Bijlage 3. ruimtelijke motivering
Tekst van het document
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Het initiatief is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid, zoals verwoord in de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 en het Sportakkoord Pijnacker-Nootdorp 2023-2026.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
HOOFDSTUK 6
OMGEVINGSVEILIGHEID
6.1
Wettelijk kader
6.1.1
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp komen bovenstaande situaties evenwel niet voor. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.1.2
Provinciale regels
In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening staan in paragraaf 7.3.2 regels over externe veiligheid. De provincie Zuid-Holland heeft als beleidsuitgangspunt dat er geen nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde optreden en dat bestaande overschrijdingen (knelpunten) op termijn worden opgeheven. Daarom is het noodzakelijk het groepsrisico in beeld te blijven brengen. In artikel 7.18 staan regels over wanneer met een kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico kan worden volstaan. Hiervan zal in ieder geval sprake zijn bij kleinschalige ontwikkelingen met een geringe toename van de populatie. Het groepsrisico kan worden teruggebracht door maatregelen aan de bron (verkleinen kans op een calamiteit) of het beperken van de effecten daarvan (zorgen voor minder slachtoffers). In de volgende wordt verder ingegaan op de situatie in en bij het projectgebied. Dit sluit ook aan bij de overwegingen in artikel 7.18 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening die het bevoegd gezag bij het opstellen van het omgevingsplan moet betrekken in aandachtsgebieden met een verhoogd groepsrisico. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
6.2
Beoordeling omgevingsveiligheid
6.2.1
Situatie in en bij het projectgebied
Aan hand van de kaart Externe Veiligheid op Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede weer van de kaart, waarop het projectgebied met blauwe omlijning is aangegeven.
Afbeelding 6.1
Uitsnede kaart Externe Veiligheid (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het projectgebied ligt in het gifwolkaandachtsgebied van een bedrijf in de Rotterdamse haven (Stena Line). Daarnaast ligt het projectgebied binnen het brandaandachtsgebied van een gasbuisleiding ten oosten van het tennispark. Een deel van het projectgebied valt ook binnen de PR 10-8 contour van de buisleiding. In het omgevingsplan heeft de gemeente geen voorschriftengebieden opgenomen. De te realiseren overkapping geldt als een ‘kwetsbaar gebouw’. Kwetsbare gebouwen mogen niet binnen een PR 10-6 contour gerealiseerd worden. In dit geval wordt daaraan voldaan. Omdat de overkapping wel binnen diverse aandachtsgebieden ligt, moet worden ingegaan op het groepsrisico. 6.2.2
Groepsrisico
Buisleiding Het brandaandachtsgebied (a.g.v. fakkel uit de buisleiding voor aardgastransport) ligt op 100 meter aan weerszijden van de buisleiding. Een deel van het projectgebied ligt binnen de PR 10-8 contour van de buisleiding. Conform artikel 7.18 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is een kwantitatieve beoordeling van het groepsrisico nodig wanneer de ontwikkeling zich bevindt binnen de PR 10-8 contour van een milieubelastende activiteit en leidt tot een toename van de personendichtheid van meer dan 10% of een toename van meer dan 100 personen. Door de ontwikkeling komen 4 padelbanen binnen het brandaandachtsgebied. Per baan kunnen 4 spelers padellen, dit betekent dus een toename van 16 personen. Echter liggen er nu 3 tennisbanen die gaan verdwijnen. Per tennisbaan kunnen 4 spelers tennissen, dit betekent dus een afname van 12 personen. Dit geeft per saldo van een toename van 4 personen binnen het brandaandachtsgebied a.g.v. padel. Deze toename op een totaal van 56 personen op het gehele sportpark (9 tennisbanen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief (36 personen) en clubhuis (20 personen) geeft een procentuele toename van 7,1% (4/56), en dus kleiner dan 10%. Tevens blijft de personendichtheid bijna onveranderd. Deze is ongeveer gelijk aan de 70 personen/ha (0,007p/m2) (4*4 = 16 personen op een oppervlakte van 1776 m2 = 0,009p/m2). Verder wordt opgemerkt dat deze padellers door de overkapping beschermd worden tegen de hittestraling van de fakkel, hetgeen niet het geval zou zijn als het personen (tennissers) op de thans aanwezige openlucht-tennisbanen zouden zijn. Geconcludeerd wordt dat er geen kwantitatieve beoordeling van het groepsrisico nodig is. Bereikbaarheid Hulpdiensten dienen bij een calamiteit, een gebied/object goed te kunnen bereiken. In het voorliggend geval blijft de bereikbaarheid van het projectgebied onveranderd. Er wordt vanuit gegaan dat het projectgebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het parkeerterrein biedt voldoende ruimte voor hulpdiensten. Bluswatervoorzieningen Voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is door de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) is de ‘Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid (januari 2020)’ ontwikkeld. Deze wordt door gemeente Pijnacker-Nootdorp gehanteerd en nageleefd.
