Bijlage 3a - Toelichting ontwerp Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020
Tekst van het document
Ook zetten de regiogemeenten zich in om de positie van de groep lage middeninkomens in de komende jaren te verbeteren en om extra woonruimte voor vluchtelingen te realiseren. Duurzaam bouwen en renoveren in Haaglanden: om in 2050 tot een CO2 neutrale of energie-neutrale regio te kunnen komen zetten de gemeenten in op een volledige energie transitie van de gebouwde omgeving. De regio levensloopgeschikt maken: de ambitie is om inwoners van de regio zo lang mogelijk zelfstandig in hun eigen woning en woonomgeving te kunnen laten wonen. Dit vraagt per afzonderlijke gemeente enerzijds om voldoende aangepaste en levensloopgeschikte woningen, anderzijds om een woonomgeving die aansluit op wat ouderen en huishoudens met een beperking nodig hebben. Werken aan leefbare en prettige woonwijken: door middel van een preventieve aanpak de verouderde woonwijken in de steden van de regio gezond houden, veilig en prettig om in te wonen.
29
gemeente Pijnacker-Nootdorp
4.3.3
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Onderhavig bestemmingsplan voorziet enkel in kleinschalige ontwikkeling binnen bestaande (stedelijke) structuren en past derhalve binnen de uitgangspunten van het Regionaal Structuurplan.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Toekomstvisie 2040 (2012)
In de Toekomstvisie 'Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2012, wordt een eenduidige en consistente koers voor Pijnacker-Nootdorp uitgezet met oog voor de omgeving en de rol van de gemeente. De toekomstvisie laat zien wat voor gemeente Pijnacker-Nootdorp wil zijn, waar zij met haar ontwikkeling heen wil en welke rol zij daarbij pakt. Pijnacker-Nootdorp wil, conform haar visie, een herkenbare gemeente zijn in een landelijke omgeving waar de stad nooit ver weg is. Zij ziet het als haar missie in de regio een uniek woonmilieu te bieden, met het groene buitengebied meerwaarde te geven en met duurzame en innovatieve bedrijven de economie versterken.
4.4.2
Ruimtelijke structuurvisie Pijnacker-Nootdorp 2040 (2014)
In de Structuurvisie 'Ruimte maken….. ruimte laten', vastgesteld door de gemeenteraad op 20 februari 2014, schetst de gemeente het ruimtelijk beeld van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Niet in de vorm van een blauwdruk voor de toekomst, maar in de vorm van contouren en kaders van een streefbeeld dat gezamenlijk met bewoners en ondernemers ingekleurd dient te worden. Er wordt ruimte geboden en uitgenodigd om te ondernemen, te recreëren, de woonomgeving te verbeteren of sport te beoefenen. De Ruimtelijke structuurvisie kan gelezen worden als een uitnodiging om samen invulling te geven aan de ruimte van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Contouren vormen het uitgangspunt van de structuurvisie. Dit zijn contouren van groen- en recreatiegebieden, bebouwing, glastuinbouw en bedrijventerreinen. Binnen deze contouren zijn er verschillende functies en mogelijkheden. Hierover doet de structuurvisie voor 2040 op hoofdlijnen kaderstellende uitspraken. Daarnaast geeft de structuurvisie antwoord op verschillende ruimtelijke vraagstukken.
4.4.3
Welstandsnota
Op 20 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp de Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 vastgesteld. In deze nota zijn criteria opgenomen die burgemeester en wethouders en de welstandscommissie toepassen bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaats van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.
30
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
Figuur: globale ligging ontwikkelingen binnen de welstandsgebieden. Bij de beoordeling van de individuele plannen zal geadviseerd worden op basis van de ligging binnen de verschillende welstandsgebieden.
4.4.4
Lintenvisie
Pijnacker-Nootdorp wil de kwaliteit van de cultuurhistorische bebouwingslinten in de gemeente verbeteren. De Lintenvisie is opgesteld om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de linten beter te begeleiden.
