,5 meter.

Bij een stellingmolen mag de hoogte van de stelling worden opgeteld bij de maximale obstakelhoogte. Deze regeling geldt voor nieuw te realiseren bebouwing en aan te leggen opgaande beplanting.

De windvang van en het zicht naar de molen zal door de beoogde ontwikkeling derhalve niet worden verstoord. De molenbiotoop is opgenomen op de verbeelding door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Molenbiotoop'. In de regels is een beschermende regeling opgenomen, waardoor de bebouwing met zekerheid geen afbreuk kan dan aan de cultuurhistorische waarde van de molen.

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

28

Afbeelding 14: Uitsnede kaart Cultureel erfgoed omgevingsverordening, plangebied blauw omcirkeld

4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’ van de gemeente Pijnacker-Nootdorp hebben de gronden ter plaatse van de beoogde uitbreiding van de manege deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In het bestemmingsplan is opgenomen dat grondwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,3 meter en die een oppervlak hebben van meer dan 100 m² niet direct toegestaan zijn. Om deze reden is door … een archeologisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van te verwachten archeologische waarden. Uit het onderzoek blijkt.. 4.5. Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. In het Activiteitenbesluit zijn voorwaarden opgenomen voor ammoniakemissies afkomstig van veehouderijen. Deze voorwaarden hebben betrekking op het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die zijn gelegen in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied.

Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. Uitzondering hierop betreffen bedrijven waar paarden worden gehouden. Het aspect ammoniak vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. 4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane)

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

29

risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Naar aanleiding van de geplande uitbreiding van het bouwvlak en de herontwikkeling van de locatie is door…. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemkwaliteit op de locatie te bepalen en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren. De volledige onderzoeksrapportage is terug te vinden in Bijlage 6. Op grond van het bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat .. 4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.

Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. glastuinbouw, sport- en horecafuncties. Aangezien het plangebied is gelegen in de omgevingstype ‘gemengd gebied’ mag de richtafstand van de VNG-publicatie met één afstandsstap verkleind worden. Binnen het plangebied worden diverse functies mogelijk gemaakt; een manege met daar aan ondergeschikt kleinschalige horeca en dagopvang. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de meest belastende functie in dat geval maatgevend is voor de milieucategorie. Een manege behoort tot de milieucategorie 3.1 (SBI 931 E), een dagverblijf tot milieucategorie 1 (SBI 8623) en kleinschalige horeca eveneens tot milieucategorie 1 (SBI 5629). Dit betekent dat de manegefunctie maatgevend is voor de milieucategorie. In Tabel 1 zijn de richtafstanden voor een manege tot een gevoelig object opgenomen.

Omdat het hier een manege betreft en er dus landbouwhuisdieren (paarden) gehouden worden zijn voor het aspect geur de geurregels uit het Activiteitenbesluit het toetsingskader. Dit wordt

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

30

in navolgende paragraaf 4.8 nader toegelicht. Conform de VNG-handreiking is de richtafstand voor gevaar van een manege 0 meter. Uit de VNG-publicatie zijn voor een manege dus alleen de richtafstanden voor stof en geluid van toepassing. Deze bedraagt in beide gevallen 10 meter. Tabel 1: Richtafstanden VNG-publicatie in gemengd gebied

* Voor geur is het Activiteitenbesluit het toetsingskader, dit wordt in de desbetreffende paragraaf nader toegelicht.

Uitgangspunt is dat de bestaande vergunde rechten (o.a. bouwvlak en buitenrijbak) gerespecteerd blijven. De afstand dient daarom gemeten te worden tussen de bouwvlakken. Eigenaren hebben namelijk het recht om binnen een bouwvlak te bouwen. In de bestaande situatie grenst het bouwvlak van de manege aan de bouwvlakken van de woonbestemmingen aan de Oudeweg 60 en de Oudeweg 56. Er wordt in de beoogde situatie dus niet voldaan aan de richtafstanden, maar aangezien in de bestaande situatie het bouwvlak al tegen deze woonbestemmingen aan is gelegen dienen deze rechten gerespecteerd te worden. De gewenste uitbreiding van de manege vindt plaats op een afstand groter dan 10 meter. De afstand van de manege tot omliggende woningen neemt dus niet af. Het zwaartepunt van de manegeactiviteiten zal in de toekomst verplaatsen naar de nieuw te realiseren bebouwing en voorzieningen. Deze voorzieningen en bebouwing liggen op een aanzienlijk grotere afstand dan 10 meter tot de benoemde woonpercelen. Bovendien zal de afstand tussen de toekomstige dierenverblijven en de woningen vergroot worden ten behoeve van het maatgevende aspect geur. Dit wordt in navolgende paragraaf verder uiteengezet. Hierdoor is een uitbreiding van de manege voorstelbaar.

Ook de beoogde nieuwe woningen ten noord- en zuidwesten van de bedrijfslocatie komen tevens op een afstand van meer dan 10 meter van het beoogde bouwvlak te liggen en er zal worden voldaan aan de afstanden tussen de toekomstige dierenverblijven en de beoogde woningen. Dit wordt in paragraaf 4.8 nader uiteengezet. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.8. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit betreffen wetten waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit hebben tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect hebben de Wgv en het Activiteitenbesluit ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b.

Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Er wordt met het initiatief geen geurgevoelig object gerealiseerd. Er wordt derhalve geen onevenredige inbreuk gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving en het is niet noodzakelijk om het woon- en verblijfklimaat ter plaatse inzichtelijk te maken. In de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen dat de afstand tussen een dierenverblijf waar paarden worden gehouden en een geurgevoelig object ten minste 50 meter dient te zijn, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 100 meter. Deze afstand dient gemeten te worden tussen het geuremissiepunt en de gevel van de dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Daarnaast is in de Wgh opgenomen dat de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en een geurgevoelige object ten minste 25 meter dient te zijn, indien het geurgevoelige object in het buitengebied is gelegen. Binnen de bebouwde kom is deze

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

31

afstand 50 meter. Deze afstand dient gemeten te worden vanaf de buitenzijde van de paardenstallen tot de gevel van de het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen de genoemde afstanden gemeten te worden tussen de bouwvlakken. Dit om de bestaande rechten en de bebouwingsmogelijkheden van zowel de naastgelegen burgerwoning als de manege te respecteren. Burger en manegehouder hebben namelijk het recht om hun bouwperceel volledig te bebouwen (maximale planologische ruimte). Op Afbeelding 15 zijn de 50- en 100 meter-contour rondom de bestaande woningen aan de Oudeweg weergegeven. Er is te zien dat in de bestaande situatie reeds dieren worden gehouden binnen deze contouren. In dat geval is in de Wet geurhinder en veehouderij bepaald dat je de afstand tot de woningen niet mag verkleinen en het aantal vee niet mag toenemen. Een toename van vee buiten de contouren is wel mogelijk. Het nieuwe bedrijfsgebouw, met daarin de nieuwe stallen is buiten de contouren geprojecteerd. Ten noordwesten en ten zuidwesten van de bedrijfslocatie zullen woningen worden gerealiseerd. Er zijn tevens 50- en 100 meter contouren vanuit de uiterste bouwlijn van deze beoogde woningen opgenomen. De toekomstige dierenverblijven zijn gesitueerd buiten de 50 meter geurcontour.

Er wordt derhalve voldaan aan de vaste afstanden voor geur en de uitbreiding in dierenverblijven kan derhalve doorgang vinden. Er zijn slechts paddocks binnen 100 meter van de beoogde nieuwe woningen gerealiseerd, zodat wanneer exact bekend is waar de beoogde woningen in de omgeving gaan komen bepaald kan worden of de paddocks behouden kunnen blijven of niet. Het bedrijfsgebouw en de paardenboxen zijn buiten 100 meter van de uiterste bouwlijn van de beoogde woningen gesitueerd, omdat het kapitaalvernietiging zou zijn om deze bebouwing af te moeten breken en te moeten verplaatsen. Ook gelden er nog regels ten aanzien van het opslaan van vaste mest. Deze opslag dient op meer dan 50 meter afstand te liggen van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Op het beoogd bouwperceel van de manege is voldoende ruimte beschikbaar om deze opslag buiten de 50 metercontour te situeren.

Beoogde woningen

Nieuwe stal

Beoogde woningen Afbeelding 15: Geurcontourenkaart met aan te houden afstand tot (beoogde) omliggende woningen

Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp

32

Gezien hetgeen hierboven beschreven kan geconcludeerd worden dat het beoogde plan geen onevenredige inbreuk maakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van nabij gelegen veehouderijen en dat een goed woon- en verblijfklimaat wordt gegarandeerd. 4.9. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. De bedrijfswoning binnen het plangebied betreft een reeds bestaand object. Onderzoek naar het wegverkeerslawaai, spoorweglawaai of industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Omgekeerd heeft de manege aan de Oudeweg 62 te Nootdorp een geluidsuitstraling op de omgeving. In paragraaf 4.7 is reeds getoetst aan de richtafstand voor wat betreft het aspect geluid uit de VNGhandreiking. Er kan dus worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.10. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Er dient tevens voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Op beide aspecten wordt in deze paragraaf in gegaan.

4.10.1. Verkeer

Maneges hebben een relatief grote verkeersaantrekkende werking. Het is derhalve van belang dat er een goede ontsluiting op een verharde weg aanwezig is en er moet voorkomen worden dat er een onevenredige verkeersbelasting op de omgeving ontstaat. Het is niet nodig om voor evenementen die incidenteel plaatsvinden, zoals wedstrijden en andere hippische evenementen, te voorzien in parkeervoorzieningen (aldus de VNG/Sectorraad Paarden Publicatie ‘De paardenhouderij in het omgevingsrecht’). Om de verkeersaantrekkende werking van een manege te bepalen wordt aangesloten bij de CROW (publicatie december 2018). In deze handreiking is de verkeersaantrekkende werking van een manege in de rest bebouwde kom vastgesteld op drie verkeersbewegingen van en naar de manege per box per dag. Daar er in de beoogde situatie 66 paardenboxen aan het plangebied worden toegevoegd resulteert dit in de beoogde situatie in een toename op het een weekdaggemiddelde van 198 extra verkeersbewegingen per etmaal. De horecagelegenheid is in principe ondersteunend aan de manege, maar de eventuele ontwikkeling van de locatie naar een ‘Natuurpoort’ kan wel voor meer bezoekers zorgen die niet enkel voor de manege komen. De horecagelegenheid kan derhalve ook een extra verkeersaantrekkende werking hebben bovenop de toename in verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding in het aantal paardenboxen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11826874/2