De veiligheidsregio Haaglanden heeft eisen geformuleerd ten aanzien van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In het algemeen geldt dat een woonhuis tot op 40 meter bereikbaar moet zijn voor een brandweervoertuig. De wegen en bruggen er naartoe moeten ook een bepaalde belasting aankunnen, een bepaalde doorgangshoogte en rijbaanbreedte hebben en een zekere binnenbochten buitenbochtstraal hebben. Wat betreft de bluswatervoorziening geldt dat er binnen een straal van 100 meter van het object een bluswatervoorziening aanwezig moet zijn. Een bluswatervoorziening kan zijn: open water, ondergrondse brandkraan (opbrengst minimaal 30 m3/uur) of geboorde put. In dit geval is sprake van open water. Open water moet bereikbaar zijn voor de brandweer en er moet een dompelpomp in kunnen worden gelaten. Voor de bereikbaarheid is ook de wijze waarop bluswater van de waterwinplaats richting het bouwwerk kan komen van belang. Dat laatste doet de brandweer door middel van haar eigen aflegsysteem met tankautospuit en (lage druk) slangen. De waterwinplek dient vrij te zijn van waterplanten. Daar moet de beheerder van het water voor zorgen, het is aan initiatiefnemer om daar toezicht op te houden. Samen met de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) is de meest optimale opstelplaats voor de brandweer bepaald.
Onderstaande afbeeldingen geven de opstelplaats (rood vlak) en waterwinplaats (blauwe pijl) weer. Daarmee kan worden voldaan aan de eisen aan bluswatervoorzieningen.
Afbeelding 6.2
Opstelplaats brandweer (Bron: Initiatiefnemer)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
Afbeelding 6.3
Detail opstelplaats en waterwinplaats (Bron: Initiatiefnemer)
Ontvluchten van het gebied Bij een calamiteit kunnen personen van de buisleiding af vluchten richting de Rijskade. Om het tennispark af te komen zouden personen dan moeten vluchten via de parkeerplaats en de brug over de watergang. Deze vluchtroute leidt naar de buisleiding. Daarom maakt initiatiefnemer een vluchtweg-instructie die personen aanspoort te vluchten richting de Rijskade en een verzamelplek in te richten achter het clubhuis. Daar is ruimte voor een verzamelplek, ligt buiten het brandaandachtsgebied van de buisleiding en het clubhuis biedt bescherming tegen de hittestraling van een eventuele fakkel. De instructie wordt door middel van een plattegrond ook zichtbaar gemaakt. Afbeelding 6.2 laat de voorgestelde vluchtroute zien. (Zelf)redzaamheid (Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. Daarnaast is communicatie van belang. Gelet op de beoogde functie mag worden uitgegaan dat alle aanwezigen zelfredzaam zijn. Kinderen padellen onder begeleiding van ouders/trainers. Bij evenementen zijn vrijwilligers aanwezig (bijv. voor bardiensten in de containerunit).
Zoals eerder is genoemd maakt initiatiefnemer een vluchtweginstructie (zie ook afbeelding 6.2) die zichtbaar wordt opgehangen en die ook wordt gecommuniceerd met de vrijwilligers van de tennisvereniging. Het plan wordt ook via de nieuwsbrief onder de aandacht gebracht van de leden. Brandveiligheid Veiligheidsniveau
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief De overkapping met de padelbanen moet brandveilig gebruikt kunnen worden. Vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gelden regels over beperking van verspreiding van een brand en over het tijdig kunnen vaststellen van een beginnende brand. De overkapping voor de padelbanen heeft een oppervlakte groter dan 1.000 m2. De overkapping is niet ingedeeld in kleinere brandcompartimenten, wat gezien de gebruiksfunctie ook niet voor de hand ligt. Daarom is een onderzoek noodzakelijk waarin wordt getoetst of de omvang van de ruimte niet leidt tot een lager veiligheidsniveau dan met artikel 4.51 uit het Bbl wordt beoogd. Door Buro Appel is een vuurlastberekening uitgevoerd, het rapport staat in bijlage 1. Hieronder staat de conclusie. Vuurlastberekening Er is gekozen voor maatregelpakket I. De totale vuurlast van 17 ton VH is lager dan grenswaarde (300 ton VH) en de compartimentsgrootte is daarmee toelaatbaar. De brand is beheersbaar conform de methodiek van de NEN 6060 en de consequenties voor de omgeving in geval van brand vallen binnen de kaders van het redelijke. Door de aanwezige afstanden gelden er voor de gevels geen brandwerendheidseisen voor wat betreft de WBDBO richting de perceelsgrenzen. Door gebruik te maken van de NEN 6060 neemt de gebruiker/eigenaar de verplichting tot een toezichtarrangement op zich.