31
gemeente Pijnacker-Nootdorp
De linten, zoals bijvoorbeeld de Noordeindseweg, de Nieuwkoopseweg, de Rijskade en de Oude Leedeweg, zijn belangrijk voor de gemeentelijke identiteit. Ze dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van onze gemeente. De linten zijn dynamisch door de veranderende omgeving van nieuwe woonwijken, glastuinbouw, nieuwe infrastructuur en natuur- en recreatiegebieden. Inwoners en bedrijven uit deze linten ondernemen veel ruimtelijke initiatieven. De Lintenvisie Pijnacker-Nootdorp is opgesteld om vooraf duidelijke richtlijnen te geven en beperkt kaders te stellen. Daarnaast is het vooral bedoeld voor inspiratie bij de planuitwerking van inwoners en ondernemers. De gemeente wil de Lintenvisie op drie manieren gebruiken: als uitnodiging en handreiking voor initiatiefnemers bij hun planvorming; als hulpmiddel voor de gemeente bij de toetsing van vergunningsaanvragen; als input voor visieverkenningen en omgevingsplannen.
4.4.5
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
De gemeente stimuleert initiatieven van particulieren en zet in op versterking van de kwaliteit van de kernen en het landelijk gebied. De - kleinschalige - ontwikkelingen die middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt passen binnen dit gemeentelijk beleid.
32
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
Hoofdstuk 5 5.1
Onderzoek
Milieueffectrapportage
Het voornemen voor het opstellen van de bestemmingsplan is aan het besluit m.e.r. getoetst om te bepalen of er sprake is van een m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplicht. Uit bovengenoemde toetsing is de conclusies getrokken dat voor alle activiteiten geldt dat er geen directe m.e.r.-plicht aan de orde is. Er hoeft dus geen m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.
5.2
Bedrijven en milieuzonering
5.2.1
Regelgeving en beleid
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot drie groepen en bijbehorende aanpak, te weten: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven. In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies. In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal in eerste instantie een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1), 100 meter (cat. 3.2) en 200 meter (cat.
4.1) tusse n de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen. In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal in eerste instantie een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2) en 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden namelijk met één afstandsstap worden verlaagd. Zie tabel 5.1.
Categorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3
Richtafstand t.o.v. rustige woonwijk/rustig Richtafstand t.o.v. gemengd gebied buitengebied 10m 0m 30m 10m 50m 30m 100m 50m 200m 100m 300m 200m 500m 300m 700m 500m 1000m 700m
33
gemeente Pijnacker-Nootdorp
6 1500m 1000m Tabel 5.1 - Milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden ten opzichte van de verschillende omgevingstypen In de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt aangegeven dat richtafstanden worden gemeten vanaf de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen (vvb) mogelijk is.
5.2.2
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Voor de locaties Dorpstraat, Beatrixschool, Hoefsmid 16, Nieuwkoopseweg, Zuidrand Ackerswoude, Delftsestraatweg en de percelen van het snippergroen geldt dat er geen sprake is van een functiewijziging, waarbij een nieuwe milieugevoelige functie of bedrijfsbestemming wordt toegevoegd. Milieuzonering speelt derhalve geen rol voor deze locaties. Voor de overige locaties binnen het plangebied geldt het volgende ten aanzien van bedrijven en milieuzonering: Katwijkerlaan 50A Omzetten bestemming Wonen naar Bedrijven op de percelen B1330 en B1331 (en slopen woningen) In de huidige situatie wordt hier maximaal toegestaan een bedrijf in categorie 2. De richtafstand bij gemengd gebied bedraagt voor deze categorie 10 meter. De Katwijkerlaan betreft een gemengd gebied, gezien de diverse functies die in het lint aanwezig zijn. Deze richtafstand wordt gemeten vanaf bestemmingsgrens bron tot aan de gevel van de woning (incl vergunningvrij aanbouwen). De afstand tot de gevel van woning Keulseweg 6 bedraagt meer dan 45 meter. De afstand tot de gevel van woningen Katwijkerlaan 48 en 50 bedraagt meer dan 25 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Bouwen van 2 nieuwe woningen op perceel B5879 Aan de overkant van de Katwijkerlaan (nrs 55c, achter 63, 75) zijn bedrijven gevestigd. In alle gevallen wordt voldaan aan de richtafstanden, uitgaand van het omgevingstype gemengd gebied.