Dit houdt in dat met een bepaalde frequentie door een onafhankelijke en deskundige instelling een controle wordt uitgevoerd. Hierbij wordt beschouwd of de gebruiksbeperkingen en voorzieningen die volgen uit deze rapportage nog in overeenstemming zijn met het gekozen maatregelpakket. De werkwijze hiervoor is beschreven in paragraaf 6.3.4 van NEN 6060. De rapportage van deze controle dient aan het bevoegd gezag te worden verstrekt. De voorgestelde frequentie hiervan is eens per 3 jaar. Melden van brand Uit het Bbl volgt dat een sportfunctie groter dan 1.000 m2 een niet-automatische brandmeldinstallatie dient te hebben (art. 4.208). Het materiaal van de overkapping is beperkt brandbaar evenals de materialen van de padelbanen en andere zaken (hekwerken, netten, lampen e.d.). Er wordt geen gebruik gemaakt van bronnen die kunnen zorgen voor brand zoals aanstekers, gasbranders, kaarsen en dergelijke. Indien er toch brand ontstaat, dan is deze snel waarneembaar. In de hal staan geen muren of schotten die de zichtlijnen ontbreken. De afscheidingen tussen de padelbanen zijn van glas. De overkapping beschikt verder over drie nooduitgangen die volgens de geldende eisen in de ruimte staan aangegeven. Bovenaan in deze paragraaf is de personendichtheid berekend, deze komt neer op 0,009 personen/m2.
Bovendien mag er vanuit worden gegaan dat de padelspelers fit zijn en in staat zijn om bij een noodzakelijke evacuatie de ruimte snel te verlaten. Padelspelers en/of bezoekers kunnen elkaar gemakkelijk waarschuwen bij een beginnende brand. Gesteld wordt dat daarom een niet-automatische brandmeldinstallatie niet nodig is.
6.3
Conclusie
Met het voornemen wordt een kwetsbaar gebouw gerealiseerd. Uit de kwalitatieve beoordeling van het groepsrisico blijkt dat: • • • • • •
de personendichtheid slechts beperkt toeneemt het projectgebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten voldaan wordt aan de eisen voor bluswatervoorzieningen bij een calamiteit bij de buisleiding gevlucht kan worden naar een veilige locatie aanwezigen in principe zelfredzaam zijn en initiatiefnemer aanwezigen op de hoogte stelt van de vluchtroute de overkapping met padelbanen brandveilig gebruikt kan worden
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
7.1
Vigerend beleid
7.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3
Provinciaal beleid
Het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 fungeert als een strategisch kader voor het waterbeleid in de provincie, met een sterke focus op samenwerking, duurzaamheid en het anticiperen op toekomstige uitdagingen in waterbeheer. Het RWP brengt alle watergerelateerde beleidsaspecten samen in één document, inclusief verplichte onderwerpen zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. Daarnaast behandelt het programma thema's als zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Deze integrale benadering biedt een helder overzicht van de provinciale aanpak en benadrukt de samenhang tussen verschillende watergerelateerde onderwerpen. De belangrijkste speerpunten zijn: • • • •
Waterveiligheid en klimaatadaptatie: bescherming tegen overstromingen, vergroting van waterbergingscapaciteit en klimaatbestendige inrichting. Waterkwaliteit en ecologie: verbetering van waterkwaliteit (KRW), tegengaan van verontreiniging en ecologische maatregelen zoals natuurvriendelijke oevers. Zoetwatervoorziening en droogtebestrijding: beschikbaarheid van zoetwater, tegengaan van verzilting en duurzame wateropslag. Duurzaam bodembeheer: bescherming van grondwaterkwaliteit en aanpak van bodemverontreiniging.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief • •
7.1.4
Vaarwegen en waterrecreatie: onderhoud en optimalisatie van vaarwegen en stimuleren van waterrecreatie. Samenwerking en integraliteit: nauwe samenwerking met waterschappen, gemeenten en bedrijven voor een flexibel en toekomstgericht beleid. Beleid Hoogheemraadschap Delfland
7.1.4.1 Watervisie Het Hoogheemraadschap Delfland heeft in de Watervisie de volgende perspectieven op water in de leefomgeving: •
•
•
•
• • •
Zeespiegelstijging – Delfland beschermt het gebied tegen overstromingen door waterkeringen, rekening houdend met bodemdaling, zeespiegelstijging, biodiversiteit en de toenemende druk op de ruimte. Waterveiligheid is een randvoorwaarde bij alle ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming. Zoetwatervoorziening i.r.t. droogte – Delfland wil voldoende zoetwater in het beheergebied beschikbaar-hebben om verdroging tegen te gaan en maatschappelijke, economische en ecologische functies te waarborgen. In de ruimtelijke planvorming dragen ontwikkelingen positief bij aan de hoeveelheid zoetwater in het gebied. Om droogte te bestrijden wordt water meer vastgehouden. Extreme neerslag – Delfland signaleert en agendeert bij alle ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming wateroverlast-risico’s als gevolg van extreme neerslag. Delfland adviseert over maatregelen, nu en in de toekomst, om die risico’s te voorkomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming moeten wateroverlast-risico’s minimaal gelijk blijven en bij voorkeur afnemen. Delfland stimuleert dit door inbreng van kennis en medefinanciering. Waterkwaliteit en biodiversiteit – Delfland agendeert bij alle ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming de waterkwaliteit en biodiversiteit, zodat deze kan verbeteren.