Op het perceel Katwijkerlaan 75 is een bedrijf gevestigd, waarbij geluid het maatgevende aspect is. Bij woningbouwontiwkkelingen aan de Katwijkerlaan dient dit nader beschouwd te worden. In de omgeving van het perceel zijn reeds verschillende woningen aanwezig die maatgeverd zijn voor het kunnen voldoen aan de geluidsnormen. In 2012 is er in het kader van van een melding Activiteitenbesluit een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus van alle activiteiten op de Katwijkerlaan 75 voldoen aan de gestelde eisen op basis van het Activiteitenbesluit. Aan de voorkeursgrenswaarde uit de Circulaire van 29 februari 1996 van het Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (MBG 96006131) "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" wordt ter plaatse van de omliggende woningen voldaan. De nieuw te bouwen woningen liggen op grotere afstand dan de woningen uit het hierboven genoemde onderzoek. Door Tritium Advies is voor de ontwikkeling op de locatie een quickscan bedrijven- en milieuzonering uitgevoerd (zie Bijlage 7).
De conclusie is als volgt: In de directe omgeving van deelgebied 1 (woonbestemming) zijn verschillende bedrijven gelegen die mogelijk van invloed zijn op het plangebied. Deze zijn derhalve in de quickscan beschouwd. Hieruit is gebleken dat alle relevante bedrijven in de omgeving op ruime afstand van het deelgebied zijn gesitueerd. Een eventueel nieuw bedrijf in de omgeving van het plangebied kan milieutechnisch niet worden ingeperkt door het planvoornemen aangezien deelgebied 1 voldoet aan de richtafstanden die gelden voor de verschillende, op basis van het bestemmingsplan toegestane, milieucategorieën. Deelgebied 2 (bedrijfsbestemming) is omgeven met verschillende woonfuncties. Echter voldoet deelgebied 2 aan de richtafstand tot gevoelige functies (woningen) van het beoogde milieucategorie 2 bedrijf. Hieruit blijkt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het planvoornemen en een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.
34
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
Zuideindseweg 24 Op het perceel worden drie woningen toegevoegd. Echter, deze woningen worden binnen de bestaande woonbestemming gesitueerd. Planologisch gezien is er geen sprake van een functiewijziging waardoor de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor omliggende functies. In de omgeving zijn uitsluitend woningen en bijbehorende voorzieningen aanwezig. Er zijn geen bedrijven of andere functies die hinder veroorzaken aanwezig. Het aspect milieuzonering vormt voor deze locatie geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Berkelseweg 28 Op het perceel Berkselseweg 28 worden 5 nieuwe woningen gebouwd in het kader van de ruimte voor ruimte regeling. Dit perceel word middels onderhavig bestemmingsplan bestemd tot 'Wonen' met bijbehorende ontsluiting en tuinen. In de omgeving van dit perceel zijn enkele agrarische bedrijven te vinden. Deze bevinden zich echter op grote afstand van de nieuwbouwlocatie. De gronden rondom de locatie hebben allen de bestemming 'Agrarisch-Weide'. Op een afstand van 250 meter bevindt zich nog een glastuinbouwbedrijf. De richtafstand hiervoor is 30 meter. Er wordt dus overal voldaan aan de richtafstand. Oude Leedeweg 5 Door Tritium Advies is voor de ontwikkeling op de locatie Oude Leedeweg 5 een quickscan bedrijven- en milieuzonering uitgevoerd (zie Bijlage 8). De conclusie is als volgt: In de directe omgeving is een aantal bedrijven c.q.
bestemmingen gelegen die mogelijk van invloed zijn op het plangebied. In onderhavig situatie wordt echter voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-uitgave. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen realisatie van de vrijstaande woningen. Keulseweg 36 Op het perceel van de Kulseweg 36 worden 2 nieuwe woningen gebouwd in het kader van de ruimte voor ruimte regeling. Dit perceel wordt middels het onderhavig bestemmingsplan bestemd tot 'Wonen met bijbehorende tuinen. Door Tritium Advies is voor de ontwikkeling op de locatie Oude Leedeweg 5 een quickscan bedrijven- en milieuzonering uitgevoerd (zie Bijlage 9). De conclusie is als volgt: In de directe omgeving zijn een aantal bedrijven c.q. bestemmingen gelegen die mogelijk van invloed zijn op het plangebied. Voor de bedrijven / functies gelegen aan de Katwijkerlaan 105, de Katwijkerlaan 113 en de Keulseweg 40 is vastgesteld dat deze geen belemmering vormen voor het planvoornemen. De overige bedrijven / functies (met uitzondering van het educatief centrum gelegen aan de Keulseweg 34) liggen op een dermate grote afstand dat deze niet relevant zijn. Voor het educatief centrum (welke paarden houdt) geldt dat aan de richtafstanden volgende de het houden van paarden wordt voldaan; enkel een klein gedeelte van het perceel valt binnen de aan te houden afstand van 30 meter.