Delfland streeft naar een goede waternatuur door het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit, via het remmen, tegengaan of terugdringen van afspoeling van schadelijke stoffen (vanuit bedrijven, door bouwmaterialen, etc.) en het ontwikkelen van voorwaarden (zoals habitat) voor het goed functioneren van waternatuur. Hitte – Delfland signaleert en agendeert risico’s en adviseert over maatregelen om het hitteeiland effect, veroorzaakt door klimaatverandering en ruimtelijke ontwikkelingen, te beperken. Bodemdaling – Delfland signaleert en agendeert risico’s en adviseert over maatregelen om maatschappelijke schade en CO 2-uitstoot door bodemdaling te voorkomen. Aquathermie – Delfland signaleert en faciliteert proactief bij ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming de kansen om het energiepotentieel van aquathermie te ontsluiten, om een bijdrage te leveren aan de nationale warmtetransitie en agendeert de risico’s voor het watersysteem.
7.1.4.2 Waterbeheerprogramma en KRW-programma 2022-2027 In het zesde waterbeheerprogramma staan de ambities vertaald naar concrete maatregelen. De maatregelen staan geclusterd rond de thema’s waterveiligheid, -kwaliteit, -kwantiteit en waterketen. In het KRW-programma Delfland zijn doelen uitgewerkt voor KRW-waterlichamen en Natte Ecologische Zones (NEZ). Om richting te geven aan de benodigde maatregelen heeft Delfland aan de hand van de knelpunten samen met gebiedspartners in een aantal plenaire bijeenkomsten en gebiedsgerichte sessies de mogelijke oplossingsrichtingen doorgesproken. Op basis hiervan zijn bouwstenen en speerpunten opgesteld. De bouwstenen haken aan op de knelpunten voor de waterkwaliteit en vormen een kapstok voor effectieve maatregelen voor de komende periode. De bouwstenen zijn op een abstract niveau weergegeven. Per KRW-waterlichaam is een nadere uitwerking gemaakt. 1. Emissiereductie: De reductie van emissies (voedingstoffen en milieuvreemde stoffen) blijft onverminderd belangrijk voor verbetering van de waterkwaliteit (en de volksgezondheid). 2. Ecologische optimalisatie waterbeheerpraktijk: De manier waarop het watersysteem beheerd wordt bijvoorbeeld door het maaibeheer, baggerbeheer en waterbeheer (sturen met water) heeft een grote invloed op de aquatische ecologie en waterkwaliteit (KRW en overig water).
Optimalisatie, rekening houdend met de bestaande functies en ruimtelijke BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief ontwikkeling is gewenst. De kroosproblematiek kan bijvoorbeeld met juist beheer vermindert worden. 3. Ecologische(re) inrichting van het watersysteem: Het watersysteem van Delfland is voornamelijk ten behoeve van menselijk gebruik (o.a. de waterafvoer en scheepvaart) aangelegd. De inrichting van het watersysteem is hiermee niet optimaal afgestemd op de ecologie. Een in alle opzichten goed, robuust functionerend watersysteem heeft baat bij ecologische inrichting. Optimalisatie, rekening houdend met de bestaande functies en ruimtelijke ontwikkeling is daarom noodzakelijk. 4. Anticiperen op de toekomst: De komende jaren worden grote ruimtelijke veranderingen verwacht. Bijvoorbeeld rond de landbouwtransitie, de aanleg van nieuwe natuur- en recreatiegebieden, woningbouw en de energietransitie. Daarnaast zijn gemeentes en provincie bezig met de uitwerking van de omgevingsvisie en plannen. Al deze ontwikkelingen hebben kansen en gevolgen voor waterkwaliteit en aquatische ecologie. Hierop moet worden ingespeeld om een achteruitgang te voorkomen en/of kansen te pakken voor de waterkwaliteit. Daarnaast kan met de verbetering van de waterkwaliteit worden bijgedragen aan een gezonde toekomst door de uitstoot van CO2-emissies te verlagen. 5.
Borgen waterkwaliteitsaspecten bij recreatie: Delfland wil graag een ecologisch gezond en recreatief aantrekkelijk gebied. Hiervoor is een goede balans tussen ecologie en gebruik noodzakelijk. 7.1.4.3 Handreiking weging van het waterbelang De weging van het waterbelang in de Omgevingswet is de opvolger van de watertoets. De Omgevingswet gaat uit van afstemming en samenwerking tussen overheden. Op basis van artikel 2.2 Ow zijn de gemeente en Hoogheemraadschap Delfland verplicht om rekening te houden met elkaars belangen en stemmen zij (zo nodig) af. Hiermee is dan ook in de breedste zin van het woord geborgd dat het waterbelang meegewogen moet worden in initiatieven en plannen die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Bij de weging van het waterbelang is een onderscheid gemaakt tussen de verschillende instrumenten (van omgevingsvisie tot tijdelijke BOPA). In dit geval wordt de procedure voor een BOPA gevolgd. In de onderstaande waterparagraaf wordt de ontwikkeling getoetst aan alle thema’s bij de weging van het waterbelang. 7.1.4.4 Richtlijn compensatie verharding In 2024 heeft het hoogheemraadschap de Richtlijn compensatie verharding vastgesteld. Deze richtlijn is bedoeld om inzicht te geven in hoe Delfland de compensatie bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving wil laten invullen.