Hier worden geen geurgevoelige objecten beoogd. Ten aanzien van de mestopslag geldt wel dat een groot gedeelte van het perceel waar de woningen worden voorzien valt binnen de aan te houden afstand van 50 meter. Geadviseerd wordt om deze milieuzone vrij te houden van woningen. Uiteraard zou ook aan andere oplossingen gedacht kunnen worden, zoals het (naar de linkerkant) verplaatsen van de mestopslag opdat er voldaan wordt aan de aan te houden afstand van 50 meter. Indien de bouw van de woningen buiten de aan te houden afstand volgende uit de aanwezigheid van de paarden en de mestopslag (respectievelijk 30 en 50 meter), wordt voldaan aan de te hanteren richtafstand, is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Ten aanzien van het omzetten van de bestaande bedrijfswoning kan worden vastgesteld dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot de aanwezige paarden en de mestopslag; deze is buiten de aan te houden afstand(en) gelegen. Het bovenstaande in acht nemende, vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen realisatie van twee nieuwe woningen en de omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning aan de Keulseweg 36 te Pijnacker. Zuideindseweg 37
35
gemeente Pijnacker-Nootdorp
De bedrijfsbestemming komt te vervallen. Daarmee vervalt ook de hinder voor de omliggende woonpercelen. De nieuwe woonbestemming sluit aan bij de omliggende reeds aanwezige woonfuncties. In de directe omgeving zijn geen bedrijven of andere functies aanwezig die door de komst van de woningen in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Het aspect milieuzonering vormt voor deze locatie geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Onderweg 1 Op het perceel Onderweg 1 worden 2 nieuwe woningen gebouwd in het kader van de ruimte voor ruimte regeling. Dit perceel word middels onderhavig bestemmingsplan bestemd tot 'Wonen' met bijbehorende ontsluiting en tuinen. In de omgeving van dit perceel zijn enkele agrarische bedrijven te vinden. Deze bevinden zich echter op grote afstand van de nieuwbouwlocatie. De gronden rondom de locatie hebben allen de bestemming 'Agrarisch-Weide' of wonen. Op een afstand van 90 meter bevindt zich nog een glastuinbouwbedrijf. De richtafstand hiervoor is 30 meter. In de omgeving is een mestplaat aanwezig. De richtafstand is 50 meter. De woningen liggen op een afstand van 80 meter. Er wordt dus overal voldaan aan de richtafstand. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de bestemmingswijzigingen voor wat betreft het aspect bedrijven en milieuzonering toelaatbaar zijn.
5.3
Externe veiligheid
5.3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk EV wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij het bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.
5.3.2
Normstelling en beleid
Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour).
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (Juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een
36
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt.
Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.
5.3.3
Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten
Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen, zoals in onderhavig geval een school. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na in werkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt. Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven.
Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid)
37
gemeente Pijnacker-Nootdorp
5.3.4
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi. Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.
Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar; Verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit is van toepassing op: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro.
5.3.5
Basisnet
Voorheen werd het beoordelingskader gevormd door de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Dit is veranderd met het van kracht worden van het Basisnet, op 1 april 2015. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Gevaarlijke stoffen vervoeren is risicovol en zorgt dus voor beperkingen aan de ruimtelijke ordeningskant. Er zijn namelijk regels om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden.
Aan dit beschermingsniveau wordt voldaan als het risico vanuit het vervoer niet hoger ligt dan wat maatschappelijk acceptabel is.
38
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes. Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor sommige transportassen moet ook rekening worden gehouden met het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter (gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook) van de transportas waarin, bij de realisering van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.
Als binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. De hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of dit een volledige verantwoording moet zijn of dat een beperkte verantwoording volstaat. Voor de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) te worden beschouwd, maar ook de effectafstanden van overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.