Delfland heeft als waterbeheerder van oudsher de voorkeur voor compensatie in oppervlaktewater en stelde dit type maatregel boven vasthoudmaatregelen. Extra oppervlaktewater is betrouwbaar op de lange termijn, omdat oppervlaktewater operationeel beheerd wordt door Delfland, zichtbaar en controleerbaar is en het onderhoud wordt geborgd in de legger en de schouw. Bovendien kan oppervlaktewater bijdragen aan een robuuste waterstructuur. Echter, het nadeel van deze compensatievorm is dat het regenwater snel op het watersysteem wordt geloosd, en vervolgens wordt afgevoerd naar buitenwater. Het water gaat daarmee verloren, terwijl er op andere momenten juist een watertekort kan ontstaan. Extra oppervlaktewater leidt in droge periodes tot een hogere watervraag, omdat dit water op peil en van goede kwaliteit moet worden gehouden. Een nadeel dat, gegeven de zoetwaterschaarste in recente zomers, steeds meer gevoeld wordt. Vasthoudmaatregelen zijn op lange termijn onzekerder qua functioneren dan oppervlaktewater, zeker als de maatregel niet zichtbaar is. Een voordeel is echter dat vasthoudmaatregelen, naast het bieden van de gewenste hoeveelheid berging, ervoor kunnen zorgen dat hemelwater in de bodem kan infiltreren. Ze dragen daardoor niet alleen bij aan het beperken van de kans op wateroverlast, maar ook aan vermindering van de gevolgen van droogte.
Daarnaast kunnen vasthoudmaatregelen van meerwaarde zijn voor toename van biodiversiteit, vermindering van hittestress, hergebruik van hemelwater en verbetering van de leefomgeving.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
Afbeelding 7.1
Voorkeursvolgorde compensatie verharding (Bron: Hoogheemraadschap Delfland)
Op bovenstaande afbeelding is de voorkeursvolgorde te zien die het hoogheemraadschap hanteert bij compensatie van verharding. Afhankelijk van de grootte van het plangebied en het oppervlakte toename van verharding gelden specifieke eisen. Daarnaast heeft het hoogheemraadschap voor gietwatervoorzieningen in 2025 een aanvulling op de Richtlijn compensatie verharding vastgesteld. Dit is alleen van toepassing op glastuinbouw en is voor dit project verder niet relevant. 7.1.5
Gemeentelijk beleid
De gemeente Pijnacker-Nootdorp wil een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren, een gezonde en veilige leefomgeving en een aantrekkelijke, groene (openbare) ruimte bieden. Deze aspecten zijn uitgebreid omschreven in de ontwikkelingslijnen uit de ‘Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050’. Een klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte speelt een belangrijke rol bij de invulling hiervan. Daar hoort ook aandacht voor water bij. Vanuit de gemeentelijke watertaken, waarin de drie gemeentelijke zorgplichten, waaronder die voor de riolering zijn ondergebracht, kunnen we een bijdrage leveren aan deze ambities. Dit verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) beschrijft hoe de gemeente de aankomende jaren (2022-2025) invulling zal geven aan haar watertaken en hoe dit bijdraagt aan haar ambities. Daarmee geeft het vGRP ook een onderbouwing van de rioolheffing. Met ‘verbreed’ wordt aangegeven dat het traditionele GRP (betrekking hebbend op afvalwater) in 2008 is uitgebreid met de grondwater- en hemelwatertaken van de gemeente. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
7.2
Wateraspecten
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
7.3
Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied
7.3.1
Weging van het waterbelang
Stevige dijken Het voornemen heeft geen invloed op bestaande waterkeringen en maakt geen nieuwe waterkeringen mogelijk. Voldoende water Wateroverlast In principe mag een initiatief niet zorgen voor toename van wateroverlast en toename van waterafvoer. Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van een ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijke plan worden gecompenseerd. Met het initiatief wordt per saldo verharding toegevoegd. Dit betekent een toename van waterafvoer. Indien de afvoer vanuit het gebied of de kans op wateroverlast toeneemt als gevolg van de ontwikkeling, dan wordt dit door de initiatiefnemer gecompenseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de voorkeursvolgorde: 1. binnen het plangebied én binnen de waterhuishoudkundige eenheid; 2. buiten het plangebied maar binnen de waterhuishoudkundige eenheid; 3. buiten de waterhuishoudkundige eenheid (peilgebied) maar binnen de polder. Om de compensatie opgave te bepalen is de Watersleutel ingevuld. Het resultaat hiervan staat in bijlage 2. Uit de watersleutel blijkt een compensatieopgave van 346 m2 oppervlaktewater of 106,1 m3 aan waterberging. De compensatieopgave wordt uitgevoerd door het plaatsen van een watersilo. Dit staat verder uitgewerkt in paragraaf 7.3.2.
Een en ander is afgestemd met het Hoogheemraadschap, zie ook paragraaf 7.3.3. Met het voornemen wordt de toegang tot de watergangen niet beperkt. Het initiatief vormt dus geen belemmering voor het beheer en onderhoud van het watersysteem. Ter plaatse van de overkapping wordt de grond met 10-15 centimeter opgehoogd. Dit voorkomt wateroverlast in de overkapping bij hevige regenval. Omdat wordt gecompenseerd voor de toename van verhard oppervlak vindt er geen verslechtering plaats voor (de waterhuishouding van) het omliggende gebied. Grondwater en watertekort Als onderdeel van de constructieberekeningen is door initiatiefnemer ook gekeken naar het grondwaterpeil. Dit ligt op 0,89 meter beneden het maaiveld. Ter plaatse van de overkapping wordt de grond met 10-15 centimeter opgehoogd. Daarmee zal van overlast door grondwater geen sprake zijn. Het grondwaterpeil hoeft niet te worden aangepast om de bouw van de overkapping mogelijk te maken. Onderhoud en bagger Met het voornemen wordt de toegang tot de watergangen niet beperkt. In het projectgebied liggen geen beschermingszones. Schoon water BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief Watersysteemkwaliteit en ecologie Het projectgebied ligt niet binnen of nabij het netwerk van Natte Ecologische Zones (NEZ) en ligt ook niet binnen een zoekgebied. Het projectgebied ligt ook niet bij een KRW-waterlichaam. Het initiatief leidt niet tot een (tijdelijke) achteruitgang van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem en belemmert het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen niet. Dit blijkt uit de toetsing aan de KRW bouwstenen: 1. Emissiereductie: het voornemen zorgt niet voor lozing van voedingstoffen milieuvreemde stoffen in oppervlaktewater; 2. Beheer: het voornemen zorgt niet voor belemmering van het beheer van de waterlichamen; 3. Inrichting watersysteem: zoals eerder genoemd ligt het projectgebied niet in/nabij het netwerk van NEZ of een zoekgebied en ook niet bij een KRW-waterlichaam; 4. Anticiperen op de toekomst: met voorliggende onderbouwing wordt gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij ook vanuit de aspecten water en klimaatadaptatie wordt geanticipeerd op de toekomst; 5. Recreatie: het voornemen maakt geen vaarrecreatie mogelijk. Biodiversiteit Het projectgebied grenst aan een houtsingel. De houtsingel blijft behouden, op een klein deel van circa 60 m2 na wat nodig is voor de watersilo naast de overkapping.
Gezuiverd afvalwater Het voornemen zorgt niet voor een toename van afvalwater. Het projectgebied ligt niet bij een persleiding of afvalwaterzuiveringsinstallatie. Klimaatadaptatie In paragraaf 8.7 wordt verder ingegaan op het aspect klimaatadaptatie. Daar wordt ook aandacht besteed aan de wateropgave voor 2050. 7.3.2
Watercompensatie
Om te compenseren voor de toename aan verharding is gekozen om een waterberging van 108 m3 te realiseren middels een watersilo. Het is binnen het projectgebied niet mogelijk om oppervlaktewater of een wadi aan te leggen. Bij de afweging is ook nagedacht over het verbreden van de naastgelegen watergang, maar dit zou tot negatieve gevolgen kunnen leiden voor biodiversiteit, omdat de ecologisch waardevolle houtwal over een grote oppervlakte verkleind zou worden. Met een watersilo wordt invulling gegeven aan de compensatie opgave door ‘zichtbaar grijs’. Daarvoor gelden vanuit de Richtlijn compensatie verharding de onderstaande eisen. Bij het ontwerpen van de voorziening dient rekening te worden gehouden met de volgende criteria: • • •
Het afvoerdebiet vanuit de voorziening is maximaal 20 m3/min/100 ha (ofwel 28,8 mm/etmaal). Bij een vertraagde afvoerconstructie leegt de voorziening indien deze volledig gevuld is in 24 tot 48 uur op het watersysteem of de riolering. Alleen in extreme neerslagsituaties waarbij de aanvoer groter is dan het ontwerpvolume mag, ter voorkoming van overlast vanuit de voorziening, via een noodoverlaat/slokop op het watersysteem of de riolering worden geloosd.