Groepsrisico Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar; Verantwoording groepsrisico? Het Bevt schrijft voor dat voor alle ruimtelijke plannen binnen de invloedssfeer van een transportroute aandacht moet worden geschonken aan: 1. Mogelijkheden tot voorbereiding van het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 2. Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten.
39
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is dient ook aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten: 1. Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 2. Hoogte van het groepsrisico; 3. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (zowel bronmaatregelen als ruimtelijke maatregelen); 4. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (alternatieve locaties) met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, 1. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; 2. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.
5.3.6
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling in werking getreden. Vanaf juli 2014 is het Bevb (oa) ook van toepassing op de CO2-leiding die door de gemeente Pijnacker-Nootdorp loopt. Het Bevb regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Milieukwaliteitseisen & maatregelen en hoofdstuk 9 Stoffen & producten) en de Wet ruimtelijke ordening (hoofdstuk 3 Bestemmings- en inpassingsplannen, hoofdstuk 4 Algemene regels & specifieke aanwijzingen). Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en transport. Ook bij buisleidingen geldt dat de hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of een volledige verantwoording moet worden opgesteld of dat een beperkte verantwoording volstaat. Plaatsgebonden risico Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.
Groepsrisico Bij buisleidingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico? De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; a. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; b. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen: 1. de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding;
40
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
2. de omvang van het groepsrisico; 3. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 4. de mogelijkheden van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen.
5.3.7
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Alleen de locaties waar externe veiligheid relevant is worden nader beschouwd. Het gaat om de locaties waar sprake is van toevoeging van mensen dan wel van het realiseren van een risicobron op locaties waar dit nog niet eerder via een ruimtelijk plan werd toegestaan. Uit de toetsing van het plan blijkt het volgende: Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van een inrichting met gevaarlijke stoffen. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding met gevaarlijke stoffen (hoge druk aardgas of brandbare vloeistof). Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van de gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van de A4 en de A12. Het plan ligt wel binnen het invloedsgebied van de A13, maar wel op meer dan 200 meter. Een berekening/verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde. Er dient wel aandacht besteed te worden aan bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Conclusie Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Er zal advies gevraagd worden aan de Veiligheidsregio. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.
5.4
Geluid
5.4.1
Regelgeving en beleid
Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht: Onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour (voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Het gebied binnen deze contour is de zone van het industrieterrein. Middels zonering worden enerzijds bedrijven beschermd tegen oprukkende geluidgevoelige bestemmingen en anderzijds worden geluidgevoelige bestemmingen beschermd tegen eventuele uitbreidingen van de activiteiten op het industrieterrein. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar geluidbeleid vastgelegd in de nota 'Gebiedsgericht Geluidsbeleid' uit 2010.
Deze Nota Geluidsbeleid, waarin de hoofdlijnen van het beleid uiteen worden gezet, bestaat verder uit een tweetal deelnota`s, te weten de Nota Hogere Grenswaarden en de Nota Bedrijven en Geluid alsmede uit een richtlijn bouwlawaai op grote bouwlocaties.
41
gemeente Pijnacker-Nootdorp
5.4.2
Conclusies ten aanzien van het bestemmingsplan
Voor de locaties Delfstestraatweg, Hoefsmid, Dorpsstraat, Zuidrand Ackerswoude en de Beatrixschool en ter plaatse van het snippergroen geldt dat er geen sprake is van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. In het kader van de Wgh is derhalve geen onderzoek noodzakelijk. Voor de locaties Nieuwkoopseweg 8, Keulseweg 36, Zuideindseweg 37 en Onderweg 1 is er sprake van vervangende nieuwbouw, waarbij de woning niet dichter naar de weg wordt gesitueerd of het betreft geen doorgaande weg waarvan aannemelijk is dat de verkeersintensiteit zodanig laag is, dat op voorhand vastgesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de andere ontwikkelingen is geluidsonderzoek uitgevoerd. Principeverzoeken: A. Katwijkerlaan 50A -Keulseweg 8/10: Sloop en bouw van 2 woningen; B. Zuideindseweg 24: Herbouw bestaande woning en ontwikkeling gebied Hollands Hoftuyn. Katwijkerlaan 50A Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 11). Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Katwijkerlaan, Keulseweg en Molenlaan. Voor de Keulseweg en de Molenlaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt.