Hieronder wordt verder ingegaan op de watersilo.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
Afbeelding 7.2
Ligging watersilo t.o.v. de padelhal (Bron: Initiatiefnemer)
De watersilo heeft de volgende afmetingen: • • • •
Diameter: 5,49 meter Oppervlakte: 23,67 m2 Hoogte: 4,62 meter Inhoud: 108 m3
De hemelwaterafvoer van het dak boven de padelbanen watert af op de silo. Op een hoogte van ongeveer 0,5 meter komt een ‘geknepen’ doorvoer. Deze zorgt ervoor dat het water boven die doorvoer binnen maximaal 48 uur wegvloeit naar de sloot ten zuiden van het tennispark. Op die manier is weer tijdig ruim 106 m3 waterberging beschikbaar. Daarnaast wordt er een overstort aangelegd zodat in het geval van extreme neerslag kan worden geloosd op de naastgelegen watergang. De watersilo voldoet aan de eisen uit de Richtlijn compensatie verharding. 7.3.3
Afstemming met Hoogheemraadschap
Voorafgaand aan de aanvraag van de omgevingsvergunning BOPA is contact gezocht met Hoogheemraadschap Delfland. Tijdens een eerste gesprek begin juni 2025 is het voornemen besproken. Het hoogheemraadschap heeft meegedacht en aangegeven welke onderwerpen met name aandacht verdienen bij de waterparagraaf. Vervolgens is de concept waterparagraaf ingediend en besproken met het hoogheemraadschap. Per mail heeft het hoogheemraadschap op donderdag 14 augustus 2025 aangegeven akkoord te gaan met het voornemen een watersilo te realiseren om te voldoen aan de vereiste compensatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
7.4
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
HOOFDSTUK 8
BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •
geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’, ‘klimaatadaptatie’ en ‘lichthinder’ behandeld.
8.1
Geluid door activiteiten
8.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.
De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2
Situatie projectgebied
De geluidgevoelige gebouwen in de omgeving van het projectgebied dienen in voldoende mate te worden beschermd tegen geluidshinder. Initiatiefnemer heeft een onderzoek laten uitvoeren door Van dB Advies naar de geluidsbelasting op de omliggende woningen als gevolg van de padelbanen. De resultaten zijn hieronder opgenomen, het onderzoek staat in bijlage 3. Notitie akoestiek In de toekomstige situatie met 6 padelbanen onder de gedeeltelijk gesloten overkapping wordt bij bestaande geluidgevoelige gebouwen voldaan aan de wettelijke grenswaarden en aan de richtwaarden in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief Ter plaatse van de eventueel nieuw te bouwen woningen is wel sprake van een overschrijding van grens- en richtwaarden. Bij de verdere invulling van dat bouwplan zal rekening gehouden moeten worden met de geluidsbelasting als gevolg van de tennisvereniging. Dankzij de geplande padeloverkapping wordt al een eerste reductie gerealiseerd ten opzichte van de huidige situatie met alleen tennisbanen. Het rapport is beoordeeld en besproken met de omgevingsdienst Haaglanden. Het rapport is positief beoordeeld met enkele opmerkingen. In overleg is besloten om het rapport niet aan te passen, omdat de opmerkingen niet leiden tot andere conclusies. 8.1.3
Conclusie
De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.2
Bodemkwaliteit
8.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2
Situatie projectgebied
Door VanderHelm Milieubeheer is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder opgenomen, het rapport staat in bijlage 4. Verkennend bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief Besluit activiteiten leefomgeving (incl. grondwater)/ CROW400 Ter hoogte van de onderzoekslocatie wordt de Bodemindex en/of Interventiewaarde niet overschreden. In het grondwater zijn geen gehaltes aangetoond welke de signaleringsparameter overschrijden. Nader onderzoek wordt op basis van de onderzoeksresultaten niet nodig geacht. De onderzoeksresultaten zijn getoetst aan de CROW-publicatie 400 ‘Werken in of met verontreinigde bodem’. Hieruit blijkt dat voor de werkzaamheden in de bodem geen voorlopige veiligheidsklasse van toepassing is. Gesteld kan worden dat er geen directe aandachtspunten zijn voor de voorgenomen nieuwbouw en herinrichting. De locatie wordt geschikt bevonden voor het toekomstig gebruik. Regeling bodemkwaliteit en PFAS De resultaten van de grondmonsters zijn getoetst aan de Regeling Bodemkwaliteit t.b.v. het verkrijgen van een voorlopige kwaliteitsklasse bij eventueel grondverzet. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat de grond valt binnen kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur, Wonen of Industrie. 8.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.3
Luchtkwaliteit
8.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • • • 8.3.2
bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Situatie projectgebied
Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Met het voornemen wordt een milieubelastende activiteit mogelijk gemaakt. Door het voornemen neemt de verkeersgeneratie toe. Daarom moet de luchtkwaliteit beoordeeld worden. Om te bepalen of het project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Hierbij is de verkeersgeneratie ingevoerd (zie paragraaf 3.2) en is worstcase uitgegaan van 5% vrachtverkeer.