Voor de Katwijkerlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 6 dB overschrijdt. Op de voorgevels van de woningen wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied eveneens overschreden. Om de woningbouw te kunnen realiseren is het mogelijk de geveldelen ter plaatse van deze toetspunten als dove gevel conform artikel 1b, lid 4 van de Wgh uit te voeren. Een dove gevel is namelijk geen gevel volgens de Wgh. Dit betekent derhalve dat er geen te openen delen (ramen en deuren) in deze gevels zijn toegestaan, met uitzondering van eventuele incidenteel te openen delen (zoals een verhuisraam), mits deze delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. Aangezien draaiende delen voor de vereiste spuiventilatie noodzakelijk zijn, dient hier in de plattegrond rekening mee te worden gehouden. Voor de overige locaties waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden (maar de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden) is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.
De toepassing van bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde is getoetst en ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aarde (scherm), is niet doeltreffend (vergroten van de afstand) of is niet doeltreffend en ontmoet tevens bezwaren van financiële aard (stiller wegdek). Aangezien voor de woningen sprake is van een procedure hogere waarde, is voor deze woningen in het kader van de omgevingsvergunning aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Zuideindseweg 24 Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 12). Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Zuideindseweg. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Hollandsche Tuyn en de Zuideindseweg, gedeelte met een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor de 30 km/uur weg Hollandsche Tuyn en voor het gedeelte van de Zuideindseweg met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde van 48 dB op geen enkel toetspunt overschrijdt.
42
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
Voor de Zuideindseweg gedeelte met een snelheidsregime van 60 km/uur geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning op het voorerf (gb001) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 4 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om voor deze woning een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Voor de overige woningen op de locatie geldt dat er geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en dat voor deze woningen derhalve geen sprake is van een procedure hogere waarde. De toepassing van bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde is getoetst en ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard (scherm), is niet doeltreffend (vergroten van de afstand) of ontmoet bezwaren van financiële aard (stiller wegdek). Woning gb001 zorgt voor afscherming voor de op het achtererf gelegen woningen. De voorkeursgrenswaarde wordt enkel overschreden ter plaatse van de voorgevel.
Derhalve beschikt de woning over een geluidluwe achtergevel en geluidluwe zijgevels. Aan deze geluidluwe gevel(s) kan een geluidluwe buitenruimte worden gesitueerd. Derhalve wordt voldaan aan de aanvullende eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid en wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien voor de woning gb001 sprake is van een procedure hogere waarde, is voor deze woningen in het kader van de omgevingsvergunning aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Ruimte voor ruimteplannen: C. Berkelseweg 28: Bouw van 5 woningen; D. Oude Leedeweg 5: Bouw van 6 woningen; Berkelseweg 28 Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 10). Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Oostsingel / N470, Stikledeweg / N470, de Berkelseweg, de Noordeindseweg en de Keulseweg (doodlopend). De Oostsingel / N470 en de Strikledeweg / N470 zijn als één juridische geluidbron beschouwd. Voor de N470 geldt dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op een aantal toetspunten overschrijdt.
De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt ter plaatse van de 3e verdieping van de zuidgevel van de woningen binnen één bouwblok eveneens overschreden. Om de woningbouw te kunnen realiseren is het mogelijk de geveldelen ter plaatse van deze toetspunten als "dove gevel" conform artikel 1b, lid 4 van de Wgh uit te voeren. Dit betekent derhalve dat er geen te openen delen (ramen en deuren) in deze gevels zijn toegestaan, met uitzondering van eventuele incidenteel te openen delen (zoals een verhuisraam), mits deze delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. Aangezien draaiende delen voor de vereiste spuiventilatie noodzakelijk zijn, dient hier in de plattegrond rekening mee te worden gehouden. Voor de overige locaties waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden (maar de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden) is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.