Afbeelding 8.1
Bijdrage NIBM project (Bron: NIBM tool)
Uit de NIBM-tool komt naar voren dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. 8.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
8.4
Geur
8.4.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie projectgebied
Het voornemen maakt geen geurgevoelige functie mogelijk of een functie die kan leiden tot geurhinder. 8.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief
8.5
Trillinghinder
8.5.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillinghinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2
Situatie projectgebied
Met het initiatief wordt geen trillinggevoelig gebouw gerealiseerd. Ook zorgt het voornemen niet voor een functie die kan leiden tot trillinghinder. 8.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillinghinder is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.6
Gezondheid
8.6.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. 8.6.2
Situatie projectgebied
Naast het algemeen kader is ook het gemeentelijk beleid over gezondheid relevant. In paragraaf 5.3.1 is het aspect gezondheid verder belicht in het kader van de gemeentelijke omgevingsvisie. Uit de toetsing aan dit beleid komt naar voren dat het initiatief een bijdrage levert aan positieve gezondheid door het toevoegen van sportmogelijkheden bij een bestaande sportaccommodatie. Daardoor kunnen meer mensen sporten. De overkapping boven de padelbanen is belangrijk om te borgen dat de sportvereniging zijn belangrijke functie voor sport en ontmoeting kan behouden. Uit de toetsing aan de instructieregels uit het Bkl blijkt verder dat het voornemen geen negatieve effecten heeft op de omgeving. 8.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
8.7
Klimaatadaptatie
8.7.1
Algemeen
Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Het KNMI heeft scenario’s opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe deze toename er naar verwachting in de toekomst uit ziet. Een vergrote kans op hitte, wateroverlast, droogte en overstromingen levert risico’s op voor veiligheid, gezondheid en economie. Ruimtelijke aanpassing om deze risico’s tegen te gaan noemen we klimaatadaptatie. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) hebben gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk de afspraak gemaakt dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen dient te worden voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer verder toeneemt. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt momenteel aan het opstellen van het programma ‘Water en Bodem sturend’. Dit programma moet structurerende keuzes meegeven aan ruimtelijke ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld woningbouw. Het is daarom van belang van klimaatadaptatie vroegtijdig in de planvorming te betrekken. Op het gebied van klimaat en energie begint een aanzienlijke verandering. Landelijk zijn er grote ambities, zoals vastgelegd in het klimaatakkoord dat op 28 juni 2019 door het kabinet werd gepresenteerd. Ook op lokaal niveau bestaan grote ambities.
In 2050 is het streven een klimaatneutrale gemeente te zijn, en tegen die tijd moet de CO2-uitstoot met 95% zijn verminderd ten opzichte van 1990. 8.7.2
Situatie projectgebied
Door middel van de Klimaateffectatlas is een quickscan verricht in het projectgebied voor de relevante aspecten. Wateroverlast In het projectgebied zal ook bij een extreme bui (140 mm/ 2 uur) geen sprake zijn van wateroverlast. Voor zichtjaar 2050 is slechts sprake van een kleine kans op toename door grondwateroverlast. In de huidige situatie ligt het grondwater op 0,89 meter beneden het maaiveld. De overkapping wordt met 10-15 centimeter opgehoogd. Daarmee zal geen sprake zijn van grondwateroverlast. Met de compensatie door de toename van verharding (zie paragraaf 7.3.2) heeft het voornemen geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Droogte
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Ruimtelijke motivering Sportlaan 3, Pijnacker Definitief In het scenario ‘2050 gemiddeld’ zullen in en om het projectgebied geen problemen optreden ten aanzien van tekort aan oppervlaktewater. In het scenario ‘2050 extreem droog’ is mogelijk sprake van een tekort aan oppervlaktewater. Met de compensatie door te toename van verharding (zie paragraaf 7.3.2) zorgt het voornemen voor waterberging in de vorm van een watersilo. Daarmee is er geen sprake van verslechtering. In het projectgebied is sprake van enige bodemdaling (3 tot 10 centimeter in het scenario ‘2050 hoog’). Door ophoging neemt de bodemdaling toe. Het ophogen van de gronden onder de overkapping is nodig voor het tegengaan van kans op (grond)wateroverlast. Daarbij gaat het om een relatief beperkte ophoging (10 tot 15 centimeter). Gesteld wordt dat de effecten hiervan beperkt en lokaal zijn. Hitte In het projectgebied is nauwelijks sprake van het stedelijk hitte eiland effect en van ernstige hittestress is ook geen sprake. Naast het projectgebied is een houtsingel aanwezig met schaduwrijke bomen. De te realiseren overkapping biedt schaduw tegen de zon en kan worden gekoeld. De overkapping maakt het spelen comfortabeler. Overstroming In het projectgebied is sprake van een extreem kleine kans op overstroming (eens per 3.000 tot 30.000 jaar en maximaal 0,5 meter). Daarmee is de ontwikkeling van het voornemen verantwoord.
Het voornemen heeft geen effecten op waterkeringen. 8.7.3