De toepassing van bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde is getoetst en ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aarde (scherm), is niet doeltreffend (vergroten van de afstand) of is niet doeltreffend en ontmoet tevens bezwaren van financiële aard (stiller wegdek). Aangezien voor de woningen binnen de bouwblokken gb002 en gb003 sprake is van een procedure
43
gemeente Pijnacker-Nootdorp
hogere waarde, is voor deze woningen in het kader van de omgevingsvergunning aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Oude Leedweg 5 Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 13). Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen N470, Oude Leedeweg, Groenekade, Faunalaan en de nieuw aan te leggen (doodlopende) weg tussen de Oude Leedeweg en het plangebied. Voor de wegen Groenekade, Faunalaan en Nieuwe weg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de N470 geldt dat ter plaatse van beide bouwblokken de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 5dB overschrijdt. Voor de Oude Leedeweg geldt dat ter plaatse van bouwblok gb001 de geluidbelasting op de westzijde van het bouwvlak van deze woning de voorkeursgrenswaarde met maximaal 3 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.
Het toepassen van bron- en overdrachtsmaatregelen is getoetst. Het toepassen van voornoemde maatregelen ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard (scherm), is niet doeltreffend (afstand vergroten tot N470), is niet doeltreffend en ontmoet tevens bezwaren van financiële aard (stiller wegdek N470) of ontmoet enkel overwegende bezwaren van financiële aard (stiller wegdek op Oude Leedeweg). Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek nodig ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Regelgeving en beleid
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Sinds 2011 moest reeds aan de grenswaarden (jaargemiddelde van 40 ìg/m3 en 24-uursgemiddelde concentratie van 50 ìg/m3) voor PM10 worden voldaan. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 40 ìg/m3 en uurgemiddelde grenswaarde van 200 ìg/m3. Tot deze grenswaarden gelden zijn minder strenge grenswaarden van kracht.
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel
44
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 ìg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.); een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten of projecten “In betekenende mate'' (IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar plan van aanpak om aan de gemeentelijke taakstelling te kunnen voldoen om periodiek de luchtkwaliteit vast te stellen verwoord in het Luchtkwaliteitsplan Pijnacker-Nootdorp 2008-2011.
5.5.2
Conclusies ten aanzien van het bestemmingsplan
Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2018, 2020 en 2030 afgelezen. In de verkeersmodellen die gebruikt worden bij de NSL-monitoringstool is de verkeersgeneratie in de omgeving reeds opgenomen in het model voor de jaren 2020 en 2030. Er zijn derhalve geen aanpassingen doorgevoerd aan de data afkomstig uit de NSL-rekentool. NO2 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor NO2 in alle gevallen afnemen ten opzichte van 2018. In geen van de gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde overschreden. PM10 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor PM10 in 2020 nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van 2018. In 2030 neemt de concentratie echter af. Ter plaatse van het plangebied is de concentratie PM10 in 2030 kleiner dan de concentratie in 2018. Er wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 (40 µg/m3). De wereldgezondsheidsorganisatie (WHO) beoogt een advieswaarde van een jaargemiddelde waarde van 20 µg/m3. In 2020 en 2030 nemen de concentraties af tot ver onder de advieswaarde. PM2,5 Uit de resultaten blijkt dat dat de concentraties PM2,5 licht afnemen. De jaargemiddelde grenswaarde (25 µg/m3) wordt in geen geval overschreden. Ook de jaargemiddelde richtwaarde voor 2020 (20 µg/m3) wordt in geen geval overschreden.
Overige ontwikkelingen De overige ontwikkelingen, waarbij onder andere een aantal woningen worden mogelijk gemaakt, zijn dusdanig beperkt van omvang dat er ruimschoots onder de aantallen gebleven wordt zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen' (NIBM). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de bestemmingswijzigingen voor wat betreft Luchtkwaliteit toelaatbaar zijn.
5.6
Archeologie en cultuurhistorie
5.6.1
Regelgeving en beleid
Wet op de archeologische monumentenzorg Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 oktober 2007 regelt de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet 1988 de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente. Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan
45
gemeente Pijnacker-Nootdorp
verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven. Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden. Besluit ruimtelijke ordening Vanaf 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap.
Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. In de CHA heeft het plangebied een redelijk tot grote kans op archeologische sporen. Aan deze kans is een onderzoeksplicht verbonden. Archeologiebeleid Pijnacker-Nootdorp De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar archeologiebeleid verwoord in de nota 'Pijnacker-Nootdorp; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart' uit 2009. Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart heeft het plangebied deels een hoge archeologische verwachting, een middelhoge archeologische verwachting en deels een onbekende archeologische verwachting. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeesters en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit kan in de vorm van het treffen van technische maatregelen, het doen van een opgraving of archeologische begeleiding van werkzaamheden.
Daarnaast is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Per dubbelbestemming gelden ondergrenzen voor wat betreft de oppervlakte en diepte van de verstoring. In de volgende tabel is een overzicht opgenomen met de dubbelbestemmingen die in voorliggend bestemmingsplan voorkomen. Per dubbelbestemming is aangegeven wat de ondergrenzen voor de oppervlakte en diepte van de verstoring zijn. Indien deze grenzen niet worden overschreden, dan is er geen onderzoek noodzakelijk.
Verwachting
Dubbelbestemming
Ondergrens diepte
Locaties
Waarde - Acheologie 1
Ondergrens oppervlakte 50 m2
Hoog
0,30 meter
Hoog
Waarde- Archeologie 2
100 m2
0,30 meter
Middelhoog
Waarde- Archeologie 3
200 m2
0,30 meter
Katwijkerlaan 50a Keulseweg 8/10, Nieuwkoopseweg 8, Zuideindseweg 24, Dorpsstraat Geerweg 36 (snippergroen), Zuideindseweg 37 Hoefsmid 16
46
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/2021
Laag
5.6.2
Waarde- Archeologie
1.000 m2
0,50 meter
Rivierenlaan 146 (snippergroen)
Conclusies ten aanzien van het bestemmingsplan
Bij de toekomstige ontwikkelingen zal op een aantal percelen binnen onderhavig bestemmingsplan rekening moeten worden gehouden met een redelijke tot grote trefkans op archeologische sporen. In de regels is daarom een regeling opgenomen, waarbij de voorwaarden staan aangegeven wanneer een verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op basis van het archeologisch onderzoek zal bepaald worden of nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In voorliggend bestemmingsplan zijn de gebieden waar (naar verwachting) archeologische waarden aanwezig zijn door middel van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' (onderzoek bij oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm), 'Waarde - Archeologie 1' (onderzoek bij oppervlak groter dan 50 m2 en dieper dan 30 cm), 'Waarde - Archeologie 2' (onderzoek bij oppervlak groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm), Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen is bouwen uitsluitend onder voorwaarden (na archeologisch onderzoek) toegestaan.
5.7
Bodem
5.7.1
Regelgeving en beleid
Algemeen Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen, om daarmee de haalbaarheid van deze bestemming te bepalen. De Wet bodembescherming (Wbb), Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. Opgemerkt wordt dat op dit moment de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en hoogstwaarschijnlijk binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De pijlers hierbij zullen gericht zijn op de zorgplicht en het omgevingsplan. Het omgevingsplan heeft betrekking op twee soorten regels: algemene regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht en dergelijke) en regels die: 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' inhouden. In het kader van de omgevingswet is de gemeente bevoegd gezag bodem.
Om het gebruik van de ruimte beneden maaiveld duurzaam en optimaal te benutten zal bij ontwikkelingen of activiteiten in de onder- en/of bovengrond rekening moeten worden gehouden met de ruimtelijk ordening van de ondergrond in relatie tot de bovengrond, en vice versa. Bodemonderzoek (Huidige) wet- en regelgeving (bodem)onderzoek bij (her)inrichting of bestemmingswijziging: Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van een locatie en/of bij grondverzet inclusief het verwijderen van grondgebonden objecten, dient een historisch (bodem)onderzoek conform de vastgestelde norm te worden uitgevoerd om mogelijk bodembedreigende activiteiten te achterhalen (huidige norm: NEN-5725). In het kader van het historisch onderzoek zal minimaal een terreininspectie moeten worden uitgevoerd, een gesprek met de (voormalige) eigenaar/beheerder van de locatie moet plaatsvinden, het raadplegen van historische kaarten, luchtfoto's en landelijk bodemloket, en een bezoek aan het gemeentearchief moet worden gebracht (tenzij geen relevante informatie van de onderzoekslocatie bij de gemeente aanwezig is). Op basis van de beschikbare historische en/of milieuhygiënische (bodemkwaliteits)gegevens wordt bepaald of asbest-, water- en/of bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de geldende vastgestelde onderzoeknormen. Het standaardstoffenpakket moet worden aangevuld als een locatie